
Canto
7
Hoofdstuk 14: Het Allerhoogste van het Leven als een Huishouder
(1) S'rî Yudhishthhira zei: 'Alstublieft leg me uit hoe huishouders [grihastha's], zoals ik in onwetendheid over het doel van het leven, net zo zonder moeilijkheden deze positie van bevrijding in overeenstemming met de geschriften kunnen bereiken, o devarishi.'
(2) Nârada Muni antwoordde: 'O Koning, iemand die thuis verblijft moet, de grote toegewijden van dienst zijnd, de voor hem [door goeroe en s'âstra] voorgeschreven plichten vervullen met achting voor Vâsudeva Zijn zichtbare vorm. (3-4) Altijd temidden van zijn medemens en vrij van alle materiële bezigheden gewetensvol op de juiste tijd de nectar van de vertellingen aanhorend over de avatâra's van de Heer, moet men aldus in goed gezelschap verkerend geleidelijk aan zichzelf bevrijden van zijn gehechtheid aan zijn vrouw en kinderen en aldus, van hen loskomend, ontwaken als uit een droom [zie ook 5.5: 1 en B.G. 18: 54]. (5) Iemand van een dergelijke scholing, hij die met het op die manier van leven in de menselijke samenleving zich voor het lichaam en het gezin niet meer inspant voor de kostwinning dan strikt noodzakelijk is, dient te worden aangemerkt als zijnde niet zo gehecht als hij lijkt te zijn. (6) Met wat de verwanten, de ouders, de kinderen, de broers en vrienden of wie nog meer ook suggereren te doen, met wat ze ook mogen verlangen, moet hij instemmen zonder het al te ernstig te menen. (7) Hiervoor moet de intelligente persoon van alles gebruikmaken wat vanzelf wordt verkregen: al de zaken die door God worden gegeven [zoals vruchten], alles wat men uit de aarde wint [zoals mineralen] en alles wat men toevallig zo binnenhaalt [aan donaties of afdankertjes]; ze zijn allen evenzeer voortgebracht door de Onfeilbare. (8) De maag mag men vullen voor zover nodig en niet meer, daar meer te claimen dan dat je als iemand van een dergelijke toeëigening tot een dief zou maken die het verdient te worden bestraft. (9) Herten, kamelen, ezels, apen, muizen, slangen, vogels en vliegen moet men [in dezen] beschouwen als zijn eigen kinderen; hoe weinig verschil bestaat er niet tussen die dieren en kinderen? (10) Op het drievoudige pad [van dharma, artha en kâma] niet overmatig van inspanning [ugra-karma] zijnd behoort een persoon, alhoewel vol zorg over zijn huishouding, alleen zoveel binnen te halen als de genade van God naar gelang de tijd en omstandigheid zou verschaffen [zie ook 4.8: 54]. (11) Tot aan de hond, de gevallen ziel en uitgestotene toe, behoort het noodzakelijke naar behoefte te worden verdeeld; zelfs de eigen echtgenote, die zo na aan het hart ligt, behoort men te delen opdat zij er kan zijn [als een moeder] voor al de mensen [b.v. de gasten in huis en dergelijke]. (12) Men mag die claim haar te bezitten opgeven waarvoor men bereid was zichzelf of anderen van het leven te beroven of zijn ouders en geestelijk leraar in de steek te laten, zodat men daadwerkelijk Hem voor zich kan winnen die niet kan worden overwonnen [anders dan door opoffering]. (13) Voor de insecten, tot ontlasting en tot as vergaat het ten leste met deze gehechtheid, dit onbeduidende materiële voertuig; van welke waarde is die aantrekking voor het lichaam van de echtgenote in verhouding tot de ziel die alles net als de ether doordringt? (14) Wat de Heer geeft, dat wat offers iemand brengen, behoort men uiteindelijk te beschouwen als de middelen van bestaan. Alle eigendomsrechten worden opgegeven door hen die wijs zijn; het is de positie van de groten in dezen die men moet zien te verwerven. (15) Met het respect voor de goden, de wijzen, voor de mensheid en de levende wezens, de voorvaderen en voor zichzelf afzonderlijk behoort men, met het met het zich in leven houden met wat vanzelf wordt verkregen, dagelijks de Oorspronkelijke Persoon te eren. (16) Op het moment dat men [als een huishouder] alles onder controle heeft - niet alleen de benodigdheden maar ook zichzelf - behoort men met offers in het vuur overeenkomstig de voorschriften zoals die zijn vastgelegd in de geschriften van aanbidding te zijn met alles wat ter beschikking staat om de Heer te behagen [zie B.G. 4: 24-29]. (17) O Koning, de Allerhoogste Heer, de genieter aller offers is minder aanbeden door het offeren van ghee in de mond van het vuur dan door offerandes gebracht voor de monden van de geleerden [zie ook 3.16: 8]. (18) Wees daarom van eerbetoon, met de brahmanen vooropgesteld, via al de brahmanen en de halfgoden, al de stervelingen en de andere levende wezens, en offer op deze manier naar uw vermogen alles wat verlangd wordt aan de kenner van het veld [de Heer, zie B.G. 13: 3].
(19) Gedurende [bijvoorbeeld] de donkere helft van de maand Âs'vina (oktober-november) en de maand Bhâdra (augustus-september) moeten de tweemaal geborenen offers brengen aan de voorvaderen voorzover ze het zich veroorloven kunnen en ook aan hun verwanten, gegeven de noodzakelijke middelen. (20-23) Ook bij de zonnewenden als de zon zich naar het noorden en zuiden beweegt of Ram en Steenbok binnengaat, in de yoga [12.3 booggraden] genaamd Vyatîpâta, op de dagen die drie maankalender-dagen bestrijken [tithi's] en op dagen van zonsverduisteringen en de nieuwe maan, als ook op de twaalfde dag van de maanmaand en met het sterrenbeeld [nakshatra] S'ravana; eveneens op de dag Akshaya-tritîyâ, op de negende dag van de heldere maandhelft van de maand Kârtika, op de vier ashthakâ's [het achtdaagse] in het winterseizoen en het koele seizoen, op de zevende dag van de heldere maandhelft van de maand Mâgha, tijdens de conjunctie van de Maghâ-nakshatra en de wassende maan, op dagen van de volle maan of als die nog wassende is als deze dagen samenvallen met de nakshatra's waarvan de namen van sommige maanden zijn afgeleid, op iedere twaalfde dag van de maankalender in conjunctie met ieder van de nakshatra's genaamd Anurâdhâ, S'ravana, Uttara-phalgunî, Uttarâshâdhâ of Uttara-bhâdrapadâ en de zevende maankalenderdag die samenvalt met Uttara-phalgunî, Uttarâshâdhâ of Uttara-bhâdrapadâ als ook op dagen die in conjunctie verkeren met de ster van iemands eigen geboorte [janma-nakshatra] of de S'ravana-nakshatra, wordt het aangeraden zijn plechtigheden te houden.(24) Het is op deze gunstige tijden [van het regelmatig zijn naar natuurlijke gebeurtenissen] dat het lot der mensen ten goede keert; op die dagen behoort men allerlei soorten van plechtigheden te houden en aldus door alle seizoenen heen voor het menselijk wezen goedgunstigheid, succes en langlevendheid te hebben [zie de volledige kalender van orde voor het instellen van dagen naar natuurlijke gebeurtenissen]. (25) Op deze heilige tijden een heilig bad nemend, japa doend [de vedische rozenkrans], offers brengend in het vuur en zich aan geloften houdend, is wat men ook offert aan de Allerhoogste Heer, de tweemaal geborenen die zorg dragen voor de beeltenissen, de voorvaderen, de goddelijken, de menselijke wezens in het algemeen en andere levende wezens daadwerkelijk een vaststaande goede daad. (26) O Koning, de tijden van de zuiveringsrituelen dienen het belang van de echtgenote, de kinderen en uzelf als ook het belang van het houden van begrafenissen, herdenkingsdagen en [het afgrenzen van dagen voor] het verrichten van baatzuchtige arbeid.
(27-28) Laat me naar aanleiding hiervan u op de hoogte stellen wat de waarlijk meest heilige plaats is geschikt om zich ermee bezig te houden: daar waar een navolger der waarheid beschikbaar is [een heilige, een Vaishnava, een goeroe], in een tempel; daar waar het Allerhoogste van de Heer en het gezelschap van brahmanen wordt gevonden die vol zijn van verzaking en scholing en genade hebben voor ieder afzonderlijke, zich bewegende en niet bewegende levensvorm in het ganse universum. (29) Waar ook maar de gedaante van de Allerhoogste Heer wordt aangetroffen, die plaats is de alleszins gunstige toevlucht, waar die ook moge zijn, zoals de Ganges of de andere rivieren ook vermeld in de Purâna's. (30-33) Meren als Pushkara en gevierde plaatsen die de heiligen plaats bieden als Kurukshetra, Gayâ, Prayâg [Allahabad] en Pulaha-âs'rama; Naimishâranya [nabij Lucknow], Phâlgunam, Setubhanda [naar Lankâ], Prabhâsa, Dvârakâ, Benares, Mathurâ, te Pampâ, Bindu-sarovara, in Badarikâs'rama, Nandâ, de plaatsen waar Sîtâ Devî en Heer Râma verbleven zoals Citrakûtha en o Koning, al die heuvelruggen zoals Mahendra en Malaya - zij allen zijn van het heiligste; zij en al de plaatsen waar de Heer en Zijn beeltenissen worden vereerd [dus ook buiten India] moeten inderdaad telkens weer worden bezocht door degene die het goedgunstige verlangt, aangezien het aldaar is waar van de personen de religieuze handelingen volbracht duizend keer effectiever zijn.
(34) O heerser der aarde, door de geleerden met inzicht in de ontvanger is het besloten dat de enige die het respect waard is in de wereld inderdaad de Heer is, in Hem rust waarlijk alles wat beweegt en niet beweegt [zie tevens 4.31: 14]. (35) Kiezend uit de meest aanbiddelijke heilige persoonlijkheden van God besloten de zonen van Brahmâ als ook de andere getrouwen der waarheid aanwezig [bij Yudhishthhira's Râjasûya offerplechtigheid], o Koning, dat als de eerste van hen allen die voor aanbidding in aanmerking zou komen, Krishna moest worden aangewezen als de beste. (36) De talloze zielen die dit universum bevolken zijn als een gigantische boom en omdat Hij de wortel van die boom is bevredigt de aanbidding van de Onfeilbare alle levende wezens. (37) Hij inderdaad is de Oorspronkelijke Persoon die rustend bij de individuele zielen woont in hun stoffelijk omhulsel; de lichamen van al die geschapen wezens, de mensen, de niet-menselijke wezens, de heiligen en de goddelijken, vormen Zijn verblijfplaats [zie ook B.G. 18: 61]. (38) Voor hen is Hij inderdaad, afhankelijk van hun nivo van begrip en daadwerkelijke boetedoening, de Allerhoogste Heer die meer of minder duidelijk aanwezig is, o Koning, en om die reden is Hij de eerste en belangrijkste persoon van ontvangst [vergelijk B.G. 15: 15]. (39) Toen ze zagen hoe, vanaf het begin van Tretâ-yuga, het onderlinge respect in de menselijke samenleving in het negatieve aan het omslaan was, o Koning, introduceerden de geleerden de verering van beeltenissen [zie ook: 12.3: 52]. (40) Sedertdien aanbidt men met groot geloof en alle benodigdheden de beeltenis van de Heer, alhoewel die regelmatige aandacht [voor de uiterlijkheid van God] niet bijzonder van nut is voor de negatief ingestelde mensen [daar het werkelijk voordeel wordt gevonden in de wijsheid waar de beeltenissen toegang toe verschaffen, zie ook 3.29: 25, B.G. 18: 68 & 69]. (41) O beste der koningen, men moet zich realiseren dat de beste persoon onder de mensen inderdaad de brahmaan is omdat hij vanuit zijn verzaking, scholing en voldoening de vedische kennis belichaamt van de Allerhoogste Persoon Hari. (42) Het is namelijk door Hem, door Heer Krishna, het leven en de ziel van het universum, o Koning, dat de brahmanen geheiligd worden; bij het stof van hun aanbiddelijke voeten is er het hoogst verhevene in de drie werelden.
Tweede editie, geladen 4 augustus 2007
Vorige Aadhar-editie en Vedabase links:
S'rî Yudhishthhira zei: 'Alstublieft leg me uit hoe huishouders [grihastha's], zoals ik in onwetendheid over het doel van het leven, net zo zonder moeilijkheden deze positie van bevrijding in overeenstemming met de geschriften kunnen bereiken, o devarishi.'S'rî Yudhishthhira zei: 'Alstublieft leg me uit hoe huishouders [grihasta's], zoals ik in onwetendheid over het doel van het leven, net zo zonder moeilijkheden deze positie van bevrijding in overeenstemming met de geschriften kunnen bereiken, o deva-rishi.' (Vedabase)
Nârada Muni antwoordde: 'O Koning, iemand die thuis verblijft moet, de grote toegewijden van dienst zijnd, de voor hem [door goeroe en s'âstra] voorgeschreven plichten vervullen met achting voor Vâsudeva Zijn zichtbare vorm.
Nârada Muni antwoordde: 'Thuis verblijvend o Koning, moet men zich bezig houden met handelingen zoals voorgeschreven door goeroe en sastra, in horigheid aan de grote toegewijden, Vâsudeva rechtstreeks aanbiddend. (Vedabase)
Altijd temidden van zijn medemens en vrij van alle materiële bezigheden gewetensvol op de juiste tijd de nectar van de vertellingen aanhorend over de avatâra's van de Heer, moet men aldus in goed gezelschap verkerend geleidelijk aan zichzelf bevrijden van zijn gehechtheid aan zijn vrouw en kinderen en aldus, van hen loskomend, ontwaken als uit een droom [zie ook 5.5: 1 en B.G. 18: 54].
Altijd gewetensvol op de juiste tijd de nektar van de vertellingen aanhorend over de avatâra's van de Heer, temidden van zijn medemens en vrij van alle materiële bezigheden, moet men met zo een goede omgang geleidelijk aan zichzelf bevrijden uit zijn gehechtheid aan kinderen en echtgenote en aldus persoonlijk op zichzelf komen te staan ontwakend als uit een droom [zie ook 5.5: 1 en B.G. 18: 54]. (Vedabase)
Iemand van een dergelijke scholing, hij die met het op die manier van leven in de menselijke samenleving zich voor het lichaam en het gezin niet meer inspant voor de kostwinning dan strikt noodzakelijk is, dient te worden aangemerkt als zijnde niet zo gehecht als hij lijkt te zijn.
Met het lichaam en het gezin van zoveel ondernemen in het verdienen van de kost als noodzakelijk is, behoort men op die manier van leven in de menselijke samenleving de (bij-)geschoolde aan te merken als zijnde niet zo gehecht als hij wel schijnt te zijn. (Vedabase)
Met wat de verwanten, de ouders, de kinderen, de broers en vrienden of wie nog meer ook suggereren te doen, met wat ze ook mogen verlangen, moet hij instemmen zonder het al te ernstig te menen.
Met wat de verwanten, de ouders, de kinderen, de broers en vrienden of wie nog meer ook suggereren te doen, met wat ze ook mogen verlangen, moet hij instemmen zonder het al te ernstig te menen. (Vedabase)
Hiervoor moet de intelligente persoon van alles gebruikmaken wat vanzelf wordt verkregen: al de zaken die door God worden gegeven [zoals vruchten], alles wat men uit de aarde wint [zoals mineralen] en alles wat men toevallig zo binnenhaalt [aan donaties of afdankertjes]; ze zijn allen evenzeer voortgebracht door de Onfeilbare.
Hiervoor moet de intelligente persoon van alles gebruik maken wat vanzelf wordt verkregen: al de zaken die door God worden gegeven [zoals vruchten], alles wat men uit de aarde wint [zoals mineralen] en alles wat men toevallig zo binnenhaalt [aan donaties of afdankertjes]; ze zijn allen evenzeer voortgebracht door de Onfeilbare. (Vedabase)
De maag mag men vullen voor zover nodig en niet meer, daar meer te claimen dan dat je als iemand van een dergelijke toeëigening tot een dief zou maken die het verdient te worden bestraft.
De maag mag men vullen voor zover nodig en niet meer, daar meer te claimen dan dat, je inderdaad als iemand van een dergelijke toeëigening tot een dief zou maken die het verdient te worden bestraft. (Vedabase)
Herten, kamelen, ezels, apen, muizen, slangen, vogels en vliegen moet men [in dezen] beschouwen als zijn eigen kinderen; hoe weinig verschil bestaat er niet tussen die dieren en kinderen?
Herten, kamelen, ezels, apen, muizen, slangen, vogels en vliegen moet men [in dezen] beschouwen als zijn eigen kinderen; hoe weinig verschil bestaat er niet tussen dieren en hen? (Vedabase)
Op het drievoudige pad [van dharma, artha en kâma] niet overmatig van inspanning [ugra-karma] zijnd behoort een persoon, alhoewel vol zorg over zijn huishouding, alleen zoveel binnen te halen als de genade van God naar gelang de tijd en omstandigheid zou verschaffen [zie ook 4.8: 54].
Op het drievoudige pad [van dharma, artha en kâma] niet overmatig van inspanning [ugra-karma] zijnd behoort een persoon, alhoewel vol zorg over zijn huishouding, alleen zoveel binnen te halen als de genade van God naar gelang de tijd en omstandigheid zou verschaffen [zie ook 4.8: 54]. (Vedabase)
Tot aan de hond, de gevallen ziel en uitgestotene toe, behoort het noodzakelijke naar behoefte te worden verdeeld; zelfs de eigen echtgenote, die zo na aan het hart ligt, behoort men te delen opdat zij er kan zijn [als een moeder] voor al de mensen [b.v. de gasten in huis en dergelijke].
Tot aan de hond, de gevallen ziel en uitgestotene toe, behoort het noodzakelijke naar behoefte te worden verdeeld; zelfs de eigen echtgenote, die zo na aan het hart ligt, behoort men te delen opdat zij er kan zijn [als een moeder] voor al de mensen [b.v. de gasten in huis en dergelijke]. (Vedabase)
Men mag die claim haar te bezitten opgeven waarvoor men bereid was zichzelf of anderen van het leven te beroven of zijn ouders en geestelijk leraar in de steek te laten, zodat men daadwerkelijk Hem voor zich kan winnen die niet kan worden overwonnen [anders dan door opoffering].
Men mag die claim haar te bezitten opgeven waarvoor men bereid was zichzelf of anderen van het leven te beroven of zijn ouders en geestelijk leraar in de steek te laten, zodat men daadwerkelijk Hem voor zich kan winnen die niet kan worden overwonnen [anders dan door opoffering]. (Vedabase)
Voor de insecten, tot ontlasting en tot as vergaat het ten leste met deze gehechtheid, dit onbeduidende materiële voertuig; van welke waarde is die aantrekking voor het lichaam van de echtgenote in verhouding tot de ziel die alles net als de ether doordringt?
Voor de insecten, tot ontlasting en tot as vergaat het ten leste met deze gehechtheid, dit onbeduidende materiële voertuig; van welke waarde is die aantrekking voor het lichaam van de echtgenote in verhouding tot de ziel die alles net als de ether doordringt? (Vedabase)
Wat de Heer geeft, dat wat offers iemand brengen, behoort men uiteindelijk te beschouwen als de middelen van bestaan. Alle eigendomsrechten worden opgegeven door hen die wijs zijn; het is de positie van de groten in dezen die men moet zien te verwerven.
Wat de Heer geeft, wat offers iemand brengen, behoort men uiteindelijk te beschouwen als de middelen van bestaan. Alle eigendomsrechten worden opgegeven door hen die wijs zijn; het is de positie van de groten in dezen die men moet zien te verwerven. (Vedabase)
Met het respect voor de goden, de wijzen, voor de mensheid en de levende wezens, de voorvaderen en voor zichzelf afzonderlijk behoort men, met het met het zich in leven houden met wat vanzelf wordt verkregen, dagelijks de Oorspronkelijke Persoon te eren.
In respekt voor de goden, de wijzen, voor de mensheid en de levende wezens, de voorvaderen en jegens zichzelf behoort men, met het verdienen van de kost, dagelijks, met het natuurlijke onderhoud, de Oorspronkelijke Persoon afzonderlijk te eren. (Vedabase)Tekst 16
Op het moment dat men [als een huishouder] alles onder controle heeft - niet alleen de benodigdheden maar ook zichzelf - behoort men met offers in het vuur overeenkomstig de voorschriften zoals die zijn vastgelegd in de geschriften van aanbidding te zijn met alles wat ter beschikking staat om de Heer te behagen [zie B.G. 4: 24-29].
Als men door zichzelf volledig beheerst raakt door alles wat men bezit, moet men met alle hulpmiddelen naar het boek en het principe van eerbetoon zijn, offers brengend in het vuur [zie B.G. 4: 24-29]. (Vedabase)
O Koning, de Allerhoogste Heer, de genieter aller offers is minder aanbeden door het offeren van ghee in de mond van het vuur dan door offerandes gebracht voor de monden van de geleerden [zie ook 3.16: 8].
O Koning, de Allerhoogste Heer, de genieter aller offers is minder aanbeden door het offeren van ghee in de mond van het vuur dan door offerandes gebracht voor de monden van de geleerden [zie ook 3.16: 8]. (Vedabase)
Wees daarom van eerbetoon, met de brahmanen vooropgesteld, via al de brahmanen en de halfgoden, al de stervelingen en de andere levende wezens, en offer op deze manier naar uw vermogen alles wat verlangd wordt aan de kenner van het veld [de Heer, zie B.G. 13: 3].
Derhalve middels de brahmanen en de halfgoden, stervelingen en andere levende wezens, met hen allen, wees van eerbetoon, naar uw vermogen alles wat gewenst is offerend aan de kenner van het veld [de Heer, zie B.G. 13.3] waar zij die ervaren in de spiritualiteit op uit zijn. (Vedabase)Gedurende [bijvoorbeeld] de donkere helft van de maand Âs'vina (oktober-november) en de maand Bhâdra (augustus-september) moeten de tweemaal geborenen offers brengen aan de voorvaderen voorzover ze het zich veroorloven kunnen en ook aan hun verwanten, gegeven de noodzakelijke middelen.
Gedurende [bij voorbeeld] de donkere helft van de maand Âsvina (Oktober-November) en de maand Bhâdra (Augustus-September) moeten de tweemaal geborenen offers brengen aan de voorvaderen voorzover ze het zich veroorloven kunnen en ook aan hun verwanten, gegeven de noodzakelijke middelen. (Vedabase)
Ook bij de zonnewenden als de zon zich naar het noorden en zuiden beweegt of Ram en Steenbok binnengaat, in de yoga [12.3 booggraden] genaamd Vyatîpâta, op de dagen die drie maankalender-dagen bestrijken [tithi's] en op dagen van zonsverduisteringen en de nieuwe maan, als ook op de twaalfde dag van de maanmaand en met het sterrenbeeld [nakshatra] S'ravana; eveneens op de dag Akshaya-tritîyâ, op de negende dag van de heldere maandhelft van de maand Kârtika, op de vier ashthakâ's [het achtdaagse] in het winterseizoen en het koele seizoen, op de zevende dag van de heldere maandhelft van de maand Mâgha, tijdens de conjunctie van de Maghâ-nakshatra en de wassende maan, op dagen van de volle maan of als die nog wassende is als deze dagen samenvallen met de nakshatra's waarvan de namen van sommige maanden zijn afgeleid, op iedere twaalfde dag van de maankalender in conjunctie met ieder van de nakshatra's genaamd Anurâdhâ, S'ravana, Uttara-phalgunî, Uttarâshâdhâ of Uttara-bhâdrapadâ en de zevende maankalenderdag die samenvalt met Uttara-phalgunî, Uttarâshâdhâ of Uttara-bhâdrapadâ als ook op dagen die in conjunctie verkeren met de ster van iemands eigen geboorte [janma-nakshatra] of de S'ravana-nakshatra, wordt het aangeraden zijn plechtigheden te houden.
Ook bij de zonnewenden als de zon zich naar het noorden en zuiden beweegt of Ram en Steenbok binnengaat, in de yoga [12.3 booggraden] genaamd Vyatîpâta, op de dagen die drie maankalender-dagen bestrijken [tithi's] en op dagen van zonsverduisteringen en de nieuwe maan, als ook op de twaalfde dag van de maanmaand en met het sterrenbeeld [nakshatra] S'ravana; eveneens op de dag Aksaya-trtîyâ, op de negende dag van de heldere maandhelft van de maand Kârtika, op de vier ashthakâ's [het achtdaagse] in het winterseizoen en het koele seizoen, op de zevende dag van de heldere maandhelft van de maand Mâgha, tijdens de conjunctie van de Maghâ-nakshatra en de wassende maan, op dagen van de volle maan of als die nog wassende is als deze dagen samenvallen met de nakshatra's waarvan de namen van sommige maanden zijn afgeleid, op iedere twaalfde dag van de maankalender in conjunctie met ieder van de nakshatra's genaamd Anurâdhâ, S'ravana, Uttara-phalgunî, Uttarâshâdhâ of Uttara-bhâdrapadâ en de zevende maankalenderdag die samenvalt met Uttara-phalgunî, Uttarâshâdhâ of Uttara-bhâdrapadâ als ook op dagen die in conjunctie verkeren met de ster van iemands eigen geboorte [janma-nakshatra] of de S'ravana-nakshatra, kan men plechtigheden houden. (Vedabase)
Het is op deze gunstige tijden [van het regelmatig zijn naar natuurlijke gebeurtenissen] dat het lot der mensen ten goede keert; op die dagen behoort men allerlei soorten van plechtigheden te houden en aldus door alle seizoenen heen voor het menselijk wezen goedgunstigheid, succes en langlevendheid te hebben [zie de volledige kalender van orde voor het instellen van dagen naar natuurlijke gebeurtenissen].
Het is op deze gunstige tijden [van het regelmatig zijn naar natuurlijke gebeurtenissen] dat het lot der mensen ten goede keert; op die dagen behoort men allerlei soorten van plechtigheden te houden en aldus door alle seizoenen heen voor het menselijk wezen goedgunstigheid, succes en langlevendheid te hebben [zie de volledige kalender van orde voor het instellen van dagen naar natuurlijke gebeurtenissen]. (Vedabase)
Op deze heilige tijden een heilig bad nemend, japa doend [de vedische rozenkrans], offers brengend in het vuur en zich aan geloften houdend, is wat men ook offert aan de Allerhoogste Heer, de tweemaal geborenen die zorg dragen voor de beeltenissen, de voorvaderen, de goddelijken, de menselijke wezens in het algemeen en andere levende wezens daadwerkelijk een vaststaande goede daad.
Op deze heilige tijden een heilig bad nemend, japa doend [de vedische rozenkrans], offers brengend in het vuur en zich aan geloften houdend, is wat men ook offert aan de Allerhoogste Heer, de tweemaal geborenen van de beeltenissen, de voorvaderen, de goddelijken, de menselijke wezens in het algemeen en andere levende wezens daadwerkelijk een vaststaande goede daad. (Vedabase)
O Koning, de tijden van de zuiveringsrituelen dienen het belang van de echtgenote, de kinderen en uzelf als ook het belang van het houden van begrafenissen, herdenkingsdagen en [het afgrenzen van dagen voor] het verrichten van baatzuchtige arbeid.
O Koning, de tijden van de zuiveringS'rîtuelen dienen het belang van de echtgenote, de kinderen en uzelf als ook het houden van begrafenissen, herdenkingsdagen en [het afgrenzen van dagen voor] het verrichten van baatzuchtige arbeid. (Vedabase)
Laat me naar aanleiding hiervan u op de hoogte stellen wat de waarlijk meest heilige plaats is geschikt om zich ermee bezig te houden: daar waar een navolger der waarheid beschikbaar is [een heilige, een Vaishnava, een goeroe], in een tempel; daar waar het Allerhoogste van de Heer en het gezelschap van brahmanen wordt gevonden die vol zijn van verzaking en scholing en genade hebben voor ieder afzonderlijke, zich bewegende en niet bewegende levensvorm in het ganse universum.
Laat me hiermee in overeenstemming u vertellen over de waarlijk meest heilige plaats om zich ermee bezig te houden: daar waar een navolger der waarheid beschikbaar is [een heilige, een vaishnava, een goeroe], in een tempel; daar waar het Allerhoogste van de Heer en het gezelschap van brahmanen vol van verzaking en scholing en van genade voor ieder afzonderlijke, zich bewegende en niet bewegende levensvorm van het hele universum wordt gevonden. (Vedabase)
Waar ook maar de gedaante van de Allerhoogste Heer wordt aangetroffen, die plaats is de alleszins gunstige toevlucht, waar die ook moge zijn, zoals de Ganges of de andere rivieren ook vermeld in de Purâna's.
Waar ook maar de gedaante van de Allerhoogste Heer wordt aangetroffen, die plaats is de alleszins gunstige toevlucht, waar die ook moge zijn, zoals de Ganges of de andere rivieren ook vermeld in de purâna's. (Vedabase)
Meren als Pushkara en gevierde plaatsen die de heiligen plaats bieden als Kurukshetra, Gayâ, Prayâg [Allahabad] en Pulaha-âs'rama; Naimishâranya [nabij Lucknow], Phâlgunam, Setubhanda [naar Lankâ], Prabhâsa, Dvârakâ, Benares, Mathurâ, te Pampâ, Bindu-sarovara, in Badarikâs'rama, Nandâ, de plaatsen waar Sîtâ Devî en Heer Râma verbleven zoals Citrakûtha en o Koning, al die heuvelruggen zoals Mahendra en Malaya - zij allen zijn van het heiligste; zij en al de plaatsen waar de Heer en Zijn beeltenissen worden vereerd [dus ook buiten India] moeten inderdaad telkens weer worden bezocht door degene die het goedgunstige verlangt, aangezien het aldaar is waar van de personen de religieuze handelingen volbracht duizend keer effectiever zijn.
Meren als Pushkara en gevierde plaatsen die de heiligen herbergen als Kurukshetra, Gayâ, Prayâg [Allahabad] en Pulaha-âs'rama; Naimishâranya [nabij Lucknow], Phâlgunam, Setubhanda [naar Lanka], Prabhâsa, Dvârakâ, Benares, Mathurâ, te Pampâ, Bindu-sarovara, in Badarikâs'rama, Nandâ, de plaatsen waar Sîtâ Devi en Heer Râma verbleven, als Citrakûta en o Koning, al die heuvelruggen zoals Mahendra en Malaya - zij allen zijn van het heiligste; zij en al de plaatsen waar de Heer en Zijn beeltenissen worden vereerd [dus ook buiten India] moeten inderdaad telkens weer worden bezocht door diegene die het goedgunstige verlangt, aangezien het aldaar is waar van de personen de religieuze handelingen volbracht duizend keer effectiever zijn. (Vedabase)
O heerser der aarde, door de geleerden met inzicht in de ontvanger is het besloten dat de enige die het respect waard is in de wereld inderdaad de Heer is, in Hem rust waarlijk alles wat beweegt en niet beweegt [zie tevens 4.31: 14].
O heerser der aarde, door de geleerden met inzicht in de ontvanger is het besloten dat de enige ware die het respekt waard is in de wereld inderdaad de Heer is, in Hem rust waarlijk alles wat beweegt en niet beweegt [zie tevens 4.31:14]. (Vedabase)
Kiezend uit de meest aanbiddelijke heilige persoonlijkheden van God besloten de zonen van Brahmâ als ook de andere getrouwen der waarheid aanwezig [bij Yudhishthhira's Râjasûya offerplechtigheid], o Koning, dat als de eerste van hen allen die voor aanbidding in aanmerking zou komen, Krishna moest worden aangewezen als de beste.
Kiezend uit de meest aanbiddelijke heilige persoonlijkheden van God besloten de zonen van Brahmâ als ook de andere getrouwen der waarheid aanwezig [bij Yudhishthhira's Râjasûya offerplechtigheid], o Koning, dat als de eerste van hen allen die voor aanbidding in aanmerking zou komen, Krishna moest worden aangewezen als de beste. (Vedabase)
De talloze zielen die dit universum bevolken zijn als een gigantische boom en omdat Hij de wortel van die boom is bevredigt de aanbidding van de Onfeilbare alle levende wezens.
De talloze zielen die dit universum bevolken zijn als een gigantische boom en omdat Hij de wortel van die boom is bevredigt de aanbidding van de Onfeilbare alle levende wezens. (Vedabase)
Hij inderdaad is de Oorspronkelijke Persoon die rustend bij de individuele zielen woont in hun stoffelijk omhulsel; de lichamen van al die geschapen wezens, de mensen, de niet-menselijke wezens, de heiligen en de goddelijken, vormen Zijn verblijfplaats [zie ook B.G. 18: 61].
Hij inderdaad is de Oorspronkelijke Persoon die neerligt bij de individuele zielen wonend in hun stoffelijk omhulsel; de lichamen van al die geschapen wezens, de mensen, de niet-menselijke wezens, de heiligen en de goddelijken, vormen Zijn verblijfplaats [zie ook B.G. 18.61]. (Vedabase)
Voor hen is Hij inderdaad, afhankelijk van hun nivo van begrip en daadwerkelijke boetedoening, de Allerhoogste Heer die meer of minder duidelijk aanwezig is, o Koning, en om die reden is Hij de eerste en belangrijkste persoon van ontvangst [vergelijk B.G. 15: 15].
Voor hen is Hij inderdaad, afhankelijk van hun nivo van begrip en daadwerkelijke boetedoening, de Allerhoogste Heer meer of minder aanwezig, o Koning, en daarom de eerste en belangrijkste persoon van ontvangst [vergelijk B.G. 15: 15]. (Vedabase)
Toen ze zagen hoe, vanaf het begin van Tretâ-yuga, het onderlinge respect in de menselijke samenleving in het negatieve aan het omslaan was, o Koning, introduceerden de geleerden de verering van beeltenissen [zie ook: 12.3: 52].
Ervan getuige hoe, vanaf het begin van Treta-yuga, onder hen het wederzijds respekt in de menselijke samenleving in het negatieve was omgeslagen o Koning, is door de geleerden de verering van beeltenissen geïntroduceerd. [zie ook: 12.3: 52 *] (Vedabase)
Sedertdien aanbidt men met groot geloof en alle benodigdheden de beeltenis van de Heer, alhoewel die regelmatige aandacht [voor de uiterlijkheid van God] niet bijzonder van nut is voor de negatief ingestelde mensen [daar het werkelijk voordeel wordt gevonden in de wijsheid waar de beeltenissen toegang toe verschaffen, zie ook 3.29: 25, B.G. 18: 68 & 69].
Daarnaar aanbidt men met groot geloof en alle benodigdheden de beeltenis van de Heer, alhoewel die regelmatige aandacht niet bijzonder van nut is voor de negatief ingestelde mensen [beeltenissen zijn er voor de beginners, zie ook 3.29: 25, B.G. 18: 68 & 69]. (Vedabase)
O beste der koningen, men moet zich realiseren dat de beste persoon onder de mensen inderdaad de brahmaan is omdat hij vanuit zijn verzaking, scholing en voldoening de vedische kennis belichaamt van de Allerhoogste Persoon Hari.
O beste der koningen, men moet zich realiseren dat de beste persoon onder de mensen inderdaad de brahmaan is omdat hij vanuit zijn verzaking, scholing en voldoening de vedische kennis belichaamt van de Allerhoogste Persoon Hari. (Vedabase)
Het is namelijk door Hem, door Heer Krishna, het leven en de ziel van het universum, o Koning, dat de brahmanen geheiligd worden; bij het stof van hun aanbiddelijke voeten is er het hoogst verhevene in de drie werelden.
Het is namelijk door Hem, door Heer Krishna het leven en de ziel van het universum, o Koning, dat de brahmanen geheiligd worden; van het stof van hun voeten is er het hoogst verhevene van het eerbetoon in de drie werelden.
Voor
deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam
linkspagina.
De afbeelding is getiteld: "Ramayan Gayan"en is afkomstig uit:
'Solvyns,
Les Hindoûs':
I.2.1. Double-plate. "Rhaumien-Gauyin. Brahmuns Chanting
the Exploits of Rhaum." (Bron).
© Van de collecties van Prof. R.L.
Hardgrave, University of Texas.
Gebruikt met toestemming.
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd