regelbalk



 

Canto 7

Jaya Râdhâ Mâdhava 1

 

 

Hoofdstuk 9: Prahlâda stemt Heer Nrisimhadeva gunstig met Gebeden

(1) Nârada Muni zei [tot Yudhishthhira]: 'Geen van de Sura's aangevoerd door Brahmâ en S'iva, kon naar voren treden daar Hij, kokend van woede, zeer moeilijk te benaderen was. (2) De Godin van het Geluk die er persoonlijk door de halfgoden toe werd aangespoord, kon nadat ze Hem zo groots en wonderbaarlijk had waargenomen als nog nooit iemand Hem eerder had gehoord of gezien, er niet toe komen omdat ze zeer bang was. (3) Heer Brahmâ drong er toen bij Prahlâda op aan die vlak bij hem stond: 'Mijn beste zoon, zou je alsjeblieft naar de Heer toe kunnen gaan om Hem gunstig te stemmen? Hij is namelijk zeer kwaad over wat je vader heeft gedaan.'

(4) 'Jazeker' zei hij en hoewel hij maar een kleine jongen was benaderde de grote toegewijde Hem stapje voor stapje heel langzaam o Koning en wierp zich languit op de grond terwijl hij met gevouwen handen gebeden bracht. (5) De godheid was door hem, zo'n kleine jongen neergevallen aan Zijn lotusvoeten, hoogst ontroerd en vol van genade hief Hij Zijn lotushand, plaatste die op zijn hoofd en verdreef de angst voor de slang van de tijd uit de geesten van allen [daar aanwezig]. (6) Vanwege die aanraking werd hij schoongewassen van alle kwaad en terstond smolt zijn hart in deze omgang met de Superziel, aan Zijn lotusvoeten, in gelukzaligheid. Met Hem in zijn hart welden de tranen op in zijn ogen en manifesteerden zich tekenen van extase over heel zijn lichaam. (7) Met zijn geest eenpuntig hoogst geconcentreerd en met een van liefde haperende stem, begon hij in de volle overgave van zijn hart en geest gebeden voor de Heer op te zeggen.

(8) S'rî Prahlâda zei: 'Al de Sura's onder leiding van Brahmâ, al de heiligen en anderen volmaakt in de geaardheid goedheid, waren eenpuntig gericht, ondanks hun kwaliteiten, er niet toe in staat om U te behagen met hun woordenstroom. Hoe kan Hij, deze Heer, nu tevreden zijn met mijn woorden? Ik werd geboren als een Asura. (9) Ik denk dat rijkdom, een goede geboorte, een fraai lichaam, boetvaardigheid, Vedische kennis, talent, energie, invloed, kracht, ijver, intelligentie en mystiek vermogen helemaal niet zullen bevredigen. De geest vindt zijn bevrediging door bhakti, precies zoals de Allerhoogste Heer werd behaagd door Gajendra [de olifant]. (10) Een geschoold iemand die zich uitgerust met deze twaalf eigenschappen [zie ook *] niet bekommert om de lotusvoeten van Hem uit wiens navel de lotus ontsproot, beschouw ik niet zo gezegend als een man van lage komaf die zijn geest, woorden, welvaart, leven en alles wat hij doet aan Hem wijdt. Hij immers zuivert daarmee zijn familie terwijl iemand die teveel met zijn verstand bezig is dat niet doet. (11) Welk respect een onbewust iemand ook toont voor de innerlijk altijd tevreden Allerhoogste Heer, aanvaardt Hij niet zo zeer genadevol voor Zijn eigen heil, maar voor het heil van de toegewijde in kwestie, net zoals de weerkaatsing in een spiegel er is voor de heerlijkheid van iemands eigen gezicht. (12) Daarom zal ik vrij van dat idee van ongeschikt zijn in volle overgave aan de Heer naar mijn beste kunnen en inzicht me richten op Zijn Heerlijkheid, hoe laaggeboren ik ook ben. Als men onwetend deze wereld heeft betreden kan men om gezuiverd te raken het beste Zijn heerlijkheid beschrijven en bezingen [zie ook B.G. 18: 55]. (13) Allen die Uw opdrachten naleven zoals Brahmâ en de andere halfgoden verkeren natuurlijk steeds in goedheid o Heer, maar wij [de Asura's] zijn niet zoals zij en verkeren steeds in angst. En zo stelt men dan dat de incarnaties van Uwe Heerlijkheid in deze materiële wereld er zijn ter bevordering van het geluk van de ziel en de eer en glorie van Uw bescherming en welvaart. (14) Wees daarom niet langer vertoornd over de Asura die U vandaag doodde. Zelfs de heiligen zijn er gelukkig mee als een schorpioen of slang gedood wordt. De waarheid is dat al de werelden blij zijn over wat er gebeurd is en dat al hun bewoners Uw gedaante graag willen herinneren als degene die hun angst heeft verdreven. (15) Zelf ben ik niet bang voor Uw angstwekkende mond, tong, vuur schietende ogen en vertrokken gezicht o Onoverwinnelijke, Uw sterke bloeddorstige tanden of slinger van ingewanden en bloederige manen, Uw gespitste oren, Uw gebrul dat zelfs de olifanten angst aanjaagt of de nagels die de vijand doorboorden. (16) Maar ik ben wel bang o Genadevolle, Zorgzame Vader, voor de onverdraaglijke, naargeestige herhaling van geboorte en dood, voor de ellendige omstandigheid te moeten leven tussen de roofdiermensen en voor het gebonden zijn aan de handelingen en terugslagen van het karma o Onoverkomelijke. Wanneer roept U tevreden met mij, me aan de basis van Uw voeten die de toevlucht vormen in deze oceaan der materie? (17) Omdat men zijn geboorte neemt is men, in zijn aangename dan wel minder aangename bestaan van verenigd zijn met de wereld, gescheiden [van U] en moet men branden in het vuur der treurnis, ongeacht het lichaam waar men in verkeert. Bovendien moet men evenzogoed lijden onder de remedies tegen deze misère waarin men het lichaam voor het ware zelf houdt. Ik o Allergrootst Wezen dool rond in dit bestaan. AlstUblieft zeg me hoe ik in Uw yoga van dienst kan zijn. (18) Ik zal op die manier, door steeds weer te luisteren naar de verhalen over Uw doen en laten als de weldoener en Allerhoogste Godheid o Nrisimha, zonder moeite [de oceaan van de materie] oversteken en vrij zijn van het besmet zijn door de geaardheden der natuur. In de omgang met de bevrijde zielen zal ik bevrijding vinden van alle ellende met Uw twee voeten als mijn thuishaven. (19) Al de zaken waar U geen belangstelling voor heeft maar die in deze wereld gekoesterd worden door hen die in een lichaam zijn opgesloten vormen slechts de schijn van een remedie: het ouderschap waar een klein kind zijn toevlucht in zoekt o Nrisimha, het medicijn dat een patiënt nodig heeft, de reddingboot voor een persoon verdrinkend in de oceaan of de tegenmaatregel voor een persoon die lijdt o Almachtige, [vormen allen slechts tijdelijke oplossingen]. (20) Welke omstandigheid het ook betreft, wat dan ook de reden schijnt te zijn, welke tijd het ook moge wezen, waardoor dan ook of in verhouding tot wat dan ook, waar dan ook door veroorzaakt of terwille waarvan dan ook, op welke manier dan ook of van welke aard ook iets mag zijn, is zeker allemaal slechts een andere verschijningsvorm van de Allerhoogste Werkelijkheid. Of anders gesteld: in de natuur treft men als gevolg van allerlei veranderingen een specifieke vorm van afgescheidenheid aan, maar welke vorm die ook aanneemt, het betreft altijd een manifestatie van Uw energie o Heer. (21) Het illusoire van de materie schept een geest die de bron vormt van moeilijk te beheersen baatzuchtige handelingen [ofwel karma]. Deze handelingen zijn geconditioneerd door de Tijd die de drie geaardheden der natuur in beroering brengt en die door de persoon [op een bepaalde manier] wordt gerespecteerd. Aldus verslagen door de uitnodigende maar begoochelende materie krijgt men te maken met de zestien spaken [van de waarnemende en handelende zinnen, de elementen en de geest] van het rad der wedergeboorte o Ongeborene. Wie kan hier anders dan op Uw manier nu uitkomen [zie ook B.G. 9: 25]? (22) U bent dat ene element van de Tijd waaraan de ziel overwonnen door de geaardheden van Uw heerschappij, altijd en eeuwig is overgeleverd. Ik hier aanwezig als een vorm van materiële energie die in al zijn verzakingen en verschijningsvormen bepaald wordt door Uw cyclische controle, sta daar machteloos tegenover o Heer en Meester. Ik wordt geplet onder het wiel met de zestien spaken. AlstUblieft redt me hieruit o Almachtige, ik heb me geheel aan U overgegeven. (23) O Almachtige ik heb gezien hoe mensen in het algemeen de levensduur, weelde en glorie van de vrome leiders van de hemel begeren. Maar onze vader die dit alles [voor zichzelf] wenste werd simpelweg met de opgeroepen lach van Uw expansie [als Nrisimha] in een oogwenk door U naar beneden gehaald en compleet vernietigd. (24) Daarom verlang ik er niet naar om zo lang te leven als Heer Brahmâ of rijk en machtig te zijn. Ik weet waar al die dwaze zegening van de zinnen van het belichaamd wezen toe leidt. Ik heb er geen behoefte aan te worden aangepakt door U die als de Meester van de Tijd zo machtig bent. Leidt me alstUblieft naar de kant van Uw dienaren. (25) Hoe is men in dit lichaam dat aan zo vele ziekten kan lijden nu gezegend met zaken die goed klinken maar als een luchtspiegeling in de woestijn zijn? Ofschoon de mensen dit heel goed weten proberen ze het vuur van het verlangen te blussen met kleine druppeltjes moeilijk te krijgen honing [tijdelijk geluk], maar leren dat niet af. (26) In wat voor positie bevind ik me nu? Hoe kan ik het nu beter doen gegeven het feit dat ik in een familie die ver verwijderd is van de staat van verlichting geboren werd in het duister van een lichaam dat bewogen wordt door de hartstocht? De lotushand van Uw grondeloze genade die U mij op mijn hoofd hebt gelegd als teken van Uw goedertierendheid, zou er zelfs niet zijn voor Heer Brahmâ, voor Heer S'iva of de Godin van het Geluk! (27) Van de kant van Uwe Heerlijkheid als de vriend van de ganse wereld kan er geen onderscheid gemaakt worden tussen hoger en lager geboren levende wezens. Niettemin is er van U al naar gelang de geleverde dienst, als met een wensboom, de zegening die is gereserveerd voor hen die U dienen, ongeacht of ze nu van een hoger niveau zijn of niet [zie ook 2.3: 10 en B.G. 4: 33, 9: 25]. (28) De gewone man die in zijn materiële bestaan het voorwerp van zijn begeerte najaagt is in een overwoekerde put vol van slangen gevallen. Ik die door slecht gezelschap net als die persoon in die toestand ben beland, werd door de Surawijze [Nârada], o Allerhoogste Heer, in vertrouwen genomen en naar de waarheid van de ziel geleid. Hoe zou ik ook ooit kunnen afzien van de dienstverlening van Uw zuivere dienaar? (29) O Onbegrensde, door mijn leven te redden en mijn vader te doden beschouw ik de woorden van Uw dienaar de rishi als waar. U bewees zich immers toen mijn vader met kwaad in de zin zijn zwaard ter hand nam en zei: 'Laat die heerser anders dan ik je maar eens redden nu ik je hoofd eraf zal slaan.'

(30) 'Dit universum overal om ons heen vormt de Eenheid die U alleen bent. U bestaat afzonderlijk van dit universum dat een begin, een midden en een eind kent dat U geschapen heeft middels de drie geaardheden van de natuur. Die oerkwaliteiten geven Uw uitwendig vermogen gestalte. Alles wat die verscheidenheid uitmaakt heeft zijn regeling aan U te danken die er Zelf in bent binnengegaan [zie ook B.G. 9: 4]. (31) O Heer U bent er als het gehele universum dan wel als degene die er los van staat; U bent de oorzaak èn het gevolg. Het onderscheid tussen de materiële energie van Uw schepping en U als zijnde een ander Zelf is een illusoire notie. De substantie van iets is gelijk aan die van de vorm waarin ze verschijnt; dat waaruit U bestaat is gelijk aan dat waar de manifestatie van de schepping die wordt gehandhaafd en vernietigd uit bestaat, net zoals het is met de boom en zijn zaad en de aarde en haar seizoenen. (32) Met het weer in U opnemen van dit universum in Uzelf ervaart U, in de oceaan opgaand in Uzelf, de gelukzaligheid en lijkt U niets te doen. Maar als U in Uw bewustzijnsvereniging Uw ogen gesloten heeft hebt U ook de slaap opgedronken. Zonder de materiële slaap en zonder de geaardheden te behouden verkeert U dan in de eenheid van de hoogste staat van bewustzijn [turîya, de vierde staat] (33) Nadat U uit Uw sluimer op het bed van Ananta in de causale oceaan ontwaakte, verscheen de grote lotus van al de werelden uit Uw navel zoals een bananenboom dat doet uit zijn zaad. Dat kosmische lichaam van U, dit universum aangedreven door de tijdfactor, vormt Uw manier van omgaan [in de vorm van de geaardheden en hun godheden] met de materiële kwestie [met prakriti]. (34) Hij van de kennis [Brahmâ] die voortkwam uit die lotus kon niemand anders ontwaren. Uwe Heerlijkheid had zich als het zaadje immers tot hem uitgebreid. Hij dook toen onder in het water voor een honderdtal halfgodenjaren, niet begrijpend hoe een zaadje eenmaal gekiemd o mijn Heer, niet meer kan worden waargenomen [zie 3.8]. (35) Hij, enkel maar uit zichzelf geboren, was er zeer verbaasd over zich op die lotus aan te treffen. Na de nodige tijd door verschillende zware boetedoeningen te zijn gezuiverd, vond hij dan U o Heer, die zich zeer subtiel, zoals de geur in de aarde, verspreidt door heel het zinnelijk wezen dat zo vol van begeerten is. (36) Heer Brahmâ bereikte aldus de bovenzinnelijke gelukzaligheid want hij kreeg in één oogopslag de Allerhoogste Persoon uitgerust met allerlei sieraden, wapens en tekenen te zien, die met duizenden gezichten, voeten, handen en dijen, neuzen, oren en ogen, Zijn volle vermogen aan hem openbaarde.  (37) Met het aanvaarden van het hoofd van een paard in een incarnatie, doodde U twee zeer machtige demonen genaamd Madhu en Kaitabha die de geaardheden traagheid en hartstocht vertegenwoordigden. U overhandigde aan Heer Brahmâ vervolgens de s'ruti [de vier Veda's] om reden waarvan men Uw hoogst gewaardeerde gedaante [Hayagrîva geheten] eert als een belichaming van de zuivere goedheid [zie ook 5.18: 18 en B.G. 4: 7]. (38) Door aldus al naar gelang de yuga in kwestie te verschijnen in verschillende incarnaties als een menselijk wezen, een heilige, een god of een waterdier, beschermt U al de werelden. Daarbij doodt U soms de lastpakken van de wereld ter verdediging van het dharma, o Allerhoogste Persoonlijkheid, maar omdat U in Kali-yuga verhuld [channa] optreedt wordt U, als men van U spreekt als één en dezelfde persoon, Triyuga genoemd [vanwege Uw herkenbaarheid in de drie andere yuga's, zie ook 11.5: 32]. (39) Een geest die niet afgestemd is op Uw bovenzinnelijke verhalen, is vanwege de zonden waar hij mee sympatiseert in zijn ver verwijderd zijn van de Heer van Vaikunthha, verontreinigd, oneerlijk en moeilijk te beheersen. Vol van verlangens en lusten is hij vanwege de daarmee samenhangende driften van toppen en dalen, angsten en leed. Zeg me hoe ik, die met zo'n geest armzalig en gevallen ben, Uw verheven bedoeling moet begrijpen. (40) De tong leidt me af in deze richting o Onfeilbare en de geslachtsdelen trekken me niet tevreden een andere kant op. Zo ook gaat de huid, de maag en het oor in die richting terwijl de ogen uitkijken naar weer iets anders. Aldus halen de ijverige, actieve zinnen gezamenlijk iemand naar beneden zoals bijvrouwen een huisvader naar beneden halen. (41) Omdat ik hierdoor met m'n karma ben beland in de Vaitaranî rivier [voor de poort van de dood], lijdt ik, de ene na de andere geboorte van alles en nog wat etend, er helaas onder dat ik er aldoor banger van ben om te zien hoe het levende wezen, als de gevangene van zijn eigen lichaam en verstrikt in de omgang met andere lichamen, van vijandschap dan wel vriendschap is. U die ons vanaf de andere zijde van die rivier Uw genade wilt tonen, wij hier zijn tegenwoordig niets meer dan een stel dwazen. (42) O Meester van Allen, wij vriendelijke mensen willen altijd graag in deze kwestie van dienst zijn. O Allerhoogste Heer, wat staat Uw grote mededogen in de weg om ervoor te zorgen dat wij, materialistische dwazen, worden gered van de oorzaak van het steeds maar weer op poten moeten zetten, volhouden en weer de mist ingaan [met onze karmische ondernemingen] o Vriend der Behoeftigen? (43) O Allerhoogste, omdat mijn geest opgaat in het bezingen en getuigen van Uw zoete oceaan van heerlijkheden, ben ik vrij van zorgen wat betreft de moeilijk over te steken Vaitaranî [die deze wereld is]. Ik maak me eerder zorgen over die dwazen die verstoken van de bevrijding in het dragen van de last van hun zinsbelang plannen maken ten gunste van schijnvormen van geluk en plichtsbetrachting [zie ook 6.17: 28]. (44) Over het algemeen, o Godheid, trekken de heiligen, ambitieus uit zijnde op hun eigen verlossing, in stilte door afgelegen gebieden zonder bijzonder geïnteresseerd te zijn in een leven voor het heil van andere mensen. Maar ik wil niet zoals zij dat doen mijn medemensen die in ellende verkeren links laten liggen. Ik verlang de bevrijding niet voor mij alleen. Ik heb er geen vrede mee als ik andere mensen buiten deze toevlucht van U om zie ronddolen. (45) Alles wat met het huishoudelijk seksueel geluk te maken heeft, stelt niet meer voor dan het in je handen wrijven om van de jeuk af te komen. De miserabele persoon raakt met dit soort anti-jeukbevrediging niet verlost van al zijn ongemak en onvrede en staat zo ten dienste van allerlei vormen van ongeluk. Pas als men dat soort imaginair geluk herkent en de jeuk weet te verdragen [d.w.z. de 'noodzaak niet voorbij streeft', zie ook B.G. 7: 11 & 14] kan men intelligentie, stabiliteit en energie [dhîra] ontwikkelen [zie tevens Y.S. II: 38 & 40]. (46) Stilte, geloften, Vedische kennis, verzaking, studie, plichtmatigheid, uitleg van de geschriften, alleen wonen, bidden en verzonkenheid, behoren tot het pad der bevrijding, maar vaak maken deze zaken [deze tien activiteiten om geëmancipeerd te raken] deel uit van een vorm van levensonderhoud gepraktiseerd door lieden die hun zinnen helemaal niet de baas zijn o mijn Heer. Aldus is het wat dit betreft de vraag of men niet te maken heeft met hypocrisie[: is er geen sprake van een schijnvertoning? Zie ook 6.1: 16].  (47) De twee vormen van Uw [bovenzinnelijke] oorzaak en [materiële] effect zoals uitgelegd in de Veda's, zijn als het zaadje en zijn spruit. Maar U zonder een specifieke vorm bent tevens niet één van deze twee vormen. Zij die zich verbinden in Uw Yoga [de bhakti-yoga toegewijden] kunnen deze twee aspecten, als het hout en het vuur in het hout, duidelijk voor ogen zien en dit kan niet op welke andere manier dan ook worden bereikt. (48) U bent de lucht, het vuur, de aarde, de ether en het water, de zinsobjecten, de levenskracht, de zinnen, de geest, het bewustzijn en al de bijbehorende ondersteunende goddelijkheid. U bent dat alles, die unieke natuur der geaardheden alsook degene voorbij aan alles. O mijn Heer, wat er ook gemanifesteerd is of zich uitdrukt in de geest en in woorden, het is niemand anders dan U. (49) Al de geaardheden der natuur niet, noch de hun overheersende goden; het geheel van de kosmische intelligentie, het valse ego, de stoffelijke en subtiele elementen, de zinnen en hun objecten niet, noch zij die zo nadenkend zijn in de omgang met al de goddelijken en de sterfelijken die allen een begin en een einde kennen... o Heer verheerlijkt door al de heiligen, geen van hen allen is er werkelijk toe in staat dat wat allemaal het Uwe is te omvatten en daarom onderbreken alle intelligente zielen hier hun bewijsvoeringen [en gaan vervolgens over tot Uw toegewijde dienst. Zie ook B.G. 2: 52].'

(50) 'Daarom biedt ik U o Beste der Aanbedenen, mijn eerbetuigingen en doe ik mijn gebeden in de eredienst, span ik me voor U in, herinner ik mij U, koester ik Uw lotusvoeten en luister ik altijd naar de verhalen over U. Hoe kan een persoon zonder U te vereren op al deze zes manieren nu van bhakti zijn voor U die het doel vormt voor de besten der transcendentie [vergelijk 7.5: 23-24, zie voor verdere gebeden tot Heer Nrisimha 5.18: 7-14]?'

(51) S'rî Nârada zei: 'Tot zover heb ik de bovenzinnelijke kwaliteiten beschreven van de bhakta in zijn bhakti. De Heer verheven boven de geaardheden die behaagd was en Zijn woede onder controle had, richtte zich toen tot hem die zich aan Zijn voeten had overgegeven. (52) De Allerhoogste Heer zei: 'Prahlâda Mijn lieve jongen, al het goede zij je toegewenst, ik ben blij met jou o beste der Asura's. Je mag  Me welke gunst vragen die je ook maar van Mij verlangt, want Ik ben de vervulling van al de wensen van een ieder. (53) Geniet een lang leven! Hij die Mij niet behaagt kan Mij moeilijk aanschouwen! Maar als iemand Mij gezien heeft, verdient hij het zich niet meer over zichzelf te hoeven te beklagen. (54) Om die reden o fortuinlijke, wensen stabiele, intelligente en energieke toegewijden die zich weten te gedragen en het beste wensen [voor een ieder], Mij, de Meester van Alle Zegeningen, in ieder opzicht te behagen.'

(55) S' Nârada zei: 'Maar ondanks dat hij verlokt werd tot wereldse zegeningen, wilde de beste der Asura's niets van dat alles waar men zo naar verlangt, hij ging enkel voor de Allerhoogste Heer [zie ook S'rî S'rî S'ikshâshthaka vers vier].'  
 

 

next                          

 
Derde herziene editie, geladen 27 maart, 2012.

 

 

 

Vorige Aadhar-editie en Vedabase links:

Tekst 1

Nârada Muni zei [tot Yudhishthhira]: 'Geen van de Sura's aangevoerd door Brahmâ en S'iva, kon naar voren treden daar Hij, kokend van woede, zeer moeilijk te benaderen was.
Nârada Muni zei [nog steeds tot Yudhishthhira]: 'Al de sura's aldus vertegenwoordigd door Brahmâ en S'iva waagden het niet naar voren te treden daar Hij kokend van woede zeer moeilijk te benaderen was. (Vedabase)

Tekst 2

De Godin van het Geluk die er persoonlijk door de halfgoden toe werd aangespoord, kon nadat ze Hem zo groots en wonderbaarlijk had waargenomen als nog nooit iemand Hem eerder had gehoord of gezien, er niet toe komen omdat ze zeer bang was.

De Godin van het Geluk die op verzoek van de goden er mee werd geconfronteerd, kon, nadat ze Hem zo groots en wonderbaarlijk zag, zoals nog nooit iemand voordien Hem had gehoord of gezien, ook niet in Zijn nabijheid komen daar ze zelf zeer bang was. (Vedabase)

 

Tekst 3

Heer Brahmâ drong er toen bij Prahlâda op aan die vlak bij hem stond: 'Mijn beste zoon, zou je alsjeblieft naar de Heer toe kunnen gaan om Hem gunstig te stemmen? Hij is namelijk zeer kwaad over wat je vader heeft gedaan.'

Prahlâda naar Heer Brahmâ toegebracht werd verzocht: 'Mijn beste zoon, zou je alsjeblieft naar de Heer toe kunnen gaan en Hem gunstig stemmen daar hij zeer kwaad is over wat je vader heeft gedaan.' (Vedabase)

 

Tekst 4

'Jazeker' zei hij en hoewel hij maar een kleine jongen was benaderde de grote toegewijde Hem stapje voor stapje heel langzaam o Koning en wierp zich languit op de grond terwijl hij met gevouwen handen gebeden bracht.

'Zo zij het' zei hij en heel langzaam, o Koning, kwam de grote toegewijde, hoewel hij maar een kleine jongen was, stapje voor stapje in Zijn buurt en ging hij voorover voor Hem op de grond, gebeden brengend met gevouwen handen. (Vedabase)

  

Tekst 5

De godheid was door hem, zo'n kleine jongen neergevallen aan Zijn lotusvoeten, hoogst ontroerd en vol van genade hief Hij Zijn lotushand, plaatste die op zijn hoofd en verdreef de angst voor de slang van de tijd uit de geesten van allen [daar aanwezig].

Met hem, zo'n kleine jongen, aan Zijn lotusvoeten neergevallen was de godheid zo genadevol hoogst ontroerd en met het heffen van Zijn lotushand die Hij op zijn hoofd plaatste, verdreef hij uit alle geesten de angst over de slang van de tijd [naar zijn vier fysieke noodzakelijkheden van âhâra, nidrâ, bhaya en maithuna; eten, slapen, zich bezorgen of verdedigen en paren]. (Vedabase)

 

Tekst 6

Vanwege die aanraking werd hij schoongewassen van alle kwaad en terstond smolt zijn hart in deze omgang met de Superziel, aan Zijn lotusvoeten, in gelukzaligheid. Met Hem in zijn hart welden de tranen op in zijn ogen en manifesteerden zich tekenen van extase over heel zijn lichaam.

Hij vanwege die aanraking schoongewassen van alle onzuiverheden, vertoonde, in de omgang met de Superziel ofwel de werkelijkheid van Zijn lotusvoeten, vanuit een hart overweldigd en gegrepen door geestelijke verrukking, de symptomen der extase over heel zijn lichaam met tranen opwellend in zijn ogen. (Vedabase)

 

Tekst 7

Met zijn geest eenpuntig hoogst geconcentreerd en met een van liefde haperende stem, begon hij in de volle overgave van zijn hart en geest gebeden voor de Heer op te zeggen.

Met zijn geest eenpuntig in grote concentratie en met een van liefde haperende stem begon hij in de volle toewijding van zijn hart en geest de Heer gebeden te brengen. (Vedabase)

   

Tekst 8

S'Prahlâda zei: 'Al de Sura's onder leiding van Brahmâ, al de heiligen en anderen volmaakt in de geaardheid goedheid, waren eenpuntig gericht, ondanks hun kwaliteiten, er niet toe in staat om U te behagen met hun woordenstroom. Hoe kan Hij, deze Heer, nu tevreden zijn met mijn woorden? Ik werd geboren als een Asura.

S'rî Prahlâda zei: 'Al de sura's met Brahmâ aan het hoofd, al de heiligen zowel als de volmaakten van het spirituele leven eenpuntig in de opzet, waren met hun woordenstromen tot zoverre niet in staat U te behagen, hoe gekwalificeerd ze ook zijn; hoe kan het zo zijn dat Hij, deze Heer, met de mijne dat wel is, daar ik slechts van een asura geboorte ben? (Vedabase)

 

Tekst 9

Ik denk dat rijkdom, een goede geboorte, een fraai lichaam, boetvaardigheid, Vedische kennis, talent, energie, invloed, kracht, ijver, intelligentie en mystiek vermogen helemaal niet zullen bevredigen. De geest vindt zijn bevrediging door bhakti, precies zoals de Allerhoogste Heer werd behaagd door Gajendra [de olifant].

Ik denk dat rijkdom, een goede geboorte, een fraai lichaam, boetvaardigheid, vedische kennis, talent, zinnigheid, invloed, kracht, ijver, intelligentie en mystiek vermogen in het geheel niet bevredigen; het Allerhoogste van de persoon is, zoals met Gajendra [de olifant] jegens de Allerhoogste Heer, tevreden gesteld met bhakti. (Vedabase)

 

Tekst 10

Een geschoold iemand die zich uitgerust met deze twaalf eigenschappen [zie ook *] niet bekommert om de lotusvoeten van Hem uit wiens navel de lotus ontsproot, beschouw ik niet zo gezegend als een man van lage komaf die zijn geest, woorden, welvaart, leven en alles wat hij doet aan Hem wijdt. Hij immers zuivert daarmee zijn familie terwijl iemand die teveel met zijn verstand bezig is dat niet doet.

Een geschoold iemand met al de twaalf kwalificaties [*] die zich niet bekommert om de lotusvoeten van Hem uit wiens navel de lotus ontsproot, beschouw ik niet als zo zegerijk als een man van lage komaf die van overgave is aan het Uiteindelijke, daar hij met zijn geest en woorden en alles wat hij doet, zijn welvaart en leven en familie zuivert, terwijl dat niet zo is met degene die denkt vanuit vals prestige. (Vedabase)

 

Tekst 11

Welk respect een onbewust iemand ook toont voor de innerlijk altijd tevreden Allerhoogste Heer, aanvaardt Hij niet zo zeer genadevol voor Zijn eigen heil, maar voor het heil van de toegewijde in kwestie, net zoals de weerkaatsing in een spiegel er is voor de heerlijkheid van iemands eigen gezicht.

Wat een persoon zonder enig idee ervan te hebben ook offert wordt aanvaard door de Allerhoogste Heer, daar dat voorzeker, met Hem die altijd gelukkig is van binnen, niet in Zijn eigen belang is; die aanbidding is er inderdaad voor iemands eigen heil, net zoals de weerkaatsing in een spiegel er is voor de heerlijkheid van iemands eigen gezicht. (Vedabase)

 

Tekst 12

Daarom zal ik vrij van dat idee van ongeschikt zijn in volle overgave aan de Heer naar mijn beste kunnen en inzicht me richten op Zijn Heerlijkheid, hoe laaggeboren ik ook ben. Als men onwetend deze wereld heeft betreden kan men om gezuiverd te raken het beste Zijn heerlijkheid beschrijven en bezingen  [zie ook B.G. 18: 55].

Het is om deze reden dat ik mezelf niet als ongeschikt moet beschouwen; in volle overgave aan de Beheerser zal ik naar mijn beste inzicht uitzien naar Zijn Heerlijkheid, hoe laaggeboren ik ook ben; met het in onwetendheid deze wereld binnengegaan zijn is zingen en reciteren daadwerkelijk de manier voor een persoon om gezuiverd te raken [zie ook B.G. 18.55]. (Vedabase)

 

Tekst 13

Allen die Uw opdrachten naleven zoals Brahmâ en de andere halfgoden verkeren natuurlijk steeds in goedheid o Heer, maar wij [de Asura's] zijn niet zoals zij en verkeren steeds in angst. En zo stelt men dan dat de incarnaties van Uwe Heerlijkheid in deze materiële wereld er zijn ter bevordering van het geluk van de ziel en de eer en glorie van Uw bescherming en welvaart.

Ik ben er zeker van dat, in tegenstelling tot ons [asura's], al deze volgelingen, zoals Brahmâ en zo meer, trouw en bevreesd zijn naar het principe van U die altijd van de goedheid bent o Heer, maar men stelt dat het voor de meerdere eer en glorie van Uw bescherming en verschaffing en het geluk van de ziel is dat U de incarnaties van Uwe Heerlijkheid in deze materiële wereld manifesteerde. (Vedabase)

 

Tekst 14

Wees daarom niet langer vertoornd over de Asura die U vandaag doodde. Zelfs de heiligen zijn er gelukkig mee als een schorpioen of slang gedood wordt. De waarheid is dat al de werelden blij zijn over wat er gebeurd is en dat al hun bewoners Uw gedaante graag willen herinneren als degene die hun angst heeft verdreven.

Wees daarom niet langer vertoornd over de asura die U vandaag doodde, zelfs de heiligen zijn gelukkig als een schorpioen of slang gedood wordt; inderdaad hebben al de werelden het genoegen gesmaakt en wachten zij allen, ernaar uitziend U te gedenken, af hoe deze gedaante van U hun angsten zal bezweren. (Vedabase)

 

Tekst 15

Zelf ben ik niet bang voor Uw angstwekkende mond, tong, vuur schietende ogen en vertrokken gezicht o Onoverwinnelijke, Uw sterke bloeddorstige tanden of slinger van ingewanden en bloederige manen, Uw gespitste oren, Uw gebrul dat zelfs de olifanten angst aanjaagt of de nagels die de vijand doorboorden.

Ikzelf ben niet bang, o Onoverwinnelijke, voor Uw angstwekkende mond, tong, schietende ogen en vertrokken gezicht, Uw sterke bloeddorstige tanden of slinger van ingewanden en bloederige manen, Uw gespitste oren, Uw gebrul dat zelfs de olifanten angst aanjaagt of de nagels die de vijand doorboorden. (Vedabase)

 

Tekst 16

Maar ik ben wel bang o Genadevolle, Zorgzame Vader, voor de onverdraaglijke, naargeestige herhaling van geboorte en dood, voor de ellendige omstandigheid te moeten leven tussen de roofdiermensen en voor het gebonden zijn aan de handelingen en terugslagen van het karma o Onoverkomelijke. Wanneer roept U tevreden met mij, me aan de basis van Uw voeten die de toevlucht vormen in deze oceaan der materie?

Maar ik ben wel bang, o genadevolle Zorgzame Vader, voor die onverdraaglijke, naargeestige herhaling van geboorte en dood, om in de ellendige omstandigheid van het leven tussen roofdier-mensen te belanden, om gebonden te zijn aan de handelingen en terugslagen van het karma, o Onoverkomelijke; wanneer zal ik, met U tevreden over mij aan Uw voetzolen, die de toevlucht in deze oceaan der materie zijn, naar U worden teruggeroepen? (Vedabase)
 
Tekst 17

Omdat men zijn geboorte neemt is men, in zijn aangename dan wel minder aangename bestaan van verenigd zijn met de wereld, gescheiden [van U] en moet men branden in het vuur der treurnis, ongeacht het lichaam waar men in verkeert. Bovendien moet men evenzogoed lijden onder de remedies tegen deze misère waarin men het lichaam voor het ware zelf houdt. Ik o Allergrootst Wezen dool rond in dit bestaan. AlstUblieft zeg me hoe ik in Uw yoga van dienst kan zijn.

Vanwege het door iemands aangename of niet zo aangename geboorte afgescheiden zijn van U en samengevoegd zijn met de wereld, wordt men, verblijvend in wat voor een lichaam ook, verteerd door het vuur van het weeklagen en heeft men even zo goed te lijden onder de remedies ertegen waarin men het lichaam voor het ware zelf houdt; ik, o Allergrootst Wezen, ben dolende; alstublieft wijdt me in in het dienen van U in yoga. (Vedabase)


Tekst 18

Ik zal op die manier, door steeds weer te luisteren naar de verhalen over Uw doen en laten als de weldoener en Allerhoogste Godheid o Nrisimha, zonder moeite [de oceaan van de materie] oversteken en vrij zijn van het besmet zijn door de geaardheden der natuur. In de omgang met de bevrijde zielen zal ik bevrijding vinden van alle ellende met Uw twee voeten als mijn thuishaven.

Daartoe zal ik van het voortdurend aanhoren van de vertellingen over Uw doen en laten als de weldoener en Allerhoogste Godheid, o Nrisimha, zoals doorgegeven in erfopvolging, met gemak kunnen oversteken en vrij zijn van de geaardheden, waarbij ik in wijsheid en omgang met de toegewijden met het vrijgemaakte bevrijd zal zijn van al de misère in de volledige verzonkenheid met Uw lotusvoeten. (Vedabase)


Tekst 19

Al de zaken waar U geen belangstelling voor heeft maar die in deze wereld gekoesterd worden door hen die in een lichaam zijn opgesloten vormen slechts de schijn van een remedie: het ouderschap waar een klein kind zijn toevlucht in zoekt o Nrisimha, het medicijn dat een patiënt nodig heeft, de reddingboot voor een persoon verdrinkend in de oceaan of de tegenmaatregel voor een persoon die lijdt o Almachtige, [vormen allen slechts tijdelijke oplossingen].

Van een klein kind in deze wereld niet de toevlucht van het ouderschap vormend, o Nrisimha, noch van een patiënt ook niet het medicijn zijnd, noch van een persoon verdrinkend in de oceaan de boot zijnd of van een persoon die lijdt de verlosser, vormen al die zaken welke alhier naar de schijn ervan worden gekoesterd als een remedie, o Machtige, voor hen die opgesloten zijn in een lichaam, de reden dat ze over het hoofd gezien worden en door U worden vergeten. (Vedabase)

 

Tekst 20

Welke omstandigheid het ook betreft, wat dan ook de reden schijnt te zijn, welke tijd het ook moge wezen, waardoor dan ook of in verhouding tot wat dan ook, waar dan ook door veroorzaakt of terwille waarvan dan ook, op welke manier dan ook of van welke aard ook iets mag zijn, is zeker allemaal slechts een andere verschijningsvorm van de Allerhoogste Werkelijkheid. Of anders gesteld: in de natuur treft men als gevolg van allerlei veranderingen een specifieke vorm van afgescheidenheid aan, maar welke vorm die ook aanneemt, het betreft altijd een manifestatie van Uw energie o Heer.

Naar welke omstandigheid ook, om welke reden dan ook, wat het tijdstip ook moge wezen, wat de verplichting of de relatie ook is, door wie of jegens wie dan ook, op welke manier of van welke aard ook, zeker is dat ieder van deze zaken slechts andere vormen zijn van het Allerhoogste; met andere woorden: in de natuur is er onder de invloed van haar veranderingen afgescheidenheid in het bestaan maar zijn ze allen individueel op zichzelf staande energieën van Uwe Heerlijkheid. (Vedabase)


Tekst 21

Het illusoire van de materie schept een geest die de bron vormt van moeilijk te beheersen baatzuchtige handelingen [ofwel karma]. Deze handelingen zijn geconditioneerd door de Tijd die de drie geaardheden der natuur in beroering brengt en die door de persoon [op een bepaalde manier] wordt gerespecteerd. Aldus verslagen door de uitnodigende maar begoochelende materie krijgt men te maken met de zestien spaken [van de waarnemende en handelende zinnen, de elementen en de geest] van het rad der wedergeboorte o Ongeborene. Wie kan hier anders dan op Uw manier nu uitkomen [zie ook B.G. 9: 25]?

Het illusoire van de materie is een creatie van de geest [die men beleeft als een fixatie] die de bron vormt van eindeloze handelingen van begeerte die door de Tijd, die de drie geaardheden der natuur in beroering brengt, zijn gekonditioneerd en dan wordt je als persoon, onder het oogluiken van God onder de invloed van de Veda's, minder glorieus de zestien spaken geboden [de zinnen, de elementen en de geest] van het rad der wedergeboorte, o Ongeborene; o wie, die het beste van U moet ontberen, kan hier uitkomen [zie ook B.G. 9.25]? (Vedabase)

 

Tekst 22

U bent dat ene element van de Tijd waaraan de ziel overwonnen door de geaardheden van Uw heerschappij, altijd en eeuwig is overgeleverd. Ik hier aanwezig als een vorm van materiële energie die in al zijn verzakingen en verschijningsvormen bepaald wordt door Uw cyclische controle, sta daar machteloos tegenover o Heer en Meester. Ik wordt geplet onder het wiel met de zestien spaken. AlstUblieft redt me hieruit o Almachtige, ik heb me geheel aan U overgegeven.

U bent inderdaad dat ene element van de Tijd, waardoor men in zijn intelligentie, middels Uw persoonlijke energie, voor eeuwig is overwonnen; als materiële energie in alle gevolgen en oorzaken onder Uw cyclische kontrole gebracht, verkeer ik verloren in wanhoop, o Beheerser, en ben ik geplet onder het wiel met de zestien spaken; alstublieft redt me hieruit, o Machtigste, daar ik vol van overgave ben. (Vedabase)

 

Tekst 23

O Almachtige ik heb gezien hoe mensen in het algemeen de levensduur, weelde en glorie van de vrome leiders van de hemel begeren. Maar onze vader die dit alles [voor zichzelf] wenste werd simpelweg met de opgeroepen lach van Uw expansie [als Nrisimha] in een oogwenk door U naar beneden gehaald en compleet vernietigd.

Ik was er getuige van o Almachtige, hoe al de hoger geplaatste staatslieden in hun begeerte naar een lang leven, weelde en glorie allen daarin door onze vader met zijn sarcastische lach met één enkele oogopslag werden verslagen, niettemin werd Hij door U volledig weggevaagd. (Vedabase)


Tekst 24

Daarom verlang ik er niet naar om zo lang te leven als Heer Brahmâ of rijk en machtig te zijn. Ik weet waar al die dwaze zegening van de zinnen van het belichaamd wezen toe leidt. Ik heb er geen behoefte aan te worden aangepakt door U die als de Meester van de Tijd zo machtig bent. Leidt me alstUblieft naar de kant van Uw dienaren.

Daarom, wetende waar al de zinsbevrediging van al die langlevendheid, weelde en beschaving van alle belichaamden, van Brahmâ tot aan de kleinste mier, toe leidt, heb ik er geen behoefte aan door U te moeten worden onderworpen, U die zo machtig zijt als de Meester van de Tijd; alstublieft wees zo goed me te leiden naar de omgang met Uw gewetensvolle dienaren. (Vedabase)

 

Tekst 25

Hoe is men in dit lichaam dat aan zo vele ziekten kan lijden nu gezegend met zaken die goed klinken maar als een luchtspiegeling in de woestijn zijn? Ofschoon de mensen dit heel goed weten proberen ze het vuur van het verlangen te blussen met kleine druppeltjes moeilijk te krijgen honing [tijdelijk geluk], maar leren dat niet af.

Waar vindt men de zegeningen van het gelukkig zijn in horigheid [aan verlangens]? Wat is voor dit lichaam dat plaats biedt aan zovele ziekten het geluk dat niet meer is dan een luchtspiegeling in de woestijn? Hoewel de gewone man nimmer genoeg heeft pogen niettemin de geschoolden dat vuur te blussen met kleine druppels honing, proberende dat onder kontrole te krijgen wat alleen maar met veel moeite kan worden bereikt. (Vedabase)

 

Tekst 26

In wat voor positie bevind ik me nu? Hoe kan ik het nu beter doen gegeven het feit dat ik in een familie die ver verwijderd is van de staat van verlichting geboren werd in het duister van een lichaam dat bewogen wordt door de hartstocht? De lotushand van Uw grondeloze genade die U mij op mijn hoofd hebt gelegd als teken van Uw goedertierendheid, zou er zelfs niet zijn voor Heer Brahmâ, voor Heer S'iva of de Godin van het Geluk!

In welke positie verkeer ik nu? Hoe kan ik nu uitstijgen boven het feit dat ik geboren ben in de duisternis van een lichaam van hartstocht, in een familie ver verwijderd van de verlichting? De lotushand van Uwe grondeloze genade die U Mij op mijn hoofd hebt gelegd als symbool van genade, zou er zelfs voor Heer Brahmâ, voor Heer S'iva of zelfs de Godin van het Geluk niet zijn! (Vedabase)

 

Tekst 27

Van de kant van Uwe Heerlijkheid als de vriend van de ganse wereld kan er geen onderscheid gemaakt worden tussen hoger en lager geboren levende wezens. Niettemin is er van U al naar gelang de geleverde dienst, als met een wensboom, de zegening die is gereserveerd voor hen die U dienen, ongeacht of ze nu van een hoger niveau zijn of niet [zie ook 2.3: 10 en B.G. 4: 33, 9: 25].

In dezen kan er van Uwe Heerlijkheid als de vriend van de ganse wereld feitelijk geen onderscheid bestaan tussen het hogere en lagere levende wezen, maar niettemin is er van U, afhankelijk van de geleverde dienst, net als met een wensboom die geeft wat men maar wenst, de manifestatie van de zegening die gepast is voor de toewijding, of men nu van een hoger of lager nivo is of niet [zie ook 2.3:10 en B G. 4.33, 9:25]. (Vedabase)

 

Tekst 28

De gewone man die in zijn materiële bestaan het voorwerp van zijn begeerte najaagt is in een overwoekerde put vol van slangen gevallen. Ik die door slecht gezelschap net als die persoon in die toestand ben beland, werd door de Surawijze [Nârada], o Allerhoogste Heer, in vertrouwen genomen en naar de waarheid van de ziel geleid. Hoe zou ik ook ooit kunnen afzien van de dienstverlening van Uw zuivere dienaar?

Mensen in het algemeen die door hun materiële bestaan dermate gevallen zijn in een blinde put vol van slangen, jagen de voorwerpen van hun begeerte na; ik die persoonlijk vanwege slecht gezelschap eveneens in die toestand ben beland werd door de sura wijze [Nârada], o Allerhoogste Heer, in vertrouwen genomen; hoe kan ik ooit de dienst van Uw zuivere toegewijde eraan geven? (Vedabase)

 

Tekst 29

O Onbegrensde, door mijn leven te redden en mijn vader te doden beschouw ik de woorden van Uw dienaar de rishi als waar. U bewees zich immers toen mijn vader met kwaad in de zin zijn zwaard ter hand nam en zei: 'Laat die heerser anders dan ik je maar eens redden nu ik je hoofd eraf zal slaan.'

Mijn leven reddend o Onbegrensde, met U die me gered hebt van de dood door de hand van mijn vader, beschouw ik de woorden van Uw dienaar, dat wat de Rishi zei, als waar daar U ze bewezen hebt jegens hem die kwaadwillend met het zwaard in de hand tegen me zei: 'Laat die heerser buiten mij je maar van mij verlossen nu ik je je hoofd zal afslaan.' (Vedabase)

 

Tekst 30

Dit universum overal om ons heen vormt de Eenheid die U alleen bent. U bestaat afzonderlijk van dit universum dat een begin, een midden en een eind kent dat U geschapen heeft middels de drie geaardheden van de natuur. Die oerkwaliteiten geven Uw uitwendig vermogen gestalte. Alles wat die verscheidenheid uitmaakt heeft zijn regeling aan U te danken die er Zelf in bent binnengegaan [zie ook B.G. 9: 4].

'Dit universum overal om ons heen is die Ene die U alleen bent, voor U waren er in den beginne en op het eind zowel als er tussenin afzonderlijk, scheppend middels de transformaties van de drie geaardheden door Uw uitwendig vermogen, de velen van al de verscheidenheid die hun ervaring van U hebben die erin binnen gaat [zie ook B.G 9:4]. (Vedabase)

 

Tekst 31

O Heer U bent er als het gehele universum dan wel als degene die er los van staat; U bent de oorzaak èn het gevolg. Het onderscheid tussen de materiële energie van Uw schepping en U als zijnde een ander Zelf is een illusoire notie. De substantie van iets is gelijk aan die van de vorm waarin ze verschijnt; dat waaruit U bestaat is gelijk aan dat waar de manifestatie van de schepping die wordt gehandhaafd en vernietigd uit bestaat, net zoals het is met de boom en zijn zaad en de aarde en haar seizoenen.

U danwel als de oorzaak danwel als het gevolg van dit geheel, o Mijn Heer, blijft Zelf los staan van de materie die Uw illusoir vermogen vormt, waarvan we weten dat het zich manifesteert als de substantie waarvan we de schepping, de vernietiging en het behoud hebben; en daarvan is er het feitelijk inhoudsloze idee van het hebben van een verschillend zelf of, anders gesteld, dat het aardse bestaan en het subtiele ervan te vergelijken is met wat men heeft met een boom en een zaadje [vanwaaruit het allemaal ontspruit enerzijds en dat het resultaat van Uw manifesteren erin is anderzijds]. (Vedabase)


Tekst 32

Met het weer in U opnemen van dit universum in Uzelf ervaart U, in de oceaan opgaand in Uzelf, de gelukzaligheid en lijkt U niets te doen. Maar als U in Uw bewustzijnsvereniging Uw ogen gesloten heeft hebt U ook de slaap opgedronken. Zonder de materiële slaap en zonder de geaardheden te behouden verkeert U dan in de eenheid van de hoogste staat van bewustzijn [turîya, de vierde staat].

Met het met deze schepping van U teruggeworpen zijn [met mijn vader b.v. op zijn vernietiging] in het zelf van Uw causale oceaan schijnt U zonder aktiviteit te zijn en te slapen als U binnen in Uzelf het gelukzalig persoonlijke ervaart met het hebben gesloten van Uw ogen in de yoga; maar het is niet een materieel sluimeren in de duisternis der geaardheden waar U zich in bevindt, daar U middels een manifestatie van Uzelf [deze Nrisimha-gedaante] dat soort van slapen bent tegengegaan in het behouden van de bovenzinnelijkheid. (Vedabase)

 

Tekst 33

Nadat U uit Uw sluimer op het bed van Ananta in de causale oceaan ontwaakte, verscheen de grote lotus van al de werelden uit Uw navel zoals een bananenboom dat doet uit zijn zaad. Dat kosmische lichaam van U, dit universum aangedreven door de tijdfactor, vormt Uw manier van omgaan [in de vorm van de geaardheden en hun godheden] met de materiële kwestie [met prakriti].

Uit Uw sluimering op het bed van Ananta in de causale wateren ontwaakt, verscheen de grote lotus van al de werelden uit Uw navel zoals een bananenboom dat doet uit zijn zaad en dat kosmische lichaam van U, dit universum aangedreven door de tijdsfaktor, toont Uw manier van reageren [in de vorm en godheden van de geaardheden] op de materie. (Vedabase)
 

Tekst 34

Hij van de kennis [Brahmâ] die voortkwam uit die lotus kon niemand anders ontwaren. Uwe Heerlijkheid had zich als het zaadje immers tot hem uitgebreid. Hij dook toen onder in het water voor een honderdtal halfgodenjaren, niet begrijpend hoe een zaadje eenmaal gekiemd o mijn Heer, niet meer kan worden waargenomen [zie 3.8].

De ene van de kennis [Brahmâ] voortgebracht uit die lotus kon niemand anders opmerken daar Uwe Heerlijkheid, als het zaadje, zich tot hemzelf had uitgebreid; hij dook in het water voor een honderdtal halfgodenjaren niet begrijpend hoe een zaadje eenmaal gekiemd, o mijn Heer, kan worden waargenomen [zie: 3.8]. (Vedabase)

 

Tekst 35

Hij, enkel maar uit zichzelf geboren, was er zeer verbaasd over zich op die lotus aan te treffen. Na de nodige tijd door verschillende zware boetedoeningen te zijn gezuiverd, vond hij dan U o Heer, die zich zeer subtiel, zoals de geur in de aarde, verspreidt door heel het zinnelijk wezen dat zo vol van begeerten is.

Hij enkel maar uit zichzelf geboren was er zeer verbaasd over zich op die lotus aan te treffen. Na de nodige tijd door verschillende zware boetedoeningen gezuiverd vond hij dan U, o Beheerser, zeer subtiel, zoals de geur in de aarde, verspreid door heel het zinnelijk wezen dat zo vol van geest is. (Vedabase)

 

Tekst 36

Heer Brahmâ bereikte aldus de bovenzinnelijke gelukzaligheid want hij kreeg in één oogopslag de Allerhoogste Persoon uitgerust met allerlei sieraden, wapens en tekenen te zien, die met duizenden gezichten, voeten, handen en dijen, neuzen, oren en ogen, Zijn volle vermogen aan hem openbaarde. 

Op deze manier de Grote Persoon met zijn duizenden gezichten, voeten, handen en dijen, neuzen, oren en ogen ziend, uitgerust met allerlei sieraden en wapens, die allen tezamen, zich voordoend in verschillende tekenen, allen het vermogen illustreerden, bereikte Heer Brahmâ de bovenzinnelijke gelukzaligheid (Vedabase)


Tekst 37

Met het aanvaarden van het hoofd van een paard in een incarnatie, doodde U twee zeer machtige demonen genaamd Madhu en Kaitabha die de geaardheden traagheid en hartstocht vertegenwoordigden. U overhandigde aan Heer Brahmâ vervolgens de s'ruti [de vier Veda's] om reden waarvan men Uw hoogst gewaardeerde gedaante [Hayagrîva geheten] eert als een belichaming van de zuivere goedheid [zie ook 5.18: 18 en B.G. 4: 7].

Voor hem zowaar het hoofd van een paard aanvaardend in een incarnatie, doodde U twee zeer machtige demonen genaamd Madhu en Kaitabha die tegen de Veda ingingen en die de hartstocht en de onwetendheid vertegenwoordigden, en bracht U de sruti [de vier Veda's] waarvoor men Uw meest geliefde gedaante [van Hayagrîva] eert als het zuivere van de transcendentale goedheid [zie ook 5.18 en B.G. 4:7]. (Vedabase)

 

Tekst 38

Door aldus al naar gelang de yuga in kwestie te verschijnen in verschillende incarnaties als een menselijk wezen, een heilige, een god of een waterdier, beschermt U al de werelden. Daarbij doodt U soms de lastpakken van de wereld ter verdediging van het dharma, o Allerhoogste Persoonlijkheid, maar omdat U in Kali-yuga verhuld [channa] optreedt wordt U, als men van U spreekt als één en dezelfde persoon, Triyuga genoemd [vanwege Uw herkenbaarheid in de drie andere yuga's, zie ook 11.5: 32].

Op deze manier overeenkomstig de yuga in kwestie verschijnend in verschillende incarnaties als een menselijk wezen, een heilige, een god of een waterdier, beschermt U al de werelden, soms de lastpakken van de wereld dodend ter verdediging van het dharma, o Allerhoogste Persoonlijkheid; in Kali yuga bent u verhuld en derhalve wordt U, als zijnde één en de zelfde persoon, Triyuga genoemd [vanwege het herkenbaar zijn in de drie andere yuga's, zie ook Canto 11.5.32 ]. (Vedabase)

 

Tekst 39

Een geest die niet afgestemd is op Uw bovenzinnelijke verhalen, is vanwege de zonden waar hij mee sympatiseert in zijn ver verwijderd zijn van de Heer van Vaikunthha, verontreinigd, oneerlijk en moeilijk te beheersen. Vol van verlangens en lusten is hij vanwege de daarmee samenhangende driften van toppen en dalen, angsten en leed. Zeg me hoe ik, die met zo'n geest armzalig en gevallen ben, Uw verheven bedoeling moet begrijpen.

Zeker is dat de geest die niet is gericht op Uw bovenzinnelijke verhalen, in zijn verwijderd zijn van de Heer van Vaikunthha, verontreinigd, oneerlijk en moeilijk te beheersen is door de zonden waarmee hij dan sympatiseert; vol van verlangens en lusten is hij van hoogten en diepten, angsten en leed onder de druk; hoe kan ik met zo een armzalige en gevallen geest de bedoeling van het Allerhoogste van U doorgronden? (Vedabase)

 

Tekst 40

De tong leidt me af in deze richting o Onfeilbare en de geslachtsdelen trekken me niet tevreden een andere kant op. Zo ook gaat de huid, de maag en het oor in die richting terwijl de ogen uitkijken naar weer iets anders. Aldus halen de ijverige, actieve zinnen gezamenlijk iemand naar beneden zoals bijvrouwen een huisvader naar beneden halen.

De tong leidt me af in deze richting, o Onfeilbare, en de geslachtsdelen trekken me onbevredigd in die richting, zo doen de huid, de maag en het oor dat terwille van het ene en gaat de neus die kant op en de ogen weer een andere kant op; het vele van de aktieve zintuigen haalt je naar beneden zoals bijvrouwen een huishouder naar beneden kunnen halen. (Vedabase)

 

Tekst 41

Omdat ik hierdoor met m'n karma ben beland in de Vaitaranî rivier [voor de poort van de dood], lijdt ik, de ene na de andere geboorte van alles en nog wat etend, er helaas onder dat ik er aldoor banger van ben om te zien hoe het levende wezen, als de gevangene van zijn eigen lichaam en verstrikt in de omgang met andere lichamen, van vijandschap dan wel vriendschap is. U die ons vanaf de andere zijde van die rivier Uw genade wilt tonen, wij hier zijn tegenwoordig niets meer dan een stel dwazen.

Op deze manier door je karma gevallen in de Vaitaranî rivier [voor de poort van de dood] lijdt ik helaas, met de ene na de andere geboorte, van alles en nog wat etend en steeds maar banger om te zien hoe het levend wezen als gevangene van zijn eigen en van andere lichamen vijandig of van vriendschap is; o U, die zich aan gene zijde bevindt, redt me van dit gevaar daar we vandaag hier allen een stel dwazen zijn. (Vedabase)


Tekst 42

O Meester van Allen, wij vriendelijke mensen willen altijd graag in deze kwestie van dienst zijn. O Allerhoogste Heer, wat staat Uw grote mededogen in de weg om ervoor te zorgen dat wij, materialistische dwazen, worden gered van de oorzaak van het steeds maar weer op poten moeten zetten, volhouden en weer de mist ingaan [met onze karmische ondernemingen] o Vriend der Behoeftigen?

Wat inderdaad zou de moeilijkheid zijn van Uw grote mededogen jegens vriendelijke mensen als wij, die altijd zo begerig zijn in dezen van dienst te zijn o Meester van Allen, o Allerhoogste Heer, om erop uit te zijn om ons materialistische dwazen te redden van de oorzaak van het maken, vasthouden en weer verliezen, o Vriend der Behoeftigen. (Vedabase)

 

Tekst 43

O Allerhoogste, omdat mijn geest opgaat in het bezingen en getuigen van Uw zoete oceaan van heerlijkheden, ben ik vrij van zorgen wat betreft de moeilijk over te steken Vaitaranî [die deze wereld is]. Ik maak me eerder zorgen over die dwazen die verstoken van de bevrijding in het dragen van de last van hun zinsbelang plannen maken ten gunste van schijnvormen van geluk en plichtsbetrachting [zie ook 6.17: 28].

Zeker ben ik van het verdiept zijn in het verkondigen van Uw zoete oceaan van heerlijkheden, o Allerhoogste, niet bezorgd over de moeilijk over te steken Vaitaranî die deze wereld is; ik beklaag meer, hoewel ze een stel zotten zijn, degenen die de bevrijding missen en die voor het heil hunner zinnen plannen maken ten gunste van schijnvormen van geluk en plichtsbetrachting [zie ook 6.17:28]. (Vedabase)


Tekst 44

Over het algemeen, o Godheid, trekken de heiligen, ambitieus uit zijnde op hun eigen verlossing, in stilte door afgelegen gebieden zonder bijzonder geïnteresseerd te zijn in een leven voor het heil van andere mensen. Maar ik wil niet zoals zij dat doen mijn medemensen die in ellende verkeren links laten liggen. Ik verlang de bevrijding niet voor mij alleen. Ik heb er geen vrede mee als ik andere mensen buiten deze toevlucht van U om zie ronddolen.

Over het algemeen, o Godheid, trekken de heiligen, ambitieus uit op hun eigen verlossing, in stilte door afgelegen gebieden, niet erg geïnteresseerd in een leven ter wille van het heil van anderen, maar ik wil niet hen ter zijde laten die te kort schieten, ik wil niet in mijn eentje terugkeren naar God, ik zou graag willen dat anderen, gevangen in de vicieuze cirkel, beter deze toevlucht van u vinden. (Vedabase)

 

Tekst 45

Alles wat met het huishoudelijk seksueel geluk te maken heeft, stelt niet meer voor dan het in je handen wrijven om van de jeuk af te komen. De miserabele persoon raakt met dit soort anti-jeukbevrediging niet verlost van al zijn ongemak en onvrede en staat zo ten dienste van allerlei vormen van ongeluk. Pas als men dat soort imaginair geluk herkent en de jeuk weet te verdragen [d.w.z. de 'noodzaak niet voorbij streeft', zie ook B.G. 7: 11 & 14] kan men intelligentie, stabiliteit en energie [dhîra] ontwikkelen [zie tevens Y.S. II: 38 & 40].

De zorg om sex is inderdaad zo triviaal als de jeuk waarvan men verlost raakt door je handen te wrijven; zij die hiermee tekort schieten vinden, gebukt gaand onder allerlei soorten van ellende, de verschillende gevoelens van verdriet er nimmer in gelenigd, maar als men daarvan leert, het herkennend als een drogbeeld, is men een nuchtere persoon die in staat is de jeuk te verdragen [zie ook B.G. 7.14]. (Vedabase)


Tekst 46

Stilte, geloften, Vedische kennis, verzaking, studie, plichtmatigheid, uitleg van de geschriften, alleen wonen, bidden en verzonkenheid, behoren tot het pad der bevrijding, maar vaak maken deze zaken [deze tien activiteiten om geëmancipeerd te raken] deel uit van een vorm van levensonderhoud gepraktiseerd door lieden die hun zinnen helemaal niet de baas zijn o mijn Heer. Aldus is het wat dit betreft de vraag of men niet te maken heeft met hypocrisie[: is er geen sprake van een schijnvertoning? Zie ook 6.1: 16]. 

Stilte, geloften, vedische kennis, verzaking, studie, plichtmatigheid, uitleg van de geschriften, alleen wonen, bidden en verzonkenheid, behoren tot het pad der bevrijding, maar vaak zijn ze met hen die hun zinnen niet onder kontrole hebben de enige manier van leven, o mijn Heer, en zo moet men in dit verband stellen dat het niets dan valse trots betreft. [zie ook 6.1.16 ]. (Vedabase)

 

Tekst 47

De twee vormen van Uw [bovenzinnelijke] oorzaak en [materiële] effect zoals uitgelegd in de Veda's, zijn als het zaadje en zijn spruit. Maar U zonder een specifieke vorm bent tevens niet één van deze twee vormen. Zij die zich verbinden in Uw Yoga [de bhakti-yoga toegewijden] kunnen deze twee aspecten, als het hout en het vuur in het hout, duidelijk voor ogen zien en dit kan niet op welke andere manier dan ook worden bereikt.

In de vorm van de twee van oorzaak en gevolg, die zoals de Veda's zeggen zijn als het zaadje en de spruit, kunnen zij die verbonden zijn feitelijk door de yoga voor hun ogen de beide manieren van U waarnemen [van het spiritueel verzaken en van het materieel concrete van werkelijk dienen] zoals vuur dat zich in hout bevindt; een andere manier, die altijd te kort schiet in dit volledige, zal niet toereikend zijn. (Vedabase)


Tekst 48

U bent de lucht, het vuur, de aarde, de ether en het water, de zinsobjecten, de levenskracht, de zinnen, de geest, het bewustzijn en al de bijbehorende ondersteunende goddelijkheid. U bent dat alles, die unieke natuur der geaardheden alsook degene voorbij aan alles. O mijn Heer, wat er ook gemanifesteerd is of zich uitdrukt in de geest en in woorden, het is niemand anders dan U.

U bent de lucht, het vuur, de aarde, de ether en het water, de zins-objecten, de levenskracht, de zinnen, de geest, het bewustzijn en alle goddelijkheid die erbij hoort; U bent dat alles, de enige natuur der geaardheden zowel als degene voorbij aan alles, o Mijn Heer; wat er ook gemanifesteerd is of uitgedrukt is in de geest en in woorden is niemand anders dan U. (Vedabase)

 

Tekst 49

Al de geaardheden der natuur niet, noch de hun overheersende goden; het geheel van de kosmische intelligentie, het valse ego, de stoffelijke en subtiele elementen, de zinnen en hun objecten niet, noch zij die zo nadenkend zijn in de omgang met al de goddelijken en de sterfelijken die allen een begin en een einde kennen... o Heer verheerlijkt door al de heiligen, geen van hen allen is er werkelijk toe in staat dat wat allemaal het Uwe is te omvatten en daarom onderbreken alle intelligente zielen hier hun bewijsvoeringen [en gaan vervolgens over tot Uw toegewijde dienst. Zie ook B.G. 2: 52].'

Noch alle geaardheden der natuur noch de hun overheersende goden, noch alles wat betreft de Mahat van de elementen, de zinnen en hun objecten, noch hen van de geest met al de goddelijken en de sterfelijken die allen een begin en een einde kennen, O Heer verheerlijkt door Al de Heiligen, vermogen waarlijk U te begrijpen en aldus overwegen de zuiveren het einde van hun studies [en het begin van hun toegewijde dienst, zie ook B.G. 2.52].' (Vedabase)

 

Tekst 50

Daarom biedt ik U o Beste der Aanbedenen, mijn eerbetuigingen en doe ik mijn gebeden in de eredienst, span ik me voor U in, herinner ik mij U, koester ik Uw lotusvoeten en luister ik altijd naar de verhalen over U. Hoe kan een persoon zonder U te vereren op al deze zes manieren nu van bhakti zijn voor U die het doel vormt voor de besten der transcendentie [vergelijk 7.5: 23-24, zie voor verdere gebeden tot Heer Nrisimha 5.18: 7-14]?'

'Daarom biedt ik U, o Beste der Aanbedenen, met gebeden mijn eerbetuigingen en volbreng ik de aanbidding, span ik me voor U in, herinner Ik mij U, houdt ik het bij Uw toevlucht en luister ik altijd naar de verhalen over U; hoe kan zonder een dergelijketoegewijde dienst jegens U in al deze zes vormen een persoon de bhakti bereiken die er is voor de besten der transcendentie [de paramahamsa's, vergelijk 7.5: 23-24, zie voor verdere gebeden tot Heer Nrisimha 5.18: 7-14]?' (Vedabase)

 

Tekst 51

S'rî Nârada zei: 'Tot zover heb ik de bovenzinnelijke kwaliteiten beschreven van de bhakta in zijn bhakti. De Heer verheven boven de geaardheden die behaagd was en Zijn woede onder controle had, richtte zich toen tot hem die zich aan Zijn voeten had overgegeven.

S'rî Nârada zei: 'Tot zover heb ik de bovenzinnelijke kwaliteiten beschreven van de bhakta in zijn bhakti. De Heer voorbij aan alle kwaliteiten behaagd en nu met zijn woede onder kontrole, begon tot hem te spreken die zich had overgegeven aan Zijn voeten. (Vedabase)

 

Tekst 52

De Allerhoogste Heer zei: 'Prahlâda Mijn lieve jongen, al het goede zij je toegewenst, ik ben blij met jou o beste der Asura's. Je mag Me welke gunst vragen die je ook maar van Mij verlangt, want Ik ben de vervulling van al de wensen van een ieder.

De Allerhoogste Heer zei: 'Prahlâda mijn lieve jongen, al het goede zij je toegewenst, ik ben verheugd over jou, o beste der asura's, vraag enkel maar welke gunst je ook van Mij verlangt, voor een ieder ben Ik de vervulling van alle wensen. (Vedabase)

 

Tekst 53

Geniet een lang leven! Hij die Mij niet behaagt kan Mij moeilijk aanschouwen! Maar als iemand Mij gezien heeft, verdient hij het zich niet meer over zichzelf te hoeven te beklagen.

Geniet een lang leven! Mij niet behagend, zelden Mijn aanwezigheid opzoekend, Mij niet gezien hebbend, is het het lot van het levend wezen om keer op keer zich over zichzelf te beklagen. (Vedabase)

 

Tekst 54

Om die reden o fortuinlijke, wensen stabiele, intelligente en energieke toegewijden die zich weten te gedragen en het beste wensen [voor een ieder], Mij, de Meester van Alle Zegeningen, in ieder opzicht te behagen.'

Wees er inderdaad op uit Me te behagen daar daarvan ieder nuchter mens in ieder opzicht, als een goed gevormd mens het beste wat het leven te bieden heeft vermag te verlangen, o fortuinlijke, daar ik de Meester aller Zegeningen ben.' (Vedabase)


Tekst 55

S'rî Nârada zei: 'Maar ondanks dat hij verlokt werd tot wereldse zegeningen, wilde de beste der Asura's niets van dat alles waar men zo naar verlangt, hij ging enkel voor de Allerhoogste Heer [zie ook S'rî S'rî S'ikshâshthaka vers vier].'  

S'rî Nârada zei: 'Alhoewel hij aldus met wereldse zegeningen ertoe verlokt werd wilde de beste der asura's niets van de zaken waartoe hij was uitgenodigd er om te vragen, omdat hij er alleen maar in geïnteresseerd was van overgave te zijn jegens de Allerhoogste Heer [zie ook: Siksâstaka vers vier].' (Vedabase)

 

 

*: De kwaliteiten van de brahmaan worden in de Sanat-sujâta als volgt beschreven:

jñânam ca satyam ca damah s'rutam ca
hy amâtsaryam hrîs titikshânasûyâ
yajñas ca dânam ca dhritih s'amas' ca
mahâ-vratâ dvâdas'a brâhmanasya
 

'Geestelijke kennis, waarheidsliefde, trouw aan de Schrift, zonder afgunst, verdraagzaamheid, van opoffering, liefdadigheid, gelijkgezind, en leven naar de grote gelofte [van yama die naast het waarachtige reeds vermeld de vier met zich meebrengt van het celibaat, de geweldloosheid, de vrijheid van bezitsdrang en het niet-stelen] zijn de twaalf kwaliteiten van de brahmaan.' Zie ook 5.5: 24 en B.G. 18: 42.

 

 

 

 

Creative Commons License
De tekst en de audio worden aangeboden onder de
Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
De eerste afbeelding is een klassiek plaatje van Prahlâda die Nrisimhadeva aanbidt.
De tweede afbeelding is een foto getiteld: "Image of Vishnu and His Avatârs at Bilâs".
Archeological Survey of India 1896.
British Library Online Gallery.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties