regelbalk

 

Vibhâvarî S'esha

 

 

 

Canto 11

 

Hoofdstuk 21

 

Over het Onderscheid tussen Goed en Kwaad

(1) De Allerhoogste Heer zei: 'Zij die het met deze manieren bestaande uit de toewijding, de kennis en het werk dat moet worden gedaan om Mij te bereiken opgeven, worden met het onbeduidende van de met de zintuigen wisselvallige lusten die ze cultiveren, geconfronteerd met het eindige van het leven. (2) De standvastigheid van een ieder in zijn positie als zodanig wordt verklaard de deugd te zijn en het tegengestelde is inderdaad de ondeugd; dit is de slotconclusie wat betreft de twee [zie ook B.G. 2: 16]. (3) Een bepaald voorwerp moet worden beoordeeld vanuit dezelfde categorie van voorwerpen en aldus wordt voor de bedoeling van de religie het zuivere en onzuivere, voor de normale aangelegenheden de deugd en de ondeugd en voor iemands fysieke overleven het gunstige en ongunstige vastgesteld, o zondeloze. (4) Deze werkwijze [van onderscheid maken tussen goed en kwaad] wordt door Mij geopenbaard ter wille van hen die de last der religieuze beginselen dragen. (5) Aarde, water, vuur, lucht en ether zijn de vijf basiselementen die, van heer Brahmâ af aan tot aan de niet-bewegende levende wezens, de lichamen uitmaken van alle levende wezens die zich gelijkelijk verhouden tot de Opperziel. (6) Hoewel gelijk in hun elementen worden, in relatie tot hen, Uddhava, door de Veda verschillende namen en vormen opgeworpen terwille van het behartigen van hun eigenbelang [zie varnâs'rama].

(7) O meest waarachtige, de positieve kwaliteit en het nadelige van de tijd en de ruimte en zo voorts van de vormen van bestaan en van de dingen, worden door Mij ingesteld om zeker te zijn van de inperking van de baatzuchtige handelingen. (8) Onder de plaatsen zijn de plaatsen waar er geen respect bestaat voor het brahmaanse en de gevlekte antilopen niet te vinden zijn, verdorven; en zelfs al zijn er antilopen [overgebleven, d.w.z. niet allemaal gedood] is een plaats verstoken van heilige mannen van cultuur, een onbeschaafde plaats waar de praktijken onrein zijn en de aarde geen wezenlijk nut heeft [zie mleccha en *]. (9) Die tijd is goed en geldig welke, dan wel door zijn eigen aard [de niet op winst begrepen tijd van de natuur] of op dezelfde manier naar de persoon [de Heer, of het voorwerp, de lakshmî, de tijd voor het oogsten etc.], geschikt is voor het doen van je voorgeschreven plicht; en slecht en in overtreding is die tijd die je in je plichtsvervulling belemmert, de tijd niet geschikt om arbeid te verrichten [de lustmatig en baatzuchtig begrepen tijd, zie 11.20: 26, kâla en kâlakûtha **]. (10) Het zuivere en onzuivere van een ding [of: de substantie] is er aan de hand van een ander ding, bij wat men erover zegt en aan de hand van een ritueel of anders aan de hand van de tijd of overeenkomstig de relatieve grootte ervan [zie ***]. (11) Afhankelijk van iemands macht dan wel onmacht, de intelligentie en de groei van de weelde, als ook naar gelang iemands toestand of plaats, veroorzaakt het bij iemand een overeenkomstige zondige [dan wel lofwaardige] reactie. (12) Met de tijd, met lucht, met vuur, met aarde en met water in combinatie of afzonderlijk [vergaan zo ook] de granen, zaken van been of hout, draad en vloeistoffen, zaken gewonnen uit het vuur en huiden en dingen van klei. (13) Dat wat in aanraking met het onzuivere een kwalijke geur of vuil wegneemt, en zo de oorspronkelijke staat herstelt van dat voorwerp, dat wordt wat dat betreft beschouwd als zijnde zuiverend. (14) Door te baden, door liefdadigheid en verzaking, naar gelang zijn leeftijd, zijn heldenmoed, rituele zuivering en zijn voorgeschreven plichten behoort een tweemaal geboren man [: de doener] in de heugenis van Mij, te werk te gaan naar het zuivere, de reinheid van het zelf. (15) De zuivering ontleend aan een mantra volgt zo op de juiste kennis ervan en de zuivering door een bepaalde handeling volgt zo op de toewijding die men voor Mij heeft; de religiositeit wordt gerealiseerd door de zes [zoals vermeld: de plaats, de tijd, de substantie, de mantra's, de doener en de toegewijde handeling] maar het areligieuze volgt op het tegengestelde.

(16) Soms echter verandert een deugd in een ondeugd en verandert een ondeugd bij machte van de vedische instructie in een deugd; het is in feite met betrekking tot deze beperking van beiden dat het onderscheid weg valt [4*]. (17) Het zelfde karma is voor hen die ten val zijn gekomen niet de oorzaak van een val; met hem die het onderspit dolf niet verder ten val komend wordt de natuurlijke gehechtheid een deugd. (18) Waar men ook van afziet, daarvan raakt men bevrijdt - dit vormt voor menselijke wezens de grondslag van het dharma dat het lijden, de angst en de begoocheling wegneemt. (19) Er van uitgaande dat de voorwerpen van de zinnen het goede zijn, werpt zich vanuit die aanname de gehechtheid van een persoon op, aan die gehechtheid ontspringt de lust en aan de lust zo de ruzie onder de mensen. (20) Door de ruzie is er de woede moeilijk om mee om te gaan en de onwetendheid die volgt op de woede; aldus wordt een man zijn ruimdenkendheid snel gegrepen door de duisternis. (21) O heilige ziel, een levend wezen verstoken van dat [ruimere bewustzijn] wordt leeghoofdig zodat, als gevolg van het wegvallen van zijn levensdoelen, hij zo dom als de materie zo goed als dood is [vergelijk B.G.: 2: 62-63]. (22) Bovenmate verzonken in het zinnelijke kent hij, zinledig levend naar de levensstijl van een boom, niet zichzelf noch de ander en is zijn ademen slechts gepomp. (23) Die beloningen waar de geschriften het over hebben zijn voor de mens niet het hoogste goed; ze zijn enkel maar prikkels met het idee om aan te sporen tot het uiteindelijke goed, precies zoals het is als men iemand aanspoort tot het innemen van een medicijn. (24) Enkel door geboren te zijn weerstaan stervelingen, in de geest gehecht aan de zaak van hun voorwerpen van begeerte, hun vitale functies en hun luitjes, de bedoeling van hun ziel. (25) Onderworpen [in religieuze zin] zijn ze onwetend qua hun ware eigenbelang verdoold op het pad van de rampspoed; om welke reden zouden de intelligenten [het vedisch gezag] hen die de duisternis binnengaan ertoe aanzetten met dat alles door te gaan? [zie ook 5.5: 17] (26) Sommigen, op deze manier met een geperverteerde intelligentie niet de feitelijke conclusie begrijpend, spreken in bloemrijke bewoordingen van de materiële beloningen waar degene die de Veda's kent inderdaad niet over rept [zie ook B.G. 2: 42-44]. (27) De wellustigen, miserabelen en begeertigen zien de bloemen aan voor de uiteindelijke waarheid; begoocheld door het vuur kennen ze, stikkend in de rook, hun eigen plaats niet [een individuele ziel te zijn i.p.v. een lichaam]. (28) Zij gewapend met hun uitdrukkingen, Mijn beste, kennen Mij niet die zich bevindt in het hart en uit wie dit universum ontsprong - zij, zelfzuchtig, zijn als personen met hun ogen in de mist. (29-30) Zij zonder begrip voor Mijn vertrouwelijke conclusie [zie ook 10.87 en B.G. 9] zijn, indien opgegaan in het sensuele, gehecht aan het geweld dat weliswaar is toegestaan, maar zeker nimmer wordt aangemoedigd in de voorschriften voor het offeren. Er waarlijk behagen in scheppend gewelddadig te zijn met de dieren die in het verlangen naar hun eigen geluk werden afgeslacht, zijn ze in hun met rituelen aanbidden van de goden, de voorvaderen en de leidende geesten, schadelijke mensen. (31) Die onheilige wereld [door hen hooggehouden] staat gelijk aan een droom die aardig klinkend gaat over wereldse prestaties waarmee zij, ingebeeld in hun harten als waren ze een zakenman, het opgeven met de bedoeling [van het realiseren van de ziel]. (32) Mij niet aanbiddend op de juiste wijze aanbidden ze, gevestigd in de geaardheid hartstocht, goedheid en onwetendheid de goden en anderen onder leiding van Indra die zich verheugen in de hartstocht, de goedheid en de onwetendheid [zie ook B.G. 9: 23 en 10: 24 & 25 ]. (33-34) 'Alhier vol van aanbidding zullen we met onze offerplechtigheden voor de goden in de hemel genieten en aan het eind van dat genoegen zullen we op aarde grootse huizenbezitters zijn van een goede komaf', aldus met hun geesten verbijsterd door de bloemrijke woorden voelen ze niettemin, als trotse en hoogst begeertige mensen, zich niet aangetrokken tot Mijn verhandelingen.

(35) De tri-kânda verdeelde Veda's hebben het spirituele begrip van het zelf als hun onderwerp maar ook zijn Mij dierbaar de vedische zieners die zich esoterisch uitdrukken in indirecte bewoordingen [de 'andere goeroes']. (36) Het spirituele geluid [de s'abda-brahman] zich manifesterend in de prâna, de zinnen en de geest kent geen grenzen en is onmetelijk diep als de oceaan. (37) Het onpeilbare, onveranderlijke Absolute van oneindige vermogens [dat Ik ben], is, zoals door Mij wordt uitgedragen [zie omkâra], vertegenwoordigd in de levende wezens in de vorm van de geluidsvibraties, zoals een enkele vezel is in een lotusstengel [zie ook 11.18: 32 en 6.13: 15]. (38-40) Net zoals een spin vanuit zijn lichaamsopening van binnen uit een web afscheidt, manifesteert de adem van God [de prâna] vanuit de ether de geluidsvibratie via de geest in de vorm van de verschillende klankeenheden. Al de vormen vol van nectar omvattend die uitwaaieren in duizenden richtingen, heeft de Meester, met de sier van medeklinkers, klinkers, halfklinkers en sisklanken, Zich uitgebreid vanuit de lettergreep om. Met de ontwikkelde diversiteit aan uitdrukkingen en metrische schikkingen die ieder weer vier extra lettergrepen hebben, schept Hij, en trekt Hijzelf ook weer terug, de enorme grenzeloze uitgebreidheid [van de vedische literatuur, zie ook B.G. 15: 15]. (41) Bij voorbeeld de versmaten Gâyatrî, Ushnik en Anusthup; Brihatî en Pankti als ook Tristhup, Jagatî, Aticchanda, en Atyasthi, Atijagatî en Ativirâth [hebben ieder in deze volgorde telkens vier extra lettergrepen]. (42) Wat zij [karma-kânda] voorschrijven, waar zij [upâsana-kânda] op duiden, welke aspecten ze beschrijven of welke alternatieven zij aldus [jñâna-kânda] literair bieden, dat hart in deze wereld, is buiten Mij aan niemand anders bekend [vergelijk 11.20, B.G. 5: 5, 7: 26, 10: 41]. (43) Ik ben het voorwerp van de voorgeschreven aanbidding en Ik ben het alternatief dat wordt geboden en beargumenteerd; Ik aldus ben de betekenis van al de Veda's die Mij, de bovenzinnelijke geluidsvibratie, vestigen en uitvoerig de materiële dualiteit beschrijven als zijnde simpelweg het illusoire dat moet worden ontkracht om uiteindelijk gelukkig te worden.

 

 

 next        

 
 

 

 

Brontektsen (geen voorgaande versie in het Nederlands beschikbaar):

Lord Krishna's Explanation of the Vedic Path

 

Tekst 1:

De Allerhoogste Heer zei: 'Zij die het met deze manieren bestaande uit de toewijding, de kennis en het werk dat moet worden gedaan om Mij te bereiken opgeven, worden met het onbeduidende van de met de zintuigen wisselvallige lusten die ze cultiveren, geconfronteerd met het eindige van het leven.

The Supreme Personality of Godhead said - Those who give up these methods for achieving Me, which consist of devotional service, analytic philosophy and regulated execution of prescribed duties, and instead, being moved by the material senses, cultivate insignificant sense gratification, certainly undergo the continual cycle of material existence.

 

Tekst 2:

De standvastigheid van een ieder in zijn positie als zodanig wordt verklaard de deugd te zijn en het tegengestelde is inderdaad de ondeugd; dit is de slotconclusie wat betreft de twee [zie ook B.G. 2: 16].

Steadiness in one's own position is declared to be actual piety, whereas deviation from one's position is considered impiety. In this way the two are definitely ascertained.

   

Tekst 3:

Een bepaald voorwerp moet worden beoordeeld vanuit dezelfde categorie van voorwerpen en aldus wordt voor de bedoeling van de religie het zuivere en onzuivere, voor de normale aangelegenheden de deugd en de ondeugd en voor iemands fysieke overleven het gunstige en ongunstige vastgesteld, o zondeloze.

O sinless Uddhava, in order to understand what is proper in life one must evaluate a given object within its particular category. Thus, in analyzing religious principles one must consider purity and impurity. Similarly, in one's ordinary dealings one must distinguish between good and bad, and to insure one's physical survival one must recognize that which is auspicious and inauspicious.

 

Tekst 4

Deze werkwijze [van onderscheid maken tussen goed en kwaad] wordt door Mij geopenbaard ter wille van hen die de last der religieuze beginselen dragen.

I have revealed this way of life for those bearing the burden of mundane religious principles.

 

Tekst 5

Aarde, water, vuur, lucht en ether zijn de vijf basiselementen die, van heer Brahmâ af aan tot aan de niet-bewegende levende wezens, de lichamen uitmaken van alle levende wezens die zich gelijkelijk verhouden tot de Opperziel.

Earth, water, fire, air and ether are the five basic elements that constitute the bodies of all conditioned souls, from Lord Brahmâ himself down to the nonmoving creatures. These elements all emanate from the one Personality of Godhead.

 

Tekst 6

Hoewel gelijk in hun elementen worden, in relatie tot hen, Uddhava, door de Veda verschillende namen en vormen opgeworpen terwille van het behartigen van hun eigenbelang [zie varnâs'rama].

My dear Uddhava, although all material bodies are composed of the same five elements and are thus equal, the Vedic literatures conceive of different names and forms in relation to such bodies so that the living entities may achieve their goal of life.

 

Tekst 7

O meest waarachtige, de positieve kwaliteit en het nadelige van de tijd en de ruimte en zo voorts van de vormen van bestaan en van de dingen, worden door Mij ingesteld om zeker te zijn van de inperking van de baatzuchtige handelingen.

O saintly Uddhava, in order to restrict materialistic activities, I have established that which is proper and improper among all material things, including time, space and all physical objects.

 

 Tekst 8

Onder de plaatsen zijn de plaatsen waar er geen respect bestaat voor het brahmaanse en de gevlekte antilopen niet te vinden zijn, verdorven; en zelfs al zijn er antilopen [overgebleven, d.w.z. niet allemaal gedood] is een plaats verstoken van heilige mannen van cultuur, een onbeschaafde plaats waar de praktijken onrein zijn en de aarde geen wezenlijk nut heeft [zie mleccha en *].

Among places, those bereft of the spotted antelope, those devoid of devotion to the brâhmanas, those possessing spotted antelopes but bereft of respectable men, provinces like Kîkatha and places where cleanliness and purificatory rites are neglected, where meat-eaters are prominent or where the earth is barren, are all considered to be contaminated lands.

 

 Tekst 9

Die tijd is goed en geldig welke, dan wel door zijn eigen aard [de niet op winst begrepen tijd van de natuur] of op dezelfde manier naar de persoon [de Heer, of het voorwerp, de lakshmî, de tijd voor het oogsten etc.], geschikt is voor het doen van je voorgeschreven plicht; en slecht en in overtreding is die tijd die je in je plichtsvervulling belemmert, de tijd niet geschikt om arbeid te verrichten [de lustmatig en baatzuchtig begrepen tijd, zie 11.20: 26, kâla en kâlakûtha **].

A specific time is considered pure when it is appropriate, either by its own nature or through achievement of suitable paraphernalia, for the performance of one's prescribed duty. That time which impedes the performance of one's duty is considered impure.

 

Tekst 10

Het zuivere en onzuivere van een ding [of: de substantie] is er aan de hand van een ander ding, bij wat men erover zegt en aan de hand van een ritueel of anders aan de hand van de tijd of overeenkomstig de relatieve grootte ervan [zie ***].

An object's purity or impurity is established by application of another object, by words, by rituals, by the effects of time or according to relative magnitude.

 

Tekst 11

Afhankelijk van iemands macht dan wel onmacht, de intelligentie en de groei van de weelde, als ook naar gelang iemands toestand of plaats, veroorzaakt het bij iemand een overeenkomstige zondige [dan wel lofwaardige] reactie.

Impure things may or may not impose sinful reactions upon a person, depending on that person's strength or weakness, intelligence, wealth, location and physical condition.

 

Tekst 12

Met de tijd, met lucht, met vuur, met aarde en met water in combinatie of afzonderlijk [vergaan zo ook] de granen, zaken van been of hout, draad en vloeistoffen, zaken gewonnen uit het vuur en huiden en dingen van klei.

Various objects such as grains, wooden utensils, things made of bone, thread, liquids, objects derived from fire, skins and earthy objects are all purified by time, by the wind, by fire, by earth and by water, either separately or in combination.

 

 Tekst 13

Dat wat in aanraking met het onzuivere een kwalijke geur of vuil wegneemt, en zo de oorspronkelijke staat herstelt van dat voorwerp, dat wordt wat dat betreft beschouwd als zijnde zuiverend.

A particular purifying agent is considered appropriate when its application removes the bad odor or dirty covering of some contaminated object and makes it resume its original nature.

 

Tekst 14

Door te baden, door liefdadigheid en verzaking, naar gelang zijn leeftijd, zijn heldenmoed, rituele zuivering en zijn voorgeschreven plichten behoort een tweemaal geboren man [: de doener] in de heugenis van Mij, te werk te gaan naar het zuivere, de reinheid van het zelf.

The self can be cleansed by bathing, charity, austerity, age, personal strength, purificatory rituals, prescribed duties and, above all, by remembrance of Me. The brâhmana and other twice-born men should be duly purified before performing their specific activities.

 

Tekst 15

De zuivering ontleend aan een mantra volgt zo op de juiste kennis ervan en de zuivering door een bepaalde handeling volgt zo op de toewijding die men voor Mij heeft; de religiositeit wordt gerealiseerd door de zes [zoals vermeld: de plaats, de tijd, de substantie, de mantra's, de doener en de toegewijde handeling] maar het areligieuze volgt op het tegengestelde.

A mantra is purified when chanted with proper knowledge, and one's work is purified when offered to Me. Thus by purification of the place, time, substance, doer, mantras and work, one becomes religious, and by negligence of these six items one is considered irreligious.

  

Tekst 16

Soms echter verandert een deugd in een ondeugd en verandert een ondeugd bij machte van de vedische instructie in een deugd; het is in feite met betrekking tot deze beperking van beiden dat het onderscheid weg valt [4*].

Sometimes piety becomes sin, and sometimes what is ordinarily sin becomes piety on the strength of Vedic injunctions. Such special rules in effect eradicate the clear distinction between piety and sin.

 

Tekst 17

Het zelfde karma is voor hen die ten val zijn gekomen niet de oorzaak van een val; met hem die het onderspit dolf niet verder ten val komend wordt de natuurlijke gehechtheid een deugd.

The same activities that would degrade an elevated person do not cause falldown for those who are already fallen. Indeed, one who is lying on the ground cannot possibly fall further. The material association that is dictated by one's own nature is considered a good quality.

 

Tekst 18

Waar men ook van afziet, daarvan raakt men bevrijdt - dit vormt voor menselijke wezens de grondslag van het dharma dat het lijden, de angst en de begoocheling wegneemt.

By refraining from a particular sinful or materialistic activity, one becomes freed from its bondage. Such renunciation is the basis of religious and auspicious life for human beings and drives away all suffering, illusion and fear.

 

Tekst 19

Er van uitgaande dat de voorwerpen van de zinnen het goede zijn, werpt zich vanuit die aanname de gehechtheid van een persoon op, aan die gehechtheid ontspringt de lust en aan de lust zo de ruzie onder de mensen.

One who accepts material sense objects as desirable certainly becomes attached to them. From such attachment lust arises, and this lust creates quarrel among men.

 

Tekst 20

Door de ruzie is er de woede moeilijk om mee om te gaan en de onwetendheid die volgt op de woede; aldus wordt een man zijn ruimdenkendheid snel gegrepen door de duisternis.

From quarrel arises intolerable anger, followed by the darkness of ignorance. This ignorance quickly overtakes a man's broad intelligence.

  

 Tekst 21

O heilige ziel, een levend wezen verstoken van dat [ruimere bewustzijn] wordt leeghoofdig zodat, als gevolg van het wegvallen van zijn levensdoelen, hij zo dom als de materie zo goed als dood is [vergelijk B.G.: 2: 62-63].

O saintly Uddhava, a person bereft of real intelligence is considered to have lost everything. Deviated from the actual purpose of his life, he becomes dull, just like a dead person.

 

 Tekst 22

Bovenmate verzonken in het zinnelijke kent hij, zinledig levend naar de levensstijl van een boom, niet zichzelf noch de ander en is zijn ademen slechts gepomp.

Because of absorption in sense gratification, one cannot recognize himself or others. Living uselessly in ignorance like a tree, one is merely breathing just like a bellows.

 

 Tekst 23

Die beloningen waar de geschriften het over hebben zijn voor de mens niet het hoogste goed; ze zijn enkel maar prikkels met het idee om aan te sporen tot het uiteindelijke goed, precies zoals het is als men iemand aanspoort tot het innemen van een medicijn.

Those statements of scripture promising fruitive rewards do not prescribe the ultimate good for men hut are merely enticements for executing beneficial religious duties, like promises of candy spoken to induce a child to take beneficial medicine.

 

 Tekst 24

Enkel door geboren te zijn weerstaan stervelingen, in de geest gehecht aan de zaak van hun voorwerpen van begeerte, hun vitale functies en hun luitjes, de bedoeling van hun ziel.

Simply by material birth, human beings become attached within their minds to personal sense gratification, long duration of life, sense activities, bodily strength, sexual potency and friends and family. Their minds are thus absorbed in that which defeats their actual self-interest.

 

 Tekst 25

Onderworpen [in religieuze zin] zijn ze onwetend qua hun ware eigenbelang verdoold op het pad van de rampspoed; om welke reden zouden de intelligenten [het vedisch gezag] hen die de duisternis binnengaan ertoe aanzetten met dat alles door te gaan? [zie ook 5.5: 17]

Those ignorant of their real self-interest are wandering on the path of material existence, gradually heading toward darkness. Why would the Vedas further encourage them in sense gratification if they, although foolish, submissively pay heed to Vedic injunctions?

 

 Tekst 26

Sommigen, op deze manier met een geperverteerde intelligentie niet de feitelijke conclusie begrijpend, spreken in bloemrijke bewoordingen van de materiële beloningen waar degene die de Veda's kent inderdaad niet over rept [zie ook B.G. 2: 42-44].

Persons with perverted intelligence do not understand this actual purpose of Vedic knowledge and instead propagate as the highest Vedic truth the flowery statements of the Vedas that promise material rewards. Those in actual knowledge of the Vedas never speak in that way.

 

 Tekst 27

De wellustigen, miserabelen en begeertigen zien de bloemen aan voor de uiteindelijke waarheid; begoocheld door het vuur kennen ze, stikkend in de rook, hun eigen plaats niet [een individuele ziel te zijn i.p.v. een lichaam].

Those who are full of lust, avarice and greed mistake mere flowers to be the actual fruit of life. Bewildered by the glare of fire and suffocated by its smoke, they cannot recognize their own true identity.

 

Tekst 28

Zij gewapend met hun uitdrukkingen, Mijn beste, kennen Mij niet die zich bevindt in het hart en uit wie dit universum ontsprong - zij, zelfzuchtig, zijn als personen met hun ogen in de mist.

My dear Uddhava, persons dedicated to sense gratification obtained through honoring the Vedic rituals cannot understand that I am situated in everyone's heart and that the entire universe is nondifferent from Me and emanates from Me. Indeed, they are just like persons whose eyes are covered by fog.

 

 Tekst 29-30

Zij zonder begrip voor Mijn vertrouwelijke conclusie [zie ook 10.87 en B.G. 9] zijn, indien opgegaan in het sensuele, gehecht aan het geweld dat weliswaar is toegestaan, maar zeker nimmer wordt aangemoedigd in de voorschriften voor het offeren. Er waarlijk behagen in scheppend gewelddadig te zijn met de dieren die in het verlangen naar hun eigen geluk werden afgeslacht, zijn ze in hun met rituelen aanbidden van de goden, de voorvaderen en de leidende geesten, schadelijke mensen.

Those who are sworn to sense gratification cannot understand the confidential conclusion of Vedic knowledge as explained by Me. Taking pleasure in violence, they cruelly slaughter innocent animals in sacrifice for their own sense gratification and thus worship demigods, forefathers and leaders among ghostly creatures. Such passion for violence, however, is never encouraged within the process of Vedic sacrifice.

 

 Tekst 31

Die onheilige wereld [door hen hooggehouden] staat gelijk aan een droom die aardig klinkend gaat over wereldse prestaties waarmee zij, ingebeeld in hun harten als waren ze een zakenman, het opgeven met de bedoeling [van het realiseren van de ziel].

Just as a foolish businessman gives up his real wealth in useless business speculation, foolish persons give up all that is actually valuable in life and instead pursue promotion to material heaven, which although pleasing to hear about is actually unreal, like a dream. Such bewildered persons imagine within their hearts that they will achieve all material blessings.

 

 Tekst 32

Mij niet aanbiddend op de juiste wijze aanbidden ze, gevestigd in de geaardheid hartstocht, goedheid en onwetendheid de goden en anderen onder leiding van Indra die zich verheugen in de hartstocht, de goedheid en de onwetendheid [zie ook B.G. 9: 23 en 10: 24 & 25 ].

Those established in material passion, goodness and ignorance worship the particular demigods and other deities, headed by Indra, who manifest the same modes of passion, goodness or ignorance. They fail, however, to properly worship Me.

 

 Tekst 33-34

'Alhier vol van aanbidding zullen we met onze offerplechtigheden voor de goden in de hemel genieten en aan het eind van dat genoegen zullen we op aarde grootse huizenbezitters zijn van een goede komaf', aldus met hun geesten verbijsterd door de bloemrijke woorden voelen ze niettemin, als trotse en hoogst begeertige mensen, zich niet aangetrokken tot Mijn verhandelingen.

The worshipers of demigods think, 'We shall worship the demigods in this life, and by our sacrifices we shall go to heaven and enjoy there. When that enjoyment is finished we shall return to this world and take birth as great householders in aristocratic families.' Being excessively proud and greedy, such persons are bewildered by the flowery words of the Vedas. They are not attracted to topics about Me, the Supreme Lord.

 

 Tekst 35

De tri-kânda verdeelde Veda's hebben het spirituele begrip van het zelf als hun onderwerp maar ook zijn Mij dierbaar de vedische zieners die zich esoterisch uitdrukken in indirecte bewoordingen [de 'andere goeroes'].

The Vedas, divided into three divisions, ultimately reveal the living entity as pure spirit soul. The Vedic seers and mantras, however, deal in esoteric terms, and I also am pleased by such confidential descriptions.

 

 Tekst 36

Het spirituele geluid [de s'abda-brahman] zich manifesterend in de prâna, de zinnen en de geest kent geen grenzen en is onmetelijk diep als de oceaan.

The transcendental sound of the Vedas is very difficult to comprehend and manifests on different levels within the prâna, senses and mind. This Vedic sound is unlimited, very deep and unfathomable, just like the ocean.

 

 Tekst 37

Het onpeilbare, onveranderlijke Absolute van oneindige vermogens [dat Ik ben], is, zoals door Mij wordt uitgedragen [zie omkâra], vertegenwoordigd in de levende wezens in de vorm van de geluidsvibraties, zoals een enkele vezel is in een lotusstengel [zie ook 11.18: 32 en 6.13: 15].

As the unlimited, unchanging and omnipotent Personality of Godhead dwelling within all living beings, I personally establish the Vedic sound vibration in the form of omkâra within all living entities. It is thus perceived subtly, just like a single strand of fiber on a lotus stalk.

 

 Tekst 38-40

Net zoals een spin vanuit zijn lichaamsopening van binnen uit een web afscheidt, manifesteert de adem van God [de prâna] vanuit de ether de geluidsvibratie via de geest in de vorm van de verschillende klankeenheden. Al de vormen vol van nectar omvattend die uitwaaieren in duizenden richtingen, heeft de Meester, met de sier van medeklinkers, klinkers, halfklinkers en sisklanken, Zich uitgebreid vanuit de lettergreep om. Met de ontwikkelde diversiteit aan uitdrukkingen en metrische schikkingen die ieder weer vier extra lettergrepen hebben, schept Hij, en trekt Hijzelf ook weer terug, de enorme grenzeloze uitgebreidheid [van de vedische literatuur, zie ook B.G. 15: 15].

Just as a spider brings forth from its heart its web and emits it through its mouth, the Supreme Personality of Godhead manifests Himself as the reverberating primeval vital air, comprising all sacred Vedic meters and full of transcendental pleasure. Thus the Lord, from the ethereal sky of His heart, creates the great and limitless Vedic sound by the agency of His mind, which conceives of variegated sounds such as the spars'as. The Vedic sound branches out in thousands of directions, adorned with the different letters expanded from the syllable om - the consonants, vowels, sibilants and semivowels. The Veda is then elaborated by many verbal varieties, expressed in different meters, each having four more syllables than the previous one. Ultimately the Lord again withdraws His manifestation of Vedic sound within Himself.

 

  Tekst 41

Bij voorbeeld de versmaten Gâyatrî, Ushnik en Anusthup; Brihatî en Pankti als ook Tristhup, Jagatî, Aticchanda, en Atyasthi, Atijagatî en Ativirâth [hebben ieder in deze volgorde telkens vier extra lettergrepen].

The Vedic meters are Gâyatrî, Ushnik, Anusthup, Brihatî, Pankti, Tristhup, Jagatî, Aticchanda, Atyasthi, Atijagatî and Ativirâth.

 

 Tekst 42

Wat zij [karma-kânda] voorschrijven, waar zij [upâsana-kânda] op duiden, welke aspecten ze beschrijven of welke alternatieven zij aldus [jñâna-kânda] literair bieden, dat hart in deze wereld, is buiten Mij aan niemand anders bekend [vergelijk 11.20, B.G. 5: 5, 7: 26, 10: 41].

In the entire world no one but Me actually understands the confidential purpose of Vedic knowledge. Thus people do not know what the Vedas are actually prescribing in the ritualistic injunctions of karma-kânda, or what object is actually being indicated in the formulas of worship found in the upâsanâ-kânda, or that which is elaborately discussed through various hypotheses in the jñâna-kânda section of the Vedas.

 

 Tekst 43

Ik ben het voorwerp van de voorgeschreven aanbidding en Ik ben het alternatief dat wordt geboden en beargumenteerd; Ik aldus ben de betekenis van al de Veda's die Mij, de bovenzinnelijke geluidsvibratie, vestigen en uitvoerig de materiële dualiteit beschrijven als zijnde simpelweg het illusoire dat moet worden ontkracht om uiteindelijk gelukkig te worden.

I am the ritualistic sacrifice enjoined by the Vedas, and I am the worshipable Deity. It is I who am presented as various philosophical hypotheses, and it is I alone who am then refuted by philosophical analysis. The transcendental sound vibration thus establishes Me as the essential meaning of all Vedic knowledge. The Vedas, elaborately analyzing all material duality as nothing but My illusory potency, ultimately completely negate this duality and achieve their own satisfaction.

 

 *: S'rîla Madhvâcârya citeert als volgt uit de Skanda Purâna: 'Religieuze personen behoren zich op te houden binnen een straal van dertien kilometer van rivieren, oceanen, bergen, hermitages, bossen, spirituele gemeenschappen of plaatsen waar de s'âlagrâma-s'îlâ [een zwarte ovale riviersteen geschikt om te aanbidden] wordt aangetroffen. Alle andere plaatsen moeten als kîkatha worden beschouwd, ofwel als besmet. Maar zelfs als men in zulke besmette plaatsen zwarte en gevlekte antilopen aantreft, mag men zich daar ophouden zo lang als er geen zondige personen aanwezig zijn. Zelfs als er zondige personen aanwezig zijn mag men zich daar ophouden, mits het burgerlijk gezag in handen is van respectabele autoriteiten. Zo ook mag men zich daar ophouden waar de Beeltenis van Vishnu naar behoren is geïnstalleerd en wordt aanbeden.'

**: De paramparâ voegt hier toe: 'Politieke, sociale of economische verstoringen die iemand belemmeren in de uitvoering van zijn religieuze plichten worden beschouwd als tijden die ongunstig zijn. (...) Derhalve is dat moment waaop men de omgang met de Opperheer bereikt of de Heer Zijn zuivere toegewijde, de tijd die gunstig heet, terwijl het moment van het verliezen van die omgang hoogst ongelukkig wordt genoemd.'

***: Een voorbeeld bij deze nogal abstracte formulering wordt gevormd door de klok: de klok is zuiver of onzuiver naar gelang het object van meting: de tijd van de natuur als een ander 'ding' van de tijd. Dit wordt het criterium van de wetenschappelijke validatie genoemd ofwel het bepalen van het nulpunt van de meting. Maar ook erover sprekend in een wetenschappelijk betoog en uitleggen dat de gemiddelde tijd, de klok die afwijkt van de natuur, is afgeleid uit en refereert aan de natuur zelf middels een wetenschappelijke formule die uitdrukking geeft aan de zogenaamde tijdvereffening, is een manier om een klaarblijkelijk afwijkende klok te heiligen ofwel er de zuiverheid van te verklaren. Verder is er ook het religieuze ritueel dat het kruis presenteert van Jezus bij voorbeeld, of de mahâmantra van Caitanya, naar aanleiding van de aangehangen standaard van de tijd, ten einde de zonde van het pragmatisch afwijken van God's natuur en de wetenschappelijke rationalisatie erover te vergeven. Vervolgens kunnen we eenvoudig de klok naar de natuur van de tijd instellen om waarachtig te zijn naar het religieuze inzicht [zie f.c.o.]. En ten slotte, inziend dat de vertrouwelijkheid van Krishna's tijd politiek gezien niet kan worden opgelegd, is er de zuiverheid naar de relatieve grootte, zoals dit vers stelt, die met de moderne complexiteit van het tijdbewustzijn eenvoudigweg weet heeft van het verschil middels een dubbele tijdsaanduiding die door sommige klokken wordt geboden: één tijdsaanduiding ingesteld naar de natuur en een andere naar de politiek van de pragmatische manier van omgaan met de tijd. Aldus kunnen we met dit vers de onzuiverheid tolereren van de baatzuchtig gemotiveerde karmische tijdmanipulaties en nog steeds als toegewijden met zuiverheid te werk gaan [Prabhupâda die enerzijds uitdrukkelijk verzocht om punctualiteit, verzocht zijn toegewijden verder het onderwerp van de tijd te bestuderen. 'Alle dagen en uren zijn mij hetzelfde. Ik laat die aangelegenheid aan jullie over', vertrouwde hij toe in ' A Transcendental Diary' door Hari S'auri Dâsa].

4*: De paramparâ geeft een voorbeeld: 'Iemand die zijn vrouw en kinderen verlaat is zeker een onnadenkend en onverantwoordelijk iemand. Als men echter sannyâsa neemt, en verankerd blijft op een hoger spiritueel nivo, beschouwt men hem als de heiligste persoon. Trouw en zonde derhalve hangen af van specifieke omstandigheden en zijn bij tijden moeilijk van elkaar te onderscheiden.' Volgens S'rîla Madhvâcârya, worden personen boven de veertien jaar in staat geacht onderscheid te maken tussen goed en kwaad en zijn ze aldus verantwoordelijk voor hun vrome dan wel zondige activiteiten.

 
 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties