regelbalk

 

Prabhupâda Pranâti

 

 

 

Canto 11

 

Hoofdstuk 2

 

Mahârâja Nimi Ontmoet de Negen Yogendra's

(1) S'rî S'uka zei: 'Zeer gemotiveerd met Krishna van aanbidding als hij was, o beste der Kuru's, hield Nârada zich regelmatig op in Dvârakâ, de hoofdstad beschermd door de armen van Govinda [zie ook 6.5: 43 & 10.69]. (2) Wie ook begiftigd met zinnen, geplaatst voor de dood die van alle kanten komt, o Koning, zou niet van aanbidding zijn voor de lotusvoeten van Mukunda zo aanbiddelijk voor de besten der onsterfelijken? (3) Op een dag zei Vasudeva het volgende tot de deva-rishi, die bij zijn huis was aangekomen en respectvol was verwelkomd, aanbeden was met de hulpmiddelen en een comfortabele zitplaats was gegeven. (4) S'rî Vasudeva zei: 'O grote heer, de komst van uw goede zelf is, als van al degenen op het pad van Uttamas'loka aanwezig voor de meest miserabelen, als de komst van een goede vader present ten voordele van alle belichaamde zielen. (5) Wat de goden doen, resulteert in zowel de misère als het geluk van de levende wezens, maar wat heiligen zoals u doen die de Onfeilbare als hun eigenlijke ziel aanvaardden, resulteert enkel in geluk [zie ook 1.2: 25-26, 3.25: 21]. (6) Zoals men de halfgoden aanbidt zullen de goden op dezelfde manier in wederkeer van respect zijn; zoals met een schaduw zijn zij de knechten van het karma, terwijl de heiligen degenen zijn die zorg dragen voor de gevallenen [zie ook 1.3: 12, 1.4: 12, 1.7: 20-23]. (7) O brahmaan, niettemin doe ik navraag bij u over het dharma van het zich verhouden tot de Allerhoogste Heer, waarover met geloof te vernemen hij die gedoemd is te sterven bevrijd raakt van alle angst [vergelijk 10.2: 30-33]. (8) Ik inderdaad een lange tijd geleden op aarde, begoocheld zijnde door de Heer Zijn mâyâ, een kind wensend en niet strevend naar de bevrijding, aanbad Ananta, de Heer die de Bevrijding Schenkt [zie ook 10.3: 32-45 en 4.1: 20]. (9) O u waarachtig in de gelofte, alstublieft instrueer ons, zodat door u wij voorzeker en met gemak zelfs, bevrijding mogen vinden uit deze wereld die vol van gevaren overal angst aanjaagt.'

(10) S'rî S'uka zei: 'O koning, aldus verzocht door de intelligente Vasudeva sprak de deva-rishi, die door de kwaliteit werd herinnerd aan de Heer, verheugd tot hem. (11) S'rî Nârada zei: 'Dit vragen van u naar het bhâgavata-dharma is de juiste benadering, o beste van de Sâtvata's, daar het het hele universum zuivert. (12) Erover vernomen hebbend, in reactie erover gezongen hebbend, erop gemediteerd hebbend, het met geloof aanvaard hebbend of geprezen hebbend als het werd uitgevoerd door anderen, zuivert de zuivere toegewijde dienst terstond zelfs hen die zich negatief opstellen tegenover de goden en het universum. (13) Vandaag bracht u mij de Allerhoogste Heer in herinnering, de Persoonlijkheid van God Nârâyana [zie ook 10.87: 5] over wie te zingen en te horen men hemels gelukkig en vroom wordt. (14) Aangaande deze aangelegenheid wordt als voorbeeld deze oude geschiedenis geboden van een gesprek van de zonen van Rishabha met de koning van Videha die een ruimdenkende ziel was. (15) De zoon van Svâyambhuva Manu genaamd Priyavrata had er een genaamd Âgnîdhra; van hem was er Nâbhi en zijn zoon herinnert men zich als Rishabhadeva [zie ook 5.1]. (16) Hij verschijnend in deze wereld met het verlangen om onderricht te geven in het proces van het bereiken van de bevrijding, wordt gezien als een volkomen expansie van Vâsudeva; van hem waren er honderd zoons die volmaakt de Veda's in acht namen. (17) Van hen was inderdaad [zie 5.7] de oudste, Bharata, volledig Nârâyana toegewijd; het is bij de genade van zijn naam dat dit wonderschone deel van de aarde befaamd is als Bhârata-varsha [of India]. (18) Hij aan het eind van alle genoegens dit aardse bestaan afzwerend, verliet zijn thuis en bereikte in aanbidding van Heer Hari Zijn bestemming met het beoefenen van verzakingen in drie geboorten. (19) Negen van Zijn [Rishabha's] zoons waren de meesters van volledige soevereiniteit over de negen afzonderlijke delen [nava-dvîpa] van dit subcontinent terwijl eenentachtig anderen tweemaal geboren brahmanen waren die het [karma-kânda] pad van vruchtbare vedische offerplechtigheden openlegden [zie 5.2: 19-21]. (20-21) De negen overige zoons, Kavi, Havir, Antarîksha, Prabuddha, Pippalâyana, Âvirhotra, Drumila, Camasa en Karabhâjana, waren wijzen inderdaad die zich bezighielden met de uitleg van de Absolute Waarheid; geleerd in de geesteswetenschap aldus van een grote inzet trokken ze rond aangekleed door de wind [ofwel naakt]. (22) Zij [genaamd de nava-yogendra's] over de aarde rondzwervend zagen het ganse universum, bestaande uit het grove en subtiele, als een gedaante van de Allerhoogste Heer niet-verschillend van het Zelf [zie ook 1.5: 20 en B.G. 13: 14 & 15: 7]. (23) Ongehinderd naar believen zich bewegend naar de werelden van de goddelijken, de vervolmaakten, zij die overheerst zijn, de zangers van de hemel, de schatbewaarders, de [gewone] mensen, zij van bovennatuurlijke gaven en de slangachtigen, bereizen ze vrijelijk welk bereik ook van de wijzen, de engelen, de geesten die S'iva volgen, de wetenschappers, de tweemaal geborenen of de koeien dat ze maar willen. (24) Eens in Ajanâbha [de naam van India voor Bharata] kwamen ze aan bij de soma-offerplechtigheid van de grote ziel Nimi [zie ook 9.13] welke werd opgevoerd naar de wensen van de zieners. (25) Met het zien van die zuivere toegewijden die in hun schittering wedijverden met de zon, o Koning, stonden de uitvoerder van de offerplechtigheid, de brahmanen, iedereen, neen zelfs de vuren, recht uit respect. (26) De heerser van Videha [Nimi], die ze herkende als toegewijden van Nârâyana liet erover tevreden ze plaats nemen en betoonde ze de volle eer die ze verdienden. (27) Nederig voor hen negen neerbuigend die net als de zonen van Brahmâ [zie 4.22: 6] straalden in hun eigen gloed, ging de koning, helemaal in staat van bovenzinnelijke verrukking, er toe over hen vragen te stellen. (28) S'rî Videha [Nimi] zei: 'Ik beschouw u als directe metgezellen van de Allerhoogste Heer, de vijand van Madhu; inderdaad als zijnde dienaren van Vishnu die zich rondbewegen voor de zuivering van alle werelden. (29) Ik denk dat het reiken tot de omgang met hen die de Heer van Vaikunthha dierbaar zijn net zo moeilijk is als het voor belichaamde wezens is het menselijk lichaam te verwerven dat men ieder moment weer kan verliezen [zie ook B.G. 8: 16 & 16: 19-20]. (30) Derhalve vraag ik u, o zondeloze n, wat het hoogste goed is in deze materiële oceaan, alwaar het maar voor een seconde genieten van het gezelschap van de waarachtigen de grootste schat inhoudt voor de menselijke wezens. (31) Alstublieft spreek over de wetenschap van de toegewijde dienst voor zover we er toe in staat zijn het te volgen; er bevrediging door vindend zal Hij, de Ongeboren Heer, zelfs Zichzelf geven aan degenen die Zijn toevlucht zochten.'

(32) S'rî Nârada zei: 'Zij, de grootsten der groten, aldus door Nimi verzocht, o Vasudeva, spraken in reactie eerbiedig vol genegenheid tot de koning in het gezelschap van de priesters en de leden van de bijeenkomst voor de offerplechtigheid. (33) S'rî Kavi zei: 'Ik zie het zo dat het met de intelligentie voortdurend verstoord aanwezig zijn in deze wereld, het tijdelijke [lichaam] houdend voor het ware zelf, de staat van het waarlijk van geen kant ook maar iets te vrezen hebben wordt gevonden met de aanbidding van de lotusvoeten van de Onfeilbare, aangezien daarin alle vrees zijn einde vindt. [zie 3.9: 6 en b.v. B.G. 2: 56, 2: 71, 4: 10, 12: 13-14]. (34) De juiste methode is besproken door de Allerhoogste Heer en staat bekend als het bhâgavata dharma waarmee de mensen, worstelend met hun intelligentie, met gemak inzicht kunnen krijgen in de Allerhoogste Ziel. (35) Een mens die dat aanvaardt, o Koning, is nooit verbijsterd en zal, zelfs nog niet als hij met zijn ogen dicht rent, in dezen komen te struikelen of te vallen [zie ook de catuh-s'loki van B.G. 10: 8-11 en vers 5: 17]. (36) Wat men ook doet met het navolgen van de eigen aard met het lichaam, de spraak, het denken, de zinnen, met de intelligentie of het gezuiverde bewustzijn, behoort men allemaal op te dragen aan het Allerhoogste met de gedachte: 'Dit is voor Nârâyana' ['nârâyanâya iti', vergelijk B.G. 3: 9 en 9: 27]. (37) Voor degenen die geleid door de illusieverwekkende energie, vergeetachtig met God, zich afkeerden in misidentificatie zal de angst zich opwerpen vanwege het verzonken zijn in dingen die de Heer op de tweede plaats stellen; om die reden behoort een intelligent persoon, met het beschouwen van zijn goeroe als zijn Heer en Ziel [zie ook B.G. 4: 34], Hem, de Heer, volledig met onvermengde toewijding te aanbidden [zie ook 1.5: 12 en B.G. 7: 14, 15: 7]. (38) Door de intelligentie van de dualistische ervaring inderdaad zoals in een droom zich dingen zien manifesterend of verlangens bemerkend die er in werkelijkheid niet zijn, moet een intelligent persoon om die reden de geest onder controle brengen die vanuit de materiële handelingen begaan is met positieve en negatieve verlangens, en aldus onbevreesd zijn [zie ook B.G. 6: 35]. (39) Vernemend over de alleszins gunstige verschijningen en handelingen van Hem met het Wiel in de Hand [zie 1.9: 37] van wie de bijbehorende namen worden bezongen in deze wereld, moet men, zonder de materiële omgang [van een vrouw, een huis en kinderen] zingend, vrijelijk, en zonder schaamte zich in alle richtingen bewegen. (40) Aldus gezworen ontwikkelt men door het zingen van Zijn eigen, zo dierbare, heilige naam, de gehechtheid van een geest die op is gegaan met luidkeels lachen en huilen, en opgewonden raken als een waanzinnige met zingen en dansen zonder zich te bekommeren om buitenstaanders [*]. (41) Voor de ether, de lucht, het vuur, het water, de aarde en de hemellichten, voor alle levende wezens, de windrichtingen, de bomen en andere niet bewegende wezens, de rivieren en oceanen en wat er ook moge bestaan in het lichaam der schepping van de Allerhoogste Heer, moet men zich verbuigen, daarbij niets als losstaand beschouwend [**]. (42) Toewijding, rechtstreeks waarnemen van de Allerhoogste Heer en onthechting van al het overige, zijn de drie die zich op hetzelfde moment voordoen voor degene in het proces verkerend van toevlucht zoeken - op de zelfde manier als voor degene die bezig is met eten, zich de bevrediging voordoet met de voeding en het terugdringen van de honger. (43) Voor de toegewijde die aldus de voeten van Acyuta vereert zal toewijding, onthechting en kennis van de Opperheer zich manifesteren, o koning Nimi, waarop hij dan rechtstreeks de bovenzinnelijke vrede zal bereiken [zie ook B.G. 2: 71 ].'

(44) De koning zei: 'Alstublieft vertel me vervolgens over de toegewijde van de Fortuinlijke; wat zijn zijn plichten, wat is zijn aard, hoe gedraagt hij zich onder de mensen, wat zegt hij en door welke kenmerken is hij de Heer dierbaar?'

(45) S'rî Havir zei: 'Hij is de meest gevorderde van toewijding voor de Heer [een uttama adhikâri] die deze Ziel, dit basis principe van het gehele bestaan, ziet in alle voorwerpen [van de materie en de geest] èn in staat is van toegewijde dienst te zijn voor de Allerhoogste Geestelijke Ziel met het zien van alle wezens [als bestaande] in de [gigantische universele gedaante van de] Allerhoogste Heer [zie ook B.G. 6: 29 & 30]. (46) Hij daarop volgend, op het middelste platform [de madhyâma], is van liefde voor de Allerhoogste Heer, van vriendschap voor personen die gevorderd zijn, van genade voor de nieuwkomers en heeft geen oog voor de afgunstigen [zie ook 4.24: 57, 7.9: 43, B.G. 4: 8 & 15: 7 en ***]. (47) Hij die zeker van aanbidding voor de Heer gewetensvol aan de slag gaat met de beeltenis [de mûrti] maar niet zo is met de toegewijden noch naar mensen toe in het algemeen, is een materialistische toegewijde [een prâkrita of een beginner, een kanishthha, zie ook B.G. 7: 20 en 3.29: 24-25 7.14: 40 ]. (48) Ook al aanvaardt hij met zijn zinnen de zinsobjecten is hij die, hatend noch zich verheugend, dit universum ziet als de begoochelende materiële energie van Vishnu, inderdaad een eersteklas toegewijde [zie ook B.G. 5: 3]. (49) Hij die door de geboorte, het verval, de honger, de angst en de dorst van het lichaam, de levensadem, de geest en de intelligentie niet is begoocheld; hij die niet is begoocheld door de onvermijdelijke kenmerken van een materieel leven met het houden van de Heer in zijn gedachten [zie ook 6.2: 14], is de meest vooraanstaande toegewijde [zie ook B.G. 2: 56-57]. (50) In de geest van degene die zich enkel ophoudt in Vâsudeva bestaat er geen kans dat de lust [zie B.G. 3: 37-43] of het karmisch hunkeren naar resultaten [zie ook B.G. 6: 4] zich zal ontwikkelen; zo een iemand is waarlijk een eersteklas toegewijde. (51) Hij is de Heer dierbaar die niet gehecht is in het egotistische sentiment van een lichamelijk begrip van het zijn van een goede geboorte, het zijn van verdienstelijke daden, van een bepaalde varnâs'rama statusoriëntatie of van een bepaalde groepering of ras [zie B.G. 2: 71 & 12: 13-14]. (52) Met hem bij wie er niet het dualistisch denken is van 'het mijne' en 'het jouwe' wat betreft bezittingen of het lichaam; zo een iemand, van gelijkheid en vrede met alle levende wezens, is waarachtig de beste der toegewijden [zie B.G. 13: 28-31 & 14: 22-25]. (53) Hij die niet terwille van de vormen van weelde van de drie werelden, noch zelfs niet een ogenblik, een seconde of een onderdeel van een seconde zich wegbeweegt van de lotusvoeten van de Allerhoogste Heer, welke worden gezocht door de goddelijken en anderen van wie - onverstoord in hun heugenis - de Onoverwinnelijke hun eigen ziel is, is de grootste vaishnava [zie ook 18: 66]. (54) Hoe kan van de tenen van de Allerhoogste Heer Zijn voeten die zo groots zijn in hun heldhaftigheid, van de maneschijn van zijn juweel-gelijke nagels die de pijn in de harten wegneemt, dan andermaal met hen die van aanbidding zijn die pijn nog van enig effect zijn; precies zoals de brandende hitte van de zon geen effect kan hebben als de maan is gerezen [zie ook 10.14: 58]. (55) Hij verlaat nimmer het hart van degene - te worden betiteld als de meest vooraanstaande toegewijde - die maar slechts toevalligerwijze rechtstreeks [door Zijn namen] riep om de Heer die, gebonden door de banden der liefde, de zonden vernietigt hoezeer die zich ook hadden opgehoopt [zie ook B.G. 4: 36 en *4].'

 

 

next        

 
 

 

 

Bronteksten (geen voorgaande versie in het Nederlands beschikbaar):

Mahârâja Nimi Meets the Nine Yogendras

 

Tekst 1:

S'rî S'uka zei: 'Zeer gemotiveerd met Krishna van aanbidding als hij was, o beste der Kuru's, hield Nârada zich regelmatig op in Dvârakâ, de hoofdstad beschermd door de armen van Govinda [zie ook 6.5: 43 & 10.69].

S'rî S'ukadeva Gosvâmî said: Eager to engage in the worship of Lord Krishna, O best of the Kurus, Nârada Muni stayed for some time in Dvârakâ, which was always protected by the arms of Govinda.

 

Tekst 2:

Wie ook begiftigd met zinnen, geplaatst voor de dood die van alle kanten komt, o Koning, zou niet van aanbidding zijn voor de lotusvoeten van Mukunda zo aanbiddelijk voor de besten der onsterfelijken?

My dear King, in the material world the conditioned souls are confronted by death at every step of life. Therefore, who among the conditioned souls would not render service to the lotus feet of Lord Mukunda, who is worshipable even for the greatest of liberated souls?

 

Tekst 3:

Op een dag zei Vasudeva het volgende tot de deva-rishi, die bij zijn huis was aangekomen en respectvol was verwelkomd, aanbeden was met de hulpmiddelen en een comfortabele zitplaats was gegeven.

One day the sage among the demigods, Nârada, came to the house of Vasudeva. After worshiping Nârada with suitable paraphernalia, seating him comfortably and respectfully bowing down to him, Vasudeva spoke as follows.

 

Tekst 4:

S'rî Vasudeva zei: 'O grote heer, de komst van uw goede zelf is, als van al degenen op het pad van Uttamas'loka aanwezig voor de meest miserabelen, als de komst van een goede vader present ten voordele van alle belichaamde zielen.

S'rî Vasudeva said - My lord, your visit, like that of a father to his children, is for the benefit of all living beings. You especially help the most wretched among them, as well as those who are advanced on the path toward the Supreme Lord, Uttamas'loka.

 

 Tekst 5

Wat de goden doen, resulteert in zowel de misère als het geluk van de levende wezens, maar wat heiligen zoals u doen die de Onfeilbare als hun eigenlijke ziel aanvaardden, resulteert enkel in geluk [zie ook 1.2: 25-26, 3.25: 21].

The activities of demigods lead to both misery and happiness for living beings, but the activities of great saints like you, who have accepted the infallible Lord as their very soul, result only in the happiness of all beings.

 

Tekst 6

Zoals men de halfgoden aanbidt zullen de goden op dezelfde manier in wederkeer van respect zijn; zoals met een schaduw zijn zij de knechten van het karma, terwijl de heiligen degenen zijn die zorg dragen voor de gevallenen [zie ook B.G. 1.3: 12, 1.4: 12, 1.7: 20-23].

Those who worship the demigods receive reciprocation from the demigods in a way just corresponding to the offering. The demigods are attendants of karma, like a person's shadow, but sâdhus are actually merciful to the fallen.

 

Tekst 7

O brahmaan, niettemin doe ik navraag bij u over het dharma van het zich verhouden tot de Allerhoogste Heer, waarover met geloof te vernemen hij die gedoemd is te sterven bevrijd raakt van alle angst [vergelijk 10.2: 30-33].

O brâhmana, although I am satisfied simply by seeing you, I still wish to inquire about those duties which give pleasure to the Supreme Personality of Godhead. Any mortal who faithfully hears about them is freed from all kinds of fear.

 

Tekst 8

Ik inderdaad een lange tijd geleden op aarde, begoocheld zijnde door de Heer Zijn mâyâ, een kind wensend en niet strevend naar de bevrijding, aanbad Ananta, de Heer die de Bevrijding Schenkt [zie ook 10.3: 32-45 en 4.1: 20].

In a previous birth on this earth, I worshiped the Supreme Lord, Ananta, who alone can award liberation, but because I desired to have a child, I did not worship Him for liberation. Thus I was bewildered by the Lord's illusory energy.

 

Tekst 9

O u waarachtig in de gelofte, alstublieft instrueer ons, zodat door u wij voorzeker en met gemak zelfs, bevrijding mogen vinden uit deze wereld die vol van gevaren overal angst aanjaagt.'

My dear lord, you are always true to your vow. Please instruct me clearly, so that by your mercy I may easily free myself from material existence, which is full of many dangers and keeps us constantly bound in fear.

 

Tekst 10

S'rî S'uka zei: 'O koning, aldus verzocht door de intelligente Vasudeva sprak de deva-rishi, die door de kwaliteit werd herinnerd aan de Heer, verheugd tot hem.

S'ukadeva Gosvâmî said: O King, Devarshi Nârada was pleased by the questions of the highly intelligent Vasudeva. Because they suggested the transcendental qualities of the Supreme Personality of Godhead, they reminded Nârada of Lord Krishna. Thus Nârada replied to Vasudeva as follows.

 

 Tekst 11

S'rî Nârada zei: 'Dit vragen van u naar het bhâgavata-dharma is de juiste benadering, o beste van de Sâtvata's, daar het het hele universum zuivert.

S'rî Nârada said: O best of the Sâtvatas, you have quite correctly asked about the eternal duty of the living entity toward the Supreme Lord. Such devotional service to the Lord is so potent that its performance can purify the entire universe.

 

 Tekst 12

Erover vernomen hebbend, in reactie erover gezongen hebbend, erop gemediteerd hebbend, het met geloof aanvaard hebbend of geprezen hebbend als het werd uitgevoerd door anderen, zuivert de zuivere toegewijde dienst terstond zelfs hen die zich negatief opstellen tegenover de goden en het universum.

Pure devotional service rendered to the Supreme Lord is spiritually so potent that simply by hearing about such transcendental service, by chanting its glories in response, by meditating on it, by respectfully and faithfully accepting it, or by praising the devotional service of others, even persons who hate the demigods and all other living beings can be immediately purified.

  

 Tekst 13

Vandaag bracht u mij de Allerhoogste Heer in herinnering, de Persoonlijkheid van God Nârâyana [zie ook 10.87: 5] over wie te zingen en te horen men hemels gelukkig en vroom wordt.

Today you have made me remember my Lord, the supremely blissful Personality of Godhead, Nârâyana. The Supreme Lord is so auspicious that whoever hears and chants about Him becomes completely pious.

 

 Tekst 14

Aangaande deze aangelegenheid wordt als voorbeeld deze oude geschiedenis geboden van een gesprek van de zonen van Rishabha met de koning van Videha die een ruimdenkende ziel was.

To explain the devotional service of the Lord, sages have related the ancient history of the conversation between the great soul King Videha and the sons of Rishabha.

  

 Tekst 15

De zoon van Svâyambhuva Manu genaamd Priyavrata had er een genaamd Âgnîdhra; van hem was er Nâbhi en zijn zoon herinnert men zich als Rishabhadeva [zie ook 5.1].

Svâyambhuva Manu had a son named Mahârâja Priyavrata, and among Priyavrata's sons was Âgnîdhra. From Âgnîdhra was born Nâbhi, whose son was known as Rishabhadeva.

 

 Tekst 16

Hij verschijnend in deze wereld met het verlangen om onderricht te geven in het proces van het bereiken van de bevrijding, wordt gezien als een volkomen expansie van Vâsudeva; van hem waren er honderd zoons die volmaakt de Veda's in acht namen.

S'rî Rishabhadeva is accepted as an expansion of the Supreme Lord, Vâsudeva. He incarnated in this world to propagate those religious principles that lead living entities to ultimate liberation. He had one hundred sons, all perfect in Vedic knowledge.

 

Tekst 17

Van hen was inderdaad [zie 5.7] de oudste, Bharata, volledig Nârâyana toegewijd; het is bij de genade van zijn naam dat dit wonderschone deel van de aarde befaamd is als Bhârata-varsha [of India].

Of the one hundred sons of Lord Rishabhadeva, the eldest, Bharata, was completely devoted to Lord Nârâyana. It is because of Bharata's fame that this planet is now celebrated as the great Bhârata-varsha.

 

 Tekst 18

Hij aan het eind van alle genoegens dit aardse bestaan afzwerend, verliet zijn thuis en bereikte in aanbidding van Heer Hari Zijn bestemming met het beoefenen van verzakingen in drie geboorten.

King Bharata rejected this material world, considering all types of material pleasure temporary and useless. Leaving his beautiful young wife and family, he worshiped Lord Hari by severe austerities and attained the abode of the Lord after three lifetimes.

 

 Tekst 19

Negen van Zijn [Rishabha's] zoons waren de meesters van volledige soevereiniteit over de negen afzonderlijke delen [nava-dvîpa] van dit subcontinent terwijl eenentachtig anderen tweemaal geboren brahmanen waren die het [karma-kânda] pad van vruchtbare vedische offerplechtigheden openlegden [zie 5.2: 19-21].

Nine of the remaining sons of Rishabhadeva became the rulers of the nine islands of Bhârata-varsha, and they exercised complete sovereignty over this planet. Eighty-one sons became twice-born brâhmanas and helped initiate the Vedic path of fruitive sacrifices [karma-kânda].

 

 Tekst 20-21

De negen overige zoons, Kavi, Havir, Antarîksha, Prabuddha, Pippalâyana, Âvirhotra, Drumila, Camasa en Karabhâjana, waren wijzen inderdaad die zich bezighielden met de uitleg van de Absolute Waarheid; geleerd in de geesteswetenschap aldus van een grote inzet trokken ze rond aangekleed door de wind [ofwel naakt].

The nine remaining sons of Rishabha were greatly fortunate sages who worked vigorously to spread knowledge of the Absolute Truth. They wandered about naked and were very well versed in spiritual science. Their names were Kavi, Havir, Antarîksha, Prabuddha, Pippalâyana, Âvirhotra, Drumila, Camasa and Karabhâjana.

 

 Tekst 22

Zij [genaamd de nava-yogendra's] over de aarde rondzwervend zagen het ganse universum, bestaande uit het grove en subtiele, als een gedaante van de Allerhoogste Heer niet-verschillend van het Zelf [zie ook 1.5: 20 en B.G. 13: 14 & 15: 7].

These sages wandered the earth seeing the entire universe, with all its gross and subtle objects, as a manifestation of the Supreme Lord and as nondifferent from the self.

 

 Tekst 23

Ongehinderd naar believen zich bewegend naar de werelden van de goddelijken, de vervolmaakten, zij die overheerst zijn, de zangers van de hemel, de schatbewaarders, de [gewone] mensen, zij van bovennatuurlijke gaven en de slangachtigen, bereizen ze vrijelijk welk bereik ook van de wijzen, de engelen, de geesten die S'iva volgen, de wetenschappers, de tweemaal geborenen of de koeien dat ze maar willen.

The nine Yogendras are liberated souls who travel freely to the planets of the demigods, the perfected mystics, the Sâdhyas, the heavenly musicians, the Yakshas, the human beings, and the minor demigods such as the Kinnaras and the serpents. No mundane force can check their free movement, and exactly as they wish they can travel as well to the worlds of the sages, the angels, the ghostly followers of Lord S'iva, the Vidyâdharas, the brâhmanas and the cows.

 

 Tekst 24

Eens in Ajanâbha [de naam van India voor Bharata] kwamen ze aan bij de soma-offerplechtigheid van de grote ziel Nimi [zie ook 9.13] welke werd opgevoerd naar de wensen van de zieners.

Once in Ajanâbha [the former name of the earth], they came upon the sacrificial performance of the great soul Mahârâja Nimi, which was being carried out under the direction of elevated sages.

 

 Tekst 25

Met het zien van die zuivere toegewijden die in hun schittering wedijverden met de zon, o Koning, stonden de uitvoerder van de offerplechtigheid, de brahmanen, iedereen, neen zelfs de vuren, recht uit respect.

My dear King, seeing those pure devotees of the Lord, who rival the sun in brilliance, everyone present - the performer of the sacrifice, the brâhmanas and even the sacrificial fires - stood in respect.

 

 Tekst 26

De heerser van Videha [Nimi], die ze herkende als toegewijden van Nârâyana liet erover tevreden ze plaats nemen en betoonde ze de volle eer die ze verdienden.

King Videha [Nimi] understood that the nine sages were exalted devotees of the Supreme Personality of Godhead. Therefore, overjoyed at their auspicious arrival, he offered them suitable sitting places and worshiped them in a proper way, just as one would worship the Supreme Personality of Godhead.

 

Tekst 27

Nederig voor hen negen neerbuigend die net als de zonen van Brahmâ [zie 4.22: 6] straalden in hun eigen gloed, ging de koning, helemaal in staat van bovenzinnelijke verrukking, er toe over hen vragen te stellen.

Overwhelmed by transcendental joy, the King humbly bowed his head and then proceeded to question the nine sages. These nine great souls glowed with their own effulgence and thus appeared equal to the four Kumâras, the sons of Lord Brahmâ.

 

Tekst 28

S'rî Videha [Nimi] zei: 'Ik beschouw u als directe metgezellen van de Allerhoogste Heer, de vijand van Madhu; inderdaad als zijnde dienaren van Vishnu die zich rondbewegen voor de zuivering van alle werelden.

King Videha said - I think that you must be direct associates of the Supreme Personality of Godhead, who is famous as the enemy of the demon Madhu. Indeed, the pure devotees of Lord Vishnu wander throughout the universe not for their personal, selfish interest, but to purify all the conditioned souls.

 

Tekst 29

Ik denk dat het reiken tot de omgang met hen die de Heer van Vaikunthha dierbaar zijn net zo moeilijk is als het voor belichaamde wezens is het menselijk lichaam te verwerven dat men ieder moment weer kan verliezen [zie ook B.G. 8: 16 & 16: 19-20].

For the conditioned souls, the human body is most difficult to achieve, and it can be lost at any moment. But I think that even those who have achieved human life rarely gain the association of pure devotees, who are dear to the Lord of Vaikunthha.

 

Tekst 30

Derhalve vraag ik u, o zondeloze n, wat het hoogste goed is in deze materiële oceaan, alwaar het maar voor een seconde genieten van het gezelschap van de waarachtigen de grootste schat inhoudt voor de menselijke wezens.

Therefore, O completely sinless ones, I ask you to kindly tell me what the supreme good is. After all, even half a moment's association with pure devotees within this world of birth and death is a priceless treasure for any man.

 

Tekst 31

Alstublieft spreek over de wetenschap van de toegewijde dienst voor zover we er toe in staat zijn het te volgen; er bevrediging door vindend zal Hij, de Ongeboren Heer, zelfs Zichzelf geven aan degenen die Zijn toevlucht zochten.'

Please speak about how one engages in the devotional service of the Supreme Lord, if you consider me capable of properly hearing these topics. When a living entity offers loving service to the Supreme Lord, the Lord is immediately satisfied, and in return He will give even His own self to the surrendered soul.

 

Tekst 32

S'rî Nârada zei: 'Zij, de grootsten der groten, aldus door Nimi verzocht, o Vasudeva, spraken in reactie eerbiedig vol genegenheid tot de koning in het gezelschap van de priesters en de leden van de bijeenkomst voor de offerplechtigheid.

S'rî Nârada said: O Vasudeva, when Mahârâja Nimi had thus inquired from the nine Yogendras about devotional service to the Lord, those best of saintly persons sincerely thanked the King for his questions and spoke to him with affection in the presence of the members of the sacrificial assembly and the brâhmana priests.

 

Tekst 33

S'rî Kavi zei: 'Ik zie het zo dat het met de intelligentie voortdurend verstoord aanwezig zijn in deze wereld, het tijdelijke [lichaam] houdend voor het ware zelf, de staat van het waarlijk van geen kant ook maar iets te vrezen hebben wordt gevonden met de aanbidding van de lotusvoeten van de Onfeilbare, aangezien daarin alle vrees zijn einde vindt. [zie 3.9: 6 en b.v. B.G. 2: 56, 2: 71, 4: 10, 12: 13-14].

S'rî Kavi said: I consider that one whose intelligence is constantly disturbed by his falsely identifying himself with the temporary material world can achieve real freedom from fear only by worshiping the lotus feet of the infallible Supreme Lord. In such devotional service, all fear ceases entirely.

 

Tekst 34

De juiste methode is besproken door de Allerhoogste Heer en staat bekend als het bhâgavata dharma waarmee de mensen, worstelend met hun intelligentie, met gemak inzicht kunnen krijgen in de Allerhoogste Ziel.

Even ignorant living entities can very easily come to know the Supreme Lord if they adopt those means prescribed by the Supreme Lord Himself. The process recommended by the Lord is to be known as bhâgavata-dharma, or devotional service to the Supreme Personality of Godhead.

 

Tekst 35

Een mens die dat aanvaardt, o Koning, is nooit verbijsterd en zal, zelfs nog niet als hij met zijn ogen dicht rent, in dezen komen te struikelen of te vallen [zie ook de catuh-s'loki van B.G. 10: 8-11 en vers 5: 17].

O King, one who accepts this process of devotional service to the Supreme Personality of Godhead will never blunder on his path in this world. Even while running with eyes closed, he will never trip or fall.

 

Tekst 36

Wat men ook doet met het navolgen van de eigen aard met het lichaam, de spraak, het denken, de zinnen, met de intelligentie of het gezuiverde bewustzijn, behoort men allemaal op te dragen aan het Allerhoogste met de gedachte: 'Dit is voor Nârâyana' ['nârâyanâya iti', vergelijk B.G. 3: 9 en 9: 27].

In accordance with the particular nature one has acquired in conditioned life, whatever one does with body, words, mind, senses, intelligence or purified consciousness one should offer to the Supreme, thinking, 'This is for the pleasure of Lord Nârâyana.'

 

Tekst 37

Voor degenen die geleid door de illusieverwekkende energie, vergeetachtig met God, zich afkeerden in misidentificatie zal de angst zich opwerpen vanwege het verzonken zijn in dingen die de Heer op de tweede plaats stellen; om die reden behoort een intelligent persoon, met het beschouwen van zijn goeroe als zijn Heer en Ziel [zie ook B.G. 4: 34], Hem, de Heer, volledig met onvermengde toewijding te aanbidden [zie ook 1.5: 12 en B.G. 7: 14, 15: 7].

Fear arises when a living entity misidentifies himself as the material body because of absorption in the external, illusory energy of the Lord. When the living entity thus turns away from the Supreme Lord, he also forgets his own constitutional position as a servant of the Lord. This bewildering, fearful condition is effected by the potency for illusion, called mâyâ. Therefore, an intelligent person should engage unflinchingly in the unalloyed devotional service of the Lord, under the guidance of a bona fide spiritual master, whom he should accept as his worshipable deity and as his very life and soul.

 

Tekst 38

Door de intelligentie van de dualistische ervaring inderdaad zoals in een droom zich dingen zien manifesterend of verlangens bemerkend die er in werkelijkheid niet zijn, moet een intelligent persoon om die reden de geest onder controle brengen die vanuit de materiële handelingen begaan is met positieve en negatieve verlangens, en aldus onbevreesd zijn [zie ook B.G. 6: 35].

Although the duality of the material world does not ultimately exist, the conditioned soul experiences it as real under the influence of his own conditioned intelligence. This imaginary experience of a world separate from Krishna can be compared to the acts of dreaming and desiring. When the conditioned soul dreams at night of something desirable or horrible, or when he daydreams of what he would like to have or avoid, he creates a reality that has no existence beyond his own imagination. The tendency of the mind is to accept and reject various activities based on sense gratification. Therefore an intelligent person should control the mind, restricting it from the illusion of seeing things separate from Krishna, and when the mind is thus controlled he will experience actual fearlessness.

 

Tekst 39

Vernemend over de alleszins gunstige verschijningen en handelingen van Hem met het Wiel in de Hand [zie 1.9: 37] van wie de bijbehorende namen worden bezongen in deze wereld, moet men, zonder de materiële omgang [van een vrouw, een huis en kinderen] zingend, vrijelijk, en zonder schaamte zich in alle richtingen bewegen.

An intelligent person who has controlled his mind and conquered fear should give up all attachment to material objects such as wife, family and nation and should wander freely without embarrassment, hearing and chanting the holy names of the Lord, the bearer of the chariot wheel. The holy names of Krishna are all-auspicious because they describe His transcendental birth and activities, which He performs within this world for the salvation of the conditioned souls. Thus the holy names of the Lord are sung throughout the world.

 

Tekst 40

Aldus gezworen ontwikkelt men door het zingen van Zijn eigen, zo dierbare, heilige naam, de gehechtheid van een geest die op is gegaan met luidkeels lachen en huilen, en opgewonden raken als een waanzinnige met zingen en dansen zonder zich te bekommeren om buitenstaanders [*].

By chanting the holy name of the Supreme Lord, one comes to the stage of love of Godhead. Then the devotee is fixed in his vow as an eternal servant of the Lord, and he gradually becomes very much attached to a particular name and form of the Supreme Personality of Godhead. As his heart melts with ecstatic love, he laughs very loudly or cries or shouts. Sometimes he sings and dances like a madman, for he is indifferent to public opinion.

 

Tekst 41

Voor de ether, de lucht, het vuur, het water, de aarde en de hemellichten, voor alle levende wezens, de windrichtingen, de bomen en andere niet bewegende wezens, de rivieren en oceanen en wat er ook moge bestaan in het lichaam der schepping van de Allerhoogste Heer, moet men zich verbuigen, daarbij niets als losstaand beschouwend [**].

A devotee should not see anything as being separate from the Supreme Personality of Godhead, Krishna. Ether, fire, air, water, earth, the sun and other luminaries, all living beings, the directions, trees and other plants, the rivers and oceans - whatever a devotee experiences he should consider to be an expansion of Krishna. Thus seeing everything that exists within creation as the body of the Supreme Lord, Hari, the devotee should offer his sincere respects to the entire expansion of the Lord's body.

 

Tekst 42

Toewijding, rechtstreeks waarnemen van de Allerhoogste Heer en onthechting van al het overige, zijn de drie die zich op hetzelfde moment voordoen voor degene in het proces verkerend van toevlucht zoeken - op de zelfde manier als voor degene die bezig is met eten, zich de bevrediging voordoet met de voeding en het terugdringen van de honger.

Devotion, direct experience of the Supreme Lord, and detachment from other things - these three occur simultaneously for one who has taken shelter of the Supreme Personality of Godhead, in the same way that pleasure, nourishment and relief from hunger come simultaneously and increasingly, with each bite, for a person engaged in eating.

 

Tekst 43

Voor de toegewijde die aldus de voeten van Acyuta vereert zal toewijding, onthechting en kennis van de Opperheer zich manifesteren, o koning Nimi, waarop hij dan rechtstreeks de bovenzinnelijke vrede zal bereiken [zie ook B.G. 2: 71 ].'

My dear King, the devotee who worships the lotus feet of the infallible Personality of Godhead with constant endeavor thus achieves unflinching devotion, detachment and experienced knowledge of the Personality of Godhead. In this way the successful devotee of the Lord achieves supreme spiritual peace.

 

Tekst 44

De koning zei: 'Alstublieft vertel me vervolgens over de toegewijde van de Fortuinlijke; wat zijn zijn plichten, wat is zijn aard, hoe gedraagt hij zich onder de mensen, wat zegt hij en door welke kenmerken is hij de Heer dierbaar?'

Mahârâja Nimi said - Now please tell me in greater detail about the devotees of the Supreme Lord. What are the natural symptoms by which I can distinguish between the most advanced devotees, those on the middle level and those who are neophytes? What are the typical religious activities of a Vaishnava, and how does he speak? Specifically, please describe those symptoms and characteristics by which Vaishnavas become dear to the Supreme Personality of Godhead.

 

Tekst 45

S'rî Havir zei: 'Hij is de meest gevorderde van toewijding voor de Heer [een uttama adhikârî] die deze Ziel, dit basis principe van het gehele bestaan, ziet in alle voorwerpen [van de materie en de geest] èn in staat is van toegewijde dienst te zijn voor de Allerhoogste Geestelijke Ziel met het zien van alle wezens [als bestaande] in de [gigantische universele gedaante van de] Allerhoogste Heer [zie ook B.G. 6: 29 & 30].

S'rî Havir said: The most advanced devotee sees within everything the soul of all souls, the Supreme Personality of Godhead, S'rî Krishna. Consequently he sees everything in relation to the Supreme Lord and understands that everything that exists is eternally situated within the Lord.

 

Tekst 46

Hij daarop volgend, op het middelste platform [de madhyâma], is van liefde voor de Allerhoogste Heer, van vriendschap voor personen die gevorderd zijn, van genade voor de nieuwkomers en heeft geen oog voor de afgunstigen [zie ook 4.24: 57, 7.9: 43, B.G. 4: 8 & 15: 7 en ***].

An intermediate or second-class devotee, called madhyama-adhikârî, offers his love to the Supreme Personality of Godhead, is a sincere friend to all the devotees of the Lord, shows mercy to ignorant people who are innocent and disregards those who are envious of the Supreme Personality of Godhead.

 

Tekst 47

Hij die zeker van aanbidding voor de Heer gewetensvol aan de slag gaat met de beeltenis [de mûrti] maar niet zo is met de toegewijden noch naar mensen toe in het algemeen, is een materialistische toegewijde [een prâkrita of een beginner, een kanishthha, zie ook B.G. 7: 20 en 3.29: 24-25 7.14: 40 ].

A devotee who faithfully engages in the worship of the Deity in the temple but does not behave properly toward other devotees or people in general is called a prâkrita-bhakta, a materialistic devotee, and is considered to be in the lowest position.

 

Tekst 48

Ook al aanvaardt hij met zijn zinnen de zinsobjecten is hij die, hatend noch zich verheugend, dit universum ziet als de begoochelende materiële energie van Vishnu, inderdaad een eersteklas toegewijde [zie ook B.G. 5: 3].

Even while engaging his senses in contact with their objects, one who sees this whole world as the energy of Lord Vishnu is neither repelled nor elated. He is indeed the greatest among devotees.

 

Tekst 49

Hij die door de geboorte, het verval, de honger, de angst en de dorst van het lichaam, de levensadem, de geest en de intelligentie niet is begoocheld; hij die niet is begoocheld door de onvermijdelijke kenmerken van een materieel leven met het houden van de Heer in zijn gedachten [zie ook 6.2: 14], is de meest vooraanstaande toegewijde [zie ook B.G. 2: 56-57].

Within the material world, one's material body is always subject to birth and decay. Similarly, the life air [prâna] is harassed by hunger and thirst, the mind is always anxious, the intelligence hankers for that which cannot be obtained, and all of the senses are ultimately exhausted by constant struggle in the material nature. A person who is not bewildered by the inevitable miseries of material existence, and who remains aloof from them simply by remembering the lotus feet of the Supreme Personality of Godhead, is to be considered bhâgavata-pradhâna, the foremost devotee of the Lord.

 

Tekst 50

In de geest van degene die zich enkel ophoudt in Vâsudeva bestaat er geen kans dat de lust [zie B.G. 3: 37-43] of het karmisch hunkeren naar resultaten [zie ook B.G. 6: 4] zich zal ontwikkelen; zo een iemand is waarlijk een eersteklas toegewijde.

One who has taken exclusive shelter of the Supreme Lord, Vâsudeva, becomes free from fruitive activities, which are based on material lust. In fact, one who has taken shelter of the lotus feet of the Lord is freed from even the desire to enjoy material sense gratification. Plans for enjoying sex life, social prestige and money cannot develop within his mind. Thus he is considered bhâgavatottama, a pure devotee of the Lord on the highest platform.

 

Tekst 51

Hij is de Heer dierbaar die niet gehecht is in het egotistische sentiment van een lichamelijk begrip van het zijn van een goede geboorte, het zijn van verdienstelijke daden, van een bepaalde varnâs'rama statusoriëntatie of van een bepaalde groepering of ras [zie B.G. 2: 71 & 12: 13-14].

Birth in an aristocratic family and the execution of austere and pious activities certainly cause one to take pride in himself. Similarly, if one enjoys a prestigious position within society because his parents are highly respected members of the varnâs'rama social system, one becomes even more infatuated with himself. But if despite these excellent material qualifications one does not feel even a tinge of pride within himself, he is to be considered the dearmost servitor of the Supreme Personality of Godhead.

 

Tekst 52

Met hem bij wie er niet het dualistisch denken is van 'het mijne' en 'het jouwe' wat betreft bezittingen of het lichaam; zo een iemand, van gelijkheid en vrede met alle levende wezens, is waarachtig de beste der toegewijden [zie B.G. 13: 28-31 & 14: 22-25].

When a devotee gives up the selfish conception by which one thinks 'This is my property, and that is his,' and when he is no longer concerned with the pleasures of his own material body or indifferent to the discomforts of others, he becomes fully peaceful and satisfied. He considers himself simply one among all the living beings who are equally part and parcel of the Supreme Personality of Godhead. Such a satisfied Vaishnava is considered to be at the highest standard of devotional service.

 

Tekst 53

Hij die niet terwille van de vormen van weelde van de drie werelden, noch zelfs niet een ogenblik, een seconde of een onderdeel van een seconde zich wegbeweegt van de lotusvoeten van de Allerhoogste Heer, welke worden gezocht door de goddelijken en anderen van wie - onverstoord in hun heugenis - de Onoverwinnelijke hun eigen ziel is, is de grootste vaishnava [zie ook 18:66].

The lotus feet of the Supreme Personality of Godhead are sought even by the greatest of demigods, such as Brahmâ and S'iva, who have all accepted the Supreme Personality of Godhead as their life and soul. A pure devotee of the Lord can never forget those lotus feet in any circumstance. He will not give up his shelter at the lotus feet of the Lord for a single moment - indeed, not for half a moment - even in exchange for the benediction of ruling and enjoying the opulence of the entire universe. Such a devotee of the Lord is to be considered the best of the Vaishnavas.

 

Tekst 54

Hoe kan van de tenen van de Allerhoogste Heer Zijn voeten die zo groots zijn in hun heldhaftigheid, van de maneschijn van zijn juweel-gelijke nagels die de pijn in de harten wegneemt, dan andermaal met hen die van aanbidding zijn die pijn nog van enig effect zijn; precies zoals de brandende hitte van de zon geen effect kan hebben als de maan is gerezen [zie ook 10.14: 58].

How can the fire of material suffering continue to burn the hearts of those who worship the Supreme Lord? The Lord's lotus feet have performed innumerable heroic deeds, and the beautiful nails on His toes resemble valuable jewels. The effulgence emanating from those nails resembles cooling moonshine, for it instantly relieves the suffering within the heart of the pure devotee, just as the appearance of the moon's cooling light relieves the burning heat of the sun.

 

Tekst 55

Hij verlaat nimmer het hart van degene - te worden betiteld als de meest vooraanstaande toegewijde - die maar slechts toevalligerwijze rechtstreeks [door Zijn namen] riep om de Heer die, gebonden door de banden der liefde, de zonden vernietigt hoezeer die zich ook hadden opgehoopt [zie ook B.G. 4: 36 en *4 ].'

The Supreme Personality of Godhead is so kind to the conditioned souls that if they call upon Him by speaking His holy name, even unintentionally or unwillingly, the Lord is inclined to destroy innumerable sinful reactions in their hearts. Therefore, when a devotee who has taken shelter of the Lord's lotus feet chants the holy name of Krishna with genuine love, the Supreme Personality of Godhead can never give up the heart of such a devotee. One who has thus captured the Supreme Lord within his heart is to be known as bhâgavata-pradhâna, the most exalted devotee of the Lord.

 

*: S'rî Caitanya Mahâprabhu benadrukte dit ook citerend: 'harer nâma harer nâma harer nâmaiva kevalam kalau nâsty eva nâsty eva nâsty eva gatir anyathâ [Adi 17.21]': 'In dit tijdperk van Kali bestaat er geen alternatief, er is geen alternatief, er is geen alternatief voor de geestelijke vooruitgang anders dan de heilige naam, de heilige naam, de heilige naam van de Heer.' Ook S'rîla Bhaktisiddhânta Sarasvatî Thhâkura beveelt hierbij aan dat men het volgende vers bestudeert: 'parivadatu jano yathâ tathâ vâ nanu mukharo na vayam vicârayâmah hari-rasa-madirâ-madâti-mattâ bhuvi viluthhâmo nathâmo nirvis'âmah': 'Laat de praatzieke bevolking zeggen wat ze maar wil; we zullen geen acht op ze slaan. Tot in de kern gek van de extase van de bedwelmende drank van de liefde voor Krishna, zullen we van het leven genieten door rond te rennen, over de grond te rollen en te dansen in extase.' (Padyâvalî 73) Dit is wat het Krishna-bewustzijn definieert.

**: S'rîla Bhaktisiddhânta Sarasvatî Thhâkura heeft ons gewaarschuwd dat als we niet alles zien als een manifestatie van de Hoogste Persoonlijkheid van God, we het slachtoffer zullen worden van phalgu-vairâgya, of onvolwassen verzaking.

***: De Paramparâ voegt hier toe: 'S'rîla Bhaktisiddhânta Sarasvatî Thhâkura heeft een fraai voorbeeld gegeven van het verschil tussen arcana en bhajana. Arcana heeft betrekking op het platform van de sâdhana-bhakti, waarin men de Heer dient om gevolg te geven aan de regels en voorschriften van het proces. Iemand die de toevlucht van de Heer Zijn heilige namen heeft bereikt en geheel opgaat in de poging de Heer te dienen moet worden geacht te verkeren op het bhajana platform, ook al mogen zijn uiterlijke handelingen somtijds minder strikt zijn dan die van de nieuwkomer bezig met arcana. Dit klaarblijkelijke gebrek aan striktheid echter, heeft geen betrekking op laksheid in de basis principes of een verstandige gedragswijze en verzaking van zinsbevrediging, maar eerder in de details van de Vaishnava-ceremoniën.'

 *4: Nimi, de koning van Videha, stelde, zo helpt ons de paramparâ, de volgende negen vragen aan de negen Yogendra's, de heilige zonen van Rishabha. (1) Wat is het hoogste goed? (2.30); (2) Wat zijn de religieuze beginselen (dharma), de natuurlijke geneigdheden (svabhâva), het gedrag (âcâra), de spraak (vâkya) en de uiterlijke kenmerken (lakshana) van een bhâgavata, een Vaishnava toegewijde van de Heer? (2.44); (3) Wat is de uitwendige energie van Vishnu, de Opperheer? (3.1); (4) hoe kan men zich losmaken van deze mâyâ? (3.17); (5) Wat is de ware identiteit van Brahman? (3.34); (6) Wat zijn de drie soorten van karma, namelijk karma gebaseerd op het genieten van de vruchten van de arbeid, karma opgedragen aan de Allerhoogste Heer, en naishkarmya? (3.41); (7) Wat zijn de verschillende vormen van spel en vermaak van de verschillende incarnaties van God? (4.1); (8) Wat is het doel of de bestemming van iemand die tegen de Opperheer is en het ontbreekt aan bhakti (of in andere woorden, een niet-toegewijde)? (5.1); en (9) Wat zijn de respectievelijke kleuren, gedaanten en namen van de vier yugâvatâra's, de vier incarnaties van de Allerhoogste Heer die verschijnt in de vier tijdperken, en wat is het proces van het aanbidden van ieder van Hen? (5.19).

De bovenzinnelijke antwoorden op deze vragen werden gegeven door de grote toegewijden Kavi, Havir, Antarîksha, Prabuddha, Pippalâyana, Âvirhotra, Drumila, Camasa en Karabhâjana. Deze negen paramahamsa's beantwoordden de negen vragen, ieder op zijn beurt, in de volgende verzen- (1) 2.33-43; (2) 2.45-55; (3) 3.3-16; (4) 3.18-33; (5) 3.35-40; (6) 3.43-55; (7) 4.2-23; (8) 5.2-18; en (9) 5.20-42.

 

 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties