regelbalk


 

Canto 8

Govindam Âdi Purusham

 

 

Hoofdstuk 7: Heer S'iva Drinkt het Gif Gekarnd met de Berg Mandara

(1) S'rî S'uka zei: 'De Sura's nodigden allen de koning der slangen, Vâsuki, uit, hem een aandeel belovende en wonden hem om de berg als het touw om te karnen. Daarop begonnen ze opgetogen met het karwei om zich voor de nectar in te spannen, o beste van de Kuru's. (2) Heer Hari nam hem als eerste bij de kop en de rest van de goddelijken volgde Zijn voorbeeld. (3) De daitya leiders zagen die regeling echter niet zitten en dachten naar de rijpheid en ontwikkelde kennis van hun studie, hun geboorte en ervaring: 'Geen van ons zal het proberen met de staart van het serpent daar dat het minderwaardige deel is'. (4) Ziende hoe daaropvolgend de Daitya's het zwijgen ertoe deden, glimlachte de Allerhoogste Persoonlijkheid. Hij gaf het voorste gedeelte op en greep met de halfgoden de achterkant vast. (5) Aldus uitmakend waar er moest worden vastgehouden, sloegen zij, de zonen van Kas'yapa [goddelijk en demonisch], met veel enthousiasme aan het karnen om de nectar uit de oceaan van melk te verkrijgen. (6) Terwijl ze aan het karnen waren zonk door zijn gewicht, omdat niets hem ondersteunde, die berg toen in het water naar beneden ondanks dat hij werd vastgehouden door de sterken, o zoon van Pându. (7) Zwaar teleurgesteld, verliet al de schoonheid hun gezichten toen ze zagen hoe hun inspanning door de sterkere wil van God buiten spel werd gezet. (8) Toen Hij zag hoe door goddelijke tussenkomst de berg zonk, expandeerde de Onfeilbare Beheerser wiens wegen en vermogens zo ondoorgrondelijk zijn, Zichzelf in het wonderbaarlijke lichaam van een gigantische schildpad, ging Hij het water in en tilde Hij [Kûrma] hem op [zie ook Das'âvatâra-stotra vers 2]. (9) De aanblik van de opgetilde berg monterde zowel Sura als Asura op om de massa te karnen die als een groot eiland boven op een ander eiland zich voor zo'n honderdduizend yojana's uitstrekte op Zijn rug. (10) Het roteren van de berg bewogen door de sterke armen van de sura en asura leiders, mijn beste, werd door de uit zichzelf verschenen schildpad die hem op Zijn rug droeg beschouwd als een eindeloos aangenaam gekrab. (11) Daarna, om ze aan te moedigen en hun kracht en inzet te versterken, ging Heer Vishnu de Asura's binnen in de vorm van hun eigen kwaliteit [die der hartstocht], doortrok Hij de Sura's met goddelijkheid [de geaardheid goedheid], en nam Hij de gedaante van de onwetendheid aan met de koning der serpenten. (12) Op de top van de grote berg als een tweede berg Mandara vastgrijpend met één hand, toonde Hij zich met duizenden handen terwijl vanuit de hemel Heer Brahmâ en S'iva met Indra voorop voor Hem hun gebeden brachten en Hem bestrooiden met bloemen. (13) Er zowel van boven als van onderen, als met henzelve, met de berg en met het touw erin zijn binnengegaan als het Allerhoogste, raakte de oceaan, die met grote kracht verwoed werd gekarnd, in heftige beroering door de grote steenmassa, en raakten alle krokodillen van streek. (14) De slangenkoning heftig blazend in alle richtingen, spuwde met een duizendtal der zijnen vuur en rook waardoor de Asura's, die werden aangevoerd door Pauloma, Kâleya, Bali en Ilvala, zwaar te kampen hadden met de hitte van zijn straling en ze er allen kwamen uit te zien als sarala bomen verschroeid in een bosbrand. (15) Ook de goddelijken werden aangetast in hun luister door zijn vurige adem die hun kleding, fraaie bloemenslingers, wapenrusting en gezichten beroette; bij beschikking van de Allerhoogste Heer regende het toen overvloedig terwijl winden waterdamp opbliezen van de golven van de oceaan. (16) Toen de oceaan naar het beste vermogen van de goddelijken en de Asura's naar behoren was gekarnd maar er geen nectar verscheen, begon de Onoverwinnelijke zelf te karnen. (17) Zo donker als een wolk, in gele kledij, met schitterende oorhangers aan Zijn oren, met Zijn glanzende haar op Zijn hoofd loshangend, met Zijn bloemenslinger, roze oogwit en zegevierende armen het universum veilig stellend, karnde Hij, na de slang gegrepen te hebben, de karnstok waartoe de berg diende en nam Hij daarbij een formaat aan gelijk aan dat van een berg. (18) Na eerst allerlei soorten vissen, haaien, slangen, alle typen schildpadden, walvissen, water-olifanten, krokodillen en timingila's [walvis-etende walvissen] enorm in beroering te hebben gebracht, kwam er, met al het gekarn, uit de oceaan een zeer krachtig gif genaamd Hâlahala tevoorschijn [of Kâlakûtha, zie 8.6: 25]. (19) Dat krachtige, onverdraaglijke gif, onstuitbaar zich in alle richtingen hoog en laag verspreidend, maakte alle mensen bang zodat ze rusteloos het met de Heer hun beheerser niet meer wisten hoe ze het hadden, o mijn beste, niet beschermd als ze waren door de beschutting van Heer S'iva zijn lotusvoeten. (20) Toen ze hem zagen die voor het welzijn van de drie werelden tezamen met zijn echtgenote op zijn berg [Kailâsa] zat, hij, de beste van alle halfgoden door de heiligen hooggehouden die in verzaking het pad der bevrijding in dienstbaarheid bewandelen, brachten ze hem hun eerbetuigingen.

(21) De leiders der mensheid zeiden: 'O Heer der Heerscharen, o Mahâdeva, o ziel van allen, o liefde van een ieder, verlos ons, die hun heil zoeken bij uw lotusvoeten, van dit vergif dat de drie werelden verbrandt. (22) U alleen in het ganse universum bent heer en meester over de gebondenheid en de bevrijding, u bent degene die wij als gelukszoekers aanbidden; u bent de geestelijk leraar om alle leed te verzachten. (23) Middels de geaardheden der materie, middels uw eigen vermogen, verricht u de schepping, handhaving en vernietiging van deze materiële wereld, o machtige, als u zich manifesteert, o grootste, als Brahmâ, Vishnu of S'iva. (24) U bent het Allerhoogste Brahman, het vertrouwelijke van de oorzaak en het gevolg van al de levensvormen der schepping; u met al uw vermogens tentoongespreid bent de Superziel en de Beheerser van het Universum. (25) U bent de bron van het [spirituele, vedische] geluid, de oorsprong van het universum, de Ziel, de levensadem, de zinnen en de elementen, de geaardheden der natuur en de zelfontplooiing, de eeuwige tijd, de vastberadenheid en de religiositeit van de waarheid [satya] en de waarachtigheid [rita]; het is voor u dat men de oorspronkelijke lettergreep van drie letters uitspreekt [A-U-M]. (26) Het vuur, uw mond, staat voor het geheel van al de goddelijke zielen; het oppervlak van de aardbol kent men, o liefde aller werelden, als uw lotusvoeten; de tijd is de vooruitgang van het geheel van uw halfgoden tezamen; de windrichtingen vormen uw oren en de heerser der wateren [Varuna] is er als uw smaak. (27) Met de ether als uw navel, de lucht als uw adem, de zonneschijf als uw ogen, het water inderdaad als uw zaad, de maan als uw geest en de hogere werelden, o Heer, als uw hoofd, vormt uw zelf de beschutting van alle levende wezens hoog en laag [vergelijk 8.5: 33-43]. (28) Met de oceanen als uw buik, de bergen als uw gebeente, de planten, klimranken en kruiden als uw haren en de mantra's als uw zeven lagen [kosha's], vormen, o Veda's in eigen persoon, al de religies de kern van uw hart [zie ook 2.1: 32]. (29) De vijf opties [basisteksten] der [vedische] filosofie [genaamd Tatpurusha, Aghora, Sadyojâta,Vâmadeva, en Îs'âna] vormen uw gezichten met de achtendertig belangrijke mantra's [*] die de werkelijkheid van de Superziel verzekeren, de werkelijkheid van u o Heer, gevierd als S'iva in de positie van uw zelfverlichting. (30) De aanstormende golven der goddeloosheid [lust, woede, begeerte en illusie] vormen slechts uw schaduw, de schaduw op basis waarvan er zo vele vormen van scheppen bestaan; uw drie ogen zijn de goedheid, de hartstocht en de duisternis; uw enkele overschouwen bracht de analytische geschriften van de ziel teweeg, o Heer vol van verzen, o god van de vedische literatuur en haar supplementen. (31) Geen van de bestuurders van de wereld, o Heerser op de Berg, Brahmâ niet, Vishnu niet, noch de koning der Sura's [Indra], kunnen uw allerhoogste gloed peilen, de onpersoonlijke geest gelijk voor goden en mensen, waarin de geaardheden der hartstocht, onwetendheid en goedheid niet worden aangetroffen. (32) In deze wereld die, uit u voortgekomen, door u wordt vernietigd met de vonken van het vuur van uw ogen ten tijde van haar ondergang, hebt u Tripura in de as gelegd [7.10: 53], alsook de offers uit begeerte [zie b.v. 4.5], het gif van de tijd [in deze geschiedenis] en vele andere vormen van ellende voor de levende wezens; maar deze zaken dienen, omdat u deze wereld uit uw geest houdt, niet de verheerlijking van u. (33) Mensen die met de in zichzelf tevreden geestelijk leraren in hun harten aan uw twee lotusvoeten denken als zich bewegende met Umâ uw gezellin, kritiseren, in een later stadium van hun boete, uw handelingen en beschouwen u in het crematorium niet altijd als zijnde een aardig iemand; zij inderdaad die zich dermate schaamteloos opstellen hebben geen begrip voor wat u doet. (34) Om de reden van dat transcendentaal verheven zijn boven wat zich wel en niet rondbeweegt, bent u moeilijk te begrijpen; als het zelfs niet mogelijk is voor Brahmâ en zij die hem toebehoren om uw werkelijkheid zoals-die-is te doorgronden, o grootheid, hoe zou het ons dan lukken? Niettemin doen we, ookal zijn we maar creaties van de schepping [die van Brahmâ is], naar ons beste vermogen onze gebeden voor u. (35) Met al het transcendentale kunnen we de eigenlijke bovenzinnelijke positie van u, die er inderdaad bent voor het geluk van de manifeste wereld, niet waarnemen, o grote beheerser ongekend in uw handelingen.'

(36) S'rî S'uka zei: 'Met voor ogen hun benarde positie sprak hij, Mahâdeva, de vriend van alle levende wezens, vanuit zijn mededogen met het grote verdriet tot zijn gezellin Satî. (37) Heer S'iva zei: 'Liefste Bhavânî, hoe deerniswekkend deze toestand van al de levende wezens, kijk nu eens welk een bedreiging de huidige situatie vormt met al het vergif dat geproduceerd wordt met het karnen van de oceaan. (38) Mij verantwoordelijk voelend voor al hun levens moet ik inderdaad iets ondernemen voor hun veiligheid; mij beschouwend als hun meester is het mijn plicht hen die lijden bescherming te bieden. (39) Toegewijden beschermen met hun leven andere levende wezens die tijdgebonden, begoocheld door de uitwendige energie, elkaar vijandig gezind zijn. (40) Met het verrichten van goede daden voor anderen o zachtgeaarde, is de Ziel van Allen, de Heer, behaagd en omdat de Hoogste Persoonlijkheid van de Heer is behaagd zijn ook ik en alle andere zich wel en niet rondbewegende wezens gelukkig; laat me daarom dit gif opdrinken zodat er van mij het welzijn van alle schepselen zal zijn.'

(41) S'rî S'uka zei: 'Heer S'iva de begunstiger van het universum, zich op deze manier tot Bhavânî richtend, begon toen met de instemming van zij die met het beste van hem op de hoogte was, het gif op te drinken. (42) Mahâdeva nam daartoe het wijdverspreide Hâlahala-gif in zijn hand en dronk het genadevol op voor het heil van alle levende wezens. (43) Voor hem toonde het gif van het water zijn werking door zijn hals een blauwe streep te geven, de streep die er in de ogen van de heilige is als een sieraad. (44) De heiligen nemen zo goed als altijd vrijwillig het lijden op zich van de gewone man; dat optreden van hun vormt de hoogste vorm van aanbidding van de oorspronkelijke persoon, het volledige van de ziel [zie ook 1.5: 17-19 , B.G. 18: 68-69 en 4: 7-8]. (45) Vernemend van die daad van S'iva, de god der goden, de genadige, werd hij hoog geprezen door al de mensen, door de dochter van Daksha [Satî zie ook 4.3 & 4], en door Brahmâ en de Heer van Vaikunthha. (46) En voor het kleine beetje dat hier en daar verspreid achterbleef toen hij uit zijn palm dronk, droegen toen enkele andere bekende levende wezens zorg, zoals daar zijn de schorpioenen, de cobra's en andere giftige dieren en planten.

  

next                          

 

 

 
Tweede editie, geladen 10 september 2007.
 
 

 

 

Bronteksten:

Heer S'iva redt het universum door vergif te drinken

 

Text 1 :

S'rî S'uka zei: 'De Sura's nodigden allen de koning der slangen, Vâsuki, uit, hem een aandeel belovende en wonden hem om de berg als het touw om te karnen. Daarop begonnen ze opgetogen met het karwei om zich voor de nectar in te spannen, o beste van de Kuru's.

S'ukadeva Gosvâmî zei: O Mahârâja Parîkshit, beste der Kuru's, de halfgoden en demonen deden een beroep op Vâsuki, de koning van de slangen; ze verzochten hem te komen en beloofden hem een aandeel in de nectar. Ze bonden Vâsuki om de berg de Mandara heen als een karntouw en gingen met veel plezier aan het werk om de oceaan van melk te karnen en zo nectar te maken. (Vedabase)

 

Text 2:

Heer Hari nam hem als eerste bij de kop en de rest van de goddelijken volgde Zijn voorbeeld.

De Godspersoon, Ajita, pakte de voorkant van de slang beet, en de halfgoden volgden Zijn voorbeeld. (Vedabase)

 

Text 3:

De daitya leiders zagen die regeling echter niet zitten en dachten naar de rijpheid en ontwikkelde kennis van hun studie, hun geboorte en ervaring: 'Geen van ons zal het proberen met de staart van het serpent daar dat het minderwaardige deel is'.

De leiders van de demonen dachten dat het niet verstandig zou zijn om de staart vast te houden, aangezien dat het minst zegenrijke deel van de slang was. In plaats daarvan wilden ze de kop vasthouden, die de Godspersoon en de halfgoden beetgepakt hadden, omdat dat deel heilzaam en roemrijk was. Onder het voorwendsel dat zij allemaal vergevorderd waren in de vedische kennis en beroemd om hun geboorte en activiteiten, protesteerden de demonen dus dat zij de kop van de slang wilden vasthouden. (Vedabase)

 

Text 4:

Ziende hoe daaropvolgend de Daitya's het zwijgen ertoe deden, glimlachte de Allerhoogste Persoonlijkheid. Hij gaf het voorste gedeelte op en greep met de halfgoden de achterkant vast.

De demonen bleven zwijgen en verzetten zich op die manier tegen het verlangen van de halfgoden. Toen de Godspersoon de demonen zo zag staan, moest Hij glimlachen omdat Hij hun beweegredenen begreep. Zonder er verder nog woorden over vuil te maken, aanvaardde Hij meteen hun voorstel en greep de staart van de slang vast. De halfgoden volgden Zijn voorbeeld. (Vedabase)

  

Text 5:

Aldus uitmakend waar er moest worden vastgehouden, sloegen zij, de zonen van Kas'yapa [goddelijk en demonisch], met veel enthousiasme aan het karnen om de nectar uit de oceaan van melk te verkrijgen.

Nadat ze op deze manier geregeld hadden hoe ze de slang moesten vasthouden, gingen de zoons van Kas'yapa, waartoe zowel de halfgoden als de demonen behoorden, aan het werk uit verlangen naar de nectar die geproduceerd zou worden door het karnen van de oceaan van melk. (Vedabase)

 

Text 6:

Terwijl ze aan het karnen waren zonk door zijn gewicht, omdat niets hem ondersteunde, die berg toen in het water naar beneden ondanks dat hij werd vastgehouden door de sterken, o zoon van Pându.

O zoon van de Pându-dynastie, toen de Mandara op deze manier als karnstok in de oceaan van melk gebruikt werd, had hij geen basis om op te steunen en hoewel de halfgoden en demonen hem met hun sterke handen vasthielden, zonk hij weg in het water. (Vedabase)

 

Text 7:

Zwaar teleurgesteld, verliet al de schoonheid hun gezichten toen ze zagen hoe hun inspanning door de sterkere wil van God buiten spel werd gezet.

Omdat de berg door de kracht van de voorzienigheid gezonken was, waren de halfgoden en demonen teleurgesteld, en leek het alsof hun gezichten rimpelig werden. (Vedabase)

 

Text 8

Toen Hij zag hoe door goddelijke tussenkomst de berg zonk, expandeerde de Onfeilbare Beheerser wiens wegen en vermogens zo ondoorgrondelijk zijn, Zichzelf in het wonderbaarlijke lichaam van een gigantische schildpad, ging Hij het water in en tilde Hij [Kûrma] hem op [zie ook Das'âvatâra-stotra vers 2].

Toen Hij zag wat voor situatie er door de wil van de Allerhoogste geschapen was, nam de grenzeloos machtige Heer, die een feilloze vastberadenheid bezit, de wonderbaarlijke gedaante van een schildpad aan, ging het water in en tilde de enorme berg de Mandara op. (Vedabase)

 

Text 9:

De aanblik hem te zien opgetild monterde zowel Sura als Asura op om de massa te karnen die als een groot eiland boven op een ander eiland zich voor zo'n honderdduizend yojana's uitstrekte op Zijn rug.

Toen de halfgoden en demonen zagen dat de Mandara uit de oceaan getild was, leefden ze helemaal op en sloegen weer met nieuwe moed aan het karnen. De berg rustte op de rug van de reusachtige schildpad, wiens schild een doorsnee had van 1.280.000 kilometer, net als een groot eiland. (Vedabase)

 

Text 10:

Het roteren van de berg bewogen door de sterke armen van de sura en asura leiders, mijn beste, werd door de uit zichzelf verschenen schildpad die hem op Zijn rug droeg beschouwd als een eindeloos aangenaam gekrab.

O Koning, toen de halfgoden en demonen de Mandara met hun krachtige armen op de rug van de buitengewone schildpad ronddraaiden, beschouwde deze het rollen van de berg als een manier om Zich te krabben en ervaarde het dus als een aangename sensatie. (Vedabase)

 

Text 11:

Daarna, om ze aan te moedigen en hun kracht en inzet te versterken, ging Heer Vishnu de Asura's binnen in de vorm van hun eigen kwaliteit [die der hartstocht], doortrok Hij de Sura's met goddelijkheid [de geaardheid goedheid], en nam Hij de gedaante van de onwetendheid aan met de koning der serpenten.

Daarna ging Heer Vishnu de demonen binnen als de geaardheid hartstocht, de halfgoden als de geaardheid goedheid en Vâsuki als de geaardheid onwetendheid. Dit deed Hij om hen aan te moedigen en hun verschillende soorten kracht en energie te doen toenemen. (Vedabase)

  

Text 12:

Op de top van de grote berg als een tweede berg Mandara vastgrijpend met één hand, toonde Hij zich met duizenden handen terwijl vanuit de hemel Heer Brahmâ en S'iva met Indra voorop voor Hem hun gebeden brachten en Hem bestrooiden met bloemen.

Toen manifesteerde de Heer Zich met duizenden handen en verscheen op de top van de Mandara, alsof Hijzelf ook een grote berg was, en hield de Mandara met één hand vast. In de hogere planetenstelsels richtten Heer Brahmâ en Heer S'iva samen met Indra, de hemelkoning, en nog andere halfgoden, gebeden tot de Heer en lieten een regen van bloemen op Hem neerdalen. (Vedabase)

 

Text 13:

Er zowel van boven als van onderen, als met henzelve, met de berg en met het touw erin zijn binnengegaan als het Allerhoogste, raakte de oceaan, die met grote kracht verwoed werd gekarnd, in heftige beroering door de grote steenmassa, en raakten alle krokodillen van streek.

Onder aanmoediging van de Heer, die Zich zowel bovenop als onderaan de berg bevond en die de halfgoden, de demonen, Vâsuki en de berg zelf was binnengegaan, werkten de halfgoden en demonen bijna als gekken om de nectar te produceren. Door de grote kracht van de halfgoden en de demonen werd de oceaan van melk met zoveel geweld omgeroerd dat alle krokodillen in het water volkomen van streek raakten. Niettemin werd het karnen van de oceaan op deze wijze voortgezet. (Vedabase)

 

Text 14:

De slangenkoning heftig blazend in alle richtingen, spuwde met een duizendtal der zijnen vuur en rook waardoor de Asura's, die werden aangevoerd door Pauloma, Kâleya, Bali en Ilvala, zwaar te kampen hadden met de hitte van zijn straling en ze er allen kwamen uit te zien als sarala bomen verschroeid in een bosbrand.

Vâsuki had duizenden ogen en bekken. Uit zijn bekken spuwde hij rook en laaiend vuur, dat de demonen met Pauloma, Kâleya, Bali en Ilvala als leiders zeer veel last bezorgde. De demonen, die eruitzagen als sarala-bomen die verkoold zijn in een bosbrand, verloren daardoor langzamerhand al hun kracht. (Vedabase)

 

Text 15:

Ook de goddelijken werden aangetast in hun luister door zijn vurige adem die hun kleding, fraaie bloemenslingers, wapenrusting en gezichten beroette; bij beschikking van de Allerhoogste Heer regende het toen overvloedig terwijl winden waterdamp opbliezen van de golven van de oceaan.

Omdat de halfgoden ook de gevolgen van de gloeiende adem van Vâsuki ondervonden, nam hun lichamelijke uitstraling af, en hun kleren, bloemenslingers, wapens en gezichten werden zwart van de rook. Door de genade van de Allerhoogste Godspersoon echter verschenen er wolken boven de zee waaruit de regen in stromen naar beneden viel, en droegen windvlagen waterdruppels van de golven aan om de halfgoden verlichting te brengen. (Vedabase)

 

Text 16:

Toen de oceaan naar het beste vermogen van de goddelijken en de Asura's naar behoren was gekarnd maar er geen nectar verscheen, begon de Onoverwinnelijke zelf te karnen.

Toen er ondanks alle inspanning van de besten der halfgoden en demonen geen nectar uit de oceaan van melk tevoorschijn kwam, begon de Allerhoogste Godspersoon, Ajita, de oceaan Zelf te karnen. (Vedabase)

 

Text 17:

Zo donker als een wolk, in gele kledij, met schitterende oorhangers aan Zijn oren, met Zijn glanzende haar op Zijn hoofd loshangend, met Zijn bloemenslinger, roze oogwit en zegevierende armen het universum veilig stellend, karnde Hij, na de slang gegrepen te hebben, de karnstok waartoe de berg diende en nam Hij daarbij een formaat aan gelijk aan dat van een berg.

De Heer zag eruit als een zwartachtige wolk. Hij was gekleed in gele gewaden. Zijn oorringen schitterden als de bliksem en Zijn haar hing op Zijn schouders. Hij droeg een bloemenslinger en Zijn ogen waren roze-achtig. Met Zijn sterke, zegevierende armen, die het hele universum bevrijden van angst, greep Hij Vâsuki beet en begon de oceaan te karnen, waarbij Hij de Mandara als karnstok gebruikte. Toen de Heer zo bezig was, leek Hij op een prachtige berg die de naam Indranîla draagt. (Vedabase)

 

Text 18:

Na eerst allerlei soorten vissen, haaien, slangen, alle typen schildpadden, walvissen, water-olifanten, krokodillen en timingila's [walvis-etende walvissen] enorm in beroering te hebben gebracht, kwam er, met al het gekarn, uit de oceaan een zeer krachtig gif genaamd Hâlahala tevoorschijn [of Kâlakûtha, zie 8.6: 25].

De vissen, haaien, schildpadden en slangen waren zeer onrustig en verstoord. De oceaan veranderde in een woelige watermassa en zelfs de grote waterdieren zoals walvissen, zeeolifanten, krokodillen en timingila-vissen [grote walvissen die kleine walvissen kunnen opslokken] kwamen aan de oppervlakte. Toen de oceaan op deze manier gekarnd werd, kwam er eerst een uiterst gevaarlijk vergif uit tevoorschijn dat hâlahala heet. (Vedabase)

 

Text 19:

Dat krachtige, onverdraaglijke gif, onstuitbaar zich in alle richtingen hoog en laag verspreidend, maakte alle mensen bang zodat ze rusteloos het met de Heer hun beheerser niet meer wisten hoe ze het hadden, o mijn beste, niet beschermd als ze waren door de beschutting van Heer S'iva zijn lotusvoeten.

O Koning, toen dat onbedwingbare vergif zich met kracht van boven tot beneden naar alle kanten verspreidde, wendden alle halfgoden zich samen met de Heer Zelf tot Heer S'iva [Sadâs'iva]. Omdat ze zich onbeschermd voelden en heel erg bang waren, namen ze hun toevlucht tot hem. (Vedabase)

 

Text 20:

Toen ze hem zagen die voor het welzijn van de drie werelden tezamen met zijn echtgenote op zijn berg [Kailâsa] zat, hij, de beste van alle halfgoden door de heiligen hooggehouden die in verzaking het pad der bevrijding in dienstbaarheid bewandelen, brachten ze hem hun eerbetuigingen.

De halfgoden zagen dat Heer S'iva met zijn vrouw Bhavânî op de top van de heuvel Kailâsa zat voor de positieve ontwikkeling van de drie werelden. Hij werd vereerd door grote heiligen die naar bevrijding streefden. De halfgoden brachten hem hun eerbetuigingen en richtten met groot respect de volgende gebeden tot hem. (Vedabase)

 

Text 21:

De leiders der mensheid zeiden: 'O Heer der Heerscharen, o Mahâdeva, o ziel van allen, o liefde van een ieder, verlos ons, die hun heil zoeken bij uw lotusvoeten, van dit vergif dat de drie werelden verbrandt.

De prajâpati's zeiden: O grootste van de halfgoden, Mahâdeva, Superziel van alle levende wezens en oorzaak van hun geluk en voorspoed, we hebben onze toevlucht genomen tot uw lotusvoeten. Red ons nu alstublieft van dit gevaarlijke vergif dat zich over alledrie de werelden verspreidt. (Vedabase)

 

Text 22:

U alleen in het ganse universum bent heer en meester over de gebondenheid en de bevrijding, u bent degene die wij als gelukszoekers aanbidden; u bent de geestelijk leraar om alle leed te verzachten.

O heer, u bent de oorzaak van gebondenheid en bevrijding van het hele universum, want u bent degene die alles bestuurt. Zij die een hoog ontwikkeld geestelijk bewustzijn bezitten, geven zich over aan u, en daarom zorgt u ervoor dat hun pijn gelenigd wordt, en u bent ook degene die hun bevrijding bewerkstelligt. Daarom vereren we u, o heer. (Vedabase)

 

Text 23:

Middels de geaardheden der materie, middels uw eigen vermogen, verricht u de schepping, handhaving en vernietiging van deze materiële wereld, o machtige, als u zich manifesteert, o grootste, als Brahmâ, Vishnu of S'iva.

O heer, u bent de allerhoogste en u straalt door uw eigen luister. U schept deze materiële wereld middels uw persoonlijke energie, en bij uw optreden in de schepping, instandhouding en vernietiging neemt u de namen Brahmâ, Vishnu en Mahes'vara aan. (Vedabase)

 

Text 24:

U bent het Allerhoogste Brahman, het vertrouwelijke van de oorzaak en het gevolg van al de levensvormen der schepping; u met al uw vermogens tentoongespreid bent de Superziel en de Beheerser van het Universum.

U bent de oorzaak van alle oorzaken, het zelf-stralende, onvoorstelbare, onpersoonlijke Brahman, dat Zijn oorsprong vindt in Parabrahman. U manifesteert allerlei vermogens in deze kosmische openbaring. (Vedabase)

 

Text 25:

U bent de bron van het [spirituele, vedische] geluid, de oorsprong van het universum, de Ziel, de levensadem, de zinnen en de elementen, de geaardheden der natuur en de zelfontplooiing, de eeuwige tijd, de vastberadenheid en de religiositeit van de waarheid [satya] en de waarachtigheid [rita]; het is voor u dat men de oorspronkelijke lettergreep van drie letters uitspreekt [A-U-M].

O heer, u bent de oorspronkelijke bron van de Veda's. U bent de oorspronkelijke oorzaak van de materiële schepping, de levenskracht, de zinnen, de vijf elementen en de drie geaardheden van het mahat-tattva. U bent de eeuwige tijd, vastberadenheid en de twee wegen van religie die waarheid [satya] en waarheidlievendheid [rita] heten. U bent de beschermheer van de lettergreep om, die uit de drie letters "a-u-m" bestaat. (Vedabase)

 

Text 26:

Het vuur, uw mond, staat voor het geheel van al de goddelijke zielen; het oppervlak van de aardbol kent men, o liefde aller werelden, als uw lotusvoeten; de tijd is de vooruitgang van het geheel van uw halfgoden tezamen; de windrichtingen vormen uw oren en de heerser der wateren [Varuna] is er als uw smaak.

O vader van alle planeten, grote geleerden weten dat vuur uw mond vertegenwoordigt, het aardoppervlak uw lotusvoeten, de eeuwige tijd uw beweging, de verschillende richtingen uw oren, en Varuna, de heer van de wateren, uw tong. (Vedabase)

 

Text 27:

Met de ether als uw navel, de lucht als uw adem, de zonneschijf als uw ogen, het water inderdaad als uw zaad, de maan als uw geest en de hogere werelden, o Heer, als uw hoofd, vormt uw zelf de beschutting van alle levende wezens hoog en laag [vergelijk 8.5: 33-43].

O heer, de ruimte is uw navel, de lucht uw adem, de zon uw ogen, en het water uw zaad. U bent de toevlucht van alle soorten levende wezens, hoog en laag. De god van de maan is uw geest en het hoogste planetenstelsel uw hoofd. (Vedabase)

 

Text 28:

Met de oceanen als uw buik, de bergen als uw gebeente, de planten, klimranken en kruiden als uw haren en de mantra's als uw zeven lagen [kosha's], vormen, o Veda's in eigen persoon, al de religies de kern van uw hart [zie ook 2.1: 32].

O heer, u bent de verpersoonlijking van de drie Veda's. De zeven zeeën zijn uw buik, en de bergen uw beenderen. Alle kruiden, klimplanten en groenten zijn de haren op uw lichaam, de vedische mantra's zoals de Gâyatrî de zeven lagen van uw lichaam, en de vedische religie is het diepst van uw hart. (Vedabase)

 

Text 29:

De vijf opties [basisteksten] der [vedische] filosofie [genaamd Tatpurusha, Aghora, Sadyojâta,Vâmadeva, en Îs'âna] vormen uw gezichten met de achtendertig belangrijke mantra's [*] die de werkelijkheid van de Superziel verzekeren, de werkelijkheid van u o Heer, gevierd als S'iva in de positie van uw zelfverlichting.

O heer, de vijf belangrijke vedische mantra's worden vertegenwoordigd door uw vijf gezichten, waaruit de achtendertig meest beroemde vedische mantra's zijn voortgekomen. U, o heer, die verheerlijkt wordt als Heer S'iva, bent zelf-verlicht. U bent rechtstreeks de absolute waarheid, die bekendstaat als Paramâtma. (Vedabase)

 

Text 30:

De aanstormende golven der goddeloosheid [lust, woede, begeerte en illusie] vormen slechts uw schaduw, de schaduw op basis waarvan er zo vele vormen van scheppen bestaan; uw drie ogen zijn de goedheid, de hartstocht en de duisternis; uw enkele overschouwen bracht de analytische geschriften van de ziel teweeg, o Heer vol van verzen, o god van de vedische literatuur en haar supplementen.

O heer, men kan uw schaduw zien in goddeloosheid, die de oorzaak is van allerlei goddeloze verschijnselen. De drie geaardheden van de natuur - goedheid, hartstocht en onwetendheid - zijn uw drie ogen. Alle Veda's, die vol verzen staan, komen voort uit u omdat de samenstellers ervan de verschillende geschriften pas hebben opgeschreven nadat u uw blik op hen hebt laten rusten. (Vedabase)

 

Text 31:

Geen van de bestuurders van de wereld, o Heerser op de Berg, Brahmâ niet, Vishnu niet, noch de koning der Sura's [Indra], kunnen uw allerhoogste gloed peilen, de onpersoonlijke geest gelijk voor goden en mensen, waarin de geaardheden der hartstocht, onwetendheid en goedheid niet worden aangetroffen.

O heer Girîs'a, omdat de onpersoonlijke Brahman-uitstraling transcendentaal aan de materiële geaardheden goedheid, hartstocht en onwetendheid is, kunnen de verschillende leiders van deze materiële wereld hem beslist niet naar waarde schatten of ook maar bevroeden waar hij zich bevindt. Zelfs Heer Brahmâ, Heer Vishnu en de hemelkoning, Mahendra, kunnen dit niet begrijpen. (Vedabase)

 

Text 32:

In deze wereld die, uit u voortgekomen, door u wordt vernietigd met de vonken van het vuur van uw ogen ten tijde van haar ondergang, hebt u Tripura in de as gelegd [7.10: 53], alsook de offers uit begeerte [zie b.v. 4.5], het gif van de tijd [in deze geschiedenis] en vele andere vormen van ellende voor de levende wezens; maar deze zaken dienen, omdat u deze wereld uit uw geest houdt, niet de verheerlijking van u.

Wanneer de vlammen en vonken die uit uw ogen schieten de vernietiging teweegbrengen, verbrandt de hele schepping tot as. Toch weet u niet hoe dat in zijn werk gaat. Wat valt er dan nog te zeggen over uw vernietiging van het Daksha-yajña, Tripurâsura en het kâla-kûtha-gif? Dat zijn activiteiten die in een gebed aan u niet genoemd hoeven te worden. (Vedabase)

 

Text 33:

Mensen die met de in zichzelf tevreden geestelijk leraren in hun harten aan uw twee lotusvoeten denken als zich bewegende met Umâ uw gezellin, kritiseren, in een later stadium van hun boete, uw handelingen en beschouwen u in het crematorium niet altijd als zijnde een aardig iemand; zij inderdaad die zich dermate schaamteloos opstellen hebben geen begrip voor wat u doet.

Verheven, innerlijk voldane zielen die tot de hele wereld prediken, denken in hun hart voortdurend aan uw lotusvoeten. Maar als mensen die niet weten hoe ascetisch u bent, zien hoe u met Umâ omgaat, menen ze ten onrechte dat u wellustig bent, of als ze u op lijkverbrandingplaatsen zien ronddwalen, vatten ze dit verkeerd op en beschouwen u als wreed en afgunstig. Zulke mensen zijn beslist schaamteloos en kunnen uw activiteiten niet begrijpen. (Vedabase)

 

Text 34:

Om de reden van dat transcendentaal verheven zijn boven wat zich wel en niet rondbeweegt, bent u moeilijk te begrijpen; als het zelfs niet mogelijk is voor Brahmâ en zij die hem toebehoren om uw werkelijkheid zoals-die-is te doorgronden, o grootheid, hoe zou het ons dan lukken? Niettemin doen we, ookal zijn we maar creaties van de schepping [die van Brahmâ is], naar ons beste vermogen onze gebeden voor u.

Zelfs persoonlijkheden als Heer Brahmâ en andere halfgoden kunnen uw positie niet begrijpen, want u staat boven de bewegende en niet-bewegende schepping. Niemand kan u begrijpen zoals u werkelijk bent, dus hoe kan men dan gebeden tot u richten? Dat is onmogelijk. Aangezien wijzelf produkten van Heer Brahmâ's schepping zijn, kunnen we u dus niet op de juiste wijze aanbidden, maar we hebben onze gevoelens naar ons beste vermogen geuit. (Vedabase)

 

Text 35:

Met al het transcendentale kunnen we de eigenlijke bovenzinnelijke positie van u, die er inderdaad bent voor het geluk van de manifeste wereld, niet waarnemen, o grote beheerser ongekend in uw handelingen.'

O grootste van alle heersers, wij kunnen uw ware identiteit onmogelijk begrijpen. Voor zover we kunnen zien, brengt uw aanwezigheid geluk en voorspoed voor iedereen. Daarboven kan niemand uw activiteiten naar waarde schatten. Dit is alles wat we kunnen zien, en meer niet. (Vedabase)

 

Text 36:

S'rî S'uka zei: 'Met voor ogen hun benarde positie sprak hij, Mahâdeva, de vriend van alle levende wezens, vanuit zijn mededogen met het grote verdriet tot zijn gezellin Satî.

S'rîla S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: Heer S'iva is altijd van goede wil jegens alle levende wezens. Toen hij zag hoe de levende wezens in nood verkeerden door het vergif dat zich overal verspreidde, raakte hij vervuld van mededogen. Daarom sprak hij zijn eeuwige gezellin Satî als volgt toe. (Vedabase)

 

Text 37:

Heer S'iva zei: 'Liefste Bhavânî, hoe deerniswekkend deze toestand van al de levende wezens, kijk nu eens welk een bedreiging de huidige situatie vormt met al het vergif dat geproduceerd wordt met het karnen van de oceaan.

Heer S'iva zei: Lieve Bhavânî, zie toch eens in wat voor gevaar al deze levende wezens verkeren door het vergif dat bij het karnen van de oceaan van melk geproduceerd is. (Vedabase)

 

Text 38:

Mij verantwoordelijk voelend voor al hun levens moet ik inderdaad iets ondernemen voor hun veiligheid; mij beschouwend als hun meester is het mijn plicht hen die lijden bescherming te bieden.

Het is mijn plicht om alle levende wezens die de strijd om het bestaan voeren bescherming en veiligheid te bieden. Het is zondermeer de plicht van de meester om degenen die van hem afhankelijk zijn te beschermen wanneer ze in nood verkeren. (Vedabase)

 

Text 39:

Toegewijden beschermen met hun leven andere levende wezens die tijdgebonden, begoocheld door de uitwendige energie, elkaar vijandig gezind zijn.

De mensen in het algemeen creëren, verward als ze zijn door de begoochelende energie van de Allerhoogste Godspersoon, altijd vijandschap onder elkaar. Maar toegewijden proberen ze te redden, zelfs als dit ten koste gaat van hun eigen tijdelijke leven. (Vedabase)

 

Text 40:

Met het verrichten van goede daden voor anderen o zachtgeaarde, is de Ziel van Allen, de Heer, behaagd en omdat de Hoogste Persoonlijkheid van de Heer is behaagd zijn ook ik en alle andere zich wel en niet rondbewegende wezens gelukkig; laat me daarom dit gif opdrinken zodat er van mij het welzijn van alle schepselen zal zijn.'

O Bhavânî, mijn lieve, zachtmoedige vrouw, wanneer men voor het welzijn van anderen werkt, doet dat de Allerhoogste Godspersoon, Hari, veel plezier. En als de Heer tevreden is, ben ik dat ook, en alle andere levende wezens met mij. Laat me daarom dit vergif opdrinken, zodat alle levende wezens gelukkig kunnen worden dankzij mij. (Vedabase)

 

Text 41:

S'rî S'uka zei: 'Heer S'iva de begunstiger van het universum, zich op deze manier tot Bhavânî richtend, begon toen met de instemming van zij die met het beste van hem op de hoogte was, het gif op te drinken.

S'rîla S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: Na zo tot Bhavânî te hebben gesproken, begon Heer S'iva het vergif te drinken en gaf Bhavânî, die heel goed wist waartoe Heer S'iva allemaal in staat was, hem toestemming om dat te doen. (Vedabase)

 

Text 42:

Mahâdeva nam daartoe het wijdverspreide Hâlahala-gif in zijn hand en dronk het genadevol op voor het heil van alle levende wezens.

Daarna nam Heer S'iva, die zich inzet voor het heil en het welzijn van de mensheid, uit mededogen al het vergif dat er was in zijn handpalm en dronk het op. (Vedabase)

 

Text 43:

Voor hem toonde het gif van het water zijn werking door zijn hals een blauwe streep te geven, de streep die er in de ogen van de heilige is als een sieraad.

Het vergif dat uit de oceaan van melk was gekomen, liet zien hoe krachtig het was door een blauwachtige streep op Heer S'iva's hals achter te laten, als wilde het zijn eer aantasten. Die streep wordt nu echter als een sieraad van de Heer beschouwd. (Vedabase)

 

Text 44:

De heiligen nemen zo goed als altijd vrijwillig het lijden op zich van de gewone man; dat optreden van hun vormt de hoogste vorm van aanbidding van de oorspronkelijke persoon, het volledige van de ziel [zie ook 1.5: 17-19 , B.G. 18: 68-69 en 4: 7-8].

Men zegt dat grote persoonlijkheden bijna altijd vrijwillig leed ondergaan voor het welzijn van de lijdende mensheid. Dit wordt beschouwd als de meest verheven methode om de Allerhoogste Godspersoon te vereren, die in ieders hart zit. (Vedabase)

 

Text 45:

Vernemend van die daad van S'iva, de god der goden, de genadige, werd hij hoog geprezen door al de mensen, door de dochter van Daksha [Satî zie ook 4.3 & 4], en door Brahmâ en de Heer van Vaikunthha.

Toen bekend werd wat er gebeurd was, loofde iedereen, met inbegrip van Bhavânî [de dochter van Mahârâja Daksha], Heer Brahmâ, Heer Vishnu en de mensen in het algemeen, deze daad van Heer S'iva, die door de halfgoden vereerd wordt en die de mensheid met zegeningen overlaadt. (Vedabase)

 

Text 46:

En voor het kleine beetje dat hier en daar verspreid achterbleef toen hij uit zijn palm dronk, droegen toen enkele andere bekende levende wezens zorg, zoals daar zijn de schorpioenen, de cobra's en andere giftige dieren en planten.

Schorpioenen, cobra's, en andere dieren waarvan de beet giftig is, alsook giftige planten, namen de kans waar om het kleine beetje vergif dat bij het drinken uit Heer S'iva's hand viel en op de grond spatte op te drinken. (Vedabase)

 

*: De zesendertig mantra's genaamd mukhâni pañcopanishadas taves'a zijn: (1) tat purushâya vidmahe s'ântyai, (2) mahâ-devâya dhîmahi vidyâyai, (3) tan no rudrah pratishthhâyai, (4) pracodayât dhrityai, (5) aghorebhyas tamâ. .., (6) atha ghorebhyo mohâ. .., (7) aghorebhyo rakshâ. .., (8) aghoratarebhyo nidrâ. .., (9) sarvebhyah sarva-vyâdhyai, (10) sarva-sarvebhyo mrityave, (11) namas te 'stu kshudhâ. .., (12) rudra-rûpebhyas trishnâ. .., (13) vamadevâya rajâ. .., (14) jyeshthhâya svâhâ. .., (15) s'reshthhâya ratyai, (16) rudrâya kalyânyai, (17) kâlâya kâmâ. .., (18) kala-vikaranâya sandhinyai, (19) bala-vikaranâya kriyâ. .., (20) balâya vriddhyai, (21) balacchâyâ. .., (22) pramathanâya dhâtryai, (23) sarva-bhûta-damanâya bhrâmanyai, (24) manah-s'oshinyai, (25) unmanâya jvarâ. .., (26) sadyojâtam prapadyâmi siddhyai, (27) sadyojâtâya vai namah riddhyai, (28) bhave dityai, (29) abhave lakshmyai, (30) nâtibhave medhâ. .., (31) bhajasva mâm kântyai, (32) bhava svadhâ. .., (33) udbhavâya prabhâ. .., (34) îs'ânah sarva-vidyânâm s'as'inyai, (35) îs'varah sarva-bhûtânâm abhaya-dâ. .., (36) brahmâdhipatir brahmanodhipatir brahman brahmeshtha-dâ. .., (37) s'ivo me astu marîcyai, (38) sadâs'ivah jvâlinyai.

 

 

 

 

 

Voor deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Het tweede schilderij op deze pagina is van
Parîkshit dâsa.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties