regelbalk



 

 

Canto 10

Âjñâ Tahal

 

 


Hoofdstuk 74: De Râjasûya: Krishna Nummer Een en S'is'upâla Gedood

(1) S'rî S'uka zei: 'Koning Yudhishthhira, die aldus vernam over de dood van Jarâsandha en het machtsvertoon van de almachtige Krishna, was daar blij over en richtte zich tot Hem. (2) S'rî Yudhishthhira zei: 'Al de geestelijk leraren, de bewoners en de grote heersers die er zijn in de drie werelden, dragen de moeilijk te verwerven opdracht [van U] op hun hoofden. (3) Dat Uzelf, de Lotusogige Heer, instructies aanvaardt van bij de dag levende mensen [zoals wij] die denken dat ze heersers zijn, is o Allesdoordringende, een enorme schijnvertoning [van U die ons na zit te apen]. (4) Zoals dat met de bewegingen van de zon gaat, neemt met [Zijn] handelingen de macht van de Ene Zonder Zijns Gelijke, de Absolute Waarheid, de Superziel, niet af noch toe [zie B.G. 2: 40]. (5) O Mâdhava, de geperverteerde dierlijke mentaliteit van onderscheid maken tussen 'ik en mijn' en 'jij en het jouwe' is waarlijk niet de Uwe o Onoverwinnelijke, noch die van Uw bhakta's.'

(6) S'rî S'uka zei: 'Nadat de zoon van Prithâ dat gezegd had, koos hij, op een voor de offerplechtigheid geëigend tijdstip, met de toestemming van Krishna, de geschikte priesters uit, brahmanen die Vedische experts waren: (7-9) Dvaipâyana [Vyâsa], Bharadvâja, Sumantu, Gotama, Asita, Vasishthha, Cyavana, Kanva, Maitreya, Kavasha, Trita, Vis'vâmitra, Vâmadeva, Sumati, Jaimini, Kratu, Paila, Parâs'ara, Garga, Vais'ampâyana, alsook Atharvâ, Kas'yapa, Dhaumya, Râma van de Bhârgava's [Pâras'urâma], Âsuri, Vîtihotra, Madhucchandâ, Vîrasena en Akritavrana. (10-11) Ook anderen waren uitgenodigd zoals Drona, Bhîshma, Kripa, Dhritarâshthra met zijn zoons en de hoogst intelligente Vidura. Koningen met hun koninklijk gevolg, brahmanen, kshatriya's, vais'ya's en s'ûdra's die graag het offer wilden bijwonen, kwamen allen o Koning. (12) De brahmanen trokken toen met gouden ploegscharen voren op de plaats voor het aanbidden van de goden en wijdden er de koning in overeenkomstig de voorschriften. (13-15) De gebruiksvoorwerpen waren van goud zoals dat in het verleden met het offer van Varuna ook het geval was geweest [vergelijk 9.2: 27]. De heersers der werelden met Indra voorop, met inbegrip van Brahmâ en S'iva, de vervolmaakten en de hemelse zangers met hun gevolg, de geleerden, de grote serpenten [v.i.p.'s, ego's], de wijzen, de behoeders van de rijkdom en de wildemannen, de vogels van de hemel [zie khaga], de machtigen, de achtenswaardigen en de aardse koningen alsook de vrouwen van de koningen die waren uitgenodigd, kwamen van overal naar het Râjasûya-offer dat zij, in het geheel niet verrast [over al die weelde], voor een toegewijde van Krishna heel gepast vonden. (16) De priesters die zo machtig waren als de goden voerden voor de grote koning volgens de Vedische voorschriften het Râjasûya offer uit, precies zoals de halfgoden dat hadden gedaan voor Varuna. (17) Op de dag vastgesteld voor het onttrekken van het soma-sap, vereerde de koning zoals het hoorde, heel aandachtig de offeraars en de meest verheven persoonlijkheden van de vergadering. (18) De leden van de vergadering bezonnen zich op wie van hen als eerste diende te worden vereerd, maar konden niet tot een besluit komen daar er velen waren [die ervoor in aanmerking kwamen]. Toen nam Sahadeva [de Pândava] het woord: (19) 'Het is Acyuta die de allerhoogste positie verdient, Hij is de Opperheer, de leider van de Sâtvata's. Hij staat voor al de halfgoden zowel als de plaats, de tijd en de benodigdheden en dergelijke. (20-21) Dit universum zowel als de grote offerplechtigheden, het offervuur, de offergaven en de bezweringen zijn op Hem gebaseerd. De analytische zienswijze en de wetenschap van de yoga doelen op Hem. Hij is de Ene zonder Zijns gelijke waarop het levende wezen [het universum] berust o leden van de vergadering. Hij is de Ongeborene die, enkel op Zichzelf vertrouwend, schept, handhaaft en vernietigt. (22) Zijn genade brengt de verschillende handelingen alhier teweeg en vanwege Zijn genade spant de hele wereld zich in voor de idealen gekenmerkt door religiositeit en dergelijke [de purushartha's]. (23) Daarom moeten we Krishna, de Allerhoogste, de grootste eer toekennen. Als we dat doen, doen we alle levende wezens eer aan, onszelf inbegrepen. (24) Het moet Krishna worden gegund, de Ziel die alle levende wezens omvat en die niemand als losstaand van Hemzelf beziet, de Ene der Vrede die Volmaakt en Volkomen is en die voor een ieder die Zijn liefde graag beantwoord ziet het Onbegrensde vormt [van een Eeuwige Wederkerigheid].'

(25) Nadat Sahadeva wel bekend met Krishna's waardigheid zich aldus had uitgelaten, viel hij stil waarop alle goede en waarachtige lieden die dit hoorden, vervuld van geluk zeiden: 'Dit is uitstekend, heel goed!'

(26) Toen de koning de tweemaal geboren zielen dit hoorde zeggen, aanbad hij, blij te weten wat er in de leden van de vergadering omging, overweldigd door liefde Hrishîkes'a ten volle. (27-28) Hij waste Zijn voeten en nam het water dat de wereld zuivert op zijn hoofd. Vervolgens bracht hij het vreugdevol naar zijn vrouw, zijn broers, zijn ministers en familie. En terwijl hij Hem vereerde met kostbare zijden kledingstukken en juwelen, was hij door de tranen in zijn ogen niet in staat Hem recht aan te kijken. (29) Toen ze Hem aldus vereerd zagen riepen al de mensen met samengebrachte handpalmen uit: 'Onze eerbetuigingen aan U, U zij de glorie!' en terwijl ze dit zeiden bogen ze voor Hem en lieten ze een regen van bloemen neerdalen.

(30) De zoon van Damaghosha [S'is'upâla, zie 10.53] die dit hoorde kwam, geïrriteerd door de beschrijvingen van Krishna's kwaliteiten, kwaad met zijn armen zwaaiend van zijn zitplaats overeind en zei, zich verontwaardigd in ruwe taal tot de Fortuinlijke richtend, het volgende temidden van de vergadering: (31) 'Het Vedische woord van waarheid dat de Tijd de onvermijdelijke heerser is, is hiermee bewezen, want zelfs de intelligentie van de ouderen kon door de woorden van een jongen op een dwaalspoor worden gezet! (32) Jullie weten het beste wie er de meest prijzenswaardige is! Alstublieft, o leiders van de vergadering, besteed geen aandacht aan de uitspraken van de jongen dat Krishna zou moeten worden verkozen om te worden geëerd. (33-34) U gaat voorbij aan de leiders in de vergadering die de besten onder de wijzen zijn, aan hen die de Absolute Waarheid zijn toegewijd en door de heersers over de wereld worden vereerd. Het zijn mensen die door spiritueel begrip, verzaking, Vedische kennis en het naleven van geloften hun onzuiverheden hebben uitgebannen. Hoe kan een koeherder die een schande voor Zijn familie vormt, het nu verdienen te worden aanbeden? Hij verdient het net zo min als een kraai de heilige rijstcake verdient! (35) Hoe kan Hij die, op eigen gezag handelend, de perken te buiten gaat van alle dharmische verplichtingen en het ontbreekt aan kula [de juiste opvoeding] varna [beroepsmatig behoren] en âs'rama [plichtsbesef naar leeftijd], aldus de kwaliteiten missend, het nu verdienen te worden vereerd? (36) Met de dynastie [der Yadu's] vervloekt door Yayâti [zie 9.18: 40-44], uitgestoten door personen van goed gedrag [zie 10.52: 9] en begeertig verslaafd aan de drank [b.v. 10.67: 9-10], hoe kan zo iemand de aanbidding waard zijn? (37) Met het achter zich laten van de gronden [van Mathurâ] gezegend door de brahmaanse wijzen, namen Hij en de Zijnen hun toevlucht tot een vesting in zee [10.50: 49] alwaar de brahmaanse orde niet wordt nageleefd [10.57: 30] en Ze als dieven de mensen veel moeilijkheden bezorgen [b.v. 10.61].'





(38) De Allerhoogste Heer zei geen stom woord tegen hem die zich bediende van dergelijke en nog meer grove bewoordingen en wiens kansen zich daardoor hadden gekeerd. Hij was zo stil als een leeuw tegenover het gehuil van een jakhals. (39) Toen de leden van de vergadering die onverdragelijke kritiek hoorden, bedekten ze hun oren en liepen ze weg terwijl ze de koning van Cedi kwaad vervloekten. (40) Een persoon die niet weggaat van de plaats waar men kritiek op de Opperheer of Zijn toegewijde uitoefent, verspeelt zijn moreel tegoed en zal ten val komen. (41) Toen stonden de zoons van Pându alsook de Matsya's, Kaikaya's en Sriñjaya's kwaad op, met geheven wapens klaar om S'is'upâla te doden. (42) Daarop o nazaat van Bharata, nam S'is'upâla geenszins onder de indruk zijn zwaard en schild ter hand, en daagde met beledigingen de koningen in de vergadering uit die de voorstanders van Krishna waren. (43) Op dat moment stond de Opperheer op en hield Zijn toegewijden tegen. Misnoegd viel Hij Zijn vijand aan met Zijn scherpgerande schijf en scheidde Hij zijn hoofd van zijn romp. (44) Met S'is'upâla ter dood gebracht ontstond er een enorm tumult onder de aanwezigen. De koningen die aan zijn kant stonden vreesden voor hun leven en sloegen op de vlucht. (45) Recht voor ogen van al de levenden, rees uit het lichaam van S'is'upâla een licht op dat Krishna binnenging als was het een meteoor die vanuit de hemel op de aarde viel [zie 10.12: 33]. (46) Zich uitstrekkend over drie geboorten was hij door die geest [van vijandigheid] bezeten geweest en aldus mediterend bereikte hij [nu uiteindelijk] de Eenwording met Hem [B.G. 4: 9]. Het is inderdaad zo dat iemands levenshouding de oorzaak is van zijn wedergeboorte [zie B.G. 8: 6 & Jaya en Vijaya]. (47) De keizer beloonde de priesters en de leden van de vergadering overvloedig met geschenken, ze allen naar behoren respecterend zoals de geschriften dat voorschreven en voerde vervolgens de avabhritha ceremonie uit [van het wassen van zichzelf en de gebruiksartikelen om het offer af te sluiten]. (48) Krishna, de  Meester van de Meesters der Yoga, zag erop toe dat de grote offerplechtigheid van de koning werd afgerond en bleef op het verzoek van Zijn weldoeners nog een paar maanden [in Indraprastha]. (49) De zoon van Devakî, Îs'vara, nam toen afscheid van de koning - die daar helemaal geen zin in had - en keerde met Zijn vrouwen en Zijn ministers terug naar Zijn stad. (50) Het verhaal over de twee ingezetenen van Vaikunthha die als gevolg van een vloek van de wijzen [de Kumâra's] herhaaldelijk geboorte moesten nemen, heb ik u gedetailleerd uiteengezet [zie 3.16]. (51) Toen koning Yudhishthhira zich baadde met de avabhritha van de Râjasûja, straalde hij temidden van de brahmanen en kshatriya's zo schitterend als de koning der halfgoden. (52) Al de goden, mensen en hemelreizigers [de mindere goden, de Pramatha's] keerden, geëerd door de koning,  gelukkig terug naar hun verblijfplaatsen, vol van lof over Krishna en de offerplechtigheid. (53) [Allen waren gelukkig], met uitzondering van de zondige Duryodhana die de plaag van de Kuru-dynastie was en de verpersoonlijking vormde van het Tijdperk van de Redetwist. De confrontatie met de bloei van de weelde der Pândava's was iets dat hij niet kon verdragen.

(54) Hij die de woorden reciteert betreffende deze handelingen van Heer Vishnu, het bevrijden van de koningen, de offerplechtigheid en het doden van de koning van Cedi en dergelijke, raakt verlost van alle zonde.'

 

 

next                       

 

Derde herziene editie, geladen 7 oktober, 2014.

 

 

 

 

Voorgaande Aadhar-editie en Vedabase links:

Tekst 1

S'rî S'uka zei: 'Koning Yudhishthhira, die aldus vernam over de dood van Jarâsandha en het machtsvertoon van de almachtige Krishna, was daar blij over en richtte zich tot Hem.
S'rî S'uka zei: 'Yudhishthhira, de koning, die aldus vernam over het ter dood brengen van Jarâsandha en het machtsvertoon van de almachtige Krishna, richtte zich verheugd daarover tot Hem. (Vedabase)

 

Tekst 2

S'rî Yudhishthhira zei: 'Al de geestelijk leraren, de bewoners en de grote heersers die er zijn in de drie werelden, dragen de moeilijk te verwerven opdracht [van U] op hun hoofden.

S'rî Yudhishthhira zei: 'Al de geestelijk leraren, de inwoners en de grote beheersers die er zijn van de drie werelden, dragen de waarlijk zelden verworven beschikking [van U] op hun hoofden. (Vedabase)

 

Tekst 3

Dat Uzelf, de Lotusogige Heer, instructies aanvaardt van bij de dag levende mensen [zoals wij] die denken dat ze heersers zijn, is o Allesdoordringende, een enorme schijnvertoning [van U die ons na zit te apen].

Dat Hij, de Lotusogige Heer, Uzelve, instructies aanneemt van die bij de dag levende mensen [zoals wij] die zichzelf de beheersers achten, steekt, o Allesdoordringende, me nog het meest. (Vedabase)

 

Tekst 4

Zoals dat met de bewegingen van de zon gaat, neemt met [Zijn] handelingen de macht van de Ene Zonder Zijns Gelijke, de Absolute Waarheid, de Superziel, niet af noch toe [zie B.G. 2: 40].

Zoals met de zon inderdaad, neemt van de ene Zonder Zijns Gelijke, de Absolute Waarheid, de Superziel, de macht niet af noch neemt die toe met [Zijn] activiteiten [zie: B.G. 2: 40]. (Vedabase)

 

Tekst 5

O Mâdhava, de geperverteerde dierlijke mentaliteit van onderscheid maken tussen  'ik en mijn' en 'jij en het jouwe'  is waarlijk niet de Uwe o Onoverwinnelijke, noch die van Uw bhakta's.'

O Mâdhava, de verwrongen mentaliteit van het verschil maken met 'jij' en het 'jouwe' en 'ik' en het 'mijne', alsof men van de dieren is, is waarlijk niet de Uwe, o Onoverwinnelijke, noch hoort die Uw bhakta's toe.' (Vedabase)

 

Tekst 6

S'rî S'uka zei: 'Nadat de zoon van Prithâ dat gezegd had, koos hij, op een voor de offerplechtigheid geëigend tijdstip, met de toestemming van Krishna, de geschikte priesters uit, brahmanen die Vedische experts waren:

S'rî S'uka zei: 'Aldus sprekend koos de zoon van Prithâ, op de juiste tijd voor de offerplechtigheid, met de toestemming van Krishna de geschikte priesters uit, de brahmanen die de vedische experts waren: (Vedabase)

 

Tekst 7-9

Dvaipâyana [Vyâsa], Bharadvâja, Sumantu, Gotama, Asita, Vasishthha, Cyavana, Kanva, Maitreya, Kavasha, Trita, Vis'vâmitra, Vâmadeva, Sumati, Jaimini, Kratu, Paila, Parâs'ara, Garga, Vais'ampâyana, alsook Atharvâ, Kas'yapa, Dhaumya, Râma van de Bhârgava's [Pâras'urâma], Âsuri, Vîtihotra, Madhucchandâ, Vîrasena en Akritavrana.

Dvaipâyana [Vyâsa], Bharadvâja, Sumantu, Gotam, Asita, Vasishthha, Cyavana, Kanva, Maitreya, Kavasha, Trita, Vis'vâmitra, Vâmadeva, Sumati, Jaimini, Kratu, Paila, Parâs'ara, Garga, Vais'ampâyana, als ook Atharvâ, Kas'yapa, Dhaumya, Râma van de Bhârgava's [Pâras'urâma], Âsuri, Vîtihotra, Madhucchandâ, Vîrasena en Akritavrana. (Vedabase)

 

Tekst 10-11

Ook anderen waren uitgenodigd zoals Drona, Bhîshma, Kripa, Dhritarâshthra met zijn zoons en de hoogst intelligente Vidura. Koningen met hun koninklijk gevolg, brahmanen, kshatriya's, vais'ya's en s'ûdra's die graag het offer wilden bijwonen, kwamen allen o Koning.

Eveneens uitgenodigd waren anderen als Drona, Bhîshma, Kripa en Dhritarâshthra met zijn zoons, en de hoogst intelligente Vidura; koningen met hun koninklijk gevolg, brahmanen, kshatriya's, vais'ya's en s'ûdra's, die graag het offer wilden bijwonen, kwamen allen, o Koning. (Vedabase)

     

Tekst 12

De brahmanen trokken toen met gouden ploegscharen voren op de plaats voor het aanbidden van de goden en wijdden er de koning in overeenkomstig de voorschriften.

Toen trokken de brahmanen met gouden ploegscharen voren op de plaats waar de goden zouden worden aanbeden, en wijdden ze de koning overeenkomstig de voorschriften. (Vedabase)

 

Tekst 13-15

De gebruiksvoorwerpen waren van goud zoals dat in het verleden met het offer van Varuna ook het geval was geweest [vergelijk 9.2: 27]. De heersers der werelden met Indra voorop, met inbegrip van Brahmâ en S'iva, de vervolmaakten en de hemelse zangers met hun gevolg, de geleerden, de grote serpenten [v.i.p.'s, ego's], de wijzen, de behoeders van de rijkdom en de wildemannen, de vogels van de hemel [zie khaga], de machtigen, de achtenswaardigen en de aardse koningen alsook de vrouwen van de koningen die waren uitgenodigd, kwamen van overal naar het Râjasûya-offer dat zij, in het geheel niet verrast [over al die weelde], voor een toegewijde van Krishna heel gepast vonden.

De hulpmiddelen waren van goud inderdaad zoals in het verleden met Varuna [vergelijk 9.2: 27]. De heersers der werelden met Indra voorop, met inbegrip van Brahmâ en S'iva; de vervolmaakten en de hemelse zangers met hun toegehorigen; de geleerden, de grote serpenten [v.i.p.'s, ego's], de wijzen, de behoeders van de rijkdom en de wildemannen; de vogels van de hemel [zie khaga], de machtigen, de achtenswaardigen en de aardse koningen uitgenodigd, als ook de vrouwen van de koningen kwamen van overal naar het Râjasûya-offer dat zij, in het geheel niet verrast, voor een toegewijde van Krishna heel gepast vonden. (Vedabase)

 

Tekst 16

De priesters die zo machtig waren als de goden voerden voor de grote koning volgens de Vedische voorschriften het Râjasûya offer uit, precies zoals de halfgoden dat hadden gedaan voor Varuna.   

Op de dag van het extraheren van het soma-sap vereerde de koning heel aandachtig de offeraars en de verheven persoonlijkheden in de vergadering. (Vedabase)

 

Tekst 17

Op de dag vastgesteld voor het onttrekken van het soma-sap, vereerde de koning zoals het hoorde, heel aandachtig de offeraars en de meest verheven persoonlijkheden van de vergadering.

De leden gezeten in de vergadering, zich bezinnend op wie van hen het verdiende als eerste te worden vereerd, konden niet tot een besluit komen daar er velen waren [die in aanmerking kwamen]; toen sprak Sahadeva [de Pândava] zich uit: (Vedabase)

 

Tekst 18

De leden van de vergadering bezonnen zich op wie van hen als eerste diende te worden vereerd, maar konden niet tot een besluit komen daar er velen waren [die ervoor in aanmerking kwamen]. Toen nam Sahadeva [de Pândava] het woord:

 'Acyuta is het voorzeker die de allerhoogste positie verdient, Hij is de Opperheer, de leider van de Sâtvata's, Hij zonder twijfel staat borg voor al de halfgoden zowel als de plaats, de tijd en de benodigdheden en dergelijke. (Vedabase)

  

Tekst 19

'Het is Acyuta die de allerhoogste positie verdient, Hij is de Opperheer, de leider van de Sâtvata's. Hij staat voor al de halfgoden zowel als de plaats, de tijd en de benodigdheden en dergelijke.

Dit universum zowel als de grote offerplechtigheden, het offervuur, de offergaven en de aanheffingen zijn op Hem gegrondvest en het analytische en de yoga doelen op Hem. Hij is de Ene zonder Zijns gelijke waarop het Levende wezen bouwt; de Ongeborene op Zichzelf alleen vertrouwend, o leden van de vergadering, die schept, handhaaft en vernietigt. (Vedabase)

 

Tekst 20-21

Dit universum zowel als de grote offerplechtigheden, het offervuur, de offergaven en de bezweringen zijn op Hem gebaseerd. De analytische zienswijze en de wetenschap van de yoga doelen op Hem. Hij is de Ene zonder Zijns gelijke waarop het levende wezen [het universum] berust o leden van de vergadering. Hij is de Ongeborene die, enkel op Zichzelf vertrouwend, schept, handhaaft en vernietigt.

Hij brengt de verschillende handelingen alhier teweeg; naar Zijn genade beijvert de hele wereld zich en volgt ze haar idealen bekend staande als de religiositeit en zo voorts [de purushartha's]. (Vedabase)

 

Tekst 22

Zijn genade brengt de verschillende handelingen alhier teweeg en vanwege Zijn genade spant de hele wereld zich in voor de idealen gekenmerkt door religiositeit en dergelijke [de purushartha's].

Derhalve komt de grootste eer Krishna toe, de Allerhoogste; als we het op deze manier doen, zullen we alle levende wezens eer aan doen zowel als ons zelf. (Vedabase)

   

 Tekst 23

Daarom moeten we Krishna, de Allerhoogste, de grootste eer toekennen. Als we dat doen, doen we alle levende wezens eer aan, onszelf inbegrepen.

Het moet Krishna worden gegund, de Ziel van alle wezens die niemand als afzonderlijk beziet; aan de Ene der Vrede Volmaakt en Volkomen die voor hem die het wederkerige verlangt, het Onbegrensde is [het Oneindige van de Wederkerigheid].' (Vedabase)

   

Tekst 24

Het moet Krishna worden gegund, de Ziel die alle levende wezens omvat en die niemand als losstaand van Hemzelf beziet, de Ene der Vrede die Volmaakt en Volkomen is en die voor een ieder die Zijn liefde graag beantwoord ziet het Onbegrensde vormt [van een Eeuwige Wederkerigheid].'

Het moet Krishna worden gegund, de Ziel van alle wezens die niemand als afzonderlijk beziet; aan de Ene der Vrede Volmaakt en Volkomen die voor hem die het wederkerige verlangt, het Onbegrensde is [het Oneindige van de Wederkerigheid].' (Vedabase)

 

Tekst 25

Nadat Sahadeva wel bekend met Krishna's waardigheid zich aldus had uitgelaten, viel hij stil waarop alle goede en waarachtige lieden die dit hoorden, vervuld van geluk zeiden: 'Dit is uitstekend, heel goed!'

Sahadeva zich aldus uitlatend viel stil en allen goed en waarachtig die dit hoorden zeiden, wel bekend met Krishna's invloed, gelukkig: 'Dit is uitstekend, heel goed!' (Vedabase)

 

 Tekst 26

Toen de koning de tweemaal geboren zielen dit hoorde zeggen, aanbad hij, blij te weten wat er in de leden van de vergadering omging, overweldigd door liefde Hrishîkes'a ten volle.

De koning, toen hij hoorde wat de twee maal geborenen onder woorden brachten, aanbad, blij te weten van de tevredenheid van de leden van de vergadering, overweldigd door liefde Hrishîkes'a ten volle. (Vedabase)

 

 Tekst 27-28

Hij waste Zijn voeten en nam het water dat de wereld zuivert op zijn hoofd. Vervolgens bracht hij het vreugdevol naar zijn vrouw, zijn broers, zijn ministers en familie. En terwijl hij Hem vereerde met kostbare zijden kledingstukken en juwelen, was hij door de tranen in zijn ogen niet in staat Hem recht aan te kijken.

Zijn voeten wassend en het water dat de wereld zuivert op zijn eigen hoofd nemend, het met genoegen naar zijn vrouw, zijn broers, zijn ministers en familie brengend, was hij, Hem met kostbare zijden kledingstukken en juwelen vererend, met zijn ogen gevuld met tranen niet in staat Hem recht aan te kijken. (Vedabase)

 

 Tekst 29

Toen ze Hem aldus vereerd zagen riepen al de mensen met samengebrachte handpalmen uit: 'Onze eerbetuigingen aan U, U zij de glorie!' en terwijl ze dit zeiden bogen ze voor Hem en lieten ze een regen van bloemen neerdalen.

Hem vereerd ziend op deze manier riepen al de mensen met samengebrachte handpalmen uit: 'De eerbetuigingen aan U, U zij de glorie!' en daarbij voor Hem voorover buigend regende het bloemen. (Vedabase)

 

 Tekst 30

De zoon van Damaghosha [S'is'upâla, zie 10.53] die dit hoorde kwam, geïrriteerd door de beschrijvingen van Krishna's kwaliteiten, kwaad met zijn armen zwaaiend van zijn zitplaats overeind en zei, zich verontwaardigd in ruwe taal tot de Fortuinlijke richtend, het volgende temidden van de vergadering:

De zoon van Damaghosha [S'is'upâla, zie 10.53] die dit hoorde kwam, geprikkeld over de beschrijvingen van Krishna's kwaliteiten, kwaad met zijn armen zwaaiend van zijn zitplaats overeind en zei, zich resoluut tot de Fortuinlijke richtend in ruwe taal, dit temidden van de vergadering: (Vedabase)

 

 Tekst 31

'Het Vedische woord van waarheid dat de Tijd de onvermijdelijke heerser is, is hiermee bewezen, want zelfs de intelligentie van de ouderen kon door de woorden van een jongen op een dwaalspoor worden gezet!

 'Het vedische woord van waarheid dat de Tijd de onvermijdelijke beheerser is, is bewaarheid aangezien zelfs de intelligentie van de ouderen door de woorden van een jongen op een dwaalspoor kon worden gezet! (Vedabase)

 

 Tekst 32

Jullie weten het beste wie er de meest prijzenswaardige is! Alstublieft, o leiders van de vergadering, besteed geen aandacht aan de uitspraken van de jongen dat Krishna zou moeten worden verkozen om te worden geëerd.

 U allen weet zelf het beste wie de meest lofwaardige is; alstublieft, u allen leiders van de vergadering, besteed geen aandacht aan de uitspraken van de jongen dat Krishna zou moeten worden verkozen om te worden geëerd. (Vedabase)

 

 Tekst 33-34

U gaat voorbij aan de leiders in de vergadering die de besten onder de wijzen zijn, aan hen die de Absolute Waarheid zijn toegewijd en door de heersers over de wereld worden vereerd. Het zijn mensen die door spiritueel begrip, verzaking, Vedische kennis en het naleven van geloften hun onzuiverheden hebben uitgebannen. Hoe kan een koeherder die een schande voor Zijn familie vormt, het nu verdienen te worden aanbeden? Hij verdient het net zo min als een kraai de heilige rijstcake verdient!

U laat leiders in de vergadering buiten beschouwing, beste wijzen de Absolute Waarheid toegewijd die, door lokaal gezag hooggehouden, middels geestelijk verstaan, verzaking, vedische kennis en geloften hun onzuiverheden uitbanden - hoe kan een koeherder, de schande van Zijn familie, het verdienen - niet meer dan een kraai de heilige rijstcake verdient - te worden aanbeden? (Vedabase)

 

Tekst 35

Hoe kan Hij die, op eigen gezag handelend, de perken te buiten gaat van alle dharmische verplichtingen en het ontbreekt aan kula [de juiste opvoeding] varna [beroepsmatig behoren] en âs'rama [plichtsbesef naar leeftijd], aldus de kwaliteiten missend, het nu verdienen te worden vereerd?

Hoe kan Hij, onafhankelijk optredend, die het ontbreekt aan kula [een juiste opvoeding] varna [beroepsmatig behoren] en âs'rama [plichtbesef naar leeftijd], de kwaliteiten missend, het verdienen te worden vereerd? (Vedabase)

 

Tekst 36

Met de dynastie [der Yadu's] vervloekt door Yayâti [zie 9.18: 40-44], uitgestoten door personen van goed gedrag [zie 10.52: 9] en begeertig verslaafd aan de drank [b.v. 10.67: 9-10], hoe kan zo iemand de aanbidding waard zijn?

Met hun [Yadu-] dynastie vervloekt door Yayâti [zie 9.18: 40-44], uitgestoten door personen van goed gedrag [zie 10.52: 9] en begeertig verslaafd aan de drank [e.g. 10.67: 9-10], hoe kan er zo een de aanbidding nu waard zijn? (Vedabase)

 

Tekst 37

Met het achter zich laten van de gronden [van Mathurâ] gezegend door de brahmaanse wijzen, namen Hij en de Zijnen hun toevlucht tot een vesting in zee [10.50: 49] alwaar de brahmaanse orde niet wordt nageleefd [10.57: 30] en Ze als dieven de mensen veel moeilijkheden bezorgen [b.v. 10.61].'

Met het achter zich laten van de gronden [van Mathurâ] gezegend door de brahmaanse wijzen namen dezen hun toevlucht tot een vesting in zee [10.50: 49] alwaar het brahmaanse niet wordt nageleefd [10.57: 30], als dieven de mensen moeilijkheden bezorgend [e.g. 10.61].' (Vedabase)

 

Tekst 38

De Allerhoogste Heer zei geen stom woord tegen hem die zich bediende van dergelijke en nog meer grove bewoordingen en wiens kansen zich daardoor hadden gekeerd. Hij was zo stil als een leeuw tegenover het gehuil van een jakhals.

Tegen hem van wie, zich bediendend van dergelijke en nog meer grove bewoordingen, het goede geluk was geruïneerd, zei de Allerhoogste Heer geen stom woord, als een leeuw zo stil tegenover het gehuil van een jakhals. (Vedabase)

 

Tekst 39

Toen de leden van de vergadering die onverdragelijke kritiek hoorden, bedekten ze hun oren en liepen ze weg terwijl ze de koning van Cedi kwaad vervloekten.

Toen de leden van de vergadering die onverdragelijke kritiek hoorden, bedekten ze hun oren en liepen ze weg, de koning van Cedi kwaad vervloekend. (Vedabase)

 

Tekst 40

Een persoon die niet weggaat van de plaats waar men kritiek op de Opperheer of Zijn toegewijde uitoefent, verspeelt zijn moreel tegoed en zal ten val komen.

Een persoon Hem toegewijd die niet weggaat van de plaats waar kritiek op de Opperheer wordt gehoord; gaat zonder meer onderuit, weggevallen van zijn goede daden. (Vedabase)

 

Tekst 41

Toen stonden de zoons van Pându alsook de Matsya's, Kaikaya's en Sriñjaya's kwaad op, met geheven wapens klaar om S'is'upâla te doden.

De zoons van Pându en de Matsya's, Kaikaya's en S'rinjaya's stonden toen, kwaad geworden, hun wapens heffend op, klaar om S'is'upâla te doden. (Vedabase)

 

Tekst 42

Daarop o nazaat van Bharata, nam S'is'upâla geenszins onder de indruk zijn zwaard en schild ter hand, en daagde met beledigingen de koningen in de vergadering uit die de voorstanders van Krishna waren.

Daarop, o nazaat van Bharata, nam S'is'upâla in het geheel niet onder de indruk zijn zwaard en schild ter hand, en beledigde hij de koningen in de vergadering die voorstanders van Krishna waren. (Vedabase)

 

Tekst 43

Op dat moment stond de Opperheer op en hield Zijn toegewijden tegen. Misnoegd viel Hij Zijn vijand aan met Zijn scherpgerande schijf en scheidde Hij zijn hoofd van zijn romp.

Op dat moment hield de Opperheer Zijntoegewijden tegen en scheidde Hij vertoornd de vijand zijn hoofd van zijn romp met Zijn scherpgerande schijf. (Vedabase)

 

Tekst 44

Met S'is'upâla ter dood gebracht ontstond er een enorm tumult onder de aanwezigen. De koningen die aan zijn kant stonden vreesden voor hun leven en sloegen op de vlucht.

Met S'is'upâla ter dood gebracht was er een enorm tumult van protest toen de koningen die partij voor hem hadden gekozen vrezend voor hun leven het gehoor ontvluchtten. (Vedabase)

 

Tekst 45

Recht voor ogen van al de levenden, rees uit het lichaam van S'is'upâla een licht op dat Krishna binnenging als was het een meteoor die vanuit de hemel op de aarde viel [zie 10.12: 33].

Voor ogen van alle levenden rees uit het lichaam van S'is'upâla een licht omhoog dat Krishna binnenging als was het een meteoor die vanuit de hemel op de aarde viel [zie 10.12: 33]. (Vedabase)

 

Tekst 46

Zich uitstrekkend over drie geboorten was hij door die geest [van vijandigheid] bezeten geweest en aldus mediterend bereikte hij [nu uiteindelijk] de Eenwording met Hem [B.G. 4: 9]. Het is inderdaad zo dat iemands levenshouding de oorzaak is van zijn wedergeboorte [zie B.G. 8: 6 & Jaya en Vijaya].

Zich uitstrekkend over drie geboorten geobsedeerd door een geest van vijandigheid, werd aldus mediterend de Eenwording met Hem bereikt [B.G. 4: 9]; waarlijk, is iemands houding de oorzaak van zijn wedergeboorte! [zie B.G. 8: 6 & Jaya en Vijaya]. (Vedabase)

 

Tekst 47

De keizer beloonde de priesters en de leden van de vergadering overvloedig met geschenken, ze allen naar behoren respecterend zoals de geschriften dat voorschreven en voerde vervolgens de avabhritha ceremonie uit [van het wassen van zichzelf en de gebruiksartikelen om het offer af te sluiten].

De keizer gaf uit dankbaarheid de priesters en de leden van de vergadering een overvloed aan geschenken, ze allen naar behoren respecterend zoals de geschriften het voorschreven, en voerde de avabhritha ceremonie op [van het zichzelf en de benodigdheden wassen om het offer te beëindigen]. (Vedabase)

 

Tekst 48

Krishna, de  Meester van de Meesters der Yoga, zag erop toe dat de grote offerplechtigheid van de koning werd afgerond en bleef op het verzoek van Zijn weldoeners nog een paar maanden [in Indraprastha].

Krishna, de Beheerser van de Beheersers der Yoga, er op toe ziend dat de offerplechtigheid van de koning werd uitgevoerd, bleef een paar maanden [in Indraprastha] op het verzoek van Zijn weldoeners. (Vedabase)

 

Tekst 49

De zoon van Devakî, Îs'vara, nam toen afscheid van de koning - die daar helemaal geen zin in had - en keerde met Zijn vrouwen en Zijn ministers terug naar Zijn stad.

Toen, met permissie van een weigerachtige koning, ging de zoon van Devakî, Is'vara, met Zijn vrouwen en Zijn ministers weg naar Zijn eigen stad. (Vedabase)

 

Tekst 50

Het verhaal over de twee ingezetenen van Vaikunthha die als gevolg van een vloek van de wijzen [de Kumâra's] herhaaldelijk geboorte moesten nemen, heb ik u gedetailleerd uiteengezet [zie 3.16].

Het verhaal over de twee ingezetenen van Vaikuntha die als gevolg van een vloek van de geleerden keer op keer geboorte moesten nemen, is door mij tot in detail aan u uiteengezet [zie 3.16]. (Vedabase)

 

Tekst 51

Toen koning Yudhishthhira zich baadde met de avabhritha van de Râjasûja, straalde hij temidden van de brahmanen en kshatriya's zo schitterend als de koning der halfgoden.

Koning Yudhishthhira temidden van de brahmanen en kshatriya's zich badend met de avabhritha van de rajasûja straalde zo schitterend als de koning der halfgoden. (Vedabase)

 

Tekst 52

Al de goden, mensen en hemelreizigers [de mindere goden, de Pramatha's] keerden, geëerd door de koning,  gelukkig terug naar hun verblijfplaatsen, vol van lof over Krishna en de offerplechtigheid.

Al de goden, mensen en wezens in de hemel [de mindere goden, de pramâtha's] keerden, geëerd door de koning, gelukkig terug naar hun eigen rijken, vol van lof over Krishna en de offerplechtigheid. (Vedabase)

 

Tekst 53

[Allen waren gelukkig], met uitzondering van de zondige Duryodhana die de plaag van de Kuru-dynastie was en de verpersoonlijking vormde van het Tijdperk van de Redetwist. De confrontatie met de bloei van de weelde der Pândava's was iets dat hij niet kon verdragen.

[Allen waren gelukkig], behalve de zondige Duryodhana, de plaag van de Kuru dynastie en verpersoonlijking van het Tijdperk van de Redetwist, die, met de bloei van de weelde voor ogen, dat van de Pândava's niet kon verdragen. (Vedabase)

 

Tekst 54

Hij die de woorden reciteert betreffende deze handelingen van Heer Vishnu, het bevrijden van de koningen, de offerplechtigheid en het doden van de koning van Cedi en dergelijke, raakt verlost van alle zonde.'

Hij die deze handelingen van Heer Vishnu, van het bevrijden van de koningen, de offerplechtigheid en het doden van de koning van Cedi en dergelijke hoort, raakt verlost van alle zonde. (Vedabase)

 

 

 

 

 

 Creative Commons License
De tekst en de audio worden aangeboden onder de
Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License
.
De eerste afbeelding is een detail van een 19e eeuws schilderij, verzameling Karnataka Chitra Kala Parishad.
Het tweede schilderij is van de Indiase schilder en artiest
Raja Ravi Varma.
Productie: de Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd.


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties