regelbalk


 

Canto 4

Krishna Murâri

 

Hoofdstuk 25: Over het Karakter van Koning Purañjana

(1) Maitreya zei: 'De grote Heer, aldus onderricht verschaffend, door de zoons van Barhishat aanbeden, verdween vandaar recht voor ogen van de prinsen. (2) Bij dat water deden al de Pracetâ's, de verzaking beoefenend, dat gebed gezongen door Heer S'iva, voor de duur van tienduizend jaar. (3) O Vidura, koning Prâcînabarhi, met een geest vol van gehechtheid aan baatzuchtige handelingen, ontving [ondertussen] onderricht van een mededogende Nârada goed thuis in de spirituele waarheid: (4) 'O Koning, wat is die allerhoogste zegening voor de ziel die u verwacht van het handelen terwille van de opbrengst? Die zegen van het verdwijnen van alle leed en het bereiken van het geluk, kan u in dit verband nooit verwerven.'

(5) De koning gaf ten antwoord: 'Ik weet het niet, o grote transcendentale ziel, mijn intelligentie wordt in beslag genomen door mijn verlangen naar de vruchten, vertel me alstublieft van de smetteloze spirituele kennis die me van mijn werklast zal bevrijden. (6) In de oppervlakkige verplichtingen van het gezinsleven met zoons, een echtgenote en weelde wordt de transcendentie niet beschouwt als zijnde het levensdoel, en zo komt men tot de ontdekking dat men een dwaas is die ronddoolt op alle wegen van het materieel bestaan.'

(7) Nârada zei: 'Wacht eens even, o Heerser der Burgers, o Koning, mag ik u attenderen op het totaal van al de duizenden van dieren die u genadeloos hebt gedood in de offerplechtigheden? (8) Ze staan allen, indachtig het leed dat u hen hebt aangedaan, kokend van woede op u te wachten om u met ijzeren hoornen te doorboren nadat u bent gestorven. (9) Daartoe wil ik u het zeer oude verhaal vertellen van Purañjana ['hij die uit is op de stad die het lichaam is']; probeer enkel dit karakter te doorgronden terwijl ik erover spreek. (10) Er was er eens een koning van een grote bekendheid Purañjana geheten, o Heerser, die een vriend had genaamd Avijñâta ['de onbekende'] van wie niemand wist wat hij deed. (11) Hij reisde rusteloos rond over de gehele planeet om zijn mannetje te staan, maar toen hij zichzelf op die manier nooit kon vinden, raakte hij in de put. (12) Niemand op deze aarde zag ook maar iets in hem, waar die koning ook verbleef en wat hij ook voor zijn doeleinden wenste te genieten. (13) Toen hij eens ten zuiden van de Himalaya's verkeerde ontwaarde hij op de hellingen ervan een stad met negen poorten [vergelijk B.G. 5:13] die hem alle gemakken bood. (14) Omgeven door hoge muren en volgepakt met huizen had hij torens, poorten, parken, kanalen, vensters en koepels gemaakt van goud en zilver. (15) De vloeren van de paleizen waren overdekt met saffier, kristal, diamanten, parels, smaragden en robijnen en waren in hun schoonheid zo luisterrijk als de hemelse stad genaamd Bhogavatî. (16) Er waren vergaderplaatsen, pleinen en straten met gokhuizen, winkels en uitspanningen, die versierd waren met vlaggen, slingers en hangende tuinen. (17) De buitenwijken van die stad hadden heel mooie bomen met klimplanten en een meer, waar het weerklonk van de geluiden van tjilpende vogels en kolonies zoemende bijen. (18) Van de koele waterval van een bergstroom ontving de schat aan bomen aan de oever van de vijver vol met lotussen een lentemist aan water op de takken. (19) De verschillende groepen dieren die in het bos leefden waren zo tam als de wijste wijzen en al het geroep van de koekoeken maakte dat iedere passant zich er uitgenodigd voelde. (20) Toen hij daar aankwam, zag hij plots een zeer mooie vrouw op zich afkomen omgeven door een tiental bedienden die ieder van hen gevolgd werden door een honderdtal anderen. (21) Ze was aan alle kanten beschermd door een vijfkoppige slang en helemaal niet zo oud het verlangen van iedere man opwekkend, leek het erop dat ze uitkeek naar een echtgenoot.. (22) Met een prachtige neus en mooie tanden had de jonge vrouw een welgevormd voorhoofd en, gelijkmatig in verhouding tot haar gezicht, prachtige oren met schitterende oorbellen. (23) Ze droeg een geel kleed en had een prachtige taille met een donkere huid, een gouden gordel en aan haar voeten enkelbelletjes die rinkelden terwijl ze liep; ze zag er precies uit als een hemelbewoonster. (24) Met het uiteinde van haar sârî probeerde ze verlegen, haar jeugdige, even ronde en volle borsten te bedekken, terwijl ze statig als een olifant voortschreed. (25) Getroffen door de sexuele aantrekking van de pijlen van haar blikken, de opwindende liefde van haar wenkbrauwen en de grote schoonheid van haar bescheiden glimlachen, richtte de held zich op zijn aardigst tot haar.

(26) 'Wie ben jij, jij met je mooie lotusblaadjes van ogen; ben je van hier uit de buurt van deze stad, o kuise dame - alsjeblieft wees zo aardig me te zeggen waar je naar op zoek bent, o verlegen meisje. (27) Wie zijn al die begeleiders van je, die elf wachters en al deze vrouwen, jij met je mooie ogen en wie is deze slang van jou die de weg voor je vrijmaakt? (28) In je bescheidenheid ben je als de vrouw van S'iva [Umâ] of eerder Sarasvatî [van Brahmâ] of nog beter de Godin van het Geluk [Lakshmî die bij Vishnu hoort]. Waar is die lotusbloem die uit de palm van je hand moet zijn gevallen met het uitkijken naar je echtgenoot, alleen in dit bos, op die voeten waarvan men alle dingen krijgt die men verlangt? (29) En als je geen van dezen bent, o fortuinlijke, aangezien je voeten de grond beroeren, dan verdien jij, die zo veel lijkt op de bovenzinnelijke godin van de genieter van alle offers, het om voor de meerdere eer en glorie van deze stad op te trekken met deze grote held, die van de grootste glorie is in de wereld! (30) Met je verlegen blikken, toegenegen glimlachen en verbijsterende wenkbrauwen heb je me van streek gebracht, de meest machtige Cupido in mij naar boven halend; weest me derhalve genadig, mijn liefste schoonheid. (31) Je gezicht, met die fraaie wenkbrauwen en warme ogen, omringd door de lokken van je blauw glanzende loshangende haar, heb je in je verlegenheid nog niet eens opgeheven om mij te laten zien en de liefste woorden uit te spreken, o dame met je lieflijke glimlach.'

(32) Nârada zei: 'O held, de vrouw die door het ongeduldige aandringen van Purañjana was aangetrokken glimlachte en richtte zich tot de stoutmoedige: (33) 'Ik ben er niet zeker van wie me op deze wereld heeft gezet, o beste onder de mannen, noch wat de bloedlijn of naam zou zijn van de anderen. (34) Al wat ik weet is dat we allen als zielen hier vandaag aanwezig zijn; meer, o grote held, weet ik niet over wie deze stad gebouwd heeft waar alle wezens hun verblijf hebben. (35) Al deze mannen en vrouwen bij me zijn mijn vrienden en vriendinnen, o man van respect en de slang waakt over me als ik slaap, om de stad te beschermen. (36) Gelukkig genoeg voor me, en al het goede ook u toegewenst, bent u hier gekomen - allen van ons, ik en mijn vrienden, o doder der vijand, zullen u al het genoegen voor uw zinnen verschaffen wat u maar verlangt. (37) Wees enkel zo goed, o machtige, in deze stad met de negen poorten te verblijven, die ik voor u heb ingericht om u voor de duur van een honderdtal jaren van de dingen te laten genieten. (38) Wie anders dan u zou ik het toestaan om te genieten! Zonder de zekerheid van uw wijsheid erover en uw kennis, zou het van de dwaasheid zijn van dieren die niet vooraf kunnen zien wat komen gaat, om uit te zien naar een leven hierna. (39) Hier kan men met religieuze riten, economische ontwikkeling en geregelde genoegens genieten van een leven met nakomelingen, de nectar der offers, een goede naam en een wereld zonder weeklagen en ziekte waar de transcendentalisten geen idee van hebben. (40) De voorvaderen, de goden, de mensen in het algemeen, alle levende wezens en iedere persoon voor zich, zijn er zeker van hoog te houden dat dit huiselijk bestaan dat is wat de gezegende toevlucht is in de materiële wereld. (41) Wie zou er ook werkelijk, mijn grote held, niet een dergelijke grootmoedige, prachtige en beroemde echtgenoot willen die even zo gretig klaar staat als ik? (42) Welke vrouwengeest in deze wereld zou niet aangetrokken zijn tot uw lenige lichaam met zijn sterke armen, o machtige, die enkel rondreist om zich tot het uiterste inspannend en met verlokkelijke glimlachen het leed te verdrijven van een arme vrouw als ik?'

(43) Nârada vervolgde: 'Op die manier verliefd op elkaar geraakt, gingen ze als man en vrouw die plaats binnen en leefden ze in de stad, o Koning, om voor de duur van een honderdtal jaren van hun leven te genieten. (44) Als het te heet was begaf hij zich omringd door vrouwen in de rivier om er te spelen en de zangers zongen er her en der alleraardigst over. (45) De stad had zeven poorten bovengronds en twee benedengronds die leidden tot verschillende plaatsen en ze werden allen gebruikt door de bestuurder. (46) Vijf van de deuren zagen uit op het oosten, één lag er op het zuiden, één op het noorden en dienovereenkomstig waren er ook twee op het westen; ik zal u nu hun namen beschrijven o Koning. (47) De twee poorten die uitzagen op het oosten werden Khadyotâ ['gloeiworm'] en Âvirmukhî ['de toorts'] genoemd; ze waren op dezelfde plaats aangebracht en de koning was het gewoon er doorheen te gaan op weg naar de stad Vibhrâjita ['helder zien'] met zijn vriend Dyumân ['van de zon']. (48) Eveneens gericht op het oosten waren er de poorten genaamd Nalinî en Nâlinî [mystieke benamingen voor de neusgaten] en door die poorten ging hij doorgaans met zijn vriend Avadhûta ['hij die zich wist te ontdoen'] naar een plaats genaamd Saurabha ['de geur']. (49) De vijfde poort aan de oostkant genaamd Mukhyâ ['de belangrijkste'] bracht de koning van de stad, begeleid door Rasajña ['de proever'] en Vipana ['de commerciële'], naar twee plaatsen genaamd Bahûdana ['vele giften'] en Âpana ['de markt']. (50) Door de stadspoort genaamd Pitrihû ['de voorouderlijke'] op het zuiden, o Koning, bezocht Purañjana de zuidelijke landstreek genaamd Dakshina-pañcâla ['het vijfvoudige van het zuiden'], tezamen met zijn vriend S'rutadhara ['de luisteraar']. (51) De stadspoort genaamd Devahû ['op God gericht'] in het noorden gebruikte Purañjana om met S'rutadhara de noordelijke gebieden te bezoeken genaamd Uttara-pañcâla ['het vijfvoudige van het noorden']. (52) De poort aan de westkant genaamd Âsurî ['die verstoken is van licht'] werd door Purañjana gebruikt om naar het lustoord genaamd Grâmaka ['een groot aantal'] te gaan in het gezelschap van Durmada ['hij die er gek op is']. (53) De westelijke poort genaamd Nirriti ['de bodem, de beëindiging'] werd door Purañjana gebruikt om naar de plaats genaamd Vais'asa ['zonder het slapende'] te gaan onder begeleiding van zijn vriend Lubdhaka [' de begeertige']. (54) Van alle bewoners die ogen in hun hoofd hadden was de koning het gewoon uit te gaan en dingen te doen met twee blinde mannen genaamd Nirvâk ['de sprakeloze'] en Pes'askrit ['de verpletterende']. (55) Als hij, zoals hij dat gewend was, naar zijn privé-verblijven ging, deed hij dat onder begeleiding van Vishûcîna ['die van het denken'] en dan genoot hij met de liefde van zijn vrouw en kinderen ofwel van de illusie, de bevrediging dan wel van het geluk. (56) Aldus bovenmatig gehecht in zijn bezigheden ter wille van de opbrengst kwam hij, lustig en minder intelligent, bedrogen uit in het gehoor geven aan alles wat zij, de koningin, ook maar wenste dat hij zou doen. (57-61) Als zij drank tot zich nam, dronk hij ook en raakte hij beschonken. Als zij at, dan at hij mee, met haar kauwend wat zij aan het kauwen was. Als zijn vrouw zong, zong hij ook en als zij bij tijden instortte, stortte ook hij in. Als zij moest lachen, lachte hij ook; als zij over koetjes en kalfjes sprak, babbelde hij vrolijk mee. Waar zij ook heen ging voor een wandeling, volgde hij dezelfde weg en wanneer zij zich ten ruste legde, ging hij in navolging van haar ook altijd liggen. Hij had ook de gewoonte te gaan zitten als zij dat deed en luisterde steeds ook naar dat waar zij naar luisterde. Als zij iets zag, bekeek ook hij hetzelfde en als zij ergens aan rook, rook hij er ook gewoontegetrouw aan. Als zij iets aanraakte, raakte hij het aan en als zij zich beklaagde volgde hij als een arme kerel haar daarin na. Hij genoot ervan als zij aan het genieten was en als zij bevredigd was, zo was hij dat ook naar haar voorbeeld. (62) Aldus in beslag genomen door de koningin kwam hij bedrogen uit in alles wat hij deed en was hij, onwijs in zijn blinde volgen van haar voorbeeld, zo zwak als een huisdier.

 

next                  

 
Tweede editie, geladen 25 november, 2006.

 

 

Bronteksten:

Het karakter van koning Purañjana

 

Text 1:

Maitreya zei: 'De grote Heer, aldus onderricht verschaffend, door de zoons van Barhishat aanbeden,verdween vandaar waarlijk recht voor ogen van de prinsen

De grote wijze Maitreya zette zijn uiteenzetting aan Vidura voort: O Vidura, zo onderrichtte Heer S'iva de zoons van koning Barhishat, die hem vervolgens met grote toewijding en vol respect eer bewezen. Tenslotte werd Heer S'iva onzichtbaar voor de prinsen. (Vedabase)

 

Text 2 :

Bij dat water deden al de Pracetâ's, de verzaking beoefenend, dat gebed gezongen door Heer S'iva, voor de duur van tienduizend jaar.

De Pracetâ-prinsen bleven tienduizend jaar onder water en reciteerden de gebeden die Heer S'iva hen geleerd had. (Vedabase)

 

Text 3:

O Vidura, koning Prâcînabarhi, met een geest vol van gehechtheid aan baatzuchtige handelingen, ontving [ondertussen] onderricht van een mededogende Nârada goed thuis in de spirituele waarheid:

Terwijl de prinsen onder water strenge boetedoeningen ondergingen, hield hun vader zich echter bezig met allerlei baatzuchtige activiteiten. De grote heilige Nârada, meester en leraar van alles wat met geestelijk leven te maken heeft, vatte toen diep mededogen voor de koning op en besloot hem in het geestelijk leven te onderrichten. (Vedabase)

 

Text 4:

'O Koning, wat is die allerhoogste zegening voor de ziel die u verwacht van het handelen terwille van de opbrengst? Die zegen van het verdwijnen van alle leed en het bereiken van het geluk, kan u in dit verband nooit verwerven.'

Nârada Muni vroeg koning Prâcînabarhishat: Mijn beste koning, wat hoopt u met het verrichten van deze baatzuchtige activiteiten te bereiken? Het belangrijkste doel in het leven is een eind aan al het lijden te maken en gelukkig te zijn, maar met baatzuchtige activiteiten kan men dat niet verwezenlijken. (Vedabase)

 

Text 5:

De koning gaf ten antwoord: 'Ik weet het niet, o grote transcendentale ziel, mijn intelligentie wordt in beslag genomen door mijn verlangen naar de vruchten, vertel me alstublieft van de smetteloze spirituele kennis die me van mijn werklast zal bevrijden.

De koning antwoordde: O grote ziel, o Nârada, omdat mijn intelligentie verwikkeld is geraakt in baatzuchtige activiteiten, weet ik niet wat het hoogste levensdoel is. Wilt u zo vriendelijk zijn om mij in zuivere kennis te onderwijzen, zodat ik los kan komen uit de verstrikking van baatzuchtige activiteiten? (Vedabase)

 

Text 6:

In de oppervlakkige verplichtingen van het gezinsleven met zoons, een echtgenote en weelde wordt de transcendentie niet beschouwt als zijnde het levensdoel, en zo komt men tot de ontdekking dat men een dwaas is die ronddoolt op alle wegen van het materieel bestaan.'

Degenen die alleen geïnteresseerd zijn in een zogenaamd mooi bestaan - dat wil zeggen dat ze vrouw en zonen in het gezinsleven verstrikt blijven, en proberen rijkdom te vergaren - denken dat dergelijke zaken het hoogste levensdoel zijn. Zulke mensen doen niets anders dan in verschillende lichamen door dit stoffelijke bestaan te dwalen, zonder dat ze ooit het uiteindelijke doel van het leven bereiken. (Vedabase)

 

Text 7:

Nârada zei: 'Wacht eens even, o Heerser der Burgers, o Koning, mag ik u attenderen op het totaal van al de duizenden van dieren die u genadeloos hebt gedood in de offerplechtigheden?

De grote heilige Nârada zei: O meester van de burgers, mijn beste koning, zie alstublieft in de hemel de dieren die u meedogenloos en genadeloos in het offerperk hebt gedood. (Vedabase)

 

Text 8:

Ze staan allen, indachtig het leed dat u hen hebt aangedaan, kokend van woede op u te wachten om u met ijzeren hoornen te doorboren nadat u bent gestorven.

Al deze dieren wachten uw dood af, zodat zij zich kunnen wreken voor het letsel dat u hen hebt toegebracht. Wanneer u gestorven bent, zullen ze u woedend met ijzeren hoorns doorboren. (Vedabase)

 

Text 9:

Daartoe wil ik u het zeer oude verhaal vertellen van Purañjana ['hij die uit is op de stad die het lichaam is']; probeer enkel dit karakter te doorgronden terwijl ik erover spreek.

In dit verband wil ik u een oude geschiedenis vertellen over een koning genaamd Purañjana. Luister alstublieft met grote aandacht. (Vedabase)

 

Text 10:

Er was er eens een koning van een grote bekendheid Purañjana geheten, o Heerser, die een vriend had genaamd Avijñâta ['de onbekende'] van wie niemand wist wat hij deed.

O koning, vroeger leefde er eens een koning genaamd Purañjana, die beroemd was om zijn buitengewone daden. Hij had een vriend die Avijñâta ["de onbekende"] heette, wiens activiteiten niemand kon begrijpen. (Vedabase)

 

Text 11:

Hij reisde rusteloos rond over de gehele planeet om zijn mannetje te staan, maar toen hij zichzelf op die manier nooit kon vinden, raakte hij in de put.

Koning Purañjana ging op zoek naar een geschikte woonplaats en reisde daarvoor over de hele wereld. Ondanks al zijn gereis, kon hij toch geen plek vinden die naar zijn zin was. Tenslotte werd hij gefrustreerd en somber. (Vedabase)

 

Text 12:

Niemand op deze aarde zag ook maar iets in hem, waar die koning ook verbleef en wat hij ook voor zijn doeleinden wenste te genieten.

Koning Purañjana's verlangen naar zingenot was onbegrensd; daarom reisde hij de hele wereld door om een plaats te vinden waar al zijn verlangens vervuld konden worden. Helaas bleef hij overal waar hij kwam met een onbevredigd gevoel zitten. (Vedabase)

 

Text 13

Toen hij eens ten zuiden van de Himalaya's verkeerde ontwaarde hij op de hellingen ervan een stad met negen poorten [vergelijk B.G. 5:13] die hem alle gemakken bood.

Terwijl hij zo rondzwierf, ontdekte hij ten zuiden van de Himalaya's in een plaats genaamd Bhârata-varsha [India], eens een stad met negen poorten en allerlei aangename faciliteiten. (Vedabase)

 

Text 14:

Omgeven door hoge muren en volgepakt met huizen had hij torens, poorten, parken, kanalen, vensters en koepels gemaakt van goud en zilver.

Die stad was omringd door muren en parken en binnen de muren waren er torens, grachten, ramen en afvoerkanalen. De huizen in die stad waren versierd met gouden, zilveren en ijzeren koepels. (Vedabase)

 

Text 15:

De vloeren van de paleizen waren overdekt met saffier, kristal, diamanten, parels, smaragden en robijnen en waren in hun schoonheid zo luisterrijk als de hemelse stad genaamd Bhogavatî.

De vloeren van de huizen waren gemaakt van saffier, kristal, diamanten, parels, smaragden en robijnen. Vanwege de schittering van de huizen werd deze stad vergeleken met de hemelse stad Bhogavatî. (Vedabase)

  

Text 16:

Er waren vergaderplaatsen, pleinen en straten met gokhuizen, winkels en uitspanningen, die versierd waren met vlaggen, slingers en hangende tuinen.

In die stad waren vele openbare gebouwen, kruispunten, straten, restaurants, gokhuizen, markten, rustplaatsen, vlaggen, slingers en mooie parken. Deze waren overal in de stad te vinden. (Vedabase)

 

Text 17:

De buitenwijken van die stad hadden heel mooie bomen met klimplanten en een meer, waar het weerklonk van de geluiden van tjilpende vogels en kolonies zoemende bijen.

Buiten de stadsmuren stonden vele prachtige bomen en klimplanten rondom een mooi meer. Het gezang en gezoem van talrijke zwermen vogels en bijen rond dat meer was niet van de lucht. (Vedabase)

 

Text 18:

Van de koele waterval van een bergstroom ontving de schat aan bomen aan de oever van de vijver vol met lotussen een lentemist aan water op de takken.

De takken van de bomen op de oever van het meer werden besprenkeld door de waterdruppeltjes welke de lentelucht aandroeg van de watervallen, die van de met ijs bedekte bergtop naar beneden stortten. (Vedabase)
 
Text 19:

De verschillende groepen dieren die in het bos leefden waren zo tam als de wijste wijzen en al het geroep van de koekoeken maakte dat iedere passant zich er uitgenodigd voelde.

In deze sfeer werden zelfs de wilde dieren geweldloos en vrij van afgunst als waren ze grote wijzen. Ze vielen dan ook niemand aan. Boven alles uit klonk het roepen van de koekoeken. Iedereen die langsliep voelde zich door deze sfeer geneigd om wat uit te rusten in die mooie tuin. (Vedabase)

 

Text 20:

Toen hij daar aankwam, zag hij plots een zeer mooie vrouw op zich afkomen omgeven door een tiental bedienden die ieder van hen gevolgd werden door een honderdtal anderen.

Toen koning Purañjana wat door die prachtige tuin aan het dwalen was, kwam hij plotseling een beeldschone vrouw tegen, die daar zomaar zonder bepaald doel liep te wandelen. Zij had tien dienaren bij zich en elke dienaar was vergezeld van honderden vrouwen. (Vedabase)

 

Text 21:

Ze was aan alle kanten beschermd door een vijfkoppige slang en helemaal niet zo oud het verlangen van iedere man opwekkend, leek het erop dat ze uitkeek naar een echtgenoot.

De vrouw werd aan alle kanten beschermd door een slang met vijf koppen. Ze was beeldschoon en jong, en ze scheen er hevig naar te verlangen een geschikte echtgenoot te vinden. (Vedabase)

 

Text 22:

Met een prachtige neus en mooie tanden had de jonge vrouw een welgevormd voorhoofd en, gelijkmatig in verhouding tot haar gezicht, prachtige oren met schitterende oorbellen.

De neus, de tanden en het voorhoofd van de vrouw waren bijzonder mooi, en haar oren, versierd met oogverblindende oorbellen, waren al even prachtig. (Vedabase)

 

Text 23:

Ze droeg een geel kleed en had een prachtige taille met een donkere huid, een gouden gordel en aan haar voeten enkelbelletjes die rinkelden terwijl ze liep; ze zag er precies uit als een hemelbewoonster.

De taille en de heupen van de vrouw waren zeer schoon. Ze droeg een gele sârî met een gouden ceintuur en bij elke stap die ze deed, rinkelden haar enkelbellen. Ze leek precies op een godin van de hemelse planeten. (Vedabase)

 

Text 24:

Met het uiteinde van haar sârî probeerde ze verlegen, haar jeugdige, even ronde en volle borsten te bedekken, terwijl ze statig als een olifant voortschreed.

Met het uiteinde van haar sârî probeerde de vrouw haar borsten te bedekken, die beiden even rond waren en symmetrisch naast elkaar stonden. Uit verlegenheid probeerde zij ze telkens weer te bedekken, terwijl ze voortschreed als een grote olifant. (Vedabase)

 

Text 25:

Getroffen door de sexuele aantrekking van de pijlen van haar blikken, de opwindende liefde van haar wenkbrauwen en de grote schoonheid van haar bescheiden glimlachen, richtte de held zich op zijn aardigst tot haar.

De held Purañjana raakte aangetrokken tot de wenkbrauwen en de glimlach van het uitzonderlijk mooie meisje en werd onmiddellijk door de pijlen van haar lustige verlangens doorboord. Haar verlegen glimlach maakte haar nog aantrekkelijker voor Purañjana, die, hoewel hij een held was, het niet kon laten om haar aan te spreken. (Vedabase)

 

Text 26:

'Wie ben jij, jij met je mooie lotusblaadjes van ogen; ben je van hier uit de buurt van deze stad, o kuise dame - alsjeblieft wees zo aardig me te zeggen waar je naar op zoek bent, o verlegen meisje.

O lief meisje, je ogen lijken precies op lotusbloemen. Wil je me vertellen waar je vandaan komt, wie je bent en wie je ouders zijn? Je ziet er heel zedig uit. Met welk doel ben je hier? Wat probeer je te doen? Wees alsjeblieft zo goed me dit allemaal uit te leggen. (Vedabase)

 

Text 27:

Wie zijn al die begeleiders van je, die elf wachters en al deze vrouwen, jij met je mooie ogen en wie is deze slang van jou die de weg voor je vrijmaakt?

O lief meisje met lotus-ogen, wie zijn die elf sterke lijfwachten die je vergezellen, en wie zijn die tien speciale dienaren? Wie zijn die vrouwen in het gevolg van de tien dienaren, en wie is die slang daar voor je? (Vedabase)

  

Text 28:

In je bescheidenheid ben je als de vrouw van S'iva [Umâ] of eerder Sarasvatî [van Brahmâ] of nog beter de Godin van het Geluk [Lakshmî die bij Vishnu hoort]. Waar is die lotusbloem die uit de palm van je hand moet zijn gevallen met het uitkijken naar je echtgenoot, alleen in dit bos, op die voeten waarvan men alle dingen krijgt die men verlangt?

O lief mooi meisje, je lijkt sprekend op de godin van het geluk, of op de vrouw van Heer S'iva, of de godin van de wijsheid, de vrouw van Heer Brahmâ. Hoewel je een van hen moet zijn, zie ik dat je in dit bos rondwandelt. Bovendien ben je zo zwijgzaam als de grote wijzen. Ben je misschien op zoek naar je echtgenoot? Wie hij ook moge zijn, als jij hem trouw bent, zal alle rijkdom van de wereld hem ten deel vallen. Volgens mij ben je de godin van het geluk, hoewel ik geen lotus in je hand zie. Waar heb je die gelaten? (Vedabase)

  

  Text 29:

En als je geen van dezen bent, o fortuinlijke, aangezien je voeten de grond beroeren, dan verdien jij, die zo veel lijkt op de bovenzinnelijke godin van de genieter van alle offers, het om voor de meerdere eer en glorie van deze stad op te trekken met deze grote held, die van de grootste glorie is in de wereld!

O zeer fortuinlijk meisje, het blijkt dat je geen van de vrouwen bent die ik heb opgenoemd, want ik zie dat je voeten de grond raken. Maar als je een vrouw van deze planeet bent, kun je de schoonheid van deze stad verhogen door bij mij te blijven, zoals de godin van het geluk, in gezelschap van Heer Vishnu, de pracht van de Vaikunthha-planeten verhoogt. Je moet weten dat ik een grote held en een zeer machtige koning op deze planeet ben. (Vedabase)

  

Text 30:

Met je verlegen blikken, toegenegen glimlachen en verbijsterende wenkbrauwen heb je me van streek gebracht, de meest machtige Cupido in mij naar boven halend; weest me derhalve genadig, mijn liefste schoonheid.

De blikken die je vandaag naar me geworpen hebt, hebben mijn geest zonder meer zeer verward. Je glimlach, die zeer schuchter en tegelijkertijd lustig is, prikkelt de zeer machtige Cupido in mij. O wonderschone, ik vraag je daarom om me genadig te zijn. (Vedabase)

  

Text 31:

Je gezicht, met die fraaie wenkbrauwen en warme ogen, omringd door de lokken van je blauw glanzende loshangende haar, heb je in je verlegenheid nog niet eens opgeheven om mij te laten zien en de liefste woorden uit te spreken, o dame met je lieflijke glimlach.'

Lief meisje, je bent zo mooi met je prachtige wenkbrauwen en ogen en met je blauwachtige lokken. Bovendien komen er honingzoete geluiden uit je mond. Toch ben je zo verlegen dat je me niet recht aankijkt. Daarom, lief meisje, vraag ik je te glimlachten en je hoofd op te heffen, zodat je me aan kunt kijken. (Vedabase)

  

Text 32:

Nârada zei: 'O held, de vrouw die door het ongeduldige aandringen van Purañjana was aangetrokken glimlachte en richtte zich tot de stoutmoedige:

Nârada vervolgde: Beste koning, toen Purañjana zo sterk tot haar aangetrokken was en er vurig naar verlangde om haar aan te raken en van haar te genieten, raakte het meisje ook geprikkeld door zijn woorden en voldeed aan zijn verzoek door te glimlachen. Nu voelde ze zich zonder meer tot de koning aangetrokken. (Vedabase)

 

Text 33:

'Ik ben er niet zeker van wie me op deze wereld heeft gezet, o beste onder de mannen, noch wat de bloedlijn of naam zou zijn van de anderen.

Het meisje zei: O beste onder de mensen, ik weet niet wie mij verwekt heeft. Daarover kan ik u geen volledige informatie geven. Ook van de namen of afkomst van mijn metgezellen weet ik niets af. (Vedabase)

 

Text 34:

Al wat ik weet is dat we allen als zielen hier vandaag aanwezig zijn; meer, o grote held, weet ik niet over wie deze stad gebouwd heeft waar alle wezens hun verblijf hebben.

O grote held, we weten alleen dat we hier bestaan. Wat hierna zal komen weten we niet. We zijn zelfs zo dwaas, dat we ons niet eens de moeite willen geven om ons af te vragen wie deze prachtige verblijfplaats voor ons geschapen heeft. (Vedabase)

 

Text 35:

Al deze mannen en vrouwen bij me zijn mijn vrienden en vriendinnen, o man van respect en de slang waakt over me als ik slaap, om de stad te beschermen.

Mijn beste heer, deze mannen en vrouwen zijn allemaal vrienden van mij, en de slang, die altijd wakker blijft, beschermt deze stad zelfs tijdens mijn slaap. Dit is alles wat ik weet, en van al het andere ben ik niet op de hoogte. (Vedabase)

 

Text 36:

Gelukkig genoeg voor me, en al het goede ook u toegewenst, bent u hier gekomen - allen van ons, ik en mijn vrienden, o doder der vijand, zullen u al het genoegen voor uw zinnen verschaffen wat u maar verlangt.

O doder van de vijand, u bent hier op een of andere manier verzeild geraakt. Ik kan mezelf daar zeer gelukkig om prijzen. Ik wens u al het goede toe. U hebt een sterk verlangen om uw zinnen te bevredigen, en mijn vrienden en ik zullen ons best doen om al uw verlangens te vervullen. (Vedabase)

 

Text 37:

Wees enkel zo goed, o machtige, in deze stad met de negen poorten te verblijven, die ik voor u heb ingericht om u voor de duur van een honderdtal jaren van de dingen te laten genieten.

Mijn heer, ik heb deze stad met negen poorten net voor u in orde gebracht, zodat u allerlei vormen van zinsbevrediging kunt beleven. U kunt hier honderd jaar leven, en gedurende die honderd jaar zal u voorzien worden van alles wat maar nodig is om uw zinnen te bevredigen. (Vedabase)

 

Text 38:

Wie anders dan u zou ik het toestaan om te genieten! Zonder de zekerheid van uw wijsheid erover en uw kennis, zou het van de dwaasheid zijn van dieren die niet vooraf kunnen zien wat komen gaat, om uit te zien naar een leven hierna.

Hoe zou ik me kunnen verenigen met anderen, die geen kennis van seks hebben en ook niet weten hoe ze, in dit leven of na de dood, van het leven moeten genieten? Zulke dwaze mensen zijn net als dieren, want ze weten niets af van zinsbevrediging in dit leven en na de dood. (Vedabase)

 

Text 39:

Hier kan men met religieuze riten, economische ontwikkeling en geregelde genoegens genieten van een leven met nakomelingen, de nectar der offers, een goede naam en een wereld zonder weeklagen en ziekte waar de transcendentalisten geen idee van hebben.

De vrouw vervolgde: In deze materiële wereld brengt het gezinsleven alle geluk op het gebied van religie, materiële vooruitgang, zinsbevrediging en het verwekken van kinderen, zonen en kleinzonen. Daarna kan men naar bevrijding en materiële roem streven. De gehuwde man kan de resultaten van offerrituelen waarderen, die hem in staat stellen om naar hogere planeten te gaan. Van al dit materiële geluk weten transcendentalisten praktisch niets af. Ze kunnen het zich zelfs niet eens voorstellen. (Vedabase)

 

Text 40:

De voorvaderen, de goden, de mensen in het algemeen, alle levende wezens en iedere persoon voor zich, zijn er zeker van hoog te houden dat dit huiselijk bestaan dat is wat de gezegende toevlucht is in de materiële wereld.

De vrouw vervolgde: Autoriteiten stellen dat het gezinsleven niet alleen aangenaam is voor de betrokkenen, maar eveneens voor alle voorvaders, halfgoden, grote wijzen, heiligen en alle andere mensen. Daarom is het gezinsleven nuttig. (Vedabase)

 

Text 41:

Wie zou er ook werkelijk, mijn grote held, niet een dergelijke grootmoedige, prachtige en beroemde echtgenoot willen die even zo gretig klaar staat als ik?

O mijn beste held, wie op aarde zou een echtgenoot als u afwijzen? U bent zo beroemd, zo grootmoedig, zo knap en zo gemakkelijk in te palmen. (Vedabase)

 

Text 42:

Welke vrouwengeest in deze wereld zou niet aangetrokken zijn tot uw lenige lichaam met zijn sterke armen, o machtige, die enkel rondreist om zich tot het uiterste inspannend en met verlokkelijke glimlachen het leed te verdrijven van een arme vrouw als ik?'

O sterk gearmde, wie op aarde zou zich niet aangetrokken voelen tot uw armen, die net op slangen lijken? Met uw aantrekkelijke glimlach en agressieve genade lenigt u in feite de nood van vrouwen zonder echtgenoot zoals wijzelf. We denken dat u alleen over de wereld reist ten bate van ons welzijn. (Vedabase)

 

Text 43:

Nârada vervolgde: 'Op die manier verliefd op elkaar geraakt, gingen ze als man en vrouw die plaats binnen en leefden ze in de stad, o Koning, om voor de duur van een honderdtal jaren van hun leven te genieten.

De grote wijze Nârada vervolgde: O koning, nadat die twee - man en vrouw - wederzijds begrip bij elkaar hadden gevonden, gingen ze de stad binnen en genoten honderd jaar lang van het leven. (Vedabase)

 

Text 44:

Vele zangers zongen er alleraardigst over terwijl hij omringd door vrouwen zich in de rivier begaf om er te spelen als het te heet was.

Vele beroepszangers bezongen de heerlijkheid en de roemrijke daden van koning Purañjana. Wanneer de hitte van de zomers hem teveel werd, ging hij het water in. Dan omringde hij zich met vele vrouwen en genoot van hun gezelschap. (Vedabase)

 

Text 45:

De stad had zeven poorten bovengronds en twee benedengronds die leidden tot verschillende plaatsen en ze werden allen gebruikt door de bestuurder.

Van de negen poorten in die stad, bevonden zeven zich bovengronds en twee ondergronds. In totaal waren er negen deuren die naar verschillende plaatsen leidden. De heer van de stad maakte van alle poorten gebruik. (Vedabase)

 

Text 46:

Vijf van de deuren zagen uit op het oosten, één lag er op het zuiden, één op het noorden en dienovereenkomstig waren er ook twee op het westen; ik zal u nu hun namen beschrijven o Koning.

O koning, van de negen deuren leidden er vijf naar het oosten, één naar het noorden, één naar het zuiden en twee naar het westen. Ik zal trachten u de namen van deze verschillende deuren te noemen. (Vedabase)

 

Text 47:

De twee poorten die uitzagen op het oosten werden Khadyotâ ['gloeiworm'] en Âvirmukhî ['de toorts'] genoemd; ze waren op dezelfde plaats aangebracht en de koning was het gewoon er doorheen te gaan op weg naar de stad Vibhrâjita ['helder zien'] met zijn vriend Dyumân ['van de zon'].

De twee poorten genaamd Khadyotâ en Âvirmukhî zagen uit op het oosten, maar ze waren op één plaats gebouwd. Door die twee poorten ging de koning altijd naar de stad Vibhrâjita, vergezeld van een vriend die Dyumân heette. (Vedabase)

 

Text 48:

Eveneens gericht op het oosten waren er de poorten genaamd Nalinî en Nâlinî [mystieke benamingen voor de neusgaten] en door die poorten ging hij doorgaans met zijn vriend Avadhûta ['hij die zich wist te ontdoen'] naar een plaats genaamd Saurabha ['de geur'].

Eveneens in het oosten bevonden zich twee poorten genaamd Nalinî en Nâlinî, en deze waren ook op één plaats gebouwd. Door deze poorten ging de koning, in gezelschap van zijn vriend Avadhûta, naar de stad Saurabha. (Vedabase)

 

Text 49:

De vijfde poort aan de oostkant genaamd Mukhyâ ['de belangrijkste'] bracht de koning van de stad, begeleid door Rasajña ['de proever'] en Vipana ['de commerciële'], naar twee plaatsen genaamd Bahûdana ['vele giften'] en Âpana ['de markt'].

De vijfde poort aan de oostkant heette Mukhyâ. (de leider) Vergezeld van zijn vrienden Rasajña en Vipana, ging hij door deze poort naar de plaatsen Bahûdana en Âpana. (Vedabase)

 

Text 50:

Door de stadspoort genaamd Pitrihû ['de voorouderlijke'] op het zuiden, o Koning, bezocht Purañjana de zuidelijke landstreek genaamd Dakshina-pañcâla ['het vijfvoudige van het zuiden'], tezamen met zijn vriend S'rutadhara ['de luisteraar'].

De zuidelijke stadspoort heette Pitrihû en door die poort ging koning Purañjana naar de stad Dakshina-pañcâla, in gezelschap van zijn vriend S'rutadhara. (Vedabase)

 

Text 51:

De stadspoort genaamd Devahû ['op God gericht'] in het noorden gebruikte Purañjana om met S'rutadhara de noordelijke gebieden te bezoeken genaamd Uttara-pañcâla ['het vijfvoudige van het noorden'].

Aan de noordkant bevond zich de poort Devahû. Door die poort ging koning Purañjana met zijn vriend S'rutadhara naar de plaats die bekend stond als Uttara-pañcâla. (Vedabase)

 

Text 52:

De poort aan de westkant genaamd Âsurî ['die verstoken is van licht'] werd door Purañjana gebruikt om naar het lustoord genaamd Grâmaka ['een groot aantal'] te gaan in het gezelschap van Durmada ['hij die er gek op is'].

Aan de westkant bevond zich de poort die de naam Âsurî droeg. Door deze poort ging koning Purañjana naar de stad Grâmaka, in gezelschap van zijn vriend Durmada. (Vedabase)

 

Text 53:

De westelijke poort genaamd Nirriti ['de bodem, de beëindiging'] werd door Purañjana gebruikt om naar de plaats genaamd Vais'asa ['zonder het slapende'] te gaan onder begeleiding van zijn vriend Lubdhaka [' de begeertige'].

Aan de westkant bevond zich nog een poort, die de naam Nirriti droeg. Purañjana ging altijd door deze poort naar de stad Vais'asa, in gezelschap van zijn vriend Lubdhaka. (Vedabase)

 

Text 54:

Van alle bewoners die ogen in hun hoofd hadden was de koning het gewoon uit te gaan en dingen te doen met twee blinde mannen genaamd Nirvâk ['de sprakeloze'] en Pes'askrit ['de verpletterende'].

Tot de vele inwoners van de stad behoorden twee personen die Nirvâk en Pes'askrit heetten. Hoewel Purañjana koning was van mensen die konden zien, ging hij jammer genoeg met deze twee blinde mannen om. Samen met hen begaf hij zich overal heen om verschillende activiteiten te verrichten. (Vedabase)

 

Text 55:

Als hij, zoals hij dat gewend was, naar zijn privé-verblijven ging, deed hij dat onder begeleiding van Vishûcîna ['die van het denken'] en dan genoot hij met de liefde van zijn vrouw en kinderen ofwel van de illusie, de bevrediging dan wel van het geluk.

Soms ging hij naar zijn privé-woning met een van zijn opperdienaren [de geest], Vishûcîna geheten. De aanwezigheid van zijn vrouw en kinderen deden hem dan opgaan in illusie, tevredenheid en geluk. (Vedabase)

 

Text 56:

Aldus bovenmatig gehecht in zijn bezigheden ter wille van de opbrengst kwam hij, lustig en minder intelligent, bedrogen uit in het gehoor geven aan alles wat zij, de koningin, ook maar wenste dat hij zou doen.

Zo was koning Purañjana in allerlei vormen van speculatie en baatzuchtige activiteiten verwikkeld, als gevolg waarvan hij volledig beheerst raakte door de materiële intelligentie en aldus bedrogen werd. Hij vervulde in feite elk verlangen van zijn vrouw, de koningin. (Vedabase)

 

Text 57-61:

Als zij drank tot zich nam, dronk hij ook en raakte hij beschonken. Als zij at, dan at hij mee, met haar kauwend wat zij aan het kauwen was. Als zijn vrouw zong, zong hij ook en als zij bij tijden instortte, stortte ook hij in. Als zij moest lachen, lachte hij ook; als zij over koetjes en kalfjes sprak, babbelde hij vrolijk mee. Waar zij ook heen ging voor een wandeling, volgde hij dezelfde weg en wanneer zij zich ten ruste legde, ging hij in navolging van haar ook altijd liggen. Hij had ook de gewoonte te gaan zitten als zij dat deed en luisterde steeds ook naar dat waar zij naar luisterde. Als zij iets zag, bekeek ook hij hetzelfde en als zij ergens aan rook, rook hij er ook gewoontegetrouw aan. Als zij iets aanraakte, raakte hij het aan en als zij zich beklaagde volgde hij als een arme kerel haar daarin na. Hij genoot ervan als zij aan het genieten was en als zij bevredigd was, zo was hij dat ook naar haar voorbeeld.

Wanneer de koningin sterke drank gebruikte, dronk koning Purañjana ook. Wanneer de koningin at, at hij samen met haar, en wanneer zij kauwde, kauwde koning Purañjana eveneens. Wanneer de koningin zong, zong hij ook. Wanneer de koningin huilde, huilde hij en wanneer de koningin lachte, lachte hij ook. Wanneer de koningin over koetjes en kalfjes praatte, praatte hij met haar mee, en wanneer de koningin wandelde, liep de koning achter haar aan. Wanneer de koningin stilstond, stond de koning ook stil, en wanneer de koningin op bed ging liggen, volgde hij en ging naast haar liggen. Wanneer de koningin ging zitten, ging hij ook zitten, en wanneer de koningin naar iets luisterde, wilde hij daar ook naar luisteren. Wanneer de koningin iets zag, keek de koning daar ook naar, en wanneer de koningin ergens aan rook, moest de koning er ook aan ruiken. Wanneer de koningin iets aanraakte, raakte de koning het ook aan, en wanneer de lieve koningin weeklaagde, moest de arme koning ook weeklagen. Wanneer de koningin zich ergens over verheugde, was hij ook blij en was de koningin tevreden, dan voelde de koning zich eveneens voldaan. (Vedabase)

  

Text 62:

Aldus in beslag genomen door de koningin kwam hij bedrogen uit in alles wat hij deed en was hij, onwijs in zijn blinde volgen van haar voorbeeld, zo zwak als een huisdier.

Zo werd koning Purañjana, bekoord als hij was door zijn lieve vrouw, bedrogen. Voorwaar, hij verspeelde op die manier zijn hele bestaan in de materiële wereld. Zelfs tegen zijn wil in bleef die arme, dwaze koning in de macht van zijn vrouw, net als een huisdier dat op bevel van zijn meester danst. (Vedabase)

 

 

 

 

 

  

Voor deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties