
Canto
2
Hoofdstuk 10: Het Bhâgavatam is het Antwoord op Alle Vragen
(1) S'rî S'uka zei: 'In dit [Bhâgavatam] zijn er [tien soorten van] uitspraken over het volgende: de schepping van het universum, de secundaire schepping, de verschillende werelden, ondersteuning [door de Heer], de sturing van het creatieve, de wisselingen van de Manu's, het opvolgen van goddelijke aanwijzingen, de terugkeer naar God, het vinden van bevrijding en het Hoogste Goed [beschrijving van de handelingen van Heer Krishna]. (2) Met het doel het Hoogste Goed recht te doen worden de symptomen van de andere negen in dit [Bhâgavatam] beschreven middels vedische gevolgtrekking of meer rechtstreekse verklaringen of samenvattingen gegeven door de grote wijzen. (3) De vijf grofstoffelijke elementen, de objecten van de zinnen en de zintuigen zelve met inbegrip van het denken geven aanleiding tot de manifestatie welke het geschapen universum van de Schepper [sarga] wordt genoemd, terwijl de resulterende activiteiten van de interactie naar de geaardheden ervan de secundaire schepping [visarga] wordt genoemd. (4) De stabiliteit van de werelden is de glorie van de Heer van Vaikunthha, Zijn ondersteuning is Zijn grondeloze genade, het bestuur van de Manu's regelt de volmaaktheid van de plichtsbetrachting en de sturing van het creatieve gaat over de geneigdheid tot vruchtdragende activiteiten [karma]. (5) Het zoals gezegd volgen naar goddelijk onderricht handelt over de verschillende vertellingen die de handelingen van de nederdalende Heer beschrijven en de personen die Zijn volgelingen zijn. (6) Terugkeren naar God gaat over het rusten in de Oorspronkelijke Persoon van de zielen tezamen met de energieën, terwijl bevrijding het opgeven van andere vormen [van bestaan] betreft terwille van het permanente van de eigenlijke Oorspronkelijke.(7) Hij is van zowel de kosmische manifestatie als de terugkeer ervan naar God, de bron van waaruit alles plaatsvindt en zodoende wordt Hij het reservoir van de Allerhoogste Geest of de Superziel genoemd. (8) Van het zijn als de persoonlijkheid in het bezit van zijn zinnen [adhyâtmika] is Hij zowel de beheersende Godheid [adhidaivika] als de persoon daarvan onderscheiden als een ander belichaamd levend wezen [adhibhautika]. (9) Degene die ziet dat een ieder van de drie niet begrepen is in de afwezigheid van één van de anderen, weet dat Hij de ziel is die in deze spirituele indeling zijn eigen toevlucht vormt.
(10) Bij het scheiden van de Universa [expanderend in de tijdruimte] trad Hij als dezelfde Oorspronkelijke Persoon buiten Zichzelf om te rusten in de [oorzakelijke] wateren, daarbij het geschapene het meest zuivere van de transcendentie toewensend. (11) In dat in Zichzelf verblijven voor een duizendtal van Zijn goddelijke jaren, staat Hij wat betreft het Zichzelf scheppen bekend onder de naam Nârâyana [het pad, de leidraad van God in relatie tot de mensen], daar Hij rustend in de causale wateren voortkwam uit de Oorspronkelijke Persoon. (12) De elementen der materie, de activiteiten, de tijd en zeker ook de levende wezens bestaan allen bij Zijn genade en houden op te bestaan bij verwaarlozing. (13) Op Zichzelf bestaand wenste Hij, vanuit Zijn mystieke sluimering, de variëteit en genereerde Hij aldus de gouden glans van de vruchtrijke halfgod voor de geschapen uitwendige energie volmaakt in haar drie kenmerken.
(14) Laat me u nu vertellen over hoe de Heer als enkel de Ene het vermogen van Zijn heerschappij verdeelde in drie godheden die heersen over de zintuiglijke, beheersende en belichaamde wezens. (15) Voortkomend uit de ether binnen het lichaam van de Oorspronkelijke Persoon ontwikkelde zich de energie van de zinnen, de geesteskracht en de lichaamskracht en toen de levensadem [de prâna] die heerst over een ieder. (16) De in al de levende wezens werkzame zinnen die op de vgerschillende tekenen van leven reageren, vinden hun vrede zoals de onderdanen van een koning ophouden te ondernemen als die ophoudt. (17) De levenskracht die geprikkeld is genereert vanuit het Allerhoogste innerlijk honger en dorst en als eerste, teneinde die dorst te lessen en die honger te stillen, opende zich de mond. (18) Van de mond openbaarde zich de tong waarna de verschillende smaken zich manifesteerden die ermee konden worden genoten. (19) Met de behoefte om te spreken kwam er van het Allerhoogste het vuur van zowel de geluidstrillingen als het spreken, maar omdat Hij in ruste was in de wateren, bleef dat voor een zeer lange tijd opgeschort. (20) In de neusgaten ontwikkelde zich de beweging van de ademhaling waarop door het verlangen van de neus te functioneren, de zin tot het ruiken van geuren tot stand kwam. (21) Op zichzelf bestaand in de duisternis manifesteerde, met het verlangen om al de komende manifestaties van Zijn bovenzinnelijk lichaam waar te nemen, zich voor Zijn zien de Zon om alle ogen het gezichtsvermogen te schenken. (22) Ernaar verlangend om van de wijzen hun inzicht dat te begrijpen wat Hij wilde weten, manifesteerden zowel de oren zich naar de sturing van het vermogen tot luisteren als de objecten ervan. (23) Door het verlangen om het harde, zachte, lichte, het gewicht, de hitte en de kou van alle materie te ervaren, raakte de tastzin over de huid met de lichaamsbeharing verspreid en vanwege het door de aanraking van die huid van binnen en van buiten hebben waargenomen van de objecten der zintuigen, manifesteerden de drie heersende godheden zich eveneens.
(24) Naar de verschillende vormen van arbeid uitziend, manifesteerden door hen zich Zijn handen, maar om de manipulatie die van hen [de handen en de godheden] afhankelijk was kracht bij te zetten vond Indra, de koning der goden, zijn bestaan. (25) Verlangend het bewegen te beheersen manifesteerden zich de benen, terwille waarvan de Heer van het Offer [Vishnu], die de verschillende levende wezens motiveert naar de plichten overeenkomstig hun vruchtdragende bezigheden [het karma], Zichzelf manifesteerde. (26) Verlangend de nectar van het genoegen van de voortplanting te proeven verschenen de geslachtsorganen van de man en de vrouw en vond het gekoesterde van het lustmatige zijn bestaan dat de toevlucht voor hen beide vormt [beheerst door de Prajâpati]. (27) Er naar verlangend de overblijfselen van het eten uit te scheiden kwam eerst de opening van de anus tot stand en toen de zin ervan waarna Mitra, de heerser over de uitscheiding, er kwam terwille van de toevlucht van hen beide. (28) Het wensend zich overal te verspreiden in verschillende lichamen, manifesteerde zich uit het ene lichaam de navel waarna die de plaats werd vanwaar afgezonderd het op een einde lopen van de vitaliteit en de dood werd gevonden. (29) In de behoefte aan voedsel en drinken vond de buik met de rivieren en de zeeën van de ingewanden en de aderen zijn oorsprong als ook de bron van de hen onderhoudende stofwisseling. (30) Ernaar verlangend Zijn eigen energie te kennen manifesteerde zich het hart [als de zetel van het denken] waarna de geest, Candra de heerser erover [de maan] en zodoende de werkelijkheid der vastberadenheid en het verlangen werd gevonden. (31) De zeven elementen van de nagels, huid, het vlees en het bloed, het vet, het merg en het been zijn hoofdzakelijk van aarde, water en vuur terwijl de levensadem er is van de ether, het water en de lucht [zie ook kosha]. (32) De zinnen van het materiële ego zijn gehecht aan de geaardheden van de materie, welke zodoende de geest beïnvloeden waarna alle gevoel volgt dat vorm geeft aan de intelligentie en haar willen vanuit de ziel.
(33) Van dit alles wordt de vorm van de Allerhoogste Heer, zoals ik dat u heb uitgelegd, gekend in de acht elementen [van aarde, water, vuur, lucht, ether, geest, intelligentie en vals ego] van al de werelden en wat erbij hoort, die een onbeperkte materiële uitwendige bedekking vormen. (34) Daarom zijn er, voor het allerhoogste van dat wat fijner is dan het fijnste, dat het ongemanifesteerde is zonder kenmerken, dat wat zonder een begin, zonder een tussenstadium en zonder een einde en dus eeuwig is, de woorden van het denken naar het transcendentale. (35) Geen enkele van deze vormen aangaande de Allerhoogste Heer zoals ik het u beschreef worden, vanwege hun uitwendige manifestatie, ooit voor het ware aangezien door de geleerden van het bewustzijn. (36) Hij aanvaardt door Zijn incarnaties en activiteiten, Zijn transcendentale kwaliteiten en navolging, als de Opperheer van de Geest, in het spel en vermaak van Zijn vormen het werk van de transcendentie dat vrij is van materiële belangen. (37-40) O Koning, weet dat al het geluk en leed en hun mengvormen zoals ervaren door de leden van de familie van Brahmâ, de Manu's, de goddelijken, de wijzen, de bewoners van Pitriloka [voorvaderen] en Siddhaloka [volmaakten], de Cârana's [de eerbiedwaardigen], Gandharva's [zangers van de hemel], Vidyâdhara's [wetendschappers], Asura's [onverlichten], Yaksha's [schatbewaarders of boze geesten], Kinnara's [van de supermachten] en de engelen, de slang-achtigen, de aapachtige Kimpurusha's, de menselijke wezens, de bewoners van Mâtriloka [plaats van de moeder], de demonen en Pis'âca's [gele vleesetende duivels], als ook de spoken, geesten, waanzinnigen en boze geesten, die van het goede en slechte gesternte, zowel als de vogels, de dieren die in het bos leven en de huisdieren, de reptielen, zij die in de bergen leven, de bewegende en stilstaande levende wezens, de levende wezens geboren uit embryo's, uit eieren, in warmte [micro-organismen] en uit zaden, en alle anderen, of ze zich nu in het water, op het land, of in de lucht bevinden, er met hen allen is als gevolg van daden in het verleden [karma].
(41) Naar de geaardheden der goedheid, hartstocht en traagheid hebben we dus de drie van het goddelijke, het menselijke en zij die lijden en zelfs anderen, o Koning, als men het verdeelt in het zich bewegen in gewoonten ontwikkeld in ieder van de drie in relatie tot de andere twee. (42) Zonder twijfel neemt Hij, de Handhaver van het gehele universum, in dezen de vorm aan van de principes der rechtgeaardheid, teneinde na de schepping van de universa, de goddelozen, zij die menselijk zijn en de goddelijken weer voor zich op te eisen. (43) Op het eind van het tijdperk zal al dat met Hem is volledig worden vernietigd door vuur in de vorm van Rudra [S'iva de vernietiger], zoals de wind dat na verloop van tijd doet met wolken. (44) Met deze kenmerken betreffende de aangelegenheid van schepping en vernietiging wordt door de grote transcendentalisten de Allerhoogste Heer beschreven , maar de grote toegewijden verdienen meer te zien van de hoogste glorie van deze kenmerken alleen. (45) Nimmer wordt aangaande de kwestie van het scheppen en zo voorts, het Allerhoogste in het voorbije aanwezig beschreven als zijnde de doener, want dat [idee van het bekleden van een verheven postie] is er om tegenwicht te bieden aan wat door de materiële energie ten toon wordt gespreid. (46) Dit alles is slechts illustratief voor de regulerende beginselen waarmee de Schepper te werk gaat voor de duur van zijn tijd [beschreven als een dag van Brahmâ] en de duur van de universa. Hierin wordt, samengevat, het genereren van de gehele uitgebreidheid van de materiële schepping gegeven. (47) Het precieze afmeten van de tijd naar zijn vorm en symptomen van een dag van Brahmâ [kalpa] zal ik u uitleggen na allereerst u in kennis te stellen van dit tijdperk van Zijn nederdalen [ookwel de Pâdma Kalpa genaamd]'."
(48) S'aunaka zei: "O Sûta, u vertelde ons uit uw goede zelf over Vidura, die één van de besten der toegewijden is, zoals hij vertrok naar de pelgrimsoorden op deze aarde, de verwanten achterlatend die men zo moeilijk op kan geven. (49-50) O zachtgeaarde, alstublieft vertel ons hier over de nieuwe dingen die Vidura besprak met Maitreya [een beroemde rishi] die zo vol van bovenzinnelijke kennis is en al wat hij nog meer Zijne genade vroeg en van hem beantwoord kreeg toendertijd. Waarom gaf Vidura eigenlijk zijn activiteiten en metgezellen op en waarom keerde hij nadien weer terug naar huis?"
(51) Sûta antwoordde: "Alstublieft luister terwijl ik u uitleg waar de grote wijze [S'uka] over sprak in zijn beantwoorden naar aanleiding van de vragen van koning Parîkchit."
Aldus eindigt het tweede Canto van het S'rîmad Bhâgavatam
Tweede editie, geladen 27 april 2006.
Bronteksten:
Het Bhâgavatam is het antwoord op elke vraag.
S'rî S'uka zei: 'In dit [Bhâgavatam] zijn er [tien soorten van] uitspraken over het volgende: de schepping van het universum, de secundaire schepping, de verschillende werelden, ondersteuning [door de Heer], de sturing van het creatieve, de wisselingen van de Manu's, het opvolgen van goddelijke aanwijzingen, de terugkeer naar God, het vinden van bevrijding en het Hoogste Goed [beschrijving van de handelingen van Heer Krishna].S'rî S'ukadeva Gosvâmî zei: In het S'rîmad Bhâgavatam vindt men tien afdelingen met uitspraken betreffende de volgende onderwerpen: de schepping van het heelal, de sub-schepping, de planetenstelsels, bescherming door de Heer, de scheppingsimpuls, de wisseling van Manu, de Godswetenschap, de terugkeer naar huis en naar God, verlossing en het hoogste goed. (Vedabase)
Met het doel het Hoogste Goed recht te doen worden de symptomen van de andere negen in dit [Bhâgavatam] beschreven middels vedische gevolgtrekking of meer rechtstreekse verklaringen of samenvattingen gegeven door de grote wijzen.
Teneinde de transcendentie van het hoogste goed te laten uitkomen, worden de kenmerken van het overige nu eens beschreven aan de hand van Vedische inferentie, dan weer door direkte duiding en soms ook in de vorm van beknopte verklaringen van de grote wijzen. (Vedabase)
De vijf grofstoffelijke elementen, de objecten van de zinnen en de zintuigen zelve met inbegrip van het denken geven aanleiding tot de manifestatie welke het geschapen universum van de Schepper [sarga] wordt genoemd, terwijl de resulterende activiteiten van de interactie naar de geaardheden ervan de secundaire schepping [visarga] wordt genoemd.
De schepping van de zestien stoffelijke elementen - namelijk de vijf elementen [aarde, water, vuur, lucht, ruimte], klank, vorm, smaak, geur, gevoel, en de ogen, oren, neus, tong, huid en de geest - kent men als sarga, terwijl de daaruit voortvloeiende wisselwerking van de geaardheden der natuur visarga wordt genoemd. (Vedabase)
De stabiliteit van de werelden is de glorie van de Heer van Vaikunthha, Zijn ondersteuning is Zijn grondeloze genade, het bestuur van de Manu's regelt de volmaaktheid van de plichtsbetrachting en de sturing van het creatieve gaat over de geneigdheid tot vruchtdragende activiteiten [karma].
De juiste positie van de levende wezens bestaat in het gehoorzamen van de wetten van de Heer, waardoor ze onder bescherming van de Allerhoogste Godspersoon in volmaakte innerlijke vrede verkeren. De Manu's en hun wetten zijn ervoor om het leven in goede banen te leiden. De impuls tot aktiviteit is het verlangen naar baat. (Vedabase)
Het zoals gezegd volgen naar goddelijk onderricht handelt over de verschillende vertellingen die de handelingen van de nederdalende Heer beschrijven en de personen die Zijn volgelingen zijn.
De Godswetenschap beschrijft de avatâra's van de Godspersoon en Zijn uiteenlopende activiteiten samen met die van Zijn grote toegewijden. (Vedabase)
Terugkeren naar God gaat over het rusten in de Oorspronkelijke Persoon van de zielen tezamen met de energieën, terwijl bevrijding het opgeven van andere vormen [van bestaan] betreft terwille van het permanente van de eigenlijke Oorspronkelijke.
Het opgaan van de levende wezens met hun gekonditioneerde levensneiging in de mystiek sluimerende Mahâ-Vishnu wordt het terugwinden van de kosmische openbaring genoemd. Verlossing is de blijvende toestand van de wezensgedaante van het levend wezen nadat het zijn veranderlijke fijn- en grofstoffelijk lichaam heeft prijsgegeven. (Vedabase)
Hij is van zowel de kosmische manifestatie als de terugkeer ervan naar God, de bron van waaruit alles plaatsvindt en zodoende wordt Hij het reservoir van de Allerhoogste Geest of de Superziel genoemd.
De Allerhoogste, die geëerd wordt als het Opperwezen of de Superziel, is zowel de diepste oorsprong van de kosmische openbaring als haar verblijf en terugwinding. Zo is Hij de Allerhoogste Bron, de Absolute Waarheid. (Vedabase)
Van het zijn als de persoonlijkheid in het bezit van zijn zinnen [adhyâtmika] is Hij zowel de beheersende Godheid [adhidaivika] als de persoon daarvan onderscheiden als een ander belichaamd levend wezen [adhibhautika].
Het individu in het bezit van de verschillende zintuigen wordt de adhyâtmische persoon genoemd en de individuele godheid die de zinnen bestuurt wordt de adhidaivische persoon genoemd, terwijl de belichaming welke met het oog wordt waargenomen de adhibhautische persoon genoemd wordt. (Vedabase)
Degene die ziet dat een ieder van de drie niet begrepen is in de afwezigheid van één van de anderen, weet dat Hij de ziel is die in deze spirituele indeling zijn eigen toevlucht vormt
Alle drie bovengenoemde posities van de verschillende levende wezens zijn onderling van elkaar afhankelijk. Bij afwezigheid van de ene is de andere niet te begrijpen. Maar het Opperwezen die elk van hen als toevlucht van de toevlucht ziet is van allen onafhankelijk en is derhalve de hoogste toevlucht. (Vedabase)
Bij het scheiden van de Universa [expanderend in de tijdruimte] trad Hij als dezelfde Oorspronkelijke Persoon buiten Zichzelf om te rusten in de [oorzakelijke] wateren, daarbij het geschapene het meest zuivere van de transcendentie toewensend.
Na de verschillende universa afzonderlijk uit Zich te hebben laten voortkomen, ging de reusachtige kosmische gedaante van de Heer [Mahâ-Vishnu], die uit de Oceaan der Oorzaken kwam, waarin de eerste purusha-avatâra verschijnt, in elk der afzonderlijke universa binnen, waarin Hij Zich op het door Hem geschapen bovenzinnelijke water wilde neerleggen. (Vedabase)
In dat in Zichzelf verblijven voor een duizendtal van Zijn goddelijke jaren, staat Hij wat betreft het Zichzelf scheppen bekend onder de naam Nârâyana [het pad, de leidraad van God in relatie tot de mensen], daar Hij rustend in de causale wateren voortkwam uit de Oorspronkelijke Persoon.
Die Allerhoogste is niet onpersoonlijk en daarom duidelijk een nara, of persoon. Derhalve kent men het bovenzinnelijk water, voortgebracht door de Allerhoogste Nara, als nâra. En omdat Hij op dat water neerligt, kent men Hem als Nârâyana. (Vedabase)
De elementen der materie, de activiteiten, de tijd en zeker ook de levende wezens bestaan allen bij Zijn genade en houden op te bestaan bij verwaarlozing.
Men dient beslist te weten dat alle stoffelijke ingrediënten, activiteiten, de tijd en de geaardheden alsook de levende wezens die van dit alles zullen moeten genieten slechts door Zijn genade bestaan en dat alles zijn bestaan verliest, zodra Hij Zich er niet meer om bekommert. (Vedabase)
Op Zichzelf bestaand wenste Hij, vanuit Zijn mystieke sluimering, de variëteit en genereerde Hij aldus de gouden glans van de vruchtrijke halfgod voor de geschapen uitwendige energie volmaakt in haar drie kenmerken.
Neerliggend op Zijn mystieke sluimerbed, verwekte de Heer door Zijn uitwendige energie, uit het verlangen om een verscheidenheid aan levende wezens uit Zichzelf te openbaren, het gouden semen-symbool. (Vedabase)
Laat me u nu vertellen over hoe de Heer als enkel de Ene het vermogen van Zijn heerschappij verdeelde in drie godheden die heersen over de zintuiglijke, beheersende en belichaamde wezens.
Hoor slechts van mij hoe het vermogen van de Heer één in drieën verdeelt, namelijk de besturende goden, de bestuurde wezens en de stoffelijke lichamen, zoals hierboven vermeld. (Vedabase)
Voortkomend uit de ether binnen het lichaam van de Oorspronkelijke Persoon ontwikkelde zich de energie van de zinnen, de geesteskracht en de lichaamskracht en toen de levensadem [de prâna] die heerst over een ieder.
Uit de ruimte binnen de bovenzinnelijke gedaante van de openbarende Mahâ-Vishnu worden de energie van de zinnen, geesteskracht en lichamelijke kracht verwekt, alsook het geheel van de oorsprong van de totale levenskracht. (Vedabase)
De in al de levende wezens werkzame zinnen die op de vgerschillende tekenen van leven reageren, vinden hun vrede zoals de onderdanen van een koning ophouden te ondernemen als die ophoudt.
Zoals het gevolg van een vorst zijn heer volgt, komen alle levende wezens in beweging wanneer de totale energie zich roert en houden met hun zinsactiviteiten op wanneer de totale energie haar streven beëindigt. (Vedabase)
De levenskracht die geprikkeld is genereert vanuit het Allerhoogste innerlijk honger en dorst en als eerste, teneinde die dorst te lessen en die honger te stillen, opende zich de mond.
De levenskracht, door de virâth-purusha in beroering gebracht, verwekte honger en dorst, en toen Hij wilde drinken en eten, ging de mond open. (Vedabase)
Van de mond openbaarde zich de tong waarna de verschillende smaken zich manifesteerden die ermee konden worden genoten.
Uit de mond werd het verhemelte geopenbaard en vervolgens werd tevens de tong verwekt. Hierna kwamen alle verschillende smaken tevoorschijn, zodat de tong ervan genieten kan. (Vedabase)
Met de behoefte om te spreken kwam er van het Allerhoogste het vuur van zowel de geluidstrillingen als het spreken, maar omdat Hij in ruste was in de wateren, bleef dat voor een zeer lange tijd opgeschort.
Toen de Allerhoogste verlangde te spreken, weerklonk de spraak uit de mond. Daarop werd uit de mond de vuurgod verwekt. Maar toen Hij in het water neerlag, bleven al deze funkties opgeschort. (Vedabase)
In de neusgaten ontwikkelde zich de beweging van de ademhaling waarop door het verlangen van de neus te functioneren, de zin tot het ruiken van geuren tot stand kwam.
Toen de allerhoogste purusha vervolgens geuren wenste te ruiken, werden neusgaten en adem voortgebracht, ontstonden neus en geuren en werd tevens de god van de lucht, die de geuren ronddraagt, geopenbaard. (Vedabase)
Op zichzelf bestaand in de duisternis manifesteerde, met het verlangen om al de komende manifestaties van Zijn bovenzinnelijk lichaam waar te nemen, zich voor Zijn zien de Zon om alle ogen het gezichtsvermogen te schenken.
Terwijl alles aldus in het duister bestond, wenste de Heer Zichzelf en al het geschapene te aanschouwen. Daarop werden de ogen, de lichtgod Zon, het gezichtsvermogen en het gezichtsobjekt geopenbaard. (Vedabase)
Ernaar verlangend om van de wijzen hun inzicht dat te begrijpen wat Hij wilde weten, manifesteerden zowel de oren zich naar de sturing van het vermogen tot luisteren als de objecten ervan.
Door ontwikkeling van het verlangen naar kennis van de grote wijzen openbaarden zich de oren, het hoorvermogen, de god van het gehoor en de gehoorsobjekten. De grote wijzen wilden horen betreffende het Zelf. (Vedabase)
Door het verlangen om het harde, zachte, lichte, het gewicht, de hitte en de kou van alle materie te ervaren, raakte de tastzin over de huid met de lichaamsbeharing verspreid en vanwege het door de aanraking van die huid van binnen en van buiten hebben waargenomen van de objecten der zintuigen, manifesteerden de drie heersende godheden zich eveneens.
Toen het verlangen oprees om de fysieke kenmerken van de stof waar te nemen, zoals zachtheid, hardheid, warmte, koude, lichtheid en zwaarte, werden de ondergrond van de tastzin, de huid, de poriën, de lichaamsbeharing en haar besturende goden [de bomen] verwekt. In en buiten de huid bevindt zich een luchtlaag waardoor de tastzin zich manifesteerde. (Vedabase)
Naar de verschillende vormen van arbeid uitziend, manifesteerden door hen zich Zijn handen, maar om de manipulatie die van hen [de handen en de godheden] afhankelijk was kracht bij te zetten vond Indra, de koning der goden, zijn bestaan.
Toen de Allerhoogste Persoon vervolgens allerlei werk wilde doen, werden de beide handen en hun besturende kracht alsook Indra, de hemelgod, geopenbaard, en de daden die zowel van de handen als van de god afhankelijk zijn. (Vedabase)
Verlangend het bewegen te beheersen manifesteerden zich de benen, terwille waarvan de Heer van het Offer [Vishnu], die de verschillende levende wezens motiveert naar de plichten overeenkomstig hun vruchtdragende bezigheden [het karma], Zichzelf manifesteerde.
Daarop openbaarden zich uit Zijn verlangen om de beweging te besturen Zijn benen, en uit de benen werd de besturende god genaamd Vishnu verwekt. Door Zijn persoonlijk toezicht op deze aktiviteit, houden velerlei mensen zich druk bezig met het offeren van hun maatschappelijke plichtvervulling. (Vedabase)
Verlangend de nectar van het genoegen van de voortplanting te proeven verschenen de geslachtsorganen van de man en de vrouw en vond het gekoesterde van het lustmatige zijn bestaan dat de toevlucht voor hen beide vormt [beheerst door de Prajâpati].
Vervolgens ontwikkelde de Heer terwille van seksueel genot, verwekking van nageslacht en het proeven van hemelse nektar de geslachtsdelen, en zo is er het geslachtsorgaan met zijn besturende god, de Prajâpati. Het voorwerp van seksueel genot en de besturende god staan onder leiding van de geslachtsdelen van de Heer. (Vedabase)
Er naar verlangend de overblijfselen van het eten uit te scheiden kwam eerst de opening van de anus tot stand en toen de zin ervan waarna Mitra, de heerser over de uitscheiding, er kwam terwille van de toevlucht van hen beide.
Toen Hij vervolgens het verteerde voedsel kwijt wilde, ontwikkelde zich de ontlastingsopening, de anus, met het zintuig van dien, alsmede de besturende god Mitra. Het zintuig en de uitwerpselen worden beide door de besturende god beschut. (Vedabase)
Het wensend zich overal te verspreiden in verschillende lichamen, manifesteerde zich uit het ene lichaam de navel waarna die de plaats werd vanwaar afgezonderd het op een einde lopen van de vitaliteit en de dood werd gevonden.
Toen Hij vervolgens van het ene lichaam naar het andere wilde reizen, werden tezamen de navel, de kracht die het leven afstoot en de dood geschapen. De navel is de toevlucht van beide, namelijk van de dood en de scheidingskracht. (Vedabase)
In de behoefte aan voedsel en drinken vond de buik met de rivieren en de zeeën van de ingewanden en de aderen zijn oorsprong als ook de bron van de hen onderhoudende stofwisseling.
Toen het verlangen naar voedsel en drank zich voordeed, openbaarden zich de buik, de ingewanden alsook de aderen. De rivieren en zeeën zijn de bronnen van hun onderhoud en stofwisseling. (Vedabase)
Ernaar verlangend Zijn eigen energie te kennen manifesteerde zich het hart [als de zetel van het denken] waarna de geest, Candra de heerser erover [de maan] en zodoende de werkelijkheid der vastberadenheid en het verlangen werd gevonden.
Toen het verlangen opkwam om na te denken over de activiteiten van Zijn eigen energie, werden het hart [de zetel van de geest], de geest, de maan, de wilskracht en alle verlangens geopenbaard. (Vedabase)Tekst 31:
De zeven elementen van de nagels, huid, het vlees en het bloed, het vet, het merg en het been zijn hoofdzakelijk van aarde, water en vuur terwijl de levensadem er is van de ether, het water en de lucht [zie ook kosha].
De zeven elementen van het lichaam, namelijk de dunne opperhuid, de huid zelf, vlees, bloed, vet, merg en bot, zijn alle vervaardigd van aarde, water en vuur, terwijl de levensadem van ruimte, water en lucht is. (Vedabase)
De zinnen van het materiële ego zijn gehecht aan de geaardheden van de materie, welke zodoende de geest beïnvloeden waarna alle gevoel volgt dat vorm geeft aan de intelligentie en haar willen vanuit de ziel.
De zintuigen zijn gehecht aan de geaardheden der stoffelijke natuur, die op hun beurt door het vals ego worden voortgebracht. De geest is onderworpen aan allerlei materiële ervaringen [geluk en verdriet], en het verstand vertegenwoordigt de overwegingsfunktie van de geest. (Vedabase)
Van dit alles wordt de vorm van de Allerhoogste Heer, zoals ik dat u heb uitgelegd, gekend in de acht elementen [van aarde, water, vuur, lucht, ether, geest, intelligentie en vals ego] van al de werelden en wat erbij hoort, die een onbeperkte materiële uitwendige bedekking vormen.
Zo is het uitwendig aspekt van de Godspersoon door dit alles verhuld met grofstoffelijke vormen, zoals die van planeten, waarover ik u uitleg gegeven heb. (Vedabase)Tekst 34:
Daarom zijn er, voor het allerhoogste van dat wat fijner is dan het fijnste, dat het ongemanifesteerde is zonder kenmerken, dat wat zonder een begin, zonder een tussenstadium en zonder een einde en dus eeuwig is, de woorden van het denken naar het transcendentale.
Dus aan gene zijde van deze [grofstoffelijke openbaring] is er een bovenzinnelijke openbaring, fijner dan de fijnste vorm. Ze kent begin, noch midden, noch eind, en is derhalve niet in materiële begrippen en ideeën te vangen. (Vedabase)Tekst 35:
Geen enkele van deze vormen aangaande de Allerhoogste Heer zoals ik het u beschreef worden, vanwege hun uitwendige manifestatie, ooit voor het ware aangezien door de geleerden van het bewustzijn.
Geen van de hiervoor uit materiële visie beschreven gedaanten van de Heer wordt geaksepteerd door Zijn toegewijden, die Hem goed kennen. (Vedabase)
Hij aanvaardt door Zijn incarnaties en activiteiten, Zijn transcendentale kwaliteiten en navolging, als de Opperheer van de Geest, in het spel en vermaak van Zijn vormen het werk van de transcendentie dat vrij is van materiële belangen.
Hij, de Godspersoon, openbaart Zich in bovenzinnelijke gedaante als onderwerp van Zijn bovenzinnelijke naam, eigenschappen, spel en vermaak, entourage en transcendente verscheidenheid. Hoewel Hij onberoerd blijft onder al Zijn activiteiten, schijnt Hij erin op te gaan. (Vedabase)
O Koning, weet dat al het geluk en leed en hun mengvormen zoals ervaren door de leden van de familie van Brahmâ, de Manu's, de goddelijken, de wijzen, de bewoners van Pitriloka [voorvaderen] en Siddhaloka [volmaakten], de Cârana's [de eerbiedwaardigen], Gandharva's [zangers van de hemel], Vidyâdhara's [wetendschappers], Asura's [onverlichten], Yaksha's [schatbewaarders of boze geesten], Kinnara's [van de supermachten] en de engelen, de slang-achtigen, de aapachtige Kimpurusha's, de menselijke wezens, de bewoners van Mâtriloka [plaats van de moeder], de demonen en Pis'âca's [gele vleesetende duivels], als ook de spoken, geesten, waanzinnigen en boze geesten, die van het goede en slechte gesternte, zowel als de vogels, de dieren die in het bos leven en de huisdieren, de reptielen, zij die in de bergen leven, de bewegende en stilstaande levende wezens, de levende wezens geboren uit embryo's, uit eieren, in warmte [micro-organismen] en uit zaden, en alle anderen, of ze zich nu in het water, op het land, of in de lucht bevinden, er met hen allen is als gevolg van daden in het verleden [karma].
O koning, hoor van mij dat alle levende wezens overeenkomstig hun vroeger doen en laten door de Opperheer geschapen worden. Ze omvatten Brahmâ en zijn zoons, zoals Daksha, de hoofden der opeenvolgende mensengeslachten, zoals Vaivasvata Manu, de goden als Indra, Candra en Varuna, de grote wijzen zoals Bhrigu, Vyâsa en Vasishthha, de bewoners van Pitriloka en Siddhaloka, de Cârana's, Gandharva's, Vidyâdhara's, Asura's, Yaksha's, Kinnara's en engelen, de slangachtigen, de aapachtige Kimpurusha's, de mensenwezens, de bewoners van Mâtriloka, de demonen, Pis'âca's, geesten, spoken, krankzinnigen en kwade geesten, de gunstige en ongunstige gesternten, de gnomen, de bosdieren, de vogels, de huisdieren, de reptielen, de bergen, de bewegende en roerloze wezens, de wezens geboren uit embryo, ei, transpiratie en zaad, en alle andere, hetzij in het water, hetzij op het land, hetzij in de lucht - in geluk, in verdriet of daar tussenin. Alle worden overeenkomstig hun vroeger doen en laten door de Opperheer geschapen. (Vedabase)
Naar de geaardheden der goedheid, hartstocht en traagheid hebben we dus de drie van het goddelijke, het menselijke en zij die lijden en zelfs anderen, o Koning, als men het verdeelt in het zich bewegen in gewoonten ontwikkeld in ieder van de drie in relatie tot de andere twee.
Overeenkomstig de verschillende geaardheden der stoffelijke natuur - goedheid, hartstocht en duisternis - zijn er verschillende wezens, die men kent als goden, mensen en helse schepselen. O koning, als een bepaalde geaardheid van de natuur met de beide andere vermengd raakt, wordt ze in drieën gedeeld. Zo raakt elk type schepsel door de andere geaardheden beïnvloed en neemt er de eigenschappen van aan. (Vedabase)Zonder twijfel neemt Hij, de Handhaver van het gehele universum, in dezen de vorm aan van de principes der rechtgeaardheid, teneinde na de schepping van de universa, de goddelozen, zij die menselijk zijn en de goddelijken weer voor zich op te eisen.
Hij, de Godspersoon, instandhouder van alles in het heeal, verschijnt na openbaring van de schepping in verschillende avatâra's, om alle soorten gebonden zielen onder de mensen, de niet-mensen en de halfgoden tot Zich te roepen. (Vedabase)
Op het eind van het tijdperk zal al dat met Hem is volledig worden vernietigd door vuur in de vorm van Rudra [S'iva de vernietiger], zoals de wind dat na verloop van tijd doet met wolken.
Aan het eind van het tijdvak zal de Heer vervolgens Zelf in de gedaante van Rudra, de vernietiger, de ganse schepping verwoesten, zoals de wind een wolkenveld uiteen waait. (Vedabase)
Met deze kenmerken betreffende de aangelegenheid van schepping en vernietiging wordt door de grote transcendentalisten de Allerhoogste Heer beschreven , maar de grote toegewijden verdienen meer te zien van de hoogste glorie van deze kenmerken alleen.
Zo beschrijven de grote transcendentalisten de activiteiten van de Allerhoogste Godspersoon, maar de zuivere toegewijden verdienen het om heerlijker zaken in het bovenzinnelijke te aanschouwen dan deze aspekten. (Vedabase)Nimmer wordt aangaande de kwestie van het scheppen en zo voorts, het Allerhoogste in het voorbije aanwezig beschreven als zijnde de doener, want dat [idee van het bekleden van een verheven postie] is er om tegenwicht te bieden aan wat door de materiële energie ten toon wordt gespreid.
De Heer bestuurt de schepping en vernietiging van de stoffelijke wereld niet rechtstreeks. Wat de Veda's over Zijn direkte tussenkomst zeggen is slechts bedoeld om de gedachte tegen te gaan dat de stoffelijke natuur de schepping verricht. (Vedabase)Dit alles is slechts illustratief voor de regulerende beginselen waarmee de Schepper te werk gaat voor de duur van zijn tijd [beschreven als een dag van Brahmâ] en de duur van de universa. Hierin wordt, samengevat, het genereren van de gehele uitgebreidheid van de materiële schepping gegeven.
Deze gang van zaken, van schepping en vernietiging, hier in het kort beschreven, is het regulerend principe tijdens de duur van één dag van Brahmâ; ze geldt ook voor de schepping van mahat, waarbij de stoffelijke natuur zich verbreidt. (Vedabase)Het precieze afmeten van de tijd naar zijn vorm en symptomen van een dag van Brahmâ [kalpa] zal ik u uitleggen na u allereerst in kennis te stellen van dit tijdperk van Zijn nederdalen [ookwel de Pâdma Kalpa genaamd]'."
O koning, ik zal u later de tijdmeting uitleggen in haar grof- en fijnstoffelijk aspekt, met de specifieke kenmerken van beide, maar laat me u nu uitleg geven over de Pâdma-kalpa. (Vedabase)
S'aunaka zei: "O Sûta, u vertelde ons uit uw goede zelf over Vidura, die één van de besten der toegewijden is, zoals hij vertrok naar de pelgrimsoorden op deze aarde, de verwanten achterlatend die men zo moeilijk op kan geven.
Nadat S'aunaka Rishi alles over de schepping gehoord had, vroeg hij Sûta Gosvâmî over Vidura, want Sûta had hem eerder verhaald hoe Vidura al zijn familie-leden, die men zeer moeilijk verlaten kan, vaarwel had gezegd en van huis was gegaan. (Vedabase)
O zachtgeaarde, alstublieft vertel ons hier over de nieuwe dingen die Vidura besprak met Maitreya [een beroemde rishi] die zo vol van bovenzinnelijke kennis is en al wat hij nog meer Zijne genade vroeg en van hem beantwoord kreeg toendertijd. Waarom gaf Vidura eigenlijk zijn activiteiten en metgezellen op en waarom keerde hij nadien weer terug naar huis?"
S'aunaka Rishi zei: Laat ons alstublieft weten welke onderwerpen Vidura en Maitreya op bovenzinnelijk niveau met elkaar bespraken, wat Vidura vroeg, en wat Maitreya hem antwoordde. Laat ons tevens weten waarom Vidura de relatie met zijn familie verbrak en waarom hij weer thuis kwam. En laat ons ook horen wat Vidura deed, toen hij zijn pelgrimstocht maakte. (Vedabase)Sûta antwoordde: "Alstublieft luister terwijl ik u uitleg waar de grote wijze [S'uka] over sprak in zijn beantwoorden naar aanleiding van de vragen van koning Parîkchit."
S'rî Sûta Gosvâmî verklaarde: Ik zal nu juist over die onderwerpen spreken waarover de grote wijze in antwoord op de vragen van Koning Parîkshit verhaalde. Luister alstublieft aandachtig. (Vedabase)
Voor
deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam
linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van
Prabhupâda.
Het schilderij op deze pagina is van Muralidhara
dasa.
Produktie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd
Feed-back | Links | Downloads | Muziek | Afbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties