regelbalk


 

Canto 8

S'rî S'rî S'ikshâshthaka

 

 

Hoofdstuk 8: Meer Verschijnt door het Karnen: Moeder Lakshmî en Dhanvantari

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen het gif door hem die de stier berijdt was gedronken, hervatten al de onsterfelijken en Dânava's zeer verheugd het karnen van de oceaan en werd door de grote kracht ervan de koe van overvloed voortgebracht [de surabhi, de bron van de ghee]. (2) De wijzen bekend met de voorschriften voor de yajña's droegen zorg voor haar, o Koning, omdat zij, vanwege de geklaarde boter, geschikt was om offerandes te brengen met de vuuroffers en het vorderen naar God.

(3) Daaropvolgend werd een paard voortgebracht zo wit als de maan, genaamd Uccaihs'ravâ, dat Mahârâja Bali graag wilde hebben, terwijl Indra op aanraden van de Heer afzag van de claim [zie B.G. 10: 27 en vergelijk 4.19: 23].

(4) Daarna werd de koning van de weerbaarheid, de olifant Airâvata voortgebracht die wit, met vier slagtanden, de berg [Kailâsa] in de schaduw stelde die de glorie is van de Eerste Toegewijde [Heer S'iva, zie 6.11: 11 en nog eens B.G. 10: 27]. (5) Airâvana was de eerste van een achttal olifanten voor iedere windrichting en op hem volgend werd er ook een groep van acht wijfjesolifanten voortgebracht aangevoerd door een olifant die Abhramu heette, o Koning.

(6) Vervolgens werd uit de grote melkzee een waardevolle edelsteen voortgebracht bekend als de Kaustubha en nog een andere Padmarâga geheten; Heer Hari die ze graag in Zijn bezit had siert Zijn borst met hen. Daarna werd de pârijâta bloem voortgebracht die de hemelse plaatsen opsiert en daarmee de wensen vervult van hen die de weelde begeren ongeveer zoals u, o Koning, de wensen in de wereld vervult.

(7) Toen werden ook de Apsara's voortgebracht, die verfijnd gekleed en met goud behangen de buitengewoon mooie en aantrekkelijke bewoners van de hemel zijn die zich zo sierlijk bewegen met het op hol brengen van een ieder zijn hart.

(8) Daarna manifesteerde zich de Godin der Schittering [Ramâ of Lakshmî] die exclusief de Heer vergezellend alle richtingen verlicht met haar lichtende luister als Saudâmanî [let.: gevorkte bliksem, ook wel de tovenares; voor de omgang met die pracht: zie de 'vredesformule' in B.G. 5: 29]. (9) Iedere Sura en Asura en ieder menselijk wezen begeerde haar, daar de oogstrelende schoonheid van haar trekken, jeugd, uitstraling en heerlijkheden hun geesten had gevangen. (10) De koning van de hemel regelde een zitplaats voor haar en al de zegenrijke, wonderbaarlijke en heilige wateren namen met het vullen van gouden vaten toen een gedaante aan met hun zuivere water. (11) Het land bracht al de noodzakelijkheden en kruiden op voor het installeren van de godheid; de koeien droegen bij met het zuivere van hun vijf producten [melk, yoghurt, ghee, uitwerpselen en urine] en de lentetijd bracht haar bloemen en vruchten bijeen. (12) De wijzen voerden het ritueel op van de installatie zoals die is voorgeschreven waartoe voor alle voorspoed de Gandharva's overeenkomstig de traditie zongen, terwijl hun echtgenotes hun best deden voor de gelegenheid te dansen en mantra's te zingen. (13) De wolken lieten de dubbelzijdige trommels, pauken, muraja's en ânaka's horen [twee andere soorten trommels] en met de geluiden van trompetten, schelphoorns, fluiten en vîna's was het een tumult van jewelste. (14) Daarna goten de olifanten potten vol met heilig water uit over de [godheid van de] kuise godin zo prachtig met de lotus in haar hand, terwijl de tweemaal geborenen hymnen aan het zingen waren [zie ook een klassieke afbeelding van Lakshmî]. (15) De oceaan bood gele zijde zodat ze zich van top tot teen kon kleden en Varuna bracht de grootste bloemenslinger vergezeld van dronken bijen uit op de zoetheid. (16) Van Prajâpati Vis'vakarmâ was er een keur aan sieraden, Sarasvatî [de godin der wijsheid] verschafte een halsketting, Heer Brahmâ voorzag in een lotusbloem en de Nâga's [de excellenten] brachten oorbellen. (17) Daaropvolgend aanbeden in een allesbegunstigende eredienst ging zij, een natuurlijke schoonheid uitstralend, met de slinger van lotusbloemen vastgehouden in haar hand en de bijen erbij, rond, met de opsmuk van haar oorhangers bij haar wangen en haar verlegen glimlach op haar gezicht. (18) Met haar twee borsten en haar slanke middel in symmetrie en harmonie en ingewreven met sandelhoutpasta en kunkuma, vertoonde ze zich, van hier naar daar bewegend met het zoet getinkel van haar enkelbelletjes, precies als een gouden klimrank. (19) In haar positie op zoek naar de eeuwige kwaliteiten kon ze onder de bewoners van de hemel, de volmaakten, de onverlichte zielen, de hoeders van de welvaart, de eerbiedwaardigen al de andere halfgoden, er niet één vinden die vrij van gebreken was:

(20) 'Van de zekerheid van de verzakingen heeft men nog niet de woede overwonnen, door geestelijke kennis is de geleerde nog niet vrij van gehechtheden en een groot iemand is nog niet zijn materiële verlangens te boven; hoe kan een persoon als zodanig onder controle staand van iets anders, nu iemand zijn die zichzelf in de hand heeft? (21) Bedreven in de religie heeft men nog geen vriendschap gesloten met andere levende wezens, boetvaardig kan men de oorzaak van de bevrijding over het hoofd zien en met welke macht ook die men onder de mensen kan hebben is men nog niet bevrijdt van de macht van de tijd; nimmer zal men [buiten de Heer] een tweede treffen die zo los staat van het besmet zijn door de geaardheden der natuur [zie ook 1.2: 8]. (22) Iemand kan lang leven maar hoeft er nog niet gelukkig mee te zijn of zich er correct mee weten te gedragen, iemand kan een levenskunstenaar zijn maar niet weten hoe hij oud moet worden; als iemand het allebei onder de knie heeft is zo een persoon in een ander opzicht ongelukkig en van iemand die de hoogste ogen gooit op alle gebied is nog niet gezegd dat hij mij [de toewijding] voor ogen heeft!'

(23) Op deze manier van de nodige overweging zijnde aanvaardde de Godin van de Pracht Hem, Mukunda, het vergaarbekken van het Allerhoogste die in ieder opzicht zo geschikt en wenselijk was als de echtgenoot naar haar zin - ookal had Hij er zelf nooit naar uitgekeken -, omdat Hij, onafhankelijk van anderen, behept was met de buitengewone, alleszins goede, bovenzinnelijke kwaliteiten. (24) Na om Zijn schouders een schitterende krans te hebben gehangen van verse lotusbloemen die gonsde van het geluid van doldwaze hommels, verbleef ze, met een bescheiden glimlach bij haar glinsterende ogen, aan Zijn zijde met Zijn boezem als haar ware rustpunt. (25) Hij, de vader der drie werelden, maakte Zijn hart de verblijfplaats van de moeder, de godin, het opperste van de weelde; daar geïnstalleerd doet ze middels de genadige blik waarmee ze de drievoudige schepping overziet het fortuin toenemen van Zijn dienaren en leiders. (26) Met het geluid van de schelphoorns, trompetten en allerlei soorten trommels was er het grootse tumult van muziekinstrumenten zodat al de goden van de hemel en hun vrouwen begonnen te dansen en te zingen. (27) Brahmâ, S'iva en al de leiders der wereld met Angirâ voorop bewezen, met alles wat ze zagen, de persoonlijkheid die werkelijk de grootste was de eer middels gezang en het uitstrooien van bloemen. (28) Met de genadevolle blik van de Godin rustend op al de goddelijken, de vaders der mensheid en hun generaties, werden zij allen gezegend met goed gedrag en goede eigenschappen en bereikten ze de uiteindelijke voldoening.

(29) Toen de Daitya's en Dânava's, o Koning, verwaarloosd door Lakshmî gefrustreerd raakten, verloren ze gedeprimeerd in hun kwellende begeerte alle gevoel van schaamte. (30) Vervolgens verscheen Vârunî, de godin der dronkenschap, als een jong lotusogig meisje en de Asura's aanvaarden haar toen op de manier zoals de Heer het voor hen had beschikt.

(31) Met het karnen van de oceaan door de zoons van Kas'yapa zo ijverig uit op de nectar, verscheen er daar, o grote Koning, een hoogst wonderbaarlijke manspersoon. (32) Hij was lang, had stoere, sterke armen, een hals als een schelphoorn, rooddoorlopen ogen, een donker gekleurde huid, zag er zeer jong uit en was omhangen met een bloemenslinger en over zijn hele lijf opgesierd. (33) In het geel gehuld, met zijn borst breed, zijn oorhangers met parels goed gepolijst en zijn glanzende haar gekruld neerhangend in tressen, bewoog hij zich, met banden opgesierd, zo sterk als een leeuw naar voren met een tot de rand toe gevuld vat vol nectar. (34) Hij was een volkomen deel van een volkomen aspect van de Allerhoogste Heer Vishnu bekend onder de naam Dhanvantari die, staand voor het geheel van de medische kennis, er was om zijn aandeel van de offers voor zich op te eisen. (35) De Asura's die hem zagen met het vat vol nectar, graaiden, belust op alle dingen, onmiddellijk de pot van hem weg. (36) Toen die pot met de nectar erin door de Asura's werd weggedragen, waren al de godsbewusten terneergeslagen en zochten ze hun toevlucht bij de Heer. (37) Getuige van hun droefheid over die aangelegenheid zei de Allerhoogste Heer die altijd probeert de wensen te vervullen: 'Weest niet bedroefd, middels een ruzie onder hen zal Ik er hoogst persoonlijk op toezien dat de nectar er is voor een ieder van jullie.' (38) O meester der mensen, toen was er onder hen een meningsverschil over de nectar ter wille waarvan ze met een dorstig hart zeiden: 'Laat mij eerst, ik eerst, niet jij, wacht maar even! (39-40) Als de goddelijken hun aandeel toekomt, hebben allen die zich in gelijke mate inspanden met de plicht van het ritueel, hetzelfde recht; dit is een kwestie van traditionele verplichtingen [sanâtana dharma]!' Aldus probeerden de Daitya's jaloers en zwak, o Koning, gewelddadig, zich het vat toe te eigenen in feite het elkaar voortdurend ontzeggend. (41-46) Nadat dit was voorgevallen nam Heer Vishnu, de Allerhoogste Beheerser die voor ieder probleem een oplossing heeft, de gedaante van een allerverrukkelijkste, wonderbaarlijke vrouw aan die voor iedereen een mysterie vormde. Een lust voor het oog zijnde, was ze zo donker als een pas geopende lotus, was ze in al haar leden van de grootste schoonheid en harmonie en had ze een rechte neus bij haar opgesierde oren en fraaie kaaklijn. Ze had frisse, ferme, jonge maar zware borsten bij een slank middel en een gelukzalige uitdruking op haar gezicht. Van de hommels om haar heen keek ze wat zorgelijk uit haar ogen. Met de massa van haar golvende haar en haar fraaie hals met daar omheen een mallikâ [jasmijn] bloemenslinger, met de schoonheid van haar armen die waren opgesierd met de fijnste juwelen en banden, met de propere sari over haar borst gespreid die een eiland van schoonheid was en met de gordel die ze om haar middel droeg, bewoog ze zich gracieus voort met haar enkelbelletjes. Verlegen haar blikken werpend en met haar wenkbrauwen in beweging, wekte ze diep in de harten van de daitya leiders een aanhoudend wellustig verlangen.

 

next                          

 

 

 
Tweede editie, geladen 10 september 2007.
 
 

 

 

Bronteksten:

Het karnen van de melk-oceaan

 

Tekst 1

S'rî S'uka zei: 'Toen het gif door hem die de stier berijdt was gedronken, hervatten al de onsterfelijken en Dânava's zeer verheugd het karnen van de oceaan en werd door de grote kracht ervan de koe van overvloed voortgebracht [de surabhi, de bron van de ghee].

S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: Toen Heer S'iva het vergif had opgedronken, waren de halfgoden en de demonen zo blij dat ze de oceaan met hernieuwde kracht begonnen te karnen. Als gevolg daarvan verscheen er een koe die bekendstaat als surabhi. (Vedabase)

 

Tekst 2

De wijzen bekend met de voorschriften voor de yajña's droegen zorg voor haar, o Koning, omdat zij, vanwege de geklaarde boter, geschikt was om offerandes te brengen met de vuuroffers en het vorderen naar God.

O Koning Parîkshit, grote wijzen die volkomen op de hoogte van de vedische rituele ceremonies waren, ontfermden zich over die surabhi-koe die alle yoghurt, melk en ghî produceerde die absoluut nodig is om als offerande op het vuur te kunnen gieten. Ze deden dit alleen maar voor de zuivere ghî, die ze wilden hebben om offers te kunnen brengen waardoor ze zelf bevorderd zouden worden naar de hogere planetenstelsels, tot Brahmaloka aan toe. (Vedabase)

 

Tekst 3

Daaropvolgend werd een paard voortgebracht zo wit als de maan, genaamd Uccaihs'ravâ, dat Mahârâja Bali graag wilde hebben, terwijl Indra op aanraden van de Heer afzag van de claim [zie B.G. 10: 27 en vergelijk 4.19: 23].

Daarna werd er een paard met de naam Uccaihs'ravâ voortgebracht, dat zo wit was als de maan. Bali Mahârâja wilde dit paard graag hebben, en Indra, de hemelkoning, protesteerde niet omdat de Allerhoogste Godspersoon hem dat eerder geadviseerd had. (Vedabase)

 

Tekst 4

Daarna werd de koning van de weerbaarheid, de olifant Airâvata voortgebracht die wit, met vier slagtanden, de berg [Kailâsa] in de schaduw stelde die de glorie is van de Eerste Toegewijde [Heer S'iva, zie 6.11: 11 en nog eens B.G. 10: 27].

Vervolgens werd als resultaat van het karnen de koning van de olifanten, Airâvata, voortgebracht. Deze olifant was wit en tartte met zijn vier slagtanden de pracht van de berg de Kailâsa, de roemrijke woonplaats van Heer S'iva. (Vedabase)

  

Tekst 5

Airâvana was de eerste van een achttal olifanten voor iedere windrichting en op hem volgend werd er ook een groep van acht wijfjesolifanten voortgebracht aangevoerd door een olifant die Abhramu heette, o Koning.

Daarna, o koning, werden er acht grote olifanten voortgebracht, die elke richting op konden gaan. Ze werden aangevoerd door Airâvana. Er werden ook acht vrouwtjes-olifanten voortgebracht, met Abhramu aan het hoofd. (Vedabase)

 

Tekst 6

Vervolgens werd uit de grote melkzee een waardevolle edelsteen voortgebracht bekend als de Kaustubha en nog een andere Padmarâga geheten; Heer Hari die ze graag in Zijn bezit had siert Zijn borst met hen. Daarna werd de pârijâta bloem voortgebracht die de hemelse plaatsen opsiert en daarmee de wensen vervult van hen die de weelde begeren ongeveer zoals u, o Koning, de wensen in de wereld vervult.

Daarna werden de beroemde edelstenen Kaustubha-mani en Padmarâga-mani uit de grote oceaan voortgebracht. Heer Vishnu wilde ze hebben om er Zijn borst mee te tooien. Vervolgens werd de pârijâta-bloem voortgebracht, die de hemelse planeten verfraait. O Koning, zoals u de wensen van iedereen op deze planeet vervult door al hun idealen te verwezenlijken, zo bevredigt ook de pârijâta ieders verlangen. (Vedabase)

 

Tekst 7

Toen werden ook de Apsara's voortgebracht, die verfijnd gekleed en met goud behangen de buitengewoon mooie en aantrekkelijke bewoners van de hemel zijn die zich zo sierlijk bewegen met het op hol brengen van een ieder zijn hart.

Toen kwamen de Apsara's [die op de hemelse planeten dienstdoen als prostituées] tevoorschijn. Ze waren getooid met gouden sieraden en medaillons en gekleed in prachtige, aantrekkelijke gewaden. De Apsara's bewegen zich heel langzaam en bekoorlijk, wat de bewoners van de hemelse planeten in verwarring brengt. (Vedabase)

 

Tekst 8

Daarna manifesteerde zich de Godin der Schittering [Ramâ of Lakshmî] die exclusief de Heer vergezellend alle richtingen verlicht met haar lichtende luister als Saudâmanî [let.: gevorkte bliksem, ook wel de tovenares; voor de omgang met die pracht: zie de 'vredesformule' in B.G. 5: 29].

Toen verscheen de godin van het geluk, Ramâ, die absoluut alleen genoten wil worden door de Allerhoogste Godspersoon. Ze schitterde als elektriciteit en overtrof met haar luister de bliksem die een berg van marmer in het licht kan zetten. (Vedabase)

 

Tekst 9

Iedere Sura en Asura en ieder menselijk wezen begeerde haar, daar de oogstrelende schoonheid van haar trekken, jeugd, uitstraling en heerlijkheden hun geesten had gevangen.

Iedereen, met inbegrip van de halfgoden, de demonen en de mensen, begeerden haar om haar uitzonderlijke schoonheid, haar lichaamsvormen, haar jeugd, haar uitstraling en haar heerlijkheid. Ze voelden zich tot haar aangetrokken omdat ze de bron van alle rijkdom is. (Vedabase)

 

Tekst 10

De koning van de hemel regelde een zitplaats voor haar en al de zegenrijke, wonderbaarlijke en heilige wateren namen met het vullen van gouden vaten toen een gedaante aan met hun zuivere water.

Indra, de hemelkoning, bracht een passende zetel voor de godin van het geluk. Alle rivieren met heilig water, zoals de Ganges en de Yamunâ, namen hun persoonlijke gedaante aan en elk van hen bracht zuiver water in gouden waterkruiken mee voor moeder Lakshmî , de godin van het geluk. (Vedabase)

 

Tekst 11

Het land bracht al de noodzakelijkheden en kruiden op voor het installeren van de godheid; de koeien droegen bij met het zuivere van hun vijf producten [melk, yoghurt, ghee, uitwerpselen en urine] en de lentetijd bracht haar bloemen en vruchten bijeen.

Het land verscheen in zijn persoonlijke gedaante en verzamelde alle medicinale planten en kruiden die nodig zijn voor de installatie van de arcâ-vigraha. De koeien leverden vijf produkten, namelijk melk, yoghurt, ghî, urine en mest, en de lente verzamelde eigenhandig alles wat tijdens de lente groeit, in de maanden Caitra en Vais'âkha [april en mei]. (Vedabase)

  

Tekst 12

De wijzen voerden het ritueel op van de installatie zoals die is voorgeschreven waartoe voor alle voorspoed de Gandharva's overeenkomstig de traditie zongen, terwijl hun echtgenotes hun best deden voor de gelegenheid te dansen en mantra's te zingen.

De grote wijzen voltrokken de baad-ceremonie van de godin van het geluk zoals dat in de gezaghebbende geschriften staat voorgeschreven, de Gandharva' chantten de meest zegenrijke vedische mantra' en de beroepsdanseressen dansten heel mooi en zongen bonafide liederen uit de Veda's. (Vedabase)

 

Tekst 13

De wolken lieten de dubbelzijdige trommels, pauken, muraja's en ânaka's horen [twee andere soorten trommels] en met de geluiden van trompetten, schelphoorns, fluiten en vîna's was het een tumult van jewelste.

De wolken in hun persoonlijke gedaante sloegen op allerlei soorten trommels, zoals mridanga's, panava's, muraja's en ânaka's. Ze bliezen ook op schelphoorns en trompetten die gomukha's heten, speelden fluit en lieten verschillende snaarinstrumenten klinken. Het geluid van al deze instrumenten bij elkaar was oorverdovend. (Vedabase)

 

Tekst 14

Daarna goten de olifanten potten vol met heilig water uit over de [godheid van de] kuise godin zo prachtig met de lotus in haar hand, terwijl de tweemaal geborenen hymnen aan het zingen waren [zie ook een klassieke afbeelding van Lakshmî].

Begeleid door vedische mantra's, die gechant werden door geleerde brâhmana's, droegen de grote olifanten uit alle richtingen enorme kruiken met Gangeswater aan en baadden de godin van het geluk daarmee. Tijdens deze baadceremonie behield de godin van het geluk haar oorspronkelijke houding, met een lotus in de hand, en zag ze er heel mooi uit. De godin van het geluk is het allerkuist, want ze kent niemand anders dan de Allerhoogste Godspersoon. (Vedabase)

 

Tekst 15

De oceaan bood gele zijde zodat ze zich van top tot teen kon kleden en Varuna bracht de grootste bloemenslinger vergezeld van dronken bijen uit op de zoetheid.

De oceaan, die de bron van alle kostbare juwelen is, zorgde voor het bovenste en het onderste deel van een geelzijden gewaad. De god van het water, Varuna, schonk bloemenslingers omringd door zespotige hommels, die dronken waren van de honing. (Vedabase)

 

Tekst 16

Van Prajâpati Vis'vakarmâ was er een keur aan sieraden, Sarasvatî [de godin der wijsheid] verschafte een halsketting, Heer Brahmâ voorzag in een lotusbloem en de Nâga's [de excellenten] brachten oorbellen.

Vis'vakarmâ, een van de prajâpati', zorgde voor allerlei prachtig bewerkte sieraden. Sarasvatî, de godin van de wijsheid, kwam met een halsketting, Heer Brahmâ gaf een lotus en de bewoners van Nâgaloka schonken oorringen. (Vedabase)

 

Tekst 17

Daaropvolgend aanbeden in een allesbegunstigende eredienst ging zij, een natuurlijke schoonheid uitstralend, met de slinger van lotusbloemen vastgehouden in haar hand en de bijen erbij, rond, met de opsmuk van haar oorhangers bij haar wangen en haar verlegen glimlach op haar gezicht.

Vervolgens, nadat moeder Lakshmî , de godin van het geluk, met een zegenrijke rituele ceremonie op passende wijze verheerlijkt was, liep ze wat rond, met in haar hand een bloemenslinger van lotussen waar zoemende hommels omheen zwermden. Met haar verlegen glimlach en haar met oorringen versierde wangen zag ze er buitengewoon mooi uit. (Vedabase)

 

Tekst 18

Met haar twee borsten en haar slanke middel in symmetrie en harmonie en ingewreven met sandelhoutpasta en kunkuma, vertoonde ze zich, van hier naar daar bewegend met het zoet getinkel van haar enkelbelletjes, precies als een gouden klimrank.

Haar twee borsten, symmetrisch en mooi geplaatst, waren bedekt met sandelhoutpulp en kunkuma-poeder, en haar middel was heel slank. Zoals ze daar rondliep, met zacht rinkelende enkelbelletjes, leek ze op een gouden klimplant. (Vedabase)

 

Tekst 19

In haar positie op zoek naar de eeuwige kwaliteiten kon ze onder de bewoners van de hemel, de volmaakten, de onverlichte zielen, de hoeders van de welvaart, de eerbiedwaardigen al de andere halfgoden, er niet één vinden die vrij van gebreken was:

Terwijl Lakshmî devî , de godin van het geluk, tussen de Gandharva's, Yaksha's, Asura's, Siddha's, Cârana's en andere hemelbewoners rondliep, onderwierp zij ze aan een nauwkeurig onderzoek, maar kon niemand vinden die van nature begiftigd was met alle goede eigenschappen. Geen van hen was vrij van fouten en daarom kon ze ook tot geen van hen haar toevlucht nemen. (Vedabase)

 

Tekst 20

'Van de zekerheid van de verzakingen heeft men nog niet de woede overwonnen, door geestelijke kennis is de geleerde nog niet vrij van gehechtheden en een groot iemand is nog niet zijn materiële verlangens te boven; hoe kan een persoon als zodanig onder controle staand van iets anders, nu iemand zijn die zichzelf in de hand heeft?

Terwijl de godin van het geluk het gezelschap onderzocht, dacht ze het volgende: De ene heeft zich aan zware ascese onderworpen, maar is zijn woede nog niet meester. De ander bezit wel kennis, maar heeft zijn materiële verlangens niet overwonnen. Weer een ander is wel een heel grote persoonlijkheid, maar kan zijn verlangens niet de baas. Als zelfs een grote persoonlijkheid afhankelijk is van iets buiten zichzelf, hoe kan hij dan de allerhoogste bestuurder zijn? (Vedabase)

 

Tekst 21

Bedreven in de religie heeft men nog geen vriendschap gesloten met andere levende wezens, boetvaardig kan men de oorzaak van de bevrijding over het hoofd zien en met welke macht ook die men onder de mensen kan hebben is men nog niet bevrijdt van de macht van de tijd; nimmer zal men [buiten de Heer] een tweede treffen die zo los staat van het besmet zijn door de geaardheden der natuur [zie ook 1.2: 8].

De een weet misschien alles van religie af, maar is nog steeds niet vriendelijk voor alle levende wezens. Een ander, of het nu een mens is of een halfgod, kan onthecht zijn, maar dat is niet hoe men bevrijding bereikt. Weer een ander bezit misschien grote macht, maar hij is toch niet in staat om de macht van de eeuwige tijd te beteugelen. En zelfs iemand die al zijn gehechtheid aan de materiële wereld heeft opgegeven, haalt het niet bij de Allerhoogste Godspersoon. Daarom is niemand volkomen vrij van de invloed van de geaardheden der materiële natuur. (Vedabase)

 

Tekst 22

Iemand kan lang leven maar hoeft er nog niet gelukkig mee te zijn of zich er correct mee weten te gedragen, iemand kan een levenskunstenaar zijn maar niet weten hoe hij oud moet worden; als iemand het allebei onder de knie heeft is zo een persoon in een ander opzicht ongelukkig en van iemand die de hoogste ogen gooit op alle gebied is nog niet gezegd dat hij mij [de toewijding] voor ogen heeft!'

De een heeft misschien een lang leven maar geen geluk, of hij gedraagt zich niet goed. Een ander kan wel geluk hebben én zich goed gedragen, maar dan staat het nog niet vast hoe lang hij zal leven. Halfgoden als Heer S'iva bijvoorbeeld hebben wel het eeuwige leven, maar ze houden er heilloze gewoontes op na zoals het wonen op lijkverbrandingsplaatsen. En zelfs als er anderen zijn die alle goede eigenschappen bezitten, dan zijn het geen toegewijden van de Allerhoogste Godspersoon. (Vedabase)

 

Tekst 23

Op deze manier van de nodige overweging zijnde aanvaardde de Godin van de Pracht Hem, Mukunda, het vergaarbekken van het Allerhoogste die in ieder opzicht zo geschikt en wenselijk was als de echtgenoot naar haar zin - ookal had Hij er zelf nooit naar uitgekeken -, omdat Hij, onafhankelijk van anderen, behept was met de buitengewone, alleszins goede, bovenzinnelijke kwaliteiten.

S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: Zo koos de godin van het geluk weloverwogen Mukunda tot echtgenoot, omdat Hij hoewel Hij onafhankelijk is en haar niet nodig heeft, alle transcendentale eigenschappen en mystieke kracht bezit en daarom de meest begerenswaardige is. (Vedabase)

 

Tekst 24

Na om Zijn schouders een schitterende krans te hebben gehangen van verse lotusbloemen die gonsde van het geluid van doldwaze hommels, verbleef ze, met een bescheiden glimlach bij haar glinsterende ogen, aan Zijn zijde met Zijn boezem als haar ware rustpunt.

De godin van het geluk liep op de Allerhoogste Godspersoon toe en legde de bloemenslingers van versgeplukte lotussen, die omgeven waren door zoemende, honingzoekende hommels, om Zijn schouders. Toen bleef ze aan Zijn zijde staan met een verlegen glimlach op haar gezicht, wachtend tot ze een plaats kreeg aan de boezem van de Heer. (Vedabase)

 

Tekst 25

Hij, de vader der drie werelden, maakte Zijn hart de verblijfplaats van de moeder, de godin, het opperste van de weelde; daar geïnstalleerd doet ze middels de genadige blik waarmee ze de drievoudige schepping overziet het fortuin toenemen van Zijn dienaren en leiders.

De Allerhoogste Godspersoon is de vader van de drie werelden en Zijn boezem is de woonplaats van moeder Lakshmî , de godin van het geluk en de bezitster van alle mogelijke weelde. De godin van het geluk is in staat om met haar welwillende en genadige blik de rijkdom van de drie werelden met hun bewoners en hun bestuurders, de halfgoden, te vergroten. (Vedabase)

 

Tekst 26

Met het geluid van de schelphoorns, trompetten en allerlei soorten trommels was er het grootse tumult van muziekinstrumenten zodat al de goden van de hemel en hun vrouwen begonnen te dansen en te zingen.

De bewoners van Gandharvaloka en Câranaloka maakten van de gelegenheid gebruik om op hun muziekinstrumenten te spelen, zoals schelphoorns, trompetten en trommels. Samen met hun vrouwen begonnen ze te dansen en te zingen. (Vedabase)

 

Tekst 27

Brahmâ, S'iva en al de leiders der wereld met Angirâ voorop bewezen, met alles wat ze zagen, de persoonlijkheid die werkelijk de grootste was de eer middels gezang en het uitstrooien van bloemen.

Heer Brahmâ, Heer S'iva, de grote wijze Angirâ en andere bestuurders van het universum lieten een regen van bloemen neerdalen en chantten mantra's die betrekking hebben op de transcendentale heerlijkheid van de Allerhoogste Godspersoon. (Vedabase)

 

Tekst 28

Met de genadevolle blik van de Godin rustend op al de goddelijken, de vaders der mensheid en hun generaties, werden zij allen gezegend met goed gedrag en goede eigenschappen en bereikten ze de uiteindelijke voldoening.

Alle halfgoden en ook de prajâpati's en hun nakomelingen werden gezegend door Lakshmîjî's blik en werden op slag verrijkt met een juiste levenshouding en transcendentale eigenschappen. Zo raakten ze uiterst voldaan. (Vedabase)

 

Tekst 29

Toen de Daitya's en Dânava's, o Koning, verwaarloosd door Lakshmî gefrustreerd raakten, verloren ze gedeprimeerd in hun kwellende begeerte alle gevoel van schaamte.

O Koning, omdat ze door de godin van het geluk afgewezen waren, voelden de demonen en Râkshasa's zich terneergeslagen, verward en teleurgesteld, en werden daardoor schaamteloos. (Vedabase)

 

Tekst 30

Vervolgens verscheen Vârunî, de godin der dronkenschap, als een jong lotusogig meisje en de Asura's aanvaarden haar toen op de manier zoals de Heer het voor hen had beschikt.

De volgende die verscheen was Vârunî, de lotus-ogige godin die over de dronkaards heerst. Met toestemming van de Allerhoogste Godspersoon, Krishna, namen de demonen met Bali Mahârâja aan het hoofd dit jonge meisje in bezit. (Vedabase)

 

Tekst 31

Met het karnen van de oceaan door de zoons van Kas'yapa zo ijverig uit op de nectar, verscheen er daar, o grote Koning, een hoogst wonderbaarlijke manspersoon.

O Koning, terwijl de zoons van Kas'yapa, zowel demonen als halfgoden, bezig waren met het karnen van de oceaan van melk, verscheen er een zeer wonderbaarlijke persoon. (Vedabase)

 

Tekst 32  

Hij was lang, had stoere, sterke armen, een hals als een schelphoorn, rooddoorlopen ogen, een donker gekleurde huid, zag er zeer jong uit en was omhangen met een bloemenslinger en over zijn hele lijf opgesierd.

Hij was krachtig gebouwd; zijn armen waren lang, stevig en sterk; zijn nek, waar drie lijnen op getekend stonden, leek op een schelphoorn; zijn ogen waren roodachtig en zijn huidskleur was bijna zwart. Hij was erg jong, droeg een bloemenslinger en zijn hele lichaam was getooid met allerlei juwelen. (Vedabase)

 

Tekst 33

In het geel gehuld, met zijn borst breed, zijn oorhangers met parels goed gepolijst en zijn glanzende haar gekruld neerhangend in tressen, bewoog hij zich, met banden opgesierd, zo sterk als een leeuw naar voren met een tot de rand toe gevuld vat vol nectar.

Hij was gekleed in gele gewaden en droeg schitterend gepolijste oorringen van parels. De punten van zijn haar waren ingewreven met olie en zijn borst was heel breed. Zijn lichaam had alle goede kenmerken, hij was stevig en sterk als een leeuw en getooid met armbanden. In zijn hand hield hij een kruik die tot aan de rand toe gevuld was met nectar. (Vedabase)

 

Tekst 34

Hij was een volkomen deel van een volkomen aspect van de Allerhoogste Heer Vishnu bekend onder de naam Dhanvantari die, staand voor het geheel van de medische kennis, er was om zijn aandeel van de offers voor zich op te eisen.

Deze persoon was Dhanvantari, een volkomen deel van een volkomen deel van Heer Vishnu. Hij was een autoriteit op het gebied van de medische wetenschap en als een der halfgoden had hij recht op een aandeel in de vedische offers. (Vedabase)

 

Tekst 35

De Asura's die hem zagen met het vat vol nectar, graaiden, belust op alle dingen, onmiddellijk de pot van hem weg.

Toen de demonen zagen dat Dhanvantari de kruik met nectar bij zich had, wilden ze de kruik met inhoud hebben en pakten hem meteen met geweld van hem af. (Vedabase)

 

Tekst 36

Toen die pot met de nectar erin door de Asura's werd weggedragen, waren al de godsbewusten terneergeslagen en zochten ze hun toevlucht bij de Heer.

Toen de demonen de kruik met nectar hadden weggeroofd waren de halfgoden erg terneergeslagen. Daarom namen ze hun toevlucht bij de lotusvoeten van de Allerhoogste Godspersoon, Hari. (Vedabase)

 

Tekst 37

Getuige van hun droefheid over die aangelegenheid zei de Allerhoogste Heer die altijd probeert de wensen te vervullen: 'Weest niet bedroefd, middels een ruzie onder hen zal Ik er hoogst persoonlijk op toezien dat de nectar er is voor een ieder van jullie.'

Toen de Allerhoogste Godspersoon, die altijd graag de wensen van Zijn toegewijden vervult, zag dat de halfgoden ongelukkig waren, zei Hij tegen ze: "Wees niet bedroefd. Ik zal met Mijn eigen energie verwarring onder de demonen zaaien door ruzie tussen hen te creëren. Op deze manier zal Ik jullie wens om de nectar te krijgen vervullen." (Vedabase)

 

Tekst 38

O meester der mensen, toen was er onder hen een meningsverschil over de nectar ter wille waarvan ze met een dorstig hart zeiden: 'Laat mij eerst, ik eerst, niet jij, wacht maar even!

O Koning, toen brak er ruzie tussen de demonen uit over wie het eerst nectar zou krijgen. Elk van hen zei: "Jij kan niet het eerst drinken. Ik mag eerst. Ik eerst, niet jij!" (Vedabase)

 

Tekst 39-40

Als de goddelijken hun aandeel toekomt, hebben allen die zich in gelijke mate inspanden met de plicht van het ritueel, hetzelfde recht; dit is een kwestie van traditionele verplichtingen [sanâtana dharma]!' Aldus probeerden de Daitya's jaloers en zwak, o Koning, gewelddadig, zich het vat toe te eigenen in feite het elkaar voortdurend ontzeggend.

Een paar demonen zeiden: "Alle halfgoden hebben deelgenomen aan het karnen van de oceaan van melk. Welnu, zoals iedereen evenveel recht heeft om in de opbrengst van elk openbaar offer te delen, zo is het volgens de eeuwige religieuze wetten alleen maar passend dat de halfgoden nu ook een deel van de nectar krijgen." O Koning, op deze manier verboden de zwakkere demonen de sterkere demonen om de nectar te nemen. (Vedabase)

  

Tekst 41-46

Nadat dit was voorgevallen nam Heer Vishnu, de Allerhoogste Beheerser die voor ieder probleem een oplossing heeft, de gedaante van een allerverrukkelijkste, wonderbaarlijke vrouw aan die voor iedereen een mysterie vormde. Een lust voor het oog zijnde, was ze zo donker als een pas geopende lotus, was ze in al haar leden van de grootste schoonheid en harmonie en had ze een rechte neus bij haar opgesierde oren en fraaie kaaklijn. Ze had frisse, ferme, jonge maar zware borsten bij een slank middel en een gelukzalige uitdruking op haar gezicht. Van de hommels om haar heen keek ze wat zorgelijk uit haar ogen. Met de massa van haar golvende haar en haar fraaie hals met daar omheen een mallikâ [jasmijn] bloemenslinger, met de schoonheid van haar armen die waren opgesierd met de fijnste juwelen en banden, met de propere sari over haar borst gespreid die een eiland van schoonheid was en met de gordel die ze om haar middel droeg, bewoog ze zich gracieus voort met haar enkelbelletjes. Verlegen haar blikken werpend en met haar wenkbrauwen in beweging, wekte ze diep in de harten van de daitya leiders een aanhoudend wellustig verlangen.

De Allerhoogste Godspersoon, Vishnu, die elke ongunstige situatie kan tegengaan, nam vervolgens de gedaante van een buitengewoon mooie vrouw aan. Deze incarnatie als vrouw, Mohinî-mûrti, was bijzonder bekoorlijk. Haar huidskleur leek op een pas ontloken zwartachtige lotus en haar lichaam was prachtig geproportioneerd. Ze droeg aan beide kanten dezelfde sierlijke oorringen. Haar wangen waren heel mooi, Ze had een edele neus en Haar gezicht straalde van jeugdigheid. Door Haar grote borsten leek Haar taille heel smal. Hommels zoemden om Haar heen, aangetrokken door het aroma van Haar gezicht en Haar lichaam, en daardoor rustten Haar ogen geen seconde. In Haar haar, dat bijzonder mooi was, droeg Ze een slinger van mallikâ-bloemen. Om Haar bekoorlijke hals hingen een ketting en nog andere sieraden. Haar armen waren getooid met armbanden, Haar lichaam was in een prachtige sari gehuld en Haar borsten leken op eilanden in een oceaan van schoonheid. Haar benen waren versierd met enkelbelletjes. Door de beweging van Haar wenkbrauwen als Ze verlegen glimlachte en Haar blik over de demonen liet glijden, werden alle demonen door wellustige verlangens overweldigd en wilden ze Haar stuk voor stuk bezitten. (Vedabase)

 

 

 

 

 

Voor deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Het eerste schilderij op deze pagina is van
Dhriti devî dâsî en het tweede schilderij is van Jayarâma dâsa.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties