A|B|C|D|E|F|G|H|I|J|K|L|M|N|O|P|Q|R|S|T|U|V|W|X|Y|Z

 

S

 

Sādhaka: benaming voor allen die zich bezighouden met geestelijke discipline (sādhana) in de yoga.

- Onderscheiden van bhakta als benaming eraan voorafgaand.

Sādhana-bhakti: toewijding van beginners die gedisciplineerd raken onder leiding.

- Toewijding die met sādhana, spirituele discipline, dienst levert (zie ook rāgānuga- en vaidhi-bhakti).

- Er zijn twee soorten: besmet en onbesmet met materiėle motieven: viddha en parā-bhakti.

Sādhu: (rechte) doelbewuste, rechtgeaarde, oprechte persoon, wijze, heilige, toegewijde, waarheidzoeker.

- Zij die in volledige overgave aan Krishna blijk geven van de grootste wijsheid en heiligheid (zie ook s'anta).

Sādhya's: (letterlijk: zij die onderworpen zijn, beheerst, of overwonnen; samengesteld of bestuurd zijn; gerealiseerd of vervuld zijn, bewezen of aangetoond zijn; te overwinnen zijn, in de praktijk te brengen, haalbaar, te genezen of te bereiken) als term gebruikt voor het type halfgoden dat wordt aanbeden voor commerciėel succes (zie 2.3: 2-7) of voor de trouw van onderdanen in geval van een koning.

Sākhya: één van de vijf direkte of primaire rasa's of manifestaties van liefde die als de hoofd rasa's gelden: de broederlijke of vriendschappelijke (zie ook bhāgavata-dharma).

Sālva (S'ālva): het demonische familielid dat partij koos voor S'is'upāla en met Pradyumna vocht, maar vanwege zijn grote macht en magie werd gedood door Krishna. Hij staat erom bekend dat hij ten strijde trok met een vliegend fort genaamd Saubha (zie 10:76-77).

Sāma: betekent 'tot vrede brengen'. Vasudeva wilde Kamsa tot vrede brengen met verwijzingen naar relaties, winst, welzijn, identiteit en verheerlijking. Het refereren aan deze vijf zorgen vormt wat sāma is, en Vasudeva's voorstelling van angst in twee situaties: in dit leven en het volgende wordt bheda genoemd (addendum Prabhupāda canto 10.1).

Sāma-Veda: een van de vier oorspronkelijke Veda's. De Sāma-Veda bestaat uit muzikale composities van de offerzangen.

Sāmba: 'met de moeder': zoon van Krishna en een van Zijn acht hoofdvrouwen: Jambavatī. Hij kaapte de dochter van Duryodhana, werd vastgezet door de Kaurava's, hetgeen toen leidde tot een campagne van Balarāma die de dynastie vervloekte waarbij Hij Hastināpura de Ganges insleepte (zie 10.68). Sāmba was de Yadu die ooit eens als een jongen de geschoolden had uitgedaagd voorwendend dat hij een zwangere vrouw was, hetgeen toen leidde tot de vloek die de Yadu-dynastie vernietigde op het eind; Krishna's laatste missie om de aarde van haar last te bevrijden (zie 11.1).

Sāmvartaka: het vuur aan het eind van de tijden.

Sānkhya: analytische kennis; de filosofische analyse van het materiėle en het geestelijke en de bestuurder van beiden.

- Theļstisch naar de avatāra Kapila (zie S.B 3:25) een filosofisch stelsel dat de analytische bestudering van de ziel behelst als onderscheiden van de vierentwintig elementen van de stoffelijke natuur.

- Atheļstisch naar een filosoof van dezelfde naam een materieel analyseer-systeem van de wereld van de verschijnselen in haar verschillende openbaringen.

- School van yoga-filosofie waartoe Patańjali wordt gerekend (zie ook Vidhya en Yoga en Ashthānga).

Sānkhya-yoga: Grondige bestudering van het geestelijk ego als verschillend van het stoffelijk lichaam. Hierdoor wordt het levend wezen tot bhakti-yoga gebracht, waarin het kan overgaan tot de geestelijke activiteiten, welke zijn eigenlijke activiteiten zijn.

Sārī: lange naadloze kleurige doek waarmee de vrouwlijke toegewijde zich kleedt.

- Traditionele indiase dracht, omgewikkelde doek, voor vrouwen.

Sāstra (s'āstra): (gebod, voorschrift, opdracht, regel, instructie, advies, raadgeving) vedische geschriften, de geopenbaarde Schrift (zie ook Veda's). De vedische studies, de geopenbaarde instructies, de verhandelingen, de handboeken, de leringen naar de heilige geschriften van de Veda's en Upanishad's (zie ook s'ruti en Veda).

Sāsvata (S'ās'vata): bestendig, kwaliteit van de ziel (gebruikt in B.G. 1.42, 2.20).

Sātvata: (van Satvata, Hij die van de absolute waarheid is, een naam van Krishna). Andere naam voor toegewijde, dienaar van de Absolute Waarheid (sat).

- In het bijzonder degenen die Krishna toegewijd zijn; de Yadu's en de Vaishnava's.

Sātyaki: de zoon van Satyaka zie 9.24: 14, die eveneens, behalve Dāruka (zie 10.53: 5), diende als Krishna's wagenmenner; wordt ook wel Yuyudhāna genoemd (zie 3.1: 31).

Sāyujya: de onpersoonlijke verlossing waarbij men in de b rahmajyoti opgaat. 

Sabda (s'abda): geluid (gekend als Krishna).

- Een proces van offeren van het geluid van de beheerste geest.

- Een type van pramāna, of zekere waarheid van bewijs.

- Een 'voorwerp' van de zinnen (zie vishaya).

Sabda khe (s'abda khe): Krishna's uitspraak 'Ik ben het geluid in de ether' (B.G. 7.7).

- Ookwel ākās'anāda genoemd in 12.6: 37 (zie ook diviyam s'rotam).

- Het horen van de geluiden van alle levende wezens in de ether behoort tot de secundaire siddhi dūra s'ravana ('ver-horend') vermeld in 11.15: 19.

Sabda-brahman (s'abda): de orale traditie, cultuur van voorschriften en rituelen die de opstap voor het Krishna -bewustzijn vormen (s'ābda-brahman: de Veda).

- Het spirituele, vedische, geluid dat zich manifesteert in de vitale adem, de zinnen en de geest (zie 11.21: 36 en 11.15: 19). Mystiek in zelf-realisatie en sociaal in de traditie van de persoonlijke kennisoverdracht.

- S'rīla Vis'vanātha Cakravartī Thhākura legt de verdeling van s'abda als volgt uit.

- De prāna fase van het vedisch geluid, bekend als parā, bevindt zich in de ādhāra-cakra;
- de mentale fase, bekend als pas'yantī, bevindt zich in de streek van de navel, op de manipūraka-cakra;
- de intellectuele fase, bekend als madhyamā, bevindt zich in de hartstreek, in de anāhata-cakra.
- ten slotte, wordt de manifeste sensorische fase van het Vedisch geluid vaikharī genoemd (zie ook
cakra).

Sac-cid-ānanda: zie sat-cit-ānanda.

Sagara: ('met vergif') beroemde koning zo genaamd vanwege een overtreding t.o.v. de wijse Aurva door zijn ouders begaan. Op voorspraak van Aurva, in yoga met de Superziel van alle vedische kennis en de verlichte zielen, was hij met paardenoffers van aanbidding voor de Heer. Zijn zonen waren verantwoordelijk voor de plaats genaamd Gangāsāgara. Het was hij die lieden van laag allooi een rol toekende. Op een dag werd het offerpaard gebruikt in het eerbetoon gestolen door Indra. De trotse zoons geboren uit Sumati, een vrouw van Sagara, zetten in opdracht van hun vader de aarde op z'n kop op zoek naar het paard, dat ze bij de wijze Kapila vonden die hen daarop tot as verschroeide met zijn blik omdat ze hem agressief bejegenden. Om hun zonden weg te wassen werd na eeuwen van verzaking de Ganges naar de aarde gebracht (zie ook 9.8 en 9.9).

Saguna: (letterlijk: begiftigd met eigenschappen): Heeft betrekking op Krishna, de Absolute Waarheid, in de zin dat Hij eigenschappen heeft die volkomen geestelijk zijn (zie nirguna en brahman).

Sahadeva: een van Arjuna's jongere broers. Tweelingbroer van Nakula (zie Pāndava's).

Sahajiyā: onjuiste imitatie van de liefde van de gopī's; nep-bhakti.

Sakti (S'akti)-avesha-avatāra: incarnatie van Krishna als deelpersoonlijkheid (Jezus Christus b.v.).

Sakti (S'akti): kracht, energie, vermogen, macht, kunnen, inzet, capaciteit. Vrouwelijk aspect in samenhang met materiėle activiteiten. In drie soorten (zie ook energie en verder onder vermogens):

- Tatastha-, goddelijke energie,

- Antaranga en lagere materiėle energie,

- Bahiranga-s'akti, de z.g. tussenenergie van de individuele zielen.

- De energie of het effectief vermogen van een godheid voorgesteld als zijn vrouw en aanbeden onder verschillende namen afhankelijk van de godheid in kwestie.

Samhitā (verenigd, gehecht, samengesteld, gemaakt, bijeen gebracht): een verzameling van verhalen, een bijbel; het Bhāgavatam wordt ookwel de paramahamsa samhitā genoemd, de verzameling van verhalen over de hoogste persoon, de paramahamsa welke de Heer is.

Samādhi: geestelijk opgaan,verzonkenheid in Krishna, absorptie, volmaakte geestesvervoering door volkomen opgaan in toegewijde dienst.

- Eindfase van de ashthānga-yoga, het achtvoudig pad.

- Zelfverwerkelijking (zie ook asamprajńata-, dharmamegha- en samprajńata).

- Patańjali beschrijft in zijn yoga-sūtra de verschillende vormen van samādhi als zijnde met en zonder 'zaad' (sabīja en nirbījasamādhi, Prabhupāda: levende en levenloze yoga zie S.B. 3.28:34). Zaad betekent meer dan de biologie alleen, het betekent ook het hebben van gedachten, onderscheid, in relatie tot objecten: de geest bedwingen op het levenloze van een object. Zonder zaad zou zonder object zijn (en zonder gedachten).

Samāna-vāyu: de innerlijke lichaamsdruk welke voor evenwicht zorgt. Het is een van de vijf soorten lucht welke beheerst worden door de ademhalingstechniek van ashthānga-yoga (zie vāyu).

Samatvam: evenwichtigheid, gelijkmoedigheid.

Sambhu (S'ambhu): naam van heer S'iva als de goedgunstige.

Samprajńata-samādhi: opzettelijke verzonkenheid met onderscheid of 'zaad'-gedachten (sabīja v.s. nirbīja).

Sampradāya: vereniging van vaishnava's bestaande uit verschillende scholen of math's. Voor ISKCON: de Brahmā-Madhvā-Gaudīya-sampradāya; de bengaalse tak van de Brahmā-sampradāya. Er zijn vier hoofd-sampradāya's: de Brahmā-, S'rī-, Rudra- en Kumāra-sampradāya die allen Heer Vishnu aanbidden (actief als de: Ramanuja-sampradāya, de Madhvā-Gaudīya-sampradāya van Heer Caitanya, de Vishnusvami-sampradāya en de Nimbarka-sampradāya).

De erfopvolging van de Brahmā-sampradāya is als volgt: Brahmā, Nārada, Vyāsa, Madhvācārya (Pūrnaprajna), Padmanābha, Narahari, Mādhava, Akshobhya, Jayatīrtha, Jńānasindhu, Dayānidhi, Vidyānidhi, Rājendra Tirtha, Jayadharma (Vijayadhvaja Tīrtha), Purushottama Tīrtha, Brahmanya Tīrtha, Vyāsa Tīrtha, Lakshmīpatī, Mādhavendra Pūrī, Īs'vara Pūrī, S'rī Caitanya Mahāprabhu, Svarūpa Dāmodara (Vis'vambara) en S'rī Rūpa Gosvāmī en anderen, S'rī Raghunātha dāsa Gosvāmī, Krishna dāsa Kavirāja Gosvāmī, Narottama dāsa Thhākura, Vis'vanātha Cakravartī Thhākura, Baladeva Vidyābhūshana, Jagannātha dāsa Bābājī, Bhaktivinoda Thhākura, S'rī Gaura Kishora dāsa Bābājī, S'rimad Bhakti s iddhānta Saraswatī, A. C. Bhaktivedanta Swāmī Prabhupāda.

- Erfopvolging van geestelijke leraren (zie ook ācārya's). Lijn in successie waarin de leer wordt doorgegegeven (zie ook paramparā).

Samsār(a): oceaan van het materiėle lijden. De materie als een bosbrand voor de ziel. Het rad van de herhaalde geboorte en dood.

Samskāra: zuiveringsritueel (zie garbādhāna en Anna-prāsana).

- De volgende mantra b.v. is een zuiveringsmantra gebruikt als men een bad neemt (van de Garuda Purana, geciteerd in Hari-bhakti-vilāsa 3.47); hij hoort bij het nārāyana kavacha schild van mantra's gebruikt om angst te bezweren (zie 6.8: 4-6).

om apavitrah pavitro vā
sarvāvasthām gato 'pi vā
yah smaret pundarīkāksam
sa bāhyābhyantarah sucih
srī-visnuh srī-visnuh srī-visnuh

'Of men nu heilig is of van de zonde
of zelfs alles mee moest maken
hij die zich de lotusvisie heugt
is van binnen en van buiten gezuiverd
Heer Vishnu, Heer Vishnu, Heer Vishnu'

"Ongezuiverd of gezuiverd, of zelfs alle omstandigheden hebben meegemaakt, iemand die zich de lotusogige Allerhoogste Persoonlijkheid herinnert is van binnnen en van buiten schoon gemaakt."

- Subliminale impressie: Patańjali, Yoga Sutra III.18: 'In het waarnemen van de subliminale impressies of samskāra's is er de kennis van voorgaande levens' (zie ook vāsanā).

Samvatsara: een volledig jaar, een tropisch jaar, een zonnejaar (sāmvatsara: jaarlijks, maar ook: een maancyclus van 29.5 dag, vatsara: een jaar).

Samyama: de integratie van concentratie, meditatie en verzonkenheid ofwel, dhāranā, dhyāna en samādhi (zie ook ashthānga yoga).

Sanātana: eeuwig.

Sanātana-dhāma: de eeuwige woning, de Vaikunthha-werelden in de geestelijke hemel (zie ook loka).

Sanātana-dharma: eeuwige plicht Hem (Krishna) te dienen als universele en absolute religie; het gevecht, de 'eeuwige oorlog' om Zijn bescherming (zie ook bhāgavata  dharma en varnās'rama  dharma.)

Sanātana Gosvāmī: een van de zes grote geestelijk leraren van Vrindāvana, die door Heer Caitanya  Mahāprabhu gemachtigd waren, de leer van het Krishna-bewustzijn te vestigen en verspreiden (zie gosvāmī).

Sanat-kumāra: een van de vier Kumāra's, grote wijzen en goddelijke toegewijden van de Heer.

Sanātana-yoga: de eeuwige activiteiten verricht door het levend wezen.

Sangas: gehechtheid (ook: rāga); de emotionele voorkeur om met materiėle dingen samen te zijn.

- Materiėle betrokkenheid zonder Hem er dienstbaar mee te zijn.

Sangam: associatie van toegewijden ook sat-sanga genoemd, het naar waarheid of het ware associėren in toewijding.

- Naar een werelds idee: intiem zijn met, sex hebben met.

Sańjaya: degene die de Gītā doorgaf aan Dhritarāshthra, rechtstreeks via helderziendheid. Hij was zijn secretaris en leerling van Vyāsa-deva (zie kurukshetra).

Sankara (niet te verwarren met s'ankara): Verwarring, vermenging, corruptie, gemengd huwelijk (van klassen m.n.).

- Ongewenst nageslacht; van gemengde huwelijken.

Sankarācārya (S'ankarācārya): Een inkarnatie van Heer S'iva, die in de Achtste Eeuw verscheen om een impersonalistische filosofie te verkondigen, waarmee hij het boeddhisme uit India wilde wegvagen teneinde het gezag van de Veda's weer te kunnen vestigen.

- Verkondiger van de mayavadī -filosofie waarin de Heer en het levend wezen gelijk worden gesteld (zie verder onder S'ankarācārya).

Sankarshana: ('hij die verenigt, samentrekt, ploegt', zie 10.8: 12), de eerste expansie van de Allerhoogste Persoonlijkheid, die verantwoordelijk is voor de jīva, de individuele ziel of het ego-bewustzijn (Aniruddha - van de geest en Vāsudeva van het bewustzijn en Pradyumna of de intelligentie, zie ook S.B. 4.24:35-37 en pańcatattva).

- Als een transcendentale expansie van Heer Balarāma (Nityānanda) Mahā-genoemd, en Halāyudha, vertegenwoordigt Hij het aspect van de individuele ziel (de jīva). Is de oorsprong van de purusha-avatāra's (zie Vishnu en Vyūhas).

Sankīrtan: prediking van Zijn Heerlijkheid rechtstreeks, per orale traditie, of indirekt via de geschriften. Ingesteld door S'rī Caitanya Mahāprabhu (zie ook yajńa).

Sankīrtana-yajńa, of mahā-yajńa: Het belangrijkste van alle offers, ingesteld door S'rī Caitanya Mahāprabhu, bestaande uit het verkondigen van de heerlijkheid Gods.

- De belangrijkste vorm hiervan bestaat uit het gezamenlijk in het openbaar zingen van de heilige namen van de Heer, waarbij altijd gedanst en prasāda (zie aldaar) uitgedeeld wordt. Het Bhāgavatam noemt sankīrtana de enige methode om de verloederende invloed van kali-yuga tegen te gaan (zie o.a. 1.2: 16, 1.6: 32, 2.1: 11, 5.5: 10-13, 6.3: 22, 7.5: 23-24, 8.17: 8, 9.5: 21, 11.5: 36-37, 11.11: 23-24, 11.14: 24, 11.27: 35, 11.28: 40).

Sankīrtana: Alle activiteit die erop gericht is de heerlijkheid van God te verkondigen tot heil van iedereen.

Sannyāsa:

- Het zich onthechten van de vruchten van doen en laten bij het vervullen van de plicht.

- De wereldverzakende orde, ās'rama, van de rondtrekkende predikers (zie ook mahābhāgavata).

- Vierde en laatste orde of fase van het geestelijk leven (zie ās'rama); volkomen verzaking van gezins- en maatschappelijk leven teneinde tot volmaakte beheersing van geest en zinnen te komen en zich geheel te kunnen wijden aan het dienen van Krishna.

- Er zijn vier stadia in het aanvaarden van de wereldverzakende orde:

1) Kutīcaka: men verblijft buiten het dorp in een hutje, en wat men nodig heeft, met name iemands voedsel, krijgt men van huis.

2) Bahūdaka: men aanvaardt niet langer meer wat dan ook van huis: in plaats daarvan vergaart men, madhukari, met "het beroep van de hommels", wat men nodig heeft, met name iemands voedsel, van verschillende plaatsen.

3) Parivrājakācārya: men reist over de gehele wereld rond om de heerlijkheden van Heer Vāsudeva te prediken en wat men nodig heeft, met name iemands voedsel, vergaart men van vele plaatsen.

4) Paramahamsa: hij rondt zijn preekwerk af en gaat op één plaats zitten, strikt voor het heil van de vooruitgang in het geestelijk leven.  

Sannyāsī: de toegewijde van Krishna die alles opgeeft om de Heer te kunnen dienen (zie 11.18).

- Iemand die leeft volgens de regels en normen van sannyāsa (zie ook ās'rama).

Santa: één van de vijf direkte of primaire rasa's of manifestaties van liefde die als de hoofd rasa's gelden: de neutrale.

Santa (S'anta): een gerealiseerde toegewijde, zij die de vrede hebben bereikt; (zie ook muni's en sādhu's).

Santosa/santush: vredesgezindheid; tevredenheid ter wille van genoeglijkheid, onderdeel van niyama.

Sanskriet: de taal van de Veda's, een van de oudste talen ter wereld. Een dode taal, die ten grondslag ligt aan moderne indische talen als Hindi en Bangla, hoofdzakelijk nog gepraktiseerd door priesters reciterend uit de klassieke geschriften (zie een modern Sanskriet woordenboek en Vis'vakosha).

- De taal kenmerkt zich door het zich vervoegen van praktisch ieder woord in een zin naar het heersende werkwoord. Het kent als oude taal een eindeloze connotatie waarin woorden als karma en dharma meerdere bladzijden beslaan om te beschrijven en er ook voor ieder Engels woord talloze Sanskriet omschrijvingen te vinden zijn. Het begrip voor het Sanskriet hangt dus sterk af van de leerschool van interpretatie (zie ook siddhānta; zie verder een leerboek hierover en een cursus online).

- Grammaticaal, kent het Sanskriet acht naamvallen (nominatief, accusatief, genitief, datief, ablatief, instrumentaal, vocatief, en locatief), drie geslachten (masculien, feminiem, en onzijdig), drie getalswaarden voor werkwoorden, zelfstandig naamwoorden, voornaamwoorden en bijvoegelijk naamwoorden (enkelvoudig, tweevoudig en meervoudig), en drie stemmen voor het werkwoord (actief, middel, en passief). De taal is in hoge mate verbogen dus.

- De oorspronkelijke tekentaal wordt Devanāgarī genoemd. De vertaling in westerse tekens wordt I-trans genoemd (zie downloads).

Sarasvatī: de halfgodin der ontwikkeling en geleerdheid. Eeuwige Metgezel van Heer Brahmā.

Sarga: de materiėle schepping, de primaire schepping. De vijf grofstoffelijke elementen, de objecten van de zinnen en de zintuigen zelve met inbegrip van het denken geven aanleiding tot de manifestatie welke het geschapen universum van de Schepper wordt genoemd (2.10: 3, zie ook visarga en 2.10: 1-7, en 12: 7: 9-11).

Sarva-gatah: alomtegenwoordig. Kenmerk van de ziel.

Sat: (zijn, bestaan, gebeuren, plaats vinden, aanwezig zijn; het ware, het echte, het goede, het juiste; het mooie, wijze en eerlijke) in de tegenstelling sat-asat wordt met deze term de absolute waarheid aangeduid in tegenstelling tot de relatieve waarheid, de natuur zoals tegengesteld aan de cultuur, de Tijd van de dynamische, levende, natuurlijke werkelijkheid in tegenstelling tot de door mensen gemaakte illusoire (doch noodzakelijke) fixaties van orde, het aangeduide in verhouding tot de aanduiding (zie ook rita-anrita, en 11: 28).

- Het weerklinken van het woord Sat bezigt men in de overeengekomen handelingen van de toewijding naar de aard van het Allerhoogste; het wordt geuit om de bedoelde handelingen aan te duiden zowel als het Absolute van de waarheid (B.G. 17: 26-27).

Satarūpā (S'atarūpā): echtgenote van Svāyambhuva  Manu (zie 3.12: 54) en de moeder van Devahūti.

- Onder de dames is Krishna S'atarūpā (zie ook Mohini Mūrti, 11.16: 25).

- Vedisch equivalent van Eva, de eerste geschapen vrouw.

Sat-cit-ānanda: eeuwigheid, bewustzijn, gelukzaligheid. Hoofdkenmerken van Krishna betrekking hebbend op de drie nivo's van realisatie: brahman, paramātmā en bhagavān: de onpersoonlijke geest, het lokale aspect, en Zijn volheid. In de zelfrealisatie gaat het dus om het achtereenvolgens realiseren van de continuiteit van de onpersoonlijke geest, het bewustzijn van het lokale aspect en de gelukzaligheid van Zijn volheid, Zijn Persoon.

- De eigenschappen van de geestelijke en absolute gedaante (vigraha) van de Opperheer; maar ook van de oorspronkelijke gedaante van de levende wezens, die immers deel uitmaken van Zijn wezen.

- De kenmerken van het geestelijk bestaan op zichzelf.

- De transcendentale geestelijke ziel spreidt zijn eigen kwaliteiten ten toon van eeuwigheid (sat), kennis (cit) en gelukzaligheid (ānanda), hetgeen in de bhakti resp. de sandhinī, samvit en hlādinī vermogens van de Allerhoogste Heer worden genoemd (zie pp. 11.22: 12 en vermogens).

Sat(Sac)-cit-ānanda-vigraha: Krishna in Zijn gedaante van eeuwigheid, bewustzijn en gelukzaligheid (zie ook om tat sat).

Satī: vrijwillige zelfverbranding van vrouwen na het heengaan van hun echtgenoot. Traditionalistische dwangmatigheid die in onbruik is geraakt.

- Dochter van prajāpati Daksha (zie 4.4).

Sat-kāla: de eeuwige tijd voor zich, zonder verdere aanduiding of indeling gekend als de beweging van de materie, of dat wat de materie in beweging houdt (zie kāla en asat-kāla).

Satrājit: 'altijd van de overwinning'. Hij was een zoon van Nighna (zie 9.24: 13) en vader van Satyabhama; hij schonk haar om af te doen met de syamantaka-kwestie (zie 10.56) en werd zo de schoonvader van Krishna. Hij werd gedood door Satadhanvan.

Sat-sanga: associatie van toegewijden of simpelweg sangam, de ontmoeting; de eeuwige verbondenheid van Krishna en Zijn toegewijden.

Sat-ūrmi: zie shath-ūrmi.

Sattva: de geaardheid goedheid, de kwaliteit of de zuiverheid van het goede dat de persoon waarachtig, eerlijk en wijs maakt (zie guna's).

- S'uddha-sattva of s'uddhas'īla: zuivere goedheid, zuiver karakter, onschuld begeerteloosheid, een kwaliteit op hoog niveau van bhakti.

- De weg der goedheid tot Krishna-bewustzijn in de overstijging van de geaardhedenof basiskwaliteiten.

- Karakter, vitale adem, leven, bewustzijn, sterk zijn, karakter, kracht, stevigheid, energie, vastbeslotenheid, moed, zelfbeheersing, gezond verstand, wijsheid, grootmoedigheid.

- De hoogste van de drie geaardheden of basiskwaliteiten (B.G. 14: 6).

- Innerlijke kracht, zijn, existentie, wezen, realiteit, ware essentie, aard, aanleg of geest.

- Spirituele, geestelijke essentie, geestelijkheid, geest.

- Een zuiver iets, rein.

- Materiėle of elementaire substantie, wezen, materie, een ding.

Satya: waarheid, waarheidsliefde. Tweede kenmerk van de yama (zie ashthānga-yoga). Een poot van de stier van dharma (zie Kali-yuga).

- Naam voor het eerste tijdvak van een mahāyuga (zie ook krita).

- Als kenmerk van de bhakti: zie satya-dharma.

- Naam van een loka: 'de plaats van de waarheid' ookwel brahmaloka genaamd.

Satya-dharma: de religie van de waarheid. Term voor Krishna-bhakti als de waarheidlievende plichtsvervulling (het 'ware werk').

Satyavrata: een godvrezende koning, een grote persoonlijkheid en toegewijde van Heer Nārāyana, die boetedoeningen en verzakingen deed alleen maar levend op water; hij raakte als een zoon van de zonnegod bekend als S'rāddhadeva door Heer Hari persoonlijk de positie van Manu (Vaishvasvata Manu) toevertrouwd. Hij was degene die Matsya ontdekte, de Heer in Zijn vis-incarnatie (8.24: 10).

Satyam-s'ivam-sundaram: het ware, bewuste en schone als essentie van de goddelijkheid.

Satya-yuga: eerste tijdvak van een mahāyuga, viermaal zo lang durend als Kali-yuga (zie aldaar, zie ook hamsa en krita).

Saubhari Muni: machtige mysticus die ten val kwam aangetrokken door de seksualiteit van twee parende vissen (S.B 9.6).

Sauca (s'auca): reinheid (voor het zelfbewustzijn ook geestelijk). Onderdeel van de niyama (zie ook Vidhi). Hangt samen met het streven naar respect voor het celibaat, de oorspronkelijke persoon, de kinderziel (zie ook dāna).

Sauri: zie S'auri.

Saunaka Rishi: het hoofd van de wijzen die aanwezig waren in Naimishāranya toen Sūta Gosvāmī het S'rīmad-Bhāgavatam verhaalde.

Schriften, geopenbaarde of geschriften, ookwel s'āstra: De Vedische Schriften in het algemeen (s'ruti; de Veda's en Upanishads) of elke andere Schrift welke gezag heeft op het gebied van de geestelijke wetenschap (smriti; de Itihāsa's, Purāna's e.d.), indien deze langs de weg van de paramparā) uiteenzet wat het wezen is van de Absolute Waarheid, of het Opperwezen, van de individuele ziel en haar eeuwige band welke hen met elkaar verbindt (zie ook Veda en purāna).

 

S(h)-Voortgezet

 

  Doorzoek het Lexicon

 

Sanskriet Woordenboek

 

S'rīmad Bhāgavatam | Bhagavad Gītā | Zingende Filosoof
 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties