Canto
9
Hoofdstuk 18: Koning Yayâti Herkrijgt zijn Jeugd
(1) S'rî S'uka zei: 'Van koning Nahusha [een andere zoon van Purûravâ's zoon Âyu] waren er net als de zes zintuigen van een belichaamde ziel [met de geest als het zesde], de zes van Yati, Yayâti, Samyâti, Âyati, Viyati en Kriti. (2) De oudste zoon Yati, die wist wat het inhield om macht uit te oefenen, aanvaardde het koninkrijk niet dat zijn vader hem bood, [want, zo argumenteerde hij,] de persoon die een dergelijke positie inneemt kan geen ernst maken met zijn zelfverwerkelijking. (3) Toen zijn vader er door de brahmanen toe werd gedwongen om afstand te doen van zijn verheven positie, vanwege het beledigen van Indra's vrouw S'acî, en hij was afgezakt tot het leven van een slang, werd Yayâti de koning. (4) De vier broers jonger dan hem stond hij het toe om de verschillende windstreken te besturen. Yayâti aldus de wereld regerend huwde de dochters [Devayânî] van S'ukrâcârya en [S'armishthhâ van] Vrishaparvâ.'
(5) De koning zei: 'De machtige ziener S'ukrâcârya was een brahmaan terwijl Yayâti behoorde tot de klasse der kshatriya's; hoe kon er tegen de gebruiken in een [pratiloma-]huwelijk van een brahmaan [-se dochter] zijn met een kshatriya?' [anuloma, omgekeerd, was meer algemeen].
(6-7) S'rî S'uka zei: 'Op een dag was Vrishaparvâ's dochter genaamd S'armishthhâ, een meisje met een moeilijk karakter, tezamen met duizenden vriendinnen en de dochter van de goeroe Devayânî, zo onschuldig als ze was in de paleistuin aan het rondlopen waar het vol met lotusbloemen en overal bloeiende bomen gezellig zoemde van de hommels. (8) Al de lotus-ogige meisjes aankomend bij de oever van het meer aldaar deden hun kleren uit aan de kant en begonnen zich te vermaken in het water elkaar natspetterend.(9) Toen ze Heer S'iva voorbij zagen komen met de godin [Pârvatî] gezeten op zijn stier, kwamen de jonge meisjes snel uit het water om zich vol schaamte te bedekken met hun kledingstukken. (10) S'armishthhâ zonder het in de gaten te hebben trok als was het haar eigen kleed de kleren van de dochter van de goeroe aan waarop Devayânî geïrriteerd dit zei: (11) 'Hoe jammer, zie nou toch eens hoe zij, als een dienstmeid, indruist tegen de goede zeden. Net als een hond uit op de ghee voor een offerplechtigheid heeft ze het kledingstuk aangetrokken dat voor mij bedoeld was! (12-14) Van hen door wiens verzaking deze gehele wereld werd geschapen, van hen die het aangezicht vormen van de Persoonlijkheid van de Transcendentie en door wiens vroomheid het licht van de juiste weg gekend wordt, van hen aan wie de meesters van de wereld, de verlichte zielen van beheersing en zelfs de Allerhoogste Heer, de Zuiverende Superziel en Echtgenoot van de Godin hun gebeden opdragen, van ons afstammelingen van Bhrigu beter dan de rest heeft zij, wiens duistere vader een leerling is van onze vader, als een laag-bij-de-grondse s'ûdra aangetrokken wat bedoeld was als onze kleding - het is als een onkuis iemand die de Veda's onder de knie probeert te krijgen!'
(15) S'armishthhâ aldus terecht gewezen ademde zwaar als een slang waarop men heeft getrapt en zei zeer kwaad op haar lip bijtend tegen de dochter van de goeroe: (16) 'Wat een onzin, jij bedelares! Je kent je plaats niet. Ben jij het niet die buiten bij ons huis staat te wachten [op voedsel] zoals de kraaien dat doen?'
(17) Met deze onaardige woorden griste S'armishthhâ na haar reprimande woedend de kleren van de deugdzame dochter van de geestelijk leraar weg en duwde ze haar in een put. (18) Toen ze naar huis ging gebeurde het dat Yayâti, die in de buurt was vanwege een jachtpartij, daar aankwam en, smachtend naar water, haar aantrof in de put. (19) Zijn bovenkleding losmakend reikte de koning naar haar die daar beneden geheel naakt was en legde hij zijn hand in de hare in zijn vriendelijkheid om haar eruit te trekken. (20-21) Tot hem, de held, zei de dochter van de denker der hitte [Us'anâ ofwel S'ukrâcârya, zie ook B.G. 10: 37] met woorden vol van liefde en genegenheid: 'O Koning met het in uw hand nemen van de mijne hebt u, o overwinnaar van alle andere koninkrijken, mijn hand aanvaard! Moge die hand niet worden beroerd door iemand anders dan u omdat de relatie tussen u en mij, die we door de voorzienigheid nu hebben o held, niet iets is dat door een mens werd beschikt! (22) Omdat ik in deze put ben beland heb ik uw goede zelf kunnen ontmoeten; [weest u zich van het volgende bewust:] geen gekwalificeerde brahmaan kan mijn echtgenoot worden o sterk gearmde, omdat Kaca, de zoon van Brihaspati, daar in het verleden een vloek tegen heeft uitgesproken nadat ik hem had vervloekt [*].'
(23) Het stond Yayâti niet aan wat door God was beschikt, maar voor zichzelf denkend stemde hij, tot haar aangetrokken, echter in met wat ze hem zei. (24) Nadat de koning was vertrokken legde ze, weer naar huis teruggekeerd, in tranen alles aan haar vader voor verslag doend van wat S'armishthhâ had gedaan en wat er daarna gezegd was. (25) De machtige denker was er hoogst ongelukkig mee en het priesterschap vervloekend en de bezigheid van het verzamelen van de granen lovend [uñcha-vritti, zie 7.11: 16 en 7.12: 17-19] verliet hij met zijn dochter zijn verblijfplaats. (26) Vrishaparvâ die begreep dat zijn geestelijk leraar dat deed om te berispen of te vervloeken, stemde hem gunstig door hem met gebogen hoofd tegemoet te komen en zich neer te werpen voor de voeten. (27) De machtige zoon van Bhrigu, wiens woede niet langer dan een enkel moment kon duren, zei toen tot zijn discipel: 'Alstublieft kom aan haar wensen tegemoet, o Koning, zolang als ik leef ben ik niet in staat het met dit meisje op te geven!'
(28) Met zijn instemmen om de zaak af te handelen gaf Devayânî uitdrukking aan haar verlangen: 'Ik zal naar wie ook toe gaan aan wie mijn vader mij wegschenkt, samen met mijn dienares [S'armishthhâ] en haar vriendinnen.'
(29) Op dat moment wijselijk inziend wat het gevaar alswel het voordeel was van zijn [de âcârya zijn] grootheid, schonk de vader S'armishthhâ tezamen met haar vriendinnen aan Devayânî opdat zij met de duizenden andere vrouwen zorg zou dragen voor Devayânî als haar dienares. (30) Aan de nazaat van Nahusha zijn dochter samen met S'armishthhâ uithuwelijkend zei Us'anâ tot hem: 'O Koning, laat S'armishthhâ nimmer toe tot uw sponde!'
(31) Toen S'armishthhâ [later echter] zag hoe Us'anâ's dochter leuke kinderen had, vroeg ze hem eens op een gunstig tijdstip op een afgezonderde plaats, of hij als de echtgenoot van haar vriendin niet voor haar als een trouwe echtgenote voelde. (32) Zich herinnerend wat S'ukra had gezegd toen hij instructie verschafte voor een moment als dit, nam hij, door die prinses verzocht een zoon met haar te hebben, vanuit zijn eigen plichtsbesef en de algemene religieuze beginselen het besluit om aan haar toe te geven [vergelijk B.G. 7: 11]. (33) Yadu en Turvasu waren degenen die geboorte namen uit Devayânî en Druhyu, Anu en Pûru waren er van S'armishthhâ, de dochter van Vrishaparvâ. (34) Ontdekkend dat S'armishthhâ in verwachting was van hem vertrok Devayânî, kokend van woede, trots als ze was naar de woning van haar vader. (35) Zijn lieveling, de lust van zijn leven, achterna gegaan, probeerde hij haar gunstig te stemmen met veelbetekenende woorden maar hij kon haar zelfs niet tot vrede bewegen door haar voeten te masseren.(36) S'ukra kwaad op hem zei: 'Jij rokkenjagende bedrieglijke kerel, moge jou, dwaas, de ouderdom toevallen die het menselijk lichaam misvormt.'
(37) S'rî Yayâti zei: 'Tot nu toe is mijn lust nog niet bevredigd met uw dochter, o brahmaan!' [S'ukra antwoordde:] 'Zolang u nog van de lust bent mag u uw gedenkwaardigheid inwisselen voor de jeugd van iemand die bereid is uw plaats voor u in te nemen.'
(38) En zo greep hij de kans om van plaats te verwisselen met zijn oudste zoon hem vragend: 'O Yadu, geliefde zoon, schenk me alsjeblieft je jeugd in ruil voor deze ouderdom! (39) Met wat de vader van je moeder me gaf mijn beste zoon, ben ik niet bevredigd in mijn zinnelijke behoeften, sta het me toe bij het goede van jouw leeftijd nog een paar jaren meer van het leven te genieten!' [zie ook 7.5: 30]
(40) S'rî Yadu zei: 'Het stemt me niet gelukkig uw oude dag op me te nemen terwijl u zich in de jeugd verheugd. Zonder [het hebben gehad van] de ervaring van lichamelijk geluk zal een persoon [als ik] nimmer onverschillig raken over materiële genoegens!' [zie ook: 7.12: 9-11 en B.G 4: 13]
(41) De vader vroeg het aan Turvasu, Druhyu en aan Anu, o zoon van Bharata, maar ze weigerden het te aanvaarden omdat ze, niet bekend met de ware aard [van de ziel], hun tijdelijkheid aanzagen voor iets blijvends. (42) Hij vroeg het aan Pûru hoewel hij een jongere zoon was, hem zeggend: 'Mijn beste zoon, jij bent van een beter gehalte, jij zou me niet, zoals je oudere broers, moeten weigeren.'
(43) S'rî Pûru zei: 'Wie o Koning, beste onder de mensen, krijgt in deze wereld de gelegenheid de vader terug te betalen die hem dit lichaam schonk; bij zijn genade is het mogelijk dat hij een hoger leven kan genieten. (44) Hij die handelt naar de wensen van zijn vader is de beste, hij die handelt naar wat hem wordt opgedragen is maar middelmatig en van een laag allooi is hij die handelt zonder geloof te hechten, maar als stront is hij die tegen het woord van zijn vader ingaat.'
(45) Op deze manier was het genoegen geheel aan Pûru om de last van zijn vader's ouderdom op zich te nemen, en die was zeer ingenomen met al de verlangens die hoorden bij de jeugd van zijn zoon waar hij om gevraagd had, o heerser over de mensen. (46) Als de meester over het geheel van de zeven continenten regeerde hij als een vader over zijn onderdanen, zoveel als hij maar wilde het materiële geluk genietend zonder enige beperking van zijn zinnen. (47) Devayânî diende eveneens vierentwintig uur per dag als de liefste van haar geliefde in alle beslotenheid met haar hele lichaam, geest en woorden en alles wat erbij nodig was om hem de goddelijke verrukking te bezorgen. (48) Met verschillende rituelen Hari aanbiddend, de Persoonlijkheid van het Offer, de God en het Reservoir van alle Goddelijkheid en Het Voorwerp van Alle Vedische Kennis, was Yayâti van een overvloedige liefdadigheid. (49) Gelijk een massa wolken in de lucht doet heel de, in Hemzelf, geschapen wereld zich dan weer voor als een verscheidenheid aan levensvormen, en dan weer vertoont hij zich niet, als was hij een creatie van de geest zoals in een droom [zie ook B.G. 7: 24-25]. (50) Zeker van Hem, Heer Vâsudeva in zijn hart, de Ene Nârâyana die in een ieder aanwezig is maar zichtbaar is voor niemand, aanbad hij vrij van verlangens de Allerhoogste Meester. (51) Hoewel hij aldus voor de periode van een duizendtal jaren te werk ging met de geest en de vijf zinnen in een idee van werelds geluk, kon hij, onzuiver in zijn sensualiteit, niet bevredigd raken, zelfs al was hij de heerser over allen.
Tweede editie, geladen 22 januari 2008.
Bronteksten:
Koning Yayâti krijgt zijn jeugd terug
S'rî S'uka zei: 'Van koning Nahusha [een andere zoon van Purûravâ's zoon Âyu] waren er net als de zes zintuigen van een belichaamde ziel [met de geest als het zesde], de zes van Yati, Yayâti, Samyâti, Âyati, Viyati en Kriti.S'ukadeva Gosvâmî zei: O koning Parîkshit, zoals de belichaamde ziel zes zintuigen heeft, zo had koning Nahusha zes zonen, Yati, Yayâti, Samyâti, Âyati, Viyati en Kriti genaamd. (Vedabase)
De oudste zoon Yati, die wist wat het inhield om macht uit te oefenen, aanvaardde het koninkrijk niet dat zijn vader hem bood, [want, zo argumenteerde hij,] de persoon die een dergelijke positie inneemt kan geen ernst maken met zijn zelfverwerkelijking.
Wanneer men de positie van koning of staatshoofd aanvaardt, kan men de betekenis van zelfrealisatie niet begrijpen. Omdat Yati, de oudste zoon van Nahusha, zich daarvan bewust was, weigerde hij de heerschappij, ook al werd die hem door zijn vader aangeboden. (Vedabase)
Toen zijn vader er door de brahmanen toe werd gedwongen om afstand te doen van zijn verheven positie, vanwege het beledigen van Indra's vrouw S'acî, en hij was afgezakt tot het leven van een slang, werd Yayâti de koning.
Omdat Nahusha, de vader van Yayâti, Indra's vrouw S'acî had lastiggevallen, diende zij een klacht in bij Âgastya en andere brâhmana's, waarop deze heilige brâhmana's Nahusha vervloekten om van de hemelse planeten ten val te komen en de lage levensvorm van een python te aanvaarden. Als gevolg hiervan werd Yayâti koning. (Vedabase)
De vier broers jonger dan hem stond hij het toe om de verschillende windstreken te besturen. Yayâti aldus de wereld regerend huwde de dochters [Devayânî] van S'ukrâcârya en [S'armishthhâ van] Vrishaparvâ.'
Koning Yayâti had vier jongere broers, die hij toestond om over de vier richtingen te regeren. Zelf trouwde hij met Devayânî, de dochter van S'ukrâcârya, en met S'armishthhâ, de dochter van Vrishaparvâ, en regeerde over de hele wereld. (Vedabase)
De koning zei: 'De machtige ziener S'ukrâcârya was een brahmaan terwijl Yayâti behoorde tot de klasse der kshatriya's; hoe kon er tegen de gebruiken in een [pratiloma-]huwelijk van een brahmaan [-se dochter] zijn met een kshatriya?' [anuloma, omgekeerd, was meer algemeen].
Mahârâja Parîkshit zei: S'ukrâcârya was een zeer machtige brâhmana en Mahârâja Yayâti was een kshatriya. Daarom ben ik benieuwd hoe dit pratiloma-huwelijk tussen een kshatriya en een brâhmana totstandkwam. (Vedabase)
S'rî S'uka zei: 'Op een dag was Vrishaparvâ's dochter genaamd S'armishthhâ, een meisje met een moeilijk karakter, tezamen met duizenden vriendinnen en de dochter van de goeroe Devayânî, zo onschuldig als ze was in de paleistuin aan het rondlopen waar het vol met lotusbloemen en overal bloeiende bomen gezellig zoemde van de hommels.
S'ukadeva Gosvâmî zei: Op een dag wandelde Vrishaparvâ's dochter S'armishthhâ, die onschuldig maar opvliegend van aard was, in de paleistuin met Devayânî, de dochter van S'ukrâcârya, en duizenden andere vriendinnen. De tuin was vol lotussen en met bloemen en vruchten overladen bomen, en werd bewoond door fluitende vogels en aangenaam zoemende hommels. (Vedabase)
Al de lotus-ogige meisjes aankomend bij de oever van het meer aldaar deden hun kleren uit aan de kant en begonnen zich te vermaken in het water elkaar natspetterend.
Toen de jonge lotus-ogige meisjes aan de oever van een meer kwamen, kregen ze zin om zich te baden. Daarom lieten ze hun kleren op de oever achter en begonnen te spelen en elkaar nat te spatten. (Vedabase)
Toen ze Heer S'iva voorbij zagen komen met de godin [Pârvatî] gezeten op zijn stier, kwamen de jonge meisjes snel uit het water om zich vol schaamte te bedekken met hun kledingstukken.
Terwijl de meisjes in het water speelden, zagen ze plotseling Heer S'iva voorbijkomen, die samen met zijn vrouw Pârvatî gezeten was op de rug van zijn stier. De meisjes schaamden zich omdat ze naakt waren en kwamen daarom snel het water uit en bedekten zich met hun kleren. (Vedabase)
S'armishthhâ zonder het in de gaten te hebben trok als was het haar eigen kleed de kleren van de dochter van de goeroe aan waarop Devayânî geïrriteerd dit zei:
S'armishthhâ trok per ongeluk Devayânî's kleren aan, waarop Devayânî woedend werd en als volgt sprak. (Vedabase)
'Hoe jammer, zie nou toch eens hoe zij, als een dienstmeid, indruist tegen de goede zeden. Net als een hond uit op de ghee voor een offerplechtigheid heeft ze het kledingstuk aangetrokken dat voor mij bedoeld was!
Ach, zie toch eens wat deze dienstmeid S'armishthhâ uithaalt! Tegen alle etiquette in heeft ze mijn kleren aangetrokken, net als een hond die geklaarde boter wegkaapt die bestemd is voor een offer. (Vedabase)
Van hen door wiens verzaking deze gehele wereld werd geschapen, van hen die het aangezicht vormen van de Persoonlijkheid van de Transcendentie en door wiens vroomheid het licht van de juiste weg gekend wordt, van hen aan wie de meesters van de wereld, de verlichte zielen van beheersing en zelfs de Allerhoogste Heer, de Zuiverende Superziel en Echtgenoot van de Godin hun gebeden opdragen, van ons afstammelingen van Bhrigu beter dan de rest heeft zij, wiens duistere vader een leerling is van onze vader, als een laag-bij-de-grondse s'ûdra aangetrokken wat bedoeld was als onze kleding - het is als een onkuis iemand die de Veda's onder de knie probeert te krijgen!'
Wij behoren tot de gekwalificeerde brâhmana's, die als het gezicht van de Allerhoogste Godspersoon beschouwt worden. De brâhmana's hebben door hun ascese het hele universum geschapen en bewaren altijd de Absolute Waarheid in hun hart. Ze hebben het pad van het geluk, het pad van de vedische beschaving, aangegeven, en omdat alleen zij het voorwerp van verering in deze wereld zijn, worden ze aanbeden en vereerd door de verheven halfgoden, de bestuurders van de verschillende planeten en zelfs door de Allerhoogste Godspersoon, de Superziel, de allerhoogste louteraar, de echtgenoot van de godin van het geluk. En wij verdienen zelfs nog meer eerbied omdat we tot de dynastie van Bhrigu behoren. Toch heeft deze vrouw, wiens vader tot de demonen gerekend wordt en daarom onze leerling is, mijn kleren aangetrokken, net als een s'ûdra die zich meester maakt van de vedische kennis. (Vedabase)
S'armishthhâ aldus terecht gewezen ademde zwaar als een slang waarop men heeft getrapt en zei zeer kwaad op haar lip bijtend tegen de dochter van de goeroe:
S'ukadeva Gosvâmî zei: Toen S'armishthhâ met zulke meedogenloze woorden toegesproken werd, werd ze erg kwaad. Zwaar ademend als een slang en op haar onderlip bijtend, sprak ze als volgt tot de dochter van S'ukrâcârya. (Vedabase)
'Wat een onzin, jij bedelares! Je kent je plaats niet. Ben jij het niet die buiten bij ons huis staat te wachten [op voedsel] zoals de kraaien dat doen?'
Jij bedelaar, waarom zou je zo onnodig veel praten als je je positie niet begrijpt? Staan jullie niet allemaal als kraaien bij ons huis te wachten omdat jullie afhankelijk van ons zijn voor je levensonderhoud? (Vedabase)
Met deze onaardige woorden griste S'armishthhâ na haar reprimande woedend de kleren van de deugdzame dochter van de geestelijk leraar weg en duwde ze haar in een put.
Met zulke onvriendelijke woorden ging S'armishthhâ tegen de dochter van S'ukrâcârya, Devayânî, tekeer. Uit woede nam ze toen Devayânî's kleren weg en gooide Devayânî in een put. (Vedabase)
Toen ze naar huis ging gebeurde het dat Yayâti, die in de buurt was vanwege een jachtpartij, daar aankwam en, smachtend naar water, haar aantrof in de put.
Nadat S'armishthhâ Devayânî in de put gegooid had, ging ze naar huis. Ondertussen kwam koning Yayâti, die op een jachtpartij was, bij de put aan om water te drinken en zag daar bij toeval Devayânî. (Vedabase)
Zijn bovenkleding losmakend reikte de koning naar haar die daar beneden geheel naakt was en legde hij zijn hand in de hare in zijn vriendelijkheid om haar eruit te trekken.
Toen koning Yayâti Devayânî naakt in de put zag, gaf hij haar onmiddellijk zijn omslagdoek. Daarna was hij zo vriendelijk om haar hand in de zijne te nemen en haar uit de put te tillen. (Vedabase)
Tot hem, de held, zei de dochter van de denker der hitte [Us'anâ ofwel S'ukrâcârya, zie ook B.G. 10: 37] met woorden vol van liefde en genegenheid: 'O Koning met het in uw hand nemen van de mijne hebt u, o overwinnaar van alle andere koninkrijken, mijn hand aanvaard! Moge die hand niet worden beroerd door iemand anders dan u omdat de relatie tussen u en mij, die we door de voorzienigheid nu hebben o held, niet iets is dat door een mens werd beschikt!
Devayânî sprak vol liefde en genegenheid de volgende woorden tot koning Yayâti: O grote held, o koning, veroveraar van de steden van uw vijanden, door mijn hand te nemen heeft u me als uw vrouw aanvaard. Laat me niet door anderen aangeraakt worden, want onze relatie als man en vrouw is totstandgekomen door de voorzienigheid en niet door een of ander mens. (Vedabase)
Omdat ik in deze put ben beland heb ik uw goede zelf kunnen ontmoeten; [weest u zich van het volgende bewust:] geen gekwalificeerde brahmaan kan mijn echtgenoot worden o sterk gearmde, omdat Kaca, de zoon van Brihaspati, daar in het verleden een vloek tegen heeft uitgesproken nadat ik hem had vervloekt [*].'
Ik heb u ontmoet doordat ik in die put gevallen ben. Voorwaar, dit is zo door het lot geregeld. Immers, nadat ik Kaca, de zoon van de grote geleerde Brihaspati, vervloekt had, vervloekte hij op zijn beurt mij door te zeggen dat ik nooit met een brâhmana zou trouwen. O sterk-gearmde, daarom is het voor mij uitgesloten om de vrouw van een brâhmana te worden. (Vedabase)
Het stond Yayâti niet aan wat door God was beschikt, maar voor zichzelf denkend stemde hij, tot haar aangetrokken, echter in met wat ze hem zei.
S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: Omdat een dergelijk huwelijk niet goedgekeurd wordt door de geschriften stond het koning Yayâti niet aan, maar daar het zo door het lot beschikt was en hij zich tot Devayânî's schoonheid aangetrokken voelde, ging hij toch op haar verzoek in. (Vedabase)
Nadat de koning was vertrokken legde ze, weer naar huis teruggekeerd, in tranen alles aan haar vader voor verslag doend van wat S'armishthhâ had gedaan en wat er daarna gezegd was.
De geleerde koning keerde daarna naar zijn paleis terug en Devayânî ging huilend naar huis waar ze haar vader S'ukrâcârya alles vertelde wat er door toedoen van S'armishthhâ gebeurd was. Ze legde uit hoe ze in de put gegooid was en hoe de koning haar had gered. (Vedabase)
De machtige denker was er hoogst ongelukkig mee en het priesterschap vervloekend en de bezigheid van het verzamelen van de granen lovend [uñcha-vritti, zie 7.11: 16 and 7.12: 17-19] verliet hij met zijn dochter zijn verblijfplaats.
Toen S'ukrâcârya hoorde wat Devayânî overkomen was, was hij diep gekwetst. Het beroep van priester vervloekend en het beroep van uñcha-vritti [het oprapen van graan in het veld] prijzend verliet hij samen met zijn dochter zijn huis. (Vedabase)
Vrishaparvâ die begreep dat zijn geestelijk leraar dat deed om te berispen of te vervloeken, stemde hem gunstig door hem met gebogen hoofd tegemoet te komen en zich neer te werpen voor de voeten.
Koning Vrishaparvâ begreep dat S'ukrâcârya kwam om hem te straffen of te vervloeken. Nog voordat S'ukrâcârya zijn huis bereikt had, ging hij daarom naar buiten en viel op straat aan de voeten van zijn guru neer. Op die manier stelde hij S'ukrâcârya tevreden en wist hij diens woede te kalmeren. (Vedabase)
De machtige zoon van Bhrigu, wiens woede niet langer dan een enkel moment kon duren, zei toen tot zijn discipel: 'Alstublieft kom aan haar wensen tegemoet, o Koning, zolang als ik leef ben ik niet in staat het met dit meisje op te geven!'
De machtige S'ukrâcârya was even boos, maar nadat Vrishaparvâ hem tevreden had gesteld zei hij: Mijn beste koning, wees zo goed om Devayânî's verlangen te vervullen, want ze is mijn dochter en ik kan haar in deze wereld niet aan haar lot overlaten of negeren. (Vedabase)
Met zijn instemmen om de zaak af te handelen gaf Devayânî uitdrukking aan haar verlangen: 'Ik zal naar wie ook toe gaan aan wie mijn vader mij wegschenkt, samen met mijn dienares [S'armishthhâ] en haar vriendinnen.'
Nadat Vrishaparvâ S'ukrâcârya's verzoek had aangehoord, stemde hij erin toe om Devayânî's verlangen te vervullen en wachtte hij af wat ze zou gaan zeggen. Daarop gaf Devayânî haar verlangen te kennen: "Wanneer ik in opdracht van mijn vader trouw, moet mijn vriendin S'armishthhâ me als mijn dienstmeisje vergezellen, samen met al haar vriendinnen." (Vedabase)
Op dat moment wijselijk inziend wat het gevaar alswel het voordeel was van zijn [de âcârya zijn] grootheid, schonk de vader S'armishthhâ tezamen met haar vriendinnen aan Devayânî opdat zij met de duizenden andere vrouwen zorg zou dragen voor Devayânî als haar dienares.
Vrishaparvâ dacht wijselijk dat S'ukrâcârya's ongenoegen gevaar zou betekenen, terwijl zijn tevredenheid materieel voordeel met zich mee zou brengen. Daarom voerde hij S'ukrâcârya's bevel uit en diende hem als een slaaf. Hij gaf zijn dochter S'armishthhâ aan Devayânî, en S'armishthhâ diende haar als een slavin, samen met duizenden andere vrouwen. (Vedabase)
Aan de nazaat van Nahusha zijn dochter samen met S'armishthhâ uithuwelijkend zei Us'anâ tot hem: 'O Koning, laat S'armishthhâ nimmer toe tot uw sponde!'
Toen S'ukrâcârya Devayânî ten huwelijk schonk aan Yayâti, liet hij S'armishthhâ met haar meegaan, maar waarschuwde de koning met de woorden: "O koning, sta dit meisje S'armishthhâ nooit toe om het bed met u te delen." (Vedabase)
Toen S'armishthhâ [later echter] zag hoe Us'anâ's dochter leuke kinderen had, vroeg ze hem eens op een gunstig tijdstip op een afgezonderde plaats, of hij als de echtgenoot van haar vriendin niet voor haar als een trouwe echtgenote voelde.
O koning Parîkshit, toen S'armishthhâ zag dat Devayânî een heel leuk zoontje had, ging ze op het moment dat ze vruchtbaar was naar koning Yayâti toe en verzocht de koning, de echtgenoot van haar vriendin Devayânî, op een afgezonderde plek haar in staat te stellen ook een zoon te krijgen. (Vedabase)
Zich herinnerend wat S'ukra had gezegd toen hij instructie verschafte voor een moment als dit, nam hij, door die prinses verzocht een zoon met haar te hebben, vanuit zijn eigen plichtsbesef en de algemene religieuze beginselen het besluit om aan haar toe te geven [vergelijk B.G. 7: 11].
Toen prinses S'armishthhâ koning Yayâti om een zoon smeekte, was de koning zich zondermeer bewust van de religieuze principes en stemde er daarom in toe om haar verlangen te vervullen. Hoewel hij zich de waarschuwing van S'ukrâcârya herinnerde, dacht hij dat deze vereniging het verlangen van de Allerhoogste was, en daarom bedreef hij seks met haar. (Vedabase)
Yadu en Turvasu waren degenen die geboorte namen uit Devayânî en Druhyu, Anu en Pûru waren er van S'armishthhâ, de dochter van Vrishaparvâ.
Devayânî bracht Yadu en Turvasu ter wereld en S'armishthhâ werd de moeder van Druhyu, Anu en Pûru. (Vedabase)
Ontdekkend dat S'armishthhâ in verwachting was van hem vertrok Devayânî, kokend van woede, trots als ze was naar de woning van haar vader.
Toen de trotse Devayânî via bronnen van buitenaf vernam dat S'armishthhâ zwanger was van haar echtgenoot, werd ze uitzinnig van woede. In die toestand ging ze naar het huis van haar vader. (Vedabase)
Zijn lieveling, de lust van zijn leven, achterna gegaan, probeerde hij haar gunstig te stemmen met veelbetekenende woorden maar hij kon haar zelfs niet tot vrede bewegen door haar voeten te masseren.
Koning Yayâti, die erg wellustig was, volgde zijn vrouw, pakte haar vast en probeerde haar te kalmeren door aangename woorden te spreken en haar voeten te masseren, maar hij kon haar op geen enkele manier tevredenstellen. (Vedabase)
S'ukra kwaad op hem zei: 'Jij rokkenjagende bedrieglijke kerel, moge jou, dwaas, de ouderdom toevallen die het menselijk lichaam misvormt.'
S'ukrâcârya was buitengewoon boos. "Jij leugenachtige dwaas! Vrouwenjager!" riep hij uit. "Je hebt een grote fout begaan en daarom vervloek ik je dat je overvallen en misvormd zal worden door ouderdom en invaliditeit." (Vedabase)
S'rî Yayâti zei: 'Tot nu toe is mijn lust nog niet bevredigd met uw dochter, o brahmaan!'
[S'ukra antwoordde:] 'Zolang u nog van de lust bent mag u uw gedenkwaardigheid inwisselen voor de jeugd van iemand die bereid is uw plaats voor u in te nemen.'
Koning Yayâti zei: "O geleerde, eerbiedwaardige brâhmana, ik heb mijn verlangens nog niet kunnen bevredigen met uw dochter." Daarop antwoordde S'ukrâcârya: "Je kunt je ouderdom verruilen met iemand die ermee instemt om zijn jeugd aan jou te geven." (Vedabase)
En zo greep hij de kans om van plaats te verwisselen met zijn oudste zoon hem vragend: 'O Yadu, geliefde zoon, schenk me alsjeblieft je jeugd in ruil voor deze ouderdom!
Toen Yayâti deze zegen van S'ukrâcârya ontvangen had, verzocht hij zijn oudste zoon: "Mijn beste zoon Yadu, geef me alsjeblieft jouw jeugd in ruil voor mijn ouderdom en invaliditeit." (Vedabase)
Met wat de vader van je moeder me gaf mijn beste zoon, ben ik niet bevredigd in mijn zinnelijke behoeften, sta het me toe bij het goede van jouw leeftijd nog een paar jaren meer van het leven te genieten!' [zie ook 7.5: 30]
"Mijn beste zoon, mijn seksuele verlangens zijn nog niet bevredigd. Maar als je me een dienst wilt bewijzen, kun je de ouderdom die me door je grootvader van moederskant gegeven is op je nemen en kan ik jouw jeugd overnemen zodat ik nog een paar jaar van het leven kan genieten." (Vedabase)
S'rî Yadu zei: 'Het stemt me niet gelukkig uw oude dag op me te nemen terwijl u zich in de jeugd verheugd. Zonder [het hebben gehad van] de ervaring van lichamelijk geluk zal een persoon [als ik] nimmer onverschillig raken over materiële genoegens!' [zie ook: 7.12: 9-11 en B.G 4: 13]
Yadu antwoordde: "Mijn beste vader, u heeft de ouderdom reeds bereikt, maar u bent ook een jongeman geweest. Ik wil uw ouderdom en invaliditeit echter niet, want iemand die geen materieel geluk ervaren heeft, kan niet tot onthechting komen." (Vedabase)
De vader vroeg het aan Turvasu, Druhyu en aan Anu, o zoon van Bharata, maar ze weigerden het te aanvaarden omdat ze, niet bekend met de ware aard [van de ziel], hun tijdelijkheid aanzagen voor iets blijvends.
O Mahârâja Parîkshit, Yayâti verzocht eveneens zijn zoons Turvasu, Druhyu en Anu om hun jeugd voor zijn ouderdom te verruilen, maar omdat zij de religieuze principes niet kenden, dachten ze dat hun kortstondige jeugd eeuwig was en weigerden daarom het bevel van hun vader uit te voeren. (Vedabase)
Hij vroeg het aan Pûru hoewel hij een jongere zoon was, hem zeggend: 'Mijn beste zoon, jij bent van een beter gehalte, jij zou me niet, zoals je oudere broers, moeten weigeren.'
Daarop verzocht Yayâti Pûru, die weliswaar jonger was maar betere eigenschappen had dan zijn drie broers: "Mijn beste zoon, wees niet ongehoorzaam zoals je oudere broers, want dat is je plicht niet." (Vedabase)
S'rî Pûru zei: 'Wie o Koning, beste onder de mensen, krijgt in deze wereld de gelegenheid de vader terug te betalen die hem dit lichaam schonk; bij zijn genade is het mogelijk dat hij een hoger leven kan genieten.
Pûru antwoordde: O majesteit, wie in deze wereld kan de schuld aan zijn vader terugbetalen? Door de genade van onze vader krijgen we de menselijke levensvorm, die ons in staat stelt om een metgezel van de Allerhoogste Heer te worden. (Vedabase)
Hij die handelt naar de wensen van zijn vader is de beste, hij die handelt naar wat hem wordt opgedragen is maar middelmatig en van een laag allooi is hij die handelt zonder geloof te hechten, maar als stront is hij die tegen het woord van zijn vader ingaat.'
Een zoon die handelt omdat hij weet wat zijn vader van hem verwacht is het best; een zoon die handelt na een bevel van zijn vader te hebben ontvangen is middelmatig en een zoon die het bevel van zijn vader zonder enig respect uitvoert is het minst. Maar een zoon die weigert om het bevel van zijn vader uit te voeren is precies als de ontlasting van zijn vader. (Vedabase)
Op deze manier was het genoegen geheel aan Pûru om de last van zijn vader's ouderdom op zich te nemen, en die was zeer ingenomen met al de verlangens die hoorden bij de jeugd van zijn zoon waar hij om gevraagd had, o heerser over de mensen.
S'ukadeva Gosvâmî zei: O Mahârâja Parîkshit, op deze manier was Pûru heel blij om de ouderdom van zijn vader, Yayâti, op zich te nemen en nam Yayâti de jeugd van zijn zoon over en genoot van deze materiële wereld zoals hij gewenst had. (Vedabase)
Als de meester over het geheel van de zeven continenten regeerde hij als een vader over zijn onderdanen, zoveel als hij maar wilde het materiële geluk genietend zonder enige beperking van zijn zinnen.
Daarna werd koning Yayâti keizer van de hele wereld, die uit zeven eilanden bestaat, en regeerde over de burgers als een vader. Omdat hij de jeugd van zijn zoon had overgenomen, waren zijn zintuigen onverzwakt en genoot hij naar hartelust van materieel geluk. (Vedabase)
Devayânî diende eveneens vierentwintig uur per dag als de liefste van haar geliefde in alle beslotenheid met haar hele lichaam, geest en woorden en alles wat erbij nodig was om hem de goddelijke verrukking te bezorgen.
Devayânî, de geliefde vrouw van Mahârâja Yayâti, bezorgde haar echtgenoot op afgezonderde plaatsen met behulp van haar geest, woorden, lichaam en diverse benodigdheden altijd de hoogst mogelijke transcendentale gelukzaligheid. (Vedabase)
Met verschillende rituelen Hari aanbiddend, de Persoonlijkheid van het Offer, de God en het Reservoir van alle Goddelijkheid en Het Voorwerp van Alle Vedische Kennis, was Yayâti van een overvloedige liefdadigheid.
Koning Yayâti verrichtte verschillende offers, waarbij hij overvloedig schenkingen deed aan de brâhmana's om de Allerhoogste Heer, Hari, die de oorsprong van alle halfgoden en het doel van alle vedische kennis is, tevreden te stellen. (Vedabase)
Gelijk een massa wolken in de lucht doet heel de, in Hemzelf, geschapen wereld zich dan weer voor als een verscheidenheid aan levensvormen, en dan weer vertoont hij zich niet, als was hij een creatie van de geest zoals in een droom [zie ook B.G. 7: 24-25].
De Allerhoogste Heer, Vâsudeva, die de kosmische openbaring geschapen heeft, manifesteert Zich als de alomtegenwoordige, net als de hemel die de wolken bevat. En wanneer de schepping wordt ontbonden, keert alles terug in de Allerhoogste Heer Vishnu, en is er geen sprake meer van verscheidenheid. (Vedabase)
Zeker van Hem, Heer Vâsudeva in zijn hart, de Ene Nârâyana die in een ieder aanwezig is maar zichtbaar is voor niemand, aanbad hij vrij van verlangens de Allerhoogste Meester.
Zonder enig materieel verlangen vereerde Mahârâja Yayâti de Allerhoogste Heer, die Zich in ieders hart bevindt als Nârâyana en onzichtbaar is voor materiële ogen, hoewel Hij alomtegenwoordig is. (Vedabase)
Hoewel hij aldus voor de periode van een duizendtal jaren te werk ging met de geest en de vijf zinnen in een idee van werelds geluk, kon hij, onzuiver in zijn sensualiteit, niet bevredigd raken, zelfs al was hij de heerser over allen.
Hoewel Mahârâja Yayâti koning van de hele wereld was en hij zijn geest en vijf zintuigen gebruikte om duizend jaar lang van materieel bezit te genieten, kon hij geen voldoening vinden. (Vedabase)
* Swâmi Prabhupâda verklaart: 'Kaca, de zoon van de geleerde hemelse priester Brihaspati, was een voormalig student van S'ukrâcârya, van wie hij de kunst van het weer opnieuw tot leven wekken van een voortijdig gestorven mens had geleerd. Deze kunst, genaamd mrita-sañjîvanî, werd met name in tijden van oorlog toegepast. Als er eens een oorlog was, zouden er ongetwijfeld soldaten vroegtijdig de dood vinden, maar als zijn lichaam nog intact was, kon hij weer tot leven worden gewekt door deze mrita-sañjîvanî kunst. Deze kunst was S'ukrâcârya bekend en ook vele anderen, en Kaca, de zoon van Brihaspati, werd S'ukrâcârya's leerling om dit onder de knie te krijgen. Devayânî verlangde naar Kaca als haar echtgenoot, maar Kaca, uit achting voor S'ukrâcârya, beschouwde de dochter van de goeroe als een te respecteren hoger geplaatste en weigerde daarom met haar te trouwen. Devayânî vervloekte kwaad Kaca hem zeggend dat hoewel hij de mrita-sañjîvanî kunst had geleerd van haar vader, het hem van geen nut zou zijn. Eenmaal zo vervloekt, sloeg Kaca terug met de vloek dat Devayânî nooit een man zou hebben die een brâhmana was.'
Voor
deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
Srîmad Bhâgavatam
linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van
Prabhupâda.
Het eerste schilderij op deze pagina is van Dhriti
devî dâsî.
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd