regelbalk

   

Krishna Tava

  

 

Canto 10

 

Hoofdstuk 68

 

Het Huwelijk van Sâmba en de Kuru Stad Gesleept Bevend voor Zijn Woede

(1) S'rî S'uka zei: 'O Koning, de dochter van Duryodhana genaamd Lakshmanâ werd door Sâmba ['met de moeder'], de zoon van Jâmbavatî altijd zegevierend in de strijd, ontvoerd bij haar svayamvara. (2) De Kaurava's zeiden woedend: 'Wat een wangedrag van deze jongen ons zo te beledigen met het met geweld tegen haar wil meevoeren van de maagd. (3) Houdt hem aan die zo ongedisciplineerd is; wat kunnen de Vrishni's nu uitrichten die door onze genade het land kregen om van te genieten? (4) Als zij, er achter komend dat hun zoon ingerekend is, hier naartoe komen, zullen de Vrishni's, gebroken in hun trots de vrede vinden zoals de zinnen het zullen naar behoren onder controle gebracht.'

(5) Dit gezegd hebbende gingen Karna, S'ala, Bhûri, Yajñaketu [of Bhuris'ravâ] en Duryodhana, met de toestemming van de Kuru-oudste [Bhîshma], eropuit om met Sâmba de strijd aan te binden. (6) De grote strijder Sâmba toen hij de volgelingen van Dhritarâshthra op zich af zag snellen, nam zijn schitterende boog ter hand en stond in zijn eentje zijn mannetje als was hij een leeuw. (7) Vastbesloten hem gevangen te nemen zeiden ze, met Karna aan het hoofd, vol van woede: 'Halt jij, blijf staan en vecht!', waarop de boogschutters, zich voor hem opstellend, hem bestookten met pijlen. (8) Hij, de zoon van de Yadu's, o beste der Kuru's, onrechtmatig [met zijn allen] aangevallen door de Kuru's, kon als een kind van de Ondoorgrondelijke [Krishna] dat net zo min toelaten als een leeuw het zou tolereren van lagere dieren. (9-10) Schietend met Zijn wonderschone boog doorboorde de held helemaal in zijn eentje, tegelijkertijd, ieder van de zes van Karna en hun strijdwagens met evenzovele pijlen: met vier pijlen voor ieder span van vier paarden en met één pijl voor zijn menner en zijn krijgsheer ieder; en voor dat feit werd hij door de grote boogschutters geëerd. (11) Met vier van hen uit op zijn paarden, één bedacht op zijn wagenmenner en één die zijn boog spleet, dreven ze hem uit zijn strijdwagen. (12) Toen ze eenmaal in de strijd de jonge jongen uit zijn wagen hadden, bonden de Kuru's hem vast en gingen ze, met hun meisje, zegevierend hun stad binnen.

(13) Naar de woorden van Nârada Muni [hen daarover inlichtend], o Koning, wierp [bij de Yadu's] zich de woede op jegens de Kuru's [zie ook 10.49: 27] en bereidden ze zich, er door Ugrasena toe aangezet, op voor te gaan vechten. (14-15) Maar Râma, Hij die de besmetting van het Tijdperk van de Redetwist [Kali-yuga] wegneemt, liever geen onderlinge strijd zien ontstaand tussen de Vrishni's en de Kuru's, bewoog de Vrishni helden tot kalmte en ging met Zijn strijdwagen die straalde als de zon naar Hastinâpura toe, omringd door de brahmanen en de ouderen van de familie als was hij de maan met de zeven planeten [toentertijd bekend, zie ook 5.22]. (16) In Hastinâpura aangekomen bleef Râma buiten in een park en stuurde Hij Uddhava eropuit om uit te zoeken wat Dhritarâshthra voor had. (17) Hij, met het betonen van zijn respect voor de zoon van Ambikâ [Dhritarâshthra], Bhîshma en Drona, Bâhlika en Duryodhana, bracht hen ervan op de hoogte dat Râma was aangekomen. (18) Zij, buitengewoon verheugd te horen dat Hij, Balarâma, hun Innigste Vriend was gearriveerd, gingen allen, na hem het verschuldigde respect te hebben betoond, er op af met zegenrijke offergaven in hun handen. (19) Naar Balarâma toe gegaan presenteerden ze zoals dat hoorde koeien en water om Hem te verwelkomen en bogen zij die op de hoogte waren van Zijn macht hun hoofden diep. (20) Bij elkaar nagaand om te horen of hun verwanten allemaal goed en gezond waren sprak Râma daarop recht uit het hart de woorden: (21) 'Met onverdeelde aandacht vernemend wat onze meester Ugrasena, de heerser der heersers van de aarde, van u heeft gevraagd, moeten jullie dat onverwijld naleven: (22) Jullie in strijd met de regels met z'n allen verslaan en knevelen van slechts één enkele man die zich wel aan de regels [der krijg] hield, kan Ik, onder verwanten de eenheid verlangend, nog wèl verdragen ... [maar ik wens het niet dat dat wordt voortgezet].'

(23) Baladeva's woorden aanhorend die passend voor Zijn macht geladen waren met Zijn vermogen, heldenmoed en kracht, gaven de Kaurava's kwaad geworden ten antwoord: (24) 'Kijk toch eens wat een wonder dit is, de onvermijdelijke gang van de Tijd; dat wat een schoen is wil boven op het hoofd kruipen dat gesierd is met een kroon! (25) Dezen hier de Vrishni's in het huwelijk verbonden, onze bedden, zetels en maaltijden delend, werden door ons verheven tot gelijkheid en kregen van ons hun tronen. (26) Omdat wij een andere kant op keken konden zij het stel yakstaarten-waaiers, de schelphoorn, de witte parasol, de kroon, de troon en het koninklijk bed genieten [vergelijk: 10.60: 10-20]. (27) Het is wel welletjes met de eretekenen der goden onder de mensen toebedeeld aan de Yadu's; die tekenen die voor de gever [die wij zijn] zo nadelig uitwerken als het geven van nectar aan een slang; de Yadu's die konden gedijen bij onze genade, hebben nu het commando nemend alle schaamte verloren. (28) Hoe zou zelfs ook maar Indra zich dat toeëigenen wat niet is verstrekt door Bhîshma, Drona, Arjuna of de andere Kuru's: het is als een schaap die de buit van een leeuw opeist!'

(29) De zoon van Vyâsa zei: 'Zij die in hun arrogantie over de geboorte, relaties en de volheden die hen groot gemaakt hadden, o beste onder de Bharata's, als lompe kerels met barse woorden dit aan Râma duidelijk maakten, verdwenen de stad in. (30) Geplaatst voor het slechte karakter van de Kuru's en horend van hun onwelvoeglijke woorden zei de Onfeilbare Heer in woede verzet, bij herhaling in de lach schietend en zonder Zich mooi voor te doen: (31) 'Overduidelijk met uiteenlopende hartstochten van een grote bek zijnd moeten deze onoprechte lieden, inderdaad niet de vrede verlangend, middels een lijfstraf de les gelezen krijgen zoals dieren die met een stok moeten worden geslagen! (32-33) O, voor dezen de vrede verlangend kwam Ik naar hier, na met beleid de Yadu's die kookten van de woede als ook Krishna die boos was tot bedaren te hebben gebracht; en diezelfde lieden, verdwaasd van geest verslaafd aan gekissebis, wagen, slecht zijnde met minachting voor Hem - Mijzelf, het ingebeeld te houden op het gebruik van barse bewoordingen!! (34) En Ugrasena zou op geen enkele manier geschikt zijn leiding te geven aan de Bhoja's, de Vrishni's en de Andhaka's, terwijl S'akra ['de machtige' ofwel Indra] en andere heersers zijn bevelen opvolgen!!! (35) En Hij [Krishna], gezeten in Sudharmâ [de hemelse raadszaal], van wie de hemelse pârijâta boom die van de onsterfelijken naar beneden werd gebracht wordt genoten [zie 10.59: 38-39], die Zelfde Persoon zou niet eens in aanmerking komen voor een hoge zetel??? (36) Hij, de Heerser over het Volledige, wiens twee voeten door de godin van het geluk zelf worden aanbeden; Hij, waarlijk de Heer van S'rî, zou het toebehoren van een mensenkoning niet verdienen?!?! (37) Hij van wie al de hooggeplaatste heersers van de wereld op hun helmen het stof van Zijn lotusgelijke voeten houden; de plaats van aanbidding van al de heilige plaatsen van wie Brahmâ, S'iva en ook Ik naast de godin, als delen van een deel, eveneens voortdurend met zorg het stof dragen; waar zou Zijn koninklijke troon staan?????! (38) De Vrishni's, die genieten een beperkt stukkie grond zoals toegestaan door de Kuru's en Wij, wijzelf, als de schoenen zogezegd, dat zouden wij dan zijn - maar de Kuru's zouden het hoofd zijn?!!!? (39) Ah, die trotse gekken beneveld door hun heerschappij van schone schijn, welke man van gezag kan nu hun onsamenhangende, ellendige geleuter verdragen? (40) Vandaag nog zal Ik de aarde bevrijden van de Kaurava's, en aldus in woede ontstoken Zijn ploeg ter hand nemend rees Hij op als zou Hij de drie werelden verzengen.'

(41) Met de punt van Zijn ploeg trok Hij woedend de stad Hastinâpura naar Zich toe en sleurde die mee met de bedoeling hem in de Ganges te werpen. (42-43) Toen de Kaurava's zagen hoe de stad die in de Ganges dreigde te belanden, voortgesleept heen en weer schudde als een vlot, raakten ze in paniek en zochten ze, om in leven te blijven, met hun families hun heil bij de Meester, waarbij ze Lakshmanâ en Sâmba met gevouwen handen voorop plaatsten: (44) 'Râma, o Râma, o Grondvesting van Alles [Akhilâdhâra], wij de doldwazen, slecht van begrip niet wetend van Uw Majesteit - ons moet de overtreding worden vergeven. (45) Van de voortzetting, het opwekken en weer herenigen bent U alleen de oorzaak zonder een andere; de werelden zijn overeenkomstig, zo zegt men, het speelgoed waarmee U speelt, o Hemelse Heer. (46) U alleen, o Onbegrensde, draagt speels op Uw hoofd de aardbol, o Duizendkoppige [zie ook 5.25] en op het eind bent U degene die, als U in Uw eigen lichaam het universum heeft terug getrokken, neerligt om de Enkele en Unieke Ene te blijven [zie ook 6.16: 29-64]. (47) De woede van U bedoeld voor het onderricht van iedereen, o Bhagavân, Instandhouder van de Geaardheid Goedheid, bent er niet uit hatelijkheid of afgunst maar er voor het doel van de continuïteit en bescherming van het levende wezen. (48) Alle eer aan U, o Ziel van Alle Wezens, o Belichamer van Alle Energieën, o Onuitputtelijke, Maker van het Universum; laat er het eerbetoon zijn voor U tot wie wij kwamen voor onze toevlucht.'

(49) S'rî S'uka zei: 'Heer Bala aldus gunstig gestemd door de overgegevenen die in hoge nood verkeerden door het beven en schudden van hun woonplaats, verloste zeer kalm en gracieus zeggend 'Wees niet bang' hen van hun angst. (50-51) Als bruidsschat voor zijn dochter deed Duryodhana in vaderlijke genegenheid een schenking van twaalfhonderd zestig jaar oude olifanten en honderdentwintigduizend paarden, zestigduizend gouden wagens gloeiend als de zon en duizend dienstmaagden met juwelen hangers om hun nek. (52) De Allerhoogste Heer, de leider der Sâtvata's, aanvaardde dat en vertrok uitgewuifd door Zijn weldoeners met Zijn zoon en schoondochter. (53) Toen, nadat Hij Zijn stad was binnengegaan en de verwanten had ontmoet die in hun harten met Hem, de Hanteerder van de Ploeg, verbonden waren, verhaalde Hij temidden van de vergadering van de Yaduleiders over alles wat Hij met de Kuru's in gang had gezet. (54) En waarlijk, zelfs vandaag nog toont deze stad, laag bij de Ganges gezien en naar het zuiden hoog omhoogstekend, de tekenen van Râma's kunnen.

 

next        

 
 

 

 

Bronteksten (geen voorgaande versie in het Nederlands beschikbaar):

The Marriage of Sâmba

 

Tekst 1

S'rî S'uka zei: 'O Koning, de dochter van Duryodhana genaamd Lakshmanâ werd door Sâmba ['met de moeder'], de zoon van Jâmbavatî altijd zegevierend in de strijd, ontvoerd bij haar svayamvara.

S'ukadeva Gosvâmî said: O King, Jâmbavatî's son Sâmba, ever victorious in battle, kidnapped Duryodhana's daughter Lakshmanâ from her svayam-vara ceremony.

 

Tekst 2

De Kaurava's zeiden woedend: 'Wat een wangedrag van deze jongen ons zo te beledigen met het met geweld tegen haar wil meevoeren van de maagd.

The angry Kurus said: This ill-behaved boy has offended us, forcibly kidnapping our unmarried daughter against her will.

 

Tekst 3

Houdt hem aan die zo ongedisciplineerd is; wat kunnen de Vrishni's nu uitrichten die door onze genade het land kregen om van te genieten?

Arrest this ill-behaved Sâmba! What will the Vrishnis do? By our grace they are ruling land that we have granted them.

  

Tekst 4

Als zij, er achter komend dat hun zoon ingerekend is, hier naartoe komen, zullen de Vrishni's, gebroken in hun trots de vrede vinden zoals de zinnen het zullen naar behoren onder controle gebracht.'

If the Vrishnis come here when they learn that their son has been captured, we will break their pride. Thus they'll become subdued, like bodily senses brought under strict control.

 

Tekst 5:

Dit gezegd hebbende gingen Karna, S'ala, Bhûri, Yajñaketu [of Bhuris'ravâ] en Duryodhana, met de toestemming van de Kuru-oudste [Bhîshma], eropuit om met Sâmba de strijd aan te binden.

After saying this and having their plan sanctioned by the senior member of the Kuru dynasty, Karna, S'ala, Bhûri, Yajñaketu and Suyodhana set out to attack Sâmba.

 

Tekst 6:

De grote strijder Sâmba toen hij de volgelingen van Dhritarâshthra op zich af zag snellen, nam zijn schitterende boog ter hand en stond in zijn eentje zijn mannetje als was hij een leeuw.

Seeing Duryodhana and his companions rushing toward him, Sâmba, the great chariot-fighter, took up his splendid bow and stood alone like a lion.

 

Tekst 7:

Vastbesloten hem gevangen te nemen zeiden ze, met Karna aan het hoofd, vol van woede: 'Halt jij, blijf staan en vecht!', waarop de boogschutters, zich voor hem opstellend, hem bestookten met pijlen.

Determined to capture him, the angry bowmen led by Karna shouted at Sâmba, 'Stand and fight! Stand and fight!' They came straight for him and showered him with arrows.

    

Tekst 8:

Hij, de zoon van de Yadu's, o beste der Kuru's, onrechtmatig [met zijn allen] aangevallen door de Kuru's, kon als een kind van de Ondoorgrondelijke [Krishna] dat net zo min toelaten als een leeuw het zou tolereren van lagere dieren.

O best of the Kurus, as Krishna's son Sâmba was being unjustly harassed by the Kurus, that darling of the Yadu dynasty did not tolerate their attack, any more than a lion would tolerate an attack by puny animals.

 

Tekst 9-10:

Schietend met Zijn wonderschone boog doorboorde de held helemaal in zijn eentje, tegelijkertijd, ieder van de zes van Karna en hun strijdwagens met evenzovele pijlen: met vier pijlen voor ieder span van vier paarden en met één pijl voor zijn menner en zijn krijgsheer ieder; en voor dat feit werd hij door de grote boogschutters geëerd.

Twanging his wonderful bow, heroic Sâmba struck with arrows the six warriors headed by Karna. He pierced the six chariots with as many arrows, each team of four horses with four arrows, and each chariot driver with a single arrow, and he similarly struck the great bowmen who commanded the chariots. The enemy warriors congratulated Sâmba for this display of prowess.

  

Tekst 11:

Met vier van hen uit op zijn paarden, één bedacht op zijn wagenmenner en één die zijn boog spleet, dreven ze hem uit zijn strijdwagen.

But they forced him down from his chariot, and thereupon four of them struck his four horses, one of them struck down his chariot driver, and another broke his bow.

 

Tekst 12:

Toen ze eenmaal in de strijd de jonge jongen uit zijn wagen hadden, bonden de Kuru's hem vast en gingen ze, met hun meisje, zegevierend hun stad binnen.

Having deprived Sâmba of his chariot during the fight, the Kuru warriors tied him up with great difficulty and then returned victorious to their city, taking the young boy and their princess.

 

Tekst 13:

Naar de woorden van Nârada Muni [hen daarover inlichtend], o Koning, wierp [bij de Yadu's] zich de woede op jegens de Kuru's [zie ook 10.49: 27] en bereidden ze zich, er door Ugrasena toe aangezet, op voor te gaan vechten.

O King, when the Yâdavas heard news of this from S'rî Nârada, they became angry. Urged on by King Ugrasena, they prepared for war against the Kurus.

  

Tekst 14-15:

Maar Râma, Hij die de besmetting van het Tijdperk van de Redetwist [Kali-yuga] wegneemt, liever geen onderlinge strijd zien ontstaand tussen de Vrishni's en de Kuru's, bewoog de Vrishni helden tot kalmte en ging met Zijn strijdwagen die straalde als de zon naar Hastinâpura toe, omringd door de brahmanen en de ouderen van de familie als was hij de maan met de zeven planeten [toentertijd bekend, zie ook 5.22].

Lord Balarâma, however, cooled the tempers of the Vrishni heroes, who had already put on their armor. He who purifies the age of quarrel did not want a quarrel between the Kurus and Vrishnis. Thus, accompanied by brâhmanas and family elders, He went to Hastinâpura on His chariot, which was as effulgent as the sun. As He went, He appeared like the moon surrounded by the ruling planets.

    

Tekst 16

In Hastinâpura aangekomen bleef Râma buiten in een park en stuurde Hij Uddhava eropuit om uit te zoeken wat Dhritarâshthra voor had.

Upon arriving at Hastinâpura, Lord Balarâma remained in a garden outside the city and sent Uddhava ahead to probe King Dhritarâshthra's intentions.

 

Tekst 17

Hij, met het betonen van zijn respect voor de zoon van Ambikâ [Dhritarâshthra], Bhîshma en Drona, Bâhlika en Duryodhana, bracht hen ervan op de hoogte dat Râma was aangekomen.

After he had offered proper respects to the son of Ambikâ [Dhritarâshthra] and to Bhîshma, Drona, Bâhlika and Duryodhana, Uddhava informed them that Lord Balarâma had arrived.

 

Tekst 18

Zij, buitengewoon verheugd te horen dat Hij, Balarâma, hun Innigste Vriend was gearriveerd, gingen allen, na hem het verschuldigde respect te hebben betoond, er op af met zegenrijke offergaven in hun handen.

Overjoyed to hear that Balarâma, their dearmost friend, had come, they first honored Uddhava and then went forth to meet the Lord, carrying auspicious offerings in their hands.

  

Tekst 19

Naar Balarâma toe gegaan presenteerden ze zoals dat hoorde koeien en water om Hem te verwelkomen en bogen zij die op de hoogte waren van Zijn macht hun hoofden diep.

They approached Lord Balarâma and worshiped Him with gifts of cows and arghya, as was fitting. Those among the Kurus who understood His true power bowed down to Him, touching their heads to the ground.

 

Tekst 20

Bij elkaar nagaand om te horen of hun verwanten allemaal goed en gezond waren sprak Râma daarop recht uit het hart de woorden:

After both parties had heard that their relatives were doing well and both had inquired into each other's welfare and health, Lord Balarâma forthrightly spoke to the Kurus as follows.

 

Tekst 21

'Met onverdeelde aandacht vernemend wat onze meester Ugrasena, de heerser der heersers van de aarde, van u heeft gevraagd, moeten jullie dat onverwijld naleven:

[Lord Balarâma said:] King Ugrasena is our master and the ruler of kings. With undivided attention you should hear what he has ordered you to do, and then you should do it at once.

  

 Tekst 22

Jullie in strijd met de regels met z'n allen verslaan en knevelen van slechts één enkele man die zich wel aan de regels [der krijg] hield, kan Ik, onder verwanten de eenheid verlangend, nog wèl verdragen ... [maar ik wens het niet dat dat wordt voortgezet].'

[King Ugrasena has said:] Even though by irreligious means several of you defeated a single opponent who follows the religious codes, still I am tolerating this for the sake of unity among family members.

 

 Tekst 23

Baladeva's woorden aanhorend die passend voor Zijn macht geladen waren met Zijn vermogen, heldenmoed en kracht, gaven de Kaurava's kwaad geworden ten antwoord:

Upon hearing these words of Lord Baladeva's, which were full of potency, courage and strength and were appropriate to His transcendental power, the Kauravas became furious and spoke as follows.

 

 Tekst 24

'Kijk toch eens wat een wonder dit is, de onvermijdelijke gang van de Tijd; dat wat een schoen is wil boven op het hoofd kruipen dat gesierd is met een kroon!

[The Kuru nobles said:] Oh, how amazing this is! The force of time is indeed insurmountable: a lowly shoe now wants to climb on the head that bears the royal crown.

 

Tekst 25

Dezen hier de Vrishni's in het huwelijk verbonden, onze bedden, zetels en maaltijden delend, werden door ons verheven tot gelijkheid en kregen van ons hun tronen.

It is because these Vrishnis are bound to us by marital ties that we have granted them equality, allowing them to share our beds, seats and meals. Indeed, it is we who have given them their royal thrones.

  

Tekst 26

Omdat wij een andere kant op keken konden zij het stel yakstaarten-waaiers, de schelphoorn, de witte parasol, de kroon, de troon en het koninklijk bed genieten [vergelijk: 10.60: 10-20].

Only because we looked the other way could they enjoy the pair of yak-tail fans and the conchshell, white umbrella, throne, and royal bed.

 

 Tekst 27

Het is wel welletjes met de eretekenen der goden onder de mensen toebedeeld aan de Yadu's; die tekenen die voor de gever [die wij zijn] zo nadelig uitwerken als het geven van nectar aan een slang; de Yadu's die konden gedijen bij onze genade, hebben nu het commando nemend alle schaamte verloren.

No longer should the Yadus be allowed to use these royal symbols, which now cause trouble for those who gave them, like milk fed to poisonous snakes. Having prospered by our grace, these Yâdavas have now lost all shame and are daring to command us!

 

 Tekst 28

Hoe zou zelfs ook maar Indra zich dat toeëigenen wat niet is verstrekt door Bhîshma, Drona, Arjuna of de andere Kuru's: het is als een schaap die de buit van een leeuw opeist!'

How would even Indra dare usurp anything that Bhîshma, Drona, Arjuna or the other Kurus have not given him? It would be like a lamb claiming the lion's kill.

 

 Tekst 29

De zoon van Vyâsa zei: 'Zij die in hun arrogantie over de geboorte, relaties en de volheden die hen groot gemaakt hadden, o beste onder de Bharata's, als lompe kerels met barse woorden dit aan Râma duidelijk maakten, verdwenen de stad in.

S'rî Bâdarâyani said: O best of the Bhâratas, after the arrogant Kurus, thoroughly puffed up by the opulence of their high birth and relations, had spoken these harsh words to Lord Balarâma, they turned and went back to their city.

 

 Tekst 30

Geplaatst voor het slechte karakter van de Kuru's en horend van hun onwelvoeglijke woorden zei de Onfeilbare Heer in woede verzet, bij herhaling in de lach schietend en zonder Zich mooi voor te doen:

Seeing the bad character of the Kurus and hearing their nasty words, the infallible Lord Balarâma became filled with rage. His countenance frightful to behold, He laughed repeatedly and spoke as follows.

 

 Tekst 31

'Overduidelijk met uiteenlopende hartstochten van een grote bek zijnd moeten deze onoprechte lieden, inderdaad niet de vrede verlangend, middels een lijfstraf de les gelezen krijgen zoals dieren die met een stok moeten worden geslagen!

[Lord Balarâma said:] "Clearly the many passions of these scoundrels have made them so proud that they do not want peace. Then let them be pacified by physical punishment, as animals are with a stick.

 

 Tekst 32-33

O, voor dezen de vrede verlangend kwam Ik naar hier, na met beleid de Yadu's die kookten van de woede als ook Krishna die boos was tot bedaren te hebben gebracht; en diezelfde lieden, verdwaasd van geest verslaafd aan gekissebis, wagen, slecht zijnde met minachting voor Hem - Mijzelf, het ingebeeld te houden op het gebruik van barse bewoordingen!!

"Ah, only gradually was I able to calm the furious Yadus and Lord Krishna, who was also enraged. Desiring peace for these Kauravas, I came here. But they are so dull-headed, fond of quarrel and mischievous by nature that they have repeatedly disrespected Me. Out of conceit they dared to address Me with harsh words!

 

Tekst 34

En Ugrasena zou op geen enkele manier geschikt zijn leiding te geven aan de Bhoja's, de Vrishni's en de Andhaka's, terwijl S'akra ['de machtige' ofwel Indra] en andere heersers zijn bevelen opvolgen!!!

"King Ugrasena, the lord of the Bhojas, Vrishnis and Andhakas, is not fit to command, when Indra and other planetary rulers obey his orders?

 

Tekst 35

En Hij [Krishna], gezeten in Sudharmâ [de hemelse raadszaal], van wie de hemelse pârijâta boom die van de onsterfelijken naar beneden werd gebracht wordt genoten [zie 10.59: 38-39], die Zelfde Persoon zou niet eens in aanmerking komen voor een hoge zetel???

"That same Krishna who occupies the Sudharmâ assembly hall and for His enjoyment took the pârijâta tree from the immortal demigods - that very Krishna is indeed not fit to sit on a royal throne?

 

Tekst 36

Hij, de Heerser over het Volledige, wiens twee voeten door de godin van het geluk zelf worden aanbeden; Hij, waarlijk de Heer van S'rî, zou het toebehoren van een mensenkoning niet verdienen?!?!

"The goddess of fortune herself, ruler of the entire universe, worships His feet. And the master of the goddess of fortune does not deserve the paraphernalia of a mortal king?

 

Tekst 37

Hij van wie al de hooggeplaatste heersers van de wereld op hun helmen het stof van Zijn lotusgelijke voeten houden; de plaats van aanbidding van al de heilige plaatsen van wie Brahmâ, S'iva en ook Ik naast de godin, als delen van een deel, eveneens voortdurend met zorg het stof dragen; waar zou Zijn koninklijke troon staan?????!

"The dust of Krishna's lotus feet, which is the source of holiness for all places of pilgrimage, is worshiped by all the great demigods. The principal deities of all planets are engaged in His service, and they consider themselves most fortunate to take the dust of the lotus feet of Krishna on their crowns. Great demigods like Lord Brahmâ and Lord S'iva, and even the goddess of fortune and I, are simply parts of His spiritual identity, and we also carefully carry that dust on our heads. And still Krishna is not fit to use the royal insignia or even sit on the royal throne?

 

Tekst 38

De Vrishni's, die genieten een beperkt stukkie grond zoals toegestaan door de Kuru's en Wij, wijzelf, als de schoenen zogezegd, dat zouden wij dan zijn - maar de Kuru's zouden het hoofd zijn?!!!?

"We Vrishnis enjoy only whatever small parcel of land the Kurus allow us? And we are indeed shoes, whereas the Kurus are the head?

 

Tekst 39

Ah, die trotse gekken beneveld door hun heerschappij van schone schijn, welke man van gezag kan nu hun onsamenhangende, ellendige geleuter verdragen?

"Just see how these puffed-up Kurus are intoxicated with their so-called power, like ordinary drunken men! What actual ruler, with the power to command, would tolerate their foolish, nasty words?

 

Tekst 40

Vandaag nog zal Ik de aarde bevrijden van de Kaurava's, en aldus in woede ontstoken Zijn ploeg ter hand nemend rees Hij op als zou Hij de drie werelden verzengen.'

"Today I shall rid the earth of the Kauravas!" declared the furious Balarâma. Thus He took His plow weapon and rose up as if to set the three worlds ablaze.

 

Tekst 41

Met de punt van Zijn ploeg trok Hij woedend de stad Hastinâpura naar Zich toe en sleurde die mee met de bedoeling hem in de Ganges te werpen.

The Lord angrily dug up Hastinâpura with the tip of His plow and began to drag it, intending to cast the entire city into the Ganges.

 

Tekst 42-43

Toen de Kaurava's zagen hoe de stad die in de Ganges dreigde te belanden, voortgesleept heen en weer schudde als een vlot, raakten ze in paniek en zochten ze, om in leven te blijven, met hun families hun heil bij de Meester, waarbij ze Lakshmanâ en Sâmba met gevouwen handen voorop plaatsten:

Seeing that their city was tumbling about like a raft at sea as it was being dragged away, and that it was about to fall into the Ganges, the Kauravas became terrified. To save their lives they approached the Lord for shelter, taking their families with them. Placing Sâmba and Lakshmanâ in front, they joined their palms in supplication.

 

Tekst 44

'Râma, o Râma, o Grondvesting van Alles [Akhilâdhâra], wij de doldwazen, slecht van begrip niet wetend van Uw Majesteit - ons moet de overtreding worden vergeven.

[The Kauravas said:] O Râma, Râma, foundation of everything! We know nothing of Your power. Please excuse our offense, for we are ignorant and misguided.

 

Tekst 45

Van de voortzetting, het opwekken en weer herenigen bent U alleen de oorzaak zonder een andere; de werelden zijn overeenkomstig, zo zegt men, het speelgoed waarmee U speelt, o Hemelse Heer.

You alone cause the creation, maintenance and annihilation of the cosmos, and of You there is no prior cause. Indeed, O Lord, authorities say that the worlds are mere playthings for You as You perform Your pastimes.

 

Tekst 46

U alleen, o Onbegrensde, draagt speels op Uw hoofd de aardbol, o Duizendkoppige [zie ook 5.25] en op het eind bent U degene die, als U in Uw eigen lichaam het universum heeft terug getrokken, neerligt om de Enkele en Unieke Ene te blijven [zie ook 6.16: 29-64].

O unlimited one of a thousand heads, as Your pastime You carry this earthly globe upon one of Your heads. At the time of annihilation You withdraw the entire universe within Your body and, remaining all alone, lie down to rest.

 

Tekst 47

De woede van U bedoeld voor het onderricht van iedereen, o Bhagavân, Instandhouder van de Geaardheid Goedheid, bent er niet uit hatelijkheid of afgunst maar er voor het doel van de continuïteit en bescherming van het levende wezen.

Your anger is meant for instructing everyone; it is not a manifestation of hatred or envy. O Supreme Lord, You sustain the pure mode of goodness, and You become angry only to maintain and protect this world.

 

Tekst 48

Alle eer aan U, o Ziel van Alle Wezens, o Belichamer van Alle Energieën, o Onuitputtelijke, Maker van het Universum; laat er het eerbetoon zijn voor U tot wie wij kwamen voor onze toevlucht.'

We bow down to You, O Soul of all beings, O wielder of all potencies, O tireless maker of the universe! Offering You obeisances, we take shelter of You.

 

Tekst 49

S'rî S'uka zei: 'Heer Bala aldus gunstig gestemd door de overgegevenen die in hoge nood verkeerden door het beven en schudden van hun woonplaats, verloste zeer kalm en gracieus zeggend 'Wees niet bang' hen van hun angst.

S'ukadeva Gosvâmî said: Thus propitiated by the Kurus, whose city was trembling and who were surrendering to Him in great distress, Lord Balarâma became very calm and kindly disposed toward them. "Do not be afraid," He said, and took away their fear.

 

Tekst 50-51

Als bruidsschat voor zijn dochter deed Duryodhana in vaderlijke genegenheid een schenking van twaalfhonderd zestig jaar oude olifanten en honderdentwintigduizend paarden, zestigduizend gouden wagens gloeiend als de zon en duizend dienstmaagden met juwelen hangers om hun nek.

Duryodhana, being very affectionate to his daughter, gave as her dowry 1,200 sixty-year-old elephants, 120,000 horses, 6,000 golden chariots shining like the sun, and 1,000 maidservants with jeweled lockets on their necks.

 

Tekst 52

De Allerhoogste Heer, de leider der Sâtvata's, aanvaardde dat en vertrok uitgewuifd door Zijn weldoeners met Zijn zoon en schoondochter.

The Supreme Lord, chief of the Yâdavas, accepted all these gifts and then departed with His son and daughter-in-law as His well-wishers bid Him farewell.

 

Tekst 53

Toen, nadat Hij Zijn stad was binnengegaan en de verwanten had ontmoet die in hun harten met Hem, de Hanteerder van de Ploeg, verbonden waren, verhaalde Hij temidden van de vergadering van de Yaduleiders over alles wat Hij met de Kuru's in gang had gezet.

Then Lord Halâyudha entered His city [Dvârakâ] and met His relatives, whose hearts were all bound to him in loving attachment. In the assembly hall He reported to the Yadu leaders everything about His dealings with the Kurus.

 

Tekst 54

En waarlijk, zelfs vandaag nog toont deze stad, laag bij de Ganges gezien en naar het zuiden hoog omhoogstekend, de tekenen van Râma's kunnen.

Even today the city of Hastinâpura is visibly elevated on its southern side along the Ganges, thus showing the signs of Lord Balarâma's prowess.

 

 

 

 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties