S'rî
S'uka zei: 'Toen ze aldus Aniruddha niet meer zagen, o zoon van
Bharata, brachten Zijn verwanten de vier maanden van het
regenseizoen door in een constant weeklagen.
S'rî
S'uka zei: 'Toen, o zoon van Bharata, brachten Aniruddha's
verwanten, hem aldus niet meer ziend, de vier maanden van
het regenseizoen door in weeklagen.
(Vedabase)
Tekst
2
Met van
Nârada het nieuws horend over wat Hij had gedaan en dat
Hij gevangen was genomen, gingen de Vrishni's, die Krishna als
hun aanbiddelijke godheid hadden, naar
S'onitapura.
Met
van Nârada het nieuws horend over wat Hij had gedaan
en dat Hij gevangen was genomen, gingen de Vrishni's, die
Krishna als hun aanbiddelijke godheid hadden, naar
S'onitapura. (Vedabase)
Tekst
3-4
De besten der
Sâtvata's te weten Pradyumna, Yuyudhâna
[Sâtyaki], Gada, Sâmba, en Sârana;
Nanda, Upananda, Bhadra en anderen, kwamen onder leiding van
Râma en Krishna bijeen met twaalf
akshauhinî's en belegerden van alle zijden
Bâna's stad volledig.
De
besten der Sâtvata's te weten Pradyumna,
Yuyudhâna [Sâtyaki], Gada, Sâmba,
en Sârana; Nanda, Upananda, Bhadra en anderen, kwamen
Râma en Krishna volgend bijeen met twaalf
akshauhinî's en belegerden van alle zijden het geheel
van Bâna's stad. (Vedabase)
Tekst
5
Toen die zag
hoe de stadstuinen, de stadsmuren en uitkijktorens werden
vernield kwam hij, briesend van woede, tevoorschijn om hen
partij te bieden met een leger dat net zo groot
was.
Toen
hij zag hoe de stadstuinen, de stadsmuren en uitkijktorens
werden vernield kwam hij, vol van woede, voor hen naar
buiten met een leger dat net zo groot was.
(Vedabase)
Tekst
6
Bhagavân
S'iva reed uit op Nandi, zijn stier, tezamen met zijn zoon
[Kârtikeya, zijn generaal] en werd vergezeld door
de Pramatha's [zijn verschillende mystieke metgezellen]
om aan de kant van Bâna te vechten tegen Râma en
Krishna.
Bhagavân
S'iva reed uit op Nandi, zijn stier, tezamen met zijn zoon
[Kârtikeya, zijn generaal] en werd vergezeld
door de Pramatha's [zijn verschillende mystieke
toegehorigen] om terwille van Bâna te vechten met
Râma en Krishna.
(Vedabase)
Tekst
7
Wat zich toen
voordeed, o Koning, was een ontstellend heftige strijd die je
de haren te berge deed rijzen. Krishna kwam daarin in het
geweer tegen S'ankara en Pradyumna tegen Kârtikeya.
Wat
zich toen voordeed, o Koning, was een heftige, ontstellende,
strijd die je de haren te berge deed rijzen waarbij Krishna
in het geweer kwam tegen S'ankara en Pradyumna tegen
Kârtikeya. (Vedabase)
Tekst
8
Kumbhânda
en Kûpakarna hadden een gevecht met Balarâma,
Sâmba met de zoon van Bâna en Sâtyaki met
Bâna zelf.
Kumbhânda
en Kûpakarna hadden een gevecht met Balarâma,
Sâmba met de zoon van Bâna en Satyâki met
Bâna zelf.
(Vedabase)
Tekst
9
Met Heer
Brahmâ aan het hoofd kwamen om er getuige van te zijn in
hun hemelse voertuigen de leiders van de goddelijken, de
wijzen, de vervolmaakten en de achtenswaardigen; de zangers en
dansmeisjes van de hemel zowel als de geesten.
Met
Heer Brahmâ aan het hoofd kwamen om er getuige van te
zijn in hun hemelse voertuigen de leiders van de
goddelijken, de wijzen, de vervolmaakten en de
achtenswaardigen; de zangers en dansmeisjes van de hemel
zowel als de geesten. (Vedabase)
Tekst
10-11
Scherpgepunte
pijlen afschietend met Zijn boog, de S'ârnga, verdreef
S'auri [Krishna] de Bhûta's [geesten der
overledenen], de Pramatha's [mystieke geesten], de
Guhyaka's [de schatbewaarders van Kuvera], de
Dâkinî's [de vrouwelijke demonen van
Kâlî], de Yâtudhâna's
[beoefenaren van de zwarte magie], de Vetâla's
[de vampieren], de Vinâyaka's [demonen van
scholing, afleiders, kankeraars], de Preta's [spoken en
gnomen], de Mâtâ's [demonische
moeders], de Pis'âca's [duivelskinderen], de
Kushmânda's [meditatieverstoorders, ziekmakers]
en de Brahma-râkshasa's [gevallen brahmanen als in
9.9:
25] die
S'ankara allemaal volgden.
Scherpgepunte
pijlen afschietend met Zijn boog, de S'arnga, verdreef
S'auri [Krishna] de Bhûta's [geesten der
overledenen], de Pramatha's [mystieke geesten],
de Guhyaka's [de schatbewaarders van Kuvera], de
Dâkinî's [de vrouwelijke demonen van
Kâli], de Yâtudhâna's [beoefenaren
van de zwarte magie], de Vetâla's [de
vampieren], de Vinâyaka's [demonen van
scholing, afleiders, kankeraars], de Preta's [spoken
en gnomen], de Mâtâ's [demonische
moeders], de Pis'âca's [duivelskinderen],
de Kushmânda's [meditatieverstoorders,
ziekmakers] en de Brahma-râkshasa's [gevallen
brahmanen als in 9.9: 25] die S'ankara allemaal
volgden.
(Vedabase)
Tekst
12
De hanteerder
van de drietand [Pinâkî ofwel S'iva] zich
bedienend van verschillende soorten wapens tegen Hem die de
S'ârnga spande, zag ze allemaal geneutraliseerd met
passende tegenwapens; ze konden de Drager van de S'ârnga
niet van Zijn stuk brengen.
De
hanteerder van de drietand [Pinâkî ofwel
S'iva] zich bedienend van verschillende soorten wapens
tegen Hem die de S'arnga Spande zag ze allemaal
geneutraliseerd met wapens van afweer; ze konden de Drager
van de S'arnga niet van Zijn stuk
brengen.
(Vedabase)
Tekst
13
Hij zette een
brahmâstra
in tegen een brahmâstra, een bergwapen tegen een
windwapen, een regenwapen tegen een vuurwapen en Zijn
nârâyanâstra [Zijn persoonlijke
wapen] tegen S'iva's [persoonlijke]
pâs'upatâstra [het
'beestenriem'-wapen].
Hij
zette een brahmâstra in tegen een brahmâstra,
een bergwapen tegen een windwapen, een regenwapen tegen een
vuurwapen en Zijn nârâyanâstra [Zijn
persoonlijke wapen] tegen S'iva's [persoonlijke]
pâs'upatâstra [het 'beestenriem'-wapen].
(Vedabase)
Tekst
14
Daarop heer
S'iva begoochelend, door hem aan het gapen te brengen met een
gaapwapen, trof S'auri Bâna's leger met Zijn zwaard, Zijn
knots en Zijn pijlen.
Daarop
heer S'iva begoochelend, door hem aan het gapen te brengen
met een gaapwapen, trof S'auri Bâna's leger met Zijn
zwaard, Zijn knots en Zijn pijlen.
(Vedabase)
Tekst
15
Kârtikeya
geplaagd door Pradyumna's pijlen die van alle kanten op hem
neerregenden, vluchtte op zijn pauwenvoertuig weg van het
slagveld, met zijn ledematen stromend van het bloed.
Kârtikeya
geplaagd door Pradyumna's pijlen die van alle kanten op hem
neerregenden, vluchtte op zijn pauwe-voertuig weg van het
slagveld, met zijn ledematen stromend van het
bloed.
(Vedabase)
Tekst
16
Kumbhânda
en Kûpakarna geteisterd door de knots [van
Râma] vielen en hun legers, van wie de leiders nu
dood waren, vluchtten in alle richtingen.
Kumbhânda
en Kûpakarna geteisterd door de knots vielen en hun
legers, van wie de leiders nu dood waren, vluchtten in alle
richtingen.
(Vedabase)
Tekst
17
Bâna
geplaatst voor zijn uiteengeslagen troepen, keerde
Sâtyaki waarmee hij vocht de rug toe, stak in zijn
strijdwagen het slagveld over en viel hoogst verbeten Krishna
aan.
Bâna
geplaatst voor zijn uiteengeslagen troepen, liet
Sâtyaki die hij bevocht voor wat hij was, stak in zijn
strijdwagen het slagveld over en viel hoogst verbeten
Krishna aan. (Vedabase)
Tekst
18
Bâna,
buiten zichzelf van het vechten, spande met twee pijlen op
ieder aanleggend, in één keer het geheel van zijn
vijfhonderd bogen.
Bâna
buiten zichzelf van het vechten spande met twee pijlen op
ieder aanleggend, in één keer het geheel van
zijn vijfhonderd bogen. (Vedabase)
Tekst
19
Deze bogen
werden door Bhagavân allen tegelijk doorkliefd en nadat
de strijdwagen, de paarden en de wagenmenner waren geraakt,
blies Hij op Zijn schelphoorn.
Deze
bogen werden door Bhagavân allen tegelijk doorkliefd
en nadat de strijdwagen, de paarden en de wagenmenner waren
geraakt, blies Hij op Zijn schelphoorn.
(Vedabase)
Tekst
20
[toen...]
In de hoop het leven van haar zoon te redden, plaatste zijn
moeder, genaamd Kotharâ, zichzelf naakt, met haar haar
losgemaakt, pal voor Krishna.
[toen...]
In de hoop het leven van haar zoon te redden, plaatste zijn
moeder, genaamd Kotharâ, zichzelf naakt, met haar haar
losgemaakt, pal voor Krishna. (Vedabase)
Tekst
21
Toen Heer
Gadâgraja daarop Zijn gelaat afwendde om de naakte vrouw
niet te hoeven zien, nam Bâna zonder zijn wagen en met
zijn boog gebroken, de kans waar om de stad in te
vluchten.
Toen
Heer Gadâgraja daarop Zijn gelaat afwendde om de
naakte vrouw niet te hoeven zien, nam Bâna zonder zijn
wagen en met zijn boog gebroken, de kans waar om de stad in
te vluchten. (Vedabase)
Tekst
22
Maar met
S'iva's volgelingen verdreven wierp Jvara, de
[verpersoonlijking van S'iva's hete] koorts met drie
hoofden en drie voeten, zich naar voren op de afstammeling van
Dâs'arha af alsof hij de tien windrichtingen in vuur en
vlam wou zetten [zie
*].
Maar
met S'iva's volgelingen verdreven wierp Jvara, de
[verpersoonlijking van S'iva's hete] koorts met drie
hoofden en drie voeten, zich naar voren op de afstammeling
van Dâs'arha af alsof hij de tien windrichtingen in
vuur en vlam zou zetten [zie
*].
(Vedabase)
Tekst
23
Heer
Nârâyana, hem ziend, stuurde daarop Zijn koorts
erop uit [extreem koud daarentegen] zodat de twee
Jvara's van Mâhes'vara en Vishnu met elkaar in gevecht
raakten.
Heer
Nârâyana, hem ziend, liet daarop Zijn koorts los
[extreem koud daarentegen] zodat de twee Jvara's van
Mâhes'vara en Vishnu met elkaar in gevecht raakten.
(Vedabase)
Tekst
24
Die van
Mâhes'vara schreeuwde het uit, gepijnigd als hij was door
de kracht van die van Vishnu en nergens een veilig heenkomen
vindend begon Mâhes'vara's Jvara toen dorstend naar
bescherming devoot Hrishîkes'a te prijzen met gevouwen
handen.
Die
van Mâhes'vara schreeuwde het uit gepijnigd door de
kracht van die van Vishnu en nergens een veilig heenkomen
vindend begon Mâhes'vara's Jvara dorstend naar
bescherming devoot Hrishîkes'a te prijzen met gevouwen
handen. (Vedabase)
Tekst
25
De Jvara zei:
'Ik buig me neer voor U, de Allerhoogste Heer Onbegrensd in
Zijn Vermogens, de Ziel van Allen Zuiver van Bewustzijn, de
Oorzaak van het geheel van de schepping, voleinding en
handhaving van het universum; U de Absolute Waarheid van
Volmaakte Vrede waaraan de Veda's indirect
refereren.
De
Jvara zei: 'Ik buig me neer voor U, de Allerhoogste Heer
Onbegrensd in Zijn Vermogens, de Ziel van Allen Zuiver van
Bewustzijn, de Oorzaak van het geheel van de schepping,
voleinding en handhaving van het het universum; U de
Absolute Waarheid van Volmaakte Vrede waaraan de Veda's
indirect refereren.
(Vedabase)
Tekst
26
Ik benader U
omdat U er bent als de loochening van deze
mâyâ van de tijd, het lot, de karmische
werklast, de geneigdheden daaromtrent, de subtiele
elementen, het
veld dat het lichaam vormt, de levensadem, het idee van een ik,
de transformaties [de elf
zinnen] en
dit alles bijeen tezamen [als het subtiele lichaam, de
linga],
dat er allemaal is in een constante stroom van zaad en spruit.
U
als de loochening van deze mâyâ van de tijd, het
lot, de karmische werklast, de geneigdheden daaromtrent, de
subtiele elementen, het veld dat het lichaam vormt, de
levensadem, het idee van een ik, de transformaties [de
elf zinnen] en dit alles bijeen tezamen [als het
subtiele lichaam, de linga], dat er allemaal is in een
constante stroom van zaad en spruit, U benader Ik.
(Vedabase)
Tekst
27
U met
verschillende bedoelingen bent er waarlijk om missies ten
uitvoer te brengen van goddelijke aard
[lîlâ's] teneinde de godsbewusten,
de wijzen en de gedragsregels in de wereld te handhaven, en om
hen ter dood te brengen die het pad verlieten en leven met
geweld; Uw incarneren als zodanig is er om de aarde van haar
last te verlossen [zie ook B.G.
9: 29 en
4:
8].
U
met verschillende bedoelingen bent er waarlijk om missies
ten uitvoer te brengen van goddelijke aard
[lîlâ's] teneinde de godbewusten, de
wijzen en de gedragsregels in de wereld te handhaven, en om
hen ter dood te brengen die het pad verlieten en leven met
geweld; Uw incarneren als zodanig is er om de aarde van haar
last te verlossen [zie ook B.G. 9: 29 en 4: 8].
(Vedabase)
Tekst
28
Ik wordt
geplaagd door deze hoogst verschrikkelijke koorts van Uw
almacht die onverdraaglijk koud niettemin verschroeit, want
inderdaad, zolang de belichaamde zielen niet Uw voetzolen van
dienst zijn hebben ze te lijden in hun onafgebroken gebonden
zijn aan begeerten.'
Door
Uw almacht die onverdraaglijk koud niettemin verschroeit,
ben ik voor lang geplaagd met deze hoogst verschrikkelijke
koorts, daar inderdaad zolang de belichaamde zielen niet Uw
voetzolen van dienst zijn ze moeten lijden, onafgebroken
gebonden aan begeerten.'
(Vedabase)
Tekst
29
De Allerhoogste
Heer zei: 'O driekoppige, Ik ben tevreden over u, moge uw angst
opgewekt door Mijn koorts u verlaten; voor niemand die zich ons
gesprek herinnert zal er een reden zijn om u te
vrezen.'
De
Allerhoogste Heer zei: 'O driekoppige, Ik ben tevreden over
U, moge uw angst opgewekt door Mijn koorts u verlaten; een
ieder die zich ons gesprek herinnert zal geen reden hebben u
te vrezen.'
(Vedabase)
Tekst
30
Aldus
toegesproken boog Mâhes'vara's Jvara zich voorover voor
Acyuta en ging hij weg, maar Bâna, rijdend in zijn
strijdwagen, kwam naar voren met het voornemen om de strijd met
Janârdana
aan te binden.
Aldus
toegesproken boog Mâhes'vara's Jvara zich voorover
voor Acyuta en ging hij weg, maar Bâna, rijdend in
zijn strijdwagen, kwam naar voren met het voornemen om de
strijd met Janârdana aan te binden.
(Vedabase)
Tekst
31
Daarop, o
Koning, met zijn duizend armen talloze wapens hooghoudend,
schoot de demon, kokend van woede, pijlen af op Hem wiens wapen
de Cakra is.
=Daarop,
o Koning, met zijn duizend armen talloze wapens hooghoudend,
schoot de demon, kokend van woede, pijlen weg naar Hem Wiens
wapen de Cakra is. (Vedabase)
Tekst
32
Van hem, die
keer op keer zijn wapens lanceerde, sneed de Allerhoogste Heer
met de messcherpe rand van Zijn schijf de armen af als waren
het de takken van een boom.
Van
hem, die keer op keer wapens wegslingerde, sneed de
Allerhoogste Heer met de messcherpe rand van Zijn schijf de
armen af als waren het de takken van een boom.
(Vedabase)
Tekst
33
Terwijl
Bâna's armen van zijn romp werden gescheiden, naderde de
grote heer Bhava [- van het bestaan, S'iva] uit
mededogen voor zijn toegewijde en richtte hij zich tot de
Hanteerder van de Schijf.
Terwijl
Bâna's armen van zijn romp werden gescheiden, naderde
de grote heer Bhava [- van het bestaan, S'iva] uit
mededogen voor zijn toegewijde en richtte hij zich tot de
Hanteerder van de Schijf. (Vedabase)
Tekst
34
S'rî
Rudra zei: 'U alleen bent de Absolute Waarheid, het licht van
het Allerhoogste schuilgaand in de taal [in de Veda's]
gebruikt voor het Absolute; zij wiens harten zonder een smet
zijn zien U, die zo zuiver bent als de blauwe lucht.
S'rî
Rudra zei: 'U alleen bent de Absolute Waarheid, het licht
van het Allerhoogste schuil gaand in de taal [in de
Veda's] gebruikt voor het Absolute; zij wiens harten
zonder een smet zijn zien U, die zo zuiver bent als de
blauwe lucht.
(Vedabase)
Tekst
35-36
U met de
atmosfeer als Uw navel; het vuur als Uw gezicht, het water als
Uw zaad, de hemel als Uw hoofd, de richtingen als Uw gehoorzin,
de aarde als Uw voet, de maan als Uw geest; wiens zien de zon
is, wiens bewustzijn van het Zelf ik ben, met de oceaan als Uw
onderbuik en Indra als Uw arm; U met de planten als het haar op
Uw lichaam, de wolken als het haar op Uw hoofd, met
Viriñca
als Uw intelligentie, met de Prajâpati
als Uw geslachtsdelen, wiens hart de religie is; Uw goede Zelf
voorwaar is de Purusha
uit wie al de werelden voortkwamen.
U
met de atmosfeer als Uw navel; het vuur als Uw gezicht, het
water als Uw zaad, de hemel als Uw hoofd, de richtingen als
Uw gehoorzin, de aarde als Uw voet, de maan als Uw geest;
Wiens zien de zon is, Wiens bewustzijn van een zelf ik ben,
met de oceaan als Uw onderbuik en Indra als Uw arm; U met de
planten als het haar op Uw lichaam, de wolken als het haar
op Uw hoofd, met Viriñca als Uw intelligentie, met de
prajâpati als Uw geslachtsdelen, Wiens hart de religie
is; Uw goede Zelf voorwaar is de Purusha uit wie al de
werelden voortkwamen. (Vedabase)
Tekst
37
U van een
onbegrensde heerlijkheid bent in deze nederdaling er om het
dharma te verdedigen ten voordele van het Geheel van het
Levende Wezen en wij allen manifesteren en ontwikkelen door U
verlicht de zeven werelden [zie dvîpa].
U
van een onbegrensde heerlijkheid bent in deze nederdaling er
om het dharma te verdedigen ten voordele van het Geheel van
het Levende Wezen en wij allen manifesteren en ontwikkelen
door U verlicht de zeven werelden [zie dvîpa].
(Vedabase)
Tekst
38
U bent de
Oorspronkelijke Allerhoogste Persoon zonder Zijns gelijke, de
Bovenzinnelijke Zelfmanifesterende Oorzaak waar geen oorzaak
aan vooraf gaat, de Heerser; niettemin wordt U, terwille van de
volledige manifestatie van Uw kwaliteiten, evenzogoed
waargenomen in de uiteenlopende transformaties [van de
verschillende levensvormen, goden en
avatâra's] van Uw begoochelende vermogen.
U
bent de Oorspronkelijke Allerhoogste Persoon zonder Zijns
gelijke, de Bovenzinnelijke Zelfmanifesterende Oorzaak waar
geen oorzaak aan vooraf gaat, de Heerser; niettemin wordt U,
ter wille van de volledige manifestatie van Uw kwaliteiten,
even zo goed waargenomen in de uiteenlopende transformaties
[van de verschillende levensvormen, goden en
avatâra's] van Uw begoochelende vermogen.
(Vedabase)
Tekst
39
Net zoals de
zon in zijn eigen schaduw onttrokken aan het zicht de zichtbare
vormen uitlicht, werpt U, o Almachtige, net zo oplichtend
vanuit Uzelf, licht op de kwaliteiten van de overdekkende
geaardheden der materie voor de wezens die behept zijn met deze
kwaliteiten.
Net
zoals de zon in zijn eigen schaduw onttrokken aan het zicht
de zichtbare vormen uitlicht, werpt U, o Almachtige, net zo
oplichtend vanuit Uzelf, licht op de kwaliteiten van de
overdekkende geaardheden der materie voor de wezens behept
met deze kwaliteiten.
(Vedabase)
Tekst
40
Zij die
volledig verstrikt zijn in het respect voor hun kinderen,
vrouw, een huis enzovoorts, stijgen, in hun intelligentie
verbijsterd door mâyâ [afwisselend],
naar de oppervlakte van de oceaan der misère en zinken
[dan weer, zie B.G. 9:
21].
Zij
die volledig verstrikt zijn in het respect voor hun
kinderen, vrouw, een huis en zo voorts, stijgen in hun
intelligentie verbijsterd door mâyâ
[afwisselend] naar de oppervlakte van de oceaan der
misère en zinken [dan weer, zie B.G. 9: 21].
(Vedabase)
Tekst
41
Bij de genade
van God deze mensenwereld bereikend is hij, die onbeheerst in
zijn zinnen niet bereid is Uw voeten te eren, inderdaad zeer
beklagenswaardig iemand die zichzelf voor de gek houdt.
Bij
de genade van God deze mensenwereld bereikend is hij, die
onbeheerst in zijn zinnen niet bereid is Uw voeten te eren,
inderdaad beklagenswaardig iemand die zichzelf voor de gek
houdt. (Vedabase)
Tekst
42
De sterveling
die in oppositie terwille van de zinsobjecten U afwijst, zijn
Ware Zelf en innigste Leidsman, eet het vergif en mijdt de
nectar.
De
sterveling die in oppositie terwille van de zinsobjecten U
afwijst, zijn Ware Zelf en innigste Leidsman, eet het vergif
en mijdt de nectar. (Vedabase)
Tekst
43
Ik,
Brahmâ alsook de halfgoden en de wijzen hebben een
bewustzijn dat zuiver is met ons hele hart van overgave zijnd
voor U, de Meester, het hoogst beminde Zelf.
Ik,
Brahmâ als ook de halfgoden en de wijzen hebben een
bewustzijn dat zuiver is met ons hele hart van overgave
zijnd voor U, de Meester, het hoogst beminde Zelf.
(Vedabase)
Tekst
44
Laten we van
aanbidding zijn voor de Godheid die U bent, de oorzaak van het
zich opwerpen, het handhaven en de neergang van het Levende
Wezen dat het Universum is; Hij, die volmaakt in vrede
gelijkmoedig de unieke, ongeëvenaarde Vriend, het ware
Zelf en de aanbiddelijke Heer van al de werelden en al de
zielen is, Hij die de toevlucht vormt voor het beëindigen
van een materieel leven.
Laten
we van aanbidding zijn voor de Godheid die U bent, de
oorzaak van het zich opwerpen, het handhaven en de neergang
van het Levende Wezen dat het Universum is; Hij, die
volmaakt in vrede gelijkmoedig de unieke, ongeëvenaarde
Vriend, het ware Zelf en de aanbiddelijke Heer van al de
werelden en al de zielen is, de toevlucht voor de
vervolmaking van een materieel leven.
(Vedabase)
Tekst
45
Deze hier
[Bâna] is mijn gunsteling en meest dierbare
volgeling die door mij beloond werd met onbevreesdheid, o Heer,
alstUblieft schenk hem daarom Uw genade, zoals U ook van genade
was voor de meester der Daitya's [Prahlâda].'
Deze
hier [Bâna] is mijn gunsteling en meest
dierbare volgeling, die door mij beloond is met
onbevreesdheid, o Heer, alstUblieft vergun hem daarom Uw
genade, zoals U ook van genade was voor de meester der
daitya's
[Prahlâda].'
(Vedabase)
Tekst
46
De Allerhoogste
Heer zei: 'Wat U ons gezegd hebt, o grote heer, zullen We ten
uitvoer brengen, Ik sluit me volledig aan bij wat u bepaalde
als zijnde uw genoegen.
De
Allerhoogste Heer zei: 'Wat U ons gezegd hebt, o grote heer,
zullen We ten uitvoer brengen, Ik sluit me volledig aan bij
wat u bepaalde als zijnde uw genoegen.
(Vedabase)
Tekst
47
Hij, deze zoon
van Virocana [Bali], zal voorzeker door Mij gespaard
worden, daar Ik Prahlâda de volgende zegen gaf: 'Jouw
afstammelingen zullen niet door Mij gedood worden' [zie ook
7.10:
21].
Hij,
deze zoon van Virocana [Bali], zal voorzeker door
Mij gespaard worden, daar Ik Prahlâda de volgende
zegen gaf: 'Jouw afstammelingen zullen niet door Mij gedood
worden' [zie ook 7.10: 21].
(Vedabase)
Tekst
48
Om zijn trots
te onderwerpen werden zijn armen er door Mij afgesneden en werd
de enorme militaire macht vernietigd die de aarde een last
geworden was.
Om
zijn trots te onderwerpen werden zijn armen er door Mij
afgesneden en werd de enorme militaire macht vernietigd die
de aarde een last geworden was.
(Vedabase)
Tekst
49
De Asura die
nog vier van zijn armen over heeft, zal, niet ouder wordend en
onsterfelijk, als één van uw belangrijkste
metgezellen iemand zijn die niets van welke zijde ook te vrezen
heeft.'
De
asura met behoud van vier van zijn armen, zal, niet ouder
wordend en onsterfelijk, als één van uw
belangrijkste metgezellen iemand zijn die niets van welke
zijde ook te vrezen heeft.'
(Vedabase)
Tekst
50
Aldus de
vrijheid van angst bereikend boog de Asura zijn hoofd voorover
naar Krishna, plaatste de zoon van Pradyumna met Zijn vrouw op
Zijn strijdwagen en leidde die naar voren.
Aldus
de vrijheid van angst bereikend boog de asura zijn hoofd
voorover naar Krishna, plaatste de zoon van Pradyumna met
Zijn vrouw op Zijn strijdwagen en leidde hem naar voren.
(Vedabase)
Tekst
51
Hij
[Krishna] met Hem en Zijn vrouw, opgesierd en gestoken
in de fijnste kleren, voorop, vertrok toen met de toestemming
van S'iva, omringd door een akshauhinî.
Hij
[Krishna] met het Hem en Zijn vrouw, opgesierd en
met de fijnste kleren aan, op kop plaatsen, vertrok toen met
de toestemming van S'iva, omringd door een aksauhinî.
(Vedabase)
Tekst
52
Toe Hij zijn
hoofdstad, geheel versierd met vlaggen, erebogen en met de
straten en kruispunten besprenkeld, binnenkwam, werd Hij
respectvol onder het weerklinken van schelphoorns, tweezijdige
trommels en pauken verwelkomd door de mensen van de stad, Zijn
verwanten en de tweemaal geborenen.
Zijn
hoofdstad, volledig opgesierd met vlaggen, erebogen en met
de straten en kruispunten besprenkeld, binnenkomend, werd
Hij respectvol onder het weerklinken van schelphoorns,
tweezijdige trommels en pauken verwelkomd door de mensen van
de stad, Zijn verwanten en de tweemaal
geborenen.
(Vedabase)
Tekst
53
Voor degene
die, bij het krieken van de dag opstaand, zich aldus de
overwinning van Krishna in de slag met S'ankara herinnert, zal
er geen nederlaag zijn.'
Voor
diegene die, bij het krieken van de dag opstaand, zich aldus
de overwinning van Krishna in de slag met S'ankara
herinnert, zal er geen nederlaag zijn.
(Vedabase)
*
Hier citeert S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî
Thhâkura de volgende beschrijving van de
S'iva-jvara:
"De
verschrikkelijke S'iva-jvara had drie benen, drie hoofden, zes
armen en negen ogen. As rondstrooiend leek hij op
Yamarâja ten tijde van de ondergang van het
universum."