regelbalk



 

Canto 2

Guru Puja

 

 

Hoofdstuk 10: Het Bhâgavatam is het Antwoord op Alle Vragen

King Parîkchit questions Sukadeva Gosvâmi

(1) S'rî S'uka zei: 'In dit [boek, het S'rîmad Bhâgavatam] komen de volgende [tien onderwerpen] ter sprake: de primaire schepping [sarga], hoe de interacties tussen het levende en het levenloze tot stand kwamen [visarga], de planetaire orde [sthâna], het geloofsbehoud [poshana], de aanzet tot handelen [ûtaya], de bestuurlijke tijdperken [manvantara's], verhalen over de Heer Zijn verschijningen [îs'a-anukathâ], het afzien van een materieel leven [nirodha], bevrijding in toegewijde dienst [mukti] en de toevlucht [de veilige haven van Krishna, âs'raya]. (2) Grote zielen, wijzen, die redeneren vanuit Vedische teksten en hun betekenisverklaring, stellen dat de bedoeling van de eerste negen kenmerken van dit boek eruit bestaat een helder idee te verschaffen van het tiende onderwerp. (3) De [zestien elementen van de vijf] grofstoffelijke elementen, de [vijf] objecten van de zinnen en de zintuigen zelf met inbegrip van de geest vormen de manifestatie die de schepping van de schepper [sarga] wordt genoemd en wat resulteerde uit hun interactie met de drie geaardheden van de natuur [de guna's] wordt de secundaire schepping [visarga] genoemd. (4) De stabiliteit van de werelden [sthâna] is de glorie van de Heer van Vaikunthha en Zijn genade vormt het geloofsbehoud [poshana]. Het bestuur van de Manu's [in de manvantara's] regelt de volmaaktheid van de plichtsbetrachting die de aanzet tot handelen vormt met de karmische neigingen [ûtaya]. (5) De verschillende verhalen over de Heer [îs'a-anukathâ] beschrijven de activiteiten van de avatâra's van de Hoogste Persoonlijkheid van God en de personen die Zijn volgelingen zijn. (6) Terugkeren naar God [nirodha] gaat over het berusten van de zielen in de Oorspronkelijke Persoon en Zijn energieën, terwijl bevrijding [mukti] het opgeven van andere vormen [van bestaan] behelst met het stabiliteit vinden in de eigen aard van dienst verlenen. (7) Hij die zowel de bron is waaruit de schepping zich manifesteert als degene naar wie alles terugkeert, wordt daarom de toevlucht, de rustplaats [de âs'raya] van de Allerhoogste Geest, van God of de Superziel genoemd.

(8)
Verneem nu van mij over de manier waarop de ene Heer Zijn persoonlijke vermogen verdeelde in drie aspecten: 1) de natuur in de vorm van de heersende goden [adhidaivika], 2) de individuele zielen als degenen die worden gecontroleerd [adhyâtmika] en 3) hun materiële lichamen [adhibhautika]. (9) Aangezien men zich één van deze drie niet kan voorstellen zonder de andere twee, moet worden geconcludeerd dat de ene die ze allen kent Hij is, de Oorspronkelijke Ziel die de ondersteuning vormt van Zijn eigen eenheid. (10) Toen die Allerhoogste Persoon [expanderend in de ruimtetijd] de universa scheidde, schiep Hij buiten Zichzelf getreden, op zoek naar een plek om te rusten, [daarbij] de causale wateren van de zuiverste transcendentie. (11) King Parîkchit questions Sukadeva GosvâmiEen eindeloze tijd in deze wateren van Zijn eigen schepping verblijvend werd Hij bekend onder de naam Nârâyana ['het volgen van de weg van Nâra'] omdat deze wateren [nârâ] voortkwamen uit de Allerhoogste Persoon [uit Nara]. (12) De materiële elementen, het karma, de tijd en de geconditioneerde levende wezens bestaan allen bij Zijn genade en houden op te bestaan bij [Zijn] verwaarlozing. (13) Waar de Godheid lag in Zijn mystieke sluimer was Hij geheel alleen. Aldus wenste Hij zich bij machte van Zijn mâyâ te vermenigvuldigen en deelde Hij Zijn goud glanzende zaadbeginsel in drieën. (14) Laat me nu uitweiden over de drievoud waarin de Ene Heer Zijn vermogen verdeelde in die van de  natuur, adhidaiva, die van de individuele ziel, adhyâtma en die van de geconditioneerde levende wezens, adhibhûta.

(15)
Vanuit de ether in het lichaam van de Oorspronkelijke Persoon die Zijn ledematen bewoog, ontwikkelde zich het vitale vermogen, het mentale vermogen en het lichamelijke vermogen, waarna vervolgens de levensadem [de prâna] tot stand kwam als het alles en iedereen beheersende principe. (16) Net zoals het gevolg van een koning, volgen alle actieve wezens de levenskracht van de prâna en als de levenskracht niet langer actief is houdt de activiteit van de wezens op. (17) De levenskracht die werd opgewekt [vanuit de ether] wekte in de Almachtige honger en dorst op en om die dorst te lessen en honger te stillen, opende zich toen allereerst de mond. (18) Van de mond openbaarde zich het verhemelte waarna de tong zich manifesteerde alsmede de verschillende smaken die Hij ermee kon genieten. (19) Met de behoefte om met de mond te spreken ontwikkelde zich vanuit de Allerhoogste het vermogen om klanken te vibreren, maar in het water bleef dat heel lang opgeschort. (20) Ernaar verlangend geuren te ruiken ontwikkelde de neus zich met zijn reukzin tezamen met de neusgaten om snel de lucht te kunnen inademen die de geur meevoert. (21) Op zichzelf bestaand in de duisternis verlangde Hij het om Zichzelf en de rest van de schepping te zien. Toen splitste ter wille van Zijn waarnemen de zon zich af die de ogen het gezichtsvermogen schonk. (22) Ook de oren manifesteerden zich toen het Opperwezen het wenste de geluidstrillingen uit alle richtingen te horen en uit dat verlangen te begrijpen vonden de zieners hun bestaan. (23) Vanuit Zijn verlangen om het harde, zachte, lichte en zware, het hete en het koude van alle materie te ervaren, verspreidde de tastzin zich over de huid samen met de lichaamsbeharing, de planten en de bomen. Die tastzin van de huid wierp zich op door de voorwerpen die vanbinnen en vanbuiten werden waargenomen.

(24)
Vanuit Zijn verlangen naar verschillende vormen van arbeid manifesteerden zich Zijn handen, maar om de kracht te verlenen aan hun manipulatie [hun godheden] vond Indra, de koning van de goden, zijn bestaan als de manifestatie van beiden. (25) Het wensend te bewegen manifesteerden zich de benen waarover de Heer van het Offer [Vishnu] Zelf heerst. Hij is het die de verschillende levende wezens motiveert overeenkomstig de plichten van hun arbeidsopvatting [hun karma]. (26) Verlangend de nectar van het genoegen van de voortplanting te proeven verschenen de geslachtsorganen van de man en de vrouw en vond het lustmatige zijn bestaan waar beiden zo graag hun toevlucht toe nemen [beheerst door de Prajâpati]. (27) Ernaar verlangend afvalstoffen uit te scheiden ontwikkelde zich met de uitwerpselen de opening van de anus samen met de controle over die twee genaamd Mitra, de heerser over de uitscheiding. (28) Met de wens om van het ene lichaam naar een ander lichaam te verhuizen, manifesteerde zich de navel, de plaats waar men nauw mee blijft verbonden zowel na het stoppen van de ademhaling als na de dood [met een nieuw lichaam in de baarmoeder]. (29) Uit behoefte aan voedsel en drinken ontstond de buik met de ingewanden en de aderen alsook [in het grote lichaam van moeder aarde] de rivieren en de zeeën die de bron van hun onderhoud en stofwisseling vormen. (30) Met de herhaalde bezinning op Zijn eigen energie manifesteerde zich het hart [als de zetel van het denken] waarna de geest, Candra de heerser erover [de maan] en daarmee ook de vastberadenheid en het verlangen hun bestaan vonden. (31) De zeven elementen van de nagels, de huid, het vlees en het bloed, het vet, het merg en het been zijn hoofdzakelijk van aarde, water en vuur terwijl de levensadem een product is van de ether, het water en de lucht [zie ook kos'a].

 
(32) De zinnen van het materiële ego zijn gehecht aan de geaardheden van de materie. Die geaardheden beïnvloeden de geest en al de gevoelens die erbij horen waardoor de intelligentie en de gerealiseerde kennis voor het individu hun vorm aannemen. (33) De Allerhoogste Heer Zijn grofstoffelijke gedaante wordt, zoals ik u dat uitlegde, onder dit alles gekend aan de hand van de acht elementen [van aarde, water, vuur, lucht, ether, geest, intelligentie en vals ego] waaruit de planeten en al het overige bestaan, die samen een onbegrensd uitgedijde, uitwendige bedekking vormen. (34) Het Allerhoogste dat fijner is dan het fijnste, dat het ongemanifesteerde is zonder kenmerken, is aldus zonder een begin, zonder een tussenstadium en zonder een einde, is eeuwig en is transcendentaal aan de geest met zijn woorden. (35) Geen enkele geleerde die zich bewust is van deze [materiële en bovenzinnelijke] vormen van de Allerhoogste Heer zoals ik ze u beschreef, zal daarom ooit de uitwendige manifestatie als vanzelfsprekend aannemen. (36) Hij die bovenzinnelijk in feite niets doet [akarma is] vertoont zich [tevens] met namen, woorden en waar dat woord betrekking op heeft als de Allerhoogste Heer in zichtbare gedaanten van de Absolute Waarheid waarin Hij Zijn avonturen aangaat. (37-40) O Koning, weet dat al het geluk en leed en hun mengvormen er is als het gevolg van handelingen in het verleden [van karma]. Dat is de ervaring van al de leden van de familie van Brahmâ, de Manu's, de goddelijken, de wijzen, de bewoners van Pitriloka [de voorvaderen] en Siddhaloka [de volmaakten], de Cârana's [de eerbiedwaardigen], Gandharva's [de zangers van de hemel], Vidyâdhara's [de wetenschappers], de Asura's [de onverlichten], Yaksha's [schatbewaarders of boze geesten], Kinnara's [van de supermachten] en de engelen; de slangachtigen, de aapachtige Kimpurusha's, de menselijke wezens, de bewoners van Mâtriloka [de plaats van de moeder], de demonen en de Pis'âca's [gele vleesetende duivels]. En dat geldt ook voor de spoken, geesten, waanzinnigen en boze geesten, duivels die bezit van mensen nemen, de vogels, de dieren die in het bos leven en de huisdieren, de reptielen, zij die in de bergen leven, de bewegende en niet bewegende levende wezens, de levende wezens geboren uit embryo's, uit eieren, uit broeiwarmte [micro-organismen] en uit zaden, en alle overigen, of ze zich nu in het water, op het land, of in de lucht bevinden.

(41) Naar gelang de drie geaardheden van de goedheid, hartstocht en traagheid zijn er als zodanig ook de drie [posities] van de goddelijke ziel, van het menselijke wezen en van hen die moeten lijden. Er bestaan ook andere [posities], o Koning, die het gevolg zijn van mengvormen van ieder van deze drie met de rest van hen. Afhankelijk van de relatie van één zo'n kwaliteit met de overige twee ontwikkelt zich een zekere eigen aard. (42) Duidelijk is dat als de Allerhoogste Heer, de handhaver van het universum de universa tot stand heeft gebracht Hij het dharma handhaaft [en de levende wezens verlost] door [overeenkomstig Zijn drie vermogens] de gedaanten aan te nemen van goden, mensen en lagere levensvormen. (43) In de gedaante van Rudra [S'iva of  de vernietiger] zal Hij in het vuur van de eindtijd alles geheel vernietigen, zoals de wind de wolken uiteendrijft. (44) De Allerhoogste Heer wordt door de grote transcendentalisten beschreven met deze kenmerken, maar verlichte zielen verdienen niet enkel deze kwaliteiten en zijn getuige van Zijn heerlijkheid in het voorbije [nirguna]. (45) Nimmer wordt wat betreft de zaak van de schepping enzovoorts, het bovenzinnelijke Allerhoogste beschreven als zijnde de instantie die zaken bewerkstelligt, want het idee [van het bekleden van een verheven positie] is er om tegenwicht te bieden aan dat wat door de materiële energie tentoon wordt gespreid. (46) Dit [primaire maakproces of dit evolueren] van Brahmâ, werd besproken ter illustratie van de orde van een dag van de schepper [een kalpa bestaande uit 1000 mahâyuga's van 4.32 miljoen mensenjaren, in een 100-jarig leven van Brahmâ genaamd een mahâkalpa], terwijl de variaties erin, de transformaties ervan [de vikalpa's of perioden van verandering] betrekking hebben op de secundaire schepping van organische levensvormen. (47) Ik zal u later meer vertellen over de kenmerken en tijdmaten die een dag van Brahmâ vormen, maar laat me u eerst informeren over dit tijdperk [ook wel de Pâdma Kalpa of Varâha Kalpa genaamd].' "

(48) S'aunaka zei: "O Sûta, u was zo goed te vertellen over Vidura, die als één van de beste toegewijden, op weg ging naar de pelgrimsoorden op deze aarde en daarbij de verwanten achterliet die zo moeilijk op te geven zijn. (49-50) O zachtmoedige, vertel ons hier alstublieft over de conversatie die Vidura had met Maitreya [een beroemde rishi] die zo vol van bovenzinnelijke kennis is. Wat vroeg hij zijne genade allemaal en welke waarheden kreeg hij toen ten antwoord? En waarom gaf Vidura eigenlijk zijn bezigheden en metgezellen op en keerde hij nadien weer terug naar huis?"

(51) Sûta antwoordde: "Dit was wat Koning Parîkchit nog meer vroeg. Ik zal u vertellen wat de grote wijze daarop zei toen hij de vraag van de koning beantwoordde. Luister goed."

 

Aldus eindigt het tweede Canto van het S'rîmad Bhâgavatam genaamd: De Kosmische Manifestatie.

King Parîkchit questions Sukadeva Gosvâmi



Lees de inspiratie bij dit hoofdstuk door Anand Aadhar.


 

next                        

 
Derde herziene editie, geladen 28 september 2016.

 

 

 

Vorige Aadhar-editie en Vedabase links:

Tekst 1

S'rî S'uka zei: 'In dit [boek, het S'rîmad Bhâgavatam] komen de volgende [tien onderwerpen] ter sprake: de primaire schepping [sarga], hoe de interacties tussen het levende en het levenloze tot stand kwamen [visarga], de planetaire orde [sthâna], het geloofsbehoud [poshana], de aanzet tot handelen [ûtaya], de bestuurlijke tijdperken [manvantara's], verhalen over de Heer Zijn verschijningen [îs'a-anukathâ], het afzien van een materieel leven [nirodha], bevrijding in toegewijde dienst [mukti] en de toevlucht [de veilige haven van Krishna, âs'raya].
S'rî S'uka zei: 'In dit [Bhâgavatam] zijn er [tien soorten van] uitspraken over het volgende: de schepping van het universum, de secundaire schepping, de verschillende werelden, ondersteuning [door de Heer], de sturing van het creatieve, de wisselingen van de Manu's, het opvolgen van goddelijke aanwijzingen, de terugkeer naar God, het vinden van bevrijding en het Hoogste Goed [beschrijving van de handelingen van Heer Krishna]. (Vedabase)


Tekst 2

Grote zielen, wijzen, die redeneren vanuit Vedische teksten en hun betekenisverklaring, stellen dat de bedoeling van de eerste negen kenmerken van dit boek eruit bestaat een helder idee te verschaffen van het tiende onderwerp.

Met het doel het Hoogste Goed recht te doen worden de symptomen van de andere negen in dit [Bhâgavatam] beschreven middels vedische gevolgtrekking of meer rechtstreekse verklaringen of samenvattingen gegeven door de grote wijzen. (Vedabase)


Tekst 3

De [zestien elementen van de vijf] grofstoffelijke elementen, de  [vijf] objecten van de zinnen en de zintuigen zelf met inbegrip van de geest vormen de manifestatie die de schepping van de schepper [sarga] wordt genoemd en wat resulteerde uit hun interactie met de drie geaardheden van de natuur [de guna's] wordt de secundaire schepping [visarga] genoemd.

De vijf grofstoffelijke elementen, de objecten van de zinnen en de zintuigen zelve met inbegrip van het denken geven aanleiding tot de manifestatie welke het geschapen universum van de Schepper [sarga] wordt genoemd, terwijl de resulterende activiteiten van de interactie naar de geaardheden ervan de secundaire schepping [visarga] wordt genoemd. (Vedabase)

 

Tekst 4

De stabiliteit van de werelden [sthâna] is de glorie van de Heer van Vaikunthha en Zijn genade vormt het geloofsbehoud [poshana]. Het bestuur van de Manu's [in de manvantara's] regelt de volmaaktheid van de plichtsbetrachting die de aanzet tot handelen vormt met de karmische neigingen.

De stabiliteit van de werelden is de glorie van de Heer van Vaikunthha, Zijn ondersteuning is Zijn grondeloze genade, het bestuur van de Manu's regelt de volmaaktheid van de plichtsbetrachting en de sturing van het creatieve gaat over de geneigdheid tot vruchtdragende activiteiten (karma).  (Vedabase)

 

Tekst 5

De verschillende verhalen over de Heer [îs'a-anukathâ] beschrijven de activiteiten van de avatâra's van de Hoogste Persoonlijkheid van God en de personen die Zijn volgelingen zijn.

Het zoals gezegd volgen naar goddelijk onderricht handelt over de verschillende vertellingen die de handelingen van de nederdalende Heer beschrijven en de personen die Zijn volgelingen zijn.  (Vedabase)


Tekst 6

Terugkeren naar God [nirodha] gaat over het berusten van de zielen in de Oorspronkelijke Persoon en Zijn energieën, terwijl bevrijding [mukti] het opgeven van andere vormen [van bestaan] behelst met het stabiliteit vinden in de eigen aard van dienst verlenen.

Terugkeren naar God gaat over het rusten in de Oorspronkelijke Persoon van de zielen tezamen met de energieën, terwijl bevrijding het opgeven van andere vormen [van bestaan] betreft terwille van het permanente van de eigenlijke Oorspronkelijke. (Vedabase)

 

Tekst 7

Hij die zowel de bron is waaruit de schepping zich manifesteert als degene naar wie alles terugkeert, wordt daarom de toevlucht, de rustplaats van de Allerhoogste Geest, van God of de Superziel genoemd.

Hij is van zowel de kosmische manifestatie als de terugkeer ervan naar God, de bron van waaruit alles plaatsvindt en zodoende wordt Hij het reservoir van de Allerhoogste Geest of de Superziel genoemd.   (Vedabase)


Tekst 8

Verneem nu van mij over de manier waarop de ene Heer Zijn persoonlijke vermogen verdeelde in drie aspecten: 1) de natuur in de vorm van de heersende goden [adhidaivika], 2) de individuele zielen als degenen die worden gecontroleerd [adhyâtmika] en 3) hun materiële lichamen [adhibhautika].

Van het zijn als de persoonlijkheid in het bezit van zijn zinnen [adhyâtmika] is Hij zowel de beheersende Godheid [adhidaivika] als de persoon daarvan onderscheiden als een ander belichaamd levend wezen [adhibhautika]. (Vedabase)

 

Tekst 9

Aangezien men zich één van deze drie niet kan voorstellen zonder de andere twee, moet worden geconcludeerd dat de ene die ze allen kent Hij is, de Oorspronkelijke Ziel die de ondersteuning vormt van Zijn eigen eenheid.

Degene die ziet dat een ieder van de drie niet begrepen is in de afwezigheid van één van de anderen, weet dat Hij de ziel is die in deze spirituele indeling zijn eigen toevlucht vormt. (Vedabase)


Tekst 10

Toen die Allerhoogste Persoon [expanderend in de ruimtetijd] de universa scheidde, schiep Hij buiten Zichzelf getreden, op zoek naar een plek om te rusten, [daarbij] de causale wateren van de zuiverste transcendentie.

Bij het scheiden van de Universa [expanderend in de tijdruimte] trad Hij als dezelfde Oorspronkelijke Persoon buiten Zichzelf om te rusten in de [oorzakelijke] wateren, daarbij het geschapene het meest zuivere van de transcendentie toewensend. (Vedabase)

 

Tekst 11

Een eindeloze tijd in deze wateren van Zijn eigen schepping verblijvend werd Hij bekend onder de naam Nârâyana ['het volgen van de weg van Nâra'] omdat deze wateren [nârâ] voortkwamen uit de Allerhoogste Persoon [uit Nara].

In dat in Zichzelf verblijven voor een duizendtal van Zijn goddelijke jaren, staat Hij wat betreft het Zichzelf scheppen bekend onder de naam Nârâyana [het pad, de leidraad van God in relatie tot de mensen], daar Hij rustend in de causale wateren voortkwam uit de Oorspronkelijke Persoon.  (Vedabase)

 

Tekst 12

De materiële elementen, het karma, de tijd en de geconditioneerde levende wezens bestaan allen bij Zijn genade en houden op te bestaan bij [Zijn] verwaarlozing.

De elementen der materie, de activiteiten, de tijd en zeker ook de levende wezens bestaan allen bij Zijn genade en houden op te bestaan bij verwaarlozing. (Vedabase)


Tekst 13

Waar de Godheid lag in Zijn mystieke sluimer was Hij geheel alleen. Aldus wenste Hij zich bij machte van Zijn mâyâ te vermenigvuldigen en deelde Hij Zijn goud glanzende zaadbeginsel in drieën.

Op Zichzelf bestaand wenste Hij, vanuit Zijn mystieke sluimering, de variëteit en genereerde Hij aldus de gouden glans van de vruchtrijke halfgod voor de geschapen uitwendige energie volmaakt in haar drie kenmerken. (Vedabase)


Tekst 14

Laat me nu uitweiden over de drievoud waarin de Ene Heer Zijn vermogen verdeelde in die van de  natuur, adhidaiva, die van de individuele ziel, adhyâtma en die van de geconditioneerde levende wezens, adhibhûta.

Laat me u nu vertellen over hoe de Heer als enkel de Ene het vermogen van Zijn heerschappij verdeelde in drie godheden die heersen over de zintuiglijke, beheersende en belichaamde wezens.  (Vedabase)

 

Tekst 15

Vanuit de ether in het lichaam van de Oorspronkelijke Persoon die Zijn ledematen bewoog, ontwikkelde zich het vitale vermogen, het mentale vermogen en het lichamelijke vermogen, waarna vervolgens de levensadem [de prâna] tot stand kwam als het alles en iedereen beheersende principe.

Voortkomend uit de ether binnen het lichaam van de Oorspronkelijke Persoon ontwikkelde zich de energie van de zinnen, de geesteskracht en de lichaamskracht en toen de levensadem [de prâna] die heerst over een ieder. (Vedabase)

 

Tekst 16

Net zoals het gevolg van een koning, volgen alle actieve wezens de levenskracht van de prâna en als de levenskracht niet langer actief is houdt de activiteit van de wezens op. 

De in al de levende wezens werkzame zinnen die op de vgerschillende tekenen van leven reageren, vinden hun vrede zoals de onderdanen van een koning ophouden te ondernemen als die ophoudt.  (Vedabase)


Tekst 17

De levenskracht die werd opgewekt [vanuit de ether] wekte in de Almachtige honger en dorst op en om die dorst te lessen en honger te stillen, opende zich toen allereerst de mond.

De levenskracht die geprikkeld is genereert vanuit het Allerhoogste innerlijk honger en dorst en als eerste, teneinde die dorst te lessen en die honger te stillen, opende zich de mond. (Vedabase)

 

Tekst 18

Van de mond openbaarde zich het verhemelte waarna de tong zich manifesteerde alsmede de verschillende smaken die Hij ermee kon genieten.

Van de mond openbaarde zich de tong waarna de verschillende smaken zich manifesteerden die ermee konden worden genoten. (Vedabase)


Tekst 19

Met de behoefte om met de mond te spreken ontwikkelde zich vanuit de Allerhoogste het vermogen om klanken te vibreren, maar in het water bleef dat heel lang opgeschort.

Met de behoefte om te spreken kwam er van het Allerhoogste het vuur van zowel de geluidstrillingen als het spreken, maar omdat Hij in ruste was in de wateren, bleef dat voor een zeer lange tijd opgeschort. (Vedabase)

 

Tekst 20

Ernaar verlangend geuren te ruiken ontwikkelde de neus zich met zijn reukzin tezamen met de neusgaten om snel de lucht te kunnen inademen die de geur meevoert.

In de neusgaten ontwikkelde zich de beweging van de ademhaling waarop door het verlangen van de neus te functioneren, de zin tot het ruiken van geuren tot stand kwam. (Vedabase)


Tekst 21

Op zichzelf bestaand in de duisternis verlangde Hij het om Zichzelf en de rest van de schepping te zien. Toen splitste ter wille van Zijn waarnemen de zon zich af die de ogen het gezichtsvermogen schonk.

Op zichzelf bestaand in de duisternis manifesteerde, met het verlangen om al de komende manifestaties van Zijn bovenzinnelijk lichaam waar te nemen, zich voor Zijn zien de Zon om alle ogen het gezichtsvermogen te schenken. (Vedabase)

 

Tekst 22

Ook de oren manifesteerden zich toen het Opperwezen het wenste de geluidstrillingen uit alle richtingen te horen en uit dat verlangen te begrijpen vonden de zieners hun bestaan.

Ernaar verlangend om van de wijzen hun inzicht dat te begrijpen wat Hij wilde weten, manifesteerden zowel de oren zich naar de sturing van het vermogen tot luisteren als de objecten ervan. (Vedabase)


Tekst 23

Vanuit Zijn verlangen om het harde, zachte, lichte en zware, het hete en het koude van alle materie te ervaren, verspreidde de tastzin zich over de huid samen met de lichaamsbeharing, de planten en de bomen. Die tastzin van de huid wierp zich op door de voorwerpen die vanbinnen en vanbuiten werden waargenomen.

Door het verlangen om het harde, zachte, lichte, het gewicht, de hitte en de kou van alle materie te ervaren, raakte de tastzin over de huid met de lichaamsbeharing verspreid en vanwege het door de aanraking van die huid van binnen en van buiten hebben waargenomen van de objecten der zintuigen, manifesteerden de drie heersende godheden zich eveneens. (Vedabase)


Tekst 24

Vanuit Zijn verlangen naar verschillende vormen van arbeid manifesteerden zich Zijn handen, maar om de kracht te verlenen aan hun manipulatie [hun godheden] vond Indra, de koning van de goden, zijn bestaan als de manifestatie van beiden.

Naar de verschillende vormen van arbeid uitziend, manifesteerden door hen zich Zijn handen, maar om de manipulatie die van hen [de handen en de godheden] afhankelijk was kracht bij te zetten vond Indra, de koning der goden, zijn bestaan. (Vedabase)


Tekst 25

Het wensend te bewegen manifesteerden zich de benen waarover de Heer van het Offer [Vishnu] Zelf heerst. Hij is het die de verschillende levende wezens motiveert overeenkomstig de plichten van hun arbeidsopvatting [hun karma].

Verlangend het bewegen te beheersen manifesteerden zich de benen, terwille waarvan de Heer van het Offer [Vishnu], die de verschillende levende wezens motiveert naar de plichten overeenkomstig hun vruchtdragende bezigheden [het karma], Zichzelf manifesteerde. (Vedabase)

 

Tekst 26

Verlangend de nectar van het genoegen van de voortplanting te proeven verschenen de geslachtsorganen van de man en de vrouw en vond het lustmatige zijn bestaan waar beiden zo graag hun toevlucht toe nemen [beheerst door de Prajâpati].

Verlangend de nectar van het genoegen van de voortplanting te proeven verschenen de geslachtsorganen van de man en de vrouw en vond het gekoesterde van het lustmatige zijn bestaan dat de toevlucht voor hen beide vormt [beheerst door de Prajâpati]. (Vedabase)

  

Tekst 27

Ernaar verlangend afvalstoffen uit te scheiden ontwikkelde zich met de uitwerpselen de opening van de anus samen met de controle over die twee genaamd Mitra, de heerser over de uitscheiding.

Er naar verlangend de overblijfselen van het eten uit te scheiden kwam eerst de opening van de anus tot stand en toen de zin ervan waarna Mitra, de heerser over de uitscheiding, er kwam terwille van de toevlucht van hen beide. (Vedabase)

 

Tekst 28

Met de wens om van het ene lichaam naar een ander lichaam te verhuizen, manifesteerde zich de navel, de plaats waar men nauw mee blijft verbonden zowel na het stoppen van de ademhaling als na de dood [met een nieuw lichaam in de baarmoeder].

Het wensend zich overal te verspreiden in verschillende lichamen, manifesteerde zich uit het ene lichaam de navel waarna die de plaats werd vanwaar afgezonderd het op een einde lopen van de vitaliteit en de dood werd gevonden. (Vedabase)


Tekst 29

Uit behoefte aan voedsel en drinken ontstond de buik met de ingewanden en de aderen alsook [in het grote lichaam van moeder aarde] de rivieren en de zeeën die de bron van hun onderhoud en stofwisseling vormen.

In de behoefte aan voedsel en drinken vond de buik met de rivieren en de zeeën van de ingewanden en de aderen zijn oorsprong als ook de bron van de hen onderhoudende stofwisseling. (Vedabase)


Tekst 30

Met de herhaalde bezinning op Zijn eigen energie manifesteerde zich het hart [als de zetel van het denken] waarna de geest, Candra de heerser erover [de maan] en daarmee ook de vastberadenheid en het verlangen hun bestaan vonden.

Ernaar verlangend Zijn eigen energie te kennen manifesteerde zich het hart [als de zetel van het denken] waarna de geest, Candra de heerser erover [de maan] en zodoende de werkelijkheid der vastberadenheid en het verlangen werd gevonden. (Vedabase)
 
Tekst 31

De zeven elementen van de nagels, de huid, het vlees en het bloed, het vet, het merg en het been zijn hoofdzakelijk van aarde, water en vuur terwijl de levensadem een product is van de ether, het water en de lucht [zie ook kos'a].

De zeven elementen van de nagels, huid, het vlees en het bloed, het vet, het merg en het been zijn hoofdzakelijk van aarde, water en vuur terwijl de levensadem er is van de ether, het water en de lucht [zie ook kosha]. (Vedabase)

 

Tekst 32

De zinnen van het materiële ego zijn gehecht aan de geaardheden van de materie. Die geaardheden beïnvloeden de geest en al de gevoelens die erbij horen waardoor de intelligentie en de gerealiseerde kennis voor het individu hun vorm aannemen.

De zinnen van het materiële ego zijn gehecht aan de geaardheden van de materie, welke zodoende de geest beïnvloeden waarna alle gevoel volgt dat vorm geeft aan de intelligentie en haar willen vanuit de ziel. (Vedabase)

 

Tekst 33

De Allerhoogste Heer Zijn grofstoffelijke gedaante wordt, zoals ik u dat uitlegde, onder dit alles gekend aan de hand van de acht elementen [van aarde, water, vuur, lucht, ether, geest, intelligentie en vals ego] waaruit de planeten en al het overige bestaan, die samen een onbegrensd uitgedijde, uitwendige bedekking vormen.

Van dit alles wordt de vorm van de Allerhoogste Heer, zoals ik dat u heb uitgelegd, gekend in de acht elementen [van aarde, water, vuur, lucht, ether, geest, intelligentie en vals ego] van al de werelden en wat erbij hoort, die een onbeperkte materiële uitwendige bedekking vormen. (Vedabase)
 
Tekst 34

Het Allerhoogste dat fijner is dan het fijnste, dat het ongemanifesteerde is zonder kenmerken, is aldus zonder een begin, zonder een tussenstadium en zonder een einde, is eeuwig en is transcendentaal aan de geest met zijn woorden.

Daarom zijn er, voor het allerhoogste van dat wat fijner is dan het fijnste, dat het ongemanifesteerde is zonder kenmerken, dat wat zonder een begin, zonder een tussenstadium en zonder een einde en dus eeuwig is, de woorden van het denken naar het transcendentale. (Vedabase)
 
Tekst 35

Geen enkele geleerde die zich bewust is van deze [materiële en bovenzinnelijke] vormen van de Allerhoogste Heer zoals ik ze u beschreef, zal daarom ooit de uitwendige manifestatie als vanzelfsprekend aannemen.

Geen enkele van deze vormen aangaande de Allerhoogste Heer zoals ik het u beschreef worden, vanwege hun uitwendige manifestatie, ooit voor het ware aangezien door de geleerden van het bewustzijn. (Vedabase)


Tekst 36

Hij die bovenzinnelijk in feite niets doet [akarma is] vertoont zich [tevens] met namen, woorden en waar dat woord betrekking op heeft als de Allerhoogste Heer in zichtbare gedaanten van de Absolute Waarheid waarin Hij Zijn avonturen aangaat.

Hij aanvaardt door Zijn incarnaties en activiteiten, Zijn transcendentale kwaliteiten en navolging, als de Opperheer van de Geest, in het spel en vermaak van Zijn vormen het werk van de transcendentie dat vrij is van materiële belangen. (Vedabase)

 

Tekst 37-40

O Koning, weet dat al het geluk en leed en hun mengvormen er is als het gevolg van handelingen in het verleden [van karma]. Dat is de ervaring van al de leden van de familie van Brahmâ, de Manu's, de goddelijken, de wijzen, de bewoners van Pitriloka [de voorvaderen] en Siddhaloka [de volmaakten], de Cârana's [de eerbiedwaardigen], Gandharva's [de zangers van de hemel], Vidyâdhara's [de wetenschappers], de Asura's [de onverlichten], Yaksha's [schatbewaarders of boze geesten], Kinnara's [van de supermachten] en de engelen; de slangachtigen, de aapachtige Kimpurusha's, de menselijke wezens, de bewoners van Mâtriloka [de plaats van de moeder], de demonen en de Pis'âca's [gele vleesetende duivels]. En dat geldt ook voor de spoken, geesten, waanzinnigen en boze geesten, duivels die bezit van mensen nemen, de vogels, de dieren die in het bos leven en de huisdieren, de reptielen, zij die in de bergen leven, de bewegende en niet bewegende levende wezens, de levende wezens geboren uit embryo's, uit eieren, uit broeiwarmte [micro-organismen] en uit zaden, en alle overigen, of ze zich nu in het water, op het land, of in de lucht bevinden.

O Koning, weet dat al het geluk en leed en hun mengvormen zoals ervaren door de leden van de familie van Brahmâ, de Manu's, de goddelijken, de wijzen, de bewoners van Pitriloka [voorvaderen] en Siddhaloka [volmaakten], de Cârana's [de eerbiedwaardigen], Gandharva's [zangers van de hemel], Vidyâdhara's [wetendschappers], Asura's [onverlichten], Yaksha's [schatbewaarders of boze geesten], Kinnara's [van de supermachten] en de engelen, de slang-achtigen, de aapachtige Kimpurusha's, de menselijke wezens, de bewoners van Mâtriloka [plaats van de moeder], de demonen en Pis'âca's [gele vleesetende duivels], als ook de spoken, geesten, waanzinnigen en boze geesten, die van het goede en slechte gesternte, zowel als de vogels, de dieren die in het bos leven en de huisdieren, de reptielen, zij die in de bergen leven, de bewegende en stilstaande levende wezens, de levende wezens geboren uit embryo's, uit eieren, in warmte [micro-organismen] en uit zaden, en alle anderen, of ze zich nu in het water, op het land, of in de lucht bevinden, er met hen allen is als gevolg van daden in het verleden [karma]. (Vedabase)

 

Tekst 41

Naar gelang de drie geaardheden van de goedheid, hartstocht en traagheid zijn er als zodanig ook de drie [posities] van de goddelijke ziel, van het menselijke wezen en van hen die moeten lijden. Er bestaan ook andere [posities], o Koning, die het gevolg zijn van mengvormen van ieder van deze drie met de rest van hen. Afhankelijk van de relatie van één zo'n kwaliteit met de overige twee ontwikkelt zich een zekere eigen aard. 

Naar de geaardheden der goedheid, hartstocht en traagheid hebben we dus de drie van het goddelijke, het menselijke en zij die lijden en zelfs anderen, o Koning, als men het verdeelt in het zich bewegen in gewoonten ontwikkeld in ieder van de drie in relatie tot de andere twee. (Vedabase)
 

Tekst 42

Duidelijk is dat als de Allerhoogste Heer, de handhaver van het universum de universa tot stand heeft gebracht Hij het dharma handhaaft [en de levende wezens verlost] door [overeenkomstig Zijn drie vermogens] de gedaanten aan te nemen van goden, mensen en lagere levensvormen.

Zonder twijfel neemt Hij, de Handhaver van het gehele universum, in dezen de vorm aan van de principes der rechtschapenheid, teneinde na de schepping van de universa, de goddelozen, zij die menselijk zijn en de goddelijken weer voor zich op te eisen. (Vedabase)

 

Tekst 43

In de gedaante van Rudra [S'iva of  de vernietiger] zal Hij in het vuur van de eindtijd alles geheel vernietigen, zoals de wind de wolken uiteendrijft.

Op het eind van het tijdperk zal al dat met Hem is volledig worden vernietigd door vuur in de vorm van Rudra [S'iva de vernietiger], zoals de wind dat na verloop van tijd doet met wolken. (Vedabase)


Tekst 44

De Allerhoogste Heer wordt door de grote transcendentalisten beschreven met deze kenmerken, maar verlichte zielen verdienen niet enkel deze kwaliteiten en zijn getuige van Zijn heerlijkheid in het voorbije [nirguna].

Met deze kenmerken betreffende de aangelegenheid van schepping en vernietiging wordt door de grote transcendentalisten de Allerhoogste Heer beschreven , maar de grote toegewijden verdienen meer te zien van de hoogste glorie van deze kenmerken alleen. (Vedabase)


Tekst 45

Nimmer wordt wat betreft de zaak van de schepping enzovoorts, het bovenzinnelijke Allerhoogste beschreven als zijnde de instantie die zaken bewerkstelligt, want het idee [van het bekleden van een verheven positie] is er om tegenwicht te bieden aan dat wat door de materiële energie tentoon wordt gespreid.

Nimmer wordt aangaande de kwestie van het scheppen en zo voorts, het Allerhoogste in het voorbije aanwezig beschreven als zijnde de doener, want dat [idee van het bekleden van een verheven postie] is er om tegenwicht te bieden aan wat door de materiële energie ten toon wordt gespreid. (Vedabase)

Tekst 46

Dit [primaire maakproces of dit evolueren] van Brahmâ, werd besproken ter illustratie van de orde van een dag van de schepper [een kalpa bestaande uit 1000 mahâyuga's van 4.32 miljoen mensenjaren, in een 100-jarig leven van Brahmâ genaamd een mahâkalpa], terwijl de variaties erin, de transformaties ervan [de vikalpa's of perioden van verandering] betrekking hebben op de secundaire schepping van organische levensvormen.

Dit alles is slechts illustratief voor de regulerende beginselen waarmee de Schepper te werk gaat voor de duur van zijn tijd [beschreven als een dag van Brahmâ] en de duur van de universa. Hierin wordt, samengevat, het genereren van de gehele uitgebreidheid van de materiële schepping gegeven.  (Vedabase)


Tekst 47

Ik zal u later meer vertellen over de kenmerken en tijdmaten die een dag van Brahmâ vormen, maar laat me u eerst informeren over dit tijdperk [ook wel de Pâdma Kalpa of Varâha Kalpa genaamd].' "

Het precieze afmeten van de tijd naar zijn vorm en symptomen van een dag van Brahmâ [kalpa] zal ik u uitleggen na allereerst u in kennis te stellen van dit tijdperk van Zijn nederdalen [ookwel de Pâdma Kalpa genaamd]'." (Vedabase)

 

Tekst 48

S'aunaka zei: "O Sûta, u was zo goed te vertellen over Vidura, die als één van de beste toegewijden, op weg ging naar de pelgrimsoorden op deze aarde en daarbij de verwanten achterliet die zo moeilijk op te geven zijn.

S'aunaka zei: "O Sûta, u vertelde ons uit uw goede zelf over Vidura, die één van de besten der toegewijden is, zoals hij vertrok naar de pelgrimsoorden op deze aarde, de verwanten achterlatend die men zo moeilijk op kan geven. (Vedabase)

 

Tekst 49-50

O zachtmoedige, vertel ons hier alstublieft over de conversatie die Vidura had met Maitreya [een beroemde rishi] die zo vol van bovenzinnelijke kennis is. Wat vroeg hij zijne genade allemaal en welke waarheden kreeg hij toen ten antwoord? En waarom gaf Vidura eigenlijk zijn bezigheden en metgezellen op en keerde hij nadien weer terug naar huis?"

O zachtgeaarde, alstublieft vertel ons hier over de nieuwe dingen die Vidura besprak met Maitreya [een beroemde rishi] die zo vol van bovenzinnelijke kennis is en al wat hij nog meer Zijne genade vroeg en van hem beantwoord kreeg toendertijd. Waarom gaf Vidura eigenlijk zijn activiteiten en metgezellen op en waarom keerde hij nadien weer terug naar huis?" (Vedabase)
 

Tekst 51

Sûta antwoordde: "Dit was wat Koning Parîkchit nog meer vroeg. Ik zal u vertellen wat de grote wijze daarop zei toen hij de vraag van de koning beantwoordde. Luister goed."

Sûta antwoordde: "Alstublieft luister terwijl ik u uitleg waar de grote wijze [S'uka] over sprak in zijn beantwoorden naar aanleiding van de vragen van koning Parîkchit." (Vedabase)
 

 

 

 

 

 

 

 

 

Creative Commons License
De tekst en de audio worden aangeboden onder de

Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License
.

De eerste afbeelding toont een episode van de Bhâgavata Purâna.
'Krsna in the form of a young cowherd plays his flute to entice the cowgirls'.
17th century kalapustaka, a lavishly illustrated manuscript from Nepal.
Bron:
Cambridge University site on sacred scripts.
De tweede afbeelding is getiteld: 'The Creation of the Cosmic Ocean and the Elements' (detail),
folio 3 from the S'iva Purâna, c. 1828. (3rd paintings).
The royal collection of the Mehrangarh Museum Trust, Jodhpur. Date c. 1828
Bron:
The British Museum.
De derde afbeelding is een plaatje van de Dasâvatara Veda.
Bron.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd.



   

 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties