regelbalk

 

Dâmodarâshthaka

 

 

 

Canto 10

 

Hoofdstuk 85

 

Heer Krishna Instrueert Vasudeva en Haalt Devakî's Zoons Terug

(1) De zoon van Vyâsa zei: 'Toen, kwamen op een dag Sankarshana en Acyuta, de twee zoons van Vasudeva, naar hem toe die, nadat Ze zijn voeten hadden geëerd, Hen begroette en vol liefde toesprak. (2) Na de woorden van de wijzen te hebben gehoord met betrekking tot de vermogens van zijn twee zoons, had zich bij hem aangaande hun dappere daden de overtuiging ontwikkeld en zei hij, Ze bij hun naam aansprekend: (3) 'Krishna, o Krishna, o grootste yogî; o eeuwige Sankarshana, ik weet dat jullie twee alhier rechtstreeks de primaire natuur [of pradhâna] en het mannelijk principe [de purusha of persoon] zijn. (4) Wat, hoe en wanneer ook, in, door, van, met of voor dit [universum] zijn bestaan vindt, is allemaal rechtstreeks de Overweger, de Allerhoogste Heer, de oorspronkelijke natuur en persoon, (5) Dit gevarieerde universum van Jezelf, o Heer van het Voorbije, handhaaf Jij, o Ongeborene, het met Jezelf binnengaand, als de Opperziel en het principe van vitaliteit en individualiteit. (6) Van beide [levende en niet levende] bestaansvormen welke, verschillend als ze zijn, allen behorend tot het Allerhoogste dus afhankelijk zijn, ben Jij de Ene die de creatieve factoren en vermogens van de levensadem en dat alles in het universum in beweging brengt [zie ook 2.5: 32-33]. (7) De gloed, de glans, de helderheid, het afzonderlijke van de maan, het vuur, de zon, de sterren en de bliksem [B.G. 15: 12], het permanente van de bergen en de geur en ondersteunende kracht van de aarde, zijn allen in waarheid Jijzelf. (8) Het lessen, het levenbrengende van water als ook het water zelf en haar smaak ben Jij o Heer; o Beheerser, het Jouwe is de lichaamswarmte, de levenskracht geestelijk en fysiek, de inzet en de beweging [allen naar verluid] van de lucht [zie ook B.G. 11: 39]. (9) Jij bent de richtingen hun bereiken, de ether alom, het elementaire geluid daar gevestigd, de oerklank die de lettergreep AUM vormt en zijn differentiatie in bepaalde vormen [van taal, zie ook B.G. 7: 8]. (10) Jij bent van de zinnen de macht van het waarnemen, hun goden [3.12: 26] en van hen de genade; Jij bent van de intelligentie de macht te beslissen en van het levend wezen het vermogen tot correct herinneren [B.G. 7: 10 15: 15]. (11) Jij, de Veroorzaker aan Allen vooraf, bent de bron van de stoffelijke elementen [tamas], de hartstochten der zinnen [rajas] en de emoties veranderend met de keuze aan goden [sattva, zie ook B.G. 14]. (12) Onder de bestaansvormen onderworpen aan vernietiging in deze wereld ben Jij de onvergankelijke, precies zoals de grondstof dat is in verhouding tot haar transformaties. (13) De geaardheden der goedheid, hartstocht en onwetendheid en hun functies zijn op deze manier binnen in Jou, binnen de Allerhoogste Absolute Waarheid, gereguleerd door het inwendig vermogen [de yogamâyâ van Je spel en vermaak]. (14) Op basis daarvan worden deze bestaansvormen niet [werkelijk] vernietigd als ze - andere keren inderdaad niet materieel zijnde - geconditioneerd in Jou als voortbrengselen van de schepping, Jou ook in zich hebben [als een gelover, als caitanya, een nitya-mukta bewuste ziel of jivâtmâ, zie B.G 2: 12, 9: 4-5 & 8: 19]. (15) Zij dan zijn in deze wereld onwetend die, falend in het doorgronden van de bestemming van de Ziel van Alles, ertoe gedreven door hun karma rondbewegen in de stroom van de materiële oceaan. (16) Op de een of andere manier in dit leven het allergeschikste van de menselijke status te hebben bereikt die zo moeilijk te verwerven valt, kan iemand begoocheld door de materiële energie [zoals ik], o Beheerser, [nog steeds] zijn hele leven in verwarring hebben doorgebracht over wat zijn eigen belang zou zijn. (17) Met Jij die allen in deze wereld bindt met de touwen der genegenheid is er naar het lichaam en het nageslacht en andere relaties het 'dit ben ik' en 'dezen zijn van mij' dat erbij komt kijken. [zie ook b.v. 2.9: 2, 4.28: 17, 4.29: 5, 5.5: 8 en 6.16: 41]. (18) Jullie twee zijn niet onze zoons maar duidelijk de Beheersers van pradhâna en purusha die nederdaalden om de last aan heersers weg te nemen van de aarde, zoals Jullie het Zelf gezegd hebben [10.50: 7-10]. (19) Daarom kom ik vandaag voor Jouw beschutting, voor de lotusvoeten welke, bij de overgegevenen, zij die lijden, de angst wegnemen van het verstrikt zijn, o Vriend, en dat is alles; genoeg, genoeg van dat gesmacht naar zinsbevrediging dat me mezelf doet zien als zijnde sterfelijk en me Jou, de Allerhoogste, doet beschouwen als zijnde mijn kind. (20) In de kraamkamer zei Je inderdaad [zie 10.3: 44] dat Jij, geboorte nemend met ons, de Ongeborene was en aldus zo tijdperk na tijdperk te werk gaat ter verdediging van Je dharma, gelijk een wolk verschillende lichamen oppakkend en weer loslatend [zie B.G. 4: 8]; o, wie kan het mystiek vermogen en de veelvoud doorgronden van Jou, allesdoordringend en alom gevierd?'

(21) S'rî S'uka zei: 'Alzo de uitlatingen horend van Zijn vader gaf de Allerhoogste Heer, de beste der sâtvata's nederig buigend, breed glimlachend met een vriendelijke stem antwoord. (22) De Opperheer zei: 'Ik beschouw deze woorden van u als heel gepast, o vader, aangezien met het naar Ons verwijzen, uw Zoons, u uitdrukking gaf aan de ganse werkelijkheid. (23) Ik, u, Hij, Mijn broer, en deze bewoners van Dvârakâ zelfs, moeten allen op dezelfde manier worden bekeken (als expansies van Mij), o beste van de Yadu's, tezamen met alles wat rondbeweegt en niet rondbeweegt [B.G. 9: 5 & 15 en de siddhânta]. (24) De Allerhoogste Ziel is waarlijk één, zelfverlichtend, eeuwig en onderscheiden; vrij van de geaardheden wordt Hij, met behulp van de geaardheden uit Zichzelf de materiële verschijningsvormen als hun producten geschapen hebbend, gezien als veelvormig. (25) Het is als met de ether, de lucht, het vuur, het water en de aarde die - één zijnde - afhankelijk van waar ze zich bevinden, in hun voortbrengselen, gemanifesteerd of niet gemanifesteerd, klein dan wel groot, zich voordoen als zijnde velen [zie ook B.G. 13: 31].'

(26) S'rî S'uka zei: 'Van Vasudeva aldus aangesproken door de Allerhoogste Heer, o Koning, was het denken in tegenstellingen vernietigd en was hij, innerlijk voldaan, stil. (27-28) Toen op die plaats, o beste der Kuru's, vroeg duidelijk en helder Devakî, de aanbiddelijke godin van een ieder, aan Krishna en Râma, daar ze tot haar grote verbazing had gehoord van [Hun terughalen van] de zoon van Hun goeroe [10.45], om haar eigen zoons vermoord door Kamsa terug te brengen; bij de gedachte waarvan ze verdrietig terugkijkend, innerlijk verscheurd sprak met tranen in haar ogen. (29) S'rî Devakî zei: 'Râma, o Râma, o Onpeilbare Ziel; o Krishna, Meester van de Yogameesters, ik weet dat Jullie beiden de Oorspronkelijke Persoonlijkheden zijn, de Heren van de Scheppers van het Universum [zie ook catur-vyûha]. (30) Jullie zijn nu daadwerkelijk nedergedaald tot mij terwille van de koningen die, buiten de geschriften om levend met hun goede eigenschappen vernietigd door de tijd [van Kali-yuga], een overlast voor de wereld werden. (31) O Zielen van Allen die er Zijn, vandaag kwam ik voor beschutting naar Hem, Jij, die door een gedeeltelijke expansie [de geaardheden] van een expansie [de materiële energie] van een expansie [Nârâyana] aanleiding geeft tot het voortbrengen, gedijen en weer opgaan van het universum [zie ook 2.5]. (32-33) Er word gezegd dat, door Jullie goeroe opgedragen om zijn reeds lang geleden gestorven zoon terug te halen, Jullie hem van de plaats der voorvaderen terugbrachten naar Jullie geestelijk leraar als een gift uit dankbaarheid voor de leraar. AlsJeblieft, o Jullie twee Meesters van de Yogameesters, beantwoordt op dezelfde manier aan mijn verlangen: ik zou graag mijn zoons teruggebracht zien die door Kamsa ter dood werden gebracht' [zie 10.4].

(34) De rishi [S'uka] zei: 'Aldus ertoe verzocht door hun moeder, o afstammeling van Bharata gingen Râma en Krishna met gebruik van hun inwendig vermogen de lagere wereld van Sûtala binnen [zie 5.24: 18]. (35) Daar binnentredend stond de daityakoning [Bali] meteen op om tezamen met zijn hofhouding voor Hen te buigen, overmand door vreugde als hij was Hen te zien, de Opperziel en Godheid van het Universum en in het bijzonder van hem. (36) Koninklijke zetels voor ze halend, was hij, toen ze neerzaten, er gelukkig mee om, van Hen twee Grote Zielen, de voeten te wassen, waarvan hij tezamen met zijn volgelingen tot aan Brahmâ het zuiverende water [op hun hoofden] namen. (37) Hij, met het offeren van de weelde die van hem en zijn familie was, aanbad Hen aldus met de meest kostbare rijkdommen, kleding, sierselen, geurige smeersels, betelnoot, lampen, nectargelijk voedsel en zo meer [*]. (38) Hij die Indra had overwonnen [zie 8.15], telkens weer opnieuw de voeten van de Opperheer vastgrijpend, sprak, met een hart vertederd van liefde, tranen in zijn ogen van de vervoering en zijn haren overeind, o Koning, met zijn woorden gesmoord. (39) Bali zei: 'Mijn eerbetoon voor Ananta, het Grootste Wezen; mijn eerbetuigingen voor Krishna, de Absolute Waarheid, de Superziel, de Verbreider en Schepper van de analytische kennis [sânkhya, zie 3.25-32] en de wetenschap van de [bhakti-]yoga. (40) U voor ogen hebben is inderdaad iets dat, hoewel door de levende wezens zelden bereikt, niettemin nog steeds voor mensen als wij, die van nature in de hartstocht en de onwetendheid verkeren, niet moeilijk voor elkaar te krijgen is met U zich inspannend ons op eigen initiatief te bereiken [zie B.G. 3: 21-23]. (41-43) De zonen van Diti en Dânu, de zangers van de hemel, de vervolmaakten, de wetenschappers, de eerbiedwaardigen, de schatbewaarders, de wilden, de vleeseters en de paranormalen, de mystici, de politici, wij en anderen zoals zij, zijn voortdurend gefixeerd met een zekere rancune jegens de Rechtstreekse Belichaming van de Zuivere Goedheid wiens goddelijke gedaante de geopenbaarde geschriften omvat; sommigen zijn bijzonder obstinaat met hatelijkheid, sommigen zijn van toewijding met nevenmotieven, terwijl de verlichte zielen en de rest, verzot in de goedheid, niet zo aangetrokken zijn [en toch weer wel, vergelijk: het atmarâma-vers 1.7: 1]. (44) O Beheerser, als zelfs niet de meesters van de yoga Uw begoochelende yoga kennen die merendeels in dit soort termen [van het svarûpa en vis'esha identiteitsspel] wordt gekenschetst, wat houdt dat dan wel niet voor ons in? (45) Daarom, o toevlucht van de lotusvoeten waar de onzelfzuchtigen naar op zoek zijn, heb genade met ons en leidt ons weg uit de donkere put van het huishoudelijk bestaan, zodat ik in vrede alleen moge rondtrekken of anders tezamen met de vrienden van allen [de heiligen, toegewijden, vaishnava's, wensbomen] een ieder in de wereld behulpzaam, aan wiens voeten het onderhoud [de 'vritti'] wordt verkregen. (46) AlstUblieft geef ons leiding o beheerser van hen die beheerst zijn, maak ons zondeloos o Meester, maak van ons een persoon die met geloof te werk gaand vrij komt van [schriftuurlijke] fixaties.'

(47) De Opperheer zei: 'Eens, ten tijde van de eerste Manu, waren er van Marîci zes zonen geboren uit Ûrnâ, halfgoden, die lachten bij het zien van het ja [van 'kam', of Brahmâ in dit geval] ter voorbereiding van het copuleren met een dochter [genaamd Vâk, zie 3.12: 28-35, vergelijk 3.20: 23]. (48-49) Daarmee belandden ze, van het onverlichte van de ongepaste daad, prompt in een baarmoeder om van Hiranyakas'ipu geboorte te nemen, waarna zij, door Yogamâyâ overgebracht, geboorte namen uit de schoot van Devakî, o Koning, en door Kamsa werden vermoord. Zij weeklaagt over hen als zijnde haar zoons; zij, deze zelfde zoons leven hier bij u [zie ook ** en 10.2*]. (50) We willen ze van hier meenemen om een einde te maken aan de droefenis van hun moeder; daarna zullen ze, met de vloek opgeheven, vrij van de koorts naar hun eigen wereld gaan. (51) Bij Mijn genade zullen deze zes - Smara [Kîrtimân, zie 10.1: 57], Udgîtha, Parishvanga, Patanga, Kshudrabhrit en Ghrinî - terugkeren naar de bestemming der geheiligden.'

(52) Aldus sprekend namen Ze, beiden geëerd door Bali, hen mee terug naar Dvârakâ en presenteerden Ze de zoons aan hun moeder. (53) Het de jongens weerzien deed de borsten van de godin door de genegenheid voor haar zoons vloeien, en ze op haar schoot nemend omhelsde ze hen, steeds weer hun hoofden beruikend. (54) Verbijsterd door Vishnu's illusiewekkende vermogen waarvan de schepping zijn bestaan vindt, stond ze het haar zoons liefdevol toe van haar borsten nat van hun aanraken te drinken. (55-56) Na haar nectargelijke melk gedronken te hebben, die restte van de melk die de hanteerder van de Knots dronk [voordat Vasudeva Hem naar Gokula droeg], herwonnen zij door de aanraking van het lichaam van Nârâyana het zicht op hun oorspronkelijke zelven. Neerbuigend voor Govinda, Devakî, hun vader en Balarâma gingen ze, met alle mensen gadeslaand, naar de plaats waar de goden zich ophouden. (57) Met het aanschouwen van dit wederkeren en weer vertrekken van de doden, dacht de goddelijke Devakî in grote verwondering na over de magie zoals beschikt door Krishna, o Koning. (58) Van Krishna, de Opperziel onbegrensd in Zijn heldenmoed, bestaan er een talloos aantal heldendaden als deze, o nazaat van Bharata.'

(59) S'rî Sûta zei [te Naimishâranya, 1.1: 4]: "Wie ook die, zoals beschreven door Vyâsa's gerespecteerde zoon, devoot luistert naar of vertelt over deze wederwaardigheid van Murâri aan wiens glorie geen grenzen gesteld zijn, zal, met deze ware verrukking voor de oren van Zijn toegewijden die de zonden van het levend wezen totaal uitbant, met het vestigen van zijn geest op de Allerhoogste Heer, naar Zijn aan alle zegeningen rijke hemelse verblijfplaats gaan."

 

next        

 
 

 

 

Bronteksten (geen voorgaande versie in het Nederlands beschikbaar):

Lord Krishna Instructs Vasudeva and Retrieves Devakî's Sons

 

Tekst 1:

De zoon van Vyâsa zei: 'Toen, kwamen op een dag Sankarshana en Acyuta, de twee zoons van Vasudeva, naar hem toe die, nadat Ze zijn voeten hadden geëerd, Hen begroette en vol liefde toesprak.

S'rî Bâdarâyani said: One day the two sons of Vasudeva - Sankarshana and Acyuta - came to pay him respects, bowing down at his feet. Vasudeva greeted Them with great affection and spoke to Them.

 

Tekst 2:

Na de woorden van de wijzen te hebben gehoord met betrekking tot de vermogens van zijn twee zoons, had zich bij hem aangaande hun dappere daden de overtuiging ontwikkeld en zei hij, Ze bij hun naam aansprekend:

Having heard the great sages' words concerning the power of his two sons, and having seen Their valorous deeds, Vasudeva became convinced of Their divinity. Thus, addressing Them by name, he spoke to Them as follows.

 

Tekst 3:

'Krishna, o Krishna, o greatest yogi, o eternal Sankarshana, I know You two are directly the primary nature [or pradhâna] and male principle [the purusha or person] out here.

[Vasudeva said:] O Krishna, Krishna, best of yogîs, O eternal Sankarshana! I know that You two are personally the source of universal creation and the ingredients of creation as well.

 

Tekst 4:

Wat, hoe en wanneer ook, in, door, van, met of voor dit [universum] zijn bestaan vindt, is allemaal rechtstreeks de Overweger, de Allerhoogste Heer, de oorspronkelijke natuur en persoon,

You are the Supreme Personality of Godhead, who manifest as the Lord of both nature and the creator of nature [Mahâ-Vishnu]. Everything that comes into existence, however and whenever it does so, is created within You, by You, from You, for You and in relation to You.

 

Tekst 5:

Dit gevarieerde universum van Jezelf, o Heer van het Voorbije, handhaaf Jij, o Ongeborene, het met Jezelf binnengaand, als de Opperziel en het principe van vitaliteit en individualiteit.

O transcendental Lord, from Yourself You created this entire variegated universe, and then You entered within it in Your personal form as the Supersoul. In this way, O unborn Supreme Soul, as the life force and consciousness of everyone, You maintain the creation.

  

Tekst 6:

Van beide [levende en niet levende] bestaansvormen welke, verschillend als ze zijn, allen behorend tot het Allerhoogste dus afhankelijk zijn, ben Jij de Ene die de creatieve factoren en vermogens van de levensadem en dat alles in het universum in beweging brengt [zie ook 2.5: 32-33].

Whatever potencies the life air and other elements of universal creation exhibit are actually all personal energies of the Supreme Lord, for both life and matter are subordinate to Him and dependent on Him, and also different from one another. Thus everything active in the material world is set into motion by the Supreme Lord.

 

Tekst 7:

De gloed, de glans, de helderheid, het afzonderlijke van de maan, het vuur, de zon, de sterren en de bliksem [B.G. 15: 12], het permanente van de bergen en de geur en ondersteunende kracht van de aarde, zijn allen in waarheid Jijzelf.

The glow of the moon, the brilliance of fire, the radiance of the sun, the twinkling of the stars, the flash of lightning, the permanence of mountains and the aroma and sustaining power of the earth - all these are actually You.

 

Tekst 8:

Het lessen, het levenbrengende van water als ook het water zelf en haar smaak ben Jij o Heer; o Beheerser, het Jouwe is de lichaamswarmte, de levenskracht geestelijk en fysiek, de inzet en de beweging [allen naar verluid] van de lucht [zie ook B.G. 11: 39].

My Lord, You are water, and also its taste and and its capacities to quench thirst and sustain life. You exhibit Your potencies through the manifestations of the air as bodily warmth, vitality, mental power, physical strength, endeavor and movement.

      

Tekst 9

Jij bent de richtingen hun bereiken, de ether alom, het elementaire geluid daar gevestigd, de oerklank die de lettergreep AUM vormt en zijn differentiatie in bepaalde vormen [van taal, zie ook B.G. 7: 8].

You are the directions and their accommodating capacity, the all-pervading ether and the elemental sound residing within it. You are the primeval, unmanifested form of sound; the first syllable, om; and audible speech, by which sound, as words, acquires particular references.

 

 Tekst 10

Jij bent van de zinnen de macht van het waarnemen, hun goden [3.12: 26] en van hen de genade; Jij bent van de intelligentie de macht te beslissen en van het levend wezen het vermogen tot correct herinneren [B.G. 7: 10 15: 15].

You are the power of the senses to reveal their objects, the senses' presiding demigods, and the sanction these demigods give for sensory activity. You are the capacity of the intelligence for decision-making, and the living being's ability to remember things accurately.

    

 Tekst 11

Jij, de Veroorzaker aan Allen vooraf, bent de bron van de stoffelijke elementen [tamas], de hartstochten der zinnen [rajas] en de emoties veranderend met de keuze aan goden [sattva, zie ook B.G. 14].

You are false ego in the mode of ignorance, which is the source of the physical elements; false ego in the mode of passion, which is the source of the bodily senses; false ego in the mode of goodness, which is the source of the demigods; and the unmanifest, total material energy, which underlies everything.

 

Tekst 12

Onder de bestaansvormen onderworpen aan vernietiging in deze wereld ben Jij de onvergankelijke, precies zoals de grondstof dat is in verhouding tot haar transformaties.

You are the one indestructible entity among all the destructible things of this world, like the underlying substance that is seen to remain unchanged while the things made from it undergo transformations.

 

Tekst 13

De geaardheden der goedheid, hartstocht en onwetendheid en hun functies zijn op deze manier binnen in Jou, binnen de Allerhoogste Absolute Waarheid, gereguleerd door het inwendig vermogen [de yogamâyâ van Je spel en vermaak].

The modes of material nature - namely goodness, passion and ignorance - together with all their functions, become directly manifest within You, the Supreme Absolute Truth, by the arrangement of Your Yogamâyâ.

 

Tekst 14

Op basis daarvan worden deze bestaansvormen niet [werkelijk] vernietigd als ze - andere keren inderdaad niet materieel zijnde - geconditioneerd in Jou als voortbrengselen van de schepping, Jou ook in zich hebben [als een gelover, als caitanya, een nitya-mukta bewuste ziel of jivâtmâ, zie B.G 2: 12, 9: 4-5 & 8: 19].

Thus these created entities, transformations of material nature, do not exist except when material nature manifests them within You, at which time You also manifest within them. But aside from such periods of creation, You stand alone as the transcendental reality.

 

Tekst 15

Zij dan zijn in deze wereld onwetend die, falend in het doorgronden van de bestemming van de Ziel van Alles, ertoe gedreven door hun karma rondbewegen in de stroom van de materiële oceaan.

They are truly ignorant who, while imprisoned within the ceaseless flow of this world's material qualities, fail to know You, the Supreme Soul of all that be, as their ultimate, sublime destination. Because of their ignorance, the entanglement of material work forces such souls to wander in the cycle of birth and death.

 

Tekst 16

Op de een of andere manier in dit leven het allergeschikste van de menselijke status te hebben bereikt die zo moeilijk te verwerven valt, kan iemand begoocheld door de materiële energie [zoals ik], o Beheerser, [nog steeds] zijn hele leven in verwarring hebben doorgebracht over wat zijn eigen belang zou zijn.

By good fortune a soul may obtain a healthy human life - an opportunity rarely achieved. But if he is nonetheless deluded about what is best for him, O Lord, Your illusory Mâyâ will cause him to waste his entire life.

 

Tekst 17

Met Jij die allen in deze wereld bindt met de touwen der genegenheid is er naar het lichaam en het nageslacht en andere relaties het 'dit ben ik' en 'dezen zijn van mij' dat erbij komt kijken. [zie ook b.v. 2.9: 2, 4.28: 17, 4.29: 5, 5.5: 8 en 6.16: 41].

You keep this whole world bound up by the ropes of affection, and thus when people consider their material bodies, they think, "This is me," and when they consider their progeny and other relations, they think, "These are mine."

   

Tekst 18

Jullie twee zijn niet onze zoons maar duidelijk de Beheersers van pradhâna en purusha die nederdaalden om de last aan heersers weg te nemen van de aarde, zoals Jullie het Zelf gezegd hebben [10.50: 7-10].

You are not our sons but the very Lords of both material nature and its creator [Mahâ-Vishnu]. As You Yourself have told us, You have descended to rid the earth of the rulers who are a heavy burden upon her.

 

 Tekst 19

Daarom kom ik vandaag voor Jouw beschutting, voor de lotusvoeten welke, bij de overgegevenen, zij die lijden, de angst wegnemen van het verstrikt zijn, o Vriend, en dat is alles; genoeg, genoeg van dat gesmacht naar zinsbevrediging dat me mezelf doet zien als zijnde sterfelijk en me Jou, de Allerhoogste, doet beschouwen als zijnde mijn kind.

Therefore, O friend of the distressed, I now approach Your lotus feet for shelter - the same lotus feet that dispel all fear of worldly existence for those who have surrendered to them. Enough! Enough with hankering for sense enjoyment, which makes me identify with this mortal body and think of You, the Supreme, as my child.

 

 Tekst 20

In de kraamkamer zei Je inderdaad [zie 10.3: 44] dat Jij, geboorte nemend met ons, de Ongeborene was en aldus zo tijdperk na tijdperk te werk gaat ter verdediging van Je dharma, gelijk een wolk verschillende lichamen oppakkend en weer loslatend [zie B.G. 4: 8]; o, wie kan het mystiek vermogen en de veelvoud doorgronden van Jou, allesdoordringend en alom gevierd?'

Indeed, while still in the maternity room You told us that You, the unborn Lord, had already been born several times as our son in previous ages. After manifesting each of these transcendental bodies to protect Your own principles of religion, You then made them unmanifest, thus appearing and disappearing like a cloud. O supremely glorified, all-pervading Lord, who can understand the mystic, deluding potency of Your opulent expansions?

 

 Tekst 21

S'rî S'uka zei: 'Alzo de uitlatingen horend van Zijn vader gaf de Allerhoogste Heer, de beste der sâtvata's nederig buigend, breed glimlachend met een vriendelijke stem antwoord.

S'ukadeva Gosvâmî said: Having heard His father's words, the Supreme Lord, leader of the Sâtvatas, replied in a gentle voice as He bowed His head in humility and smiled.

  

 Tekst 22

De Opperheer zei: 'Ik beschouw deze woorden van u als heel gepast, o vader, aangezien met het naar Ons verwijzen, uw Zoons, u uitdrukking gaf aan de ganse werkelijkheid.

The Supreme Lord said: My dear father, I consider your statements appropriate, since you have explained the various categories of existence by referring to Us, your sons.

 

 Tekst 23

Ik, u, Hij, Mijn broer, en deze bewoners van Dvârakâ zelfs, moeten allen op dezelfde manier worden bekeken (als expansies van Mij), o beste van de Yadu's, tezamen met alles wat rondbeweegt en niet rondbeweegt [B.G. 9: 5 & 15 en de siddhânta].

Not only I, but also you, along with My respected brother and these residents of Dvârakâ, should all be considered in this same philosophical light, O best of the Yadus. Indeed, we should include all that exists, both moving and nonmoving.

  

 Tekst 24

De Allerhoogste Ziel is waarlijk één, zelfverlichtend, eeuwig en onderscheiden; vrij van de geaardheden wordt Hij, met behulp van de geaardheden uit Zichzelf de materiële verschijningsvormen als hun producten geschapen hebbend, gezien als veelvormig.

The supreme spirit, Paramâtmâ, is indeed one. He is self-luminous and eternal, transcendental and devoid of material qualities. But through the agency of the very modes He has created, the one Supreme Truth manifests as many among the expansions of those modes.

  

 Tekst 25

Het is als met de ether, de lucht, het vuur, het water en de aarde die - één zijnde - afhankelijk van waar ze zich bevinden, in hun voortbrengselen, gemanifesteerd of niet gemanifesteerd, klein dan wel groot, zich voordoen als zijnde velen [zie ook B.G. 13: 31].'

The elements of ether, air, fire, water and earth become visible, invisible, minute or extensive as they manifest in various objects. Similarly, the Paramâtmâ, though one, appears to become many.

 

 Tekst 26

S'rî S'uka zei: 'Van Vasudeva aldus aangesproken door de Allerhoogste Heer, o Koning, was het denken in tegenstellingen vernietigd en was hij, innerlijk voldaan, stil.

S'ukadeva Gosvâmî said: O King, hearing these instructions spoken to him by the Supreme Lord, Vasudeva became freed from all ideas of duality. Satisfied at heart, he remained silent.

 

 Tekst 27-28

Toen op die plaats, o beste der Kuru's, vroeg duidelijk en helder Devakî, de aanbiddelijke godin van een ieder, aan Krishna en Râma, daar ze tot haar grote verbazing had gehoord van [Hun terughalen van] de zoon van Hun goeroe [10.45], om haar eigen zoons vermoord door Kamsa terug te brengen; bij de gedachte waarvan ze verdrietig terugkijkend, innerlijk verscheurd sprak met tranen in haar ogen.

At that time, O best of the Kurus, the universally worshiped Devakî took the opportunity to address her two sons, Krishna and Balarâma. Previously she had heard with astonishment that They had brought Their spiritual master's son back from death. Now, thinking of her own sons who had been murdered by Kamsa, she felt great sorrow, and thus with tear-filled eyes she beseeched Krishna and Balarâma.

 

 Tekst 29

S'rî Devakî zei: 'Râma, o Râma, o Onpeilbare Ziel; o Krishna, Meester van de Yogameesters, ik weet dat Jullie beiden de Oorspronkelijke Persoonlijkheden zijn, de Heren van de Scheppers van het Universum [zie ook catur-vyûha].

S'rî Devakî said: O Râma, Râma, immeasurable Supreme Soul! O Krishna, Lord of all masters of yoga! I know that You are the ultimate rulers of all universal creators, the primeval Personalities of Godhead.

 

 Tekst 30

Jullie zijn nu daadwerkelijk nedergedaald tot mij terwille van de koningen die, buiten de geschriften om levend met hun goede eigenschappen vernietigd door de tijd [van Kali-yuga], een overlast voor de wereld werden.

Taking birth from me, You have now descended to this world in order to kill those kings whose good qualities have been destroyed by the present age, and who thus defy the authority of revealed scriptures and burden the earth.

 

 Tekst 31

O Zielen van Allen die er Zijn, vandaag kwam ik voor beschutting naar Hem, Jij, die door een gedeeltelijke expansie [de geaardheden] van een expansie [de materiële energie] van een expansie [Nârâyana] aanleiding geeft tot het voortbrengen, gedijen en weer opgaan van het universum [zie ook 2.5].

O Soul of all that be, the creation, maintenance and destruction of the universe are all carried out by a fraction of an expansion of an expansion of Your expansion. Today I have come to take shelter of You, the Supreme Lord.

 

 Tekst 32-33

Er word gezegd dat, door Jullie goeroe opgedragen om zijn reeds lang geleden gestorven zoon terug te halen, Jullie hem van de plaats der voorvaderen terugbrachten naar Jullie geestelijk leraar als een gift uit dankbaarheid voor de leraar. AlsJeblieft, o Jullie twee Meesters van de Yogameesters, beantwoordt op dezelfde manier aan mijn verlangen: ik zou graag mijn zoons teruggebracht zien die door Kamsa ter dood werden gebracht' [zie 10.4].

It is said that when Your spiritual master ordered You to retrieve his long- dead son, You brought him back from the forefathers' abode as a token of remuneration for Your guru's mercy. Please fulfill my desire in the same way, O supreme masters of all yoga masters. Please bring back my sons who were killed by the King of Bhoja, so that I may see them once again.

 

 Tekst 34

De rishi [S'uka] zei: 'Aldus ertoe verzocht door hun moeder, o afstammeling van Bharata gingen Râma en Krishna met gebruik van hun inwendig vermogen de lagere wereld van Sûtala binnen [zie 5.24: 18].

The sage S'ukadeva said: Thus entreated by Their mother, O Bhârata, Balarâma and Krishna employed Their mystic Yogamâyâ potency and entered the region of Sûtala.

 

 Tekst 35

Daar binnentredend stond de daityakoning [Bali] meteen op om tezamen met zijn hofhouding voor Hen te buigen, overmand door vreugde als hij was Hen te zien, de Opperziel en Godheid van het Universum en in het bijzonder van hem.

When the King of the Daityas, Bali Mahârâja, noticed the arrival of the two Lords, his heart overflowed with joy, since he knew Them to be the Supreme Soul and worshipable Deity of the entire universe, and especially of himself. He immediately stood up and then bowed down to offer respects, along with his entire entourage.

 

 Tekst 36

Koninklijke zetels voor ze halend, was hij, toen ze neerzaten, er gelukkig mee om, van Hen twee Grote Zielen, de voeten te wassen, waarvan hij tezamen met zijn volgelingen tot aan Brahmâ het zuiverende water [op hun hoofden] namen.

Bali took pleasure in offering Them elevated seats. After They sat down, he washed the feet of the two Supreme Personalities. Then he took that water, which purifies the whole world even up to Lord Brahmâ, and poured it upon himself and his followers.

 

 Tekst 37

Hij, met het offeren van de weelde die van hem en zijn familie was, aanbad Hen aldus met de meest kostbare rijkdommen, kleding, sierselen, geurige smeersels, betelnoot, lampen, nectargelijk voedsel en zo meer [*].

He worshiped Them with all the riches at his disposal - priceless clothing, ornaments, fragrant sandalwood paste, betel nut, lamps, sumptuous food and so on. Thus he offered Them all his family's wealth, and also his own self.

 

 Tekst 38

Hij die Indra had overwonnen [zie 8.15], telkens weer opnieuw de voeten van de Opperheer vastgrijpend, sprak, met een hart vertederd van liefde, tranen in zijn ogen van de vervoering en zijn haren overeind, o Koning, met zijn woorden gesmoord.

Taking hold of the Lords' lotus feet again and again, Bali, the conqueror of Indra's army, spoke from his heart, which was melting out of his intense love. O King, as tears of ecstasy filled his eyes and the hair on his limbs stood on end, he began to speak with faltering words.

 

 Tekst 39

Bali zei: 'Mijn eerbetoon voor Ananta, het Grootste Wezen; mijn eerbetuigingen voor Krishna, de Absolute Waarheid, de Superziel, de Verbreider en Schepper van de analytische kennis [sânkhya, zie 3.25-32] en de wetenschap van de [bhakti-]yoga.

King Bali said: Obeisances to the unlimited Lord, Ananta, the greatest of all beings. And obeisances to Lord Krishna, the creator of the universe, who appears as the impersonal Absolute and the Supersoul in order to disseminate the principles of sânkhya and yoga.

 

 Tekst 40

U voor ogen hebben is inderdaad iets dat, hoewel door de levende wezens zelden bereikt, niettemin nog steeds voor mensen als wij, die van nature in de hartstocht en de onwetendheid verkeren, niet moeilijk voor elkaar te krijgen is met U zich inspannend ons op eigen initiatief te bereiken [zie B.G. 3: 21-23].

Seeing You Lords is a rare achievement for most living beings. But even persons like us, situated in the modes of passion and ignorance, can easily see You when You reveal Yourself by Your own sweet will.

 

 Tekst 41-43

De zonen van Diti en Dânu, de zangers van de hemel, de vervolmaakten, de wetenschappers, de eerbiedwaardigen, de schatbewaarders, de wilden, de vleeseters en de paranormalen, de mystici, de politici, wij en anderen zoals zij, zijn voortdurend gefixeerd met een zekere rancune jegens de Rechtstreekse Belichaming van de Zuivere Goedheid wiens goddelijke gedaante de geopenbaarde geschriften omvat; sommigen zijn bijzonder obstinaat met hatelijkheid, sommigen zijn van toewijding met nevenmotieven, terwijl de verlichte zielen en de rest, verzot in de goedheid, niet zo aangetrokken zijn [en toch weer wel, vergelijk: het atmarâma-vers 1.7: 1].

Many who had been constantly absorbed in enmity toward You ultimately became attracted to You, who are the direct embodiment of transcendental goodness and whose divine form comprises the revealed scriptures. These reformed enemies include Daityas, Dânavas, Gandharvas, Siddhas, Vidyâdharas, Câranas, Yakshas, Râkshasas, Pis'âcas, Bhûtas, Pramathas and Nâyakas, and also ourselves and many others like us. Some of us have become attracted to You because of exceptional hatred, while others have become attracted because of their mood of devotion based on lust. But the demigods and others infatuated by material goodness feel no such attraction for You.

 

 Tekst 44

O Beheerser, als zelfs niet de meesters van de yoga Uw begoochelende yoga kennen die merendeels in dit soort termen [van het svarûpa en vis'esha identiteitsspel] wordt gekenschetst, wat houdt dat dan wel niet voor ons in?

What to speak of ourselves, O Lord of all perfect yogîs, even the greatest mystics do not know what Your spiritual power of delusion is or how it acts.

 

 Tekst 45

Daarom, o toevlucht van de lotusvoeten waar de onzelfzuchtigen naar op zoek zijn, heb genade met ons en leidt ons weg uit de donkere put van het huishoudelijk bestaan, zodat ik in vrede alleen moge rondtrekken of anders tezamen met de vrienden van allen [de heiligen, toegewijden, vaishnava's, wensbomen] een ieder in de wereld behulpzaam, aan wiens voeten het onderhoud [de 'vritti'] wordt verkregen.

Please be merciful to me so I may get out of the blind well of family life - my false home - and find the true shelter of Your lotus feet, which selfless sages always seek. Then, either alone or in the company of great saints, who are the friends of everyone, I may wander freely, finding life's necessities at the feet of the universally charitable trees.

 

 Tekst 46

AlstUblieft geef ons leiding o beheerser van hen die beheerst zijn, maak ons zondeloos o Meester, maak van ons een persoon die met geloof te werk gaand vrij komt van [schriftuurlijke] fixaties.'

O Lord of all subordinate creatures, please tell us what to do and thus free us of all sin. One who faithfully executes Your command, O master, is no longer obliged to follow the ordinary Vedic rites.

 

 Tekst 47

De Opperheer zei: 'Eens, ten tijde van de eerste Manu, waren er van Marîci zes zonen geboren uit Ûrnâ, halfgoden, die lachten bij het zien van het ja [van 'kam', of Brahmâ in dit geval] ter voorbereiding van het copuleren met een dochter [genaamd Vâk, zie 3.12: 28-35, vergelijk 3.20: 23].

The Supreme Lord said: During the age of the first Manu, the sage Marîci had six sons by his wife Ürnâ. They were all exalted demigods, but once they laughed at Lord Brahmâ when they saw him preparing to have sex with his own daughter.

 

 Tekst 48-49

Daarmee belandden ze, van het onverlichte van de ongepaste daad, prompt in een baarmoeder om van Hiranyakas'ipu geboorte te nemen, waarna zij, door Yogamâyâ overgebracht, geboorte namen uit de schoot van Devakî, o Koning, en door Kamsa werden vermoord. Zij weeklaagt over hen als zijnde haar zoons; zij, deze zelfde zoons leven hier bij u [zie ook ** en 10.2*].

Because of that improper act, they immediately entered a demoniac form of life, and thus they took birth as sons of Hiranyakas'ipu. The goddess Yogamâyâ then took them away from Hiranyakas'ipu, and they were born again from Devakî's womb. After this, O King, Kamsa murdered them. Devakî still laments for them, thinking of them as her sons. These same sons of Marîci are now living here with you.

  

 Tekst 50

We willen ze van hier meenemen om een einde te maken aan de droefenis van hun moeder; daarna zullen ze, met de vloek opgeheven, vrij van de koorts naar hun eigen wereld gaan.

We wish to take them from this place to dispel their mother's sorrow. Then, released from their curse and free from all suffering, they will return to their home in heaven.

 

 Tekst 51

Bij Mijn genade zullen deze zes - Smara [Kîrtimân, zie 10.1: 57], Udgîtha, Parishvanga, Patanga, Kshudrabhrit en Ghrinî - terugkeren naar de bestemming der geheiligden.'

By My grace these six - Smara, Udgîtha, Parishvanga, Patanga, Kshudrabhrit en Ghrinî - will return to the abode of pure saints.

 

 Tekst 52

Aldus sprekend namen Ze, beiden geëerd door Bali, hen mee terug naar Dvârakâ en presenteerden Ze de zoons aan hun moeder.

[S'ukadeva Gosvâmî continued:] After saying this, Lord Krishna and Lord Balarâma, having been duly worshiped by Bali Mahârâja, took the six sons and returned to Dvârakâ, where They presented them to Their mother.

  

 Tekst 53

Het de jongens weerzien deed de borsten van de godin door de genegenheid voor haar zoons vloeien, en ze op haar schoot nemend omhelsde ze hen, steeds weer hun hoofden beruikend.

When she saw her lost children, Goddess Devakî felt such affection for them that milk flowed from her breasts. She embraced them and took them onto her lap, smelling their heads again and again.

 

 Tekst 54

Verbijsterd door Vishnu's illusiewekkende vermogen waarvan de schepping zijn bestaan vindt, stond ze het haar zoons liefdevol toe van haar borsten nat van hun aanraken te drinken.

Lovingly she let her sons drink from her breast, which became wet with milk just by their touch. She was entranced by the same illusory energy of Lord Vishnu that initiates the creation of the universe.

 

 Tekst 55-56

Na haar nectargelijke melk gedronken te hebben, die restte van de melk die de hanteerder van de Knots dronk [voordat Vasudeva Hem naar Gokula droeg], herwonnen zij door de aanraking van het lichaam van Nârâyana het zicht op hun oorspronkelijke zelven. Neerbuigend voor Govinda, Devakî, hun vader en Balarâma gingen ze, met alle mensen gadeslaand, naar de plaats waar de goden zich ophouden.

By drinking her nectarean milk, the remnants of what Krishna Himself had previously drunk, the six sons touched the transcendental body of the Lord, Nârâyana, and this contact awakened them to their original identities. They bowed down to Govinda, Devakî, their father and Balarâma, and then, as everyone looked on, they left for the abode of the demigods.

 

 Tekst 57

Met het aanschouwen van dit wederkeren en weer vertrekken van de doden, dacht de goddelijke Devakî in grote verwondering na over de magie zoals beschikt door Krishna, o Koning.

Seeing her sons return from death and then depart again, saintly Devakî was struck with wonder, O King. She concluded that this was all simply an illusion created by Krishna.

 

 Tekst 58

Van Krishna, de Opperziel onbegrensd in Zijn heldenmoed, bestaan er een talloos aantal heldendaden als deze, o nazaat van Bharata.'

S'rî Krishna, the Supreme Soul, the Lord of unlimited valor, performed countless pastimes just as amazing as this one, O descendant of Bharata.

 

 Tekst 59

S'rî Sûta zei [te Naimishâranya, 1.1: 4]: "Wie ook die, zoals beschreven door Vyâsa's gerespecteerde zoon, devoot luistert naar of vertelt over deze wederwaardigheid van Murâri aan wiens glorie geen grenzen gesteld zijn, zal, met deze ware verrukking voor de oren van Zijn toegewijden die de zonden van het levend wezen totaal uitbant, met het vestigen van zijn geest op de Allerhoogste Heer, naar Zijn aan alle zegeningen rijke hemelse verblijfplaats gaan."

S'rî Sûta Gosvâmî said: This pastime enacted by Lord Murâri, whose fame is eternal, totally destroys the sins of the universe and serves as the transcendental ornament for His devotees' ears. Anyone who carefully hears or narrates this pastime, as recounted by the venerable son of Vyâsa, will be able to fix his mind in meditation on the Supreme Lord and attain to the all-auspicious kingdom of God.

 

* De paramparâ voegt hier aan toe dat er negen standaardprocessen van toegewijde dienst zijn zoals Prahlâda dat aangeeft in 7.5: 23-24, en dat de laatste, âtma-samarpanam, het overdragen van je rijkdom zoals voorgeleefd door Bali Mahârâja ter wille van de âtma-nivedanam van zelfcommunicatie met de Heer, de culminatie is waar ieder ondernemen op uit zou moeten zijn. Als men poogt de Heer onder de indruk te brengen met rijkdom, macht, intelligentie en zo voorts maar er niet in slaagt zichzelf nederig te begrijpen als zijnde Zijn dienaar, is iemands zogenaamde toewijding slechts een aanmatigende vertoning. De paramparâ waarschuwt hier aldus tegen de valse religie van pompeuze ceremoniën zonder achting voor het zich terugtrekken in de yoga als met Daksha in 4.2. Zie ook B.G 2.42-43.

** De paramparâ legt met de âcârya's S'rîdhara Svâmî en Vis'vanâtha Cakravartî uit dat na het van Hiranyakas'ipu wegnemen van Marîci's zes zoons, Heer Krishna's Yogamâyâ ze eerst deed belanden in nog een extra leven als de kinderen van een andere grote demon, Kâlanemi [de voorgaande incarnatie van Kamsa, zie 10.1: 68], en toen bracht ze ze ten slotte over naar de schoot van Devakî. Zie voor het volledige verhaal voetnoot 10.1***.

 

 

 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Produktie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties