
Bronteksten
(geen voorgaande versie in het Nederlands beschikbaar):
Lord
Krishna Instructs Vasudeva and Retrieves Devakî's
Sons
Tekst
1:
De zoon van
Vyâsa zei: 'Toen, kwamen op een dag Sankarshana en
Acyuta, de twee zoons van Vasudeva, naar hem toe die, nadat Ze
zijn voeten hadden geëerd, Hen begroette en vol liefde
toesprak.
S'rî
Bâdarâyani said: One day the two sons of
Vasudeva - Sankarshana and Acyuta - came to pay him
respects, bowing down at his feet. Vasudeva greeted Them
with great affection and spoke to Them.
Tekst
2:
Na de woorden
van de wijzen te hebben gehoord met betrekking tot de vermogens
van zijn twee zoons, had zich bij hem aangaande hun dappere
daden de overtuiging ontwikkeld en zei hij, Ze bij hun naam
aansprekend:
Having
heard the great sages' words concerning the power of his two
sons, and having seen Their valorous deeds, Vasudeva became
convinced of Their divinity. Thus, addressing Them by name,
he spoke to Them as follows.
Tekst
3:
'Krishna,
o Krishna, o greatest yogi, o eternal Sankarshana, I know You
two are directly the primary nature [or
pradhâna]
and male principle [the purusha
or person] out here.
[Vasudeva
said:] O Krishna, Krishna, best of yogîs, O
eternal Sankarshana! I know that You two are personally the
source of universal creation and the ingredients of creation
as well.
Tekst
4:
Wat, hoe en
wanneer ook, in, door, van, met of voor dit [universum]
zijn bestaan vindt, is allemaal rechtstreeks de Overweger, de
Allerhoogste Heer, de oorspronkelijke natuur en
persoon,
You
are the Supreme Personality of Godhead, who manifest as the
Lord of both nature and the creator of nature
[Mahâ-Vishnu]. Everything that comes into
existence, however and whenever it does so, is created
within You, by You, from You, for You and in relation to
You.
Tekst
5:
Dit gevarieerde
universum van Jezelf, o Heer van het Voorbije, handhaaf Jij, o
Ongeborene, het met Jezelf binnengaand, als de Opperziel en het
principe van vitaliteit en individualiteit.
O
transcendental Lord, from Yourself You created this entire
variegated universe, and then You entered within it in Your
personal form as the Supersoul. In this way, O unborn
Supreme Soul, as the life force and consciousness of
everyone, You maintain the creation.
Tekst
6:
Van beide
[levende en niet levende] bestaansvormen welke,
verschillend als ze zijn, allen behorend tot het Allerhoogste
dus afhankelijk zijn, ben Jij de Ene die de creatieve factoren
en vermogens van de levensadem en dat alles in het universum in
beweging brengt [zie ook 2.5:
32-33].
Whatever
potencies the life air and other elements of universal
creation exhibit are actually all personal energies of the
Supreme Lord, for both life and matter are subordinate to
Him and dependent on Him, and also different from one
another. Thus everything active in the material world is set
into motion by the Supreme Lord.
Tekst
7:
De gloed, de
glans, de helderheid, het afzonderlijke van de maan, het vuur,
de zon, de sterren en de bliksem [B.G.
15: 12],
het permanente van de bergen en de geur en ondersteunende
kracht van de aarde, zijn allen in waarheid
Jijzelf.
The
glow of the moon, the brilliance of fire, the radiance of
the sun, the twinkling of the stars, the flash of lightning,
the permanence of mountains and the aroma and sustaining
power of the earth - all these are actually You.
Tekst
8:
Het lessen, het
levenbrengende van water als ook het water zelf en haar smaak
ben Jij o Heer; o Beheerser, het Jouwe is de lichaamswarmte, de
levenskracht geestelijk en fysiek, de inzet en de beweging
[allen naar verluid] van de lucht [zie ook
B.G.
11: 39].
My
Lord, You are water, and also its taste and and its
capacities to quench thirst and sustain life. You exhibit
Your potencies through the manifestations of the air as
bodily warmth, vitality, mental power, physical strength,
endeavor and movement.
Tekst
9
Jij bent de
richtingen hun bereiken, de ether alom, het elementaire geluid
daar gevestigd, de oerklank die de lettergreep AUM vormt en
zijn differentiatie in bepaalde vormen [van taal, zie ook
B.G.
7: 8].
You
are the directions and their accommodating capacity, the
all-pervading ether and the elemental sound residing within
it. You are the primeval, unmanifested form of sound; the
first syllable, om; and audible speech, by which sound, as
words, acquires particular references.
Tekst
10
Jij bent van de
zinnen de macht van het waarnemen, hun goden
[3.12:
26] en van
hen de genade; Jij bent van de intelligentie de macht te
beslissen en van het levend wezen het vermogen tot correct
herinneren [B.G.
7: 10
15:
15].
You
are the power of the senses to reveal their objects, the
senses' presiding demigods, and the sanction these demigods
give for sensory activity. You are the capacity of the
intelligence for decision-making, and the living being's
ability to remember things accurately.
Tekst
11
Jij, de
Veroorzaker aan Allen vooraf, bent de bron van de stoffelijke
elementen [tamas], de hartstochten der zinnen
[rajas] en de emoties veranderend met de keuze aan
goden [sattva, zie ook B.G.
14].
You
are false ego in the mode of ignorance, which is the source
of the physical elements; false ego in the mode of passion,
which is the source of the bodily senses; false ego in the
mode of goodness, which is the source of the demigods; and
the unmanifest, total material energy, which underlies
everything.
Tekst
12
Onder de
bestaansvormen onderworpen aan vernietiging in deze wereld ben
Jij de onvergankelijke, precies zoals de grondstof dat is in
verhouding tot haar transformaties.
You
are the one indestructible entity among all the destructible
things of this world, like the underlying substance that is
seen to remain unchanged while the things made from it
undergo transformations.
Tekst
13
De geaardheden
der goedheid, hartstocht en onwetendheid en hun functies zijn
op deze manier binnen in Jou, binnen de Allerhoogste Absolute
Waarheid, gereguleerd door het inwendig vermogen [de
yogamâyâ van Je spel en
vermaak].
The
modes of material nature - namely goodness, passion and
ignorance - together with all their functions, become
directly manifest within You, the Supreme Absolute Truth, by
the arrangement of Your Yogamâyâ.
Tekst
14
Op basis
daarvan worden deze bestaansvormen niet [werkelijk]
vernietigd als ze - andere keren inderdaad niet materieel
zijnde - geconditioneerd in Jou als voortbrengselen van de
schepping, Jou ook in zich hebben [als een gelover, als
caitanya,
een nitya-mukta
bewuste ziel of jivâtmâ,
zie B.G
2: 12,
9:
4-5 &
8:
19].
Thus
these created entities, transformations of material nature,
do not exist except when material nature manifests them
within You, at which time You also manifest within them. But
aside from such periods of creation, You stand alone as the
transcendental reality.
Tekst
15
Zij dan zijn in
deze wereld onwetend die, falend in het doorgronden van de
bestemming van de Ziel van Alles, ertoe gedreven door hun karma
rondbewegen in de stroom van de materiële
oceaan.
They
are truly ignorant who, while imprisoned within the
ceaseless flow of this world's material qualities, fail to
know You, the Supreme Soul of all that be, as their
ultimate, sublime destination. Because of their ignorance,
the entanglement of material work forces such souls to
wander in the cycle of birth and death.
Tekst
16
Op de een of
andere manier in dit leven het allergeschikste van de
menselijke status te hebben bereikt die zo moeilijk te
verwerven valt, kan iemand begoocheld door de materiële
energie [zoals ik], o Beheerser, [nog steeds]
zijn hele leven in verwarring hebben doorgebracht over wat zijn
eigen belang zou zijn.
By
good fortune a soul may obtain a healthy human life - an
opportunity rarely achieved. But if he is nonetheless
deluded about what is best for him, O Lord, Your illusory
Mâyâ will cause him to waste his entire
life.
Tekst
17
Met
Jij die allen in deze wereld bindt met de touwen der
genegenheid is er naar het lichaam en het nageslacht en andere
relaties het 'dit ben ik' en 'dezen zijn van mij' dat erbij
komt kijken.
[zie ook b.v. 2.9:
2,
4.28:
17,
4.29:
5,
5.5:
8 en
6.16:
41].
You
keep this whole world bound up by the ropes of affection,
and thus when people consider their material bodies, they
think, "This is me," and when they consider their progeny
and other relations, they think, "These are mine."
Tekst
18
Jullie twee
zijn niet onze zoons maar duidelijk de Beheersers van
pradhâna en purusha die nederdaalden om de last aan
heersers weg te nemen van de aarde, zoals Jullie het Zelf
gezegd hebben [10.50:
7-10].
You
are not our sons but the very Lords of both material nature
and its creator [Mahâ-Vishnu]. As You Yourself
have told us, You have descended to rid the earth of the
rulers who are a heavy burden upon her.
Tekst
19
Daarom kom ik
vandaag voor Jouw beschutting, voor de lotusvoeten welke, bij
de overgegevenen, zij die lijden, de angst wegnemen van het
verstrikt zijn, o Vriend, en dat is alles; genoeg, genoeg van
dat gesmacht naar zinsbevrediging dat me mezelf doet zien als
zijnde sterfelijk en me Jou, de Allerhoogste, doet beschouwen
als zijnde mijn kind.
Therefore,
O friend of the distressed, I now approach Your lotus feet
for shelter - the same lotus feet that dispel all fear of
worldly existence for those who have surrendered to them.
Enough! Enough with hankering for sense enjoyment, which
makes me identify with this mortal body and think of You,
the Supreme, as my child.
Tekst
20
In de
kraamkamer zei Je inderdaad [zie 10.3:
44] dat
Jij, geboorte nemend met ons, de Ongeborene was en aldus zo
tijdperk na tijdperk te werk gaat ter verdediging van Je
dharma, gelijk een wolk verschillende lichamen oppakkend en
weer loslatend [zie B.G. 4:
8]; o, wie
kan het mystiek vermogen en de veelvoud doorgronden van Jou,
allesdoordringend en alom gevierd?'
Indeed,
while still in the maternity room You told us that You, the
unborn Lord, had already been born several times as our son
in previous ages. After manifesting each of these
transcendental bodies to protect Your own principles of
religion, You then made them unmanifest, thus appearing and
disappearing like a cloud. O supremely glorified,
all-pervading Lord, who can understand the mystic, deluding
potency of Your opulent expansions?
Tekst
21
S'rî
S'uka zei: 'Alzo de uitlatingen horend van Zijn vader gaf de
Allerhoogste Heer, de beste der sâtvata's nederig
buigend, breed glimlachend met een vriendelijke stem antwoord.
S'ukadeva
Gosvâmî said: Having heard His father's words,
the Supreme Lord, leader of the Sâtvatas, replied in a
gentle voice as He bowed His head in humility and
smiled.
Tekst
22
De Opperheer
zei: 'Ik beschouw deze woorden van u als heel gepast, o vader,
aangezien met het naar Ons verwijzen, uw Zoons, u uitdrukking
gaf aan de ganse werkelijkheid.
The
Supreme Lord said: My dear father, I consider your
statements appropriate, since you have explained the various
categories of existence by referring to Us, your
sons.
Tekst
23
Ik, u, Hij,
Mijn broer, en deze bewoners van Dvârakâ zelfs,
moeten allen op dezelfde manier worden bekeken (als expansies
van Mij), o beste van de Yadu's, tezamen met alles wat
rondbeweegt en niet rondbeweegt [B.G. 9:
5 &
15
en de siddhânta].
Not
only I, but also you, along with My respected brother and
these residents of Dvârakâ, should all be
considered in this same philosophical light, O best of the
Yadus. Indeed, we should include all that exists, both
moving and nonmoving.
Tekst
24
De Allerhoogste
Ziel is waarlijk één, zelfverlichtend, eeuwig en
onderscheiden; vrij van de geaardheden wordt Hij, met behulp
van de geaardheden uit Zichzelf de materiële
verschijningsvormen als hun producten geschapen hebbend, gezien
als veelvormig.
The
supreme spirit, Paramâtmâ, is indeed one. He is
self-luminous and eternal, transcendental and devoid of
material qualities. But through the agency of the very modes
He has created, the one Supreme Truth manifests as many
among the expansions of those modes.
Tekst
25
Het is als met
de ether, de lucht, het vuur, het water en de aarde die -
één zijnde - afhankelijk van waar ze zich
bevinden, in hun voortbrengselen, gemanifesteerd of niet
gemanifesteerd, klein dan wel groot, zich voordoen als zijnde
velen [zie ook B.G. 13:
31].'
The
elements of ether, air, fire, water and earth become
visible, invisible, minute or extensive as they manifest in
various objects. Similarly, the Paramâtmâ,
though one, appears to become many.
Tekst
26
S'rî
S'uka zei: 'Van Vasudeva aldus aangesproken door de
Allerhoogste Heer, o Koning, was het denken in tegenstellingen
vernietigd en was hij, innerlijk voldaan, stil.
S'ukadeva
Gosvâmî said: O King, hearing these instructions
spoken to him by the Supreme Lord, Vasudeva became freed
from all ideas of duality. Satisfied at heart, he remained
silent.
Tekst
27-28
Toen op die
plaats, o beste der Kuru's, vroeg duidelijk en helder
Devakî, de aanbiddelijke godin van een ieder, aan Krishna
en Râma, daar ze tot haar grote verbazing had gehoord van
[Hun terughalen van] de zoon van Hun goeroe
[10.45],
om haar eigen zoons vermoord door Kamsa terug te brengen; bij
de gedachte waarvan ze verdrietig terugkijkend, innerlijk
verscheurd sprak met tranen in haar ogen.
At
that time, O best of the Kurus, the universally worshiped
Devakî took the opportunity to address her two sons,
Krishna and Balarâma. Previously she had heard with
astonishment that They had brought Their spiritual master's
son back from death. Now, thinking of her own sons who had
been murdered by Kamsa, she felt great sorrow, and thus with
tear-filled eyes she beseeched Krishna and
Balarâma.
Tekst
29
S'rî
Devakî zei: 'Râma, o Râma, o Onpeilbare Ziel;
o Krishna, Meester van de Yogameesters, ik weet dat Jullie
beiden de Oorspronkelijke Persoonlijkheden zijn, de Heren van
de Scheppers van het Universum [zie ook
catur-vyûha].
S'rî
Devakî said: O Râma, Râma, immeasurable
Supreme Soul! O Krishna, Lord of all masters of yoga! I know
that You are the ultimate rulers of all universal creators,
the primeval Personalities of Godhead.
Tekst
30
Jullie zijn nu
daadwerkelijk nedergedaald tot mij terwille van de koningen
die, buiten de geschriften om levend met hun goede
eigenschappen vernietigd door de tijd [van
Kali-yuga],
een overlast voor de wereld werden.
Taking
birth from me, You have now descended to this world in order
to kill those kings whose good qualities have been destroyed
by the present age, and who thus defy the authority of
revealed scriptures and burden the earth.
Tekst
31
O Zielen van
Allen die er Zijn, vandaag kwam ik voor beschutting naar Hem,
Jij, die door een gedeeltelijke expansie [de
geaardheden] van een expansie [de materiële
energie] van een expansie [Nârâyana]
aanleiding geeft tot het voortbrengen, gedijen en weer opgaan
van het universum [zie ook 2.5].
O
Soul of all that be, the creation, maintenance and
destruction of the universe are all carried out by a
fraction of an expansion of an expansion of Your expansion.
Today I have come to take shelter of You, the Supreme
Lord.
Tekst
32-33
Er word gezegd
dat, door Jullie goeroe opgedragen om zijn reeds lang geleden
gestorven zoon terug te halen, Jullie hem van de plaats der
voorvaderen terugbrachten naar Jullie geestelijk leraar als een
gift uit dankbaarheid voor de leraar. AlsJeblieft, o Jullie
twee Meesters van de Yogameesters, beantwoordt op dezelfde
manier aan mijn verlangen: ik zou graag mijn zoons
teruggebracht zien die door Kamsa ter dood werden gebracht'
[zie 10.4].
It
is said that when Your spiritual master ordered You to
retrieve his long- dead son, You brought him back from the
forefathers' abode as a token of remuneration for Your
guru's mercy. Please fulfill my desire in the same way, O
supreme masters of all yoga masters. Please bring back my
sons who were killed by the King of Bhoja, so that I may see
them once again.
Tekst
34
De rishi
[S'uka] zei: 'Aldus ertoe verzocht door hun moeder, o
afstammeling van Bharata gingen Râma en Krishna met
gebruik van hun inwendig vermogen de lagere wereld van
Sûtala binnen [zie 5.24:
18].
The
sage S'ukadeva said: Thus entreated by Their mother, O
Bhârata, Balarâma and Krishna employed Their
mystic Yogamâyâ potency and entered the region
of Sûtala.
Tekst
35
Daar
binnentredend stond de daityakoning [Bali] meteen op om
tezamen met zijn hofhouding voor Hen te buigen, overmand door
vreugde als hij was Hen te zien, de Opperziel en Godheid van
het Universum en in het bijzonder van hem.
When
the King of the Daityas, Bali Mahârâja, noticed
the arrival of the two Lords, his heart overflowed with joy,
since he knew Them to be the Supreme Soul and worshipable
Deity of the entire universe, and especially of himself. He
immediately stood up and then bowed down to offer respects,
along with his entire entourage.
Tekst
36
Koninklijke
zetels voor ze halend, was hij, toen ze neerzaten, er gelukkig
mee om, van Hen twee Grote Zielen, de voeten te wassen, waarvan
hij tezamen met zijn volgelingen tot aan Brahmâ het
zuiverende water [op hun hoofden] namen.
Bali
took pleasure in offering Them elevated seats. After They
sat down, he washed the feet of the two Supreme
Personalities. Then he took that water, which purifies the
whole world even up to Lord Brahmâ, and poured it upon
himself and his followers.
Tekst
37
Hij, met het
offeren van de weelde die van hem en zijn familie was, aanbad
Hen aldus met de meest kostbare rijkdommen, kleding, sierselen,
geurige smeersels, betelnoot, lampen, nectargelijk voedsel en
zo meer [*].
He
worshiped Them with all the riches at his disposal -
priceless clothing, ornaments, fragrant sandalwood paste,
betel nut, lamps, sumptuous food and so on. Thus he offered
Them all his family's wealth, and also his own self.
Tekst
38
Hij die Indra
had overwonnen [zie 8.15],
telkens weer opnieuw de voeten van de Opperheer vastgrijpend,
sprak, met een hart vertederd van liefde, tranen in zijn ogen
van de vervoering en zijn haren overeind, o Koning, met zijn
woorden gesmoord.
Taking
hold of the Lords' lotus feet again and again, Bali, the
conqueror of Indra's army, spoke from his heart, which was
melting out of his intense love. O King, as tears of ecstasy
filled his eyes and the hair on his limbs stood on end, he
began to speak with faltering words.
Tekst
39
Bali zei: 'Mijn
eerbetoon voor Ananta, het Grootste Wezen; mijn eerbetuigingen
voor Krishna, de Absolute Waarheid, de Superziel, de Verbreider
en Schepper van de analytische kennis [sânkhya,
zie 3.25-32]
en de wetenschap van de [bhakti-]yoga.
King
Bali said: Obeisances to the unlimited Lord, Ananta, the
greatest of all beings. And obeisances to Lord Krishna, the
creator of the universe, who appears as the impersonal
Absolute and the Supersoul in order to disseminate the
principles of sânkhya and yoga.
Tekst
40
U voor ogen
hebben is inderdaad iets dat, hoewel door de levende wezens
zelden bereikt, niettemin nog steeds voor mensen als wij, die
van nature in de hartstocht en de onwetendheid verkeren, niet
moeilijk voor elkaar te krijgen is met U zich inspannend ons op
eigen initiatief te bereiken [zie B.G. 3:
21-23].
Seeing
You Lords is a rare achievement for most living beings. But
even persons like us, situated in the modes of passion and
ignorance, can easily see You when You reveal Yourself by
Your own sweet will.
Tekst
41-43
De zonen van
Diti en Dânu, de zangers van de hemel, de vervolmaakten,
de wetenschappers, de eerbiedwaardigen, de schatbewaarders, de
wilden, de vleeseters en de paranormalen, de mystici, de
politici, wij en anderen zoals zij, zijn voortdurend gefixeerd
met een zekere rancune jegens de Rechtstreekse Belichaming van
de Zuivere Goedheid wiens goddelijke gedaante de geopenbaarde
geschriften omvat; sommigen zijn bijzonder obstinaat met
hatelijkheid, sommigen zijn van toewijding met nevenmotieven,
terwijl de verlichte zielen en de rest, verzot in de goedheid,
niet zo aangetrokken zijn [en toch weer wel, vergelijk: het
atmarâma-vers 1.7:
1].
Many
who had been constantly absorbed in enmity toward You
ultimately became attracted to You, who are the direct
embodiment of transcendental goodness and whose divine form
comprises the revealed scriptures. These reformed enemies
include Daityas, Dânavas, Gandharvas, Siddhas,
Vidyâdharas, Câranas, Yakshas, Râkshasas,
Pis'âcas, Bhûtas, Pramathas and Nâyakas,
and also ourselves and many others like us. Some of us have
become attracted to You because of exceptional hatred, while
others have become attracted because of their mood of
devotion based on lust. But the demigods and others
infatuated by material goodness feel no such attraction for
You.
Tekst
44
O Beheerser,
als zelfs niet de meesters van de yoga Uw begoochelende yoga
kennen die merendeels in dit soort termen [van het
svarûpa
en vis'esha
identiteitsspel] wordt gekenschetst, wat houdt dat dan wel
niet voor ons in?
What
to speak of ourselves, O Lord of all perfect yogîs,
even the greatest mystics do not know what Your spiritual
power of delusion is or how it acts.
Tekst
45
Daarom, o
toevlucht van de lotusvoeten waar de onzelfzuchtigen naar op
zoek zijn, heb genade met ons en leidt ons weg uit de donkere
put van het huishoudelijk bestaan, zodat ik in vrede alleen
moge rondtrekken of anders tezamen met de vrienden van allen
[de heiligen, toegewijden, vaishnava's,
wensbomen]
een ieder in de wereld behulpzaam, aan wiens voeten het
onderhoud [de 'vritti']
wordt verkregen.
Please
be merciful to me so I may get out of the blind well of
family life - my false home - and find the true shelter of
Your lotus feet, which selfless sages always seek. Then,
either alone or in the company of great saints, who are the
friends of everyone, I may wander freely, finding life's
necessities at the feet of the universally charitable
trees.
Tekst
46
AlstUblieft
geef ons leiding o beheerser van hen die beheerst zijn, maak
ons zondeloos o Meester, maak van ons een persoon die met
geloof te werk gaand vrij komt van [schriftuurlijke]
fixaties.'
O
Lord of all subordinate creatures, please tell us what to do
and thus free us of all sin. One who faithfully executes
Your command, O master, is no longer obliged to follow the
ordinary Vedic rites.
Tekst
47
De Opperheer
zei: 'Eens, ten tijde van de eerste Manu, waren er van
Marîci zes zonen geboren uit Ûrnâ, halfgoden,
die lachten bij het zien van het ja [van 'kam', of
Brahmâ in dit geval] ter voorbereiding van het
copuleren met een dochter [genaamd Vâk, zie
3.12:
28-35,
vergelijk 3.20:
23].
The
Supreme Lord said: During the age of the first Manu, the
sage Marîci had six sons by his wife Ürnâ.
They were all exalted demigods, but once they laughed at
Lord Brahmâ when they saw him preparing to have sex
with his own daughter.
Tekst
48-49
Daarmee
belandden ze, van het onverlichte van de ongepaste daad, prompt
in een baarmoeder om van Hiranyakas'ipu geboorte te nemen,
waarna zij, door Yogamâyâ overgebracht, geboorte
namen uit de schoot van Devakî, o Koning, en door Kamsa
werden vermoord. Zij weeklaagt over hen als zijnde haar zoons;
zij, deze zelfde zoons leven hier bij u [zie ook
**
en 10.2*].
Because
of that improper act, they immediately entered a demoniac
form of life, and thus they took birth as sons of
Hiranyakas'ipu. The goddess Yogamâyâ then took
them away from Hiranyakas'ipu, and they were born again from
Devakî's womb. After this, O King, Kamsa murdered
them. Devakî still laments for them, thinking of them
as her sons. These same sons of Marîci are now living
here with you.
Tekst
50
We willen ze
van hier meenemen om een einde te maken aan de droefenis van
hun moeder; daarna zullen ze, met de vloek opgeheven, vrij van
de koorts naar hun eigen wereld gaan.
We
wish to take them from this place to dispel their mother's
sorrow. Then, released from their curse and free from all
suffering, they will return to their home in heaven.
Tekst
51
Bij Mijn genade
zullen deze zes - Smara [Kîrtimân, zie
10.1:
57],
Udgîtha, Parishvanga, Patanga, Kshudrabhrit
en Ghrinî - terugkeren naar de bestemming der
geheiligden.'
By
My grace these six - Smara, Udgîtha, Parishvanga,
Patanga, Kshudrabhrit en Ghrinî - will return to the
abode of pure saints.
Tekst
52
Aldus sprekend
namen Ze, beiden geëerd door Bali, hen mee terug naar
Dvârakâ en presenteerden Ze de zoons aan hun
moeder.
[S'ukadeva
Gosvâmî continued:] After saying this, Lord
Krishna and Lord Balarâma, having been duly worshiped
by Bali Mahârâja, took the six sons and returned
to Dvârakâ, where They presented them to Their
mother.
Tekst
53
Het de jongens
weerzien deed de borsten van de godin door de genegenheid voor
haar zoons vloeien, en ze op haar schoot nemend omhelsde ze
hen, steeds weer hun hoofden beruikend.
When
she saw her lost children, Goddess Devakî felt such
affection for them that milk flowed from her breasts. She
embraced them and took them onto her lap, smelling their
heads again and again.
Tekst
54
Verbijsterd
door Vishnu's illusiewekkende vermogen waarvan de schepping
zijn bestaan vindt, stond ze het haar zoons liefdevol toe van
haar borsten nat van hun aanraken te drinken.
Lovingly
she let her sons drink from her breast, which became wet
with milk just by their touch. She was entranced by the same
illusory energy of Lord Vishnu that initiates the creation
of the universe.
Tekst
55-56
Na haar
nectargelijke melk gedronken te hebben, die restte van de melk
die de hanteerder van de Knots dronk [voordat Vasudeva Hem
naar Gokula droeg], herwonnen zij door de aanraking van het
lichaam van Nârâyana het zicht op hun
oorspronkelijke zelven. Neerbuigend voor Govinda, Devakî,
hun vader en Balarâma gingen ze, met alle mensen
gadeslaand, naar de plaats waar de goden zich ophouden.
By
drinking her nectarean milk, the remnants of what Krishna
Himself had previously drunk, the six sons touched the
transcendental body of the Lord, Nârâyana, and
this contact awakened them to their original identities.
They bowed down to Govinda, Devakî, their father and
Balarâma, and then, as everyone looked on, they left
for the abode of the demigods.
Tekst
57
Met het
aanschouwen van dit wederkeren en weer vertrekken van de doden,
dacht de goddelijke Devakî in grote verwondering na over
de magie zoals beschikt door Krishna, o Koning.
Seeing
her sons return from death and then depart again, saintly
Devakî was struck with wonder, O King. She concluded
that this was all simply an illusion created by
Krishna.
Tekst
58
Van Krishna, de
Opperziel onbegrensd in Zijn heldenmoed, bestaan er een talloos
aantal heldendaden als deze, o nazaat van
Bharata.'
S'rî
Krishna, the Supreme Soul, the Lord of unlimited valor,
performed countless pastimes just as amazing as this one, O
descendant of Bharata.
Tekst
59
S'rî
Sûta zei [te Naimishâranya,
1.1:
4]: "Wie
ook die, zoals beschreven door Vyâsa's gerespecteerde
zoon, devoot luistert naar of vertelt over deze
wederwaardigheid van Murâri aan wiens glorie geen grenzen
gesteld zijn, zal, met deze ware verrukking voor de oren van
Zijn toegewijden die de zonden van het levend wezen totaal
uitbant, met het vestigen van zijn geest op de Allerhoogste
Heer, naar Zijn aan alle zegeningen rijke hemelse
verblijfplaats gaan."
S'rî
Sûta Gosvâmî said: This pastime enacted by
Lord Murâri, whose fame is eternal, totally destroys
the sins of the universe and serves as the transcendental
ornament for His devotees' ears. Anyone who carefully hears
or narrates this pastime, as recounted by the venerable son
of Vyâsa, will be able to fix his mind in meditation
on the Supreme Lord and attain to the all-auspicious kingdom
of God.
*
De paramparâ voegt hier aan toe dat er negen
standaardprocessen van toegewijde dienst zijn zoals
Prahlâda dat aangeeft in 7.5:
23-24,
en dat de laatste, âtma-samarpanam, het overdragen van je
rijkdom zoals voorgeleefd door Bali Mahârâja ter
wille van de âtma-nivedanam van zelfcommunicatie met de
Heer, de culminatie is waar ieder ondernemen op uit zou moeten
zijn. Als men poogt de Heer onder de indruk te brengen met
rijkdom, macht, intelligentie en zo voorts maar er niet in
slaagt zichzelf nederig te begrijpen als zijnde Zijn dienaar,
is iemands zogenaamde toewijding slechts een aanmatigende
vertoning. De paramparâ waarschuwt hier aldus tegen de
valse religie van pompeuze ceremoniën zonder achting voor
het zich terugtrekken in de yoga als met Daksha in
4.2.
Zie ook B.G
2.42-43.
**
De paramparâ legt met de âcârya's
S'rîdhara Svâmî en Vis'vanâtha
Cakravartî uit dat na het van Hiranyakas'ipu wegnemen van
Marîci's zes zoons, Heer Krishna's Yogamâyâ
ze eerst deed belanden in nog een extra leven als de kinderen
van een andere grote demon, Kâlanemi [de voorgaande
incarnatie van Kamsa, zie 10.1:
68],
en toen bracht ze ze ten slotte over naar de schoot van
Devakî. Zie voor het volledige verhaal voetnoot
10.1***.
