
Canto
3
Hoofdstuk 26: Basisprincipes van de Materiële Natuur
(1) De Allerhoogste Heer zei: 'Ik zal nu voor u de verschillende categorieën van de werkelijkheid beschrijven, met de kennis waarvan een ieder bevrijding kan vinden van de geaardheden der materiële natuur. (2) Dat waarover men spreekt als de spirituele kennis, die voor een persoon de uiteindelijke volmaaktheid van de zelfverwerkelijking is, zal ik u nu uiteenzetten, daar het dat is waardoor de knopen in het hart worden doorsneden. (3) De Opperziel van de Oorspronkelijke Persoon is zonder een begin, transcendentaal aan de geaardheden der natuur in het voorbije en is overal waarneembaar als het zelf-verlichte van de gehele schepping door Hem gehandhaafd. (4) Diezelfde persoon, die grootste der groten, aanvaarde geheel uit eigen beweging de subtiele materiële energie in relatie tot het goddelijke als Zijn spel en vermaak en verwierf de bekleding met de drie geaardheden. (5) Door de geaardheden schiep de natuur de uiteenlopende vormen der materieel levende schepselen, die daarmee geconfronteerd terstond aldaar in illusie waren verzet met de overdekking van hun spirituele kennis. (6) Door identificatie met de materiële activiteiten die in feite worden teweeggebracht door de geaardheden der natuur, schrijft het levende wezen ze aldus foutief aan zichzelf toe. (7) Door de misvatting van zijn leven in materiële conditionering wordt het afhankelijk gemaakt, hoewel het door degene die niet handelt, die de natuurlijke vreugdevolle getuige is, onafhankelijk is. (8) De geschoolden begrijpen dat het lichaam en de zintuigen van respect onder de veroorzaking van het materiële van de natuur verkeren; wat betreft de waarneming van geluk en ongeluk is de geestelijke ziel boven de materie verantwoordelijk.'
(9) Devahûti zei: 'Wees zo goed me uit te leggen wat de kenmerken zijn van zowel de energieën als de Hoogste Persoonlijkheid, die beide oorzaak zijn van het manifeste en niet-manifeste waaruit deze schepping bestaat.
(10) De Allerhoogste Heer zei: 'Het ongedifferentieerde, dat in bezit is van de gedifferentieerde materiële natuur die bestaat uit de oorzaak en het effect van de combinatie van de drie geaardheden, wordt de primaire natuur [pradhâna] genoemd. (11) Die primaire natuur, weet men, vormt de basis waaruit de vijf grofstoffelijke en vijf subtiele elementen, het geestelijke van de vier interne zinnen en de tien zinnen van waarneming en arbeid ontstonden, die aldus tezamen uitkomen op een aantal van vierentwintig. (12) De vijf grofstoffelijke elementen zijn om precies te zijn: aarde, water, vuur, lucht en ether; van de subtiele elementen zijn er, zoals Ik het zie, een gelijk aantal, het zijn de reuk en dergelijke [smaak, kleur, aanraking en geluid]. (13) De tien zinnen zijn de organen voor het horen, aanraken, zien, proeven, en ruiken, [voor de waarneming], met [voor het handelen] de mond, de handen, de benen, de geslachtsorganen en de organen voor de uitscheiding als de tiende . (14) Het denken, de intelligentie, ego en bewustzijn zijn de vier aspecten van de interne subtiele zin die men heeft, met het acht slaan op de onderscheiden functies in de vorm van verschillende kenmerken. (15) Aldus zijn naar de geest de materiële kwaliteiten opgesomd zoals ze feitelijk door Mij zijn gerangschikt [en saguna brahman worden genoemd], waarbij wat betreft de tijd wordt gesproken van het vijfentwintigste element.
(16) De invloed van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God wordt gezegd de tijdfactor te zijn waarvan sommigen vrees koesteren in het begoocheld zijn door het ego van het in contact staan met de materiële natuur van het individuele bestaan. (17) De beweging van de materiële natuur zonder haar interactie van de geaardheden en haar specifieke kwaliteiten, o dochter van Manu, is de tijd waarvan we alhier Hem kennen, de Opperheer. (18) Hij die van binnenuit bestaat, in de vorm van de oorspronkelijke persoon en van buiten in de vorm van de tijd, is Hij, de Allerhoogste Heer bij al Zijn vermogens naar alles [al de elementen] van het leven. (19) Door haar bestaan in beweging gebracht, bezwangert de Hoogste Persoon vanuit Zijn uitgebalanceerde vermogen de baarmoeder [van moeder natuur] en brengt zij het volledige van de waarheid van Brahmâ's stralende gouden werkelijkheid [hiranmaya] voort. (20) Het universum dat in zich deze onveranderlijke grondoorzaak herbergt, slokt door de eigen uitstraling de hechte duisternis op waarin zij verwikkeld was. (21) De geaardheid goedheid, welke de heldere en nuchtere manier is van het verstaan van de Allerhoogste Heer, staat bekend onder de naam Vâsudeva; dat bewustzijn vormt de aard van het intellect. (22) Helderheid, niet afgeleid zijn en sereniteit worden aldus de kenmerkende eigenschappen genoemd van het [Krishna- of natuurlijke tijd-]bewustzijn dat gelijk de natuurlijke staat van zuiver water is.
(23-24) Van de volledige werkelijkheid die de veranderingen ondergaat teweeggebracht door de Allerhoogste Heer Zijn energieën, ontsprong, behept met het actieve vermogen ervan, het materiële ego zich in drie soorten transformerend als zijnde van de goedheid, de hartstocht en de onwetendheid, waaruit zich eveneens het denken ontwikkelde, de verschillende zinnen van handelen en waarnemen en de elementen in vijf verdeeld. (25) Alles van het ego bestaande uit de elementen, de zinnen en de geest is direct de Hoogste Persoonlijkheid van Ananta met Zijn duizenden hoofden [Vishnu's slangenbed] bekend onder de naam Sankarshana [eveneens bekend als de Heer Zijn eerste volkomen expansie]. (26) Het ego geïdentificeerd met de materie kan aldus worden gekenschetst als degene die handelt, die het instrument en het effect is, zowel als zijnde sereen, actief en traag. (27) Uit de goedheid van de materiële identificatie ontwikkelde zich na transformatie het principe van het denken waarvan de gedachten en bespiegelingen aanleiding geven tot verlangens. (28) Die geest staat feitelijk bekend onder de naam Aniruddha, de heerser over de zinnen die blauwachtig is als een lotus in de herfst en alleen geleidelijk aan gerealiseerd wordt door de yogi's. (29) Door de transformatie van de materiële identificatie in de hartstocht deed zich het principe van de intelligentie voor, o deugdzame dame, om ondersteuning te verlenen in het naar de zinnen constateren van de voorwerpen die in zicht komen. (30) Twijfel, misverstaan, het juiste begrip, geheugen en slaap worden aldus beschouwd als zijnde de kenmerken van de intelligentie in haar verschillende functies.
(31) Uit de hartstocht van het ego hebben we eveneens de zinnen van handelen en kennis overeenkomstig respectievelijk de werkzame krachten van de vitale energie en het effect van de ervaring van de intelligentie. (32) Van de duisternis van het ego en haar transformatie, werd, daartoe aangezet door het vermogen van de Allerhoogste Heer, het subtiele element van het geluid gemanifesteerd, waarvan het etherische toen de gehoorzin vormde die er is als de ontvankelijkheid voor de werking ervan. (33) Geleerde personen weten het te definiëren als dat wat een materieel object aanduidt; ze kennen geluid als het verraad van de aanwezigheid van een spreker en als dat wat kenmerkend is voor het subtiele element van de ether. (34) De activiteiten en kenmerken van het element van de ether voorzien in de buiten- en de binnenruimte, voor alle levende wezens het handelingsgebied zijnd van de levensadem, de zinnen en het denken. (35) Van het etherische zich ontwikkelend uit het subtiele van het geluid, vindt onder de transformerende impuls van de tijd de evolutie van het subtiele element der aanraking plaats en wordt aldus de lucht gevonden, het zinsorgaan ervoor en van die zin de waarneming. (36) Zachtheid en hardheid, koude en hitte eveneens, zijn van dit subtiele element van aanraking de onderscheiden eigenschappen in het zinnelijk ervaren van de lucht. (37) Door de onderscheiden kenmerken van de activiteiten van de lucht die beweegt en zich vermengd, maakt het [element van de aanraking] de toenadering [tot objecten] mogelijk, daarbij de deeltjes en golven van geluid meevoerend die de zinnen tot het juiste functioneren aanzetten. (38) Van de lucht gerealiseerd door de subtiele werkelijkheid der aanraking, ontwikkelden, zoals voorbeschikt, zich de vormen waaruit de waarneming van het vuur voortkwam in de zin van het zien van kleur en vorm.
(39) O deugdzame, de kenmerken van de vorm van een object zijn naar de werkelijkheid der zinnen, de afmetingen ervan, de kwaliteit, de bepaalde individualiteit en de stralende gloed. (40) De functies van het vuur zijn in werkelijkheid het verlichten, het verteren van wat men drinkt en eet, het verdrijven van de kou en het verdampen als ook het van dienst zijn met honger en dorst. (41) Vanuit de substantie van de vorm die de transformaties van het vuur ondergaat, manifesteerde zich naar goddelijke beschikking de zin voor de smaak, waardoor het water en de tong in relatie daarmee werden gevonden. (42) Hoewel de smaak één is, is zij door omvorming aldus naar de veelvoud van andere substanties verdeeld in de gewaarwording van het wrange, zoete, bittere, scherpe [zoute] en zure. (43) Het typische van water is dat het bevochtigt, coaguleert, de dorst lest, het leven in stand houdt, verfrist, zacht maakt, doet afkoelen en in overvloed beschikbaar is. (44) Door het element van de smaak, in het ondergaan van de transformaties door het water, deed zich van boven beschikt de maat der geur voor in het vinden van de aarde en het ruiken van aroma's. (45) Het ene van de geur is, verdeeld naar de verhoudingen van substanties in het afzonderlijke van vermengd zijn, opdringerig, welriekend, mild, sterk, zurig van geur zijn, enzovoorts. (46) De kenmerkende functie van de aarde is de plaats te zijn voor de manifestatie van de in de ruimte gescheiden aard van al het bestaande dat van de Hoogste Geest is gemodelleerd in vormen, verblijfplaatsen, opbergpotten etc. (47) De zin die het onderscheiden kenmerk van de lucht [geluid] als haar object heeft wordt de gehoorzin genoemd en die zin welke de onderscheiden kenmerken van de lucht [de aanraking] als haar object heeft staat bekend als de tastzin. (48) De zin die het afzonderlijke van het vuur [vorm] als haar object heeft wordt het gezichtsvermogen genoemd, de onderscheiden waarneming van de kenmerken van water staat bekend als de smaakzin en het afzonderlijke van de aarde in de waarneming wordt de reukzin genoemd.
(49) De kenmerken van de oorzaak worden waargenomen in het gevolg en bijgevolg worden naar die orde de onderscheiden kenmerken van alle elementen waargenomen in de aarde alleen [en in mindere mate in de voorgaande elementen]. (50) Toen dezen [in het begin] onvermengd waren, gingen al de zeven van de oorspronkelijke volledigheid [de vijf materiële elementen, de totale energie - de mahat-tattva - en het geïdentificeerde ego] vanaf het begin de schepping binnen; in feite vanuit de associatie met de tijd, het karma en de drie geaardheden der natuur. (51) Toen stap voor stap [met Hem als de tijd], werd vanuit deze zeven principes, tot activiteit aangezet, een eivorm verenigd zonder bewustzijn, waaruit het gevierde Kosmische Wezen [of de oorspronkelijke 'gigantische' persoon, de virâth purusha] zich opwierp. (52) Dit ei genaamd Vis'esha ['het actieve'], vond orde in de tienvoudige uitbreiding naar het grotere van het water en de andere elementen zoals ze zijn verwikkeld in de geaardheden van de primaire natuur aan de oppervlakte van de zich uitstrekkende planetenstelsels; dit is de [universele] gedaante die de Heer, het Opperwezen, aannam. (53) Uit het gouden [zonlicht] van het ei rees, vanuit de wateren die Hij doordrong en waarin Hij lag, het grote van het goddelijke op, in vele cellen verdeeld in het controleren van het licht. (54) Het eerste dat van Hem verscheen was een mond om in geluid een relatie aan te gaan [vânî] waarna, met dat orgaan, er de goddelijkheid van het [spijsverterings-]vuur was, toen vergezeld door de neusvleugels met de levensadem en de reukzin in hen. (55) Uit de reukzin werd het goddelijke van de lucht [Vâyu] gerealiseerd, de twee ogen van het gezichtsvermogen brachten de goddelijkheid van de zon [Sûrya] in het bewustzijn en door de gehoorzin van de twee oren straalde de goddelijkheid van de windrichtingen voort. (56) Van de gevierde vorm verscheen de huid met haar haargroei en dergelijke, waarna de geneeskrachtige kruiden werden gezien zowel als de geslachtsorganen. (57) Daarvan was er het zaad [der voortplanting], verscheen er de goddelijkheid der wateren en manifesteerde zich een anus met daarop volgend het vermogen zich te ontlasten, waarna er de [god van de] dood kwam die in de gehele wereld in angst verzet. (58) Eveneens manifesteerden zich twee handen met naar hun macht het vermogen naar eigen goeddunken te handelen [Heer Indra]. Van de manifestatie van de twee voeten werd de voortgang gezien, waarnaar men toen tot het besef van de Heer [Vishnu] kwam. (59 - 60) Van het gevierde persoonlijke toonden zich de aderen en de bloedsomloop daarnaar. Naar hen worden de rivieren waargenomen. Vervolgens manifesteerde zich een maag waarvan zich honger en dorst voordeed. In navolging daarvan zag men de oceaan. Uit het verschijnen van een hart kwam toen het denken voort. (61) Uit het denken kwam toen naar de intelligentie de maan [Candra] in het zicht en van die intelligentie zag men de Heer van de spraak [Brahmâ] tegemoet. Het zich identificeren met de materie gaf toen de verschijning van Rudra [S'iva], de godheid heersend over het bewustzijn.
(62) Al deze vormen van goddelijkheid die hun bestaan vonden waren in het geheel niet in staat de oorspronkelijke persoon der viering in beweging te brengen en om die reden drongen ze door tot de bron van hun ontstaan teneinde Hem de een na de ander op te wekken. (63) De goddelijkheid van het vuur der spijsvertering vestigde zich voor de mond, maar mislukte erin de Gevierde op te wekken. Het goddelijke van de wind vestigde zich voor de reukzin van de neusgaten, maar kon toen niet de Oorspronkelijke naar voren roepen. (64) Het goddelijke van het licht voor Zijn twee ogen kon de Authentieke niet teweegbrengen en met het goddelijke van het zich oriënteren door middel van de hoorzin met Zijn twee oren werd het Grote van de Persoon ook niet tot leven gewekt. (65) Het goddelijke van de huid, met haar begroeiing en zegen aan kruiden, kon niet de gevierde Persoon naar boven brengen en de goddelijkheid van het water kon, met de voortplanting met behulp van de geslachtsorganen, de Grote Persoon ook niet in beweging krijgen. (66) Met het vermogen zich te ontlasten kon de god van de Dood bij Zijn anus de Kosmische Ene niet in gang krijgen en zelfs de twee handen van Heer Indra met hun macht van beheersen konden de manier niet vinden om de Meester van de Macht toen op te wekken. (67) Vishnu met de macht der voortgang was met zijn twee voeten niet in staat de Grote Volledigheid tot actie te bewegen en daadwerkelijk was het goddelijke van de stroom der rivieren naar Zijn bloedvaten met het bloed en de macht van de circulatie toen ook niet in staat de Gevierde Persoon te bewegen. (68) De oceaan volgend samen met de honger en de dorst kon naar Zijn buik de Grote persoon niet in gang zetten en het hart met de geest naar de goddelijkheid van de maan mislukte er toen ook in de Enige Ware op te wekken. (69) Ook Brahmâ ging Zijn hart binnen met intelligentie, maar wekte de Gevierde Persoon niet op, als ook Heer S'iva, die er niet toe in staat was het volledige van de purusha op te wekken met het ego naar Zijn hart. (70) Maar toen de goddelijkheid die met de rede heerst over het bewustzijn het hart binnenging als de kenner van het veld, rees op dat moment het Kosmisch Wezen op uit de causale wateren. (71) Het is als met een man die slaapt waarvan de levensadem, de werkende en kennende zinnen, zijn denken en zijn overwegen, uit eigen beweging niet zonder Hem in gang komen. (72) Daarom behoort degene die de yoga in de praktijk brengt, met behulp van spirituele kennis, onthechting en toewijding, zorgvuldig de gedachte aan Hem, de Superziel, aanwezig in hemzelf in overweging te nemen.
Tweede Editie, geladen 1 aug. 2006.
Bronteksten:
Basisprincipes van de materiële natuur
De Allerhoogste Heer zei: 'Ik zal nu voor u de verschillende categorieën van de werkelijkheid beschrijven, met de kennis waarvan een ieder bevrijding kan vinden van de geaardheden der materiële natuur.De Godspersoon Kapila vervolgde: Lieve moeder, nu zal Ik u de verschillende categorieën van de Absolute Waarheid beschrijven. Een ieder die ze kent, kan bevrijd raken van de invloed van de geaardheden der materiële natuur. (Vedabase)
Dat waarover men spreekt als de spirituele kennis, die voor een persoon de uiteindelijke volmaaktheid van de zelfverwerkelijking is, zal ik u nu uiteenzetten, daar het dat is waardoor de knopen in het hart worden doorsneden.
Kennis vertegenwoordigt de hoogste volmaaktheid der zelfverwerkelijking. Ik zal u die kennis uitleggen, waardoor de knopen van de gehechtheid aan de materiële wereld worden doorgesneden. (Vedabase)
De Opperziel van de Oorspronkelijke Persoon is zonder een begin, transcendentaal aan de geaardheden der natuur in het voorbije en is overal waarneembaar als het zelf-verlichte van de gehele schepping door Hem gehandhaafd.
De Allerhoogste Godspersoon is de Superziel en Hij heeft geen begin. Hij is ontstegen aan de geaardheden der natuur en het bestaan van deze stoffelijke wereld. Hij is overal waarneembaar, omdat Hij vanuit Zichzelf straalt, en door Zijn eigen stralengloed wordt de hele schepping in stand gehouden. (Vedabase)
Diezelfde persoon, die grootste der groten, aanvaarde geheel uit eigen beweging de subtiele materiële energie in relatie tot het goddelijke als Zijn spel en vermaak en verwierf de bekleding met de drie geaardheden.
Bij wijze van spel bracht de Allerhoogste Godspersoon, de grootste der groten, de fijnstoffelijke energie voort, die bekleed is met de drie geaardheden van de materiële natuur en die verbonden is met Vishnu. (Vedabase)
Door de geaardheden schiep de natuur de uiteenlopende vormen der materieel levende schepselen, die daarmee geconfronteerd terstond aldaar in illusie waren verzet met de overdekking van hun spirituele kennis.
Door haar drie geaardheden in soorten verdeeld, worden de vormen van de levende wezens door de materiële natuur geschapen. Wanneer de levende wezens deze vormen zien, raken ze in illusie door het kennis-verhullende aspect van de begoochelende energie. (Vedabase)
Door identificatie met de materiële activiteiten die in feite worden teweeggebracht door de geaardheden der natuur, schrijft het levende wezen ze aldus foutief aan zichzelf toe.
Omdat ze hun geestelijke staat vergeten zijn, aanvaarden de bovenzinnelijke levende wezens de invloed van de materiële energie als hun veld van activiteit, en schrijven ze de activiteiten die ze onder deze invloed verrichten ten onrechte aan zichzelf toe. (Vedabase)
Door de misvatting van zijn leven in materiële conditionering wordt het afhankelijk gemaakt, hoewel het door degene die niet handelt, die de natuurlijke vreugdevolle getuige is, onafhankelijk is.
Materieel bewustzijn is de oorzaak van het gebonden leven, waarin de stoffelijke energie het levend wezen aan banden legt. Hoewel de geestelijke ziel niets doet en boven materiële activiteiten staat, wordt ze zo door het gebonden leven beïnvloed. (Vedabase)
De geschoolden begrijpen dat het lichaam en de zintuigen van respect onder de veroorzaking van het materiële van de natuur verkeren; wat betreft de waarneming van geluk en ongeluk is de geestelijke ziel boven de materie verantwoordelijk.'
De oorzaak van het stoffelijke lichaam en de zinnen van de gebonden ziel, en van de halfgoden die de zinnen regeren, is de materiële natuur. Zo denken geleerden erover. De gevoelens van geluk en verdriet van de ziel, die van nature bovenzinnelijk is, worden veroorzaakt door de geestelijke ziel zelf. (Vedabase)
Devahûti zei: 'Wees zo goed me uit te leggen wat de kenmerken zijn van zowel de energieën als de Hoogste Persoonlijkheid, die beide oorzaak zijn van het manifeste en niet-manifeste of waaruit deze schepping bestaat.
Devahûti zei: O Allerhoogste Godspersoon, wees zo goed uit te leggen hoe het gesteld is met de kenmerken en energiën van de Allerhoogste Persoon, want beide zijn de oorzaak van deze beurtelings geopenbaarde en ongeopenbaarde schepping. (Vedabase)
De Allerhoogste Heer zei: 'Het ongedifferentieerde, dat in bezit is van de gedifferentieerde materiële natuur die bestaat uit de oorzaak en het effect van de combinatie van de drie geaardheden, wordt de primaire natuur [pradhâna] genoemd.
De Allerhoogste Godspersoon zei: De ongeopenbaarde eeuwige combinatie van de drie geaardheden is de oorzaak van de geopenbaarde staat en wordt pradhâna genoemd. Dezelfde combinatie wordt prakriti genoemd in haar geopenbaarde toestand. (Vedabase)
Die primaire natuur, weet men, vormt de basis waaruit de vijf grofstoffelijke en vijf subtiele elementen, het geestelijke van de vier interne zinnen en de tien zinnen van waarneming en arbeid ontstonden, die aldus tezamen uitkomen op een aantal van vierentwintig.
Het totaal der elementen, namelijk de vijf grofstoffelijke elementen, de vijf fijnstoffelijke elementen, de vier innerlijke zinnen, de vijf kennisverwervende zinnen en de vijf uitwendige werkzintuigen, kent men als pradhâna. (Vedabase)
De vijf grofstoffelijke elementen zijn om precies te zijn: aarde, water, vuur, lucht en ether; van de subtiele elementen zijn er, zoals Ik het zie, een gelijk aantal, het zijn de reuk en dergelijke [smaak, kleur, aanraking en geluid].
Er zijn vijf grofstoffelijke elementen, namelijk aarde, water, vuur, lucht en ether. Er zijn ook vijf fijnstoffelijke elementen, namelijk geur, smaak, kleur, gevoel en geluid. (Vedabase)
De tien zinnen zijn de organen voor het horen, aanraken, zien, proeven, en ruiken, [voor de waarneming], met [voor het handelen] de mond, de handen, de benen, de geslachtsorganen en de organen voor de uitscheiding als de tiende .
De kennisverwervende zinnen en de werkzintuigen zijn tien in getal, te weten het gehoor, de smaak, het gevoel, het gezicht, de reuk, het spraakorgaan, de armen en de benen. (om te werken en zich te verplaatsen), het voortplantings- en het ontlastingsorgaan. (Vedabase)
Het denken, de intelligentie, ego en bewustzijn zijn de vier aspecten van de interne subtiele zin die men heeft, met het acht slaan op de onderscheiden functies in de vorm van verschillende kenmerken.
De innerlijke, subtiele zinnen ervaart men als vier, in de vorm van de geest, het verstand, het ego en onzuiver bewustzijn. Men kan slechts onderscheid tussen hen maken aan de hand van hun verschillende functies, aangezien die verschillende kenmerken vertonen. (Vedabase)
Aldus zijn naar de geest de materiële kwaliteiten opgesomd zoals ze feitelijk door Mij zijn gerangschikt [en saguna brahman worden genoemd], waarbij wat betreft de tijd wordt gesproken van het vijfentwintigste element.
Deze tezamen worden het gekwalificeerde Brahman genoemd. Het element dat alles mengt, namelijk de tijd, wordt het vijfentwintigste element genoemd. (Vedabase)
De invloed van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God wordt gezegd de tijdfactor te zijn waarvan sommigen vrees koesteren in het begoocheld zijn door het ego van het in contact staan met de materiële natuur van het individuele bestaan.
De invloed van de Allerhoogste Godspersoon wordt ervaren in de tijdfactor, die doodsangst veroorzaakt door het vals ego van de begoochelde ziel, die in aanraking is gekomen met de materiële natuur. (Vedabase)
De beweging van de materiële natuur zonder haar interactie van de geaardheden en haar specifieke kwaliteiten, o dochter van Manu, is de tijd waarvan we alhier Hem kennen, de Opperheer.
Lieve moeder, o dochter van Svâyambhuva Manu, zoals Ik heb uitgelegd is de tijdfactor, de Allerhoogste Godspersoon, uit wie de schepping begint als gevolg van het in beroering brengen van de neutrale, ongeopenbaarde natuur. (Vedabase)
Hij die van binnenuit bestaat, in de vorm van de oorspronkelijke persoon en van buiten in de vorm van de tijd, is Hij, de Allerhoogste Heer bij al Zijn vermogens naar alles [al de elementen] van het leven.
Door tentoonspreiding van Zijn vermogens brengt de Allerhoogste Godspersoon al deze verschillende elementen in goede orde, terwijl Hij erbinnen woont als de Superziel en erbuiten als de tijd. (Vedabase)
Door haar bestaan in beweging gebracht, bezwangert de Hoogste Persoon vanuit Zijn uitgebalanceerde vermogen de baarmoeder [van moeder natuur] en brengt zij het volledige van de waarheid van Brahmâ's stralende gouden werkelijkheid [hiranmaya] voort.
Nadat de Allerhoogste Godspersoon de materiële natuur door Zijn innerlijke vermogen heeft bevrucht, baart de materiële natuur het totaal der kosmische intelligentie, bekend als Hiranmaya. Dat gebeurt wanneer de stoffelijke natuur door het lot der gebonden zielen in beroering wordt gebracht. (Vedabase)
Het universum dat in zich deze onveranderlijke grondoorzaak herbergt, slokt door de eigen uitstraling de hechte duisternis op waarin zij verwikkeld was.
Nadat het de verscheidenheid heeft geopenbaard, slokt het stralende mahat-tattva, dat alle universa in zich bergt, dat de grondslag van alle kosmische openbaringen vormt en dat ten tijde van de vernietiging niet verwoest wordt, het duister op dat tijdens de ontbinding de lichtgloed verhulde. (Vedabase)
De geaardheid goedheid, welke de heldere en nuchtere manier is van het verstaan van de Allerhoogste Heer, staat bekend onder de naam Vâsudeva; dat bewustzijn vormt de aard van het intellect.
De geaardheid goedheid, die het heldere, rustige niveau is vanwaar men de Godspersoon kan begrijpen en die doorgaans vâsudeva of bewustzijn wordt genoemd, openbaart zich in het mahat-tattva. (Vedabase)
Helderheid, niet afgeleid zijn en sereniteit worden aldus de kenmerkende eigenschappen genoemd van het [Krishna- of natuurlijke tijd-]bewustzijn dat gelijk de natuurlijke staat van zuiver water is.
Na de openbaring van het mahat-tattva verschijnen deze aspecten gelijktijdig. Zoals water in natuurlijke staat, voordat het met aarde in aanraking komt, helder, zoet en kalm is, zijn de kenmerken van zuiver bewustzijn volkomen kalmte, helderheid en vrijheid van verwarring. (Vedabase)
Van de volledige werkelijkheid die de veranderingen ondergaat teweeggebracht door de Allerhoogste Heer Zijn energieën, ontsprong, behept met het actieve vermogen ervan, het materiële ego zich in drie soorten transformerend als zijnde van de goedheid, de hartstocht en de onwetendheid, waaruit zich eveneens het denken ontwikkelde, de verschillende zinnen van handelen en waarnemen en de elementen in vijf verdeeld.
Het materieel ego komt tevoorschijn uit het mahat-tattva, dat voortgekomen is uit de energie van de Heer Zelf. Het materieel ego kan in principe op drie manieren werken: goed, hartstochtelijk en onwetend. Het is uit deze drie soorten materieel ego dat de geest, de zintuigen om waar te nemen, de werkzintuigen en de grofstoffelijke elementen voortgekomen. (Vedabase)
Alles van het ego bestaande uit de elementen, de zinnen en de geest is direct de Hoogste Persoonlijkheid van Ananta met Zijn duizenden hoofden [Vishnu's slangenbed] bekend onder de naam Sankarshana [eveneens bekend als de Heer Zijn eerste volkomen expansie].
Het drievoudige ahankâra, de oorsprong van de grofstoffelijke elementen, de zinnen en de geest, is er identiek aan, omdat het hun oorzaak is. Men kent het als Sankarshana, die niemand anders is dan Heer Ananta met Zijn duizend hoofden. (Vedabase)
Het ego geïdentificeerd met de materie kan aldus worden gekenschetst als degene die handelt, die het instrument en het effect is, zowel als zijnde sereen, actief en traag.
Het vals ego wordt gekenschetst als de verrichter, als instrument en als uitwerking. Het wordt verder beschreven als sereen, actief of dof, naar gelang het beïnvloed wordt door de geaardheden goedheid, hartstocht of onwetendheid. (Vedabase)
Uit de goedheid van de materiële identificatie ontwikkelde zich na transformatie het principe van het denken waarvan de gedachten en bespiegelingen aanleiding geven tot verlangens.
Uit het vals ego van goedheid doet zich weer een transformatie voor. Daaruit ontwikkelt zich de geest, wiens gedachten en bespiegelingen begeerte opwekken. (Vedabase)
Die geest staat feitelijk bekend onder de naam Aniruddha, de heerser over de zinnen die blauwachtig is als een lotus in de herfst en alleen geleidelijk aan gerealiseerd wordt door de yogi's.
De geest van het levend wezen staat bekend als Heer Aniruddha, de hoogste bestuurder van de zinnen. Zijn gestalte is blauwachtig zwart, waardoor Hij op een lotus in de herfst lijkt. De yogî's slagen er maar geleidelijk in Hem te vinden. (Vedabase)
Door de transformatie van de materiële identificatie in de hartstocht deed zich het principe van de intelligentie voor, o deugdzame dame, om ondersteuning te verlenen in het naar de zinnen constateren van de voorwerpen die in zicht komen.
Door transformatie van het vals ego in hartstocht wordt de intelligentie geboren, o deugdzame vrouw. De functie van de intelligentie bestaat in het vaststellen van de aard van objecten die binnen bereik van de zinnen komen en in het helpen van de zinnen. (Vedabase)
Twijfel, misverstaan, het juiste begrip, geheugen en slaap worden aldus beschouwd als zijnde de kenmerken van de intelligentie in haar verschillende functies.
Twijfel, verkeerd begrip, juist begrip, geheugen en slaap, zoals door hun verschillende functies bepaald, worden de verschillende kenmerken van de intelligentie genoemd. (Vedabase)
Uit de hartstocht van het ego hebben we eveneens de zinnen van handelen en kennis overeenkomstig respectievelijk de werkzame krachten van de vitale energie en het effect van de ervaring van de intelligentie.
Egoïsme in de geaardheid hartstocht brengt twee soorten zinnen voort: de kennisverwervende zinnen en de werkzintuigen. De werkzintuigen zijn afhankelijk van de levensenergie en de kennisverwervende zinnen van de intelligentie. (Vedabase)
Van de duisternis van het ego en haar transformatie, werd, daartoe aangezet door het vermogen van de Allerhoogste Heer, het subtiele element van het geluid gemanifesteerd, waarvan het etherische toen de gehoorzin vormde die er is als de ontvankelijkheid voor de werking ervan.
Wanneer het egoïsme in onwetendheid in beroering wordt gebracht door de seksuele energie van de Allerhoogste Godspersoon, openbaart zich het subtiele element geluid, waaruit de etherische ruimte en het gehoor voortkomen. (Vedabase)
Geleerde personen weten het te definiëren als dat wat een materieel object aanduidt; ze kennen geluid als het verraad van de aanwezigheid van een spreker en als dat wat kenmerkend is voor het subtiele element van de ether.
Geleerden in het bezit van waarachtige kennis, omschrijven geluid als datgene wat het idee van een object overbrengt, de aanwezigheid van een spreker aangeeft die zich buiten ons gezichtsbereik bevindt en de subtiele vorm van de ether vertegenwoordigt. (Vedabase)
De activiteiten en kenmerken van het element van de ether voorzien in de buiten- en de binnenruimte, voor alle levende wezens het handelingsgebied zijnd van de levensadem, de zinnen en het denken.
De activiteiten en kenmerken van het element ether kunnen worden waargenomen in het verlenen van ruimte aan het uitwendige en inwendige bestaan van alle wezens, namelijk het terrein van activiteiten van de levenslucht, de zinnen en de geest. (Vedabase)
Van het etherische zich ontwikkelend uit het subtiele van het geluid, vindt onder de transformerende impuls van de tijd de evolutie van het subtiele element der aanraking plaats en wordt aldus de lucht gevonden, het zinsorgaan ervoor en van die zin de waarneming.
Uit het etherische bestaan, dat zich uit geluid ontwikkelt, doet zich onder drang van de tijd de volgende transformatie voor, waarbij het subtiele element gevoel en vandaar lucht en de tastzin naar voren komen. (Vedabase)
Zachtheid en hardheid, koude en hitte eveneens, zijn van dit subtiele element van aanraking de onderscheiden eigenschappen in het zinnelijk ervaren van de lucht.
Zachtheid en hardheid en hitte en kou zijn de onderscheidende kenmerken van het gevoel, dat als de subtiele vorm van lucht beschreven wordt. (Vedabase)
Door de onderscheiden kenmerken van de activiteiten van de lucht die beweegt en zich vermengd, maakt het [element van de aanraking] de toenadering [tot objecten] mogelijk, daarbij de deeltjes en golven van geluid meevoerend die de zinnen tot het juiste functioneren aanzetten.
De activiteit van lucht toont zich in bewegingen, vermenging, het toestaan van nadering tot geluids- en andere zinsobjecten en de zorg voor het goede functioneren van alle zinnen. (Vedabase)
Van de lucht gerealiseerd door de subtiele werkelijkheid der aanraking, ontwikkelden, zoals voorbeschikt, zich de vormen waaruit de waarneming van het vuur voortkwam in de zin van het zien van kleur en vorm.
Door wisselwerking van de lucht en de gevoelservaringen ontvangt men naar gelang zijn lot verschillende vormen. Door ontwikkeling van zulke vormen verschijnt er vuur en ziet het oog verschillende vormen in kleur. (Vedabase)
O deugdzame, de kenmerken van de vorm van een object zijn naar de werkelijkheid der zinnen, de afmetingen ervan, de kwaliteit, de bepaalde individualiteit en de stralende gloed.
Lieve moeder, de kenmerken van vorm worden begrepen naar afmeting, kwaliteit en individualiteit. De vorm van vuur wordt begrepen naar zijn gloed. (Vedabase)
De functies van het vuur zijn in werkelijkheid het verlichten, het verteren van wat men drinkt en eet, het verdrijven van de kou en het verdampen als ook het van dienst zijn met honger en dorst.
Vuur wordt gekend aan zijn licht en zijn vermogen om te koken, te verteren, kou te verdrijven, te verdampen, honger en dorst te verwekken en eten en drinken mogelijk te maken. (Vedabase)
Vanuit de substantie van de vorm die de transformaties van het vuur ondergaat, manifesteerde zich naar goddelijke beschikking de zin voor de smaak, waardoor het water en de tong in relatie daarmee werden gevonden.
Door wisselwerking van vuur met de ervaring van het zien, ontwikkelt zich onder hogere leiding het subtiele element smaak. Uit smaak komt water voort. De tong, die smaak onderscheidt, openbaart zich eveneens. (Vedabase)
Hoewel de smaak één is, is zij door omvorming aldus naar de veelvoud van andere substanties verdeeld in de gewaarwording van het wrange, zoete, bittere, scherpe [zoute] en zure.
Hoewel van oorsprong één, toont de smaak zich in vele facetten als wrang, zoet, bitter, scherp, zuur en zout in aanraking met uiteenlopende substanties. (Vedabase)
Het typische van water is dat het bevochtigt, coaguleert, de dorst lest, het leven in stand houdt, verfrist, zacht maakt, doet afkoelen en in overvloed beschikbaar is.
De kenmerken van water zijn het bevochtigen van andere substanties, het binden van verschillende megsels, het schenken van voldoening, het in stand houden van leven, het zacht maken van dingen, het verdrijven van hitte, het onophoudelijk aanvullen van zichzelf in reservoirs en het schenken van verfrissing door het lessen van de dorst. (Vedabase)
Door het element van de smaak, in het ondergaan van de transformaties door het water, deed zich van boven beschikt de maat der geur voor in het vinden van de aarde en het ruiken van aroma's.
Door wisselwerking van water met de waarneming van smaak ontwikkelt zich onder hogere leiding het subtiele element geur. Daaruit komen de aarde en de reukzin voort, waarmee men de geur van de aarde op verschillende manieren kan ervaren. (Vedabase)
Het ene van de geur is, verdeeld naar de verhoudingen van substanties in het afzonderlijke van vermengd zijn, opdringerig, welriekend, mild, sterk, zurig van geur zijn, enzovoorts.
Hoewel geur één is, doet hij zich op vele manieren voor - als gemengd, onaangenaam, welriekend, zacht, scherp, zuur enzovoort - naar gelang de samenstelling van de geroken substanties. (Vedabase)
De kenmerkende functie van de aarde is de plaats te zijn voor de manifestatie van de in de ruimte gescheiden aard van al het bestaande dat van de Hoogste Geest is gemodelleerd in vormen, verblijfplaatsen, opbergpotten etc.
De kenmerken van de functies van aarde kan men waarnemen bij het vervaardigen van vormen van het Allerhoogste Brahman, het bouwen van verblijfplaatsen, het maken van waterkruiken enz. Zo vormt de aarde de ondersteuning van alle elementen. (Vedabase)
De zin die het onderscheiden kenmerk van de lucht [geluid] als haar object heeft wordt de gehoorzin genoemd en die zin welke de onderscheiden kenmerken van de lucht [de aanraking] als haar object heeft staat bekend als de tastzin.
Het zintuig waarvan het waarnemingsobject geluid is, wordt het gehoor genoemd en dat waarvan het waarnemingsobject gevoel is, wordt de tastzin genoemd. (Vedabase)
De zin die het afzonderlijke van het vuur [vorm] als haar object heeft wordt het gezichtsvermogen genoemd, de onderscheiden waarneming van de kenmerken van water staat bekend als de smaakzin en het afzonderlijke van de aarde in de waarneming wordt de reukzin genoemd.
Het zintuig waarvan het waarnemingsobject vorm is, het onderscheidende kenmerk van vuur, is het gezichtsvermogen. Het zintuig waarvan het waarnemingsobject smaak is, het onderscheidende kenmerk van water, kent men als de smaakzin. Het zintuig tenslotte waarvan het waarnemingsobject geur is, het onderscheidende kenmerk van aarde, wordt de reuk genoemd. (Vedabase)
De kenmerken van de oorzaak worden waargenomen in het gevolg en bijgevolg worden naar die orde de onderscheiden kenmerken van alle elementen waargenomen in de aarde alleen [en in mindere mate in de voorgaande elementen].
Aangezien de oorzaak ook in haar gevolg bestaat, zijn haar kenmerken daarin waar te nemen. Daarom bevat aarde alleen, de bijzonderheden van alle elementen tezamen. (Vedabase)
Toen dezen [in het begin] onvermengd waren, gingen al de zeven van de oorspronkelijke volledigheid [de vijf materiële elementen, de totale energie - de mahat-tattva - en het geïdentificeerde ego] vanaf het begin de schepping binnen; in feite vanuit de associatie met de tijd, het karma en de drie geaardheden der natuur.
Toen al deze elementen onvermengd waren, ging de Allerhoogste Godspersoon, de oorsprong der schepping, met tijd, werk en de geaardheden van de materiële natuur, het universum binnen met het geheel van de materiële energie in haar zeven afdelingen. (Vedabase)
Toen stap voor stap [met Hem als de tijd], werd vanuit deze zeven principes, tot activiteit aangezet, een eivorm verenigd zonder bewustzijn, waaruit het gevierde Kosmische Wezen [of de oorspronkelijke 'gigantische' persoon, de virâth purusha] zich opwierp.
Uit deze zeven principes, tot activiteit gewekt en verenigd door de aanwezigheid van de Heer, steeg een van intelligentie verstoken ei op, waaruit het vermaarde Kosmische Wezen verscheen. (Vedabase)
Dit ei genaamd Vis'esha ['het actieve'], vond orde in de tienvoudige uitbreiding naar het grotere van het water en de andere elementen zoals ze zijn verwikkeld in de geaardheden van de primaire natuur aan de oppervlakte van de zich uitstrekkende planetenstelsels; dit is de [universele] gedaante die de Heer, het Opperwezen, aannam.
Dit kosmische ei, het universum in eivorm, wordt de openbaring van de materiële energie genoemd. Zijn op elkaar volgende lagen van water, lucht, ether, ego en mahat-tattva zijn elk dikker dan hun voorganger. Elke laag is tien maal zo dik als de voorgaande en de buitenste laag is omhuld door pradhâna. In dit ei bevindt zich de kosmische gedaante van Heer Hari, van wiens lichaam de veertien planetenstelsels deel uitmaken. (Vedabase)
Uit het gouden [zonlicht] van het ei rees, vanuit de wateren die Hij doordrong en waarin Hij lag, het grote van het goddelijke op, in vele cellen verdeeld in het controleren van het licht.
De Allerhoogste Godspersoon, de virâth-purusha, naam plaats in dat gouden ei, dat op het water lag, en verdeelde het in vele afdelingen. (Vedabase)
Het eerste dat van Hem verscheen was een mond om in geluid een relatie aan te gaan [vânî] waarna, met dat orgaan, er de goddelijkheid van het [spijsverterings-]vuur was, toen vergezeld door de neusvleugels met de levensadem en de reukzin in hen.
Eerst verscheen er een mond in Hem, waarin het spraakorgaan kwam, met de vuurgod, die het bestuurt. Vervolgens verscheen er een paar neusgaten, waarin de reukzin kwam, alsmede prâna, de levenslucht. (Vedabase)
Uit de reukzin werd het goddelijke van de lucht [Vâyu] gerealiseerd, de twee ogen van het gezichtsvermogen brachten de goddelijkheid van de zon [Sûrya] in het bewustzijn en door de gehoorzin van de twee oren straalde de goddelijkheid van de windrichtingen voort.
Na de reukzin verscheen de windgod, die hem bestuurt. Vervolgens openbaarde zich in de kosmische gedaante een ogenpaar, met daarin het gezichtsvermogen. Er achteraan kwam de zonnegod, die er de leiding over heeft. Vervolgens verscheen er een paar oren in Hem, met erin het gehoor en er achteraan de dig-devatâ's, die de richtingen besturen. (Vedabase)
Van de gevierde vorm verscheen de huid met haar haargroei en dergelijke, waarna de geneeskrachtige kruiden werden gezien zowel als de geslachtsorganen.
Vervolgens openbaarde de kosmische gedaante van de Heer - de virâth-purusha - Zijn huid en daarna verschenen haar, snor en baard. Toen werden alle kruiden en medicijnen geopenbaard en verschenen ook Zijn geslachtsdelen. (Vedabase)
Daarvan was er het zaad [der voortplanting], verscheen er de goddelijkheid der wateren en manifesteerde zich een anus met daarop volgend het vermogen zich te ontlasten, waarna er de [god van de] dood kwam die in de gehele wereld in angst verzet.
Vervolgens verschenen het zaad met het voortplantingsvermogen en de halfgod die de wateren regeert. Daarna verschenen er een anus en de ontlastingsorganen en toen de halfgod van de dood, die in het hele universum gevreesd wordt. (Vedabase)
Eveneens manifesteerden zich twee handen met naar hun macht het vermogen te handelen naar eigen goeddunken [Heer Indra]. Van de manifestatie van de twee voeten werd de voortgang gezien, waarnaar men toen tot het besef van de Heer [Vishnu] kwam.
Daarna werden de beide handen van de kosmische gedaante van de Heer geopenbaard en met hen het vermogen om dingen te grijpen en te laten vallen, waarna Heer Indra verscheen. Vervolgens werden de benen geopenbaard en met hen het bewegen, waarna Heer Vishnu verscheen. (Vedabase)
Van het gevierde persoonlijke toonden zich de aderen en de bloedsomloop daarnaar. Naar hen worden de rivieren waargenomen. Vervolgens manifesteerde zich een maag waarvan zich honger en dorst voordeed. In navolging daarvan zag men de oceaan. Uit het verschijnen van een hart kwam toen het denken voort.
De aderen van de kosmische gedaante werden geopenbaard en vervolgens de rode bloedlichaampjes, het bloed. Na hen kwamen de rivieren. (de halfgoden die over de aderen heersen) en toen verscheen er een buik. Vervolgens groeiden het gevoel van honger en dorst, waarna de oceanen werden geopenbaard. Toen verscheen er een hart, waarna de geest zich openbaarde. (Vedabase)
Uit het denken kwam toen naar de intelligentie de maan [Candra] in het zicht en van die intelligentie zag men de Heer van de spraak [Brahmâ] tegemoet. Het zich identificeren met de materie gaf toen de verschijning van Rudra [S'iva], de godheid heersend over het bewustzijn.
Na de geest verscheen de maan. Daarna kwam de intelligentie en na de intelligentie verscheen Heer Brahmâ. Toen openbaarde zich het vals ego en vervolgens Heer S'iva, na wiens verschijnen het bewustzijn zich openbaarde met de halfgod die het bestuurt. (Vedabase)
Al deze vormen van goddelijkheid die hun bestaan vonden waren in het geheel niet in staat de oorspronkelijke persoon der viering in beweging te brengen en om die reden drongen ze door tot de bron van hun ontstaan teneinde Hem de een na de ander op te wekken.
Toen de halfgoden en bestuurders van de verschillende zinnen aldus geopenbaard waren, wilden ze de oorsprong van hun verschijning wekken. Toen hun dat niet lukte, gingen ze één voor één terug in het lichaam van de virâth-purusha om alsnog te proberen Hem wakker te maken. (Vedabase)
De goddelijkheid van het vuur der spijsvertering vestigde zich voor de mond, maar mislukte erin de Gevierde op te wekken. Het goddelijke van de wind vestigde zich voor de reukzin van de neusgaten, maar kon toen niet de Oorspronkelijke naar voren roepen.
De vuurgod ging de mond in met het spraakorgaan, maar de virâth-purusha kon niet worden gewekt. Toen ging de windgod de neusgaten in met de reukzin, maar nog steeds weigerde de virâth-purusha te ontwaken. (Vedabase)
Het goddelijke van het licht voor Zijn twee ogen kon de Authentieke niet teweegbrengen en met het goddelijke van het zich oriënteren door middel van de hoorzin met Zijn twee oren werd het Grote van de Persoon ook niet tot leven gewekt.
De zonnegod ging de ogen van de virâth-purusha binnen met het gezichtsvermogen, maar nog steeds kwam de virâth-purusha niet overeind. Zo gingen ook de halfgoden die de richtingen besturen Zijn oren in met het gehoor, maar nog steeds ontwaakte Hij niet. (Vedabase)
Het goddelijke van de huid, met haar begroeiing en zegen aan kruiden, kon niet de gevierde Persoon naar boven brengen en de goddelijkheid van het water kon, met de voortplanting met behulp van de geslachtsorganen, de Grote Persoon ook niet in beweging krijgen.
De halfgoden van de huid en heel- en smaakkruiden gingen in de huid van de virâth-purusha met het lichaamshaar, maar zelfs toen weigerde het Kosmisch Wezen te ontwaken. De watergod ging Zijn geslachtsorgaan binnen met het voortplantingsvermogen, maar nog steeds wilde de virâth-purusha niet overeind komen. (Vedabase)
Met het vermogen zich te ontlasten kon de god van de Dood bij Zijn anus de Kosmische Ene niet in gang krijgen en zelfs de twee handen van Heer Indra met hun macht van beheersen konden de manier niet vinden om de Meester van de Macht toen op te wekken.
De halfgod van de dood ging Zijn anus in met het ontlastingsorgaan, maar de virâth-purusha kon niet tot activiteit worden geprikkeld. De halfgod Indra ging Zijn handen binnen met het vermogen om dingen te grijpen en te laten vallen, maar zelfs toen wilde de virâth-purusha niet opstaan. (Vedabase)
Vishnu met de macht der voortgang was met zijn twee voeten niet in staat de Grote Volledigheid tot actie te bewegen en daadwerkelijk was het goddelijke van de stroom der rivieren naar Zijn bloedvaten met het bloed en de macht van de circulatie toen ook niet in staat de Gevierde Persoon te bewegen.
Heer Vishnu ging in Zijn voeten binnen met het vermogen om te bewegen, maar zelfs toen weigerde de virâth-purusha overeind te komen. De rivieren gingen Zijn bloedvaten in met het bloed en het omloopvermogen, maar nog steeds kon het Kosmische Wezen niet in beweging worden gebracht. (Vedabase)
De oceaan volgend samen met de honger en de dorst kon naar Zijn buik de Grote persoon niet in gang zetten en het hart met de geest naar de goddelijkheid van de maan mislukte er toen ook in de Enige Ware op te wekken.
De oceaan ging Zijn buik in met honger en dorst, maar het Kosmische Wezen weigerde zelfs toen op te staan. De maangod ging Zijn hart binnen met de geest, maar het Kosmische Wezen liet zich niet in beweging brengen. (Vedabase)
Ook Brahmâ ging Zijn hart binnen met intelligentie, maar wekte de Gevierde Persoon niet op, als ook Heer S'iva, die er niet toe in staat was het volledige van de purusha op te wekken met het ego naar Zijn hart.
Ook Brahmâ ging in Zijn hart met de intelligentie, maar zelfs toen was het Kosmische Wezen niet tot opstaan te bewegen. Ook Heer Rudra ging Zijn hart binnen met het ego, maar zelfs toen verroerde het Kosmische Wezen Zich niet. (Vedabase)
Maar toen de goddelijkheid die met de rede heerst over het bewustzijn het hart binnenging als de kenner van het veld, rees op dat moment het Kosmisch Wezen op uit de causale wateren.
Op het moment echter dat de innerlijke bestuurder, de halfgod die het bewustzijn regeert, het hart binnenging met de rede, rees het Kosmische Wezen overeind uit het water der oorzaken. (Vedabase)
Het is als met een man die slaapt waarvan de levensadem, de werkende en kennende zinnen, zijn denken en zijn overwegen, uit eigen beweging niet zonder Hem in gang komen.
Wanneer iemand slaapt, kan geen van zijn materiële attributen - namelijk de levenslucht, de kennisverwervende zinnen, de werkzintuigen, de geest en de intelligentie - hem wekken. Hij kan alleen ontwaken, wanneer de Superziel hem helpt. (Vedabase)
Daarom behoort degene die de yoga in de praktijk brengt, met behulp van spirituele kennis, onthechting en toewijding, zorgvuldig de gedachte aan Hem, de Superziel, aanwezig in hemzelf in overweging te nemen.
Daarom moet men door toewijding, onthechting en gevorderde geestelijke kennis, verworven door geconcentreerde toegewijde dienst, erop mediteren dat de Superziel aanwezig is in dit eigen lichaam, hoewel Hij er tegelijk los van staat. (Vedabase)
Voor
deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam
linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van
Prabhupâda.
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd
Feed-back | Links | Downloads | Muziek | Afbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties