A|B|C|D|E|F|G|H|I|J|K|L|M|N|O|P|Q|R|S|T|U|V|W|X|Y|Z

 

N

 

Nābhi: een koning, de zoon van Āgnīdhra en kleinzoon van Priyavrata die een zoon was van Manu, die een zoon wensend van Merudevī die kinderloos was, met grote aandacht gebeden opdroeg in aanbidding van Vishnu, en zo de vader werd van de avatāra Rishabha (zie 5.3).

Nāga's: hemelslangen, bewoners van Nāgaloka (zie ook Ananta S'esha); hebben een menselijk gezicht maar een slangenlijf. Bekende slangen: Vāsuki van het karnen van de oceaan op de rug van Kūrma en Takshaka, de slangenvogel die keizer Parikchit doodde aan het eind van de voorlezing van het Bhāgavatam door S'uka.

- Slangeduivel.

- Mensen met slangachtige lichamen of zo'n karakter.

- Een wrede persoon.

- De lucht die vrijkomt bij het boeren (een van de vijf luchten van het lichaam).

- De beste of meest uitmuntende van een soort.

Nāma: naam, heilige naam, zie ook Harināma.

Nāmācārya: leraar in het chanten van de heilige naam (zie ook ācārya).

Nārada Muni: een grote toegewijde van de Heer, die overal in de geestelijke en stoffelijke wereld vrij rondbeweegt om de heerlijkheid van de Heer te verkondigen (wordt ook als een avatāra gezien en bhagavān genoemd). Zijn verhaal staat beschreven in 1.5: 23-31. Hij werd vervloekt door Daksha vanwege het bederven van de jongeren met zijn bepleiten van de wereldverzakende orde in 6.5; zijn voorgaand leven beschrijft hij in 7.15. 69-77, het C anto dat geheel bestaat uit zijn instructies.

- Eerste onder de toegewijden, beschermheer van de toegewijden. Zuivere transcendentale persoonlijkheid, leraar van Vyāsa deva, leerling van Brahmā. Bekend met zijn vinā (snaarinstrument).

- Zette Vyāsadeva ertoe aan het Bhāgavatam te schrijven.

- Hij wordt gerekend onder de tien zonen van Brahmā, de mahārishi's en de mahājana's.

- Behoort tot de Pańca-tattva in de gedaante van S'rī Vāsādi.

Nārada-pancarātra: Nārada Muni's boek over de methoden van mūrti-aanbidding en mantra-meditatie.

Nārāyana: (pad der mensen, God van de mensen, zoon van de oorspronkelijke mens): Vishnu-tattva-avatāra. Hij in wie allen verblijven. Wordt vier-armig voorgesteld als degeen die de wereldse verleidingen weerstaat in voorspiegeling van de hemelse schoonheden.

- Volkomen expansie van Krishna met vier handen, die respectievelijk een schelp, een werpschijf, een knots en een lotus vasthouden.

- Heer van de hemelen, de Vaikunthha werelden.

- Naam van de Allerhoogste Godspersoon, Hij die de oorsprong en het doel van alle levende wezens is (zie ook Vishnu, en purusha).

- Het deel (of de leidraad) van God met betrekking tot de mens, die bron van waaruit de wateren ontsprongen (10.14: 14).

- Monier Williams woordenboek: 'de zoon van de oorspronkelijke Mens met wie hij in het algemeen wordt geassocieerd; hij wordt vereenzelvigd met Brahmā, met Vishnu of Krishna; van the Apsara Urvas'i zegt men dat ze voortkwam uit zijn dijbeen; elders wordt hij beschouwd als zijnde Kas'yapa of Angirasa, ookwel als de leider van de Sādhya's, en met de Jains als de achtste van de negen zwarte Vāsudeva' s; de Purusha-hymne werd naar verluid door Hem opgesteld.....'

Nahusha: Voorouder van Yadu. Van een zoon van Purūravā, Āyu, was er de machtige zoon Nahusha en nog anderen. Nahusha kreeg Yati en Yayāti (ook Nāhusha genaamd) als zijn zonen plus nog vier andere (9.17: 1-3). Hij stond erom bekend dat hij door de brahmanen er toe werd gedwongen om afstand te doen van zijn verheven positie, vanwege het beledigen van Indra's vrouw S'acī, waardoor hij afzakte tot het leven van een slang (9.18: 3).

- S'rīdhara Svāmī: hij raakte opgeblazen toen hij tijdelijk de positie van Indra aannam. Toen Nahusha uit trots enkele brahmanen gebood hem in een draagstoel te brengen naar een illegitieme ontmoeting met I ndra's kuise vrouw, S'acī, brachten de brahmanen hem ten val uit zijn positie en maakten ze dat hij een oude man werd.

Naimishāranya: het heilige woud in centraal India dat wordt beschouwd als het exacte middelpunt van het universum. Hier luisterden de wijzen naar Sūta Gosvāmī die het verhaal vertelde van S'ukadeva Gosvāmī die het Bhāgavatam uiteenzette voor Parīkchit (zie S.B. 1.1: 4).

Nais (-kama) karma: onbaatzuchtig werk vrij van begeerte (zie akarma).

Naiskarma: zie akarma.

Nakula: een van Arjuna's jongere broers; tweelingbroer van Sahadeva.

Nanda Mahārāja: de koning van Vraja, Heer Krishna's pleegvader.

Nanda-nandana: een naam van de Hoogste Persoonlijkheid van God Krishna, als de zoon en lieveling van Nanda Mahārāja

Nanda en Sunanda: belangrijkste metgezellen van de Heer in Vaikunthha die Dhruva aan het eind van zijn leven kwamen halen in een hemelse wagen en hem met wijsheid toespraken (4.12: 23-27).

- Nanda en Sunanda als de pleegvader van Krishna en zijn jongere broer (10.34: 4).

Naraka: hel, de helse planeten, een hels leven, beschreven in 5.26.

- Een andere naam voor Bhaumāsura.

Nara-Nārāyana: een incarnatie van Heer Krishna verschijnend als twee wijzen om met hun voorbeeld de praktijk van de boetedoening te onderrichten (zie 5.19: 9-15 2.7: 6, 4.1: 49-57, 11.4, 12.8: 35).

- Van Mūrti, de vrouw van Dharma en de dochter van Daksha, nam Hij de gedaante aan van Nara-Nārāyana (mens, de weg van de mens). Met het aldus onder ogen zien van Zijn persoonlijke boetedoeningen zou de Opperheer nimmer Zijn geloften gebroken zien met de hemelse schoonheden die met Cupido tot hem kwamen (2.7: 6).

- Monier-Williams woordenboek: 'Nara: the primeval Man or eternal Spirit pervading the universe (always associated with Nārāyana, son of the primeval man'), both are considered either as gods or sages and accordingly called devau.'

- De wijze Nārāyana: vanaf het begin van de dag van Brahmā heeft hij enkel voor het welzijn, in dit en het volgende leven, van de menselijke wezens zich houdend aan het dharma, de jńāna en de zelfbeteugeling in Bhārata-varsha, zich bezig gehouden met boetedoeningen (zie 10.87: 6).

Narādhama: (letterlijk: laagsten onder de mensen) degenen die maatschappelijk en politiek ontwikkeld zijn, maar er geen religieuze beginselen op nahouden.

Narottama dāsa Thhākur: vaishnava-geestelijk leraar in de geestelijke erfopvolging van Heer S'rī Caitanya Mahāprabhu; leerling van Krishna dāsa Kavirāja Gosvāmī en geestelijk leraar van Vis'vanātha Cakravartī Thhākur. Componeerde veel van de Vaishnava Bhajans.

Nastān: vernietigd zijn van de onachtzamen.

- nasta als verbreking van de erfopvolging; verstrooid.

Natuur, stoffelijke of materiėle: andere naam voor energie,stoffelijke (zie sakti, dharma, māyā, yoga-māyā).

Nava-mūrti: de negen gedaanten van de Heer: de catur vyūha (Vāsudeva, Sankarshana, Pradyumna, Aniruddha) Nārāyana, Varāha, Nrisimha, Hayagrīva, en Vāmana (ook wordt Brahmā vermeld i.p.v. de laatstgenoemde) (zie ook 11.16: 32).

Nava-yogendra's: zie yogendra.

Nawab Hussain Shah: de moslim bestuurder van Bengalen in de tijd van Heer S'rī Caitanya Mahāprabhu's verschijnen.

Neti neti: noch dit noch dat: de manier waarop Prahlāda mediteert op de essentie van de Ziel. Zie 7.7: 23 en ook 12.6: 32-33.

Niet-toegewijde: iedereen die, in tegenstelling tot de toegewijde, de beginselen van de toegewijde dienst negeert of afwijst.

Nidhana: (zonder bezittingen, arm, maar ook: settelen, vernietigen, een einde vinden) wat allen overkomt die overwonnen zijn. Term voor iedereen die werd verslagen te Kurukshetra (11.19: 12).

Nidhi's: De acht schatten of nidhis van Kuvera van wie wordt gezegd dat hij ook maar acht tanden heeft:

- S'rīla S'rīdhara Svāmī maakt melding van: padma, mahāpadma, matsya, kūrma, audaka (groeiend in water), nīla, mukunda en s'ankha.

- Of volgens het M.W. lexicon: padma (zuiverheid, lotus), mahāpadma (grote lotus, een toevlucht), makara (matsya, de vis, houdt verband met het kruin-juweel of de haaienvormige oorhangers van Krishna), kacchapa (ook kūrma, ondersteuning of schildpad), mukunda (schenker van bevrijding), nanda (geluk, of een fluit), nīla (een verblijfplaats) en karva (liefde). Ze worden ook vereenzelvigd met de acht bedienden van Kuvera of Lakshmī.

Nihilisme: atheļstische leer volgens welke alles oorspronkelijk uit de 'leegte' komt en er uiteindelijk weer in zal terugkeren (zie Mayavadī's).

Nimi: zoon van Ikshvāku en vader van een zoon genaamd Vaideha; hij stond ook bekend als Videha omdat hij zijn lichaam kwijt raakte vervloekt als hij was door Vas'ishthha vanwege het niet opvolgen van instructies. De goddelijken die hem probeerden tot leven te wekken ontkende hij de wens tot leven te komen en dus werd zijn lichaam gekarnd. Om die reden werd de zoon Vaideha geboren uit dat karnen en de stad die hij grondvestte Mithila genoemd (zie 9.13 voor zijn verhaal). De dynasty onderhield altijd goede banden met de Vishnu-avatāra, S ītā de vrouw van Rāma kwam uit die dynastie voort via Koning Janaka en ook Krishna kon het prima vinden met de deugdzame heerser Bahulas'va van Mithila (zie 10.87).

Nimitta: de materiėle oorzaak, de directe, werkzame oorzaak. De tijdsspanne of het moment dat aanleiding geeft tot de gebeurtenis (zie ook kārana).

Nimitta-matram: de achterliggende oorzaak; logica naar de causaliteit van het goddelijke (zie ook kārana, upādāna).

Nirahankāra: vrij van vals ego (zie ahamkāra).

Nirās'īh: belangeloosheid; leidmotief voor gehoorzaamheid aan de geestelijk leraar.

Nirguna: boven de geaardheden uitgestegen zijn. Aard van het Krishna-bewustzijn (zie guna).

- Eigenschap van K rishna als zijnde vrij van de invloeden van de materiėle natuur (zie ook Adhokshaja).

Nirguna-brahma: de onpersoonlijke opvatting van de Absolute Waarheid als zijnde zonder eigenschappen.

Nirmama: (zie ook aparigraha) onverschillig, onzelfzuchtig, vrij van bezitsdrang of hebzucht, gelofte van armoede, delen met anderen (zie ook yama en de S'ikshāshthaka).

Nirukta: het proces en de praktijk van het expliciet gebruik maken van de namen van de Heer in het hardop uitspreken, uitleg geven over en definiėren van de mantra's en verzen zoals ze zijn neergelegd en zo te komen tot de kennis van de Veda's.

Nirvāna: het einde van materiėle activiteiten en van het materiėle bestaan, hetgeen voor de Vaishnava's geen ontkenning van geestelijke activiteiten en een geestelijk bestaan betekent (zie b.v. 11.9: 12).

- Zijnstoestand waarin het stoffelijk bestaan wijkt en welk voorafgaat aan alle geestelijke, toegewijde activiteit.

- Uiteindelijke emancipatie, zaligheid, complete gelukzaligheid, volmaakte kalmte, verzonken zijn, tot rust gekomen, uitgedoofd, roerloos en onverzettelijk, opgelost.

Nishāda: zie Bāhuka.

Nitya: eeuwig (continuering, behoud).

Nitya-mukta: eeuwig bevrijd. Kenmerk van het bevrijdde, geestelijk wezen. Staat van de meeste levende wezens. Ook wel nitya-siddha genoemd staande tegenover nitya-baddha, eeuwig gebonden (zie ook: s varūpa).

- De vraag wat betreft het verwarrende tegelijkertijd eeuwig gebonden en eeuwig bevrijd zijn van een ziel werd naar voren gebracht door Uddhava in 11.10: 35-37.

Nityānanda: Pańca-tattva-incarnatie (avatāra) van Heer Balarāma. De oorspronkelijke geestelijk leraar van de Caitanya-missie. Belangrijkste (eeuwige) metgezel van Heer Caitanya. Ook als Bhagavān geėerd. Was grihastha.

- Incarnatie van Heer Baladeva (zie B alarāma)

Nivritti-mārga: het pad van de verlossing (zie ook apavarga). Er zijn twee dharma's: nivritti en pravritti of plichten in samenhang met onthechting en plichten in samenhang met gehechtheid (zie ook 3-32: 2, 4.4: 20, 7.15: 47, 11.10: 4).

Niyama: (beperken, tegenhouden, terughouden, voorkomen, beheersen) Krishna's term voor regulatie, de dingen die men in de toegewijde dienst moet doen.

- Volgens Krishna: 'reinheid (intern en extern), het bidsnoer doen, boete doen, ascese, opoffering, vertrouwen koesteren, gastvrijheid, Mij aanbidden, heilige plaatsen bezoeken, optreden en verlangen ter wille van het Allerhoogste, tevredenheid en het dienen van de geestelijk leraar' (zie 11.19: 33-35).

- bij Patańjali is niyama het tweede onderdeel van de achtvoudige yoga betreffende de inachtnemingen. Onderdelen: s'auca (reinheid), tapas, (boete), svādhyāya (studie), santosha (tevredenheid), dhānam (liefdadigheid) of īs'varapranidhāna (zich voor Hem inzetten).

- Iedere vaststaande regel, wet, noodzaak, verplichting, overeenkomst.

Niyamya: ingeperkt hebben of ingeperkt zijn, begrensd, tegengehouden, gebonden, teruggebracht, gedefinieerd.

Nriga: koning in the sūrya-vams'a die in een kameleon veranderde vanwege een affaire over het bestelen van een brahmaan, maar werd verlost door Krishna (9.1: 11-12, 9.2: 17 & 10: 64).

Nrisimha-deva: half-mens half-leeuw incarnatie van Krishna die Prahlāda Mahārāja bevrijdde door de demonisch heerser Hiranyakas'ipu te doden.

Nyāya: methode, standaard, regel, axioma, plan, manier, de juiste manier, gerechtigheid, logisch argument of gevolgtrekking (zie verder darshana' s, nyāyika en pramāna).

Nyāya-s'āstra: de Vedische wetenschap van de epistemologie (kennisleer, wetenschapstheorie); 'Het wordt van de nyāya -s'āstra, begrepen dat de kennis van een voorwerp (prameya) afhangt van een geldige manier van kennen (pramāna)' (11.21: 10; pp 10.86: 54).

Nyāyika: Logica; standaard logica in de vedische filosofie omvat (ongeveer zoals de cartesiaanse methode van twijfel, indeling, ordening en volledigheid):

vishaya, de algemene uitgangsstelling,
sams'aya, de uitdrukking van twijfel,
pūrva-paksha, het tegenargument,
siddhānta, of de conclusie
sangati, de samenvatting.

De sangati, of het laatste woord, is dat men een zuivere toegewijde van de persoonlijkheid van God moet worden en de Heer Zijn lotusvoeten moet aanbidden (zie ook 11.3: 35-40, zie ook S'rīla Bhaktisiddhānta Sarasvatī Thhākur als aangehaald in pp 11.3: 40).

- Kavirāja Gosvāmī zei hiertoe, s'rī-krishna-caitanya-dayā karaha vicāra vicāra karile citte pābe camatkāra:'Als je je inderdaad interesseert in logica en argumenteren, wees dan zo aardig ze aan te wenden ten behoeve van S'rī Caitanya Mahāprabhu. Als je dat doet, dan zal je dat opmerkelijk wonderbaarlijk vinden.' (Cc. Ādi 8.15).

 

  

  Doorzoek het Lexicon

 

Sanskriet Woordenboek

 

S'rīmad Bhāgavatam | Bhagavad Gītā | Zingende Filosoof
 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties