A|B|C|D|E|F|G|H|I|J|K|L|M|N|O|P|Q|R|S|T|U|V|W|X|Y|Z

 

V

 

Vâda: argument; spreken van of over. Uiteinde van woorden om het argument van iets aan te duiden zoals bij m â y â v â d a.

Vâlakhilya's: de zestigduizend wijzen die de zonnegod omringen (zie 4.1: 39 en 5.21: 17).

Vâlmîki: de wijze die S î t â opving na haar verbanning. Schrijver van de R a m â y a n a, het epos over R â m a die de demon R â v a n a verslaat.

Vâmana (-deva): de Heer die incarneerde in de gedaante van een dwerg, een brahmaanse jongen (zie ook B a l i M a h â r â j a, U p e n d r a en S.B. 8.18).

- Een V i s h n u - â v a t a r a die met het bedingen van een paar stappen grond de hele wereld voor zich opeiste (zie ook U r u k r a m a).

Vânaprastha: de teruggetrokken positie, doorgaans derde levensfase tussen de 40 en 60 jaar. Derde â s' r a m a van het v a r n â s' r a m a-stelsel: het stelsel van klassen (roepingen van dienstbaarheid) en geestelijke afdelingen (vormen van civiele status). De term wordt veelal gereserveerd voor zuivere toegewijden (geïnitieerden) die niet meer in de tempel leven en hun nageslacht al verwekt hebben of daar niet meer op uit zijn. Levensfase van bezinning en voorbereiding op de onthechte staat (zie s a n n y â s a, 7.12: 17-31 en 11.18).

- Periode van zuivering, bedevaarten, studie, inkeer en overdracht van de kennis en macht naar de volgende generatie.

- Het zich losmaken van het gezinsleven.

- Iemand die volgens de regels van deze â s' r a m a leeft.

Vânara's: half-apen aangevoerd door H a n u m â n, die Heer R â m a hielpen bij het bevrijden van S î t â, Zijn echtgenote (zie ook k i m p u r u s h a's).

Vânî: communicatie, bericht, woorden, omgang met K r i s h n a op het acoustische vlak. Heeft bij de v a i s h n a v a's de voorkeur boven v a p u.

Vântâs'î: 'iemand die zijn eigen kots opeet'. Als een verzaakte persoon weer opnieuw voorrang geeft aan de burgerlijke waarden van de materialistische bezigheden van een huishoudelijk leven, wordt zo'n iemand als een schaamteloze persoon gezien die a.h.w. zijn eigen kots opeet (zie 7.15: 36 en 11.18: 10).

Vârunî: soort van drank bereid uit varkensgras vermengd met het sap van de dadel of de palm en gedestilleerd, volgens de p a r a m p a r â vermengd met honing. Vloeide naar de genade van V a r u n a uit de holte van een boom toen B a l a r â m a eens 's nachts de Y a m u n â opzocht met de g o p i's (zie 10.65, 10.67: 9-10 en m a i r e y a).

- Dochter van V a r u n a.

Vâsâdi, S'rî: P a ñ c a - t a t t v a-incarnatie van N â r a d a  M u n i. Eerste toegewijde, leider in de toegewijde dienst.

Vâsanâ: geneigdheid op basis van het k a r m a. Hindernis in de eigen konditionering en ervaring van mogelijk ook vorige levens. Ook het huidige bewustzijn van voorgaande waarnemingen. Dus ook trauma's, herinneringen e.d. (zie ook l i n g a, en s a m s k â r a en 10.51: 60 en 12.7: 12).

Vâsudeva: (vâsu betekent het Allerhoogste Wezen van V i s h n u verblijvend in een ieder, of letterlijk: 'God van de Geest, de Ziel of het bewustzijn', zie 4.3: 23) naam voor K r i s h n a als de zoon van V a s u d e v a (zijn pleegvader heette Nanda, zie ook D e v a k î).

- Naam voor K r i s h n a in Zijn manifestatie als de cosmische tijd (zie S' i s' u m â r a - c a k r a).

- Vâsudeva: het niveau waarop men begrijpt wat God is en hoe men met betrekking tot Zijn verschillende energieën moet handelen.

- Naam van de Allerhoogste Godspersoon, de eigenaar van alles, materieel en spiritueel

- Een van de vier eeuwige gedaanten van de Heer (zie ook V y û h a).

Vâsuki: de slang als touw gebruikt om in de oceaan van melk de berg M a n d a r a te karnen (zie 8.7).

Vâyu: (lucht, vitale energie) beweging van de lucht bij het beheersen van de ademhaling (zie p r â n â y â m a). In vijf soorten: opgaande (udana), neergaande (apâna) uitdijende (vyâna) gebalanceerde (samâna) en hoge (prânavâyu).

- De halfgod die de wind bestuurt.

Vaibhâsika's: Een groep van aan de boeddhisten verwante filosofen, die er waren in de tijd toen K r i s h n a de B h a g a v a d- g î t â sprak en die aannemen dat het leven ontstaat uit een bepaalde tot rijpheid gekomen menging van stoffelijke bestanddelen.

Vaibhava-prakâs'a: de perfectie van de Heer om Zichzelf uit te breiden in meer dan één gedaante en tegelijkertijd op te treden zoals dat gebeurt in 10.33: 20, 10.69: 41, 10.13: 18, en 10.86: 26.

Vaidarbhî: de dochter van de koning van Vidarbha of Bhîshmaka: R u k m i n î, K r i s h n a's eerste vrouw.

Vaidhi-bhakti: toewijding op het nivo van het strikt volgen van regels en aanbidding van de m û r t i. Toewijding in horigheid. Beginstadium van de b h a k t i (zie ook r â g â n u g a- en s â d h a n a - b h a k t i).

Vaidûrya: ('kattenoog'-edelsteen); een steensoort vaak vermeld in de beschrijvingen van de vedische architectuur van weelderig versierde gebouwen en paleizen.

Vaijayantî: 'van de overwinning', de naam van K r i s h n a's bloemenslinger bestaande uit bloemen in vijf verschillende kleuren.

Vaikunthha (-loka): lett. de plaats waar geen indolentie, dwaasheid, domheid, luiheid of - retorisch gesproken - angst heerst. De hemelse woning van de Heer N â r â y a n a. De ideale planeet, de geestelijke wereld. Er zijn meerdere vaikunthhaloka's: afhankelijk van de gedaante van de Heer daar aanbeden.

- Het geestelijk koninkrijk, waar alles s a t - c i t - â n a n d a is, eeuwig, vol wijsheid en gelukzaligheid (zie ook 3.15).

Vairâgya: onthechting (zie ook V i d h y a).

- Losmaking van de stof en hechting van de geest aan het bovenzinnelijke.

Vais'eshika (speciaal, bijzonder, specifiek, karakteristiek, onderscheiden, uitnemend, uitzonderlijk) een van de zes d a r s h a n a's met betrekking of behorende tot of gebaseerd op of handelend over de Vais'eshika doctrine. Naam van de latere van de twee grote afdelingen van de N y â y a school van filosofie (werd gegrondvest door K a n â d a, en verschilt van de, 'eigenlijke' N y â y a' gegrondvest door G a u t a m a, in het hooghouden van zeven categorieën of onderwerpen in plaats van zestien; en meer in het bijzonder haar doctrine van vis'esha, of de eeuwig afzondelijke aard van de negen substanties van de lucht, het vuur, het water, de aarde, de geest, de ether, de tijd, de ruimte en de ziel, waarvan de eerste vijf, met inbegrip van de geest, voor atomisch worden gehouden.

Vaishnava's: toegewijden van Heer V i s h n u - personen die de v i d h i volgen: geen vlees, vis, eieren, intoxicatie, illegitieme sex of gokken met geld, en dagelijks zestien ronden j a p a chanten (zie ook C a i t a n y a).

- Persoon die het materiële leven heeft opgegeven en leeft in volledige overgave aan V i s h n u.

- K r i s h n a als de Allerhoogste en Zijn vertegenwoordiger, de geestelijk leraar (zie ook b h a k t a en â c â r y a).

- Een ieder die zijn leven aan K r i s h n a wijdt en in Hem de God van het Behoud, Heer V i s h n u herkent (zie ook â r y a n).

- Andere naam voor b h a k t a of toegewijde.

- Bijvoeglijk gebruikt: aan de vaishnava eigen.

Vaishnavisme: de v a i s h n a v a-leer, die alles in relatie tot V i s h n u, God, beschouwt en wil dat men vanuit deze relatie te werk gaat.

Vais'ya: landbouwers en handelaren. Ze voorzien in de levensbehoeften van de samenleving en waken over het welzijn van de dieren, met name van de koe.

- Een van de v a r n a's (zie v a r n â s' r a m a)

Vaivasvata Manu: zie M a n u.

Vals Ego (of a h a n k â r a): de illusoire gedachte dat men de absolute meester, de allerhoogste eigenaar en de rechtmatige genieter van alle geneugten der wereld is, als gevolg waarvan de ziel zich vereenzelvigt met het stoffelijk lichaam.

- De 'knoop' die ziel en lichaam bij elkaar houdt, alsook alles wat daarmee verband houdt (uiterlijk, nationaliteit, ras, familie, religieuze denominatie, vreugde en verdriet enz.).

- Vereenzelviging met het lichaam, het lichaam aanzien voor het ware zelf.

- Een symptoom van begoocheling.

- De oorsprong van de gebondenheid aan de stof.

- Zetel van angst en neurose, ofwel het hebben van een ineffectieve geest (zie verder a h a n k â r a).

Vams'a: dynastie; Heer R â m a verscheen in de sûrya-vams'a van I k s h v â k u ofwel de zonnedynastie en Heer K r i s h n a verscheen in de candra-vams'a ofwel de maan-dynastie.

Vapu: het lichaam, omgang met K r i s h n a op het fysieke vlak (see v a n i).

Varâha: Incarnatie van Heer K r i s h n a, als reusachtig everzwijn (zie S' r î m a d  B h â g a v a t a m 3-13, 18 & 19).

- Een V i s h n u - a v a t â r a

Varna: elk van de vier afdelingen van de samenleving verdeeld naar de natuurlijke funktieverrichting van haar leden.

- Beroepsoriëntaties, beroepen, roepingen, klasse.

- Kleur.

- In vieren:

- B r â h m a n a's: brahmanen, geestelijken en intellectuelen.

- K s h a t r i y a's, bestuurders, officieren.

- V a i s' y a's: handelaren, en boeren.

- S' û d r a's: arbeiders en handwerkslieden (zie ook v a r n â s' r a m a).

- Eerbiedigen van dit systeem geeft harmonie en evenwicht in de samenleving. Als kastenstelsel is het echter onderworpen door Heer C a i t a n y a die de liefde voor K r i s h n a voorop stelde (zie ook B.G. 4:13).

- Zie ook vers 11.23: 43 waar K r i s h n a deze klassen in verband brengt met de verschillende geaardheden en kleuren.

- Belangrijk is 7.11: 35: En als bij een persoon de kenmerken die horen bij een bepaalde klasse anders dan de eigen klasse kunnen worden waargenomen, behoort men voorzeker die persoon daar ook voor aan te zien (: hij die zich b.v. gedraagt als een brahmaan moet als zodanig beschouwd worden).  

Varna-sankara: 'klassen-verwarring'.

- Ongewenst nageslacht, dat verwekt wordt wanneer men zich niet meer aan de religieuze beginselen houdt.

- Gemengd huwelijk van verschillende kasten.

- Identiteits-verwarring, b.v. emancipatie op materiële waarden.

Varnâs'rama: systeem van statusoriëntaties, de vier v a r n a's, sociale geledingen, klassen of beroepsoriëntaties, en â s' r a m a's geestelijke levensorden of statussen tezamen dat vóór Heer C a i t a n y a nederdaalde werd gepredikt als de juiste benadering om K r i s h n a te dienen, maar daarna voor de b h a k t i niet langer gold als het uiteindelijk criterium van onderscheid, daar ook transcendentie in toewijding (zie a s h t h â n g a en b h â g a v a t a d h a r m a) en kwaliteit (ervaring, g u n a) van belang zijn (zie ook B.G. 3: 35, 4: 13 en de basis 7.11-14; 11.17 & 18, het relatieve 7.11: 35 en het kritische ervover: S B 1.2: 8, 10.60.52).

Varnâs'rama-dharma: ieders plichtsvervulling naar geboorte, de klasse of iemands roeping (v a r n a), en geestelijke ontwikkeling, de geestelijke afdeling van een zekere status- of leeftijdsgroep (â s' r a m a).

Varsha: gebied, landstreek, land afgebakend door bergketens. Er is een - galactisch, universeel, bovenzinnelijk, holistisch - centraal gebied genaamd I l â v r i t a - v a r s h a waar heer B r a h m â op de berg M e r u zit en waar Heer S' i v a als enige de Hoogste Persoonlijkheid verblijft. Daarnaast zijn er nog acht varsha's naar alle kanten zich uitstrekkend waarvan B h a r a t a - v a r s h a ook de naam voor India is (zie ook d v î p a, S' r î m a d  B h â g a v a t a m canto 5 hoofdstuk 16 en 17).

Varuna: de halfgod heersend over de wateren, de zeeën en oceanen (zie 3.17: 25-31).

Vasishthha Muni: grote en beroemde wijze b r â h m a n a. Trad in de R a m â y a n a op als de wijze die een discussie aanging met Heer R â m a als zijn leerling over de betekenis van de eenheid van God, ziel en wereld. Deze wijze schreef hierover een boek dat bekend staat als de Yogavasishthha. Hij treedt ook in andere tijdvakken op als een van de grote wijzen die telkens weer geboorte nemen (zie ook r i s h i).

Vasu: Naam ook gebruikt voor U d d h a v a of een ieder die welgesteld is (zie 3.4: 11).

- Een in het B h â g a v a t a m niet vermelde zoon van U t t â n a p â d a, de vader van D h r u v a (4.8: 8).

- Naam van een vrouw van Y a m a r â j a die geboorte gaf aan de acht V a s u's (6.6: 10-11).

- Van Dhrishtha een zoon van M a n u (of Shrishtha) kwam een kaste van kshatriya's tot stand die in de wereld, met het bereikt hebben van de positie van brahmanen, de naam Dhârshtha kregen. Van Nriga was er de opvolging van eerst Sumati, toen Bhûtajyoti en daarna Vasu. Van Vasu was er een zoon genaamd Pratîka (9.2: 17-18).

- Een van de zes zoons die Vasudeva, de vader van K r i s h n a had met S'rîdevâ (zie 9.24: 51).

- Een zoon die K r i s h n a had met Nâgnajitî, ofwel Satyâ, (zie 10.61: 13).

- Naam van een handlanger van B h a u m â s u r a (zie 10.59: 12).

- Een zoon van koning Vatsara (4.13: 12).

- Naam van de schoonmoeder van Parâs'ara de vader van V y â s a d e v a (zie 1.4: 14).

- Zoon van Kus'a, een van de nazaten van Puru (9.15: 4).

- Een zoon van Hiranyaretâ, een zoon van Mahârâja P r i y a v r a t a (5.20: 14).

Vasu's: letterlijk : 'de goeden die helder zijn'. Bepaalde goden, m.n. de  d i t y a's, M a r u t' s, A s'v i n's, I n d r a, R u d r a, V â y u, V i s h n u, S' i v a, en K u v e r a. (zie B.G. 10.23; en ook 7.8: 37-56).

- Naam van een bepaald soort halfgoden, wiens aantal meestal acht is, en wiens leider I n d r a is, later zijn dat A g n i en V i s h n u; ze vormen een van de negen g a n a's of klassen opgesomd onder gana-devatâ (de  d i t y a's, V i s' v a's, Vasu's, Tushita's , Âbhâsvara's, Anila's, Mahârâjika's, S â d h y a's, en R u d r a's)

De acht Vasu's waren oorspronkelijk personificaties, zoals andere vedische godheden, van natuurlijke fenomenen. Volgens de V i s h n u p u r â n a bestaan ze uit de volgende acht: 1. Âpa 'water'; 2. Dhruva, 'de Poolster'; 3. S o m a, 'de Maan'; 4. Dhara, 'Aarde'; 5. Anila, 'Wind'; 6. Anala of Pâvaka, 'Vuur'; 7. Pratyusha, 'het Ochtendgloren'; 8. Prabhâsa, 'Schittering' (M.W.-woordenboek).

- De acht Vasu's volgens de Brihadaranyak Upanishad 3.9: 2. zijn: A g n i (vuurgod), Prithivi (aardegodin), V â y u (windgod), Antariksha (ruimtegod), Aditya (zonnegod), Dyo (god van de lichtende hemel), Chandrama (maangod) end Nakshatra (god van de nakshatra's, maangoden. Nakshatra's zijn er 27, genaamd Magha, Rohini etc.).

Vasudeva: de vader van Heer K r i s h n a.

- Zoon van grootvader S'ûra (zie 9.24: 27-31).

- Wordt ook wel  n a k a d u n d u b h i genoemd.

Vatsalya: één van de vijf direkte, hoofd- of primaire r a s a's of manifestaties van liefde: de ouderlijke.

Veda: (kennis) geestelijke kennis, zie s' r u t i.

- De oorspronkelijke Veda, in vieren verdeeld (zie V e d a's en 12.6. 48-80).

Vedânga's: bepaalde werken of klassen van werken die als aanvullend, of in sommige gevallen als deeluitmakend van de V e d a's worden beschouwd. Er zijn zes a n g a' s of afdelingen van verklaringen bij de V e d a's:

A Twee voor het juiste lezen of reciterem.
1. S'iksha, de wetenschap van het juiste articuleren en uitspreken.
2. Chandas: metrums (zoals vertegenwoordigd door Pingalanâga of Pingalâcârya).

B Twee voor het begrijpen van de vedische teksten.

3. Vyâkarana: taal-analyse of grammatica (vertegenwoordigd door de gevierde s û t r a's van Panini).
4. Nirukta: de verklaring van moeilijke vedische termen (van Yâska).

C Twee voor de juiste toepassing in offerplechtigheden.

5. Jyotisha: astronomie, of veeleer de vedische kalender; een kleine richtlijn om de meest gunstige dagen voor offerplechtigheden vast te stellen.
6.
K a l p a: het ceremoniële (vertegenwoordigd door een groot aantal s û t r a werken van de verschillende r i s h i's).

Vedânta: (kennis-einde): de conclusies, of commentaren van de vedische kennis zoals neergelegd in de B h a g a v a d  G î t â, V e d â n t a - s û t r a en de u p a n i s h a d 's en vervolgens in het S' r î m a d  B h â g a v a t a m, die de hoogste realisatie onderrichten van de Absolute Waarheid: overgave aan K r i s h n a; de essentie van de vedische filosofie.

- 'Volledige kennis van de V e d a', soms de u t t a r a - m i m â m s a genoemd. Met het mimâmsa deel het derde duplet van vedische d a r s h a n a's. Bestaat uit het onderricht in de uiteindelijke visie van de V e d a of eenvoudig dat wat is uitgelegd in de U p a n i s h a d's welke men aantreft aan het einde van de V e d a (zie ook s' r u t i).

- Gedurende de "scholastieke periode" (700-1700), werden er drie hoofdvariaties van de klassieke vedânta ontwikkeld:

1) Advaita Vedânta, of zuiver nondualisme, vertegenwoordigd door S' a n k a r a (788-820); (zie ook M o n i s m e);

2) Vishishtadvaita Vedânta, of gekwalificeerd nondualisme, de menselijke geest staat apart en verschilt van de Ene Allerhoogste Geest hoewel hij ervan afhankelijk is en er uiteindelijk mee verenigd moet zijn in zijn volheid uitgedrukt in de v a i s h n a v a doctrine van Râmânuja (1017-1137);

3) Dvaita Vedânta, dualisme voorgestaan door de v a i s h n a v a heilige Madhvâ (1197-1278) (zie verder: systemen van y o g a filosofie en s i d d h â n t a).

In totaal onderscheidt men zes scholen gegrondvest door:

- Râmânuja 1017-1127, vishishtadvaita, de aangepaste, of gekwalificeerde niet-dualistische school. Wel eenheid, maar de individuele zielen verschillen.

- Madhvâ 1197-1273, dvaita, de dualistische school.

- Nimbârka late 13e eeuw, dvaitadvaita, de dualistische-non-dualistische school.

- Vallabha 1480-c1530, s'udda advaita, de zuivere advaita school.

- C a i t a n y a 1485-1533, acintya bhedâbheda tattva: ondoorgrondelijke eenheid in verscheidenheid (deze school is de school van P r a b h u p â d a die de bronvertalingen op deze site voortbracht).

- Baladeva vroeg 18e eeuw acintya bhedâbheda volgeling van C a i t a n y a.

Vedânta-sûtra of Brahma-sûtra: filosofische verhandeling van V y â s a d e v a, bestaande uit aforismen (s û t r a's) betreffende het wezen van de Absolute Waarheid, door hem geboekstaafd als conclusie van de Vedische kennis.

Vedânta-sruti: het V e d i s c h onderricht, waarvan men de essentie aantreft in de V e d â n t a (V e d â n t a - s û t r a) en vervolgens in het kommentaar daarop van de auteur zelf, het S' r î m a d - B h â g a v a t a m.

Vedânga's: bepaalde werken of klassen van werken die als aanvullend, of in sommige gevallen als deeluitmakend van de V e d a's worden beschouwd. Er zijn zes a n g a' s of afdelingen van verklaringen bij de V e d a's:

A Twee voor het juiste lezen of reciterem.
1. S'iksha, de wetenschap van het juiste articuleren en uitspreken.

2. Chandas: metrums (zoals vertegenwoordigd door Pingalanâga).

B Twee voor het begrijpen van de vedische teksten.

3. Vyâkarana: taal-analyse of grammatica (vertegenwoordigd door de gevierde s û t r a s van Panini).

4. Nirukta: de verklaring van moeilijke vedische termen (van Yâska).

C Twee voor de juiste toepassing in offerplechtigheden.

5. Jyotisha: astronomie, of veeleer de vedische kalender; een kleine richtlijn om de meest gunstige dagen voor offerplechtigheden vast te stellen.

6. K a l p a: het ceremoniële (vertegenwoordigd door een groot aantal s û t r a werken van de verschillende r i s h i's).

Veda's: omvatten de vier Veda's (de Rik, Yajur, Sâma en Atharva) en de honderdacht U p a n i s a d 's, die het filosofische gedeelte behelzen, en de aanvulling, de 'vijfde Veda', daarop: de achttien P u r â n a's met het S' r î m a d  B h â g a v a t a m als de Bhâgavata Purâna, het M a h â b h â r a t a (waarvan de B h a ga v a d - G î t â deel uitmaakt), de V e d â n t a - s û t r a. De a v a t â r a V y â s a d e v a stelde hierin vijfduizend jaar geleden de hele geestelijke kennis te boek, welke oorspronkelijk door K r i s h n a Zelf werd overgeleverd langs de mondelinge weg (tot de Vedische Schriften behoren verder alle p a r a m p a r â-geschriften, zoals het R a m â y a n a, de B h a k t i - r a s â m r i t a - s i n d h u, de C a i t a n y a - c a r i t â m r i t a enz.).

- Oorspronkelijk door V y â s a in vieren gedeelde geestelijke erfgoed van de vedische cultuur (zie 12.6: 48-49):

- Rik of Rigveda: de gebeden; 1028 verzen over offers brengen aan goden en de schepping van de mens uit de P u r u s h a;

- Yajur: hymnen voor offerandes; mantra's in de maancultuur;

- Sâma: liederen van dezelfde gebeden en hymnen in metrums voor de liederen ter begeleiding van de offers;

- Atharva-veda: mystieke hymnen over het onderhouden en vernietigen van het lichaam en de wereld teneinde ze uit te duiden voor de beschaafde samenleving.

- Latere literatuur, de p u r â n a's (G î t â, B h â g a v a t a m, M a h â b h â r a t) wordt tot de vijfde V e d a gerekend.

- Er wordt ook wel eens gesproken van de drie Veda's, waarvan de Rig-veda de meest oorspronkelijke is, met weglating van de laatste naar verluid later toegevoegde Atharva veda met de mystieke hymen. De driedeling in vedische principes in deze samenhang verwijst naar u p â s a n â: offers, lied en gebed; k a r m a: vruchtdragende arbeid, j ñ â n a: spirituele kennis.

- Ieder van de Veda's kent twee gedeelten die beiden s' r u t i heten, mondeling geopenbaard en overgebracht via de godheid, en gehoord maar niet samengesteld of opgeschreven door mensen;

1. Mantra, de woorden van gebed en aanbidding vaak gericht op ofwel het vuur of een gestalte van de zon of een gestalte van de lucht, de ether, de wind, en het bidden voor gezondheid, welvaart, een lang leven, vee, nageslacht, de overwinning, en ook de vergeving van zonden.

2. Brâhmana, bestaand uit v i d h i en a r t h a - v â d a: aanwijzing voor de gang van zaken wat betreft de plechtigheden waarbij de mantra's moeten worden ingezet en verklaringen van de legenden verbonden met de mantra's (zie ook b r â h m a n a en v i d h i).

- De mantra's zijn met de drie Veda's er in drie vormen:

1. Rig, metrische verzen van lofprijzing, bedoeld voor het luid reciteren.

2. Yajur, proza verzen, bedoeld voor het reciteren op een lagere toon bij offerplechtigheden.

3. Sâman, metrische verzen, bedoeld om te worden gezongen bij de S o m a of Maan-plant plechtigheden.

De mantra's van de vierde of Atharva-veda dragen geen speciale naam. Terwijl Yajur-veda en Sâma-veda verzen hoofdzakelijk steunen op de Rig-veda zijn ze in feite niet zozeer verzamelingen van gebeden en hymnen als meer speciale boeken van gebeden en hymnen bedoeld als handboeken voor respectievelijk de adhvaryu en udgâtâ priesters (zie r i t v i k). Maar de atharva mantra's als een ware collectie van oorspronkelijke hymnen vermengd met aanheffingen ontlenen weinig aan de Rig-veda; ze staan niet rechtstreeks in verband met offerplechtigheden, maar worden verondersteld door enkele recitatie een lang leven te geven, ziekten te genezen, vijanden te gronde te richten en dergelijke.

- Voor het brâhmana deel ontwikkelden zich twee andere afdelingen van vedische geschriften, die dus somtijds worden gerekend onder het begrip Veda:

1) De s û t r a's; de reeksen van regels in de vorm van aforismen
2) De
u p a n i s h a d's; de mystieke verhandelingen over de aard van God en de relatie van de ziel met de materie welke aan de  r a n y a k a' s werden gehecht, en uitgroeiden tot de ware Veda van de nadenkende Hindoes, hetgeen leidde tot de d a r s h a n a 's de filosofische systemen.

- Veda betekent ook voelen, waarnemen; vinden, verwerven, krijgen; eigendom goederen; weven samenbinden, van een bos haar of een bos gras tot een bezem, of voor andere toepassingen bij rituelen, als matten en vuurstapels.

Vedisch: alles aangaande de geestelijke kennis van de V e d a's en literatuur in navolging ervan (zie ook u p a n i s h a d's, p u r â n a's, i t i h a s a's).

- Twee soorten van vedische kennis:

- s r u t i, kennis rechtstreeks van Hem, de vier V e d a's en de 108 U p a n i s h a d' s, en:

- s m r i t i, beschrijvingen van de vedische waarheid door verloste zielen als V y â s a, P a t a ñ j a l i en V â l m i k i; de R a m â y a n a, de Y o g a s û t r a, de S' r î m a d  B h â g a v a t a m en de B h a g a v a d  G î t â.

Vena: de demonische zoon van koning A n g a en vader van koning P r i t h u (zie 4.14).

Verlossing: men verstaat hieronder in de regel het ontsnappen aan de greep van de strenge natuurwetten (van geboorte, ziekte, ouderdom en dood) of ook (bij de m â y â v â d i's) de vereenzelviging met B r a h m a n, waardoor men het ego door vereniging met het Absolute wil vernietigen (hetgeen een irreëel streven moet worden genoemd).

- De uiteindelijke verlossing bestaat eruit dat men de persoonlijke band herstelt die ons eeuwig met het Absolute, namelijk K r i s h n a, de Opperheer, verbindt (zie ook s v a r û p a, s v a d h a r m a en m u k t i).

Vermogens (s'akti):

- De Allerhoogste Heer Zijn (vrouwelijke) interne vermogens van het geluk (S' r î), de voorspoed (pushthi, of ook wel kracht), de spraak (gîr of kennis), de schoonheid (kânti), de roem (kîrti), tevredenheid (tushthi of verzaking - deze eersten zijn Zijn zes vermogens, zie ook b h a g a), comfort (ilâ, bhu-s'akti, het aarde-element of sandhinî) en macht (ûrjâ expanderend als T u l a s î); Zijn vermogens van weten en niet weten (v i d y â and a v i d y â, leidend tot bevrijding en gebondenheid); Zijn inwendig vermogen tot plezier (s' a k t i of hlâdinî), Zijn marginaal vermogen (ca of jîva-s'akti) en Zijn creatief vermogen (M â y â) (zie 10.39: 53-55).

- Spirituele vermogen van de Heer, welk kan worden verdeeld in drie categorieën.

- sandhinî, het vermogen van het eeuwigdurend bestaan;
- samvit, het vermogen der alwetendheid;
- en hlâdinî, het vermogen van de verrukking.

K r i s h n a 's vermogen tot existeren, Zijn vermogen tot kennis en Zijn vermogen tot plezier - zijn verschillend van y o g a m â y â. Ieder is een apart vermogen. Dit is een andere formulering van de goddelijkheid in de termen van s a t - c i t - â n a n d a; K r i s h n a als zijnde eeuwigheid, bewustzijn en gelukzaligheid (zie ook s' a k t i).

- De negen vermogens, machten, energieën van de materiële natuur (p r a k r i t i), het levende wezen (p u r u s h a), de cosmische intelligentie (m a h a t - t a t t v a), het valse ego (a h a n k â r a) en de vijf voorwerpen van de zinnen (de t a n m â t r a's) van het geluid, de aanraking, de vorm, de smaak, en het aroma (zie ook de negen s' a k t i's, 11.19: 14, 11.22 en 12.12: 68).

Verstand: zie I n t e l l i g e n t i e.

Vetâla: vampier, boze geest die een dood lichaam in bezit neemt. Toegehorige van heer S 'i v a.

- Een gedaante, een naam van D u r g â.

(Des'a kâla) Vi-bhâgavit: aanpassing aan tijd en omstandigheden. Eigenschap van K r i s h n a (zie p a r a m p a r â-methode en S. B. 4.8: 54).

Vibhrama: verwarring door lustmotieven, gebrek aan concentratie.

Vibhu-âtmâ: andere benaming voor Superziel, p a r a m â t m â om Zijn vermogen aan te duiden tegenover a n u - â t m â, de atomische j î v a- â t m â.

Viddhâ-bhakti: toewijding besmet met materiële motieven (zie ook p a r â - b h a k t i).

Vidhi: (van vidha, in orde brengen) regulerende beginselen: geen vlees eten (zie b.v. 10.1: 4), geen illegitieme sexualiteit en geen intoxicatie of gokken. Ze zijn afgeleid van de eeuwige waarden resp. d a y â, s' a u c a (of d â n a), s a t y a, t a p a s; mededogen, zuiverheid of trouw, waarheid, en soberheid of boete (zie ook r e g u l e r e n d e b e g i n s e l e n, K a l i- y u g a, 1. 17: 24 en 12.3: 18).

Vidura: groot toegewijde, een lid van de k u r u - d y n a s t i e, die het S' r î m a d  B h â g a v a t a m hoorde van M a i t r e y a  M u n i (zie canto's 3 & 4). Zoon van V y â s a en de dienstmaagd Sûdri, broer van D h r i t a r â s h t r a en P â n d u.

Vidyâ: welke vorm van kennis ook, waar of vals; wetenschap, leren, geleerdheid, filosofie. Spiritueel afhankelijk van de vier principes die tot de geestelijk kennis van de j ñ â n a leiden: t a p a s, s a n k h y a, v a i r â g h y a en y o g a: boete, analyse, onthechting en bewustzijnsvereniging (zie: û r d h v a - r e t a s a h).

- M.W.-woordenboek: 'kennis van de ziel of van de spirituele waarheid; volgens anderen, kent Vidyâ veertien afdelingen, te weten de vier V e d a's, de zes v e d â n g a 's, de p u r â n a 's, de m î m â m s â, n y â y a, en d h a r m a of wet; of met de vier u p a - v e d a 's, achttien afdelingen; anderen spreken van 33 en zelfs 64 wetenschappen'.

- Kennis is ook gepersonifieerd en geïdentificeerd met D u r g â; van haar zegt men zelfs dat ze gebeden zou hebben opgesteld en magische formules.

- Een kleine bel.

- Een mystieke vaardigheid.

Vidyâdhara ('iemand van de wetenschap of van toverformules'): klasse van mindere halfgoden staande voor de wetenschappers, zij die zich baseren op de kennis. Naar verluid zich ophoudend in de Himalaya's, van respect voor S 'i v a, en behept met magische krachten.

- Fee, tovenaar.

- Naam van verschilllende geleerden.

- De meest vooraanstaande heer van alle fee-achtige wezens (-cakravartin).

- Gespeld als vidyâdhâra: 'vergaarbak van kennis', een groot geleerde.

- De heer der Vidyâdhara's wordt S u d a r s' a n a genoemd en wordt besproken in 10: 34.

Vigata-jvarah: zonder luiheid, opwinding of lafheid; wakker zijn: K r i s h n a's pleidooi tegen het pragmatisme (gemakzucht, zie B.G 3.30).

Vigraha: gedaante.

-Arcâ-vigraha: Zijn beeltenis (zie ook m û r t i).

Vijñâna: wijsheid, gerealiseerde kennis, het resultaat van j ñ â n a, geestelijke, spirituele kennis (zie 11.19: 15).

Vijnânam-brahman: het geestelijke, de geestelijke ziel.

Vikâra: de transformaties of afgeleiden van de materiële natuur in de zin van producenten: de zeven vikâra t a t t v a' s, te weten de intelligentie, het valse ego en de vijf zinsobjecten of de t a n m â t r â 's, en hun 16 vikâra producten: de vijf basiselementen (m a h â b h û t a 's) en de waarnemende en handelende zinnen (i n d r y a 's) plus de geest (m a n a s).

Vikarma: ongewenste activiteiten. Oorzaak van vallen: verwijderd raken van K r i s h n a.

Vimâna: (van vi: los van, orde, in toenemende mate, en mâna: gebouw, altaar, maatregel, maar ook: mening, notie en idee) paleis, vliegtuig, hoog in de lucht oprijzend gebouw, verheven verblijfplaats of transportmiddel of ook tempel. Ook het idee van vimâna als zijnde een afzonderlijk idee of een mening of een algemeen idee van orde dat op zich staat moet in overweging worden genomen met het verstaan van dit begrip dat vaak gebruikt wordt in de context van het naar de hemel gaan.

- Als transportmiddel of hemels voertuig: zie S.B. 4.3: 12, 4.12: 19, 6.2: 44.

- Als paleis in S.B. 3.23: 45.

- Als hoog oprijzend gebouw in S.B. 2.9: 13.

- Als een tempel in S.B. 11: 10: 24.

- Als een notie van orde in S.B. 11: 10: 25.

- Als een hogere geest in S.B. 11.30: 40.

- Sommige vertalers spreken ook van vliegende paleizen en er zijn zelfs speculanten die verbanden leggen met vliegende schotels.

Vimûdha: verdwaasd, begoocheld, verward, onbewust (zie ook m û d h a).

Vînâ: het snaarinstrument waar N â r a d a M u n i steeds mee te zien is.

Vinâyaka's: (van vinaya: opvoeding, afleiding, bescheidenheid, controle) demonen van de opvoeding, afleiders, vernederende types, controle-freaks. Toegehorigen van heer S' i v a.

Vipra: geleerde in v e d i s c h e wijsheid.

Vipra-lipsa: neiging tot bedrog als menselijke zwakheid (zie ook b h r a m a).

Vira: (held), ridderlijkheid als r a s a (indirekt).

- Meest intieme vorm van dienaarschap in K r i s h n a - l î l â.

- Vorm van t a n t r a - y o g a waarbij men, onder leiding van een heilige man, achtereen meerdere partners kan hebben, als 'held' van de liefde. Ook door te onthechten van een vaste partner kan men de sexualiteit tot spirituele verdieping brengen zodat uiteindelijk de sex onder kontrole is en men van zuivere toewijding kan spreken zonder materiële motieven.

Virâth-purusha: het universum als de oorspronkelijke persoon; de zichtbare persoon van de Heer als het geheel van alle stoffelijke openbaringen.

Virâth-rûpa: grote (cosmische) gedaante of universele gedaante van K r i s h n a. Zijn uitwendige manifestatie zoals in tweede canto, eerste hoofdstuk, van het S' r î m a d  B h â g a v a t a m beschreven.

- De gedaante die K r i s h n a, A r j u n a op het slagveld toonde, zoals beschreven in hoofdstuk elf van de G î t â (ook: v i s' v a - r û p a of v i r â t h  r û p a).

Viriñca: de zuivere voorbij alle hartstocht, naam voor heer B r a h m â.

Virya: energie, vermogen, kennis, kracht, inzet als gevolg van overtuiging in continentie (zie b r a h m a c â r y a).

Visarga: de secundaire schepping, de resulterende activiteiten van de interactie naar de geaardheden van de primaire schepping ofwel s a r g a (2.10: 3).

Vishaya; de zinnen hebben ieder hun eigen vishaya of voorwerp: te weten 1. s' a b d a, "geluid", voor het oor; 2. spars'a, "aanraking", voor de huid; 3. r û p a, "vorm" of "kleur", voor het oor; 4. r a s a, "smaak", voor de tong en 5. gandha, "geur" voor de neus. Deze vijf vishaya's worden soms de g u n a's of de "eigenschappen" van respectievelijk de vijf elementen van de ether, de lucht, het vuur het water en de aarde genoemd (zie ook t a n m â t r a, i n d r i y a en m a h â - b h û t a).

Vis'esha's: de eigenschappen, de identiteitskenmerken, die dingen van elkaar onderscheiden, ze hun identiteit verlenen (zie ook s v a r û p a en v a i s' e s i k a).

Vishnu: God de behouder, heerser over de geaardheid goedheid. Wordt in drieën gekend als p u r u s h a - a v a t â r a (zie ook c a t u r - v y û h a).

- M a h â - V i s h n u of K â r a n o d a k a s' â y î Vishnu uit wiens poriën alle universa verschijnen (zie V â s u d e v a en N â r â y a n a)

- G a r b h o d a k a s' â y î Vishnu: voor ieder universum op een slangenbed (zie  d i - s' e s h a en S a n k a r s h a n a) gelegen en Heer B r a h m â met de gehele verscheidenheid voortbrengend (zie P r a d y u m n a).

- K s h i r o d a k s' â y î Vishnu: voor iedere bestaansvorm lokaal aanwezig als het P a r a m â t m â of God in het hart (zie A n i r u d d h a).

- Zie voor een beschrijving van de Vishnu-a v a t â r a's 2.7. en 11: 5.

Vishnu-mâyâ: de speciale genade van V i s h n u die ook haar geboorte nam in de verschillende vermogens van zich tot Hem verhouden toen K r i s h n a nederdaalde. Er zijn twee aspekten: unmukha ('naar opzien'), de bevrijde manier van omgaan met Hem in de verschillende r â s a 's en âvaranikâ ('de verhulde manier'), de gekonditioneerde manier van gevangen zijn in de strikken van k a r m a (zie 10.1: 25).

Vishnu-jana: andere naam voor B h a k t a.

Vishnupâda: 'Vishnu Zijn Voeten', andere naam voor P r a b h u p â d a, de 'Meester van de Voeten'.

Vishnu Purâna: zie P u r â n a's.

Vishnu-tattva: de status of de categorie van God, de werkelijkheid van V i s h n u (zie A v a t â r a).

- Al die goddelijke openbaringen, de eerste expansies, de volkomen expansies of expansies van volkomen expansies van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, die in geen enkel opzicht van Hem verschillen, zulks in tegenstelling tot j î v a - t a t t v a (zie expansie, volkomen -).

Vishnu-tattva-avatâra: alle nederdalingen van K r i s h n a in de stof als volkomen deelaspekt met Zijn volle vermogen (in tegenstelling tot j î v a - t a t t v a: onvolkomen expansies met beperkt vermogen).

Vis'vadeva's (of vis'vedeva): (vis'wa betekent: alles, iedereen; gans, geheel, universeel, alles doordringend, d.w.z.: Vishnu, het intellect, etc.); al de goden of als een klasse apart de Al-goden staande voor het intellect het universum (zie 2.3: 2-7).

Vis'vakarma: de architect van de goden die een stad bouwde, I n d r a p r a s t h a, in opdracht van K r i s h n a, voor de P â n d a v a's (zie 10.58: 24).

Vis'vakos'a: Een oud S a n s k r i e t woordenboek (zie ook een modern Sanskriet wo0rdenboek).

Vishvaksena: ('de Heer wiens machten door het gehele universum heen worden aangetroffen') een expansie, een persoonlijke metgezel, een bewaker van de Heer die bekend staat als de verpersoonlijking van de t a n t r a geschriften (zie 12.11: 20 en 5.20: 40).

- Brahmadatta, die een grote y o g î was, kreeg bij zijn vrouw Sarasvatî een zoon die Vishvaksena heette. Naar de instructie van de rishi Jaigîshavya werd in het verleden door hem een beschrijving van de y o g a (een zogenaamde t a n t r a) opgesteld (9.21: 25-26).

Vis'vâmitra: een beroemde wijze in de tijd van R â m a die met een offer Zijn eer verdedigde van het feitelijk met L a k s h m â n a, gedood hebben van de vijand (zie 9.10: 5). Hij wedijverde met V a s i s h t h h a als twee vogels; als een k s h a t r i y a, onderging hij zware boetedoeningen om een b r a h m a a n te worden (zie ook H a r i s ' c a n d a).

- Hij had honderd-en-een zoons die vanwege de middelste genaamd Madhucchandâ als groep bekend stonden als de Madhucchandâ's. (9.16: 28).

Vis'vanâtha Cakravartî Thhâkur: V a i s h n a v a  â c â r y a, zesde in de geestelijke erfopvolging van C a i t a n y a  M a h â p r a b h u (zie p a r a m p a r â).

- V a i s h n a v a -geestelijk leraar die een commentaar schreef op het S' r î m a d  B h â g a v a t a m in de geestelijke erfopvolging van Heer S' r î  C a i t a n y a  M a h â p r a b h u.

Vis'va-rûpa: (v i r â t h - r û p a), de universele gedaante van Heer K r i s h n a, zoals beschreven in Hoofdstuk Elf van de B h a g a v a d - g î t â. 

- Naam van een groot toegewijde, de zoon van Tvashthâ (5.15: 14-15), die door I n d r a werd gedood toen hij offers bracht voor a s u r a's, hetgeen later leidde tot de strijd met V r i t â s u r a (zie vanaf 6.7: 25).

Vis'vâvasu: ('alles genererend') de naam van de Heer onder de G h a n d a r v a's (zie 11.16: 33).

Vitarka: met v i c â r a, â n a n d a - s â n a n d a, a s m i t â - s â s m i t a, de stadia van s a m â d h i op het nivo van de vijf elementen aarde, water, vuur, lucht, ether omschreven als de studie, het intellect, geluk tot vervoering en het ik tot goedheid brengen ter bevrijding (zie ook m u k t i).

Vivasvân: de naam van de huidige zonnegod, aan wie de B h a g a v a d - G î t â zo'n 120.400.000 jaar geleden werd onderwezen. Zie ook P a r a m p a r â.

Viveka: onderscheidingsvermogen. Door kennis van de k l e s' a's die de continentie, het behoud van de ziel, verstoren komt men tot geestelijke ontwikkeling.

Vraja: koeherders-gemeenschap, naam van het dorp in het woud van V r i n d â v a n a waar K r i s h n a opgroeide na G o k u l a.

Vrika, Vrikâsura: ('de verscheurder, de wolf) een demonische zoon van S'akuni (zie 9.24: 5) die de genade van S' i v a uitdaagde door het vlees van zijn eigen lichaam te offeren en daaropvolgend hem nazat tot zijn grote schrik, met de zegen binnengehaald dat iedereen zou sterven op wiens hoofd hij zijn hand zou leggen. Genoemd als voorbeeld voor het probleem van de ondankbare of onwaardige die zich keert tegen zijn eigen weldoener in S.B. 10: 88.

Vrindâvana: (trosjeswoud), bedevaartsplaats op de plaats waar K r i s h n a Zijn jeugd doorbracht.

- De bovenzinnelijke verblijfplaats van Heer K r i s h n a. Wordt ook wel Goloka V r i n d â v a n a of Krishnaloka genoemd. Het dorp V r i n d â v a n a in het M a t h u r â District van Uttar Pradesh, India, waar K r i s h n a vijfduizend jaar geleden verscheen, is een manifestatie op aarde van K r i s h n a's verblijfplaats in de geestelijke wereld.

- T u l s î-rijke bos van K r i s h n a's l î l â.

- Waar K r i s h n a woonde na G o k u l a.

Vrishni: de naam van K r i s h n a's familie-clan naar de naam van een gemeenschappelijke voorouder genoemd in 9.24: 3-4 (zie ook D a s' a r h a en Y a d u).

Vritra (Vritrâsura): grote demon die gedood werd door I n d r a. In feite was het de toegewijde V i s ' v a r û p a, zijn 'broer' zoals hij zelf zegt, die door I n d r a gedood was om zijn offers voor de a s u r a's (zie S. B. 6.8-12).

Vritti: levensonderhoud, gedragswijze, karakter, behandeling, toeneiging, functioneren, verschijnen Zie b.v.: 10.85: 45 en ook de Vedabase voor het uiteenlopend gebruik van dit woord (zie ook 12.7: 13).

- P a t a ñ j a l i, Y o g a s û t r a nummer een en twee: atha yogânus'âsanam, yogah citta vritti nirodha; de les van de y o g a nu, is het (k a r m i s c h) geredeneer over het levensonderhoud, het zich in bochten wringen, een halt toe te roepen.

Vritti-traya: de drie stadia van het slapen, waken en de diepe slaap (zie ook a v a s t h â t r a y a).

Vyâna-vâyu: Een van de luchtbewegingen in het lichaam die worden beheerst door a s h t h â n g a - y o g a. De vyâna-vâyu betreft het zwellen en krimpen (zie v â y u).

Vyâsa-deva (letterlijk, 'de samensteller, de godheid die de verzen bijeenbracht'), Krishna-dvaipâyana: auteur van G î t â en S' r î m a d  B h â g a v a t a m, M a h â b h â r a t a, en de V e d â n t a - s û t r a. Comprimeerde de v e d i s c h e kennis. Leraar van S a ñ j a y a. Leerling van N â r a d a  M u n i, vader van S' u k a d e v a.

- De grootste filosoof van de oude tijd, deelde de V e d a in vieren. Wordt gezien als een expansie van V i s h n u, als b h a g a v â n, gemachtigd tot het verrichten van literaire activiteiten.

Vyâsâsana: Verheven zitplaats waarop de vertegenwoordiger van V y â s a d e v a gerechtigd is plaats te nemen. Vedisch preekgestoelte.

(Catur-)Vyûha: naast elkaar zetten, verdelen, arrangement, maar ook: beredeneren, logica (of van vyu: aansporen, aanzetten, tot leven wekken) de vier eeuwige gedaanten van de Heer: V â s u d e v a, de Heer van het Bewustzijn; S a n k a r s h a n a, de Heer van het Ego, de individualiteit, de j î v a; A n i r u d d h a, de Heer van de Geest en P r a d y u m n a, de Heer van de Intelligentie (zie ook p a ñ c a t a t t v a en 12.11: 21).  

- Ingedeeld naar de drie (p u r u s h a - â v a t a r a-)vormen van V i s h n u: 'Het oorspronkelijke wezen is V â s u d e v a, de Persoonlijkheid van God. Als de godheid Zijn oer-energieën en volheden manifesteert, wordt Hij S a n k a r s h a n a genoemd. P r a d y u m n a vormt de basis van de V i s h n u expansie die de ziel is van het gehele universum en A n i r u d d h a is de basis van de persoonlijke manifestatie van V i s h n u als de Superziel van iedere individuele entiteit binnen het universum' (Vedabase pp 11, 5: 29-3).

 

  Doorzoek het Lexicon

 

Sanskriet Woordenboek

 

S'rîmad Bhâgavatam | Bhagavad Gîtâ | Zingende Filosoof
 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties