regelbalk



 

Canto 10

Krishna Tava

 

 

Hoofdstuk 68: Het Huwelijk van Sâmba en de Kuru-stad Bevend voor Zijn Woede Gesleept

(1) S'rî S'uka zei: 'O Koning, de dochter van Duryodhana genaamd Lakshmanâ werd door Sâmba ['met de moeder'], de zoon van Jâmbavatî die altijd zegevierde in de strijd, ontvoerd tijdens haar svayamvara. (2) De Kaurava's werden kwaad en zeiden: 'Welk een wangedrag van deze jongen, ons zo te beledigen met het tegen haar wil gewelddadig ontvoeren van de maagd. (3) Neem hem die zo ongedisciplineerd is gevangen. Wat kunnen de Vrishni's daar nu tegen uitrichten? Door onze genade genieten ze het land dat we ze gaven! (4) Als de Vrishni's erachter komen dat hun zoon is ingerekend zullen ze hier naartoe komen. We zullen dan hun trots breken zodat ze de vrede vinden, net zoals de zinnen dat doen als ze naar behoren onder controle worden gebracht.'

(5) Na dit gezegd te hebben gingen Karna, S'ala, Bhûri, Yajñaketu [of Bhûris'ravâ] en Duryodhana, met toestemming van de oudste Kuru [Bhîshma], eropuit om de strijd met Sâmba aan te binden. (6) Zo gauw de grote strijder Sâmba de volgelingen van Dhritarâshthra op zich af zag komen, nam hij zijn schitterende boog ter hand en stond hij in zijn eentje zijn mannetje als was hij een leeuw. (7) Vastbesloten hem gevangen te nemen zeiden zij die door Karna werden aangevoerd vol van woede: 'Jij daar, stop, blijf staan en vecht!', waarop de boogschutters zich voor hem opstelden en hem bestookten met pijlen. (8) Hij, de zoon van de Yadu's o beste der Kuru's, onrechtmatig [met zijn allen tegen één] aangevallen door de Kuru's, kon dat, als een nazaat van de Ondoorgrondelijke [Krishna], net zo min toelaten als een leeuw een aanval van lagere dieren zou tolereren. (9-10) Schietend met zijn prachtige boog doorboorde de held helemaal in zijn eentje, in één vloeiende beweging, een zestal krijgers van Karna met even zoveel pijlen voor hun strijdwagens. Vier pijlen zette hij in tegen ieder span van vier paarden en één pijl tegen zijn menner en zijn krijgsheer. Voor dat wapenfeit werd hem alle lof toegezwaaid door de grote boogschutters. (11) Maar toen troffen vier van hen zijn paarden, één trof zijn wagenmenner en één spleet zijn boog. Zo dreven ze hem uit zijn strijdwagen. (12) Nu ze in de strijd de jonge jongen uit zijn wagen hadden gekregen, bonden de Kuru's hem met moeite vast en keerden ze, zegevierend met hun meisje, terug naar hun stad.

(13) Toen de Yadu's hierover vernamen van Nârada Muni o Koning, werden ze zeer kwaad op de Kuru's [zie ook 10.49: 27] en bereidden ze zich er op voor erdoor Ugrasena toe aangespoord, om te gaan vechten. (14-15) Maar Râma, Hij die het Tijdperk van de Redetwist [Kali-yuga] zuivert, bewoog de Vrishni-helden tot kalmte die zich al in hun kuras gestoken hadden, want Hij zag liever geen onderlinge strijd ontstaan tussen de Vrishni's en de Kuru's. Op Zijn strijdwagen die straalde als de zon zich naar Hastinâpura begevend omringd door de brahmanen en de ouderen van de familie, zag Hij eruit als de maan omringd door de zeven planeten [die toentertijd bekend waren, zie ook 5.22]. (16) Na in Hastinâpura te zijn aangekomen hield Balarâma zich buiten de stad op in een park en stuurde Hij Uddhava vooruit om uit te zoeken wat Dhritarâshthra zich had voorgenomen. (17) Na het volgens de regels betonen van zijn respect voor de zoon van Ambikâ [Dhritarâshthra], Bhîshma en Drona, Bâhlika en Duryodhana, stelde hij hen ervan op de hoogte dat Râma was gearriveerd. (18) Buitengewoon verheugd te horen dat Hij, Balarâma, hun Innigste Vriend was meegekomen, gingen ze toen allen, na Uddhava het verschuldigde respect te hebben betoond, Hem tegemoet met zegenrijke offergaven in hun handen. (19) Toen ze Balarâma ontmoetten presenteerden ze, zoals dat hoorde, koeien en water om Hem te verwelkomen. Zij die wisten van zijn [ware] macht bogen hun hoofden voor Hem. (20) Ze vroegen elkaar of het hun verwanten allemaal goed ging en of ze gezond waren, waarna Râma recht uit Zijn hart de woorden sprak: (21) 'Na met jullie volle aandacht te hebben kennisgenomen van dat wat onze meester Ugrasena, de heerser der heersers van de aarde, van jullie vraagt, moeten jullie onverwijld dienovereenkomstig handelen. [Hij zei:] (22) Tot dusverre heb ik het getolereerd dat jullie in strijd met de regels, met zijn allen één enkele man hebben verslagen en gekneveld die zich wel aan de regels [der krijg] hield, want ik wil graag de eenheid onder mijn verwanten bewaren... .'

(23) Toen ze Baladeva's woorden hoorden die passend voor Zijn macht de lading droegen van Zijn vermogen, heldenmoed en kracht, gaven de Kaurava's kwaad ten antwoord: (24) 'Kijk eens hoe wonderlijk de onvermijdelijke Tijd verloopt. Nu wil dat wat een schoen is, treden op een hoofd dat gesierd wordt door een kroon! (25) Deze Vrishni's die door huwelijksbanden met ons zijn verbonden, delen onze bedden, zetels en maaltijden met ons. We gingen met ze om op voet van gelijkheid en ze kregen van ons hun tronen. (26) Omdat wij een andere kant op keken, konden zij de yakstaartenwaaier, de schelphoorn, de witte parasol, de kroon, de troon en het koninklijk bed genieten [vergelijk 10.60: 10-20]. (27) Het moet de Yadu's niet langer toegestaan worden de goddelijke eretekenen der koningen te dragen. Die eretekenen werken voor de gever [die wij zijn] zo nadelig als het geven van nectar aan een slang! De Yadu's die nu de bevelen uitdelen, wisten bij onze genade te gedijen. Ze hebben alle schaamte verloren! (28) Hoe zou zelfs ook maar Indra het wagen zich dat toe te eigenen wat hem niet verleend is door Bhîshma, Drona, Arjuna of de andere Kuru's? Het is als een schaap die de buit van een leeuw opeist!'

(29) De zoon van Vyâsa zei: 'O beste onder de Bharata's, de laag-bij-de-grondse kerels die, verkerend onder de invloed van hun geboorte, relaties en de weelde die hen groot had gemaakt, aldus zich van deze barse woorden bedienden tegen Balarâma, gingen vervolgens hun stad in. (30) Geplaatst voor het slechte karakter van de Kuru's en hun onwelvoeglijke woorden horend, werd de Onfeilbare Heer kwaad en zei toen, bij herhaling in de lach schietend en zonder Zich mooi voor te doen: (31) 'Gezien de grote bek die deze arrogante, onoprechte lieden hebben met hun verschillende hartstochten, zijn ze duidelijk niet uit op vrede. Ze moeten blijkbaar middels een lijfstraf de les gelezen krijgen, zoals dieren die met een stok moeten worden geslagen! (32-33) O, vrede zoekend met deze mensen, kwam Ik naar hier, nadat Ik met beleid de Yadu's die kookten van de woede, alsook Krishna die boos was, tot bedaren had gebracht. Diezelfde lieden, verdwaasd van geest verslaafd aan gekissebis, wagen het vol van verbeelding, slecht als ze zijn in hun minachting voor Hem - voor Mij dus -, om zich te bedienen van barse bewoordingen!! (34) En Ugrasena zou geheel ongeschikt zijn leiding te geven aan de Bhoja's, de Vrishni's en de Andhaka's, terwijl S'akra ['de machtige' ofwel Indra] en andere heersers zijn bevelen opvolgen?? (35) En Hij [Krishna], gezeten in Sudharmâ [de hemelse raadszaal], dankzij wie de hemelse pârijâta-boom wordt genoten die vanuit het bereik der onsterfelijken naar beneden werd gebracht  [zie 10.59: 38-39], zelfs Hij zou niet een verheven zitplaats verdienen??? (36) Hij, de Heerser over het Volkomen Geheel, wiens twee voeten door de Godin van het Geluk zelf worden aanbeden, Hij, waarlijk de Heer van S'rî, zou niet eens dat wat bij een mensenkoning hoort waard zijn?!?! (37) Hij van wiens lotusvoeten al de hooggeplaatste heersers van de wereld het stof op hun helmen houden, de voeten die de plaats van aanbidding vormen van al de heilige plaatsen en van wie Brahmâ, S'iva en ook Ik, naast de godin, als gedeelten van een deel, eveneens constant met zorg het stof dragen... waar zou Zijn koningstroon staan?????! (38) De Vrishni's mogen genieten van ieder klein stukje grond dat hen gegund wordt door de Kuru's en... Wij zouden zogenaamd de schoenen wezen, terwijl de Kuru's het hoofd zijn?!!!? (39) Ah, die trotse gekken beneveld door hun heerschappij van schone schijn..., welke man van gezag kan nu hun onsamenhangende, ellendige geleuter verdragen? (40) Vandaag nog zal Ik de aarde bevrijden van de Kaurava's!', en aldus zich kwaad uitsprekend nam Hij Zijn ploeg ter hand en rees op als wou Hij de drie werelden verzengen.

(41) Met de punt van Zijn ploeg trok Hij woedend de stad Hastinâpura naar boven en sleurde haar mee met de bedoeling haar in de Ganges te werpen. (42-43) Toen de Kaurava's zagen hoe de stad die in de Ganges dreigde te belanden, terwijl ze werd meegesleept heen en weer schudde als een vlot, raakten ze in paniek en zochten ze, om hun leven te redden, samen met hun families hun heil bij de Meester. Onder leiding van Lakshmanâ en Sâmba vouwden ze daarbij hun handen: (44) 'Râma, o Balarâma, o Grondvesting van Alles [Akhilâdhâra], wij, de verdwaasden die slecht van begrip geen weet hebben van Uw Majesteit, smeken U ons onze overtreding te vergeven. (45) Van het opwekken, het voortduren en het weer herenigen [van het universum] bent U alleen de unieke, oorspronkelijke oorzaak. O Heer, men zegt dat de werelden het speelgoed zijn waarmee U speelt. (46) U alleen o Onbegrensde, draagt de aardbol speels op Uw hoofd o Duizendkoppige [zie ook 5.25] en als de schepping ten einde komt, trekt U, de Ene Zonder Zijn Gelijke, het universum terug in Uw lichaam, blijft dan alleen en gaat liggen [zie ook 6.16: 29-64]. (47) Uw woede is er voor iedereen om van te leren o Bhagavân, Instandhouder van de Geaardheid Goedheid. Die is er niet uit hatelijkheid of afgunst maar is er voor het doel van de handhaving en bescherming van het levende wezen. (48) Wij buigen ons voor U o Ziel van Alle Wezens, o Drager van [de symbolen van] Alle Energieën, o Onuitputtelijke en Maker van het Universum, onze eerbetuigingen voor U bij wie wij onze toevlucht zochten.'


(49) S'rî S'uka zei: 'Heer Bala gunstig gestemd door de overgegeven zielen die in hoge nood verkeerden door het schudden van hun woonplaats, verloste hen toen tevreden van hun angst met de woorden: 'Wees maar niet bang.' (50-51) Als bruidsschat voor zijn dochter deed Duryodhana als liefdevolle vader een schenking van twaalfhonderd zestig jaar oude olifanten en honderdtwintigduizend paarden, zestigduizend gouden wagens gloeiend als de zon en duizend dienstmaagden met juwelen halskettingen om. (52) De Allerhoogste Heer, de leider der Sâtvata's, aanvaardde dat alles en vertrok, uitgewuifd door Zijn weldoeners, toen samen met Zijn zoon en schoondochter. (53) Na in Zijn stad te zijn aangekomen en de verwanten te hebben ontmoet die Hem, de Hanteerder van de Ploeg, in hun harten droegen, bracht Hij temidden van de vergadering van de Yaduleiders verslag uit over alles wat zich had afgespeeld tussen Hem en de Kuru's. (54) En werkelijk, zelfs vandaag nog vertoont deze stad de tekenen van Balarâma's macht. Dat kan men zien bij de Ganges waar ze opvallend omhoogsteekt naar het zuiden.'

 

next                      

 
 

Derde herziene editie, geladen 19 augustus, 2014.

 

 

 

 

 

Voorgaande Aadhar-editie en Vedabase links:

Tekst 1

S'rî S'uka zei: 'O Koning, de dochter van Duryodhana genaamd Lakshmanâ werd door Sâmba ['met de moeder'], de zoon van Jâmbavatî die altijd zegevierde in de strijd, ontvoerd tijdens haar svayamvara.
S'rî S'uka zei: 'O Koning, de dochter van Duryodhana genaamd Lakshmanâ werd door Sâmba ['met de moeder'], de zoon van Jâmbavatî altijd zegevierend in de strijd, ontvoerd bij haar svayamvara. (Vedabase)

 

Tekst 2

De Kaurava's werden kwaad en zeiden: 'Welk een wangedrag van deze jongen, ons zo te beledigen met het tegen haar wil gewelddadig ontvoeren van de maagd.

De Kaurava's zeiden woedend: 'Wat een wangedrag van deze jongen ons zo te beledigen met het met geweld tegen haar wil meevoeren van de maagd. (Vedabase)

 

Tekst 3

Neem hem die zo ongedisciplineerd is gevangen. Wat kunnen de Vrishni's daar nu tegen uitrichten? Door onze genade genieten ze het land dat we ze gaven!

Houdt hem aan die zo ongedisciplineerd is; wat kunnen de Vrishni's nu uitrichten die door onze genade het land kregen om van te genieten? (Vedabase)

  

Tekst 4

Als de Vrishni's erachter komen dat hun zoon is ingerekend zullen ze hier naartoe komen. We zullen dan hun trots breken zodat ze de vrede vinden, net zoals de zinnen dat doen als ze naar behoren onder controle worden gebracht.'

Als zij, er achter komend dat hun zoon ingerekend is, hier naartoe komen, zullen de Vrishni's, gebroken in hun trots de vrede vinden zoals de zinnen het zullen naar behoren onder controle gebracht.' (Vedabase)

 

Tekst 5

Na dit gezegd te hebben gingen Karna, S'ala, Bhûri, Yajñaketu [of Bhûris'ravâ] en Duryodhana, met toestemming van de oudste Kuru [Bhîshma], eropuit om de strijd met Sâmba aan te binden.

Dit gezegd hebbende gingen Karna, S'ala, Bhûri, Yajñaketu [of Bhuris'ravâ] en Duryodhana, met de toestemming van de Kuru-oudste [Bhîshma], er op uit om met Sâmba de strijd aan te binden. (Vedabase)

 

Tekst 6

Zo gauw de grote strijder Sâmba de volgelingen van Dhritarâshthra op zich af zag komen, nam hij zijn schitterende boog ter hand en stond hij in zijn eentje zijn mannetje als was hij een leeuw.

De grote strijder Sâmba toen hij de volgelingen van Dhritarâshthra op zich af zag snellen, nam zijn schitterende boog ter hand en stond in zijn eentje zijn mannetje als was hij een leeuw. (Vedabase)

 

Tekst 7

Vastbesloten hem gevangen te nemen zeiden zij die door Karna werden aangevoerd vol van woede: 'Jij daar, stop, blijf staan en vecht!', waarop de boogschutters zich voor hem opstelden en hem bestookten met pijlen.

Vastbesloten hem gevangen te nemen zeiden ze, met Karna aan het hoofd, vol van woede: 'Halt jij, blijf staan en vecht!', waarop de boogschutters, zich voor hem opstellend, hem bestookten met pijlen. (Vedabase)

    

Tekst 8

Hij, de zoon van de Yadu's o beste der Kuru's, onrechtmatig [met zijn allen tegen één] aangevallen door de Kuru's, kon dat, als een nazaat van de Ondoorgrondelijke [Krishna], net zo min toelaten als een leeuw een aanval van lagere dieren zou tolereren.

Hij, de zoon van de Yadu's, o beste der Kuru's, onrechtmatig [met zijn allen] aangevallen door de Kuru's, kon als een kind van de Ondoorgrondelijke [Krishna] dat net zo min toelaten als een leeuw het zou tolereren van lagere dieren. (Vedabase)

 

Tekst 9-10

Schietend met zijn prachtige boog doorboorde de held helemaal in zijn eentje, in één vloeiende beweging, een zestal krijgers van Karna met even zoveel pijlen voor hun strijdwagens. Vier pijlen zette hij in tegen ieder span van vier paarden en één pijl tegen zijn menner en zijn krijgsheer. Voor dat wapenfeit werd hem alle lof toegezwaaid door de grote boogschutters.

Schietend met Zijn wonderschone boog doorboorde de held helemaal in zijn eentje, tegelijkertijd, ieder van de zes van Karna en hun strijdwagens met even zo vele pijlen: met vier pijlen voor ieder span van vier paarden en met één pijl voor zijn menner en zijn krijgsheer ieder; en voor dat feit werd hij door de grote boogschutters geëerd. (Vedabase)

  

Tekst 11

Maar toen troffen vier van hen zijn paarden, één trof zijn wagenmenner en één spleet zijn boog. Zo dreven ze hem uit zijn strijdwagen.

Met vier van hen uit op zijn paarden, één bedacht op zijn wagenmenner en één die zijn boog spleet, dreven ze hem uit zijn strijdwagen. (Vedabase)

 

Tekst 12

Nu ze in de strijd de jonge jongen uit zijn wagen hadden gekregen, bonden de Kuru's hem met moeite vast en keerden ze, zegevierend met hun meisje, terug naar hun stad.

Toen ze eenmaal in de strijd de jonge jongen uit zijn wagen hadden, bonden de Kuru's hem vast en gingen ze, met hun meisje, zegevierend hun stad binnen. (Vedabase)

 

Tekst 13

Toen de Yadu's hierover vernamen van Nârada Muni o Koning, werden ze zeer kwaad op de Kuru's [zie ook 10.49: 27] en bereidden ze zich er op voor erdoor Ugrasena toe aangespoord, om te gaan vechten.

Naar de woorden van Nârada Muni [hen daarover inlichtend], o Koning, wierp [bij de Yadu's] zich de woede op jegens de Kuru's [zie ook 10.49: 27] en bereidden ze zich, er door Ugrasena toe aangezet, op voor te gaan vechten. (Vedabase)

  

Tekst 14-15

Maar Râma, Hij die het Tijdperk van de Redetwist [Kali-yuga] zuivert, bewoog de Vrishni-helden tot kalmte die zich al in hun kuras gestoken hadden, want Hij zag liever geen onderlinge strijd ontstaan tussen de Vrishni's en de Kuru's. Op Zijn strijdwagen die straalde als de zon zich naar Hastinâpura begevend omringd door de brahmanen en de ouderen van de familie, zag Hij eruit als de maan omringd door de zeven planeten [die toentertijd bekend waren, zie ook 5.22].

Maar Râma, Hij die de besmetting van het Tijdperk van de Redetwist [Kali-yuga] wegneemt, liever geen onderlinge strijd zien ontstaand tussen de Vrishni's en de Kuru's, bewoog de Vrishni helden tot kalmte en ging met Zijn strijdwagen die straalde als de zon naar Hastinâpura toe, omringd door de brahmanen en de ouderen van de familie als was hij de maan met de zeven planeten [toentertijd bekend, zie ook 5.22]. (Vedabase)

    

Tekst 16

Na in Hastinâpura te zijn aangekomen hield Balarâma zich buiten de stad op in een park en stuurde Hij Uddhava vooruit om uit te zoeken wat Dhritarâshthra zich had voorgenomen.

In Hastinâpura aangekomen bleef Râma buiten in een park en stuurde Hij Uddhava er op uit om uit te zoeken wat Dhritarâshthra voor had. (Vedabase)

 

Tekst 17

Na het volgens de regels betonen van zijn respect voor de zoon van Ambikâ [Dhritarâshthra], Bhîshma en Drona, Bâhlika en Duryodhana, stelde hij hen ervan op de hoogte dat Râma was gearriveerd.

Hij, met het betonen van zijn respect voor de zoon van Ambikâ [Dhritarâshthra], Bhîshma en Drona, Bâhlika en Duryodhana, bracht hen ervan op de hoogte dat Râma was aangekomen. (Vedabase)

 

Tekst 18

Buitengewoon verheugd te horen dat Hij, Balarâma, hun Innigste Vriend was meegekomen, gingen ze toen allen, na Uddhava het verschuldigde respect te hebben betoond, Hem tegemoet met zegenrijke offergaven in hun handen.

Zij, buitengewoon verheugd te horen dat Hij, Balarâma, hun Innigste Vriend was gearriveerd, gingen allen, na hem het verschuldigde respect te hebben betoond, er op af met zegenrijke offergaven in hun handen. (Vedabase)

  

Tekst 19

Toen ze Balarâma ontmoetten presenteerden ze, zoals dat hoorde, koeien en water om Hem te verwelkomen. Zij die wisten van zijn [ware] macht bogen hun hoofden voor Hem

Naar Balarâma toe gegaan presenteerden ze zoals dat hoorde koeien en water om Hem te verwelkomen en bogen zij die op de hoogte waren van Zijn macht hun hoofden diep. (Vedabase)

 

Tekst 20

Ze vroegen elkaar of het hun verwanten allemaal goed ging en of ze gezond waren, waarna Râma recht uit Zijn hart de woorden sprak:

Bij elkaar nagaand om te horen of hun verwanten allemaal goed en gezond waren sprak Râma daarop recht uit het hart de woorden: (Vedabase)

 

Tekst 21

'Na met jullie volle aandacht te hebben kennisgenomen van dat wat onze meester Ugrasena, de heerser der heersers van de aarde, van jullie vraagt, moeten jullie onverwijld dienovereenkomstig handelen. [Hij zei:]

'Met onverdeelde aandacht vernemend wat onze meester Ugrasena, de heerser der heersers van de aarde, van u heeft gevraagd, moeten jullie dat onverwijld naleven: (Vedabase)

  

 Tekst 22

Tot dusverre heb ik het getolereerd dat jullie in strijd met de regels, met zijn allen één enkele man hebben verslagen en gekneveld die zich wel aan de regels [der krijg] hield, want ik wil graag de eenheid onder mijn verwanten bewaren... .'

Jullie in strijd met de regels met z'n allen verslaan en knevelen van slechts één enkele man die zich wel aan de regels [der krijg] hield, kan Ik, onder verwanten de eenheid verlangend, nog wèl verdragen ... [maar ik wens het niet dat dat wordt voortgezet].' (Vedabase)


 Tekst 23

Toen ze Baladeva's woorden hoorden die passend voor Zijn macht de lading droegen van Zijn vermogen, heldenmoed en kracht, gaven de Kaurava's kwaad ten antwoord:

Baladeva's woorden aanhorend die passend voor Zijn macht geladen waren met Zijn vermogen, heldenmoed en kracht, gaven de Kaurava's kwaad geworden ten antwoord: (Vedabase)

 

 Tekst 24

'Kijk eens hoe wonderlijk de onvermijdelijke Tijd verloopt. Nu wil dat wat een schoen is, treden op een hoofd dat gesierd wordt door een kroon!

'Kijk toch eens wat een wonder dit is, de onvermijdelijke gang van de Tijd; dat wat een schoen is wil boven op het hoofd kruipen dat gesierd is met een kroon! (Vedabase)

 

Tekst 25

Deze Vrishni's die door huwelijksbanden met ons zijn verbonden, delen onze bedden, zetels en maaltijden met ons. We gingen met ze om op voet van gelijkheid en ze kregen van ons hun tronen.

Dezen hier de Vrishni's in het huwelijk verbonden, onze bedden, zetels en maaltijden delend, werden door ons verheven tot gelijkheid en kregen van ons hun tronen. (Vedabase)

  

Tekst 26

Omdat wij een andere kant op keken, konden zij de yakstaartenwaaier, de schelphoorn, de witte parasol, de kroon, de troon en het koninklijk bed genieten [vergelijk 10.60: 10-20].

Omdat wij een andere kant op keken konden zij het stel yakstaarten-waaiers, de schelphoorn, de witte parasol, de kroon, de troon en het koninklijk bed genieten [vergelijk: 10.60: 10-20]. (Vedabase)

 

 Tekst 27

Het moet de Yadu's niet langer toegestaan worden de goddelijke eretekenen der koningen te dragen. Die eretekenen werken voor de gever [die wij zijn] zo nadelig als het geven van nectar aan een slang! De Yadu's die nu de bevelen uitdelen, wisten bij onze genade te gedijen. Ze hebben alle schaamte verloren!

Het is wel welletjes met de eretekenen der goden onder de mensen toebedeeld aan de Yadu's; die tekenen die voor de gever [die wij zijn] zo nadelig uitwerken als het geven van nectar aan een slang; de Yadu's die konden gedijen bij onze genade, hebben nu het commando nemend alle schaamte verloren. (Vedabase)

 

 Tekst 28

Hoe zou zelfs ook maar Indra het wagen zich dat toe te eigenen wat hem niet verleend is door Bhîshma, Drona, Arjuna of de andere Kuru's? Het is als een schaap die de buit van een leeuw opeist!'

Hoe zou zelfs ook maar Indra zich dat toeëigenen wat niet is verstrekt door Bhîshma, Drona, Arjuna of de andere Kuru's: het is als een schaap die de buit van een leeuw opeist!' (Vedabase)

 

 Tekst 29

De zoon van Vyâsa zei: 'O beste onder de Bharata's, de laag-bij-de-grondse kerels die, verkerend onder de invloed van hun geboorte, relaties en de weelde die hen groot had gemaakt, aldus zich van deze barse woorden bedienden tegen Balarâma, gingen vervolgens hun stad in.

De zoon van Vyâsa zei: 'Zij die in hun arrogantie over de geboorte, relaties en de volheden die hen groot gemaakt hadden, o beste onder de Bharata's, als lompe kerels met barse woorden dit aan Râma duidelijk maakten, verdwenen de stad in. (Vedabase)

 

 Tekst 30

Geplaatst voor het slechte karakter van de Kuru's en hun onwelvoeglijke woorden horend, werd de Onfeilbare Heer kwaad en zei toen, bij herhaling in de lach schietend en zonder Zich mooi voor te doen:

Geplaatst voor het slechte karakter van de Kuru's en horend van hun onwelvoeglijke woorden zei de Onfeilbare Heer in woede verzet, bij herhaling in de lach schietend en zonder Zich mooi voor te doen: (Vedabase)

 

 Tekst 31

'Gezien de grote bek die deze arrogante, onoprechte lieden hebben met hun verschillende hartstochten, zijn ze duidelijk niet uit op vrede. Ze moeten blijkbaar middels een lijfstraf de les gelezen krijgen, zoals dieren die met een stok moeten worden geslagen!

'Overduidelijk met uiteenlopende hartstochten van een grote bek zijnd moeten deze onoprechte lieden, inderdaad niet de vrede verlangend, middels een lijfstraf de les gelezen krijgen zoals dieren die met een stok moeten worden geslagen! (Vedabase)

 

 Tekst 32-33

O, vrede zoekend met deze mensen, kwam Ik naar hier, nadat Ik met beleid de Yadu's die kookten van de woede, alsook Krishna die boos was, tot bedaren had gebracht. Diezelfde lieden, verdwaasd van geest verslaafd aan gekissebis, wagen het vol van verbeelding, slecht als ze zijn in hun minachting voor Hem - voor Mij dus -, om zich te bedienen van barse bewoordingen!!

O, voor dezen de vrede verlangend kwam Ik naar hier, na met beleid de Yadu's die kookten van de woede als ook Krishna die boos was tot bedaren te hebben gebracht; en diezelfde lieden, verdwaasd van geest verslaafd aan gekissebis, wagen, slecht zijnde met minachting voor Hem - Mijzelf, het ingebeeld te houden op het gebruik van barse bewoordingen!! (Vedabase)

 

Tekst 34

En Ugrasena zou geheel ongeschikt zijn leiding te geven aan de Bhoja's, de Vrishni's en de Andhaka's, terwijl S'akra ['de machtige' ofwel Indra] en andere heersers zijn bevelen opvolgen??

En Ugrasena zou op geen enkele manier geschikt zijn leiding te geven aan de Bhoja's, de Vrishni's en de Andhaka's, terwijl S'akra ['de machtige' ofwel Indra] en andere heersers zijn bevelen opvolgen!!! (Vedabase)

 

Tekst 35

En Hij [Krishna], gezeten in Sudharmâ [de hemelse raadszaal], dankzij wie de hemelse pârijâta-boom wordt genoten die vanuit het bereik der onsterfelijken naar beneden werd gebracht  [zie 10.59: 38-39], zelfs Hij zou niet een verheven zitplaats verdienen???

En Hij [Krishna], gezeten in Sudharmâ [de hemelse raadszaal], van wie de hemelse pârijâta boom die van de onsterfelijken naar beneden werd gebracht wordt genoten [zie 10.59: 38-39], die Zelfde Persoon zou niet eens in aanmerking komen voor een hoge zetel??? (Vedabase)

 

Tekst 36

Hij, de Heerser over het Volkomen Geheel, wiens twee voeten door de Godin van het Geluk zelf worden aanbeden, Hij, waarlijk de Heer van S'rî, zou niet eens dat wat bij een mensenkoning hoort waard zijn?!?!

Hij, de Heerser over het Volledige, wiens twee voeten door de godin van het geluk zelf worden aanbeden; Hij, waarlijk de Heer van S'rî, zou het toebehoren van een mensenkoning niet verdienen?!?! (Vedabase)

 

Tekst 37

Hij van wiens lotusvoeten al de hooggeplaatste heersers van de wereld het stof op hun helmen houden, de voeten die de plaats van aanbidding vormen van al de heilige plaatsen en van wie Brahmâ, S'iva en ook Ik, naast de godin, als gedeelten van een deel, eveneens constant met zorg het stof dragen... waar zou Zijn koningstroon staan?????!

Hij van wie al de hooggeplaatste heersers van de wereld op hun helmen het stof van Zijn lotusgelijke voeten houden; de plaats van aanbidding van al de heilige plaatsen van wie Brahmâ, S'iva en ook Ik naast de godin, als delen van een deel, eveneens voortdurend met zorg het stof dragen; waar zou Zijn koninklijke troon staan?????! (Vedabase)

 

Tekst 38

De Vrishni's mogen genieten van ieder klein stukje grond dat hen gegund wordt door de Kuru's en...Wij zouden zogenaamd de schoenen wezen, terwijl de Kuru's het hoofd zijn?!!!?

De Vrishni's, die genieten een beperkt stukkie grond zoals toegestaan door de Kuru's en Wij, wijzelf, als de schoenen zogezegd, dat zouden wij dan zijn - maar de Kuru's zouden het hoofd zijn?!!!? (Vedabase)

 

Tekst 39

Ah, die trotse gekken beneveld door hun heerschappij van schone schijn..., welke man van gezag kan nu hun onsamenhangende, ellendige geleuter verdragen?

Ah, die trotse gekken beneveld door hun heerschappij van schone schijn, welke man van gezag kan nu hun onsamenhangende, ellendige geleuter verdragen? (Vedabase)

 

Tekst 40

Vandaag nog zal Ik de aarde bevrijden van de Kaurava's!', en aldus zich kwaad uitsprekend nam Hij Zijn ploeg ter hand en rees op als wou Hij de drie werelden verzengen.

Vandaag nog zal Ik de aarde bevrijden van de Kaurava's, en aldus in woede ontstoken Zijn ploeg ter hand nemend rees Hij op als zou Hij de drie werelden verzengen.' (Vedabase)

 

Tekst 41

Met de punt van Zijn ploeg trok Hij woedend de stad Hastinâpura naar boven en sleurde haar mee met de bedoeling haar in de Ganges te werpen.

Met de punt van Zijn ploeg trok Hij woedend de stad Hastinâpura naar Zich toe en sleurde die mee met de bedoeling hem in de Ganges te werpen. (Vedabase)

 

Tekst 42-43

Toen de Kaurava's zagen hoe de stad die in de Ganges dreigde te belanden, terwijl ze werd meegesleept heen en weer schudde als een vlot, raakten ze in paniek en zochten ze, om hun leven te redden, samen met hun families hun heil bij de Meester. Onder leiding van Lakshmanâ en Sâmba vouwden ze daarbij hun handen:

Toen de Kaurava's zagen hoe de stad die in de Ganges dreigde te belanden, voortgesleept heen en weer schudde als een vlot, raakten ze in paniek en zochten ze, om in leven te blijven, met hun families hun heil bij de Meester, waarbij ze Lakshmanâ en Sâmba met gevouwen handen voorop plaatsten: (Vedabase)

 

Tekst 44

'Râma, o Balarâma, o Grondvesting van Alles [Akhilâdhâra], wij, de verdwaasden die slecht van begrip geen weet hebben van Uw Majesteit, smeken U ons onze overtreding te vergeven.

'Râma, o Râma, o Grondvesting van Alles [Akhilâdhâra], wij de doldwazen, slecht van begrip niet wetend van Uw Majesteit - ons moet de overtreding worden vergeven. (Vedabase)

 

Tekst 45

Van het opwekken, het voortduren en het weer herenigen [van het universum] bent U alleen de unieke, oorspronkelijke oorzaak. O Heer, men zegt dat de werelden het speelgoed zijn waarmee U speelt.

Van de voortzetting, het opwekken en weer herenigen bent U alleen de oorzaak zonder een andere; de werelden zijn overeenkomstig, zo zegt men, het speelgoed waarmee U speelt, o Hemelse Heer. (Vedabase)

 

Tekst 46

U alleen o Onbegrensde, draagt de aardbol speels op Uw hoofd o Duizendkoppige [zie ook 5.25] en als de schepping ten einde komt, trekt U, de Ene Zonder Zijn Gelijke, het universum terug in Uw lichaam, blijft dan alleen en gaat liggen [zie ook 6.16: 29-64].

U alleen, o Onbegrensde, draagt speels op Uw hoofd de aardbol, o Duizendkoppige [zie ook 5.25] en op het eind bent U degene die, als U in Uw eigen lichaam het universum heeft terug getrokken, neerligt om de Enkele en Unieke Ene te blijven [zie ook 6.16: 29-64]. (Vedabase)

 

Tekst 47

Uw woede is er voor iedereen om van te leren o Bhagavân, Instandhouder van de Geaardheid Goedheid. Die is er niet uit hatelijkheid of afgunst maar is er voor het doel van de handhaving en bescherming van het levende wezen.

De woede van U bedoeld voor het onderricht van iedereen, o Bhagavân, Instandhouder van de Geaardheid Goedheid, bent er niet uit hatelijkheid of afgunst maar er voor het doel van de continuïteit en bescherming van het levende wezen. (Vedabase)

 

Tekst 48

Wij buigen ons voor U o Ziel van Alle Wezens, o Drager van [de symbolen van] Alle Energieën, o Onuitputtelijke en Maker van het Universum, onze eerbetuigingen voor U bij wie wij onze toevlucht zochten.'

Alle eer aan U, o Ziel van Alle Wezens, o Belichamer van Alle Energieën, o Onuitputtelijke, Maker van het Universum; laat er het eerbetoon zijn voor U tot wie wij kwamen voor onze toevlucht.' (Vedabase)

 

Tekst 49

S'rî S'uka zei: 'Heer Bala gunstig gestemd door de overgegeven zielen die in hoge nood verkeerden door het schudden van hun woonplaats, verloste hen toen tevreden van hun angst met de woorden: 'Wees maar niet bang.'

S'rî S'uka zei: 'Heer Bala aldus gunstig gestemd door de overgegevenen die in hoge nood verkeerden door het beven en schudden van hun woonplaats, verloste zeer kalm en gracieus zeggend 'Wees niet bang' hen van hun angst. (Vedabase)

 

Tekst 50-51

Als bruidsschat voor zijn dochter deed Duryodhana als liefdevolle vader een schenking van twaalfhonderd zestig jaar oude olifanten en honderdtwintigduizend paarden, zestigduizend gouden wagens gloeiend als de zon en duizend dienstmaagden met juwelen halskettingen om.

Als bruidsschat voor zijn dochter deed Duryodhana in vaderlijke genegenheid een schenking van twaalfhonderd zestig jaar oude olifanten en honderdentwintigduizend paarden, zestigduizend gouden wagens gloeiend als de zon en duizend dienstmaagden met juwelen hangers om hun nek. (Vedabase)

 

Tekst 52

De Allerhoogste Heer, de leider der Sâtvata's, aanvaardde dat alles en vertrok, uitgewuifd door Zijn weldoeners, toen samen met Zijn zoon en schoondochter.

De Allerhoogste Heer, de leider der Sâtvata's, aanvaardde dat en vertrok uitgewuifd door Zijn weldoeners met Zijn zoon en schoondochter. (Vedabase)

 

Tekst 53

Na in Zijn stad te zijn aangekomen en de verwanten te hebben ontmoet die Hem, de Hanteerder van de Ploeg, in hun harten droegen, bracht Hij temidden van de vergadering van de Yaduleiders verslag uit over alles wat zich had afgespeeld tussen Hem en de Kuru's.

Nadat Hij in Zijn stad was teruggekeerd en Hij de verwanten had ontmoet die Hem, de Hanteerder van de Ploeg, in hun harten hadden gesloten, verhaalde Hij temidden van de vergadering van de Yaduleiders over alles wat zich had afgespeeld tussen Hem en de Kuru's. (Vedabase)

 

Tekst 54

En werkelijk, zelfs vandaag nog vertoont deze stad de tekenen van Balarâma's macht. Dat kan men zien bij de Ganges waar ze opvallend omhoogsteekt naar het zuiden.'

En waarlijk, zelfs vandaag nog toont deze stad, laag bij de Ganges gezien en naar het zuiden hoog omhoogstekend, de tekenen van Râma's kunnen. (Vedabase)

 

 

 

 

 

 

 Creative Commons License
De tekst en de audio worden aangeboden onder de
Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License
.
De eerste afbeelding stelt Balarâma voor met de ploeg over Zijn schouder. Bron onbekend.
De tweede afbeelding is getiteld: Balarama pulling Hastinapur toward the Ganges.
Page from a Bhagavata Dasamskanda series. Mid 17th century. Bron: Brooklyn Museum.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd.


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties