regelbalk

 

Mahâmantra 4

 

 

 

 

Canto 11

 

Hoofdstuk 23

 

Verdraagzaamheid: het Lied van de Avantî Brâhmana.

(1) De zoon van Vyâsa zei: 'Toen Hij aldus respectvol er door Uddhava, de grootste van de toegewijden, toe was verzocht begon de leider der Dâs'ârha's wiens heldenmoed het zo waard is te bespreken, te praten, met lof voor de woorden van Zijn dienaar. (2) De Allerhoogste Heer zei: 'O discipel van Brihaspati, er bestaat vrijwel geen brave ziel in deze wereld die in staat is zijn geest in bedwang te houden als die verstoord wordt door de beledigende woorden gebezigd door een slecht iemand. (3) Een persoon wordt niet zo pijnlijk getroffen met pijlen die zijn hart doorboren, als dat hij getroffen wordt door het met zich mee moeten dragen van de pijlen van ruwe woorden van onwaarachtige mensen. (4) In dit opzicht Uddhava, wordt er een allerstichtelijkst verhaal verteld, alsjeblieft luister met grote aandacht als Ik je het uit de doeken doe. (5) Er werd verslag van gedaan door een bedelmonnik die, beledigd als hij was door slechte mensen, zijn kalmte bewarend, het herinnerde als het gevolg van zijn daden in het verleden. (6) In Avantî [in het district Malwa] leefde er eens een zekere brahmaan die het zeer goed had met veel rijkdom door zijn brood te verdienen met zaken doen; maar hij was een miserabel mens vol van lust en hebzucht, geneigd in woede te vervallen [zie ook B.G. 2: 49]. (7) Voor zijn verwanten en gasten was hij zelfs niet in woorden van respect met het, met zijn gebrek aan religiositeit, zich ook niet op de juiste tijdstippen bekommeren om zijn eigen noden. (8) Met hem zo slecht van manieren ontwikkelden zijn zoons, aangetrouwde familie, zijn vrouw, dochters en bedienden vijandschap jegens de ellendeling, hem in afkeer hun genegenheid onthoudend. (9) Op deze manier in het dharma en het plezier tekort schietend werden de vijf eisers van het geofferde [pañca-bhâga], met die obsessieve schatbewaarder die voor beide werelden verstek liet gaan [deze en de volgende], boos op hem. (10) Door hen te verwaarlozen putte hij zijn vrome tegoed uit, o grootmoedige, en al de weelde waar hij zich met zo veel moeite voor had ingespannen ging verloren. (11) Slechts in naam een brahmaan zijnde werd een deel ervan weggenomen door zijn verwanten, een deel door dieven, Uddhava, een deel door de voorzienigheid, een deel door de tijd, een deel door de gewone man en een deel door het hoger geplaatste gezag [zie ook 10.49: 22]. (12) Toen hij verstoken van religiositeit en liefde aldus zijn eigendom was kwijt geraakt, deed zich, verwaarloosd als hij was door zijn familie, zich een zwaar te dragen zorgelijkheid bij hem voor. (13) In hem die voor een lange tijd verstikt in tranen in zijn leed de verloren rijkdom betreurde, rees toen een grootse minachting voor wereldse zaken op.

(14) Hij zei toen hiertoe: 'Helaas, hoe pijnlijk mezelf zo te bemoeien met al dit gezwoeg dat noch het genoegen, noch de liefde van God tot dienst is. (15) Over het algemeen resulteren de kostbare zaken van ellendelingen nooit en te nimmer in enig geluk: in dit leven leiden ze tot een kwelling en met degene die stierf voeren ze tot de hel. (16) Welke zuivere roem de beroemdheden ook mogen genieten of welke lofwaardige kwaliteiten er ook zouden zijn met de deugdzamen, zelfs dezen gaan teloor met slechts een klein beetje hebzucht, precies als wat witte lepra doet met een bekoorlijke, lichamelijke schoonheid. (17) In het realiseren, de opbouw, het beschermen, spenderen, het verlies en de vreugde van het geld verdienen, bestaat er voor de mens arbeid, angst, zorgelijkheid en verwarring. (18-19) Diefstal, geweld, leugens, dubbelhartigheid, lust, woede, verbijstering, trots, onenigheid, vijandschap, een gebrek aan geloof, wedijver en [de drie] gevaren [van bedwelming, promiscuïteit en gokken [zie ook 1.17: 24]: dit zijn de vijftien die men inderdaad kent als de ongewenste zaken gebaseerd op rijkdom; derhalve moet degene die het uiteindelijke voordeel in het leven wil behalen het onwenselijke vallend onder het hoofdstuk weelde verre van zich houden. (20) De broeders, de echtgenote, de ouders en de vrienden die één zijn in de liefde, veranderen over een enkel muntje allen meteen in vijanden. (21) Zelfs maar voor een beetje geld geven ze, van streek en geïrriteerd, zich over aan de woede en geven ze het als een tegenstander die uit is op vernietiging, rap, in een oogwenk, op met het laten varen van de welgezindheid. (22) Met het hebben bereikt van de menselijke geboorte waar de onsterfelijken voor bidden en het in dat leven bereiken van de status van de beste der tweemaal geborenen, hebben ze, destructief wat betreft hun eigenbelang, daar geen waardering voor; ze zijn op weg naar een onzalige bestemming [zie ook B.G. 16: 19-20]. (23) Welke persoon die het tot dit menselijke bestaan heeft gebracht, deze toegang tot de hemel en de bevrijding, zou zich, met de dood voor ogen, nu hechten aan eigendom en zich ophouden in het rijk der betekenisloosheid? (24) Gelijk een geldbeluste yaksha niet delend met de aandeelhouders, te weten de grotere familie van de goden, de zieners, de voorvaderen, je verwanten, de levende wezens en jezelf, komt men ten val. (25) Wat nu kan ik, een oude man, bereiken in het zinloze streven naar geld, jeugd en kracht, waarin er gek van, mensen van onderscheid zich bemoeien perfect te zijn [zie B.G. 3: 35]? (26) Waarom zou een wijs mens constant moeten lijden onder het vruchteloze najagen van rijkdom; welzeker is iemand in deze wereld, vanwege haar begoochelende macht, hoogst verbijsterd. (27) Wat voor nut hebben de goederen of zij die ze verschaffen of wat zou het gebruik van de zinsobjecten voor nut hebben of de mensen die bevrediging schenken; of wat anders zou het voor nut hebben voor degene verkerend in de greep van de dood, om van het baatzuchtig handelen te zijn dat je alleen maar een volgende geboorte oplevert? (28) De Allerhoogste Heer, de Hoogste Persoonlijkheid die al de goden omvat, die mij tot deze toestand van onthechting heeft gebracht, is voorzeker, verheugd over mij, de boot voor de ziel [zie ook 11.17: 44]. (29) Met de tijd die me rest zal ik, om de tevredenheid in mezelf te vinden, zonder in de war te zijn over mijn ware eigenbelang, mijn lichaam [tot het minimale] beperken [zie ook 2.2: 3, 7.12: 6]. (30) Mogen de goden, de heersers over de drie werelden, in dezen verheugd zijn; was het niet Khathvânga die het in een enkel moment tot het spiritueel bereik bracht?'

(31) De Allerhoogste Heer zei: 'Aldus zich in de geest vindend werd de hoogst godvruchtige brahmaan van Avantî, de knopen in zijn hart losmakend, in vrede een stille bedelmonnik. (32) Hij trok alleen en onopvallend rond door de wijde wereld, en ging, hierin met zijn zelf, zijn zinnen en zijn levensadem beheerst [zie tri-danda], haar steden en dorpen binnen om te leven van de liefdadigheid. (33) Toen ze hem, inderdaad een oude vieze bedelaar, zagen, werd hij met menig een belediging onteerd door mensen van lagere komaf, mijn beste. (34) Sommigen van hen pakten de drievoudige staf van hem af, zijn bedelnap, zijn waterpot en zijn zitplaats, en sommigen grepen zijn gebedskralen en zijn gescheurde vodden, waarbij ze, ze tonend met het ze hem weer terug aanbieden, ze opnieuw weer van de wijze afpakten. (35) En op een rivieroever op het punt staand zijn deel te genieten van het voedsel dat hij had vergaard door zijn bedelen, urineerden de grote zondaars op hem en spuugden ze op zijn hoofd. (36) Hij die naar de gelofte van de stilte niet sprak maakten ze met hun woorden belachelijk zeggend 'Deze hier is een dief'; aldus zich uitlatend bonden ze hem met touwen vast terwijl sommigen daarbij uitriepen 'Bindt hem vast, knevel hem!'. (37) Sommigen kritiseerden hem beledigingen toeslingerend als 'Deze hier is een religieuze hypocriet, een bedrieger die, met het verloren hebben van zijn rijkdom en zijn uit de familie gezet zijn, zich hier maar op heeft toegelegd'. (38-39) 'Kijk eens hoe deze persoon machtig en standvastig als een massieve berg, met zijn stilte zijn doel nastrevend, zo vastbesloten is als een eend'. Sommigen dreven de spot aldus sprekend, terwijl anderen een kwalijke lucht lieten waaien en, hem in de ketenen slaand, de tweemaal geborene gevangen zetten als was hij een huisdier. (40) Aldus, als gevolg van andere levende wezens, als gevolg van hogere machten en te danken aan hemzelf, ertoe gedoemd te lijden onder dat alles [zie kles'a], begreep hij dat, wat hij ook op zijn weg vond, hem dat door zijn lot werd toebedeeld. (41) Beledigd door mensen van een lager allooi die hem ten val probeerden te brengen, zong hij, stevig vasthoudend aan zijn eigen plichtsbetrachting, vastbesloten in de goedheid, dit lied [zie ook B.G. 18: 33]:

(42) De tweemaal geborene zei: 'Deze mensen zijn niet de oorzaak van mijn geluk of ongeluk, noch zijn de halfgoden dat, mijn lichaam, de planeten, mijn karma of de tijd; het is, naar de heersende autoriteit [de s'ruti], niets dan de geest die de oorzaak is, het is de geest die er de oorzaak van is dat men ronddraait in de kringloop van het materiële leven. (43) De geest die inderdaad de geaardheden weerspiegelt is maar al te sterk door hen en door de verschillende soorten van witte [goedheid], rode [hartstocht] en zwarte [onwetendheid] handelingen waaruit zich de omstandigheden [de maatschappelijke klassen] opwerpen naar dezelfde kleuren. (44) De ziel die, zich naast de worstelende geest ophoudend, erbuiten staat [en de verlichting uitstraalt], mijn vriend, ziet van boven neer op de geest die met zijn beeld van de wereld de zinsobjecten omarmt; en in die bezigheid raakt hij gebonden in gehechtheid aan de geaardheden van de natuur [zie ook B.G. 3.42: 43]. (45) Liefdadigheid, het doen van je plicht, de niyama, de yama, het luisteren naar [de geschriften], de vrome werken en de zuivering door geloften, houden alle het onderwerpen van de geest in, met het opperste van de yoga, de verzonkenheid van de geest [samâdhi], als hun doel. (46) Zeg me wat er voor hem te bereiken valt wiens geest tot rust is gebracht, volmaakt verankerd door liefdadigheid en andere processen; en wat ook anders kan met deze processen van liefdadigheid en dergelijke worden bereikt als men verloren is met zijn geest niet onder controle? (47) Zolang we weten vielen anderen, de [zinnen en hun] goden bijvoorbeeld, al onder de controle van de geest en viel de geest nimmer onder de controle van ook maar iemand anders [dan de Allerhoogste]; angstwekkend als een god [Aniruddha] is hij overeenkomstig sterker dan de sterksten - waarlijk is Hij die de geest onder controle weet te krijgen de God der goden [zie ook B.G. 6: 35-36, *]. (48) Erin mislukkend die moeilijk te overwinnen vijand te onderwerpen [indien werelds betrokken, zie B.G. 6: 6] die in zijn aandrang zo onbeheersbaar kwelt en toeslaat, veroorzaken sommigen die om die reden volledig het spoor bijster zijn, onnodige tweestrijd, met de stervelingen in deze wereld vrienden, neutralen en rivalen zijnd. (49) Met het aanvaard hebben van het materiële lichaam als een deel van hun geest, in de zin van 'Ik' en 'Mijn', is het zo dat menselijke wezens verblind qua intelligentie door de moeilijk te boven te komen illusie van 'dit ben ik' en 'dat is iemand anders', rondwaren in duisternis. (50) Met het stellen dat [adhibhautika] deze mensen de oorzaak van mijn geluk en leed zouden zijn, welke ruimte biedt dit begrip dan aan de ziel; zij als zodanig behoren de aarde toe [en niet de ziel] - op wie moet je boos zijn als je tong toevallig wordt gebeten door je eigen tanden? (51) Als men zegt dat [adhidaivika] de goden verantwoordelijk zouden zijn voor het lijden wat heeft dat lijden dan met de ziel te maken; die pijn is geheel en al onderhevig aan verandering [terwijl de ziel dat niet is] - op wie ooit zou het levende wezen boos moeten zijn als het ene deel van zijn eigen lichaam het andere pijn doet? (52) Als de ziel zelf [adhyâtmika] de oorzaak zou zijn van het geluk en het leed, door wat anders dan door zijn eigen aard zou het dan in die optiek zo zijn; het is inderdaad zo dat er niets los staat van de ziel daar dat vals zou zijn - en op wie moet je boos zijn als er geen geluk en leed is [in de ziel die de getuige is, zie B.G. 2: 14]? (53) Als de planeten de oorzaak zouden zijn van geluk en leed, hoe zit het dan met de ziel die niet geboren wordt; zij hebben betrekking op dat wat geboren werd, zoals ze [de astrologen] het zeggen, de planeet verkeert enkel in moeilijkheden door andere planeten - op wie moet het levend wezen, onderscheiden van dat lichaam, dan kwaad worden? (54) Als we aannemen dat het karma de oorzaak is van geluk en leed, wat heeft dat karma dan voor de ziel te betekenen; zeker is dat de verlevigende persoon enerzijds en dit tot leven gewekte lichaam toegerust met bewustzijn dat [op zich zelf] niet leeft anderzijds, beiden niet de grondoorzaak van het karma zijn natuurlijk - op wie moet je dan kwaad zijn? (55) Als we zeggen dat de tijd de oorzaak van het geluk en het leed zou zijn, hoe zit het dan met de ziel in dat idee; de ziel behoort de tijd toe, zoals vuur de vlammen niet brandt of de sneeuw niet [te lijden heeft van koude] - op wie moet je kwaad worden als er geen dualiteit is met het allerhoogste [zie ook B.G. 18: 16 en tijdcitaten]? (56) Niet door wie dan ook, waar dan ook of op welke manier dan ook bestaat er voor hem, superieur door bovenzinnelijkheid, de invloed van de dualiteit waarin het valse ego zich opwerpt dat het materieel bestaan vorm geeft; hij wiens intelligentie aldus is ontwaakt heeft niets te vrezen van andere levende wezens. (57) Door de verering van de voeten van Mukunda zal ik de zo moeilijk over te steken oceaan van materiële onwetendheid oversteken; hiervan ben ik zeker bij de genade van de grote zieners uit het verleden [of de âcârya's] verankerd in de aanbidding van de Allerhoogste Ziel [zie ook B.G. 6: 1-2].'

(58) De Allerhoogste Heer zei: 'Met zijn rijkdom teloor gegaan onthecht rakend, zijn huis achter zich latend, vrij van neerslachtigheid de aarde bereizend en ondanks in dezen te zijn beledigd door schurken, zond de wijze niet verstek laten gaand in zijn plichten dit lied op. (59) Aangaande dat wat de ziel verdriet of leed bezorgt bestaat er niets buiten de geest, die begoocheld uit onwetendheid zich een materieel leven schiep van vrienden, neutralen en vijanden [zie ook 10.32: 17-22 en B.G. 9: 29]. (60) Daarom in alle opzichten, Mijn beste, breng met een intelligentie verzonken in Mij de geest onder controle en [bereik] aldus verbonden het volledige [het huwelijk, het alomvattende begrip] van de yoga [zie ook s'iks'âshthaka-vers 1]. (61) Wie dan ook die met volle aandacht mediteert op, anderen doet luisteren of zelf luistert naar dit [lied] gebaseerd op de kennis van het Absolute zoals gezongen door de bedelmonnik, zal voorzeker nimmer overweldigd zijn door de dualiteiten.'

 

 next        

 
 

 

 

Bronteksten (geen voorgaande versie in het Nederlands beschikbaar):

The Song of the Avantî Brâhmana

 

Tekst 1:

De zoon van Vyâsa zei: 'Toen Hij aldus respectvol er door Uddhava, de grootste van de toegewijden, toe was verzocht begon de leider der Dâs'ârha's wiens heldenmoed het zo waard is te bespreken, te praten, met lof voor de woorden van Zijn dienaar.

S'ukadeva Gosvâmî said - Lord Mukunda, the chief of the Dâs'ârhas, having thus been respectfully requested by the best of His devotees, S'rî Uddhava, first acknowledged the fitness of his servant's statements. Then the Lord, whose glorious exploits are most worthy of being heard, began to reply to him.

  

Tekst 2

De Allerhoogste Heer zei: 'O discipel van Brihaspati, er bestaat vrijwel geen brave ziel in deze wereld die in staat is zijn geest in bedwang te houden als die verstoord wordt door de beledigende woorden gebezigd door een slecht iemand.

Lord S'rî Krishna said: O disciple of Brihaspati, there is virtually no saintly man in this world capable of resettling his own mind after it has been disturbed by the insulting words of uncivilized men.

 

Tekst 3

Een persoon wordt niet zo pijnlijk getroffen met pijlen die zijn hart doorboren, als dat hij getroffen wordt door het met zich mee moeten dragen van de pijlen van ruwe woorden van onwaarachtige mensen.

Sharp arrows which pierce one's chest and reach the heart do not cause as much suffering as the arrows of harsh, insulting words that become lodged within the heart when spoken by uncivilized men.

 

Tekst 4

In dit opzicht Uddhava, wordt er een allerstichtelijkst verhaal verteld, alsjeblieft luister met grote aandacht als Ik je het uit de doeken doe.

My dear Uddhava, in this regard a most pious story is told, and I shall now describe it to you. Please listen with careful attention.

 

Tekst 5

Er werd verslag van gedaan door een bedelmonnik die, beledigd als hij was door slechte mensen, zijn kalmte bewarend, het herinnerde als het gevolg van zijn daden in het verleden.

Once a certain sannyâsî was insulted in many ways by impious men. However, with determination he remembered that he was suffering the fruit of his own previous karma. I will narrate to you his story and that which he spoke.

 

 Tekst 6

In Avantî [in het district Malwa] leefde er eens een zekere brahmaan die het zeer goed had met veel rijkdom door zijn brood te verdienen met zaken doen; maar hij was een miserabel mens vol van lust en hebzucht, geneigd in woede te vervallen [zie ook B.G. 2: 49].

In the country of Avantî there once lived a certain brâhmana who was very rich and gifted with all opulences, and who was engaged in the occupation of commerce. But he was a miserly person - lusty, greedy and very prone to anger.

 

 Tekst 7

Voor zijn verwanten en gasten was hij zelfs niet in woorden van respect met het, met zijn gebrek aan religiositeit, zich ook niet op de juiste tijdstippen bekommeren om zijn eigen noden.

In his home, devoid of religiosity and lawful sense gratification, the family members and guests were never properly respected, even with words. He would not even allow sufficient gratification for his own body at the suitable times.

 

Tekst 8

Met hem zo slecht van manieren ontwikkelden zijn zoons, aangetrouwde familie, zijn vrouw, dochters en bedienden vijandschap jegens de ellendeling, hem in afkeer hun genegenheid onthoudend.

Since he was so hardhearted and miserly, his sons, in-laws, wife, daughters and servants began to feel inimical toward him. Becoming disgusted, they would never treat him with affection.

 

Tekst 9

Op deze manier in het dharma en het plezier tekort schietend werden de vijf eisers van het geofferde [pañca-bhâga], met die obsessieve schatbewaarder die voor beide werelden verstek liet gaan [deze en de volgende], boos op hem.

In this way the presiding deities of the five family sacrifices became angry at the brâhmana, who, being niggardly, guarded his wealth like a Yaksha, who had no good destination either in this world or the next, and who was totally deprived of religiosity and sense enjoyment.

 

Tekst 10

Door hen te verwaarlozen putte hij zijn vrome tegoed uit, o grootmoedige, en al de weelde waar hij zich met zo veel moeite voor had ingespannen ging verloren.

O magnanimous Uddhava, by his neglect of these demigods he depleted his stock of piety and all his wealth. The accumulation of his repeated exhaustive endeavors was totally lost.

 

 Tekst 11

Slechts in naam een brahmaan zijnde werd een deel ervan weggenomen door zijn verwanten, een deel door dieven, Uddhava, een deel door de voorzienigheid, een deel door de tijd, een deel door de gewone man en een deel door het hoger geplaatste gezag [zie ook 10.49: 22].

Some of the wealth of this so-called brâhmana was taken away by his relatives, My dear Uddhava, some by thieves, some by the whims of providence, some by the effects of time, some by ordinary men and some by government authorities.

 

Tekst 12

Toen hij verstoken van religiositeit en liefde aldus zijn eigendom was kwijt geraakt, deed zich, verwaarloosd als hij was door zijn familie, zich een zwaar te dragen zorgelijkheid bij hem voor.

Finally, when his property was completely lost, he who never engaged in religiosity or sense enjoyment became ignored by his family members. Thus he began to feel unbearable anxiety.

 

Tekst 13

In hem die voor een lange tijd verstikt in tranen in zijn leed de verloren rijkdom betreurde, rees toen een grootse minachting voor wereldse zaken op.

Having lost all his wealth, he felt great pain and lamentation. His throat choked up with tears, and he meditated for a long time on his fortune. Then a powerful feeling of renunciation came over him.

  

Tekst 14

Hij zei toen hiertoe: 'Helaas, hoe pijnlijk mezelf zo te bemoeien met al dit gezwoeg dat noch het genoegen, noch de liefde van God tot dienst is.

The brâhmana spoke as follows - O what great misfortune! I have simply tormented myself uselessly, struggling so hard for money that was not even intended for religiosity or material enjoyment.

 

Tekst 15

Over het algemeen resulteren de kostbare zaken van ellendelingen nooit en te nimmer in enig geluk: in dit leven leiden ze tot een kwelling en met degene die stierf voeren ze tot de hel.

Generally, the wealth of misers never allows them any happiness. In this life it causes their self-torment, and when they die it sends them to hell.

 

 Tekst 16

Welke zuivere roem de beroemdheden ook mogen genieten of welke lofwaardige kwaliteiten er ook zouden zijn met de deugdzamen, zelfs dezen gaan teloor met slechts een klein beetje hebzucht, precies als wat witte lepra doet met een bekoorlijke, lichamelijke schoonheid.

Whatever pure fame is possessed by the famous and whatever praiseworthy qualities are found in the virtuous are destroyed by even a small amount of greed, just as one's attractive physical beauty is ruined by a trace of white leprosy.

 

Tekst 17

In het realiseren, de opbouw, het beschermen, spenderen, het verlies en de vreugde van het geld verdienen, bestaat er voor de mens arbeid, angst, zorgelijkheid en verwarring.

In the earning, attainment, increase, protection, expense, loss and enjoyment of wealth, all men experience great labor, fear, anxiety and delusion.

  

 Tekst 18-19

Diefstal, geweld, leugens, dubbelhartigheid, lust, woede, verbijstering, trots, onenigheid, vijandschap, een gebrek aan geloof, wedijver en [de drie] gevaren [van bedwelming, promiscuïteit en gokken [zie ook 1.17: 24]: dit zijn de vijftien die men inderdaad kent als de ongewenste zaken gebaseerd op rijkdom; derhalve moet degene die het uiteindelijke voordeel in het leven wil behalen het onwenselijke vallend onder het hoofdstuk weelde verre van zich houden.

Theft, violence, speaking lies, duplicity, lust, anger, perplexity, pride, quarreling, enmity, faithlessness, envy and the dangers caused by women, gambling and intoxication are the fifteen undesirable qualities that contaminate men because of greed for wealth. Although these qualities are undesirable, men falsely ascribe value to them. One desiring to achieve the real benefit of life should therefore remain aloof from undesirable material wealth.

 

 Tekst 2o

De broeders, de echtgenote, de ouders en de vrienden die één zijn in de liefde, veranderen over een enkel muntje allen meteen in vijanden.

Even a man's brothers, wife, parents and friends united with him in love will immediately break off their affectionate relationships and become enemies over a single coin.

 

 Tekst 21

Zelfs maar voor een beetje geld geven ze, van streek en geïrriteerd, zich over aan de woede en geven ze het als een tegenstander die uit is op vernietiging, rap, in een oogwenk, op met het laten varen van de welgezindheid.

For even a small amount of money these relatives and friends become very agitated and their anger is inflamed. Acting as rivals, they quickly give up all sentiments of goodwill and will reject one at a moment's notice, even to the point of committing murder.

 

 Tekst 22

Met het hebben bereikt van de menselijke geboorte waar de onsterfelijken voor bidden en het in dat leven bereiken van de status van de beste der tweemaal geborenen, hebben ze, destructief wat betreft hun eigenbelang, daar geen waardering voor; ze zijn op weg naar een onzalige bestemming [zie ook B.G. 16: 19-20].

Those who obtain human life, which is prayed for even by the demigods, and in that human birth become situated as first-class brâhmanas, are extremely fortunate. If they disregard this important opportunity, they are certainly killing their own self-interest and thus achieve a most unfortunate end.

 

 Tekst 23

Welke persoon die het tot dit menselijke bestaan heeft gebracht, deze toegang tot de hemel en de bevrijding, zou zich, met de dood voor ogen, nu hechten aan eigendom en zich ophouden in het rijk der betekenisloosheid?

What mortal man, having achieved this human life, which is the very gateway to both heaven and liberation, would willingly become attached to that abode of worthlessness, material property?

 

 Tekst 24

Gelijk een geldbeluste yaksha niet delend met de aandeelhouders, te weten de grotere familie van de goden, de zieners, de voorvaderen, je verwanten, de levende wezens en jezelf, komt men ten val.

One who fails to distribute his wealth to the proper shareholders - the demigods, sages, forefathers and ordinary living entities, as well as his immediate relatives, in-laws and own self - is maintaining his wealth simply like a Yaksha and will fall down.

 

 Tekst 25

Wat nu kan ik, een oude man, bereiken in het zinloze streven naar geld, jeugd en kracht, waarin er gek van, mensen van onderscheid zich bemoeien perfect te zijn [zie B.G. 3: 35]?

Discriminating persons are able to utilize their money, youth and strength to achieve perfection. But I have feverishly squandered these in the useless endeavor for further wealth. Now that I am an old man, what can I achieve?

 

Tekst 26

Waarom zou een wijs mens constant moeten lijden onder het vruchteloze najagen van rijkdom; welzeker is iemand in deze wereld, vanwege haar begoochelende macht, hoogst verbijsterd.

Why must an intelligent man suffer by his constant vain efforts to get wealth? Indeed, this whole world is most bewildered by someone's illusory potency.

 

 Tekst 27

Wat voor nut hebben de goederen of zij die ze verschaffen of wat zou het gebruik van de zinsobjecten voor nut hebben of de mensen die bevrediging schenken; of wat anders zou het voor nut hebben voor degene verkerend in de greep van de dood, om van het baatzuchtig handelen te zijn dat je alleen maar een volgende geboorte oplevert?

For one who is in the grips of death, what is the use of wealth or those who offer it, sense gratification or those who offer it, or, for that matter, any type of fruitive activity, which simply causes one to again take birth in the material world?

 

 Tekst 28

De Allerhoogste Heer, de Hoogste Persoonlijkheid die al de goden omvat, die mij tot deze toestand van onthechting heeft gebracht, is voorzeker, verheugd over mij, de boot voor de ziel [zie ook 11.17: 44].

The Supreme Personality of Godhead, Lord Hari, who contains within Himself all the demigods, must be satisfied with me. Indeed, He has brought me to this suffering condition and forced me to experience detachment, which is the boat to carry me over this ocean of material life.

 

 Tekst 29

Met de tijd die me rest zal ik, om de tevredenheid in mezelf te vinden, zonder in de war te zijn over mijn ware eigenbelang, mijn lichaam [tot het minimale] beperken [zie ook 2.2: 3, 7.12: 6].

If there is any time remaining in my life, I will perform austerities and force my body to subsist on the bare necessities. Without further confusion I shall pursue that which constitutes my entire self-interest in life, and I shall remain satisfied within the self.

 

 Tekst 30

Mogen de goden, de heersers over de drie werelden, in dezen verheugd zijn; was het niet Khathvânga die het in een enkel moment tot het spiritueel bereik bracht?'

Thus may the presiding demigods of these three worlds kindly show their mercy upon me. Indeed, Mahârâja Khathvânga was able to achieve the spiritual world in a single moment.

 

 Tekst 31

De Allerhoogste Heer zei: 'Aldus zich in de geest vindend werd de hoogst godvruchtige brahmaan van Avantî, de knopen in zijn hart losmakend, in vrede een stille bedelmonnik.

Lord S'rî Krishna continued - His mind thus determined, that most excellent Avantî brâhmana was able to untie the knots of desire within his heart. He then assumed the role of a peaceful and silent sannyâsî mendicant.

 

 Tekst 32

Hij trok alleen en onopvallend rond door de wijde wereld, en ging, hierin met zijn zelf, zijn zinnen en zijn levensadem beheerst [zie tri-danda], haar steden en dorpen binnen om te leven van de liefdadigheid.

He wandered about the earth, keeping his intelligence, senses and life air under control. To beg charity he traveled alone to various cities and villages. He did not advertise his advanced spiritual position and thus was not recognized by others.

 

  Tekst 33

Toen ze hem, inderdaad een oude vieze bedelaar, zagen, werd hij met menig een belediging onteerd door mensen van lagere komaf, mijn beste.

O kind Uddhava, seeing him as an old, dirty beggar, rowdy persons would dishonor him with many insults.

 

 Tekst 34

Sommigen van hen pakten de drievoudige staf van hem af, zijn bedelnap, zijn waterpot en zijn zitplaats, en sommigen grepen zijn gebedskralen en zijn gescheurde vodden, waarbij ze, ze tonend met het ze hem weer terug aanbieden, ze opnieuw weer van de wijze afpakten.

Some of these persons would take away his sannyâsî rod, and some the waterpot which he was using as a begging bowl. Some took his deerskin seat, some his chanting beads, and some would steal his torn, ragged clothing. Displaying these things before him, they would pretend to offer them back but would then hide them again.

 

 Tekst 35

En op een rivieroever op het punt staand zijn deel te genieten van het voedsel dat hij had vergaard door zijn bedelen, urineerden de grote zondaars op hem en spuugden ze op zijn hoofd.

When he was sitting on the bank of a river about to partake of the food that he had collected by his begging, such sinful rascals would come and pass urine on it, and they would dare to spit on his head.

  

 Tekst 36

Hij die naar de gelofte van de stilte niet sprak maakten ze met hun woorden belachelijk zeggend 'Deze hier is een dief'; aldus zich uitlatend bonden ze hem met touwen vast terwijl sommigen daarbij uitriepen 'Bindt hem vast, knevel hem!'.

Although he had taken a vow of silence, they would try to make him speak, and if he did not speak they would beat him with sticks. Others would chastise him, saying, 'This man is just a thief.' And others would bind him up with rope, shouting, 'Tie him up! Tie him up!î

 

 Tekst 37

Sommigen kritiseerden hem beledigingen toeslingerend als 'Deze hier is een religieuze hypocriet, een bedrieger die, met het verloren hebben van zijn rijkdom en zijn uit de familie gezet zijn, zich hier maar op heeft toegelegd'.

They would criticize and insult him, saying, 'This man is just a hypocrite and a cheat. He makes a business of religion simply because he lost all his wealth and his family threw him out.'

 

  Tekst 38-39

'Kijk eens hoe deze persoon machtig en standvastig als een massieve berg, met zijn stilte zijn doel nastrevend, zo vastbesloten is als een eend'. Sommigen dreven de spot aldus sprekend, terwijl anderen een kwalijke lucht lieten waaien en, hem in de ketenen slaand, de tweemaal geborene gevangen zetten als was hij een huisdier.

Some would ridicule him by saying, 'Just see this greatly powerful sage! He is as steadfast as the Himalaya Mountains. By practice of silence he strives for his goal with great determination, just like a duck.' Other persons would pass foul air upon him, and sometimes others would bind this twice-born brâhmana in chains and keep him captive like a pet animal.

 

 Tekst 40

Aldus, als gevolg van andere levende wezens, als gevolg van hogere machten en te danken aan hemzelf, ertoe gedoemd te lijden onder dat alles [zie kles'a], begreep hij dat, wat hij ook op zijn weg vond, hem dat door zijn lot werd toebedeeld.

The brâhmana understood that all his suffering - from other living beings, from the higher forces of nature and from his own body - was unavoidable, being allotted to him by providence.

 

 Tekst 41

Beledigd door mensen van een lager allooi die hem ten val probeerden te brengen, zong hij, stevig vasthoudend aan zijn eigen plichtsbetrachting, vastbesloten in de goedheid, dit lied [zie ook B.G. 18: 33]:

Even while being insulted by these low-class men who were trying to effect his downfall, he remained steady in his spiritual duties. Fixing his resolution in the mode of goodness, he began to chant the following song.

 

 Tekst 42

De tweemaal geborene zei: 'Deze mensen zijn niet de oorzaak van mijn geluk of ongeluk, noch zijn de halfgoden dat, mijn lichaam, de planeten, mijn karma of de tijd; het is, naar de heersende autoriteit [de s'ruti], niets dan de geest die de oorzaak is, het is de geest die er de oorzaak van is dat men ronddraait in de kringloop van het materiële leven.

The brâhmana said: These people are not the cause of my happiness and distress. Neither are the demigods, my own body, the planets, my past work, or time. Rather, it is the mind alone that causes happiness and distress and perpetuates the rotation of material life.

 

 Tekst 43

De geest die inderdaad de geaardheden weerspiegelt is maar al te sterk door hen en door de verschillende soorten van witte [goedheid], rode [hartstocht] en zwarte [onwetendheid] handelingen waaruit zich de omstandigheden [de maatschappelijke klassen] opwerpen naar dezelfde kleuren.

The powerful mind actuates the functions of the material modes, from which evolve the different kinds of material activities in the modes of goodness, ignorance and passion. From the activities in each of these modes develop the corresponding statuses of life.

 

 Tekst 44

De ziel die, zich naast de worstelende geest ophoudend, erbuiten staat [en de verlichting uitstraalt], mijn vriend, ziet van boven neer op de geest die met zijn beeld van de wereld de zinsobjecten omarmt; en in die bezigheid raakt hij gebonden in gehechtheid aan de geaardheden van de natuur [zie ook B.G. 3.42: 43].

Although present along with the struggling mind within the material body, the Supersoul is not endeavoring, because He is already endowed with transcendental enlightenment. Acting as my friend, He simply witnesses from His transcendental position. I, the infinitesimal spirit soul, on the other hand, have embraced this mind, which is the mirror reflecting the image of the material world. Thus I have become engaged in enjoying objects of desire and am entangled due to contact with the modes of nature.

 

 Tekst 45

Liefdadigheid, het doen van je plicht, de niyama, de yama, het luisteren naar [de geschriften], de vrome werken en de zuivering door geloften, houden alle het onderwerpen van de geest in, met het opperste van de yoga, de verzonkenheid van de geest [samâdhi], als hun doel.

Charity, prescribed duties, observance of major and minor regulative principles, hearing from scripture, pious works and purifying vows all have as their final aim the subduing of the mind. Indeed, concentration of the mind on the Supreme is the highest yoga.

 

 Tekst 46

Zeg me wat er voor hem te bereiken valt wiens geest tot rust is gebracht, volmaakt verankerd door liefdadigheid en andere processen; en wat ook anders kan met deze processen van liefdadigheid en dergelijke worden bereikt als men verloren is met zijn geest niet onder controle?

If one's mind is perfectly fixed and pacified, then tell me what need does one have to perform ritualistic charity and other pious rituals? And if one's mind remains uncontrolled, lost in ignorance, then of what use are these engagements for him?

 

 Tekst 47

Zolang we weten vielen anderen, de [zinnen en hun] goden bijvoorbeeld, al onder de controle van de geest en viel de geest nimmer onder de controle van ook maar iemand anders [dan de Allerhoogste]; angstwekkend als een god [Aniruddha] is hij overeenkomstig sterker dan de sterksten - waarlijk is Hij die de geest onder controle weet te krijgen de God der goden [zie ook B.G. 6: 35-36, *].

All the senses have been under the control of the mind since time immemorial, and the mind himself never comes under the sway of any other. He is stronger than the strongest, and his godlike power is fearsome. Therefore, anyone who can bring the mind under control becomes the master of all the senses.

 

 Tekst 48

Erin mislukkend die moeilijk te overwinnen vijand te onderwerpen [indien werelds betrokken, zie B.G. 6: 6] die in zijn aandrang zo onbeheersbaar kwelt en toeslaat, veroorzaken sommigen die om die reden volledig het spoor bijster zijn, onnodige tweestrijd, met de stervelingen in deze wereld vrienden, neutralen en rivalen zijnd.

Failing to conquer this irrepressible enemy, the mind, whose urges are intolerable and who torments the heart, many people are completely bewildered and create useless quarrel with others. Thus they conclude that other people are either their friends, their enemies or parties indifferent to them.

 

 Tekst 49

Met het aanvaard hebben van het materiële lichaam als een deel van hun geest, in de zin van 'Ik' en 'Mijn', is het zo dat menselijke wezens verblind qua intelligentie door de moeilijk te boven te komen illusie van 'dit ben ik' en 'dat is iemand anders', rondwaren in duisternis.

Persons who identify with this body, which is simply the product of the material mind, are blinded in their intelligence, thinking in terms of 'I' and 'mine.' Because of their illusion of 'this is I, but that is someone else,' they wander in endless darkness.

 

 Tekst 50

Met het stellen dat [adhibhautika] deze mensen de oorzaak van mijn geluk en leed zouden zijn, welke ruimte biedt dit begrip dan aan de ziel; zij als zodanig behoren de aarde toe [en niet de ziel] - op wie moet je boos zijn als je tong toevallig wordt gebeten door je eigen tanden?

If you say that these people are the cause of my happiness and distress, then where is the place of the soul in such a conception? This happiness and distress pertain not to the soul but to the interactions of material bodies. If someone bites his tongue with his own teeth, at whom can he become angry in his suffering?

 

 Tekst 51

Als men zegt dat [adhidaivika] de goden verantwoordelijk zouden zijn voor het lijden wat heeft dat lijden dan met de ziel te maken; die pijn is geheel en al onderhevig aan verandering [terwijl de ziel dat niet is] - op wie ooit zou het levende wezen boos moeten zijn als het ene deel van zijn eigen lichaam het andere pijn doet?

If you say that the demigods who rule the bodily senses cause suffering, still, how can such suffering apply to the spirit soul? This acting and being acted upon are merely interactions of the changeable senses and their presiding deities. When one limb of the body attacks another, with whom can the person in that body be angry?

 

 Tekst 52

Als de ziel zelf [adhyâtmika] de oorzaak zou zijn van het geluk en het leed, door wat anders dan door zijn eigen aard zou het dan in die optiek zo zijn; het is inderdaad zo dat er niets los staat van de ziel daar dat vals zou zijn - en op wie moet je boos zijn als er geen geluk en leed is [in de ziel die de getuige is, zie B.G. 2: 14]?

If the soul himself were the cause of happiness and distress, then we could not blame others, since happiness and distress would be simply the nature of the soul. According to this theory, nothing except the soul actually exists, and if we were to perceive something besides the soul, that would be illusion. Therefore, since happiness and distress do not actually exist in this concept, why become angry at oneself or others?

 

 Tekst 53

Als de planeten de oorzaak zouden zijn van geluk en leed, hoe zit het dan met de ziel die niet geboren wordt; zij hebben betrekking op dat wat geboren werd, zoals ze [de astrologen] het zeggen, de planeet verkeert enkel in moeilijkheden door andere planeten - op wie moet het levend wezen, onderscheiden van dat lichaam, dan kwaad worden?

And if we examine the hypothesis that the planets are the immediate cause of suffering and happiness, then also where is the relationship with the soul, who is eternal? After all, the effect of the planets applies only to things that have taken birth. Expert astrologers have moreover explained how the planets are only causing pain to each other. Therefore, since the living entity is distinct from these planets and from the material body, against whom should he vent his anger?

 

Tekst 54

Als we aannemen dat het karma de oorzaak is van geluk en leed, wat heeft dat karma dan voor de ziel te betekenen; zeker is dat de verlevigende persoon enerzijds en dit tot leven gewekte lichaam toegerust met bewustzijn dat [op zich zelf] niet leeft anderzijds, beiden niet de grondoorzaak van het karma zijn natuurlijk - op wie moet je dan kwaad zijn?

If we assume that fruitive work is the cause of happiness and distress, we still are not dealing with the soul. The idea of material work arises when there is a spiritual actor who is conscious and a material body that undergoes the transformation of happiness and distress as a reaction to such work. Since the body has no life, it cannot be the actual recipient of happiness and distress, nor can the soul, who is ultimately completely spiritual and aloof from the material body. Since karma thus has no ultimate basis in either the body or the soul, at whom can one become angry?

 

Tekst 55

Als we zeggen dat de tijd de oorzaak van het geluk en het leed zou zijn, hoe zit het dan met de ziel in dat idee; de ziel behoort de tijd toe, zoals vuur de vlammen niet brandt of de sneeuw niet [te lijden heeft van koude] - op wie moet je kwaad worden als er geen dualiteit is met het allerhoogste [zie ook B.G. 18: 16 en tijdcitaten]?

If we accept time as the cause of happiness and distress, that experience still cannot apply to the spirit soul, since time is a manifestation of the Lord's spiritual potency and the living entities are also expansions of the Lord's spiritual potency manifesting through time. Certainly a fire does not burn its own flames or sparks, nor does the cold harm its own snowflakes or hail. In fact, the spirit soul is transcendental and beyond the experience of material happiness and distress. At whom, therefore, should one become angry?

 

Tekst 56

Niet door wie dan ook, waar dan ook of op welke manier dan ook bestaat er voor hem, superieur door bovenzinnelijkheid, de invloed van de dualiteit waarin het valse ego zich opwerpt dat het materieel bestaan vorm geeft; hij wiens intelligentie aldus is ontwaakt heeft niets te vrezen van andere levende wezens.

The false ego gives shape to illusory material existence and thus experiences material happiness and distress. The spirit soul, however, is transcendental to material nature; he can never actually be affected by material happiness and distress in any place, under any circumstance or by the agency of any person. A person who understands this has nothing whatsoever to fear from the material creation.

 

Tekst 57

Door de verering van de voeten van Mukunda zal ik de zo moeilijk over te steken oceaan van materiële onwetendheid oversteken; hiervan ben ik zeker bij de genade van de grote zieners uit het verleden [of de âcârya's] verankerd in de aanbidding van de Allerhoogste Ziel [zie ook B.G. 6: 1-2].'

I shall cross over the insurmountable ocean of nescience by being firmly fixed in the service of the lotus feet of Krishna. This was approved by the previous âcâryas, who were fixed in firm devotion to the Lord, Paramâtmâ, the Supreme Personality of Godhead.

 

Tekst 58

De Allerhoogste Heer zei: 'Met zijn rijkdom teloor gegaan onthecht rakend, zijn huis achter zich latend, vrij van neerslachtigheid de aarde bereizend en ondanks in dezen te zijn beledigd door schurken, zond de wijze niet verstek laten gaand in zijn plichten dit lied op.

Lord S'rî Krishna said: Thus becoming detached upon the loss of his property, this sage gave up his moroseness. He left home, taking sannyâsa, and began to travel about the earth. Even when insulted by foolish rascals he remained unswerved from his duty and chanted this song.

 

Tekst 59

Aangaande dat wat de ziel verdriet of leed bezorgt bestaat er niets buiten de geest, die begoocheld uit onwetendheid zich een materieel leven schiep van vrienden, neutralen en vijanden [zie ook 10.32: 17-22 en B.G. 9: 29].

No other force besides his own mental confusion makes the soul experience happiness and distress. His perception of friends, neutral parties and enemies and the whole material life he builds around this perception are simply created out of ignorance.

 

Tekst 60

Daarom in alle opzichten, Mijn beste, breng met een intelligentie verzonken in Mij de geest onder controle en [bereik] aldus verbonden het volledige [het huwelijk, het alomvattende begrip] van de yoga [zie ook s'iks'âshthaka-vers 1].

My dear Uddhava, fixing your intelligence on Me, you should thus completely control the mind. This is the essence of the science of yoga.

 

Tekst 61

Wie dan ook die met volle aandacht mediteert op, anderen doet luisteren of zelf luistert naar dit [lied] gebaseerd op de kennis van het Absolute zoals gezongen door de bedelmonnik, zal voorzeker nimmer overweldigd zijn door de dualiteiten.'

Anyone who listens to or recites to others this song of the sannyâsî, which presents scientific knowledge of the Absolute, and who thus meditates upon it with full attention, will never again be overwhelmed by the dualities of material happiness and distress.

 

*: Sommigen denken dat de essentie van de yoga eruit bestaat de geest helemaal te stoppen, maar Krishna benadrukt in dit hoofdstuk duidelijk dat het om de controle gaat, niet zo zeer het stoppen. Dat stoppen is een impersonalistische mâyâvâda-boeddhistische techniek om je op je essentie te concentreren en vormt een bewust gecreëerde illusie [zie Boeddhisme]. Neti-neti zeggend zoals Prahlâda b.v. zal de geest zich inderdaad concentreren op de essentie hetgeen nou juist de geest uitbouwt, bevordert, in die richting. Aldus neemt met het stoppen van het op de wereld betrokken denken, de ware bezigheid van de geest in gebeden en filosofie zijn aanvang. Niet op de siddhi's afgaand, de mystieke perfecties, moet de geest zo ingezet worden voor de Fortuinlijke, voor Krishna, middels het zich concentreren op Zijn namen, mantra's en verhalen; door s'ravanam, kîrtanam etc. moet men leren te luisteren, te zingen en te volgen naar de schrift, de goeroe en de mede-gelovigen. De eerste twee yoga sûtra's I.1&2 atha yogânus'ânamam, yogah citta vritti nirodah, moeten worden vertaald met 'nu, als de les van de yoga, ga het gepieker tegen van de geest over wereldse zaken' en niet met 'de yogales nu bestaat er uit de werking van de geest te stoppen'. Natuurlijk moet je je verstand gebruiken, je geest inzetten in gehoorzaamheid aan de Heilige Geest, naar de stem van God; de geest is per slot van rekening een aspect van het goddelijke bestuurd door Aniruddha in de catur vyuha (zie ook vritti en siddhi).

 

 

 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties