De
zoon van Vyâsa zei: 'Na er aldus toe verzocht te zijn
door Uddhava, de grootste van de toegewijden, begon de leider
der Dâs'ârha's
wiens heldenmoed het zo waard is te worden besproken, te praten
met lofprijzingen voor de woorden van Zijn dienaar.
De
zoon van Vyâsa zei: 'Toen Hij aldus respectvol er door
Uddhava, de grootste van de toegewijden, toe was verzocht
begon de leider der Dâs'ârha's wiens heldenmoed
het zo waard is te bespreken, te praten, met lof voor de
woorden van Zijn dienaar.
(Vedabase)
Tekst
2
De Allerhoogste
Heer zei: 'O discipel van Brihaspati, er bestaat vrijwel geen
brave ziel in deze wereld die in staat is zijn geest in bedwang
te houden als die verstoord wordt door de beledigende woorden
van een slecht iemand.
De
Allerhoogste Heer zei: 'O discipel van Brihaspati, er
bestaat vrijwel geen brave ziel in deze wereld die in staat
is zijn geest in bedwang te houden als die verstoord wordt
door de beledigende woorden gebezigd door een slecht
iemand.
(Vedabase)
Tekst
3
Een persoon
wordt niet zo pijnlijk getroffen door pijlen die het hart
doorboren, als door het met zich mee moeten dragen van pijlen
die bestaan uit de ruwe woorden van onwaarachtige
mensen.
Een
persoon wordt niet zo pijnlijk getroffen met pijlen die zijn
hart doorboren, als dat hij getroffen wordt door het met
zich mee moeten dragen van de pijlen van ruwe woorden van
onwaarachtige mensen. (Vedabase)
Tekst
4
Wat dit betreft
Uddhava, wordt er een allerstichtelijkst verhaal verteld.
Luister alsjeblieft goed, Ik zal je het nu
vertellen.
In
dit opzicht Uddhava, wordt er een allerstichtelijkst verhaal
verteld, alsjeblieft luister met grote aandacht als Ik je
het uit de doeken doe. (Vedabase)
Tekst
5
Het verhaal
stamt van een bedelmonnik die, nadat hij werd beledigd door
slechte mensen, zijn kalmte bewaarde door zichzelf voor te
houden dat het een gevolg was van zijn daden in het
verleden.
Er
werd verslag van gedaan door een bedelmonnik die, beledigd
als hij was door slechte mensen, zijn kalmte bewarend, het
herinnerde als het gevolg van zijn daden in het verleden.
(Vedabase)
Tekst
6
In Avantî
[in het district Malwa] leefde eens een zekere brahmaan
die het zeer goed had met veel rijkdom door zijn brood te
verdienen met zaken doen. Maar hij was een miserabel mens vol
van lust en hebzucht, geneigd in woede te vervallen [zie
ook B.G. 2:
49].
In
Avantî [in het district Malwa] leefde er eens
een zekere brahmaan die het zeer goed had met veel rijkdom
door zijn brood te verdienen met zaken doen; maar hij was
een miserabel mens vol van lust en hebzucht, geneigd in
woede te vervallen [zie ook B.G. 2: 49].
(Vedabase)
Tekst
7
Hij had geen
achting voor zijn verwanten en gasten, zelfs niet in woorden.
En met zijn gebrek aan religiositeit bekommerde hij zich ook
niet om zijn eigen noden als het er tijd voor
was.
Voor
zijn verwanten en gasten was hij zelfs niet in woorden van
respect met het, met zijn gebrek aan religiositeit, zich ook
niet op de juiste tijdstippen bekommeren om zijn eigen
noden. (Vedabase)
Tekst
8
Met hem zo
slecht gemanierd ontwikkelden zijn zoons, aangetrouwde familie,
zijn vrouw, dochters en bedienden een afkeer jegens de
ellendeling. Vijandig onthielden ze hem hun genegenheid.
Met
hem zo slecht van manieren ontwikkelden zijn zoons,
aangetrouwde familie, zijn vrouw, dochters en bedienden
vijandschap jegens de ellendeling, hem in afkeer hun
genegenheid onthoudend. (Vedabase)
Tekst
9
Op deze manier
zowel in het dharma als wat betreft het plezier tekortschietend
werden de vijf eisers van het geofferde [de godheden, zie
pañca-bhâga],
boos op die obsessieve schatbewaarder die wat betreft de beide
werelden verstek liet gaan [deze en de
volgende].
Op
deze manier in het dharma en het plezier tekort schietend
werden de vijf eisers van het geofferde
[pañca-bhâga], met die obsessieve
schatbewaarder die voor beide werelden verstek liet gaan
[deze en de volgende], boos op hem.
(Vedabase)
Tekst
10
Door hen te
verwaarlozen verloor hij al zijn vrome krediet, o grootmoedige,
en al de weelde waar hij zich met zo veel moeite voor had
ingespannen ging verloren.
Door
hen te verwaarlozen putte hij zijn vrome tegoed uit, o
grootmoedige, en al de weelde waar hij zich met zo veel
moeite voor had ingespannen ging verloren.
(Vedabase)
Tekst
11
Omdat hij
slechts in naam een brahmaan was Uddhava, werd een deel van
zijn welvaart ingepalmd door zijn verwanten, een deel door
dieven, een deel door de voorzienigheid, een deel door de tijd,
een deel door de gewone man en een deel door het hoger
geplaatste gezag [zie ook 10.49:
22].
Slechts
in naam een brahmaan zijnde werd een deel ervan weggenomen
door zijn verwanten, een deel door dieven, Uddhava, een deel
door de voorzienigheid, een deel door de tijd, een deel door
de gewone man en een deel door het hoger geplaatste gezag
[zie ook 10.49: 22]. (Vedabase)
Tekst
12
Toen hij aldus
verstoken van religiositeit en liefde zijn weelde had verloren,
ontwikkelde zich bij hem, verwaarloosd als hij was door zijn
familie, een moeilijk te dragen
zorgelijkheid.
Toen
hij verstoken van religiositeit en liefde aldus zijn
eigendom was kwijt geraakt, deed zich, verwaarloosd als hij
was door zijn familie, zich een zwaar te dragen
zorgelijkheid bij hem voor. (Vedabase)
Tekst
13
Voor
een lange tijd treurde hij verstikt in tranen om zijn verloren
rijkdom en daaropvolgend overviel hem een grote minachting voor
alle wereldse zaken.
In
hem die voor een lange tijd verstikt in tranen in zijn leed
de verloren rijkdom betreurde, rees toen een grootse
minachting voor wereldse zaken
op.
(Vedabase)
Tekst
14
Hij hield
zichzelf toen voor: 'Hoe jammer om mezelf zo pijnlijk in te
spannen met al dit gezwoeg dat geen genoegen verschaft en voor
de liefde van God ook niet goed is.
Hij
zei toen hiertoe: 'Helaas, hoe pijnlijk mezelf zo te
bemoeien met al dit gezwoeg dat noch het genoegen, noch de
liefde van God tot dienst is. (Vedabase)
Tekst
15
Over het
algemeen resulteert de rijkdom van ellendelingen nooit en te
nimmer in enig geluk: in dit leven leidt het tot een kwelling
en als je dood gaat beland je ermee in de hel.
Over
het algemeen resulteren de kostbare zaken van ellendelingen
nooit en te nimmer in enig geluk: in dit leven leiden ze tot
een kwelling en met degene die stierf voeren ze tot de hel.
(Vedabase)
Tekst
16
Hoe zuiver de
roep ook die beroemdheden mogen genieten of hoe lofwaardig de
kwaliteiten der deugdzamen ook zijn, het gaat allemaal teloor
met slechts een klein beetje hebzucht, net als wat witte lepra
doet met een bekoorlijke, lichamelijke
schoonheid.
Welke
zuivere roem de beroemdheden ook mogen genieten of welke
lofwaardige kwaliteiten er ook zouden zijn met de
deugdzamen, zelfs dezen gaan teloor met slechts een klein
beetje hebzucht, precies als wat witte lepra doet met een
bekoorlijke, lichamelijke schoonheid.
(Vedabase)
Tekst
17
Met het
opbouwen, beschermen, spenderen, verliezen van en zich
verheugen over het kapitaal, moet de mens zwoegen, vrezen, zich
zorgen maken en in onzekerheid verkeren.
In
het realiseren, de opbouw, het beschermen, spenderen, het
verlies en de vreugde van het geld verdienen, bestaat er
voor de mens arbeid, angst, zorgelijkheid en verwarring.
(Vedabase)
Tekst
18-19
Diefstal,
geweld, leugens, dubbelhartigheid, lust, woede, verbijstering,
trots, onenigheid, vijandschap, een gebrek aan geloof, wedijver
en [de drie] gevaren [zie ook 1.17:
24] zijn
de vijftien ongewenste zaken die bekend staan als het gevolg
van het koesteren van rijkdom. Daarom moet hij die het
uiteindelijke voordeel in het leven wil behalen zich verre
houden van het onwenslijke dat voor weelde
doorgaat.
Diefstal,
geweld, leugens, dubbelhartigheid, lust, woede,
verbijstering, trots, onenigheid, vijandschap, een gebrek
aan geloof, wedijver en [de drie] gevaren [van
bedwelming, promiscuïteit en gokken [zie ook 1.17:
24]: dit zijn de vijftien die men inderdaad kent als de
ongewenste zaken gebaseerd op rijkdom; derhalve moet degene
die het uiteindelijke voordeel in het leven wil behalen het
onwenselijke vallend onder het hoofdstuk weelde verre van
zich houden. (Vedabase)
Tekst
2o
De broeders, de
echtgenote, de ouders en de vrienden die één zijn
in de liefde, veranderen allen voor een enkele rooie cent van
het ene op het andere moment in
vijanden.
De
broeders, de echtgenote, de ouders en de vrienden die
één zijn in de liefde, veranderen over een
enkel muntje allen meteen in vijanden.
(Vedabase)
Tekst
21
Zelfs maar voor
een beetje geld geven ze, van streek en geïrriteerd, zich
over aan de woede en vergeten ze als een tegenstander die uit
is op vernietiging zomaar in een oogwenk hun
welgezindheid.
Zelfs
maar voor een beetje geld geven ze, van streek en
geïrriteerd, zich over aan de woede en geven ze het als
een tegenstander die uit is op vernietiging, rap, in een
oogwenk, op met het laten varen van de welgezindheid.
(Vedabase)
Tekst
22
Met het hebben
bereikt van de menselijke geboorte waar de onsterfelijken voor
bidden en het in dat leven bereiken van de status van de beste
der tweemaal geborenen, hebben ze, destructief wat betreft hun
eigenbelang, daar geen waardering voor. En zo begeven ze zich
op het hellend vlak [zie ook B.G. 16:
19-20].
Met
het hebben bereikt van de menselijke geboorte waar de
onsterfelijken voor bidden en het in dat leven bereiken van
de status van de beste der tweemaal geborenen, hebben ze,
destructief wat betreft hun eigenbelang, daar geen
waardering voor; ze zijn op weg naar een onzalige bestemming
[zie ook B.G. 16: 19-20].
(Vedabase)
Tekst
23
Welke persoon
die het tot dit menselijke bestaan heeft gebracht, deze toegang
tot de hemel en de bevrijding, hecht zich nu aan eigendom en
zou ervoor kiezen zich op te houden in het rijk der
betekenisloosheid waar hij onderhevig is aan de
dood?
Welke
persoon die het tot dit menselijke bestaan heeft gebracht,
deze toegang tot de hemel en de bevrijding, zou zich, met de
dood voor ogen, nu hechten aan eigendom en zich ophouden in
het rijk der betekenisloosheid?
(Vedabase)
Tekst
24
Gelijk een
geldbeluste Yaksha
niet delend met de aandeelhouders, te weten de grotere familie
van de goden, de zieners, de voorvaderen, de verwanten, de
levende wezens en zichzelf, komt men ten val.
Gelijk
een geldbeluste yaksha niet delend met de aandeelhouders, te
weten de grotere familie van de goden, de zieners, de
voorvaderen, je verwanten, de levende wezens en jezelf, komt
men ten val. (Vedabase)
Tekst
25
Verdwaasd door
mijn jeugd, kracht en weelde, door de middelen waar de slimme
jongen zich van bedient om alles voor elkaar te krijgen, heb ik
mijn leven verspild met het najagen van geld. Wat kan ik als
een oude man daar nu mee bereiken [zie B.G.
3:
35]?
Wat
nu kan ik, een oude man, bereiken in het zinloze streven
naar geld, jeugd en kracht, waarin er gek van, mensen van
onderscheid zich bemoeien perfect te zijn [zie B.G. 3:
35]? (Vedabase)
Tekst
26
Waarom zou een
intelligent man constant moeten lijden in een vruchteloos
najagen van rijkdom? Zeker is dat iemand in deze wereld hoogst
verbijsterd raakt als gevolg van haar begoochelende
macht.
Waarom
zou een wijs mens constant moeten lijden onder het
vruchteloze najagen van rijkdom; welzeker is iemand in deze
wereld, vanwege haar begoochelende macht, hoogst
verbijsterd. (Vedabase)
Tekst
27
Wat voor nut
hebben de goederen of zij die ze verschaffen of wat zou het
gebruik van de zinsobjecten voor nut hebben of de mensen die
bevrediging schenken? Of anders gezegd, wat zou het voor nut
hebben voor degene die verkeert in de greep van de dood, om van
het baatzuchtig handelen te zijn dat je alleen maar een
volgende geboorte oplevert?
Wat
voor nut hebben de goederen of zij die ze verschaffen of wat
zou het gebruik van de zinsobjecten voor nut hebben of de
mensen die bevrediging schenken; of wat anders zou het voor
nut hebben voor degene verkerend in de greep van de dood, om
van het baatzuchtig handelen te zijn dat je alleen maar een
volgende geboorte oplevert? (Vedabase)
Tekst
28
De Allerhoogste
Heer, de Hoogste Persoonlijkheid die al de goden omvat en die
tevreden over mij, me tot deze toestand van onthechting voerde,
vormt zonder twijfel de boot die de ziel vervoert [zie ook
11.17:
44].
De
Allerhoogste Heer, de Hoogste Persoonlijkheid die al de
goden omvat, die mij tot deze toestand van onthechting heeft
gebracht, is voorzeker, verheugd over mij, de boot voor de
ziel [zie ook 11.17: 44].
(Vedabase)
Tekst
29
Met de tijd die
me rest zal ik, opdat ik de vrede in mezelf mag vinden, zonder
[nog langer] in de war te zijn over mijn ware
eigenbelang mijn lichaam de nodige beperkingen opleggen
[zie ook 2.2:
3,
7.12:
6].
Met
de tijd die me rest zal ik, om de tevredenheid in mezelf te
vinden, zonder in de war te zijn over mijn ware eigenbelang,
mijn lichaam [tot het minimale] beperken [zie
ook 2.2: 3, 7.12: 6]. (Vedabase)
Tekst
30
Mogen de goden,
de heersers over de drie werelden, hier blij mee zijn. Was het
niet Khathvânga
die in een mum van tijd de geestelijke wereld
bereikte?'
Mogen
de goden, de heersers over de drie werelden, in dezen
verheugd zijn; was het niet Khathvânga die het in een
enkel moment tot het spiritueel bereik bracht?'
(Vedabase)
Tekst
31
De Allerhoogste
Heer zei: 'Aldus zich in de geest vindend werd de hoogst
godvruchtige brahmaan van Avantî, die de knopen in zijn
hart ontwarde, een vreedzame en stille
bedelmonnik.
De
Allerhoogste Heer zei: 'Aldus zich in de geest vindend werd
de hoogst godvruchtige brahmaan van Avantî, de knopen
in zijn hart losmakend, in vrede een stille bedelmonnik.
(Vedabase)
Tekst
32
Hij trok alleen
en onopvallend rond door de wijde wereld, en ging, met zijn
zelf, zijn zinnen en zijn levensadem daarmee beheerst [zie
tri-danda],
haar steden en dorpen binnen om te leven van de
liefdadigheid.
Hij
trok alleen en onopvallend rond door de wijde wereld, en
ging, hierin met zijn zelf, zijn zinnen en zijn levensadem
beheerst [zie tri-danda], haar steden en dorpen
binnen om te leven van de liefdadigheid.
(Vedabase)
Tekst
33
Toen ze hem die
zich vertoonde als een oude vieze bedelaar zagen, werd hij door
mensen van lagere komaf onteerd met een hoop beledigingen, mijn
beste.
Toen
ze hem, inderdaad een oude vieze bedelaar, zagen, werd hij
met menig een belediging onteerd door mensen van lagere
komaf, mijn beste. (Vedabase)
Tekst
34
Sommigen van
hen pakten hem de drievoudige staf af, zijn bedelnap, zijn
waterpot en zijn zitplaats, en sommigen grepen zijn
gebedskralen en zijn gescheurde vodden. Die lieten ze hem dan
zien en boden ze opnieuw aan, en dan pakten ze ze weer van hem
af.
Sommigen
van hen pakten de drievoudige staf van hem af, zijn
bedelnap, zijn waterpot en zijn zitplaats, en sommigen
grepen zijn gebedskralen en zijn gescheurde vodden, waarbij
ze, ze tonend met het ze hem weer terug aanbieden, ze
opnieuw weer van de wijze afpakten.
(Vedabase)
Tekst
35
En als hij aan
de oever van de rivier zijn deel van het voedsel wilde genieten
dat hij had vergaard met zijn bedelen, urineerden de grote
zondaars erop en spuugden ze op zijn
hoofd.
En
op een rivieroever op het punt staand zijn deel te genieten
van het voedsel dat hij had vergaard door zijn bedelen,
urineerden de grote zondaars op hem en spuugden ze op zijn
hoofd.
(Vedabase)
Tekst
36
Hij die volgens
de gelofte van de stilte niet sprak ranselden ze af en maakten
ze met hun woorden belachelijk zeggend: 'Deze hier is een
dief'. En met dat ze dat zeiden bonden ze hem met touwen vast
terwijl sommigen daarbij uitriepen: 'Bindt hem vast, knevel
hem!'
Hij
die naar de gelofte van de stilte niet sprak maakten ze met
hun woorden belachelijk zeggend 'Deze hier is een dief';
aldus zich uitlatend bonden ze hem met touwen vast terwijl
sommigen daarbij uitriepen 'Bindt hem vast, knevel hem!'.
(Vedabase)
Tekst
37
Sommigen
kritiseerden hem door hem beledigingen naar het hoofd te
slingeren als: 'Deze hier is een religieuze hypocriet, een
bedrieger die, met het verloren hebben van zijn rijkdom nadat
ie door zijn familie werd uitgestoten, zich hier maar op heeft
toegelegd'.
Sommigen
kritiseerden hem beledigingen toeslingerend als 'Deze hier
is een religieuze hypocriet, een bedrieger die, met het
verloren hebben van zijn rijkdom en zijn uit de familie
gezet zijn, zich hier maar op heeft toegelegd'.
(Vedabase)
Tekst
38-39
'Kijk
eens hoe deze persoon zo machtig en standvastig als een grote
berg, in stilte zijn doel nastrevend, zo vastbesloten is als
een eend'. Sommigen dreven met dergelijke opmerkingen de spot
met hem, terwijl anderen een kwalijke lucht lieten waaien en,
terwijl ze hem vastketenden, de tweemaal geborene gevangen
zetten als was hij een huisdier.
'Kijk
eens hoe deze persoon machtig en standvastig als een
massieve berg, met zijn stilte zijn doel nastrevend, zo
vastbesloten is als een eend'. Sommigen dreven de spot aldus
sprekend, terwijl anderen een kwalijke lucht lieten waaien
en, hem in de ketenen slaand, de tweemaal geborene gevangen
zetten als was hij een huisdier.
(Vedabase)
Tekst
40
Aldus
onderworpen aan alles wat anderen hem aandeden, de hogere
machten voor hem in petto hadden en hij aan zichzelf te danken
had [zie kles'a],
begreep hij dat wat hem ook overkwam hem door het lot werd
toebedeeld.
Aldus,
als gevolg van andere levende wezens, als gevolg van hogere
machten en te danken aan hemzelf, ertoe gedoemd te lijden
onder dat alles [zie kles'a], begreep hij dat, wat
hij ook op zijn weg vond, hem dat door zijn lot werd
toebedeeld.
(Vedabase)
Tekst
41
Beledigd door
laag bij de grondse mensen die hem uit zijn tent probeerden te
lokken, zong hij, zich strak aan zijn plichten houdend en
vastbesloten vanuit het goede, het volgende lied [zie ook
B.G. 18:
33].
Beledigd
door mensen van een lager allooi die hem ten val probeerden
te brengen, zong hij, stevig vasthoudend aan zijn eigen
plichtsbetrachting, vastbesloten in de goedheid, dit lied
[zie ook B.G. 18: 33]:
(Vedabase)
Tekst
42
De brahmaan
zei: 'Deze mensen zijn niet de oorzaak van mijn geluk of
ongeluk, noch is het te wijten aan de halfgoden, mijn lichaam,
de planeten, mijn karma of de tijd. Het is, zoals het heersend
gezag dat stelt [de s'ruti],
niets dan de geest die de oorzaak is. Het is de geest die er de
oorzaak van is dat men ronddraait in de kringloop van het
materiële leven.
De
tweemaal geborene zei: 'Deze mensen zijn niet de oorzaak van
mijn geluk of ongeluk, noch zijn de halfgoden dat, mijn
lichaam, de planeten, mijn karma of de tijd; het is, naar de
heersende autoriteit [de s'ruti], niets dan de geest
die de oorzaak is, het is de geest die er de oorzaak van is
dat men ronddraait in de kringloop van het materiële
leven.
(Vedabase)
Tekst
43
De geest die
blijk geeft van de kwaliteiten der geaardheden wordt sterk door
hen bepaald en geeft aanleiding tot de verschillende soorten
van witte [goedheid], rode [hartstocht] en
zwarte [onwetendheid] handelingen die leiden tot de
omstandigheden [de maatschappelijke klassen] die
corresponderen met dezelfde
kleuren.
De
geest die inderdaad de geaardheden weerspiegelt is maar al
te sterk door hen en door de verschillende soorten van witte
[goedheid], rode [hartstocht] en zwarte
[onwetendheid] handelingen waaruit zich de
omstandigheden [de maatschappelijke klassen]
opwerpen naar dezelfde kleuren.
(Vedabase)
Tekst
44
De Superziel
die niet erbij betrokken zijnde en goud [stralend in zijn
eigen licht] zijn bestaan heeft naast de worstelende geest,
mijn vriend, ziet van boven neer op de geest die, met het beeld
van de wereld dat hij in zich draagt, de zinsobjecten koestert.
Het is in die betrokkenheid bij de geaardheden van de natuur
dat men [als de vonk van God die de individuele ziel
is] verstrikt raakt in de gehechtheid [zie ook B.G.
3.42:
43].
De
ziel die, zich naast de worstelende geest ophoudend,
erbuiten staat [en de verlichting uitstraalt], mijn
vriend, ziet van boven neer op de geest die met zijn beeld
van de wereld de zinsobjecten omarmt; en in die bezigheid
raakt hij gebonden in gehechtheid aan de geaardheden van de
natuur [zie ook B.G. 3.42:
43].
(Vedabase)
Tekst
45
Liefdadigheid,
het doen van je plicht, de niyama,
de yama,
het luisteren naar [de geschriften], de vrome werken en
de zuivering door geloften houden alle het onderwerpen van de
geest in. En daarbij is het opperste van de yoga, de
verzonkenheid van de geest [samâdhi],
het doel van de activiteiten.
Liefdadigheid,
het doen van je plicht, de niyama, de yama, het luisteren
naar [de geschriften], de vrome werken en de
zuivering door geloften, houden alle het onderwerpen van de
geest in, met het opperste van de yoga, de verzonkenheid van
de geest [samâdhi], als hun doel.
(Vedabase)
Tekst
46
Zeg me wat voor
nut rituelen en dergelijke voor iemand nog hebben wiens geest
eenmaal tot rust is gekomen in het volmaakt verankerd zijn in
liefdadigheid en andere processen? En [omgekeerd] hoe
kan men zich bezighouden met deze processen van liefdadigheid
en dergelijke als men de weg kwijt is met een geest die men
niet onder controle heeft?
Zeg
me wat er voor hem te bereiken valt wiens geest tot rust is
gebracht, volmaakt verankerd door liefdadigheid en andere
processen; en wat ook anders kan met deze processen van
liefdadigheid en dergelijke worden bereikt als men verloren
is met zijn geest niet onder
controle?
(Vedabase)
Tekst
47
Sedert
mensenheugenis valt al het overige, de [zinnen en hun]
goden bijvoorbeeld, onder de controle van de geest en valt de
geest nimmer onder de controle van ook maar iets of iemand
anders [dan de Allerhoogste]. Angstwekkend als een god
[Aniruddha]
is hij dienovereenkomstig sterker dan de sterksten - waarlijk
is Hij die de geest onder controle weet te krijgen de God der
goden [zie ook B.G.
6:
35-36,
*].
Zolang
we weten vielen anderen, de [zinnen en hun] goden
bijvoorbeeld, al onder de controle van de geest en viel de
geest nimmer onder de controle van ook maar iemand anders
[dan de Allerhoogste]; angstwekkend als een god
[Aniruddha] is hij overeenkomstig sterker dan de
sterksten - waarlijk is Hij die de geest onder controle weet
te krijgen de God der goden [zie ook B.G. 6: 35-36,
*].
(Vedabase)
Tekst
48
Erin mislukkend
[als men werelds betrokken is] die moeilijk te
overwinnen vijand te onderwerpen [zie B.G.
6:
6] die in
zijn aandrang zo moeilijk te beheersen kwelt en toeslaat,
veroorzaken sommigen die om die reden volledig het spoor
bijster zijn, onnodige tweestrijd en zijn dan met de
stervelingen in deze wereld vrienden, neutralen en rivalen.
Erin
mislukkend die moeilijk te overwinnen vijand te onderwerpen
[indien werelds betrokken, zie B.G. 6: 6] die in
zijn aandrang zo onbeheersbaar kwelt en toeslaat,
veroorzaken sommigen die om die reden volledig het spoor
bijster zijn, onnodige tweestrijd, met de stervelingen in
deze wereld vrienden, neutralen en rivalen
zijnd.
(Vedabase)
Tekst
49
Met het
aanvaard hebben van het materiële lichaam als een deel van
hun geest, in de zin van 'ik' en 'mijn', dwalen de mensen rond
in duisternis wiens intelligentie verblind is door deze
moeilijk te boven te komen illusie van 'dit ben ik' en 'dat is
iemand anders'.
Met
het aanvaard hebben van het materiële lichaam als een
deel van hun geest, in de zin van 'Ik' en 'Mijn', is het zo
dat menselijke wezens verblind qua intelligentie door de
moeilijk te boven te komen illusie van 'dit ben ik' en 'dat
is iemand anders', rondwaren in
duisternis.
(Vedabase)
Tekst
50
Met het stellen
dat [adhibhautika]
deze of gene mensen de oorzaak van mijn geluk en leed zouden
zijn, kan men zich afvragen welke ruimte dit begrip dan aan de
ziel biedt; geluk en leed behoren de aarde toe [en niet de
ziel]. Op wie zou je boos moeten zijn als je tong toevallig
wordt gebeten door je eigen tanden?
Met
het stellen dat [adhibhautika] deze mensen de
oorzaak van mijn geluk en leed zouden zijn, welke ruimte
biedt dit begrip dan aan de ziel; zij als zodanig behoren de
aarde toe [en niet de ziel] - op wie moet je boos
zijn als je tong toevallig wordt gebeten door je eigen
tanden?
(Vedabase)
Tekst
51
Als
men zegt dat [adhidaivika]
de goden verantwoordelijk zouden zijn voor het lijden, hoe
houdt dat lijden dan verband met de ziel als die pijn geheel en
al onderhevig is aan verandering [terwijl de ziel dat niet
is]. Op wie zou het levende wezen ooit boos moeten zijn als
het ene lichaamsdeel het andere pijn doet?
Als
men zegt dat [adhidaivika] de goden verantwoordelijk
zouden zijn voor het lijden wat heeft dat lijden dan met de
ziel te maken; die pijn is geheel en al onderhevig aan
verandering [terwijl de ziel dat niet is] - op wie
ooit zou het levende wezen boos moeten zijn als het ene deel
van zijn eigen lichaam het andere pijn doet?
(Vedabase)
Tekst
52
Als de ziel
zelf [adhyâtmika]
de oorzaak zou zijn van het geluk en het leed, kan er door een
andere aard dan die van iemand zelf er geen sprake zijn van
lief en leed. Het is immers zo dat niets losstaat van de ziel.
Zo'n claim zou vals zijn. Maar kan men [zichzelf of de ziel
als] de schuldige aanwijzen als er geen geluk en leed is
[in de ziel die de getuige is. Zie B.G.
2:
14]?
Als
de ziel zelf [adhyâtmika] de oorzaak zou zijn
van het geluk en het leed, door wat anders dan door zijn
eigen aard zou het dan in die optiek zo zijn; het is
inderdaad zo dat er niets los staat van de ziel daar dat
vals zou zijn - en op wie moet je boos zijn als er geen
geluk en leed is [in de ziel die de getuige is, zie B.G.
2: 14]?
(Vedabase)
Tekst
53
Als de planeten
de oorzaak zouden zijn van geluk en leed, hoe kan dat dan
verband houden met de ziel die niet geboren wordt. De
hemellichamen hebben betrekking op dat wat geboren werd, zoals
ze [de astrologen] het zeggen. Een planeet verkeert
enkel in moeilijkheden door andere planeten. Op wie moet het
levend wezen, als men het onderscheidt van zijn
[hemel-]lichaam, nu kwaad worden?
Als
de planeten de oorzaak zouden zijn van geluk en leed, hoe
zit het dan met de ziel die niet geboren wordt; zij hebben
betrekking op dat wat geboren werd, zoals ze [de
astrologen] het zeggen, de planeet verkeert enkel in
moeilijkheden door andere planeten - op wie moet het levend
wezen, onderscheiden van dat lichaam, dan kwaad
worden?
(Vedabase)
Tekst
54
Als we aannemen
dat het karma de oorzaak is van geluk en leed, wat heeft dat
karma dan voor de ziel te betekenen? Duidelijk is dat de
verlevigende persoon enerzijds en dit tot leven gewekte lichaam
dat toegerust is met bewustzijn en [op zichzelf] niet
leeft anderzijds, geen van beiden de grondoorzaak van het karma
vormen natuurlijk. Wat blijft er dan nog over om je druk over
te maken?
Als
we aannemen dat het karma de oorzaak is van geluk en leed,
wat heeft dat karma dan voor de ziel te betekenen; zeker is
dat de verlevigende persoon enerzijds en dit tot leven
gewekte lichaam toegerust met bewustzijn dat [op zich
zelf] niet leeft anderzijds, beiden niet de grondoorzaak
van het karma zijn natuurlijk - op wie moet je dan kwaad
zijn?
(Vedabase)
Tekst
55
Als we zeggen
dat de tijd de oorzaak van het geluk en het leed zou zijn, hoe
zit het dan met de ziel met dat idee? De ziel blijft
[onaangedaan] bij de tijd, zoals een vuur zich niet aan
zijn vlammen brandt of de sneeuw niet [onder zijn kou zal
lijden]. Op wie moet je nu kwaad worden als de dualiteit
niet opgaat voor het allerhoogste [zie ook B.G.
18:
16 en
tijdcitaten]?
Als
we zeggen dat de tijd de oorzaak van het geluk en het leed
zou zijn, hoe zit het dan met de ziel in dat idee; de ziel
behoort de tijd toe, zoals vuur de vlammen niet brandt of de
sneeuw niet [te lijden heeft van koude] - op wie
moet je kwaad worden als er geen dualiteit is met het
allerhoogste [zie ook B.G. 18: 16 en
tijdcitaten]?
(Vedabase)
Tekst
56
Niet door wie
dan ook, waar dan ook of op welke manier dan ook bestaat er
voor hem, [de geestelijke ziel] superieur in
bovenzinnelijkheid, de invloed van de dualiteit waarin het
valse ego zich opwerpt dat gestalte geeft aan het
materiële bestaan. Hij die tot dit inzicht komt heeft
niets te vrezen van andere levende wezens.
Niet
door wie dan ook, waar dan ook of op welke manier dan ook
bestaat er voor hem, superieur door bovenzinnelijkheid, de
invloed van de dualiteit waarin het valse ego zich opwerpt
dat het materieel bestaan vorm geeft; hij wiens
intelligentie aldus is ontwaakt heeft niets te vrezen van
andere levende wezens.
(Vedabase)
Tekst
57
Door de
verering van de voeten van Mukunda
zal ik de zo moeilijk te overwinnen oceaan van materiële
onwetendheid over kunnen steken. Hier ben ik zeker van dankzij
de genade van de grote zieners uit het verleden [of de
âcârya's]
die verankerd zijn in de aanbidding van de Allerhoogste Ziel
[zie ook B.G. 6:
1-2].'
Door
de verering van de voeten van Mukunda zal ik de zo moeilijk
over te steken oceaan van materiële onwetendheid
oversteken; hiervan ben ik zeker bij de genade van de grote
zieners uit het verleden [of de
âcârya's] verankerd in de aanbidding van de
Allerhoogste Ziel [zie ook B.G. 6:
1-2].'
(Vedabase)
Tekst
58
De Allerhoogste
Heer zei: 'Met zijn rijkdom teloor gegaan onthecht geraakt, met
zijn huis achter zich gelaten en met zijn vrij van
neerslachtigheid over de aarde rondtrekken en desondanks
beledigd zijn door schurken, zond de wijze die zijn
plichtsbetrachting niet had opgegeven dit lied
op.
De
Allerhoogste Heer zei: 'Met zijn rijkdom teloor gegaan
onthecht rakend, zijn huis achter zich latend, vrij van
neerslachtigheid de aarde bereizend en ondanks in dezen te
zijn beledigd door schurken, zond de wijze niet verstek
laten gaand in zijn plichten dit lied
op.
(Vedabase)
Tekst
59
Wat betreft de
oorzaak van het verdriet en leed van een individuele ziel is er
geen andere dan de geest. Het is de geest die begoocheld uit
onwetendheid zich een materieel leven schiep van vrienden,
neutralen en vijanden [zie ook 10.32:
17-22 en B.G.
9:
29].
Aangaande
dat wat de ziel verdriet of leed bezorgt bestaat er niets
buiten de geest, die begoocheld uit onwetendheid zich een
materieel leven schiep van vrienden, neutralen en vijanden
[zie ook 10.32: 17-22 en B.G. 9:
29].
(Vedabase)
Tekst
60
Daarom in alle
opzichten, Mijn beste, breng met een intelligentie die in Mij
is verzonken de geest onder controle en [bereik] aldus
verbonden het volledige [het huwelijk, het alomvattende
begrip] van de yoga [zie ook S'rî
S'rî S'ikshâshthaka-vers
1].
Daarom
in alle opzichten, Mijn beste, breng met een intelligentie
verzonken in Mij de geest onder controle en [bereik]
aldus verbonden het volledige [het huwelijk, het
alomvattende begrip] van de yoga [zie ook
s'iks'âshthaka-vers
1].
(Vedabase)
Tekst
61
Wie dan ook die
met volle aandacht mediteert op, anderen doet luisteren of zelf
luistert naar dit [lied] gebaseerd op de kennis van het
Absolute zoals gezongen door de bedelmonnik, zal voorzeker
nimmer overweldigd worden door de dualiteiten.'
Wie
dan ook die met volle aandacht mediteert op, anderen doet
luisteren of zelf luistert naar dit [lied] gebaseerd
op de kennis van het Absolute zoals gezongen door de
bedelmonnik, zal voorzeker nimmer overweldigd zijn door de
dualiteiten.'
(Vedabase)
*:
Sommigen denken dat de essentie van de yoga eruit bestaat de
geest helemaal te stoppen, maar Krishna benadrukt in dit
hoofdstuk duidelijk dat het om de controle gaat, niet zo zeer
het stoppen. Dat stoppen is een impersonalistische
mâyâvâda-boeddhistische techniek om je
op je essentie te concentreren en vormt een bewust
gecreëerde illusie [zie Boeddhisme].
Neti-neti
zeggend zoals Prahlâda b.v. zal de geest zich inderdaad
concentreren op de essentie hetgeen nou juist de geest
uitbouwt, bevordert, in die richting. Aldus neemt met het
stoppen van het op de wereld betrokken denken, de ware
bezigheid van de geest in gebeden en filosofie zijn aanvang.
Niet op de siddhi's afgaand, de mystieke perfecties,
moet de geest zo ingezet worden voor de Fortuinlijke, voor
Krishna, middels het zich concentreren op Zijn namen, mantra's
en verhalen; door s'ravanam, kîrtanam etc. moet
men leren te luisteren, te zingen en te volgen naar de schrift,
de goeroe en de mede-gelovigen. De eerste twee yoga
sûtra's I.1&2 atha
yogânus'ânamam, yogah citta vritti nirodah,
moeten worden vertaald met 'nu, als de les van de yoga, ga
het gepieker tegen van de geest over wereldse zaken' en niet
met 'de yogales nu bestaat eruit de werking van de geest te
stoppen'. Natuurlijk moet je je verstand gebruiken, je geest
inzetten in gehoorzaamheid aan de Heilige Geest, naar de stem
van God; de geest is per slot van rekening een aspect van het
goddelijke bestuurd door Aniruddha
in de catur
vyûha
(zie ook vritti
en siddhi).