
Canto
7
Hoofdstuk 15: Nârada's Instructies over Vegetarisch Delen, Goddeloosheid, Genezen, Yoga en Advaita
(1) S'rî Nârada zei: 'Sommige van de tweemaal geborenen wijden zich aan baatzuchtige activiteiten, sommigen houden zich bezig met ontzeggingen, o heerser der mensen, sommigen zijn van vedische studie terwijl anderen de retoriek beoefenen en sommigen zich ook verenigen [in het bewustzijn] in de geestelijke kennis [in bhakti- en jñâna-yoga]. (2) Een persoon die de bevrijding verlangt behoort de opbrengst van zijn offers weg te schenken aan degenen die de geestelijke kennis zijn toegewijd en behoort ook, los van dat wat geofferd wordt aan de godsbewusten, te doneren aan anderen, zij het dan met onderscheid. (3) Offerend aan de halfgoden moet men er twee [brahmanen bij] te eten geven, offerend aan de voorvaderen behoort men er drie te eten te geven, of men moet tenminste in beide gevallen er één voeden; ookal is men nog zo rijk, men moet met wat men aanbied niet al te breed uitpakken. (4) Wat betreft een geëigende plaats en tijd, de benodigdheden, de persoon die aanbeden wordt en de methode aangewend, zal het met het offeren in geloof [met de s'râddha-ceremonie] niet allemaal even perfect lukken met een grote groep genodigden. (5) Het voedsel voor de personen van de heiligheid moet, voor zover beschikbaar, op de juiste tijd en plaats met liefde en toewijding worden geofferd aan de Allerhoogste Persoonlijkheid van God overeenkomstig de regulerende beginselen en de woorden van de geestelijk leraar; wat men op deze manier offert aan degene die aanbeden wordt zal een onuitputtelijke bron van voorspoed worden. (6) Als men voedsel offert voor de goddelijken, de heiligen, de voorvaderen, de levende wezens in het algemeen, de verwanten en voor de eigen familieleden, moet men hen allen beschouwen als een deel van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God. (7) Hij die weet heeft van de principes van het dharma moet nooit vlees offeren [noch vis en eieren] tijdens de ceremoniën van geloof, noch los daarvan zelf een vleeseter zijn; met degenen die aanbeden worden is er de hoogste voldoening met het [vegetarisch] voedsel van de wijzen en niet zozeer met voedsel dat berust op nodeloos geweld jegens dieren. (8) Voor personen die naar ware rechtschapenheid verlangen bestaat er geen hogere religie dan dit: het in geest, woorden en handelingen opgeven van alle geweld jegens andere levende wezens.
(9) Personen die vrij van materiële verlangens heel goed weten wat de bedoeling is van het brengen van offers, zijn, verlicht in de jñâna, van het offeren door hun aandacht gevestigd te houden op het ware zelf [in samyama]; zij, gevorderd in de kennis der spiritualiteit, weten dat sommige offers, [het offeren van dieren] karmische gevolgen hebben. (10) De dieren die de offeraar bezig zien met zijn materiële zaken raken bevangen door angst denkend: 'Deze persoon heeft het vast niet goed voor met ons, hij, het niet echt goed wetend, zal zeker snel een resultaat willen zien door ons ter dood te brengen!'. (11) Om die reden moet dan ook hij die werkelijk van het dharma is [zie ook B.G. 18: 66], dag in dag uit, met de grootste voldoening, zijn reguliere en gelegenheidsplichten nakomen met het voedsel dat door God schonken wordt, het [vegetarische] voedsel der wijzen. (12) Vidharma, paradharma, upadharma, âbhâsa en chala-dharma zijn de vijf verschillende vormen van goddeloosheid die door hen die zich trouw aan de schrift houden worden beschouwd als het adharma, het onrechtschapen bezig zijn, dat moet worden opgegeven. (13) Wat de oorspronkelijke bedoeling van de eigen plichtsvervulling in de weg staat is vidharma, verkeerd begrepen of vreemd aan het eigene is het paradharma, aanwijzingen die haaks staan op iemands levensbestemming zijn upadharma en men spreekt van chala als door een tegenstander de woorden van de geschriften worden verdraaid met een valse voorstelling van zaken. (14) Dat wat personen naar eigen nukken als een slap aftreksel doen in weerwil van de bedoeling van de eigen levensorde [de âs'rama] is âbhâsa; [men moet zich met dit alles afvragen:] in welk opzicht zou dat wat naar de eigen aard als zijnde het geëigende dharma is geregeld nou niet de vrede brengen? (15) Zo moet men als men het niet breed heeft, niet proberen meer geld te krijgen; met de religie en de economie moet men niet voorbijstreven wat noodzakelijk is om lichaam en ziel bij elkaar te houden. De begeerteloosheid van iemand die vrij is van dat ondernemen is als die van de python [zie 7.13: 11] die leeft zonder noemenswaardige inspanning. (16) Waar vindt hij, die gedreven door lust en hebzucht voor de rijkdom ronddoolt van hot naar haar, nu het geluk van de tevreden persoon die niet ondernemend voor zijn onderhoud gelukkig is van binnenuit?(17) Voor een geest immer van de vrede is iedere weg bewandeld even gunstig, precies zoals dat het geval is met een persoon die met schoenen aan zijn voeten niets te vrezen heeft van steentjes en doorns. (18) Of, o Koning, waarom zou een persoon van vrede niet gelukkig leven op een beetje water, als hij van het moeilijke gedoe met zijn geslachtsdelen en zijn tong een mens wordt die niet beter is dan een huishond? (19) Voorzeker zal van een ontevreden iemand die geschoold is, vanwege zijn begeerte, geleidelijk aan de kracht wegkwijnen van zijn zinnen, zijn geleerdheid, verzaking en faam en zal zijn spirituele inzicht verdwijnen. (20) Voor iemand die hongerig en dorstig is komen de lusten ten einde, van geventileerde woede is er opluchting, maar een persoon kan niet van zijn begeerte afkomen als hij eropuit is alle uithoeken van de aarde te veroveren [zie ook B.G. 16: 21]. (21) O Koning, vele geleerden, vele personen van een uiteenlopende ervaring, menige deskundigen in het juridisch advies, of vele kandidaten voor het leiderschap zelfs, zijn in de hel beland omdat het hen eenvoudigweg ontbrak aan tevredenheid.
(22) Met vastbeslotenheid moet de lust worden overwonnen, woede door middel van het verzaken van het object der begeerte, wat betreft de hebzucht moet men denken aan het ophopen van de weelde dat de problemen veroorzaakt, en de angst wordt overwonnen door zich te bezinnen op de waarheid. (23) Het uitweiden over spirituele aangelegenheden is de genezing voor weeklagen en illusie, valse trots wordt genezen door dienst aan een grote ziel, stilte overwint de hindernissen op het pad van de yoga en niet langer malen om je zinsbevrediging verhelpt de vijandigheid [zie ook B.G. 4: 10]. (24) Heb medelijden met het leed dat door andere levende wezens en door de natuur wordt veroorzaakt, geef met systematische meditatie in yoga datgene op waaronder je lijdt als gevolg van je eigen daden en overwin de slaap door goedheid te beoefenen. (25) Met de geaardheid goedheid kan een persoon, in toegewijde dienst jegens de geestelijk leraar, gemakkelijk al deze hartstocht, onwetendheid en de goedheid zelf overwinnen die men ook moet opgeven. (26) De goeroe die het licht op het pad vormt moet rechtstreeks worden gezien als de Allerhoogste Persoon; hij die hem en alles wat tot de Veda behoort beschouwt als sterfelijk en tijdgebonden, is als een olifant die een stofbad neemt. (27) Deze Opperheer die evident de oorspronkelijke natuur van de persoon is, de Beheerser is wiens voeten worden gezocht door de meesters van de yoga, wordt door de gewone man voor een normaal menselijk wezen aangezien! [zie ook B.G. 9: 11] (28) Als al de handelingen en regelingen zoals ze horen te zijn, voor het doel van het voor eens en altijd onderwerpen van de zes der zinnen en de geest, er niet toe leiden dat men in het bewustzijn verenigd raakt, heeft men alleen maar zijn tijd en moeite verspild.
(29) Aangezien beroepsmatige bezigheden gericht op het verwerven van een inkomen niet het belang van de yoga dienen, zijn ze te allen tijde van weinig nut en waarde, net zoals de rituele vedische plechtigheden uitgevoerd door een persoon die werelds verstrikt is [vergelijk B.G. 2: 42-44]. (30) Hij die bezig is met het overwinnen van zijn denken moet alleen zijn op een afgezonderde plaats, zonder de afhankelijkheid van een gezelschap van gehechte mensen [zoals een gezin] en als een verzaakt persoon van de bedeling leven en karig eten. (31) Op een schone vereffende plaats, o Koning, moet hij voor zichzelf een zitplaats regelen en stabiel, comfortabel en gelijkmoedig neerzitten, zijn lichaam rechtop houden en op die manier de Pranava beoefenen [zie 1.2: 11 en B.G. 8: 11-14 en 6: 11-12]. (32-33) Hij behoort de ingaande en uitgaande lucht stil te zetten met het vasthouden van zijn in- en uitademen en voor die tijd alle verlangens die zijn geest bezighouden op te geven terwijl hij staart naar het puntje van zijn neus. Met de geest die vanhier naar daar dwaalt afgewend van wat dan ook is de lust verslagen en behoort een volleerd yogi stap voor stap vanuit het hart aan het denken een einde te maken. (34) Standvastig op deze manier zal de consequente beoefenaar na de nodige tijd er snel in slagen zo zuiver te zijn als een vuur zonder rook. (35) Niet meegevoerd door de verschillende verlangens is men kalm en vreedzaam in al zijn handelingen met een bewustzijn dat zich bevindt in de gelukzaligheid van het bovenzinnelijk platform waarvan men zich in feite niet kan scheiden [zie ook B.G. 5: 17].
(36) Als iemand die eerst zijn huis en haard verliet om rond te zwerven dan weer terugkeert naar het veld van de drievoudige praktijk van het materieel georiënteerde [economische, religieuze en op de zinnen ingestelde] handelen waar hij voorheen mee bezig was, is zo'n schaamteloze bedelmonnik te vergelijken met iemand die zijn eigen kots opeet [een vântâs'î]. (37) Zij die hun lichaam beschouwen als iets dat losstaat van de ziel, als iets dat sterfelijk bestemd is voor uitwerpselen, wormen en as, en dan dat lichaam weer opnieuw verheerlijken en zich ermee identificeren, zijn werkelijk de ergste sukkelaars van de grote leugen. (38-39) Voor huishouders om hun plichten te verwaarlozen, voor celibatairen om te breken met hun geloften, voor teruggetrokkenen om zich in dienst van de gewone burger te stellen, voor verzakers om te smachten ten behoeve van de zinnen - voor al deze âs'rama's is het werkelijk hoogst abominabel om zich op deze manier te gedragen in een verraad aan de geestelijke orde; men moet hen, verdwaasd als ze zijn door het uitwendige van God, in twijfel trekken en medelijden met ze hebben. (40) Als men eenmaal doorheeft wat de ziel allemaal inhoudt, als men eenmaal vanuit de bovenzinnelijke positie zijn bewustzijn gezuiverd heeft met spirituele kennis, hoe kan men dan nog verlangen naar comfort, waarom zou men dan nog een slaaf blijven van de eisen die het lichaam stelt? (41) Men zegt dat het lichaam de strijdwagen is, dat de zinnen zijn de paarden zijn, dat de geest - de meester der zinnen - er als de teugel is, dat de zinsobjecten de wegen vormen die men bewandelt, dat de rede de wagenmenner is en het karakter de grote band vormt geschapen door de Heer. (42) De spaken van het wiel [zie ook 7.9: 21] zijn de tien soorten lucht in het lichaam [genaamd prâna, apâna, samâna, vyâna, udâna, nâga, kûrma, krikala, devadatta en dhanañjaya], de binnenkant en de buitenkant van de wielen zijn de religie en de goddeloosheid, hij die vervoerd wordt is de individuele ziel die zich valselijk identificeert, de Pranava is de boog en het levend wezen is de pijl, maar het doelwit is voorzeker het Allerhoogste. (43-44) Gehechtheid en afkeer, begeerte en weeklagen, illusie, angst, waanzin, vals prestige, belediging, foutvinden en ontgoocheling, geweld en jaloezie, onrust, verdwazing, honger en slaap zijn inderdaad iemands vijanden; dezen en nog meer komen soms voort uit hartstocht en onwetendheid en soms ontspruiten ze aan de geaardheid goedheid. (45) Zolang als men deze menselijke gedaante heeft, die als een strijdwagen met alle daarbij behorende onderdelen afhangt van de eigen beheersing, moet men in dienst aan de lotusvoeten van de meest vererenswaardige zielen vasthouden aan het door de kracht van de Onfeilbare aangescherpte zwaard van kennis totdat de vijand is verslagen, zodat men voldaan over z'n bovenzinnelijk geluk dit lichaam op kan geven terwille van het zuivere, onbesmette wezen. (46) Dat niet doend zonder op te letten en zonder het ware, zullen de zinnen optredend als de paarden de wagenmenner meevoeren op het pad der begeerte. Daar valt hij in handen van plunderaars, de zinsobjecten [die die heersen met vishaya, eten, slapen en paren] en zal de wagenmenner door hen, tezamen met de paarden en de rest, in de duistere, blinde put belanden van het materieel bestaan en de grote angst voor de dood. (47) Het materiële genoegen te zijn toegenegen dan wel er van afgewend te zijn [pravritti en nivritti], zijn de twee opties van tewerk gaan volgens de Veda's [4.4: 20]; aan het materiële de voorkeur gevend is men doelloos, maar als men van de verzaking is geniet men de nectar van het eeuwige [zie ook B.G. 16: 7].
(48-49) Het systematisch van geweld zijn [in het offeren van dieren] met allerlei soorten van vuuroffers waar zoveel bij komt kijken, is vervuld van verlangen en vormt een bron van zorgen; de bedoeling van al de dars'a, pûrnamâsa, câturmâsya, pas'uh, soma en andere rituele plechtigheden moet men zien als een vorm van gehechtheid. Evenzo moet men de offergave en het offer [huta, prahuta] alsook het, in het belang van het publiek, construeren van tempels, uitspanningen en tuinen en het slaan van putten en het voorzien in voedsel en water, als symptomen daarvan zien. (50-51) Alles wat men in het vuur offert verandert in de rook die eigen is aan de goddelijkheid van de donkere helft van de maan, de zon die door het zuiden gaat, en de maan die nieuw is [vergelijk B.G. 8: 25]; op die manier zijn er van de vegetatie op de oppervlakte van de aarde, de granen om ons te voeden, is er het zaad aldus, o heerser der aarde, dat op deze manier geprojecteerd door de vader [van de Tijd] leidt tot het telkens weer, de ene na de andere keer, opeenvolgen van het opnieuw weer geboren worden om te bestaan naar de victorie der materie [zie ook B.G. 9: 21]. (52) Een tweemaal geborene van verlichting die in ware kennis verkeert raakt [door het pad van afzien] door de zuiveringsprocessen aan het begin van het leven en het einde ervan bij de dood, gezuiverd [hij verliest zijn interesse in materiële resultaten] daar hij zijn handelingen offert in [het bemediteren van] zijn zinnelijkheid. (53) De zinnen in de geest opgenomen die besmet is met woorden die zich bewegen in golven van materiële voorkeur, de woorden dan beperkt tot het volledige van haar afzonderlijke elementen, de letters, die dan weer ingeperkt zijn tot het AUM van de Pranava dat weerklinkt en die uiteindelijke geluidsklank vervolgens opgegeven tot op het punt erin vervat [de 'echo'], resulteert er dan feitelijk in dat de levensadem wordt geofferd in het Allerhoogste van het levende wezen [het brahman]. (54) De individuele ziel die de aard van het vuur en de zon volgt, de aard van de dag, het einde van de dag, de heldere helft van de maand, de volle maan, de gang door het noorden en het Allerhoogste van Brahmâ reikt dan, zich bewegend in de natuurlijke verbinding van de grove bestemming met de subtiele, tot de bovenzinnelijke staat [turya] der intelligentie. (55) Op deze weg naar God, zoals dat heet, herhaaldelijk opnieuw geboren [zie ook B.G. 8: 16], keert hij die ijvert voor de zelfverwerkelijking en daadwerkelijk uit is op de vrede, niet weer terug met de positie die hij inneemt in het ware zelf. (56) Hij die deze weg volgend trouw is aan de voorvaderen en de goden, zal, met de regelmatige studie van de geschriften zoals dat in de Veda's is voorgeschreven, ondanks dat hij een materiële persoon is, met een verlichte visie nimmer verdwaasd zijn.
(57) Er altijd voor alle levende wezens zowel innerlijk als uiterlijk zijnd van het begin tot het einde, is deze Heer er in eigen persoon, ontstegen aan het grove, als de kennis en de kenner, als de uitdrukking en het uitgedrukte en als het duister en het licht. (58) Alhoewel zeker een enkele reflectie wordt afgewezen als zijnde een werkelijke gedaante, wordt die niettemin aanvaard; dienovereenkomstig accepteert men ook de zaak der bedoeling alhoewel het moeilijk is die te bewijzen vanuit speculaties op de zintuiglijke informatie. (59) In deze wereld van de vijf elementen is men van hen noch de tegenhanger, de reflectie, die men lijkt te zijn, noch bestaat men uit een combinatie of transformatie van hen; men moet er geen geloof aan hechten dat men als een ziel een afzonderlijk bestaan heeft, noch dat men met de elementen in eenheid verkeert [zie ook B.G. 18: 16]. (60) De vijf elementen als de oorzaak van het lichamelijk begrip en de zinsobjecten hebben geen bestaan zonder hun subtiele [tegen-]delen; het onware is gelegen in de gefixeerde vorm van een lichaam, die, net zoals dat wat er deel van uitmaakt [het zinsobject], uiteindelijk maar een tijdverschijnsel blijkt te zijn. (61) Men kan het vergelijken met wat men in een droom heeft: men is wakker terwijl men slaapt, men kan [het slapen als] een deel van de werkelijkheid niet loszien van het geheel [van de droom] zonder zich te vergissen, en zo ook kan men wat er schriftuurlijk verboden is [yama] niet loszien van wat er voorgeschreven staat [niyama]. (62) Een wijze ziel werpt door zijn zelfrealisatie in het leven in overweging van het eenzijn in de materie, het eenzijn in het handelen en het eenzijn in gedachten, dezen alle drie van zich af als zijnde drie verschillende vormen van slaap [vergelijk 1.18: 26 en B.G. 6: 16]. (63) Naar de constatering dat, zoals met de substantie van de draden van een doek, het effect en de oorzaak [van zijn bestaan] één zijn omdat uiteindelijk ze los van elkaar plaatsen het onware vormt, spreekt men van een begrip van eenheid [bhâvâdvaita, zie ook B.G. 18: 16].(64) In alle activiteiten van de geest, de woorden en het lichaam rechtstreeks van toewijding zijn voor het Allerhoogste van het Bovenzinnelijk Absolute, o Yudhishthhira, wordt eenheid in handelingen genoemd [kriyâdvaita, vergelijk B.G. 9.27]. (65) Als het uiteindelijk doel en het eigenbelang, de vrouw en de kinderen, de anderen of welke levende wezens ook, één is, wordt die eenheid genoemd de eenheid van het belang [dravyâdvaita]. (66) Een persoon behoort, met wat er ook toelaatbaar is wat betreft de tijd, de plaats en de middelen, tewerk te gaan overeenkomstig zijn voorgeschreven plichten, o Koning; iemand die aldus tewerk gaat moet, als alles verder in orde is, het niet op een andere manier gaan proberen. (67) Op deze en op andere manieren zoals uitgedrukt in de vedische literatuur het houdend op zijn beroepsmatige bezigheden, kan ieder mensenkind dat met achting daarvoor toegewijde dienst verleent, zelfs thuisblijvend de bestemming van Hem bereiken, o Koning [zie ook B.G. 9: 32]. (68) Het is precies zoals jullie allen [Pândava's], o heer der koningen, ontsnapten aan al het onoverkomelijke gevaar; door de voeten te dienen van jullie eigen Meester [Krishna] slaagden jullie erin de offers met succes te volbrengen in het verslaan van de sterkste olifanten [de last der ongerechte koningen].
(69) Lang, heel lang geleden, bestond ikzelf, in een voorgaande mahâkalpa [in een ander tijdperk van Brahmâ], als een ingezetene van de hemel genaamd Upabarhana en was ik zeer gerespecteerd onder de Gandharva's. (70) Ik had een prachtig lichaam en was, hoogst aantrekkelijk, lekker ruikend en opgesierd, betoverend om te zien; trots als een gek in zijn eigen stad was ik, dag na dag onder de invloed van de natuurlijke aantrekking van vrouwen, zeer bevangen door de begeerte. (71) Toen er eens een bijeenkomst was van de goddelijken werden voor de gelegenheid van het verheerlijken van de Heer in gezang en in dans, door hen die over het universum heersten [de Prajâpati's] al de Ghandarva's en Apsara's uitgenodigd. (72) Ik ook, als een expert in het bezingen van de heerlijkheden van het goddelijk bestaan, ging erheen omringd door vrouwen en, bekend met mijn houding, vervloekten de goddelijke heersers van het universum me toen uit alle macht vanwege mijn gebrek aan respect voor de goede zeden: 'O jij, in overtreding met de gedragsregels, wees vanaf heden maar een s'ûdra, die het moet stellen zonder de schoonheid!' (73) Om die reden nam ik geboorte uit een dienstmaagd, maar ondanks dat verkreeg ik, dienst verlenend aan uitgesproken spirituele mensen, tegelijkertijd een leven als een zoon van Brahmâ [zie ook 1.5: 23-31]. (74) Aan u, een gehechte huishouder, heb ik dat proces uiteengezet waarmee een grihastha de zonde kan overwinnen en heel makkelijk de positie der verzakers kan bereiken. (75) Jullie zijn van zo'n groot geluk in de wereld dat al de heiligen die zuivering kunnen geven jullie komen bezoeken omdat bij jullie thuis rechtstreeks de Meest Vertrouwelijke van het Allerhoogste Brahman te vinden is in de gedaante van een normale persoon. (76) Hij aldus spiritueel gekend, gezocht door de groten voor de realisatie der bevrijding en de gelukzaligheid van de hemel, is de meest dierbare begunstiger van jullie allen, jullie beroemde neef [Heer Krishna], de naar hart en ziel meest aanbiddelijke persoon en goeroe van instructie aangaande de principes [de vidhi; zie ook 7.10: 48 & 49]. (77) Deze gedaante, die het bevattingsvermogen van Heer S'iva, Heer Brahmâ en de anderen tebovengaat [zie ook B.G. 7: 26], kan feitelijk worden begrepen door meditatie, door stilte, door bhakti en door een einde te maken aan alle materiële betrekkingen; moge die Ene, deze zelfde persoonlijkheid, deze Meester der Toegewijden zo aanbeden, tevreden over ons zijn.'
(78) S'rî S'uka zei: 'De beste der Bhârata-dynastie, in opperste vreugde over het aanhoren van de beschrijvingen van de devarishi, vereerde, gegrepen door de extase der liefde, hem zowel als Heer Krishna. (79) Met het eerbetoon dat hij had ontvangen van Heer Krishna en van Yudhishthhira, die zich als de zoon van Prithâ [zie stamboom] zich er zeer over verbaasde dat Krishna het Parabrahman, het Allerhoogste van het Spirituele was, nam de muni afscheid van hen en vertrok hij. (80) Aldus heb ik u beschreven hoe van de afzonderlijke dynastieën van de dochters van Daksha er de goden, de demonen en de menselijke wezens en dergelijken waren, alsmede al de werelden met hun bewegende en niet-bewegende levende wezens.'
Aldus eindigt het zevende Canto van het S'rîmad Bhâgavatam genaamd: 'De Wetenschap van God'.
Tweede editie, geladen 9 augustus 2007.
Bronteksten:
Richtlijnen voor beschaafde mensen
S'rî Nârada zei: 'Sommige van de tweemaal geborenen wijden zich aan baatzuchtige activiteiten, sommigen houden zich bezig met ontzeggingen, o heerser der mensen, sommigen zijn van vedische studie terwijl anderen de retoriek beoefenen en sommigen zich ook verenigen [in het bewustzijn] in de geestelijke kennis [in bhakti- en jñâna-yoga].
Nârada Muni vervolgde: O koning, sommige brâhmana's zijn zeer gehecht aan baatzuchtige activiteiten, anderen aan ascese en boetedoening en weer anderen bestuderen de vedische geschriften, terwijl enkelen van hen, hoewel dit er zeer weinig zijn, kennis ontwikkelen en verschillende soorten yoga beoefenen, met name bhakti-yoga. (Vedabase)
Een persoon die de bevrijding verlangt behoort de opbrengst van zijn offers weg te schenken aan degenen die de geestelijke kennis zijn toegewijd en behoort ook, los van dat wat geofferd wordt aan de godsbewusten, te doneren aan anderen, zij het dan met onderscheid.
Wie zijn voorvaderen of zichzelf wil verlossen, moet giften schenken aan een brâhmana die het impersonalistische monisme [jñâna-nishthhâ] aanhangt. Als zo'n gevorderde brâhmana niet aanwezig is, mag men giften schenken aan een brâhmana die gehecht is aan baatzuchtige activiteiten [karma-kânda]. (Vedabase)
Offerend aan de halfgoden moet men er twee [brahmanen bij] te eten geven, offerend aan de voorvaderen behoort men er drie te eten te geven, of men moet tenminste in beide gevallen er één voeden; ookal is men nog zo rijk, men moet met wat men aanbied niet al te breed uitpakken.
Tijdens de periode waarin men offerandes aan de halfgoden aanbiedt, moet men slechts twee brâhmana's uitnodigen, en bij het offeren aan de voorvaderen, mag men drie brâhmana's uitnodigen. Of anders is in beide gevallen één brâhmana voldoende. Zelfs als men erg rijk is, moet men niet proberen om meer brâhmana's uit te nodigen of allerlei kostbare voorzieningen te treffen voor zulke gelegenheden. (Vedabase)
Wat betreft een geëigende plaats en tijd, de benodigdheden, de persoon die aanbeden wordt en de methode aangewend, zal het met het offeren in geloof [met de s'râddha-ceremonie] niet allemaal even perfect lukken met een grote groep genodigden.
Als men veel brâhmana's of verwanten tijdens de s'râddha-ceremonie te eten wil geven, zullen er fouten ontstaan als het gaat om de tijd, plaats, etiquette en ingrediënten, de te vereren persoon en de wijze van verering. (Vedabase)
Het voedsel voor de personen van de heiligheid moet, voor zover beschikbaar, op de juiste tijd en plaats met liefde en toewijding worden geofferd aan de Allerhoogste Persoonlijkheid van God overeenkomstig de regulerende beginselen en de woorden van de geestelijk leraar; wat men op deze manier offert aan degene die aanbeden wordt zal een onuitputtelijke bron van voorspoed worden.
Wanneer de gelegenheid van een gunstige tijd en plaats zich voordoet, dient men met liefde voedsel dat bereid is met ghî aan de arcâ-vigraha van de Allerhoogste Godspersoon te offeren en vervolgens deze prasâda aan een geschikt persoon - een Vaishnava of brâhmana - aan te bieden. Dit zal iemand eeuwigdurende voorspoed brengen. (Vedabase)
Als men voedsel offert voor de goddelijken, de heiligen, de voorvaderen, de levende wezens in het algemeen, de verwanten en voor de eigen familieleden, moet men hen allen beschouwen als een deel van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God.
Men dient prasâda te offeren aan de halfgoden, de heiligen, zijn voorvaderen, de mensen in het algemeen, zijn gezinsleden en zijn verwanten en vrienden, en ze daarbij allemaal te zien als toegewijden van de Allerhoogste Godspersoon. (Vedabase)
Hij die weet heeft van de principes van het dharma moet nooit vlees offeren [noch vis en eieren] tijdens de ceremoniën van geloof, noch los daarvan zelf een vleeseter zijn; met degenen die aanbeden worden is er de hoogste voldoening met het [vegetarisch] voedsel van de wijzen en niet zozeer met voedsel dat berust op nodeloos geweld jegens dieren.
Iemand die zich ten volle bewust is van de religieuze beginselen moet nooit zoiets als vlees, eieren of vis offeren tijdens de s'râdhha-ceremonie, en zelfs als men een kshatriya is, moet men zulke dingen niet eten. Wanneer het juiste voedsel met ghî bereid is en aan heilige personen wordt geofferd, behaagt men hiermee zowel de voorvaderen als de Allerhoogste Heer, die nooit blij zijn als er dieren gedood worden in naam van een offer. (Vedabase)
Voor personen die naar ware rechtschapenheid verlangen bestaat er geen hogere religie dan dit: het in geest, woorden en handelingen opgeven van alle geweld jegens andere levende wezens.
Mensen die vooruitgang willen maken op een hoger niveau van religie worden aangeraden om alle afgunst tegenover andere levende wezens in daad, woord of gedachte op te geven. Er bestaat geen religie die hoger is dan dit. (Vedabase)
Personen die vrij van materiële verlangens heel goed weten wat de bedoeling is van het brengen van offers, zijn, verlicht in de jñâna, van het offeren door hun aandacht gevestigd te houden op het ware zelf [in samyama]; zij, gevorderd in de kennis der spiritualiteit, weten dat sommige offers, [het offeren van dieren] karmische gevolgen hebben.
Degenen in wie geestelijke kennis ontwaakt is en die daarom een verstandige visie hebben op het brengen van offers, die zich werkelijk bewust zijn van de religieuze beginselen en vrij zijn van materiële verlangens, beheersen het zelf in het vuur van transcendentale kennis of kennis van de Absolute Waarheid. Zulke mensen hoeven de diverse riten niet meer in acht te nemen. (Vedabase)
De dieren die de offeraar bezig zien met zijn materiële zaken raken bevangen door angst denkend: 'Deze persoon heeft het vast niet goed voor met ons, hij, het niet echt goed wetend, zal zeker snel een resultaat willen zien door ons ter dood te brengen!'.
Wanneer de dieren die geofferd moeten worden de persoon zien die het offer brengt, zijn ze verschrikkelijk bang en denken: "Deze genadeloze offeraar, die niets afweet van het doel van het offeren en er veel plezier in heeft om anderen te doden, zal ons zeker om het leven brengen." (Vedabase)
Om die reden moet dan ook hij die werkelijk van het dharma is [zie ook B.G. 18: 66], dag in dag uit, met de grootste voldoening, zijn reguliere en gelegenheidsplichten nakomen met het voedsel dat door God schonken wordt, het [vegetarische] voedsel der wijzen.
Daarom moet iemand die zich werkelijk bewust is van de religieuze principes en die niet haatdragend is tegenover de arme dieren, iedere dag vol vreugde zowel zijn dagelijkse offers verrichten als die voor speciale gelegenheden, met voedsel dat dankzij de genade van de Heer gemakkelijk te verkrijgen is. (Vedabase)
Vidharma, paradharma, upadharma, âbhâsa en chala-dharma zijn de vijf verschillende vormen van goddeloosheid die door hen die zich trouw aan de schrift houden worden beschouwd als het adharma, het onrechtschapen bezig zijn, dat moet worden opgegeven.
Er zijn vijf vormen van goddeloosheid, die men onderscheidt als goddeloosheid [vidharma], religieuze principes waarvoor men niet geschikt is [para-dharma], zogenaamde religie [âbhâsa], imitatie-religie [upadharma] en bedrog [chala-dharma]. Iemand die weet wat ware religie is, moet deze vijf vormen van goddeloosheid opgeven. (Vedabase)
Wat de oorspronkelijke bedoeling van de eigen plichtsvervulling in de weg staat is vidharma, verkeerd begrepen of vreemd aan het eigene is het paradharma, aanwijzingen die haaks staan op iemands levensbestemming zijn upadharma en men spreekt van chala als door een tegenstander de woorden van de geschriften worden verdraaid met een valse voorstelling van zaken.
Religieuze principes die iemand ervan weerhouden zijn eigen religie te volgen, worden vidharma genoemd. Religieuze principes die door anderen zijn geïntroduceerd worden para-dharma genoemd. Een nieuwe religie, uitgevonden door een trots persoon die gekant is tegen de beginselen van de Veda's, wordt upadharma genoemd. En een interpretatie die berust op gegoochel met woorden, noemt men chala-dharma. (Vedabase)
Dat wat personen naar eigen nukken als een slap aftreksel doen in weerwil van de bedoeling van de eigen levensorde [de âs'rama] is âbhâsa; [men moet zich met dit alles afvragen:] in welk opzicht zou dat wat naar de eigen aard als zijnde het geëigende dharma is geregeld nou niet de vrede brengen?
Een zogenaamde religie gecreëerd door iemand die opzettelijk de voorgeschreven plichten van zijn levensorde veronachtzaamt, wordt âbhâsa [een vage weerspiegeling of bedrieglijke overeenkomst] genoemd. Maar waarom kan men geen verlichting krijgen van alle materiële ellende als men zijn plichten vervult volgens zijn eigen âs'rama of varna? (Vedabase)
Zo moet men als men het niet breed heeft, niet proberen meer geld te krijgen; met de religie en de economie moet men niet voorbijstreven wat noodzakelijk is om lichaam en ziel bij elkaar te houden. De begeerteloosheid van iemand die vrij is van dat ondernemen is als die van de python [zie 7.13: 11] die leeft zonder noemenswaardige inspanning.
Ook al is men arm, dan moet men toch geen moeite doen om zijn materiële toestand te verbeteren enkel om lichaam en ziel bijeen te houden, of om te proberen een vermaarde religieuze persoonlijkheid te worden. Zoals een grote python, die op één plaats blijft liggen en geen enkele moeite doet om in zijn onderhoud te voorzien, toch aan het voedsel komt dat hij nodig heeft om lichaam en ziel bijeen te houden, zo kan ook iemand die geen verlangens heeft zich zonder enige inspanning instandhouden. (Vedabase)
Tekst 16:
Waar vindt hij, die gedreven door lust en hebzucht voor de rijkdom ronddoolt van hot naar haar, nu het geluk van de tevreden persoon die niet ondernemend voor zijn onderhoud gelukkig is van binnenuit?
Iemand die tevreden en voldaan is en zijn activiteiten in dienst stelt van de Allerhoogste Godspersoon die in ieders hart woont, geniet van transcendentaal geluk zonder dat hij zich in hoeft te spannen om in zijn onderhoud te voorzien. Waar is er zulk geluk voor de materialist die zich laat leiden door lust en hebzucht en van her naar der gaat met het verlangen om rijkdom te vergaren? (Vedabase)
Voor een geest immer van de vrede is iedere weg bewandeld even gunstig, precies zoals dat het geval is met een persoon die met schoenen aan zijn voeten niets te vrezen heeft van steentjes en doorns.
Iemand die goede schoenen aan zijn voeten heeft, loopt geen gevaar, zelfs al ligt de weg vol steentjes of doornen. Voor hem is alles even gunstig. Hetzelfde geldt voor iemand die altijd innerlijk voldaan is; hij kent geen verdriet, want hij is overal gelukkig. (Vedabase)
Of, o Koning, waarom zou een persoon van vrede niet gelukkig leven op een beetje water, als hij van het moeilijke gedoe met zijn geslachtsdelen en zijn tong een mens wordt die niet beter is dan een huishond?
O koning, iemand die innerlijk voldaan is, kan zelfs gelukkig zijn als hij alleen wat water te drinken heeft. Als men echter de slaaf van zijn zinnen is, in het bijzonder van de tong en de geslachtsdelen, moet men de positie van een huishond aanvaarden om zijn zinnen te kunnen bevredigen. (Vedabase)
Voorzeker zal van een ontevreden iemand die geschoold is, vanwege zijn begeerte, geleidelijk aan de kracht wegkwijnen van zijn zinnen, zijn geleerdheid, verzaking en faam en zal zijn spirituele inzicht verdwijnen.
Door de begeerte naar zinsbevrediging nemen de geestelijke kracht, ontwikkeling, ascese en reputatie van een toegewijde of brâhmana die niet innerlijk voldaan is af, en verdwijnt zijn kennis langzamerhand. (Vedabase)
Voor iemand die hongerig en dorstig is komen de lusten ten einde, van geventileerde woede is er opluchting, maar een persoon kan niet van zijn begeerte afkomen als hij eropuit is alle uithoeken van de aarde te veroveren [zie ook B.G. 16: 21].
De sterke lichamelijke verlangens en behoeften van iemand die door honger en dorst gekweld wordt, raken zonder twijfel bevredigd wanneer hij eet. Eveneens kan iemand die erg boos wordt tevredengesteld worden wanneer hij ziet dat er straf wordt gegeven en wat het resultaat daarvan is. Maar met hebzucht ligt het anders; iemand die door hebzucht gedreven wordt zal, zelfs als hij alle hoeken van de aarde veroverd heeft en van alles in de wereld heeft genoten, nog steeds niet tevreden zijn. (Vedabase)
O Koning, vele geleerden, vele personen van een uiteenlopende ervaring, menige deskundigen in het juridisch advies, of vele kandidaten voor het leiderschap zelfs, zijn in de hel beland omdat het hen eenvoudigweg ontbrak aan tevredenheid.
O koning Yudhishthhira, veel mensen met ruime ervaring, vele rechtskundig adviseurs, vele grote geleerden en mensen die ervoor in aanmerking komen om de voorzitter van een gezelschap van geleerden te worden, komen in een hels bestaan terecht omdat ze niet tevreden zijn met hun positie. (Vedabase)
Met vastbeslotenheid moet de lust worden overwonnen, woede door middel van het verzaken van het object der begeerte, wat betreft de hebzucht moet men denken aan het ophopen van de weelde dat de problemen veroorzaakt, en de angst wordt overwonnen door zich te bezinnen op de waarheid.
Door vaste voornemens dient men zijn wellustige verlangens naar zinsbevrediging op te geven. Op dezelfde manier moet men door zijn afgunst te laten varen zijn woede overwinnen, door de nadelen van rijkdom te bespreken zijn hebzucht opgeven, en door over de waarheid te discussiëren zijn angst overwinnen. (Vedabase)
Het uitweiden over spirituele aangelegenheden is de genezing voor weeklagen en illusie, valse trots wordt genezen door dienst aan een grote ziel, stilte overwint de hindernissen op het pad van de yoga en niet langer malen om je zinsbevrediging verhelpt de vijandigheid [zie ook B.G. 4: 10].
Door over geestelijke kennis te spreken kan men verdriet en illusie de baas worden, door een grote toegewijde te dienen kan men zijn trots kwijtraken, door niet te spreken kan men de struikelblokken op het pad van mystieke yoga vermijden, en door gewoon met zinsbevrediging op te houden kan men afgunst overwinnen. (Vedabase)
Heb medelijden met het leed dat door andere levende wezens en door de natuur wordt veroorzaakt, geef met systematische meditatie in yoga datgene op waaronder je lijdt als gevolg van je eigen daden en overwin de slaap door goedheid te beoefenen.
Door zich goed te gedragen en zich te bevrijden van afgunst dient men het lijden dat door andere levende wezens teweeg wordt gebracht tegen te gaan, door in trance te mediteren moet men lijden dat de voorzienigheid teweegbrengt tegengaan, en door hathha-yoga, prânâyâma enzovoort te beoefenen dient men lijden dat door lichaam en geest teweeggebracht wordt tegen te gaan. Bovendien dient men door het ontwikkelen van de geaardheid goedheid, vooral waar het eten betreft, de slaap te overwinnen. (Vedabase)
Met de geaardheid goedheid kan een persoon, in toegewijde dienst jegens de geestelijk leraar, gemakkelijk al deze hartstocht, onwetendheid en de goedheid zelf overwinnen die men ook moet opgeven.
Door de geaardheid goedheid te ontwikkelen dient men de geaardheden hartstocht en onwetendheid te overwinnen, en vervolgens moet men zich van de geaardheid goedheid onthechten door zich naar het niveau van s'uddha-sattva te verheffen. Dit gaat allemaal vanzelf als men de geestelijk leraar met geloof en toewijding dient. Op deze manier kan men de invloed van de geaardheden der natuur overwinnen. (Vedabase)
De goeroe die het licht op het pad vormt moet rechtstreeks worden gezien als de Allerhoogste Persoon; hij die hem en alles wat tot de Veda behoort beschouwt als sterfelijk en tijdgebonden, is als een olifant die een stofbad neemt.
De geestelijk leraar dient rechtstreeks als de Allerhoogste Heer beschouwd te worden omdat hij ons verlicht met transcendentale kennis. Daarom is voor iemand die de materiële opvatting huldigt dat de geestelijk leraar een gewoon mens is alles vergeefs. Zijn verlichting, studie van de Veda's en kennis zijn als het baden van een olifant. (Vedabase)
Deze Opperheer die evident de oorspronkelijke natuur van de persoon is, de Beheerser is wiens voeten worden gezocht door de meesters van de yoga, wordt door de gewone man voor een normaal menselijk wezen aangezien! [zie ook B.G. 9: 11]
De Allerhoogste Godspersoon, Heer Krishna, is de meester van alle andere levende wezens en van de materiële natuur en Zijn lotusvoeten worden gezocht en vereerd door grote heiligen als Vyâsa. Niettemin zijn er dwazen die Heer Krishna als een gewoon mens beschouwen. (Vedabase)
Als al de handelingen en regelingen zoals ze horen te zijn, voor het doel van het voor eens en altijd onderwerpen van de zes der zinnen en de geest, er niet toe leiden dat men in het bewustzijn verenigd raakt, heeft men alleen maar zijn tijd en moeite verspild.
Rituele ceremonies, het volgen van leefregels en het beoefenen van ascese en yoga zijn allemaal bedoeld om de zintuigen en de geest te leren beheersen, maar zelfs als men in staat is om de zintuigen en de geest te beheersen, maar men komt niet tot het stadium van meditatie op de Allerhoogste Heer, dan zijn al dergelijke activiteiten niets dan vergeefse moeite geweest. (Vedabase)
Aangezien beroepsmatige bezigheden gericht op het verwerven van een inkomen niet het belang van de yoga dienen, zijn ze te allen tijde van weinig nut en waarde, net zoals de rituele vedische plechtigheden uitgevoerd door een persoon die werelds verstrikt is [vergelijk B.G. 2: 42-44].
Zoals beroepsmatige activiteiten of winst uit zaken iemand niet bij zijn geestelijke ontwikkeling kunnen helpen maar een bron van materiële verstrikking zijn, zo kunnen de vedische riten evenmin iemand helpen die geen toegewijde van de Allerhoogste Godspersoon is. (Vedabase)
Hij die bezig is met het overwinnen van zijn denken moet alleen zijn op een afgezonderde plaats, zonder de afhankelijkheid van een gezelschap van gehechte mensen [zoals een gezin] en als een verzaakt persoon van de bedeling leven en karig eten.
Iemand die het verlangen heeft om de geest te overwinnen, moet het gezelschap van zijn gezin opgeven en op een afgelegen plaats gaan wonen, vrij van de omgang met onzuivere personen. Om zijn lichaam en geest bijeen te houden dient hij net genoeg te bedelen om in zijn eerste levensbehoeften te voorzien. (Vedabase)
Op een schone vereffende plaats, o Koning, moet hij voor zichzelf een zitplaats regelen en stabiel, comfortabel en gelijkmoedig neerzitten, zijn lichaam rechtop houden en op die manier de Pranava beoefenen [zie 1.2: 11 en B.G. 8: 11-14 en 6: 11-12].
O koning, men moet in een gewijd en heilig pelgrimsoord een plaats uitzoeken om yoga te beoefenen. Deze plaats moet vlak zijn en niet te laag of te hoog. Daar moet men heel gemakkelijk gaan zitten, standvastig en evenwichtig van geest en met zijn lichaam goed recht, en zo beginnen met het chanten van het vedische pranava. (Vedabase)
Hij behoort de ingaande en uitgaande lucht stil te zetten met het vasthouden van zijn in- en uitademen en voor die tijd alle verlangens die zijn geest bezighouden op te geven terwijl hij staart naar het puntje van zijn neus. Met de geest die vanhier naar daar dwaalt afgewend van wat dan ook is de lust verslagen en behoort een volleerd yogi stap voor stap vanuit het hart aan het denken een einde te maken.
Terwijl hij onafgebroken naar het puntje van zijn neus staart, beoefent een geleerde yogi de ademhalingstechnieken die men pûraka, kumbhaka en recaka noemt - het beheersen van de in- en de uitademing en ze dan beide stopzetten. Op deze manier ontdoet de yogi zijn geest van materiële gehechtheden en laat hij alle verlangens varen. Zodra de geest overmand wordt door wellustige verlangens of afdwaalt naar zinsbevrediging, moet de yogi hem direct terugbrengen en verankeren in het diepst van zijn hart. (Vedabase)
Standvastig op deze manier zal de consequente beoefenaar na de nodige tijd er snel in slagen zo zuiver te zijn als een vuur zonder rook.
Als de yogi op deze wijze regelmatig blijft oefenen, zal zijn hart binnen korte tijd standvastig en vrij van onrust worden, zoals een vuur zonder vlammen of rook. (Vedabase)
Niet meegevoerd door de verschillende verlangens is men kalm en vreedzaam in al zijn handelingen met een bewustzijn dat zich bevindt in de gelukzaligheid van het bovenzinnelijk platform waarvan men zich in feite niet kan scheiden [zie ook B.G. 5: 17].
Iemand wiens bewustzijn niet besmet is door materiële wellustige verlangens, zal kalm en vredig zijn bij alles wat hij doet, omdat hij het eeuwige, gelukzalige leven heeft bereikt. Wie zich eenmaal op dat niveau bevindt, begint nooit opnieuw met materialistische activiteiten. (Vedabase)
Als iemand die eerst zijn huis en haard verliet om rond te zwerven dan weer terugkeert naar het veld van de drievoudige praktijk van het materieel georiënteerde [economische, religieuze en op de zinnen ingestelde] handelen waar hij voorheen mee bezig was, is zo'n schaamteloze bedelmonnik te vergelijken met iemand die zijn eigen kots opeet [een vântâs'î].
Iemand die sannyâsa heeft genomen, geeft de drie principes van materialistische activiteit waaraan men zich in het kader van het gezinsleven overgeeft op - namelijk wereldse religie, het vergaren van materiële rijkdom en zinsbevrediging. Wie na reeds sannyâsa te hebben genomen, terugvalt tot zulke materialistische activiteiten wordt een vântâs'î genoemd, iemand die zijn eigen braaksel opeet. Zo'n persoon kent geen schaamte. (Vedabase)
Zij die hun lichaam beschouwen als iets dat losstaat van de ziel, als iets dat sterfelijk bestemd is voor uitwerpselen, wormen en as, en dan dat lichaam weer opnieuw verheerlijken en zich ermee identificeren, zijn werkelijk de ergste sukkelaars van de grote leugen.
Sannyâsî's die eerst onderkennen dat het lichaam aan de dood is onderworpen en uiteindelijk in uitwerpselen, wormen of as zal veranderen, maar er later toch opnieuw waarde aan gaan hechten en het verheerlijken als was het het zelf, moeten als de grootste schurken worden beschouwd. (Vedabase)
Voor huishouders om hun plichten te verwaarlozen, voor celibatairen om te breken met hun geloften, voor teruggetrokkenen om zich in dienst van de gewone burger te stellen, voor verzakers om te smachten ten behoeve van de zinnen - voor al deze âs'rama's is het werkelijk hoogst abominabel om zich op deze manier te gedragen in een verraad aan de geestelijke orde; men moet hen, verdwaasd als ze zijn door het uitwendige van God, in twijfel trekken en medelijden met ze hebben.
Het is verfoeilijk voor een grihastha om de leefregels op te geven, voor een brahmacârî om de brahmacârî-geloftes niet na te komen terwijl hij onder de hoede van de guru leeft, voor een vânaprastha om in het dorp te wonen en zich aan zogenaamde sociale activiteiten te wijden, en voor een sannyâsî om aan zinsbevrediging verslaafd te zijn. Wie zich zo gedraagt wordt als een afvallige van het laagste allooi beschouwd. Zo'n huichelaar is begoocheld door de uitwendige energie van de Allerhoogste Godspersoon, en men moet hem ofwel verwerpen en zijn positie afnemen, ofwel mededogen tonen door hem zo mogelijk te leren hoe hij zijn oorspronkelijke positie terug kan krijgen. (Vedabase)
Als men eenmaal doorheeft wat de ziel allemaal inhoudt, als men eenmaal vanuit de bovenzinnelijke positie zijn bewustzijn gezuiverd heeft met spirituele kennis, hoe kan men dan nog verlangen naar comfort, waarom zou men dan nog een slaaf blijven van de eisen die het lichaam stelt?
De menselijke lichaamsvorm is ervoor bedoeld om het zelf en het Allerhoogste Zelf, de Allerhoogste Godspersoon, te begrijpen, die beiden transcendentaal zijn. Als iemand die gezuiverd is door hogere kennis deze allebei begrijpt, hoe kan hij dan nog zo dwaas en inhalig zijn om om welke reden of voor wie dan ook zijn lichaam in stand te willen houden voor zinsbevrediging? (Vedabase)
Men zegt dat het lichaam de strijdwagen is, dat de zinnen zijn de paarden zijn, dat de geest - de meester der zinnen - er als de teugel is, dat de zinsobjecten de wegen vormen die men bewandelt, dat de rede de wagenmenner is en het karakter de grote band vormt geschapen door de Heer.
Transcendentalisten die een hoog niveau van kennis hebben bereikt, vergelijken het lichaam, dat gemaakt is in opdracht van de Allerhoogste Godspersoon, met een rijtuig. De zintuigen zijn als de paarden; de geest, die de meester van de zinnen is, is als de teugels; de zinsobjecten zijn de diverse bestemmingen; de intelligentie is de wagenmenner; en het bewustzijn, dat over het hele lichaam verspreid is, is de oorzaak van onze gebondenheid in deze materiële wereld. (Vedabase)
De spaken van het wiel [zie ook 7.9: 21] zijn de tien soorten lucht in het lichaam [genaamd prâna, apâna, samâna, vyâna, udâna, nâga, kûrma, krikala, devadatta en dhanañjaya], de binnenkant en de buitenkant van de wielen zijn de religie en de goddeloosheid, hij die vervoerd wordt is de individuele ziel die zich valselijk identificeert, de Pranava is de boog en het levend wezen is de pijl, maar het doelwit is voorzeker het Allerhoogste.
De tien soorten lucht die in het lichaam werkzaam zijn, worden vergeleken met de spaken van het wiel van het rijtuig, en de onder- en bovenkant van het wiel zelf worden religie en goddeloosheid genoemd. Het levend wezen dat in de lichamelijke levensbeschouwing verkeert, is de eigenaar van het rijtuig. De vedische mantra pranava is de boog, het zuivere levend wezen zelf de pijl en het doel is het Allerhoogste Wezen. (Vedabase)
Gehechtheid en afkeer, begeerte en weeklagen, illusie, angst, waanzin, vals prestige, belediging, foutvinden en ontgoocheling, geweld en jaloezie, onrust, verdwazing, honger en slaap zijn inderdaad iemands vijanden; dezen en nog meer komen soms voort uit hartstocht en onwetendheid en soms ontspruiten ze aan de geaardheid goedheid.
In de geconditioneerde staat wordt onze levensbeschouwing soms besmet door hartstocht en onwetendheid, wat zich uit in gehechtheid, vijandigheid, hebzucht, zelfbeklag, illusie, angst, waanzin, vals prestige, beledigingen, kritiek, bedrog, afgunst, onverdraagzaamheid, hartstocht, verwarring, honger en slaap. Dit zijn allemaal vijanden. Soms wordt iemands levensbeschouwing ook door goedheid besmet. (Vedabase)
Zolang als men deze menselijke gedaante heeft, die als een strijdwagen met alle daarbij behorende onderdelen afhangt van de eigen beheersing, moet men in dienst aan de lotusvoeten van de meest vererenswaardige zielen vasthouden aan het door de kracht van de Onfeilbare aangescherpte zwaard van kennis totdat de vijand is verslagen, zodat men voldaan over z'n bovenzinnelijk geluk dit lichaam op kan geven terwille van het zuivere, onbesmette wezen.
Zolang men een materieel lichaam moet aanvaarden, met al zijn verschillende delen en toebehoren, die men niet volledig onder controle heeft, moet men bescherming zoeken bij de lotusvoeten van zijn superieuren, namelijk zijn geestelijk leraar en diens voorgangers. Door hun genade kan men het zwaard der kennis scherpen, en vervolgens moet men met de kracht van de genade van de Allerhoogste Godspersoon de eerder genoemde vijanden verslaan. Op deze wijze moet de toegewijde in staat zijn om in zijn eigen transcendentale gelukzaligheid op te gaan, waarna hij zijn lichaam kan verlaten en zijn geestelijke identiteit hervindt. (Vedabase)
Dat niet doend zonder op te letten en zonder het ware, zullen de zinnen optredend als de paarden de wagenmenner meevoeren op het pad der begeerte. Daar valt hij in handen van plunderaars, de zinsobjecten [die die heersen met vishaya, eten, slapen en paren] en zal de wagenmenner door hen, tezamen met de paarden en de rest, in de duistere, blinde put belanden van het materieel bestaan en de grote angst voor de dood.
Maar als men niet zijn toevlucht neemt tot Acyuta en Baladeva, dan nemen de zintuigen, die als de paarden optreden, en de intelligentie, die de rol van wagenmenner speelt, het lichaam, dat vertegenwoordigd wordt door het rijtuig, onbesuisd mee naar het pad van zinsbevrediging, omdat ze beide gemakkelijk materieel besmet raken. Wanneer men op deze manier weer aangetrokken is geraakt tot de bedriegers van vishaya - eten, slapen en paren - worden de paarden en de wagenmenner in de diepe duistere put van het materiële bestaan geworpen, en komt men wederom in de gevaarlijke en uiterst beangstigende situatie van herhaalde geboorte en dood terecht. (Vedabase)
Het materiële genoegen te zijn toegenegen dan wel er van afgewend te zijn [pravritti en nivritti], zijn de twee opties van tewerk gaan volgens de Veda's [4.4: 20]; aan het materiële de voorkeur gevend is men doelloos, maar als men van de verzaking is geniet men de nectar van het eeuwige [zie ook B.G. 16: 7].
Volgens de Veda's bestaan er twee soorten activiteiten - pravritti en nivritti. Pravritti-activiteiten houden in dat men zich van een lager niveau van materialistisch leven naar een hoger niveau van materialistisch leven opwerkt, terwijl nivritti betekent dat men ophoudt met het hebben van materiële verlangens. Als gevolg van pravritti-activiteiten raakt men materieel verstrikt en lijdt men, maar door nivritti-activiteiten raakt men gezuiverd en komt men in aanmerking voor een eeuwig leven vol gelukzaligheid. (Vedabase)
Het systematisch van geweld zijn [in het offeren van dieren] met allerlei soorten van vuuroffers waar zoveel bij komt kijken, is vervuld van verlangen en vormt een bron van zorgen; de bedoeling van al de dars'a, pûrnamâsa, câturmâsya, pas'uh, soma en andere rituele plechtigheden moet men zien als een vorm van gehechtheid. Evenzo moet men de offergave en het offer [huta, prahuta] alsook het, in het belang van het publiek, construeren van tempels, uitspanningen en tuinen en het slaan van putten en het voorzien in voedsel en water, als symptomen daarvan zien.
De riten en offers die men kent als agni-hotra-yajña, dars'a-yajña, pûrnamâsa-yajña, câturmâsya-yajña, pas'u-yajña en soma-yajña gaan allemaal gepaard met het doden van dieren en het verbranden van allerlei waardevolle zaken, in het bijzonder granen, en dit alles voor het vervullen van materiële verlangens en het creëren van angst en zorgen. Dergelijke offers, het vereren van Vais'vadeva en de Baliharana-ceremonie, hetgeen allemaal geacht wordt het doel van het leven uit te maken, evenals het bouwen van tempels voor de halfgoden, het bouwen van rusthuizen en tuinen, het graven van putten voor water, het stichten van centra voor het uitdelen van voedsel en het verrichten van activiteiten voor het algemeen welzijn - al dergelijke activiteiten worden gekenmerkt door gehechtheid aan materiële verlangens. (Vedabase)
Alles wat men in het vuur offert verandert in de rook die eigen is aan de goddelijkheid van de donkere helft van de maan, de zon die door het zuiden gaat, en de maan die nieuw is [vergelijk B.G. 8: 25]; op die manier zijn er van de vegetatie op de oppervlakte van de aarde, de granen om ons te voeden, is er het zaad aldus, o heerser der aarde, dat op deze manier geprojecteerd door de vader [van de Tijd] leidt tot het telkens weer, de ene na de andere keer, opeenvolgen van het opnieuw weer geboren worden om te bestaan naar de victorie der materie [zie ook B.G. 9: 21].
O koning Yudhishthhira, wanneer ghî en granen zoals gerst en sesam in het vuur geofferd worden, veranderen deze in hemelse rook die het levend wezen naar steeds hogere planetenstelsels voert, zoals het koninkrijk van Dhumâ, Râtri, Krishnapaksha, Dakshinam en uiteindelijk de maan. Maar later dalen degenen die dergelijke offers hebben gebracht weer terug naar de aarde en worden kruiden, klimplanten, groenten en granen. Deze planten worden door verschillende levende wezens opgegeten en omgezet in sperma, dat vervolgens in een vrouwelijk lichaam wordt ingebracht. Zo wordt men steeds weer opnieuw geboren. (Vedabase)
Een tweemaal geborene van verlichting die in ware kennis verkeert raakt [door het pad van afzien] door de zuiveringsprocessen aan het begin van het leven en het einde ervan bij de dood, gezuiverd [hij verliest zijn interesse in materiële resultaten] daar hij zijn handelingen offert in [het bemediteren van] zijn zinnelijkheid.
Een tweemaal-geboren brâhmana [dvija] wordt door de genade van zijn ouders verwekt volgens de garbhâdhâna-zuiveringsrite. Hierop volgen nog allerlei andere zuiveringsriten, tot aan het eind van het leven, wanneer de crematie-ceremonie [antyeshthi-kriyâ] plaatsvindt. Zodoende raakt een gekwalificeerde brâhmana na verloop van tijd zijn belangstelling voor materiële activiteiten en offers kwijt, maar offert hij de zinsobjecten in volledige kennis in de werkzintuigen, die verlicht zijn door het vuur der kennis. (Vedabase)
De zinnen in de geest opgenomen die besmet is met woorden die zich bewegen in golven van materiële voorkeur, de woorden dan beperkt tot het volledige van haar afzonderlijke elementen, de letters, die dan weer ingeperkt zijn tot het AUM van de Pranava dat weerklinkt en die uiteindelijke geluidsklank vervolgens opgegeven tot op het punt erin vervat [de 'echo'], resulteert er dan feitelijk in dat de levensadem wordt geofferd in het Allerhoogste van het levende wezen [het brahman].
De geest wordt altijd verstoord door de golven van aanvaarden en verwerpen. Daarom dient men alle activiteiten van de zintuigen aan de geest te offeren, die op zijn beurt in de woorden geofferd moet worden. Vervolgens moet men zijn woorden in het totaal van alle alfabetten offeren, en deze daarop in de verkorte vorm van het omkâra offeren. Omkâra moet in het punt bindu geofferd worden, bindu in de geluidsvibratie en die geluidsvibratie in de levenslucht. Daarna blijft alleen het levend wezen nog over, en dat moet opgaan in Brahman, de Allerhoogste. Dat is de methode van offeren. (Vedabase)
De individuele ziel die de aard van het vuur en de zon volgt, de aard van de dag, het einde van de dag, de heldere helft van de maand, de volle maan, de gang door het noorden en het Allerhoogste van Brahmâ reikt dan, zich bewegend in de natuurlijke verbinding van de grove bestemming met de subtiele, tot de bovenzinnelijke staat [turya] der intelligentie.
Op dit pad wat omhoogleidt, komt het levend wezen door de verschillende werelden van vuur, de zon, de dag, het einde van de dag, de veertien dagen als de maan wassende is, de volle maan en de periode dat de zon naar het noorden reist, samen met de bijbehorende halfgoden. Wanneer hij Brahmaloka bereikt, geniet hij vele miljoenen jaren lang van het leven, totdat er tenslotte een eind komt aan zijn valse identificatie met de grove materie. Dan komt hij in een staat van identificatie met de subtiele energie en tenslotte bereikt hij de meest subtiele of oorspronkelijke vorm van identificatie van waaruit hij alle voorgaande toestanden kan overzien. Na de beëindiging van deze oorspronkelijke staat van valse identificatie komt hij in zijn zuivere staat, waarin hij zich met de Superziel identificeert. Op deze manier wordt het levend wezen transcendentaal. (Vedabase)
Op deze weg naar God, zoals dat heet, herhaaldelijk opnieuw geboren [zie ook B.G. 8: 16], keert hij die ijvert voor de zelfverwerkelijking en daadwerkelijk uit is op de vrede, niet weer terug met de positie die hij inneemt in het ware zelf.
Deze geleidelijke methode van verheffing of zelfrealisatie is bedoeld voor hen die zich werkelijk bewust zijn van de Absolute Waarheid. Na dit pad van deva-yâna verschillende levens lang gevolgd te hebben, bereikt men deze opeenvolgende stadia. Wie volledig vrij is van alle materiële verlangens en zich bewust is van zijn ware zelf, hoeft het pad van herhaalde geboorte en dood niet meer te begaan. (Vedabase)
Hij die deze weg volgend trouw is aan de voorvaderen en de goden, zal, met de regelmatige studie van de geschriften zoals dat in de Veda's is voorgeschreven, ondanks dat hij een materiële persoon is, met een verlichte visie nimmer verdwaasd zijn.
Iemand die volledig op de hoogte is van de paden van pitri-yâna en deva-yâna en wiens ogen aldus dankzij de vedische kennis geopend zijn, kent nimmer verwarring in deze materiële wereld, ook al bevindt hij zich in een materieel lichaam. (Vedabase)
Er altijd voor alle levende wezens zowel innerlijk als uiterlijk zijnd van het begin tot het einde, is deze Heer er in eigen persoon, ontstegen aan het grove, als de kennis en de kenner, als de uitdrukking en het uitgedrukte en als het duister en het licht.
Hij die zowel binnen als buiten alles bestaat, aan het begin en aan het eind van alles en van alle levende wezens, als datgene waarvan genoten kan worden en als de genieter van alles, zowel op hoog niveau als op laag niveau, is de Allerhoogste Waarheid. Hij is immer aanwezig als kennis en het object van kennis, als uitdrukking en het object van het bevattingsvermogen, als duisternis en licht. Zodoende is Hij, de Allerhoogste Heer, alles. (Vedabase)
Alhoewel zeker een enkele reflectie wordt afgewezen als zijnde een werkelijke gedaante, wordt die niettemin aanvaard; dienovereenkomstig accepteert men ook de zaak der bedoeling alhoewel het moeilijk is die te bewijzen vanuit speculaties op de zintuiglijke informatie.