A|B|C|D|E|F|G|H|I|J|K|L|M|N|O|P|Q|R|S|T|U|V|W|X|Y|Z

 

P

 

Pāda: voeten (zie padma, lotusvoeten en Prabhupāda)

- Hoofdstuk, gedeelte van een boek.

- De voet van een berg.

- Een wiel.

- Een maat, een voet.

- Een kwart.

- Pada (zonder de ^): een stap, ruimte, standpunt, positie, thuis.

Pāda-vibhūti: het kwart van de totale wereld dat zichtbaar is, de materiėle wereld.

Pāńcajanya: de schelphoorn van Heer Krishna.

Pāńcarātrika: verzameling wetten en voorschriften terzake van het verrichten van toegewijde dienst.

- Om een toegewijde van Krishna te worden, houdt in dat men accepteert een opleiding te volgen: van een persoon geļnfecteerd door de symptomen van Kali-yuga (te zijn als een s'ūdra) klimpt men op tot de status van een deva.

Pāndava's: broers van Arjuna, de vijf broers, krijgsheren en intieme vrienden van Heer Krishna, die de heerschappij over de wereld van Hem kregen na hun overwinning in de slag van Kurukshetra.

- De vijf zoons van Koning Pāndu en Koningin Kuntī: Arjuna, Sahadeva, Nakula en Bhīma en Yudhishthhira (zie stamboom).

Pāndu: een jongere broer van Dhritarāshthra, die jong stierf en vijf zoons, de Pāndava's, achterliet onder de hoede van Dhritarāshthra.

Pāpa: zonde, moeilijkheden.

Pārijāta: de koraalboom, Erythrina Indica. Hij verliest zijn bladeren in juni en is dan overdekt met grote donkerrode bloemen. Het is een van de bomen van het paradijs voortgebracht bij het karnen van de oceaan (zie 8.7 & 8.8) door Indra ingepikt van wie hij naderhand in beslag werd genomen door Krishna. Ook bekend om zijn hout (vermeld in de beschrijving van b.v. Dvārakā, S.B. 10.50: 50-53).

Pārtha-sārathi: Krishna, de wagenmenner van Arjuna (Pārtha). 

Pārvatī: Satī, Heer S'iva's gade, wedergeboren als de dochter van de koning van de Himalaya's. Ze vervloekte koning Citraketu te worden herboren onder de demonen omdat hij haar had beledigd (zie S.B. 6.17).

Pāshandī (of pāshanda): een atheļst die denkt dat God en de halfgoden van hetzelfde niveau zijn.

- Ketterse, hypocriete bedrieger, een niet-refererende, niet bonafide, jaloerse, filosoof of een valse prediker.

Padma: lotus, de bloem van de lotusplant Nelumbium Speciosum die zich 's avonds sluit; vaak verward met de waterlelie of de Nymphaea Alba, die eraan verwant is.

- Aanduiding van spirituele zuiverheid.

- Pādma: van de lotus, alles in verband met een lotus, ookwel naam voor een bepaalde Kalpa.

Paksha: periode van veertien ą vijftien dagen (zie pańca-das'a), om precies te zijn de helft van een maanmaand; de eerste helft van nieuwe maan tot volle maan werd licht of helder, zichtbaar, pūrva of apūryamāna genoemd, later werd dat s'ukla of s'uddha; de andere helft niet zichtbaar, duister apara of apakshīyamāna, werd later krishna of tāmisra genaamd; iedere periode van twee weken bestaat uit 15 tithi's of maan-dagen genaamd prathamā (zie ook 5.20: 30).

Pańca-bhāga: ('de vijf porties'): de vijf claimers van de offers, de vijf huishoudgodheden: de goden, de voorvaderen, de zieners, de mensen en de lagere schepselen (zie b.v. S.B. 11.23: 9 en 7.14: 15, 7.15: 6 , 10.84: 39).

Pańca-das'a: periode van vijftien dagen (ahāni).

Pańca-mahābhūta: De vijf grofstoffelijke elementen: aarde, water, vuur, lucht, ether.

Pańcarātra: aanvulling op de Veda's, die de weg van de mūrti -verering beschrijft voor de toegewijden in het huidige tijdvak.

- Een toegewijde van Krishna worden impliceert een opvoeding ondergaan: van mens aangetast door de symptomen van Kali-yuga (zijn als een s'ūdra) wordt men bevorderd tot de status van een deva.

Pańcas'ikha: iemand die bevrijd is van de begrippen van annamaya, pra-ānamaya, manomaya, vijnānamaya en ānandamaya en die zich zo volmaakt bewust is van de subtiele gelaagdheid (in kos'a's) van de ziel word een pańcas'ikha genoemd. Overeenkomstig de uitlatingen van de Mahābhārata (Sānti-parva, hoofdstukken 218-219), nam een ācārya genaamd Pańcas'ikha geboorte in de familie van Mahārāja  Janaka, de heerser van Mithila. De Sānkhya filosofen aanvaarden de Pańcas'ikhācārya als een van hen.

Pańca-tattva: (pańca: vijf) De werkelijkheid van Heer Caitanya bestaande uit Hemzelf, Heer Nityānanda, Heer Advaita, Heer Gadādhara en Heer Vāsādi. Worden als Vishnu-tattva beschouwd (zie ook pańca-tattva-mantra en Vyūha).

Pandita (Hindoe: pundit): Geleerde, geleerd iemand, een geschoolde (zie 11: 29: 12 en B.G. 2: 11, 4: 19, 5: 4, 5: 18 3: 25-26).

Pannaga: 'laag kruipend': onderkruipsels van slangen, koningen of vijanden; slangendoders of slangeneters.

Parag-ātmā: de ziel gehecht aan zinsbevrediging.

Parā-bhakti: intieme omgang met Krishna (hoogste vorm). Zuivere toewijding. Staat tegenover viddha-bhakti: met materiėle motieven besmet (zie ook vaidhi en rāganuga-bhakti).

Parābhava: nederlaag, zoals de moslim Kazi van Heer Caitanya de overwinning moest aanvaarden (C.C. Ādi 17. 168).

- Het feit dat māyā iedereen in haar greep krijgt. Reden van de klank-incarnatie van de Hare  Krishna-mahāmantra.

Parakīya: Liefdesrelatie buiten het huwelijk om.

Param: hoger, transcendent, verheven zuiver geestelijk, bovenzinnelijk, voorbij aan.

Paramahamsa: (van parama: hoogste, en hamsa: zwaan). De meest verhevene van alle zelfgerealiseerden, of iemand die zoals een zwaan, een hamsa, die uit een mengsel van melk en water alleen de melk weet te halen, in staat is om in alle omstandigheden altijd alleen de Heer te zien, in wie hij volkomen opgaat (zie ook sannyāsa).

Paramātmā: de Superziel (Kshirodakas'āyī Vishnu). Transcendentale natuur van Krishna. Het alomtegenwoordig plaatselijk persoonsaspect van Krishna: 'God'.

- Tweede realisatie-nivo naast Bhagavān en Brahman (zie ook 1.2: 11, vibhu-ātmā en sat-cit-ānanda).

- Volkomen expansie van Krishna (Bhagavān) die leeft in het hart van ieder levend wezen, in elk atoom van de stoffelijke schepping en zelfs tussen de atomen in. Hij vertegenwoordigt het overal plaatselijk aanwezige aspect van de Absolute Waarheid.

Param Brahman: het Allerhoogste Brahman.

- De Persoonlijkheid Gods, S'rī Krishna.

Param-dhāma: Zijn woning, de geestelijke wereld.

Parames'vara: de Superziel, de Absolute Meester.

Param-guru: andere naam voor geestelijk leraar. Leraar die onderricht vanuit en ten behoeve van het transcendente. De leraar in overstijging (zie ook caittya).

Paramparā: ('de een na de ander') geestelijke erfopvolging. Voor de Hare Krishna's: de Brahmā-Madhvā-Gaudiyā-sampradāya (zie ook 5.13: 24, 12.6: 46 en B.G. 4: 1-3 en sampradāya).

- Erfopvolging van geestelijk leraren die, zonder er ook maar iets aan te veranderen, het oorspronkelijke onderricht van de Heer van geslacht op geslacht hebben overgeleverd tot en met vandaag.

Paramparā-methode: kennisoverdracht met het kritisch heraanpassen aan tijd en plaats van geestelijke kennis waarbij steeds naar de bron (Krishna en Zijn toegewijden en geschriften) wordt terugverwezen (zie sampradāya).

Paramparā-guru: bonafide leraar in geestelijke kennis, - zelfverwerkelijkte ziel die

1) Als leraar in erfopvolging staat en

2) Tattva  dars'inah is, een waarheidziener (zie ook stitha  prajna en ācārya en guru).

Parantapa: een naam van Arjuna - Hij die de vijand kastijdt.

Parārdha: de helft van het leven van Brahmā, dat in zijn totaal 311 biljoen 40 miljard jaar duurt.

Parā-prakriti: zie prakriti.

Parāsara Muni: een grote wijze, vader van Vyāsadeva.

Paras'urāma: een incarnatie van de Heer die in een grijs verleden verscheen om de klasse der krijgers, die in verval was geraakt, omver te werpen (paras'u betekent hakbijl).

Para-tattva: het aspect van de Absolute Waarheid, 'de hoogste werkelijkheid'.

Paravyoma: het geestelijk zwerk, het geestelijk bereik, het spirituele doel. Als leefwereld ookwel Vaikunthha genoemd door de Vaishnava's (zie ook moksha en Brahman).

Paria: onaanraakbare, 'asociale' met wie men omgang vermijdt (zie candāla en harijan).

Parīkchit (Parīkshit): kleinzoon van Arjuna. Zoon van Abhimanyu en en Uttarā. Een mahārāja, de keizer die als kind in de baarmoeder beschermd werd door Krishna en later de Yadu-dynastie voortzette. De eerste vedische vorst die de normen voor Kali-yuga bepaalde en vervloekt werd binnen een week te sterven door de zoon van een brāhmana omdat hij een van hen niet correct behandelde. Om hem de perfectie te laten bereiken werd toen het S'rīmad Bhāgavatam voorgedragen door S'ukadeva Gosvāmī, de zoon van Vyāsa Deva, de oorspronkelijke auteur van het boek over de Heer en Zijn toegewijden.

- Ookwel Vishnudatta of Vishnurata genaamd, hij geschonken door, of gepresenteerd door Vishnu.

Pas'u: dierlijke aard; de slang van de Tijd in vier noodzakelijkheden, vier dierlijke geneigdheden - āhāra, nidrā, bhaya en maithuna; eten, slapen, vrezen of verdedigen en voortplanten (zie 7.9: 5).

- Benaming voor de laagste of eerste vorm van tantra-yoga, de yoga van de transformatie van sexuele energie, waarbij men zich beperkt tot één partner.

Pas'u-pati: Heer S'iva als de heer van de dieren. Aanbeden door de gopa's van Vraja in 10.34.

Patańjali: de grote autoriteit van het ashthānga-yoga-systeem en auteur van de yoga-sūtra (zie ook yoga).

- Incarnatie van Ananta S'esha ofwel Sankarshana (zie catur-vyūha)

Paundraka: een koning poserend als Krishna die door hem werd gedood (zie 10.66).

Pavarga: strijd om het bestaan, gepaard gaande met nederlaag, uitputting, gevangenschap, angst en de dood.

Pavitra: zuiver.

Payo-vrata: (vasten op alleen drinken, op alleen melk vasten) een vorm van vasten op de gelofte van alleen maar drinken die sarva-yajńa (het offer dat alle andere offers dekt) wordt genoemd en wordt aldus, met de liefdadigheid de Heer behagend, begrepen als de eigenlijke essentie van alle verzakingen, zo zegt Kas'yapa tot zijn vrouw Aditi die op die manier vast om geboorte te geven aan Heer Vāmana (zie 8: 17).

Phala-s'ruti: 'de vrucht van het luisteren', de belofte van succes gegeven aan een ieder die luistert, gebruikelijk aan het eind van een hoofdstuk zoals zich dat regelmatig voordoet in het Bhāgavatam aan het eind van het bespreken van een onderwerp van de toewijding.

Phālguna; naam van Arjuna als hij die geboren werd in de maand, op het moment waarin de volle maan staat in de Nakshatra, in de ascendant, van (Pūrvā) Phalgunī (Februari-Maart). Zo was hij dus maar acht dagen ouder dan Krishna die geboren was met Rohini rijzend.

Phalgu-vairāgya: de onvolwassen vorm van verzaking die materiėle zaken, moderne middelen, de materiėle wereld afwijst die op zich bezien bevorderlijk is voor de toegewijde dienst als staande tegenover yukta-vairāgya, het alles betrekken in de dienst aan Heer Krishna.

Pingalā: prostituee aangehaald in een verhaal van Krishna voor Uddhava als één van de vierentwintig leraren van de a v a dhūta. Van haar leert men niet te verlangen en zo Krishna te vinden (zie 11.8: 22-44).

Pipal (pippala) boom (Ficus religiosa) of de as'vattha, een boom eigen aan India genaamd de heilige vijgenboom, vereerd door de Buddhisten, die geloven dat Gautama Buddha zijn verlichting bereikte onder een Bo of Bodhi boom te Bodh Gaya. De Bo boom bereikt een grote afmeting en hoge leeftijd; de bladeren, die neerhangen van lange, flexibele bladstengels, ritselen bij het lichtste briesje. De Pipal wordt ook wel gespeld als peepul of pipul. Alle delen van de Pipal boom, met inbegrip van de wortels, de bast, bladeren en de vruchten, zijn van nut. De botanische kwalificatie van de Bo boom is:

Afdeling: Magnoliophyta; klasse: Magnoliopsida, orde:  Urticales; familie:  Moraceae.

Beschrijving van de plant: grote boom. Bloemkleur rood. Bloeit in Februari. Vruchten in mei / Juni. Wijd verspreid in de hooglanden en de vlakten.

Plantendelen die worden gebruikt: Wortel / Bast / Blad / Vrucht.

- Vermeld als zijnde Hem in de Gītā (op 10: 26) en in het Bhāgavatam als de boom te Prabhāsa waaronder Krishna zat toen Hij door Jarā de jager werd geraakt en Hij vertrok naar Vaikunthha (zie 11.30: 27).

Pis'āca's: gele vleesetende duivels, ookwel kwade elven en ook: vijandig gezind iemand, een wildeman, een duivel; een duivelskind, een kwaadwillend of duivels wezen en een duivelin.

Pitā's: overleden voorouders die zijn bevorderd naar een eerzame positie op een van de hogere planeten.

Pitriloka: de planeten, de leefwereld van de verscheiden voorouders.

Planeten, Helse -: planeten, leefwerelden die tot het lagere behoren. Ze zijn van het duister en demonisch, en degenen die er als gevolg van hun zondig doen en laten komen te leven, leiden er een leven van ondraaglijk leed (zie ook Loka).

Planeten, Hemelse -: planeten, leefwerelden die tot het hogere behoren. De wezens die er leven bevinden zich op een hoger niveau, leven veel langer en hebben er veel omvangrijker - beter gereguleerd - zingenot dan op de andere planeten van het universum (zie ook Loka).

Prācīnabarhi: een koning die, verstrikt in baatzuchtig handelen, instructie van Nārada Muni ontving over de essentie van de ziel. Deze instructie mondt uit in het verhaal over het leven en zijn beproevingen en de werkelijkheid van reļncarnatie met het karakter van Puranjana die leefde in de stad met de negen poorten naar analogie van de ziel die het lichaam bewoont (zie 4.25-29). Vader van de Pracetā's.

Prākrita: toewijding op derde rangs, materiėel nivo: men heeft nog geen duidelijk idee van Krishna en Zijn toegewijden. Van toepassing op christenen en moslims (zie 11.2: 47).

Prākritimsvam: Krishna's term voor Zijn eigen bovenzinnelijke gedaante.

Prāna: de levensadem, de vitale adem.

- Kosmische energie potent aanwezig in zuurstof; levensbewerkend principe dat het hele universum doordringt (zie ook vāyu).

Prānāyāma: adembeheersing door de vayu's of de beweging van de lucht zo te reguleren dat er welbehagen optreedt (zie vāyu & pūraka - inademen, recaka - uitademen, kumbhaka, vasthouden).

- Vierde fase van de ashthānga-yoga, bestaande uit adembeheersing door Krishna besproken in S.B. 11.14: 32 en B.G. 4.29).

Prabhāsa: ('schittering') plaats waar Krishna de aarde verliet.

Prabhu: meester, eretitel voor gerespecteerde bhakta's.

Prabhupāda: letterlijk meester van de voeten, eretitel voor geestelijk leraar.

- De vaishnava-ācārya die de bhakti yoga van Heer Krishna-Caitanya naar het westen bracht en de verzen van dit boek vertaalde. Dit boek (Krishna en de Zingende Filosoof) is opgedragen ter gelegenheid van zijn honderste geboortedag (zie ook pāda).

- Ookwel Vishnupāda: de toevlucht de beschutting die Vishnu is.

Prabodhānanda Sarasvatī: grote vaishnavadichter en toegewijde van Heer S'rī Caitanya Mahāprabhu.

Pracetā's: de zoons van koning Prācīnabarhi. Zij trokken zich terug voor boetedoeningen en ontvingen instructie van Heer S'iva (4.24) en Nārada (4.31). Later trouwden ze met Mārishā die geboorte gaf aan Daksha (4.30, 31).

Pradhāna: de primaire natuur, de oerether, de primaire niet geėvolueerde materie van de natuur, het ongedifferentieerde dat in bezit is van de gedifferentieerde materiėle natuur, bestaande uit de oorzaak en het effect van de combinatie van de drie geaardheden of basiskwaliteiten (zie ook sūtra, elementen, S.B.: 3.26:10; 3.29: 36, 10.85: 3, 11.22: 33 en 12.4: 20).

Pradyumna: 'de machtige boven alle anderen' een van de vier oorspronkelijke expansies van Heer Krishna in de geestelijke wereld heersend over de intelligentie; naar verluid een incarnatie van de God van de Liefde (zie ook Sankarshana - van het ego, Aniruddha - van de geest en Vāsudeva van het bewustzijn, zie ook Vyūha's, S.B. 4.24:35-37 en Pańca-tattva).

- Naam van de god van de liefde Cupido herboren als een zoon van Krishna en Zijn eerste vrouw Rukminī.

- Pradyumna, de zoon van Krishna vocht tegen S'alva, een lid van de familie die partij koos voor S'is'upāla. Hij kon de grote magiėr niet verslaan en zo was het Krishna in eigen persoon die S'alva bedwong (zie 10.76).

Prahasan: glimlachend: kenmerk van Krishna.

Prahlāda: Een groot toegewijde van de Heer en zoon van Hiranyakas'ipu, een demonisch heerser die door strenge onthoudingen had bedongen door geen enkel wapen te worden vernietigd, maar uiteindelijk door Heer Nrisimha-deva Zijn nagels uit elkaar werd gereten. Prahlāda heeft een bijzondere betekenis voor de toegewijden, de bhakta's, omdat hij door steeds Krishna te gedenken uiteindelijk de genade van de bevrijding van de ellende van zijn vader verkreeg. (zie Bhāgavata Dharma ook Nrisimhadev en de bhajan over hem, zie 7.5 en verder).

Prajāpati: de stamvader, b.v. Daksha en Kardama (zie ook Manu en Mahārishi).

- Verwekker van de generaties;

- Heer Brahmā.

Prajna: geleerdheid, kennis van het goddelijke, bewustzijn van de ware kennis van God.

Prakās'a-vigraha: gedaante van Krishna, die op enkele uiterlijke trekken na volkomen aan Zijn oorspronkelijke gedaante gelijk is.

Prakriti: de stoffelijke natuur (apāra-) met de levende wezens (parā prakriti)

Pralaya: vernietiging. De voortgang van kāla wordt beschreven als zijnde van een voortdurende (nitya), incidentele (naimittika), natuurlijke (elementaire of prākritika) en uiteindelijke (ātyantika) vernietiging of pralaya (12.4: 38).

- Een tweede soort van voleinding (prarisankrama) wordt gegeven in 3.10: 14: die van de planten die eindigen met het universum, die van de lagere dieren die uitsterven en die van de hogere wezens die in de Heer eindigen.

Pralamba: een zwarte demon gestuurd door Kamsa met de bedoeling Krishna te vernietigen. Hij probeerde er vandoor te gaan met Balarāma op Zijn rug, maar werd door Hem gedood (10.18).

Pramatha's: (uitgedacht, wijs) de verschillende mystieke toegehorigen van heer S'iva. Trekken met hem ten strijde zoals met de strijd tegen Bāna in 10.63.6 (en in 10.66.31 en 10.74.52).

Pramāda: illusies door onoplettendheid, verkeerd begrip van de werkelijkheid (zie ook bhrama).

Pramāna: (maat, schaal, standaard, juiste notie, eenheid, vereniging) een middel om pramā te verwerven ofwel zekere kennis; bewijs. Volgens 11.19: 17, zijn er vier vormen van zekere kennis of bewijs: s'ruti, smriti (ookwel aitihaya of traditionele kennis), pratyaksha (directe ervaring) en anumāna (afleiding uit logisch redeneren). In de bhakti geldt ook de indeling in guru, de leraar, s'astra, de geschriften, en sādhu de medegelovige, als de bronnen van kennis hieraan verwant.

- De vier pramāna's volgens het M.W.-woordenboek zijn: kennis door de zintuigen, door gevolgtrekking, door vergelijking, en door verbaal gezag.

- Waarheid door zintuiglijke waarneming.

- Zes in de vedānta, viz. pratyaksha, zinswaarneming; anumāna, gevolgtrekking; upamāna, analogie of vergelijking; s'abda of āpta-vacana, verbaal gezag, openbaring; anupalabdhi of abhāva-pratyaksha, niet-waarnemen of negatief bewijs; arthāpatti, afleiding uit omstandigheden.

- De nyāya laat er slechts vier toe, met buitensluiten van de laatste twee.

- De sānkhya laat er slechts drie toe, pratyaksha, anumāna en s'abda.

Pramlocā: het hemelse meisje door Indra gestuurd om de wijze Kandu te verleiden en van wie de dochter Mārishā werd geboren die de echtgenote werd van de Pracetā's.

Pranas'yati: door intelligentieverlies voor verleidingen bezwijken.

Pranava (omkāra): oerklank van God, identiteit van Krishna als bovenzinnelijke klank: AUM (zie ook omkār en 11.14: 34, 11.21: 36-40).

- 'Volgens S'rīla  S'rīdhara Svāmī, kent de pranava, of omkāra, vijf delen - A, U, M, de nasale focus (bindu) en de nagalm (nāda). Bevrijde zielen mediteren op de Heer aan het eind van die nagalm' (pp 11.27: 23).

Prasāda(m): (genade, gunst) aan Krishna geofferde voeding bereid uit melk, granen, bonen, groenten en vruchten. Wordt als heilzaam en zegenrijk beschouwd. Door offeren aan Krishna krijgt het geofferde de kwaliteit van Krishna.

- Elke genadeblijk van de Heer.

Pratiloma: iemand uit een gemengd huwelijk tussen een vader van een lagere en een moeder van een hogere komaf. Ter sprake in: 10.78: 24

- Iets in tegenspraak met de natuurlijke gang van zaken of orde, tegengesteld, omgekeerd, strijdig, vijandig, onaangenaam, onplezierig.

Pratyag-ātmā: de van stoffelijke banden bevrijde ziel.

Pratyāhāra: het staken der zins-activiteiten; een van de acht onderdelen van de ashthānga-yoga die volgt op de adembeheersing of pranayāma; het terugtrekken van de zintuigen uit alle onnodige activiteiten, het 'de blik inwaarts richten'.

Pravritti-mārga: de weg van het zingenot volgens aanwijzingen van de Veda's.

- De toegewijde dienst aan de Allerhoogste Heer heet nivritti-dharma, het meer zinsgeoriėnteerde aanbidden van de goden en de voorvaderen met ceremonieel vertoon van offerandes heet dan pravritti-dharma (zie ook S.B.: 3.32: 2, 4.4: 20, 7.15: 47, 11.10: 4 en dharma).

Prema: werkelijke, spontane, devotionele liefde voor/van God (Krishna), het resultaat van sraddhā en bhāva.

Preta's: geesten, spoken, kwade toegehorigen van heer S'iva.

Pris'nigarbha: naam van de Heer als degene geboren uit de voorvader Pris'ni, ofwel Vāmanadeva (zie 6.18: 1-9).

Prithā: Arjuna's moeder, vrouw van Pāndu; zie Kuntī.

Prithu Mahārāja: een gevolmachtigde incarnatie van Krishna die liet zien hoe je een ideale koning moet zijn (zie 4.15-23).

Priyavrata: van de vader van de mensheid Svāyambhuva Manu en zijn vrouw S'atarūpā hun seksuele leven overeenkomstig de regels der religie, was er een toename van de generaties. Hij verwekte uit S'atarūpā vijf kinderen met Priyavrata en Uttānapāda als hun zoons en Ākūti (getrouwd met de wijze Ruci), Devahūti (die trouwde met Kardama) en Prasūti (die trouwde met Daksha) als hun dochters. De twee zoons waren van het grootste en hun zoons en kleinzoons verspreidden zich over de gehele wereld. Dhruva was een kleinzoon van Uttānapāda (zie 3.12:56, 4.1 4.8:7, 4.31: 26). Hoewel weifelachtig zijn plicht te doen, werd Priyavrata overtuigd door Brahmā zelf. Zo onstonden toen de vele generaties. Hij dacht er de Heer volmaakt recht mee te doen op een wagen de Berg van de Verlichting van de zonnegod te omkruisen. Met de sporen van zijn wielen zo wordt gezegd vormde hij de zeven toevluchtsoorden, de eilanden van bhū-mandala (zie 5.1 voor het verhaal). Een andere dochter genaamd Ūrjasvatī schonk hij weg als de vrouw van de grote wijze Usanā (Sukrācārya).

Pulaha: een van de tien Mahārishi's geboren uit Brahmā. Ontving van Kardama zijn dochter Gatī ten huwelijk (3.24: 22).

- Gatī, de echtgenote van Pulaha bracht drie kuise zonen ter wereld (Karmas'reshthha, Varīyān en Sahishnu) die alles van karma afwisten en eveneens zeer respectvol en tolerant waren (4.1: 38).

- Zijn ās'rama, ook wel Hari-kshetra genaamd, is gelegen in Hardwar en behoort tot de heiligste plaatsen (5.7: 8) die degene die de goedgunstigheid verlangt keer op keer weer behoort te bezoeken omdat het daar is dat van de personen de religieuze activiteiten volbracht een duizend maal effectiever zijn (zie 7.14: 30-33).

- B harata trok zich wederom terug in Pulastya's en Pulaha's ās'rama als het hert waarin hij was veranderd (zie 5.8: 30).

Pulastya: een van de tien Mahārishi's geboren uit Brahmā. Ontving van Kardama zijn dochter Havirbhū ten huwelijk (3.24: 22).

- Pulastya verwekte in Zijn vrouw Havirbhū, Āgastya, die in zijn volgende geboorte Dahrāgni zou zijn (hij van het vuur van de spijsvertering) en Vis'ravā de grote van de verzaking (4.1: 36).

- De ene wijze die Parāsara Muni het Bhāgavatam uitlegde dat later werd verteld aan de wijze Maitreya die Vidura instrueerde (zie 3.8: 9).

- B harata trok zich wederom terug in Pulastya's en Pulaha's ās'rama als het hert waarin hij was veranderd (zie 5.8: 30).

Pundit (pandit): (geleerde, leraar, filosoof, brahmaanse wijze, geleerd man) voorganger, priester in hindoe-plechtigheden (zie ook mimāmsā en darshana).

- Een Hindoe brahmaan die een aanzienlijk deel van de Veda's van buiten heeft geleerd, tezamen met de bijbeh0rende ritmen en melodieėn voor het reciteren en voordragen ervan. Hindoes huren ze om vedische verzen te chanten bij yajńa's en andere gebeurtenissen, zowel publiek als privé.

- Een term van grote achting gebruikt voor indiase klassieke muzikanten (meestal Hindoe) die erkend zijn als meesters.

Purāna: vertelling; achttien zeer oude boeken over de geschiedenis van deze planeet en andere planeten (er zijn ook achttien upa-purāna's, kleinere purāna's).

- De vertellingen; achttien zeer oude boeken of bijbels, zes over Vishnu, zes over S'iva en zes over Brahmā, die de (Vedische) geschiedenissen van de relatie van de mensheid met de verschillende gedaanten van God en hun werelden bevatten. De Vishnu-purāna het S'rīmad Bhāgavatam of ookwel de Bhāgavata Purāna of de Paramahamsa Samhitā genoemd, geldt als de belangrijkste (zie ook 12.7: 23-24, 12.13: 4-9, itihāsa, Veda).

Schepping, secundaire schepping, de dynastieėn van de koningen, hun handelingen en de regeerperioden van de Manu's zijn de vijf kenmerken van iedere Purāna (Amarkhasa).

'De zes Vishnu purāna's zijn:

1. S'rīmad Bhāgavatam Purāna (18.000 verzen) heeft vanwege zijn prachtige presentatie, een hoge positie verworven in de Sanskriet literatuur. Het bevat verhalen die betrekking hebben op de verschillende incarnaties van Heer Vishnu en grotendeels handelen over het leven en spel van Heer Krishna.

2. Vishnu Purāna (23.000 verzen) bestaat uit vijf delen. Het eerste deel beschrijft de schepping van het universum, pralaya, en het karnen van de oceaan. Het tweede deel bevat de geografische (aardrijkskundige) beschrijving van de aarde verdeeld in zeven eilanden. Het derde deel beschrijft het ontstaan van het Bhoeddhisme. Het vierde deel bevat een beschrijving van de bevolking op de aarde vanaf het begin. Het vijfde deel is geheel gewijd aan het leven en activiteiten van Heer Krishna: (Verhalen over allerlei toegewijden; beschrijving van het varnās'rama-systeem; De zes anga's (delen, ledematen) van de Veda; een beschrijving van Kali-yuga; een beschrijving van het Sveta Varāha Kalpa; Vishnu dharmotara en Varāha Kalpa).

3. De Nāradiya of Nārada Purāna (25.000 verzen) is een vaishnava Purāna, gepresenteerd in een stijl die een tweespraak weergeeft tussen Nārada en Sanat-kumāra. Deze purāna bevat een gedetailleerde omschrijving van belangrijke bedevaartplaatsen (een volledig overzicht; het beschrijft Jagannātha Puri, Dvārakā, Badrinatha, etc.).

4. Padma Purāna (55.000 verzen). Bestaat uit vijf delen. In het eerste deel legt de wijze P ulastya de essentie van de religie uit aan Bhīshma. Het tweede deel bevat een beschrijving van de aarde. Het derde deel bevat verhalen over de schepping en een geografische beschrijving van India. In het vierde deel wordt het leven van Heer Rāma beschreven. Essentiėle kennis betreffende religie wordt besproken in het vijfde deel in een tweegesprek tussen Heer S'iva en Pārvatī (behelst de heerlijkheid van het S'rīmad Bhāgavatam; de verhalen over Heer Rāma, Jagannatha, Matsya, Ekādas'ī, Bhrigu, etc.).

5. De Varāha Purāna (24.000 verzen) vertelt het verhaal van de redding van de aarde door de avatāra Varāha (zwijn-incarnatie van Heer Vishnu ). (Beschrijft verschillende vrata's; manieren van aanbidding, en het zich houden aan geloften; ook de heerlijkheden van Heer Vishnu).

6. De Garuda Purāna (19.000 verzen) verhaalt over Heer Vishnu die Zijn drager-adelaar Garuda instrueert over de subtiliteit van religie en het leven. Naast minder diepgaande verhalen over religie en moraal, bevat deze Purāna ook beschrijvingen over diamanten juwelen en manieren om de beste kwaliteit van juwelen vast te stellen (heeft als onderwerp de Bhagavad-gītā; reļncarnatie; vishnu-sahāsra nama; en beschrijving van Tarsya Kalpa).

De zes Brahmā Purāna's zijn:

1. De Vāmana Purāna (10.000 verzen) is in zijn geheel gewijd aan de Vāmana  avatāra (dwerg incarnatie) van Heer Vishnu, verslag doend in een tweespraak tussen de wijze Pulastya en de toegewijde Nārada Muni.

2. De Mārkandeya Purāna (9.000 verzen) begint met een vraag, gesteld door de wijze Jaimini. In antwoord op deze vraag legt de wijze Mārkandeya uit wat de aard is van deze purāna (Verhalen over Heer Rāma en Heer Krishna).

3. Brahmā Purāna (10.000 verzen) Deze purāna bestaat uit twee delen: de Purva Bhāga en de Uttar Bhāga. De Purva Bhāga bevat verhalen over de schepping en beschrijvingen van Heer Rāma en Heer Krishna. De Uttar Bhāga bevat een gedetailleerde beschrijving van Purushottama Tīrtha, het meest beroemd onder alle heilige plaatsen.

4. Brahma Vaivarta Purāna (18.000 verzen). Deze purāna bestaat uit vier delen. Het eerste deel bevat het scheppingsverhaal. Het tweede deel verhaalt over goden en godinnen. Het derde deel bevat vertellingen in verband staand met heer Ganesha. In het vierde deel wordt verhaald over het leven en activiteiten van Heer Krishna (Over de roem en spel en vermaak van Rādhā en Krishna ).

5. Brahmānda Purāna (12.000 verzen). Het is de laatste van de achttien purāna's. Deze purāna is nu beschikbaar in aparte onderdelen; er schijnt geen verband te bestaan tussen de onderdelen. Voorheen behelsde deze purāna ook de Ādhyatma Ramāyana (beschrijft Vedanga's en de Adi Kala).

6. Bhavishya Purāna (14.500 verzen). Deze purāna bestaat uit vijf delen (parva's). Het eerste deel geeft een omschrijving van de schepping. Het tweede, derde en vierde deel bevatten gedetailleerde beschrijvingen van respectievelijk heer S'iva, Heer Vishnu en Sūrya. In het vijfde deel wordt een beschrijving van de hemelen gegeven (Over de glorie van de toegewijde dienst; voorspelling van Heer Caitanya).

De zes S'iva Purāna's zijn:

1. Skanda Purāna (81.100 verzen). Het is de grootste purāna. Hoofdzakelijk gewijd aan Kārtikeya (Skanda), de zoon van heer S'iva en Pārvatī. Daarnaast bevat het ook veel verhalen over heer S'iva en veel heilige pelgrimsoorden, bijna allen hoofdzakelijk gewijd aan S'iva.

2. S'iva Mahāpurāna (24.000 verzen). Dit is ook een enorme verzameling verhalen hoofdzakelijk gewijd aan het leven en activiteiten van heer S'iva. Deze purāna is verdeeld in zeven samhitā's, die tezamen meer dan 24.000 verzen (stanza's) bevatten.

3. Kūrma Purāna (17.000 verzen) De Heer Zelf heeft deze purāna vertelt aan Nārada in Zijn schilpad-incarnatie. Nārada vertelde het aan Sūtaji die het op zijn beurt vertelde aan een groep bijeengekomen wijzen (Bevat het gesprek tussen Heer Krishna en de Zonnegod - genoemd in de Bhagavad  Gītā; Dhanvantari; en beschrijft de Lakshmī Kalpa).

4. De Matsya Purāna (14.000 verzen) gaat over de Vis-incarnatie van Heer Vishnu en het behoud van Manu en de zaden van al het leven tijdens de vernietiging (pralaya) door de Matsya avatāra (Over het bouwen van tempels; beschrijft de Vāmana en Varāha Kalpa's).

5. De Linga Purāna (11.000 verzen). Het predikwerk over de glorie van Heer S'iva en Linga verering (puja) is het hoofd-onderwerp van deze purāna. Deze purāna in twee delen, bevat verhalen over de schepping van het universum, de origine van de l i nga, van de Veda's, heer Brahmā, Heer Vishnu etc. (Over de heerlijkheid van Heer Nrisimhadeva; Janārdhana; het verhaal van Ambarīsha Mahārāja en de heerlijkheid van de G āyatrī).

6. De Agni Purāna (15.400 verzen) is toegewijd aan Agni (de god van het vuur). In deze purāna doet Agni het predikwerk aan de wijze Vasishthha. Het bevat de beschrijving van verschillende incarnaties van de Heer, Heer Rāma en Heer Krishna alsook van de aarde en de sterren (Over de Salagrama; beschrijft de Isana Kalpa ).

(zie ook urday.com en alt.hindu).

- Er zijn ook tien kenmerken van een purāna:

- De schepping (van dit universum, sarga),
- de daaropvolgende schepping (van verschillende werelden en wezens, visarga),
- de handhaving (het onderhoud, de vritti of sthāna)
- en bescherming (de rakshā of poshana van de levende wezens),
- de tijdperken van heersen (
manvantara's van de verschillende Manu's),
- de dynastieėn (vams'as),
- de vertellingen over hen (vams'a-anucaritam),
- de vernietiging (van verschillende aard,
pralaya of samsthā),
- de motivatie (van het individuele of hetu)
- en de allerhoogste toevlucht (van de Fortuinlijke of apās'raya), (zie
2.1o: 1 en 12.7: 9-10).

- S'rīla Jīva Gosvāmī heeft hierbij duidelijk gemaakt dat de tien belangrijkste onderwerpen van het S'rīmad-Bhāgavatam terug te vinden zijn in ieder van de tien Canto's. Men moet niet proberen ieder van de tien toe te wijzen tot één Canto apart. Noch moet het S'rīmad-Bhāgavatam kunstmatig worden uitgelegd om te bewijzen dat het in opeenvolging die onderwerpen behandelt. Het is eenvoudigweg zo dat alle aspecten van kennis belangrijk voor menselijke wezens, samengevat in de tien categorieėn hierboven vermeld, worden besproken met wisselende graden van nadruk en analyse door het hele S'rīmad-Bhāgavatam heen [pp. 12.7: 9-10].

Purańjana: koning in een allegorische voorstelling van de jīva levend in de stad met negen poorten, ofwel het lichaam (zie 4.25 en verder); een verhaal verteld door Nārada aan koning Prācīnabarhi.

Purānah: de oudste; een kwaliteit van de ziel.

Purūravā: een koning geboren uit de tot een vrouw vervloekte Sudyumna en de machtige Budha. Hij trouwde later met de hemelse Urvas'ī die hem verliet in ontkenning van zijn gehechtheid (zie 9.14).

- Grondlegger van de dynastie die met de Yadu's en de Kuru's (nazaten van Pūru) met zichzelf in strijd raakte in de grote oorlog van Kurukshetra.

Purusha: het mannelijk principe; de Absolute Waarheid in oorspronkelijke persoonlijke gedaante (mahāpurusha). De Heer als de purusha nam de universele vorm aan van de materiėle wereld met haar zestien principes van materiele actie (S.B. 13:1, zie ook virath-rūpa)

- De oorspronkelijke persoon, de onbelichaamde godheid.

- (als oorzaak en gevolg), de geest, de elementen, valse ego, de guna's, de zinnen, de Universele Vorm of Gedaante (zie virath-rūpa) met de bewegende en niet-bewegende levende wezens en volledige onafhankelijkheid tesamen.

- Het levend wezen, de persoon als genieter.

- Krishna als de Allerhoogste Genieter.

- Vishnu als de eerste avatāra (purusha-avatāra, zie Vishnu).

- Kwam los van de materiele natuur te staan onder de invloed van de Tijd (zie 11.24: 3).

Purushārtha's: doelen van het materiėle leven. In vieren: kāma, artha, dharma, moksha; door (resp.) regulatie van lust, gewin en religieuze plicht ontstaat bevrijding. Vaak vermeld in drieėn met het weglaten van de moksha.

Purusha-avatāra's: de eerste expansies van Krishna als de Oorspronkelijke Persoon, drie in getal, die betrokken zijn bij het scheppen, instandhouden en vernietigen van het stoffelijk universum. Het zijn de primaire expansies van Heer Vishnu:

- Kāranodakas'āyī Vishnu (Māhā-Vishnu) ligt in de Oceaan van de Oorzaken en ademt de talloze universa uit;

- Garbhodakas'āyī Vishnu gaat ieder universum binnen en schept verscheidenheid;

- Kshīrodakas'āyī Vishnu (de Superziel) gaat het hart binnen van ieder geschapen wezen en ieder atoom.

Pūjā: verering, aanbidding, respect, eerbetuiging, verheerlijking, eerbetoon aan hogeren of de verering van de goden met ārati en kīrtan.

- Het aanbidden van de beeltenis of de godsvertegenwoordiger, thuis of in de tempel (zie arcana en bhāgavata  dharma).

Pūraka: de fase van het inademen  (zie prānāyama, recaka, kumbhaka).

Pūrnam (om-): de volheid van Krishna: in kwaliteiten in zes: rijkdom, schoonheid, roem, kracht, kennis en verzaking (zie ook bhaga en vermogens).

- Naar onderdelen het Volkomen geheel genoemd: de eenheid van Hem, de Heer; de ziel, de materie, de activiteit en de Tijd (resp. Īs'vara, j īva, prakriti, karma en kāla).

Pūru: de zoon van koning Yayāti die de ouderdom van zijn vader overnam zodat die jong kon blijven, grondlegger van de dynastie naar hem vernoemd. Omdat Krishna tot de dynastie behoorde van zijn broer Yadu, die zijn vader het verzoek weigerde, kon Hij feitelijk de troon niet bestijgen na Ugrasena. Dit kwam omdat de nazaten van Puru, waartoe de Pāndava's ook behoorden de heerschappij van de Yadu's vanwege de vloek van Yayāti betwistten met Jarāsandha en S'is'upala fanaat na de dood van Kamsa en zo Krishna dwong zich terug te trekken in Dvārakā (zie o.a. 10.68: 13-22), hetgeen samen met de verbanning van de Pāndava's uiteindelijk tot de grote oorlog van Kurukshetra en de val van de hele Candra-vams'a maandynastie van Purūravā die India regeerde na Rāmacandra (zie 9: 14 en 9:18).

Pūrvacitti: ('aankondiging vooraf, het eerste idee') de naam van de apsara waar de Heer zich toe bekent (zie 11.16: 33).

Pūrvataram: (eerder, voorgaand, van vroeger) term van betrekking op de bevrijdde zielen van vroeger waarmee men kontakt moet hebben wil men een bewijs van de ziel hebben (zie ook paramparā).

Pūtanā: heks die door Kamsa gestuurd was om in de gedaante van een mooie vrouw baby Krishna te doden, maar die door Heer Krishna gedood werd en bevrijding kreeg (zie S.B. 10.6: 33).

 

 

 

  Doorzoek het Lexicon

 

Sanskriet Woordenboek

 

S'rīmad Bhāgavatam | Bhagavad Gītā | Zingende Filosoof
 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties