Canto
4
Hoofdstuk 25: Over het Karakter van Koning Purañjana
(1) Maitreya zei: 'De grote Heer, aldus onderricht verschaffend, door de zoons van Barhishat aanbeden, verdween vandaar recht voor ogen van de prinsen. (2) Bij dat water deden al de Pracetâ's, de verzaking beoefenend, dat gebed gezongen door Heer S'iva, voor de duur van tienduizend jaar. (3) O Vidura, koning Prâcînabarhi, met een geest vol van gehechtheid aan baatzuchtige handelingen, ontving [ondertussen] onderricht van een mededogende Nârada goed thuis in de spirituele waarheid: (4) 'O Koning, wat is die allerhoogste zegening voor de ziel die u verwacht van het handelen terwille van de opbrengst? Die zegen van het verdwijnen van alle leed en het bereiken van het geluk, kan u in dit verband nooit verwerven.'
(5) De koning gaf ten antwoord: 'Ik weet het niet, o grote transcendentale ziel, mijn intelligentie wordt in beslag genomen door mijn verlangen naar de vruchten, vertel me alstublieft van de smetteloze spirituele kennis die me van mijn werklast zal bevrijden. (6) In de oppervlakkige verplichtingen van het gezinsleven met zoons, een echtgenote en weelde wordt de transcendentie niet beschouwt als zijnde het levensdoel, en zo komt men tot de ontdekking dat men een dwaas is die ronddoolt op alle wegen van het materieel bestaan.'
(7) Nârada zei: 'Wacht eens even, o Heerser der Burgers, o Koning, mag ik u attenderen op het totaal van al de duizenden van dieren die u genadeloos hebt gedood in de offerplechtigheden? (8) Ze staan allen, indachtig het leed dat u hen hebt aangedaan, kokend van woede op u te wachten om u met ijzeren hoornen te doorboren nadat u bent gestorven. (9) Daartoe wil ik u het zeer oude verhaal vertellen van Purañjana ['hij die uit is op de stad die het lichaam is']; probeer enkel dit karakter te doorgronden terwijl ik erover spreek. (10) Er was er eens een koning van een grote bekendheid Purañjana geheten, o Heerser, die een vriend had genaamd Avijñâta ['de onbekende'] van wie niemand wist wat hij deed. (11) Hij reisde rusteloos rond over de gehele planeet om zijn mannetje te staan, maar toen hij zichzelf op die manier nooit kon vinden, raakte hij in de put. (12) Niemand op deze aarde zag ook maar iets in hem, waar die koning ook verbleef en wat hij ook voor zijn doeleinden wenste te genieten. (13) Toen hij eens ten zuiden van de Himalaya's verkeerde ontwaarde hij op de hellingen ervan een stad met negen poorten [vergelijk B.G. 5:13] die hem alle gemakken bood. (14) Omgeven door hoge muren en volgepakt met huizen had hij torens, poorten, parken, kanalen, vensters en koepels gemaakt van goud en zilver. (15) De vloeren van de paleizen waren overdekt met saffier, kristal, diamanten, parels, smaragden en robijnen en waren in hun schoonheid zo luisterrijk als de hemelse stad genaamd Bhogavatî. (16) Er waren vergaderplaatsen, pleinen en straten met gokhuizen, winkels en uitspanningen, die versierd waren met vlaggen, slingers en hangende tuinen. (17) De buitenwijken van die stad hadden heel mooie bomen met klimplanten en een meer, waar het weerklonk van de geluiden van tjilpende vogels en kolonies zoemende bijen. (18) Van de koele waterval van een bergstroom ontving de schat aan bomen aan de oever van de vijver vol met lotussen een lentemist aan water op de takken. (19) De verschillende groepen dieren die in het bos leefden waren zo tam als de wijste wijzen en al het geroep van de koekoeken maakte dat iedere passant zich er uitgenodigd voelde. (20) Toen hij daar aankwam, zag hij plots een zeer mooie vrouw op zich afkomen omgeven door een tiental bedienden die ieder van hen gevolgd werden door een honderdtal anderen. (21) Ze was aan alle kanten beschermd door een vijfkoppige slang en helemaal niet zo oud het verlangen van iedere man opwekkend, leek het erop dat ze uitkeek naar een echtgenoot.. (22) Met een prachtige neus en mooie tanden had de jonge vrouw een welgevormd voorhoofd en, gelijkmatig in verhouding tot haar gezicht, prachtige oren met schitterende oorbellen. (23) Ze droeg een geel kleed en had een prachtige taille met een donkere huid, een gouden gordel en aan haar voeten enkelbelletjes die rinkelden terwijl ze liep; ze zag er precies uit als een hemelbewoonster.(24) Met het uiteinde van haar sârî probeerde ze verlegen, haar jeugdige, even ronde en volle borsten te bedekken, terwijl ze statig als een olifant voortschreed. (25) Getroffen door de sexuele aantrekking van de pijlen van haar blikken, de opwindende liefde van haar wenkbrauwen en de grote schoonheid van haar bescheiden glimlachen, richtte de held zich op zijn aardigst tot haar.
(26) 'Wie ben jij, jij met je mooie lotusblaadjes van ogen; ben je van hier uit de buurt van deze stad, o kuise dame - alsjeblieft wees zo aardig me te zeggen waar je naar op zoek bent, o verlegen meisje. (27) Wie zijn al die begeleiders van je, die elf wachters en al deze vrouwen, jij met je mooie ogen en wie is deze slang van jou die de weg voor je vrijmaakt? (28) In je bescheidenheid ben je als de vrouw van S'iva [Umâ] of eerder Sarasvatî [van Brahmâ] of nog beter de Godin van het Geluk [Lakshmî die bij Vishnu hoort]. Waar is die lotusbloem die uit de palm van je hand moet zijn gevallen met het uitkijken naar je echtgenoot, alleen in dit bos, op die voeten waarvan men alle dingen krijgt die men verlangt? (29) En als je geen van dezen bent, o fortuinlijke, aangezien je voeten de grond beroeren, dan verdien jij, die zo veel lijkt op de bovenzinnelijke godin van de genieter van alle offers, het om voor de meerdere eer en glorie van deze stad op te trekken met deze grote held, die van de grootste glorie is in de wereld! (30) Met je verlegen blikken, toegenegen glimlachen en verbijsterende wenkbrauwen heb je me van streek gebracht, de meest machtige Cupido in mij naar boven halend; weest me derhalve genadig, mijn liefste schoonheid. (31) Je gezicht, met die fraaie wenkbrauwen en warme ogen, omringd door de lokken van je blauw glanzende loshangende haar, heb je in je verlegenheid nog niet eens opgeheven om mij te laten zien en de liefste woorden uit te spreken, o dame met je lieflijke glimlach.'
(32) Nârada zei: 'O held, de vrouw die door het ongeduldige aandringen van Purañjana was aangetrokken glimlachte en richtte zich tot de stoutmoedige: (33) 'Ik ben er niet zeker van wie me op deze wereld heeft gezet, o beste onder de mannen, noch wat de bloedlijn of naam zou zijn van de anderen. (34) Al wat ik weet is dat we allen als zielen hier vandaag aanwezig zijn; meer, o grote held, weet ik niet over wie deze stad gebouwd heeft waar alle wezens hun verblijf hebben. (35) Al deze mannen en vrouwen bij me zijn mijn vrienden en vriendinnen, o man van respect en de slang waakt over me als ik slaap, om de stad te beschermen. (36) Gelukkig genoeg voor me, en al het goede ook u toegewenst, bent u hier gekomen - allen van ons, ik en mijn vrienden, o doder der vijand, zullen u al het genoegen voor uw zinnen verschaffen wat u maar verlangt. (37) Wees enkel zo goed, o machtige, in deze stad met de negen poorten te verblijven, die ik voor u heb ingericht om u voor de duur van een honderdtal jaren van de dingen te laten genieten. (38) Wie anders dan u zou ik het toestaan om te genieten! Zonder de zekerheid van uw wijsheid erover en uw kennis, zou het van de dwaasheid zijn van dieren die niet vooraf kunnen zien wat komen gaat, om uit te zien naar een leven hierna. (39) Hier kan men met religieuze riten, economische ontwikkeling en geregelde genoegens genieten van een leven met nakomelingen, de nectar der offers, een goede naam en een wereld zonder weeklagen en ziekte waar de transcendentalisten geen idee van hebben. (40) De voorvaderen, de goden, de mensen in het algemeen, alle levende wezens en iedere persoon voor zich, zijn er zeker van hoog te houden dat dit huiselijk bestaan dat is wat de gezegende toevlucht is in de materiële wereld. (41) Wie zou er ook werkelijk, mijn grote held, niet een dergelijke grootmoedige, prachtige en beroemde echtgenoot willen die even zo gretig klaar staat als ik? (42) Welke vrouwengeest in deze wereld zou niet aangetrokken zijn tot uw lenige lichaam met zijn sterke armen, o machtige, die enkel rondreist om zich tot het uiterste inspannend en met verlokkelijke glimlachen het leed te verdrijven van een arme vrouw als ik?'
(43) Nârada vervolgde: 'Op die manier verliefd op elkaar geraakt, gingen ze als man en vrouw die plaats binnen en leefden ze in de stad, o Koning, om voor de duur van een honderdtal jaren van hun leven te genieten. (44) Als het te heet was begaf hij zich omringd door vrouwen in de rivier om er te spelen en de zangers zongen er her en der alleraardigst over. (45) De stad had zeven poorten bovengronds en twee benedengronds die leidden tot verschillende plaatsen en ze werden allen gebruikt door de bestuurder. (46) Vijf van de deuren zagen uit op het oosten, één lag er op het zuiden, één op het noorden en dienovereenkomstig waren er ook twee op het westen; ik zal u nu hun namen beschrijven o Koning. (47) De twee poorten die uitzagen op het oosten werden Khadyotâ ['gloeiworm'] en Âvirmukhî ['de toorts'] genoemd; ze waren op dezelfde plaats aangebracht en de koning was het gewoon er doorheen te gaan op weg naar de stad Vibhrâjita ['helder zien'] met zijn vriend Dyumân ['van de zon']. (48) Eveneens gericht op het oosten waren er de poorten genaamd Nalinî en Nâlinî [mystieke benamingen voor de neusgaten] en door die poorten ging hij doorgaans met zijn vriend Avadhûta ['hij die zich wist te ontdoen'] naar een plaats genaamd Saurabha ['de geur']. (49) De vijfde poort aan de oostkant genaamd Mukhyâ ['de belangrijkste'] bracht de koning van de stad, begeleid door Rasajña ['de proever'] en Vipana ['de commerciële'], naar twee plaatsen genaamd Bahûdana ['vele giften'] en Âpana ['de markt']. (50) Door de stadspoort genaamd Pitrihû ['de voorouderlijke'] op het zuiden, o Koning, bezocht Purañjana de zuidelijke landstreek genaamd Dakshina-pañcâla ['het vijfvoudige van het zuiden'], tezamen met zijn vriend S'rutadhara ['de luisteraar']. (51) De stadspoort genaamd Devahû ['op God gericht'] in het noorden gebruikte Purañjana om met S'rutadhara de noordelijke gebieden te bezoeken genaamd Uttara-pañcâla ['het vijfvoudige van het noorden']. (52) De poort aan de westkant genaamd Âsurî ['die verstoken is van licht'] werd door Purañjana gebruikt om naar het lustoord genaamd Grâmaka ['een groot aantal'] te gaan in het gezelschap van Durmada ['hij die er gek op is']. (53) De westelijke poort genaamd Nirriti ['de bodem, de beëindiging'] werd door Purañjana gebruikt om naar de plaats genaamd Vais'asa ['zonder het slapende'] te gaan onder begeleiding van zijn vriend Lubdhaka [' de begeertige']. (54) Van alle bewoners die ogen in hun hoofd hadden was de koning het gewoon uit te gaan en dingen te doen met twee blinde mannen genaamd Nirvâk ['de sprakeloze'] en Pes'askrit ['de verpletterende']. (55) Als hij, zoals hij dat gewend was, naar zijn privé-verblijven ging, deed hij dat onder begeleiding van Vishûcîna ['die van het denken'] en dan genoot hij met de liefde van zijn vrouw en kinderen ofwel van de illusie, de bevrediging dan wel van het geluk. (56) Aldus bovenmatig gehecht in zijn bezigheden ter wille van de opbrengst kwam hij, lustig en minder intelligent, bedrogen uit in het gehoor geven aan alles wat zij, de koningin, ook maar wenste dat hij zou doen. (57-61) Als zij drank tot zich nam, dronk hij ook en raakte hij beschonken. Als zij at, dan at hij mee, met haar kauwend wat zij aan het kauwen was. Als zijn vrouw zong, zong hij ook en als zij bij tijden instortte, stortte ook hij in. Als zij moest lachen, lachte hij ook; als zij over koetjes en kalfjes sprak, babbelde hij vrolijk mee. Waar zij ook heen ging voor een wandeling, volgde hij dezelfde weg en wanneer zij zich ten ruste legde, ging hij in navolging van haar ook altijd liggen. Hij had ook de gewoonte te gaan zitten als zij dat deed en luisterde steeds ook naar dat waar zij naar luisterde. Als zij iets zag, bekeek ook hij hetzelfde en als zij ergens aan rook, rook hij er ook gewoontegetrouw aan. Als zij iets aanraakte, raakte hij het aan en als zij zich beklaagde volgde hij als een arme kerel haar daarin na. Hij genoot ervan als zij aan het genieten was en als zij bevredigd was, zo was hij dat ook naar haar voorbeeld. (62) Aldus in beslag genomen door de koningin kwam hij bedrogen uit in alles wat hij deed en was hij, onwijs in zijn blinde volgen van haar voorbeeld, zo zwak als een huisdier.
Tweede editie, geladen 25 november 2006
![]()
Voorgaande Aadhar-editie en Vedabase links:
Maitreya zei: 'De grote Heer, aldus onderricht verschaffend, door de zoons van Barhishat aanbeden,verdween vandaar waarlijk recht voor ogen van de prinsen
Maitreya zei: 'De grote Heer, aldus onderricht verschaffend, door de zoons van Barhishat aanbeden, verdween vandaar waarlijk recht voor ogen van de prinsen. (Vedabase)
Bij dat water deden al de Pracetâ's, de verzaking beoefenend, dat gebed gezongen door Heer S'iva, voor de duur van tienduizend jaar.
Bij dat water deden al de Pracetâ's, de verzaking beoefenend, dat gebed gezongen door Heer S'iva, voor de duur van tienduizend jaar. (Vedabase)
O Vidura, koning Prâcînabarhi, met een geest vol van gehechtheid aan baatzuchtige handelingen, ontving [ondertussen] onderricht van een mededogende Nârada goed thuis in de spirituele waarheid:
O Vidura, koning Prâcînabarhi, met een geest vol van gehechtheid aan baatzuchtige handelingen, ontving [ondertussen] onderricht van een mededogende Nârada goed thuis in de spirituele waarheid: (Vedabase)
'O Koning, wat is die allerhoogste zegening voor de ziel die u verwacht van het handelen terwille van de opbrengst? Die zegen van het verdwijnen van alle leed en het bereiken van het geluk, kan u in dit verband nooit verwerven.'
'O Koning, wat is die allerhoogste zegening voor de ziel die u verwacht van het handelen terwille van de opbrengst? Die zegen van het verdwijnen van alle leed en het bereiken van het geluk, kan u in dit verband nooit verwerven.' (Vedabase)
De koning gaf ten antwoord: 'Ik weet het niet, o grote transcendentale ziel, mijn intelligentie wordt in beslag genomen door mijn verlangen naar de vruchten, vertel me alstublieft van de smetteloze spirituele kennis die me van mijn werklast zal bevrijden.
De koning gaf ten antwoord: 'Ik weet het niet, o grote transcendentale ziel, mijn intelligentie wordt in beslag genomen door mijn verlangen naar de vruchten, vertel me alstublieft van de smetteloze spirituele kennis die me van mijn werklast zal bevrijden. (Vedabase)
In de oppervlakkige verplichtingen van het gezinsleven met zoons, een echtgenote en weelde wordt de transcendentie niet beschouwt als zijnde het levensdoel, en zo komt men tot de ontdekking dat men een dwaas is die ronddoolt op alle wegen van het materieel bestaan.'
In de oppervlakkige verplichtingen van het gezinsleven met zoons, een echtgenote en weelde wordt de transcendentie niet beschouwt als zijnde het levensdoel, en zo komt men tot de ontdekking dat men een dwaas is die ronddoolt op alle wegen van het materieel bestaan.' (Vedabase)
Nârada zei: 'Wacht eens even, o Heerser der Burgers, o Koning, mag ik u attenderen op het totaal van al de duizenden van dieren die u genadeloos hebt gedood in de offerplechtigheden?
Nârada zei: 'Wacht eens even, o Heerser der Burgers, o Koning, mag ik u attenderen op het totaal van al de duizenden van dieren die u genadeloos hebt gedood in de offerplechtigheden? (Vedabase)
Ze staan allen, indachtig het leed dat u hen hebt aangedaan, kokend van woede op u te wachten om u met ijzeren hoornen te doorboren nadat u bent gestorven.
Ze staan allen, indachtig het leed dat u hen hebt aangedaan, kokend van woede op u te wachten om u met ijzeren hoornen te doorboren nadat u bent gestorven. (Vedabase)
Daartoe wil ik u het zeer oude verhaal vertellen van Purañjana ['hij die uit is op de stad die het lichaam is']; probeer enkel dit karakter te doorgronden terwijl ik erover spreek.
Daartoe wil ik u het zeer oude verhaal vertellen van Purañjana ['hij die uit is op de stad die het lichaam is']; probeer enkel dit karakter te doorgronden terwijl ik erover spreek. (Vedabase)
Er was er eens een koning van een grote bekendheid Purañjana geheten, o Heerser, die een vriend had genaamd Avijñâta ['de onbekende'] van wie niemand wist wat hij deed.
Er was er eens een koning van een grote bekendheid Purañjana geheten, o Heerser, die een vriend had genaamd Avijñâta ['de onbekende'] over wie niemand iets wist. (Vedabase)
Hij reisde rusteloos rond over de gehele planeet om zijn mannetje te staan, maar toen hij zichzelf op die manier nooit kon vinden, raakte hij in de put.
Hij reisde rusteloos rond over de gehele planeet om zijn mannetje te staan, maar toen hij zichzelf op die manier nooit kon vinden, raakte hij in de put. (Vedabase)
Niemand op deze aarde zag ook maar iets in hem, waar die koning ook verbleef en wat hij ook voor zijn doeleinden wenste te genieten.
Niemand op deze aarde zag ook maar iets in hem, waar die koning ook verbleef en wat hij ook voor zijn doeleinden wenste te genieten. (Vedabase)
Toen hij eens ten zuiden van de Himalaya's verkeerde ontwaarde hij op de hellingen ervan een stad met negen poorten [vergelijk B.G. 5:13] die hem alle gemakken bood.
Toen hij eens ten zuiden van de Himalaya's verkeerde ontwaarde hij op de hellingen ervan een stad met negen poorten [vergelijk B.G. 5:13] die hem alle gemakken bood. (Vedabase)
Omgeven door hoge muren en volgepakt met huizen had hij torens, poorten, parken, kanalen, vensters en koepels gemaakt van goud en zilver.
Omgeven door hoge muren en volgepakt met huizen had hij torens, poorten, parken, kanalen, bezienswaardige plekken en koepels gemaakt van goud en zilver. (Vedabase)
De vloeren van de paleizen waren overdekt met saffier, kristal, diamanten, parels, smaragden en robijnen en waren in hun schoonheid zo luisterrijk als de hemelse stad genaamd Bhogavatî.
De vloeren van de paleizen waren overdekt met saffier, kristal, diamanten, parels, smaragden en robijnen en waren in hun schoonheid zo luisterrijk als de hemelse stad genaamd Bhogavatî. (Vedabase)
Er waren vergaderplaatsen, pleinen en straten met gokhuizen, winkels en uitspanningen, die versierd waren met vlaggen, slingers en hangende tuinen.
Er waren vergaderplaatsen, pleinen en straten met gokhuizen, winkels en uitspanningen, die versierd waren met vlaggen, slingers en hangende tuinen. (Vedabase)
De buitenwijken van die stad hadden heel mooie bomen met klimplanten en een meer, waar het weerklonk van de geluiden van tjilpende vogels en kolonies zoemende bijen.
De buitenwijken van die stad hadden heel mooie bomen met klimplanten en een meer, waar het weerklonk van de geluiden van tjilpende vogels en kolonies zoemende bijen. (Vedabase)
Van de koele waterval van een bergstroom ontving de schat aan bomen aan de oever van de vijver vol met lotussen een lentemist aan water op de takken.
Van de koele waterval van een bergstroom ontving de schat aan bomen met hun takken aan de oever van de vijver vol met lotussen een lentemist aan water. (Vedabase)
Tekst 19
De verschillende groepen dieren die in het bos leefden waren zo tam als de wijste wijzen en al het geroep van de koekoeken maakte dat iedere passant zich er uitgenodigd voelde.
De verschillende groepen dieren die in het bos leefden waren zo tam als de wijste wijzen en al het geroep van de koekoeken maakte dat iedere passant zich er uitgenodigd voelde. (Vedabase)
Toen hij daar aankwam, zag hij plots een zeer mooie vrouw op zich afkomen omgeven door een tiental bedienden die ieder van hen gevolgd werden door een honderdtal anderen.
Toen hij daar aankwam, zag hij plots een zeer mooie vrouw op zich afkomen omgeven door een tiental bedienden die ieder van hen gevolgd werden door een honderdtal anderen. (Vedabase)
Ze was aan alle kanten beschermd door een vijfkoppige slang en helemaal niet zo oud het verlangen van iedere man opwekkend, leek het erop dat ze uitkeek naar een echtgenoot.
Ze was aan alle kanten beschermd door een vijfkoppige slang en helemaal niet zo oud het verlangen van iedere man opwekkend, leek het erop dat ze uitkeek naar een echtgenoot. (Vedabase)
Met een prachtige neus en mooie tanden had de jonge vrouw een welgevormd voorhoofd en, gelijkmatig in verhouding tot haar gezicht, prachtige oren met schitterende oorbellen.
Met een prachtige neus en mooie tanden had de jonge vrouw een welgevormd voorhoofd en, gelijkmatig in verhouding tot haar gezicht, prachtige oren met schitterende oorbellen. (Vedabase)
Ze droeg een geel kleed en had een prachtige taille met een donkere huid, een gouden gordel en aan haar voeten enkelbelletjes die rinkelden terwijl ze liep; ze zag er precies uit als een hemelbewoonster.
Ze droeg een geel kleed en had een prachtige taille met een donkere huid, een gouden gordel en aan haar voeten enkelbelletjes die rinkelden terwijl ze liep; ze zag er precies uit als een hemelbewoonster. (Vedabase)
Met het uiteinde van haar sârî probeerde ze verlegen, haar jeugdige, even ronde en volle borsten te bedekken, terwijl ze statig als een olifant voortschreed.
Met het uiteinde van haar sârî probeerde ze verlegen, haar jeugdige, even ronde en volle borsten te bedekken, terwijl ze statig als een olifant voortschreed. (Vedabase)
Getroffen door de sexuele aantrekking van de pijlen van haar blikken, de opwindende liefde van haar wenkbrauwen en de grote schoonheid van haar bescheiden glimlachen, richtte de held zich op zijn aardigst tot haar.
Getroffen door de sexuele aantrekking van de pijlen van haar blikken, de opwindende liefde van haar wenkbrauwen en de grote schoonheid van haar bescheiden glimlachen, richtte de held zich op zijn aardigst tot haar. (Vedabase)
'Wie ben jij, jij met je mooie lotusblaadjes van ogen; ben je van hier uit de buurt van deze stad, o kuise dame - alsjeblieft wees zo aardig me te zeggen waar je naar op zoek bent, o verlegen meisje.
'Wie ben jij, jij met je mooie lotusblaadjes van ogen; ben je van hier uit de buurt van deze stad, o kuise dame - alsjeblieft wees zo aardig me te zeggen waar je naar op zoek bent, o verlegen meisje. (Vedabase)
Wie zijn al die begeleiders van je, die elf wachters en al deze vrouwen, jij met je mooie ogen en wie is deze slang van jou die de weg voor je vrijmaakt?
Wie zijn al die begeleiders van je, die elf wachters en al deze vrouwen, jij met je mooie ogen en wie is deze slang van jou die de weg voor je vrijmaakt? (Vedabase)
In je bescheidenheid ben je als de vrouw van S'iva [Umâ] of eerder Sarasvatî [van Brahmâ] of nog beter de Godin van het Geluk [Lakshmî die bij Vishnu hoort]. Waar is die lotusbloem die uit de palm van je hand moet zijn gevallen met het uitkijken naar je echtgenoot, alleen in dit bos, op die voeten waarvan men alle dingen krijgt die men verlangt?
In je bescheidenheid ben je als de vrouw van S'iva [Uma] of eerder Sarasvatî [van Brahmâ] of nog beter de Godin van het Geluk [Laxmî die bij Vishnu hoort]. Waar is die lotusbloem die uit de palm van je hand moet zijn gevallen met het uitkijken naar je echtgenoot, alleen in dit bos, op die voeten waarvan men alle dingen krijgt die men verlangt? (Vedabase)
En als je geen van dezen bent, o fortuinlijke, aangezien je voeten de grond beroeren, dan verdien jij, die zo veel lijkt op de bovenzinnelijke godin van de genieter van alle offers, het om voor de meerdere eer en glorie van deze stad op te trekken met deze grote held, die van de grootste glorie is in de wereld!
En als je geen van dezen bent, o fortuinlijke, aangezien je voeten de grond beroeren, dan verdien jij, die zo veel lijkt op de bovenzinnelijke godin van de genieter van alle offers, het om voor de meerdere eer en glorie van deze stad op te trekken met deze grote held, die van de grootste glorie is in de wereld! (Vedabase)
Met je verlegen blikken, toegenegen glimlachen en verbijsterende wenkbrauwen heb je me van streek gebracht, de meest machtige Cupido in mij naar boven halend; weest me derhalve genadig, mijn liefste schoonheid.
Met je verlegen blikken, toegenegen glimlachen en verbijsterende wenkbrauwen heb je me van streek gebracht, de meest machtige Cupido in mij naar boven halend; weest me derhalve genadig, mijn liefste schoonheid. (Vedabase)
Je gezicht, met die fraaie wenkbrauwen en warme ogen, omringd door de lokken van je blauw glanzende loshangende haar, heb je in je verlegenheid nog niet eens opgeheven om mij te laten zien en de liefste woorden uit te spreken, o dame met je lieflijke glimlach.'
Je gezicht, met die fraaie wenkbrauwen en warme ogen, omringd door de lokken van je blauw glanzende loshangende haar, heb je in je verlegenheid nog niet eens opgeheven om het mij te laten zien en de liefste woorden uit te spreken, o dame met je lieflijke glimlach.' (Vedabase)
Nârada zei: 'O held, de vrouw die door het ongeduldige aandringen van Purañjana was aangetrokken glimlachte en richtte zich tot de stoutmoedige:
Nârada zei: 'O held, de vrouw die door het ongeduldige aandringen van Purañjana was aangetrokken glimlachte en richtte zich tot de stoutmoedige: (Vedabase)
'Ik ben er niet zeker van wie me op deze wereld heeft gezet, o beste onder de mannen, noch wat de bloedlijn of naam zou zijn van de anderen.
'Ik ben er niet zeker van wie me op deze wereld heeft gezet, o beste onder de mannen, of wat de bloedlijn of naam zou zijn van mezelf en de anderen. (Vedabase)
Al wat ik weet is dat we allen als zielen hier vandaag aanwezig zijn; meer, o grote held, weet ik niet over wie deze stad gebouwd heeft waar alle wezens hun verblijf hebben.
Al wat ik weet is dat we allen als zielen hier vandaag aanwezig zijn; meer, o grote held, weet ik niet over wie deze stad gebouwd heeft waar alle wezens hun verblijf hebben. (Vedabase)
Al deze mannen en vrouwen bij me zijn mijn vrienden en vriendinnen, o man van respect en de slang waakt over me als ik slaap, om de stad te beschermen.
Al deze mannen en vrouwen bij me zijn mijn vrienden en vriendinnen, o man van respect en de slang waakt over me als ik slaap, om de stad te beschermen. (Vedabase)
Gelukkig genoeg voor me, en al het goede ook u toegewenst, bent u hier gekomen - allen van ons, ik en mijn vrienden, o doder der vijand, zullen u al het genoegen voor uw zinnen verschaffen wat u maar verlangt.
Gelukkig genoeg voor me, en al het goede ook u toegewenst, bent u hier gekomen - allen van ons, ik en mijn vrienden, o doder der vijand, zullen u al het genoegen voor uw zinnen verschaffen wat u maar verlangt. (Vedabase)
Wees enkel zo goed, o machtige, in deze stad met de negen poorten te verblijven, die ik voor u heb ingericht om u voor de duur van een honderdtal jaren van de dingen te laten genieten.
Wees enkel zo goed, o machtige, in deze stad met de negen poorten te verblijven, die ik voor u heb ingericht om u voor de duur van een honderdtal jaren van de dingen te laten genieten. (Vedabase)
Wie anders dan u zou ik het toestaan om te genieten! Zonder de zekerheid van uw wijsheid erover en uw kennis, zou het van de dwaasheid zijn van dieren die niet vooraf kunnen zien wat komen gaat, om uit te zien naar een leven hierna.
Wie anders dan u zou ik het toestaan om te genieten! Zonder de zekerheid van uw wijsheid erover en uw kennis, zou het van de dwaasheid zijn van dieren die niet vooraf kunnen zien wat komen gaat, om uit te zien naar een leven hierna. (Vedabase)
Hier kan men met religieuze riten, economische ontwikkeling en geregelde genoegens genieten van een leven met nakomelingen, de nectar der offers, een goede naam en een wereld zonder weeklagen en ziekte waar de transcendentalisten geen idee van hebben.
Hier kan men met religieuze riten, economische ontwikkeling en geregelde genoegens genieten van een leven met nakomelingen, de nectar der offers, een goede naam en een wereld zonder weeklagen en ziekte waar de transcendentalisten geen idee van hebben. (Vedabase)
De voorvaderen, de goden, de mensen in het algemeen, alle levende wezens en iedere persoon voor zich, zijn er zeker van hoog te houden dat dit huiselijk bestaan dat is wat de gezegende toevlucht is in de materiële wereld.
De voorvaderen, de goden, de mensen in het algemeen, alle levende wezens en iedere persoon voor zich, zijn er zeker van hoog te houden dat dit huiselijk bestaan dat is wat de gezegende toevlucht is in de materiële wereld. (Vedabase)
Wie zou er ook werkelijk, mijn grote held, niet een dergelijke grootmoedige, prachtige en beroemde echtgenoot willen die even zo gretig klaar staat als ik?
Wie zou er daadwerkelijk, mijn grote held, niet een dergelijke grootmoedige, prachtige en beroemde echtgenoot willen die even zo gretig klaar staat als ik? (Vedabase)
Welke vrouwengeest in deze wereld zou niet aangetrokken zijn tot uw lenige lichaam met zijn sterke armen, o machtige, die enkel rondreist om zich tot het uiterste inspannend en met verlokkelijke glimlachen het leed te verdrijven van een arme vrouw als ik?'
Welke vrouwengeest in deze wereld zou niet aangetrokken zijn tot uw lenige lichaam met zijn sterke armen, o machtige, die enkel rondreist om zich tot het uiterste inspannend en met verlokkelijke glimlachen het leed te verdrijven van een arme vrouw als ik?' (Vedabase)
Nârada vervolgde: 'Op die manier verliefd op elkaar geraakt, gingen ze als man en vrouw die plaats binnen en leefden ze in de stad, o Koning, om voor de duur van een honderdtal jaren van hun leven te genieten.
Nârada vervolgde: 'Op die manier verliefd op elkaar geraakt, gingen ze als man en vrouw die plaats binnen en leefden ze in de stad, o Koning, voor de duur van een honderdtal jaren van hun leven genietend. (Vedabase)
Vele zangers zongen er alleraardigst over terwijl hij omringd door vrouwen zich in de rivier begaf om er te spelen als het te heet was.
Vele zangers zongen er alleraardigst over en omringd door vrouwen begaf hij zich in de rivier om er te spelen als het te heet was. (Vedabase)
De stad had zeven poorten bovengronds en twee benedengronds die leidden tot verschillende plaatsen en ze werden allen gebruikt door de bestuurder.
De stad had zeven poorten bovengronds en twee benedengronds die leidden tot verschillende plaatsen en ze werden allen gebruikt door de bestuurder. (Vedabase)
Vijf van de deuren zagen uit op het oosten, één lag er op het zuiden, één op het noorden en dienovereenkomstig waren er ook twee op het westen; ik zal u nu hun namen beschrijven o Koning.
Vijf van de deuren zagen uit op het oosten, een lag er op het zuiden, een op het noorden en dienovereenkomstig waren er ook twee op het westen; ik zal u nu hun namen beschrijven o Koning. (Vedabase)
De twee poorten die uitzagen op het oosten werden Khadyotâ ['gloeiworm'] en Âvirmukhî ['de toorts'] genoemd; ze waren op dezelfde plaats aangebracht en de koning was het gewoon er doorheen te gaan op weg naar de stad Vibhrâjita ['helder zien'] met zijn vriend Dyumân ['van de zon'].
De twee poorten die uitzagen op het oosten werden Khadyotâ ['gloeiworm'] en Âvirmukhî [' de toorts'] genoemd; ze waren op dezelfde plaats aangebracht en de koning was het gewoon er doorheen te gaan op weg naar de stad Vibhrâjita ['helder zien'] met zijn vriend Dyumân ['van de zon']. (Vedabase)
Eveneens gericht op het oosten waren er de poorten genaamd Nalinî en Nâlinî [mystieke benamingen voor de neusgaten] en door die poorten ging hij doorgaans met zijn vriend Avadhûta ['hij die zich wist te ontdoen'] naar een plaats genaamd Saurabha ['de geur'].
Eveneens aangebracht op het oosten waren er de poorten genaamd Nalinî en Nâlinî [mystieke benamingen voor de neusgaten] en door die poorten ging hij doorgaans met zijn vriend Avadhûta ['hij die zich wist te ontdoen'] naar een plaats genaamd Saurabha ['de geur']. (Vedabase)
De vijfde poort aan de oostkant genaamd Mukhyâ ['de belangrijkste'] bracht de koning van de stad, begeleid door Rasajña ['de proever'] en Vipana ['de commerciële'], naar twee plaatsen genaamd Bahûdana ['vele giften'] en Âpana ['de markt'].
De vijfde poort aan de oostkant genaamd Mukhyâ [de belangrijkste] bracht de Koning der Stad, begeleid door Rasajña ['de proever'] en Vipana ['de commerciële'], naar twee plaatsen genaamd Bahûdana ['vele giften'] en Âpana ['de markt']. (Vedabase)
Door de stadspoort genaamd Pitrihû ['de voorouderlijke'] op het zuiden, o Koning, bezocht Purañjana de zuidelijke landstreek genaamd Dakshina-pañcâla ['het vijfvoudige van het zuiden'], tezamen met zijn vriend S'rutadhara ['de luisteraar'].
Door de stadspoort genaamd Pitrihû ['de voorouderlijke'] op het zuiden, o Koning, bezocht Purañjana de zuidelijke landstreek genaamd Dakshina-pañcâla ['het vijfvoudige van het zuiden'], tezamen met zijn vriend S'rutadhara ['de luisteraar']. (Vedabase)
De stadspoort genaamd Devahû ['op God gericht'] in het noorden gebruikte Purañjana om met S'rutadhara de noordelijke gebieden te bezoeken genaamd Uttara-pañcâla ['het vijfvoudige van het noorden'].
De stadspoort genaamd Devahû ['op God gericht'] in het noorden gebruikte Purañjana om met S'rutadhara de noordelijke gebieden te bezoeken genaamd Uttara-pancâla ['het vijfvoudige van het noorden']. (Vedabase)
De poort aan de westkant genaamd Âsurî ['die verstoken is van licht'] werd door Purañjana gebruikt om naar het lustoord genaamd Grâmaka ['een groot aantal'] te gaan in het gezelschap van Durmada ['hij die er gek op is'].
De poort aan de westkant genaamd Âsurî ['die verstoken is van licht'] werd door Purañjana gebruikt om naar het lustoord genaamd Grâmaka ['een groot aantal'] te gaan in het gezelschap van Durmada ['hij die er gek op is']. (Vedabase)
De westelijke poort genaamd Nirriti ['de bodem, de beëindiging'] werd door Purañjana gebruikt om naar de plaats genaamd Vais'asa ['zonder het slapende'] te gaan onder begeleiding van zijn vriend Lubdhaka [' de begeertige'].
De westelijke poort genaamd Nirriti ['de bodem, de beëindiging'] werd door Purañjana gebruikt om naar de plaats genaamd Vais'asa ['zonder het slapende'] te gaan onder begeleiding van zijn vriend Lubdhaka ['de begeertige']. (Vedabase)
Van alle bewoners die ogen in hun hoofd hadden was de koning het gewoon uit te gaan en dingen te doen met twee blinde mannen genaamd Nirvâk ['de sprakeloze'] en Pes'askrit ['de verpletterende'].
Van alle bewoners die ogen in hun hoofd hadden was de koning het gewoon uit te gaan en dingen te doen met twee blinde mannen genaamd Nirvâk ['de sprakeloze'] en Pes'askrit ['de verpletterende']. (Vedabase)
Als hij, zoals hij dat gewend was, naar zijn privé-verblijven ging, deed hij dat onder begeleiding van Vishûcîna ['die van het denken'] en dan genoot hij met de liefde van zijn vrouw en kinderen ofwel van de illusie, de bevrediging dan wel van het geluk.
Als hij, zoals hij dat gewend was, naar zijn privé-verblijven ging, deed hij dat onder begeleiding van Visûcîna ['die van het denken'] en dan genoot hij met de liefde van zijn vrouw en kinderen ofwel van de illusie, de bevrediging danwel van het geluk. (Vedabase)
Aldus bovenmatig gehecht in zijn bezigheden ter wille van de opbrengst kwam hij, lustig en minder intelligent, bedrogen uit in het gehoor geven aan alles wat zij, de koningin, ook maar wenste dat hij zou doen.
Aldus bovenmatig gehecht in zijn bezigheden ter wille van de opbrengst kwam hij, lustig en minder intelligent, bedrogen uit in het navolgen van alles wat zij, de koningin, ook maar wilde dat hij zou doen. (Vedabase)
Als zij drank tot zich nam, dronk hij ook en raakte hij beschonken. Als zij at, dan at hij mee, met haar kauwend wat zij aan het kauwen was. Als zijn vrouw zong, zong hij ook en als zij bij tijden instortte, stortte ook hij in. Als zij moest lachen, lachte hij ook; als zij over koetjes en kalfjes sprak, babbelde hij vrolijk mee. Waar zij ook heen ging voor een wandeling, volgde hij dezelfde weg en wanneer zij zich ten ruste legde, ging hij in navolging van haar ook altijd liggen. Hij had ook de gewoonte te gaan zitten als zij dat deed en luisterde steeds ook naar dat waar zij naar luisterde. Als zij iets zag, bekeek ook hij hetzelfde en als zij ergens aan rook, rook hij er ook gewoontegetrouw aan. Als zij iets aanraakte, raakte hij het aan en als zij zich beklaagde volgde hij als een arme kerel haar daarin na. Hij genoot ervan als zij aan het genieten was en als zij bevredigd was, zo was hij dat ook naar haar voorbeeld.
Als zij drank tot zich nam, dronk hij ook en raakte hij beschonken. Als zij at, dan at hij mee, met haar kauwend wat zij aan het kauwen was. Als zijn vrouw zong, zong hij ook en als zij bij tijden instortte, stortte ook hij in. Als zij moest lachen, lachte hij ook; als zij over koetjes en kalfjes sprak, babbelde hij vrolijk mee. Waar zij ook heen ging voor een wandeling, volgde hij dezelfde weg en wanneer zij zich ten ruste legde, ging hij in navolging van haar ook altijd liggen. Hij had ook de gewoonte neer te zitten als zij neerzat en luisterde telkens ook waar zij naar luisterde. Als zij iets zag, bekeek ook hij hetzelfde en als zij ergens aan rook, rook hij er ook gewoontegetrouw aan. Als zij iets aanraakte, raakte hij het aan en als zij zich beklaagde volgde hij als een arme kerel haar daarin na. Hij genoot ervan als zij aan het genieten was en als zij bevredigd was, zo was hij dat ook naar haar voorbeeld. (62) Aldus in beslag genomen door de koningin kwam hij bedrogen uit in alles wat hij deed en was hij, onwijs in zijn blinde volgen van haar voorbeeld, nooddruftig precies als een huisdier. (Vedabase)
Aldus in beslag genomen door de koningin kwam hij bedrogen uit in alles wat hij deed en was hij, onwijs in zijn blinde volgen van haar voorbeeld, zo zwak als een huisdier.
Aldus in beslag genomen door de koningin kwam hij bedrogen uit in alles wat hij deed en was hij, onwijs in zijn blinde volgen van haar voorbeeld, nooddruftig precies als een huisdier. (Vedabase)
![]()
Voor
deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam
linkspagina.
Het schilderij is getiteld 'Young Woman' en is van Raja Ravi Varma.
.Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd
Feed-back | Links | Downloads | Muziek | Afbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties