A|B|C|D|E|F|G|H|I|J|K|L|M|N|O|P|Q|R|S|T|U|V|W|X|Y|Z

 

K


Kâla: eeuwige Tijd, cosmische tijd. Het onpersoonlijke zichtbare aspect van Krishna. Dat wat de materie beweegt. Opeenvolging van momenten in relatie tot de zon en de sterren gekend in de draaiing van de aarde (zie ook tri-kâlika, S'is'umâra en yuga).

- De Tijd is de Heer Zijn onpersoonlijke aspect. De paramparâ zegt: 'Het wordt verstaan van de Vedische wetenschap van de epistemologie, de 'Nyâya-s'âstra', dat kennis van een object (prameya) afhangt van een valide methode van kennen (pramâna) (pp 10.86: 54). Zo zou het kennen van Krishna in de vorm van de Tijd zoals-Hij-is (Ik ben de Tijd, het licht van de zon en de maan, zoals Hij in de Gîtâ zegt), door middel van klokken valide lopend naar Zijn natuur, de zon, zoals met een zonnewijzer, en kalenders geldig ingesteld naar Zijn orde, de maan, zoals met de maanfasen, de juiste brahmaanse gedragswijze vormen. Met weken naar de maan en klokken naar de zon, zou de standaardtijd met de doodsheid van de gemiddelde tijd, de willekeurige valse eenheid van de zonetijd en de instabiliteit van de zomertijd, dan de tijd van onwetendheid zijn in ontkenning van Krishna, de vader van de Tijd, zelfs hoewel Krishna de aanbidding van het pragmatische en dus karmische dictaat van de standaardtijd erkent, maar niettemin die halfgoden aanbidding verkeerd en minder aantrekkelijk noemt (in S.B. 1.2: 26) (zie ook cakra, B.G. 9.23, 10: 21, 30 & 33, 7: 8 en Bhâgavatam tijdcitaten).

- Er zijn vier manieren om je in te stellen op de zuiverheid van de tijd in relatie tot iets anders: middels de spraak, door rituelen, door overeen te stemmen of door het verschil aan te duiden; aldus bezien is de standaardtijd aanvaardbaar als een van deze vier methoden wordt gerespecteerd (zie S.B. 11.21: 10).

- Naar het lichaam zijn er van de tijd zes fasen: geboorte, groei, handhaving, het voortbrengen van bijprodukten, aftakeling en de dood.

- Die tijd is geldig welke, danwel door zijn eigen aard (de niet op winst begrepen tijd van de natuur) of op dezelfde manier naar de persoon (de Heer, of het voorwerp, de lakshmî, de tijd voor het oogsten etc.), geschikt is voor het doen van je voorgeschreven plicht; en slecht en in overtreding is die tijd die je in je plichtsvervulling belemmerd, de tijd niet geschikt om arbeid te verrichten (lustmatige en de baatzuchtg begrepen tijd (zie ook kâlakûta en S.B. 11.21: 9)

- In rekenkundig opzicht staat het geheel van de indeling van de tijd beschreven in 3.11 en in 5.20-23. Hier samengevat: de tijd volgens 3.11 wordt verdeeld naar de duur van het innemen van de ruimte door - of een volle of een deel van een omloop van - een combinatie van atomen. Zo is er dan als kleinste tijdseenheid het atoom of een parama-anu, en zijn er achtereenvolgens een strasarenu (dubbelatoom), een truthi of hexatoom van drie strasarenu's (1/16.875 seconde), die maal honderd een vedha vormen; drie van hen worden één lava genoemd; drie lava's zijn één nimesha (± 0.53 seconde) en de tijd van drie van hen wordt een kshana genoemd (± 1.6 seconde), vijf daarvan zijn een kâshthhâ (± 8 seconden) waarvan een laghu er uit vijftien bestaat (± 2 minuten). Vijftien van die laghu's wordt een nâdikâ (of danda, ± 30 minuten) genoemd en twee van hen vormen één muhûrta (ongeveer een uur) terwijl ongeveer drie daarvan een yâma of prahara vormen, afhankelijk het seizoen of de breedtegraad (in geval van onregelmatige uren). Acht yâma's beslaan een etmaal ofwel een pañcânga die voor voor één dertigste van een lunatie een tithi heet en voor de zon een kurukshetrin of saura divasa heet - (met enkel een saura als één graad van de ecliptica, zodat een jaar dan 360 saura's kan hebben) en vijftien dagen (van acht yâma's elk) vormen één paksha of pañca-das'a welke men gemeten kent als zijnde ofwel zwart ofwel wit (sukla of krishna afhankelijk van het feit of er een volle of wassende maan dan wel een afnemende of nieuwe maan in optreedt). Twee paksha's vormen een mâsha (solaire maand) waarvan een tweetal een ritu of seizoen vormt waarvan er zes zijn (resp. 'koude' of hemanta, 'dauw' of s'is'ira, 'lente' of vasanta, 'warmte' of grîshma, 'regen' of varshâs en 'herfst' of s'arad, gerekend vanaf de 22-e dec.). Een tropisch jaar, omschreven als één zonnegang van noord naar zuid en weer terug, is een samvatsara. Er worden vijf verschillende jaren onderscheiden afhankelijk van het hemellichaam in kwestie: een samvatsara (zonnejaar van zes seizoenen), een parivatsara (een planetair jaar, van Jupiter b.v.), een idâvatsara (jaar van de sterren, d.w.z. een galactisch jaar, niet te verwarren met het optisch bedrog van het ± vier minuten kortere siderische jaar - de sterren draaien niet om de poolster n.l. maar om Sagittarius A in het centrum van de Melkweg), een anuvatsara (een 'maanjaar' of een maan-cyclus of lunatie) en een gewone vatsara, een jaar van viering zoals een burgerlijk jaar en andere op de zon bemeten tropische jaren. Een godenjaar is een periode van 360 jaren en 12.000 godenjaren vormen een mahâyuga of diviya yuga bestaande uit vier yuga's van respectievelijk vier, drie, twee en eenmaal 1200 godenjaren; 71 6/14 mahâyuga's vormen een manvantara van 852.000 godenjaren voorafgegaan en gevolgd door een periode van overgang genaamd een sandhya-yuga van ongeveer de lengte van een sathya-yuga van 4.800 godenjaren; er gaan veertien manvantara's in een kalpa, een dag van Brahmâ en een nacht van Brahmâ duren even lang n.l ±1000 mahâyuga's, een jaar van Brahmâ bestaat uit 360 van zijn dagen en even zo lange nachten, en 50 jaren van Brahmâ vormen een parârdha, de duur van 100 jaren van Brahmâ vormt de totale levensduur van de kosmische schepping die een brahmânda of kosmisch ei heet en qua tijd van bestaan zo dus 311.040.000.000.000 mensenjaren (311 biljoen jaar of 311. 1012 jaren) beslaat. Het leven van Brahmâ is slechts één ademtocht van Mahâ-Vishnu, waarvan er, zich steeds herhalend via pralaya's of perioden van vernietiging, dus een eindeloos aantal zijn (zie ook de vaishnava-encyclopedie over de tijd van de purâna's).

- N.B. Een religieus, subcultureel, jaar in India en bij de vaishnava's is gewoonlijk een luni-solair jaar dat, afhankelijk van de plaatselijke cultuur, op de meest uiteenlopende data kan beginnen; d.w.z. eens in de drie jaar schrikkelt men een maand erbij om de kalender weer op de zon gelijk te zetten, zodat verjaardagen b.v. steeds op verschillende data van één maand kunnen vallen. Maar men kan met de bovenstaande beschrijving net zo goed een zonnekalender gebruiken die begint bij het wintersolstitium met de lunaties apart erbij op aangegeven. De aanname van een 'maanjaar' met haar grove en willekeurige schrikkelmethode is, met respect voor de lunaties, niet nodig en zo kan dan de kalender-chaos in India ondervangen worden met respect voor de westerse traditie om deze lunisolaire 'maanjaren' te negeren die tijdens het het romeinse rijk 45 v.Chr. reeds werden opgegeven.

- We leven nu in Kali-yuga van de achtentwintisgeste divya-yuga van de zevende manvantara van de twaalfde kalpa genaamd Sveta-Varaha (S.B. 2.10.46p., Skanda P. 2.39-42), in het eenenvijftigste jaar van B rahmâ. Deze dag van Brahmâ begon 2.3 billioen jaar geleden. Aldus is de leeftijd van Brahmâ vastgesteld op 155.521.972.949.000 mensenjaren. 12.2.31 stelt dat Kali-yuga begon toen de constellatie van de zeven wijzen (saptarsi) door het maanhuis van Magha ging. Hindu astrologen stelden vast dat dit gebeurde op 2h 27 van de 18e februari 3102 BC. Dit vond plaats ongeveer 36 jaar na de slag bij Kurukshetra (zie ook sat-kâla en asat-kâla ).

- De voortgang van kâla wordt beschreven als zijnde van een voortdurende (nitya), incidentele (naimittika), natuurlijke (elementaire or prâkrita) en uiteindelijke (âtyantika) vernietiging of pralaya (S.B. 12.4: 38).

- Een naam voor S'iva (3.12: 12)

Kâlakûtha: ('het valse, het onware of de illusie van de tijd', 'de piek, het lichaam of de bergtop van de tijd') het gif ookwel halâhala genoemd, voortgebracht bij het karnen van de oceaan en opgedronken door S'iva waardoor hij een blauwe nek kreeg (zie S.B. 8.7)

- Gif in het algemeen.

Kâlî: godin waaraan vleeseters hun offers kunnen brengen (zie Durgâ).

Kâliya: de slang onderworpen door Krishna die op zijn kragen danste (S.B. 10: 16 & 17) .

Kâma: lust, begeerte. Het verlangen naar meer plus de onwil om los te laten door emotionele voorkeur. Ongewenste eigenschap: anartha.

- Term ook gebruikt voor het aanduiden van de regulatie van de begeerten (zie purusârtha's).

- Dat wat aan de stof bindt; de ongereguleerde, ongedifferentieerde en onwetende voorkeur (zie avidyâ)

- Produkt van de gehechtheid (zie râga).

Kâmadeva: de liefdesgod (zie kandarpa).

Kâmadhenu: de geestelijke koe die eindeloze hoeveelheden melk verschaft en die men in Goloka Vrindâvana aantreft (zie ook surabhi).

Kânda: (gedeelte, sectie, hoofdstuk, boek) zie tri-kânda en canto.

Kânti: 'de vrouwelijke schoonheid, de helderheid van de maan', een naam van Lakshmî vermeld in S.B. 10.65: 31.

Kârana: de oorspronkelijke oorzaak, de oorzaak van alles, oorzakelijkheid naar de logica van God (zie ook nimitta).

Kârana oceaan: de oerwateren van God, de causale wateren, de hoek van het geestelijke universum waar Heer Mahâ-Vishnu in neerligt om het geheel van de materiële universa te scheppen (zie m.n. canto twee van het S.B.).

Kâranodakas'âyî Vishnu, of Mahâ-Vishnu: eerste purusha-avatâra: de volkomen expansie van de Heer, die aan de stoffelijke openbaring ten grondslag ligt. Uit Hem komen het mahat-tattva en alle universa voort, die ten tijde van de vernietiging weer in Hem terugkeren. 

Kârtavîryârjuna: grote koning in de y a d u-dynastie die ook wel Arjuna wordt genoemd; hij werd keizer over de zeven continenten en verwierf van de yoga van Heer Dattâtreya, een (ams'a-) incarnatie van de Allerhoogste Persoonlijkheid (zie ook S.B. 9.15 & 26), al de grote kwaliteiten (de acht siddhi's). Er was inderdaad niemand op deze aarde te vinden die zich kon meten met hem in zijn kwaliteiten van opoffering, liefdadigheid, verzaking, yogasucces, scholing, kracht en genade. Voor de duur van vijfentachtigduizend jaar zou zijn kracht onverminderd daadwerkelijk onuitputtelijk zijn. Van zijn duizend zoons bleven er maar vijf in leven in de strijd met Paras'urâma: Jayadhvaja, S'ûrasena, Vrishabha, Madhu en Ûrjita (S.B. 9.23: 24-27).

Kâr(t)tikeya (Skanda): de jongere zoon van Heer S'iva en zijn vrouw Pârvatî; de leidende godheid van de oorlog.

Kaivalya: transcendentie of de wil tot bevrijding; verlichting, men realiseert zijn wezenstaat als volkomen deel uitmakend van Hem. Spirituele onafhankelijkheid. Fase voorafgaande aan mukti. Doel van de ashthânga-yoga.

- Emancipatie in/tot Krishna-bewustzijn (zie ook kaivalyapanthâ).

- De uiteindelijke zaligheid (zie ook nirvâna en S.B. 11.9: 17).

Kaivalya-panthâ: de weg der verlichting die tot bevrijding in toegewijde dienst leidt; het vermogen tot opstaan na vallen; de weg terug naar God die ieder mens moet zien te vinden (zie mukti).

Kalâ: deelaspect, deel van een expansie. Bijvoorbeeld Balarâma is Krishna's eerste (volkomen) expansie en Vishnu is een deel, kalâ van die expansie.

- S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî citeert het Medinî woordenboek met de definitie van het woord kalâ als zijnde: kalâ mûle pravriddhau syâc chilâdâv ams'a-mâtrake. "Het woord kalâ betekent 'een wortel', 'toename', 'een steen' of 'een enkel deel'.

Kali-yuga: (ijzeren tijdperk) tijdvak van twist en ruzie dat zijn aanvang nam na Krishna's heengaan 5000 jaar geleden, de achttiende Februari 3102 v.Chr., en dat gekenmerkt wordt door de vier zwakheden die de tegenhanger vormen van de vier religieuze deugden, de vier poten van de stier van dharma (s'auca, tapas, dayâ, satya): vrije seks, goklust, vlees eten en intoxicatie tegenover reinheid, soberheid, mededogen en waarheidsliefde: de regulerende principes (zie ook vidhi, S.B. 1.16 & 17 en 5.6: 10 ).

- De gelovigen (van geestelijke vooruitgang) bekend met de waarde, prijzen het tijdperk van Kali, erop wijzend dat zijn essentie eruit bestaat dat met het (enkele) gezamenlijke bezingen zo goed als alle doeleinden worden bereikt (S.B. 11.5: 36).

- Laatste yuga van een mahâyuga met een duur van 1200x360 = 432.000 jaar (zie ook dharma).

- In dezen citeert S'rî Caitanya Mahâprabhu uit de Brahma-vaivarta Purâna:

asvamedham gavâlambham
sannyâsam pala-paitrkam
devarena sutotpattim
kalau panca vivarjayet

"In dit Kali-tijdperk zijn vijf handelingen verboden: het offeren van een paard in een plechtigheid, het offeren van een koe in een plechtigheid, het aanvaarden van de levensorde van sannyâsa, het brengen van vleesoffers voor de voorvaderen, en het door een man verwekken van kinderen bij de echtgenote van zijn broer."

- Besproken in: S.B. 1.1.10, 1.15: 36, 1.16, 5.6: 9, 7.9: 38, 9.12: 6, 9.22: 33-45, 10.1: 14, 10.52: 2, 10.20: 8, 11.7: 4-5, 11.5: 32-34 en 12: 1 en andere hoofdstukken van dat Canto.

Kalki: de verwachte incarnatie van Vishnu aan het einde van Kali-yuga. Als Kali-yuga afloopt verschijnt de Heer op een wit paard om de overlast aan asura's te vernietigen die zich voordoen als leiders in de wereld (zie ook S.B. 1.3: 26).

Kalpa: een dag volgens de tijdberekening van Heer Brahmâ, bestaande uit duizend cyclussen van vier era's of mahâ-yuga's ofwel 4.320.000.000 jaar.

- Haalbaar, uitvoerbaar, mogelijk, gepast, geschikt, in staat, capabel, gelijk aan, geschikt voor de plicht (zie ook kalpa-vriksha).

- Een heilig voorschrift, wet, regel, beschikking (vidhi, nyâya), manier van optreden, te werk gaan, praktijk, een in acht te nemen regel voor iedere andere regel, allereerste plicht, op deze wijze.

- De meest volledige van alle zes vedânga's (dat wat het ritueel voorschrijft en regels verschaft voor ceremonieel of offerplechtigheid).

- Een van de twee gevallen, een kant van een argument, een alternatief (paksha; vikalpa); onderzoek, research.

- Vastbeslotenheid, vastberadenheid.

- Het behandelen van zieken, geneeswijze; de kunst van het medicijnen toebereiden, farmacie; de leer van de giften en tegengiften.

- Met de manier of de vorm van iets, gelijksoortig aan, overeenkomend.

Kalpataru/kalpavriksha: wensboom; een van de vijf bomen van Svarga of Indra's paradijs erom bekend dat die alle wensen vervult, boom van overvloed; welke produktieve of overvloedige bron dan ook; een genereus iemand; naam van verschillende werken; een bepaald soort mengsel.

Kamsa: koning van de Bhoja-dynastie; Krishna's oom, die Hem steeds trachtte te doden, maar door Hem in Zijn jeugd reeds van de troon werd geworpen en gedood (zie canto 10 e.g hoofdstuk 4).

Kanâda: grondlegger van de vais'eshika darshana of school van indiase filosofie (zie ook Nyâya).

Kandarpa: (liefde, lust) 'hij die zelfs een God in vuur en vlam zet'; 'van een grote lichtzinnigheid'; naam van Kâmadeva of Cupido, de god van de liefde (zie ook Pradyumna).

- In de muziek de naam van een bepaalde râga.

- Een vorm van tijd.

Kandu: een wijze vermeld in de Ramâyana (IV-48) van wiens zware boete Indra zeer benauwd was; Indra stuurde toen het hemelse meisje Pramlocâ om zijn geloften en boete te breken. De dochter die hij kreeg heette Mârishâ, die later trouwde met Daksha.

Kanishthha: onontwikkelde toewijding. Benaming voor beginners in het Krishna-bewustzijn of niet-spontane toegewijden (zie: bhakta en adhikâri).

Kanva: ('lofprijzer') een vermaarde rishi, auteur van verschillende hymnen van de Rig-veda; wordt gezien als een zoon van Ghora en men zegt dat hij behoort tot de familie van Angira.

- Geboren in de dynastie van Pûru als Apratiratha's zoon. Van hem was er Medhâtithi van wie Praskanna en anderen er kwamen die allen tweemaal geboren zielen waren. Van Sumati was er Rebhi wiens zoon de bekende Dushmanta was (zie S.B. 9.20: 6-7).

- De wijze die Dushmanta, een vroege Pûru - voorvader van Bharata, huwde met Vis'vâmitra's dochter S'akuntala, die hij had ontmoet in Kanva's âs'rama (zie S.B. 9.20: 18).

- Volgens S'rîdhara  S vâmî zou Heer Krishna met het in S.B. 10.70: 6 voor zonsopgang eerst brengen van offers en het dan pas doen van de mantra navolgen in de erfopvolging van Kanva Muni.

Kapila: een incarnatie (avatâra) van Krishna, die in Satya-yuga verscheen als zoon van Devahûti en Kardama Muni (zie S. B. 3-22) en de sânkya-filosofie uiteenzette; de analyse van geest en stof, als methode om toegewijde dienst tot de Heer te cultiveren (zie S.B. 3.24-33).

Karanâpâtava: één van de vier zwakheden van de mens: imperfectie van de zintuigen; falende waarneming (zie bhrama).

Karatâla's: schelletjes, ookwel kartels genoemd.

- Kleine cymbaaltjes gebruikt in de kîrtana.

Kardama: wijze die, getrouwd met Devahûti, de dochter van de Manu, het leven schonk aan de avatâra Kapila (zie canto S.B. 3: 21-24).

Karma: letterlijk arbeid. Meestal wordt daarmee de baatzuchtige arbeid aangeduid ofwel gehechtheid aan de resultaten van de arbeid. Geldt ook als het gevolg van daden in het verleden of als consequentie van de begeerte. Krishna onderscheidt drie soorten:

- Karma: baatzuchtige arbeid.
-
Akarma: vrij zijn van karma ofwel toegewijde dienst, vrijwilligerswerk, werken voor God.
-
Vikarma: ongewenste activiteit, misdaad.

Zie verder ook S.B. 10.1: 39-40 en 10.24: 13-18 waar Hij zegt'... als hun vijand, hun vriend of hun onpartijdig rechter; dat karma alleen is hun beheerser, hun goeroe'.

- Wet van -: wet van oorzaak en gevolg: alle materiële activiteiten, goed of slecht geven terugslag van het doen en laten.

- Elke handeling volgens de karma-kânda-regels.

- activiteit in de meest algemene zin.

- Rûpa Gosvâmî, in S'rî Bhakti-rasâmrita-sindhu, zijn definitieve verhandeling over het proces van de toegewijde dienst, legt uit hoe bij een Vaishnava die bevrijdt raakt van zijn karmische terugslagen, er sprake is van terugslagen die zich nog niet hebben aangediend (aprârabdha), die zich juist aan het aandienen zijn (kûtha), zij die zich nog in de kiem bevinden (bîja) en zij die zich ten volle hebben gemanifesteerd (prârabdha) (zie p.p. 10.88: 8 en het vers dat de geleidelijke neergang van de gehechtheden beschrijft in 10.88: 8).

Karma-avaram: afschuwlijk werk (zie ook ugra -).

Karma-kânda: de afdeling van de Veda's waarin behandeld wordt hoe de zwaar in de materie verstrikte persoon zijn baatzuchtig streven kan ombuigen tot activiteit waardoor hij geleidelijk wordt gelouterd.

Karma-mîmâmsâ: zie mîmâmsâ.

Karma-yoga: verbondenheid met God door onbaatzuchtig handelen, kenmerk van bhakti.

- Door uiteenlopende activiteiten zich naar vermogen inspannende, zó dat men vrijkomt uit de gebondenheid van de stof en het doen en laten gezuiverd wordt; inlossen van karma zodat men dichter bij Krishna komt te staan.

- Handelen in Krishna -bewustzijn; andere naam voor bhakti-yoga.

- Een van de eerste treden van de trap van het yoga-systeem. Door karma-yoga ontdoet de karma-yogî zich geleidelijk steeds meer van alle stoffelijke besmetting en leert hij zijn doen en laten te zuiveren.

- activiteit in toegewijde dienst.

- Baatzuchtige activiteit verricht in overeenstemming met de vedische voorschriften.

- Door Krishna besproken in de eerste zes hoofdstukken van de Gîtâ; in het Bhâgavatam in: 8.1: 14, 11.3: 41-55, 11.20: 7.

Karmendriya's: de werkende zinnen van de mond (de spraak), de handen, de benen, de geslachtsorganen en de uitscheidingsorganen, zie indriya's.

Karmi: baatzuchtige persoon. Materieel bepaald iemand. Persoon die karma opdoet.

- Normale aard van de geconditioneerde mens uit op werken en geld verdienen.

- Materialist, die er slechts naar streeft zijn zinnen te laten genieten. Dit leidt er slechts toe dat hij steeds meer vast raakt in de kringloop van geboorte en dood. 

- Karma-yogî, of iemand die karma-yoga beoefent.

Karna: zoon van Kuntî en halfbroer van Arjuna. In de strijd van Kurukshetra vocht hij tegen de Pândava's.

Karuna: mededogen, medeleven.

Kas'yapa: wijze verleid door zijn vrouw Diti met het dharma te breken en die als gevolg daarvan de vader werd van twee van de grootste demonen, de gevallen hemelbewoners Jaya en Vijaya (zie S.B. 3.15-16) Hiranyâksha en Hiranyakas'ipu. (zie S.B. 3.14, ook Varâha).

- Vader van de dwerg-incarnatie van de Heer, Vâmanadeva.

Katha Upanishad: zie Upanishads.

Kathâ: verhalen, anekdotes over Hem; zuivere aanbidding.

Kâtyâyanî: zie Durgâ.

Kaunteya: de zoon van Kuntî (Arjuna, zie ook Prithâ).

Kaurava's: andere naam voor de Kuru-zonen van Dhritarâshthra.

- Die afstammelingen van Kuru die tegen hun neven de Pândava's vochten in de slag van Kurukshetra.

Kaustubha: het juweel dat Krishna om Zijn hals draagt.

- Het juweel dat met dertien andere kostbaarheden werd verkregen bij het karnen van de oceaan (zie S.B. 8.7).

- Een manier om de vingers ineen te strengelen.

- Een soort olie.

Kavaca(nârâyana-): schild, term gebruikt voor de bescherming met mantra's zoals beschreven in S.B. 6.8: 30-10, (zie ook S.B. 6.6: 39 en tilaka).

- Krishna spreekt van een baden in mantra's met het aanbrengen van klei-tekens in S.B. 11: 27: 10.

Kes'ava: (doder van Kes'i): naam van Krishna als de doder van de demon Kes'i die als dol paard Gokula bedreigde.

- Ook: Hij met het fijne zwarte haar.

Kes'î: demon die de inwoners van Vrindâvana aanviel in de gedaante van een wild paard, maar die werd gedood door Heer Krishna.

Kevala-bhakti: de toewijding tot Krishna vanuit de zuivere liefde van de gopî's en S'rîmate Râdhârânî (zie ook sahajiyâ).

Khaga: (een vogel, een havik, een valk of gier) naam gebruikt voor een goddelijk soort wezen gelabeld als 'vogel uit de hemel', of iemand in relatie tot vogels, mogelijke aanduiding voor 'paradijsvogels' of excentrieke persoonlijkheden in opsommingen van soorten van maatschappelijke personen (gebruikt in S.B. 10: 74: 14-16). Ook Garuda is een khaga.

- Ook: een krekel, de zon, een planeet, de lucht, de wind.

Khathvânga: een koning geboren uit de beroemde koning Vis'vasaha. Hij, menig een daitya dodend, werd een keizer, die in liefdevolle dienst zijn wereldse belangen verzakend, het Spirituele Bereik van Vâsudeva bereikte (zie 9.9: 41-49). Hij was een voorvader van Râma (zie 9.10: 1).

- Ter sprake gebracht door Krishna als een voorbeeld van verzaking aan het eind van iemands leven (11.23: 30).

Ki: (wat?) aanhef tot vreugderoep (jaya) Na namen van de litanie hardop voorgesproken.

Kimdeva's: humanoïden, menselijke wezens levend op andere planeten.

Kimpurusha's: de bewoners van die streek, hebben de gedaante van apen (zie 5.16.9 en 5.19)

Kinnara's: zij die bovenmachtig zijn (zie ook 7.8: 55), waarvan beweerd wordt dat ze naar believen van gedaante kunnen veranderen.

Kîrtana: hardop (samen-)zingen. Tweede onderdeel van het negenvoudig proces van toegewijde dienst (zie bhâgavata  dharma). San-kîrtan ofwel samenzang wordt ook gebruikt om de prediking van de heilige namen aan te duiden: Heer Caitanya's  sankîrtan beweging (zie ook japa, in het bhâgavatam verdedigd in o.a. de verzen: 1.18: 19, 2.3: 24, 3.7: 14, 3.25: 23-25, 3.28: 18, 3.29: 18, 4.10: 30, 6.3: 22-25, 7.9: 12, 10.14: 5, 10.44: 15, 11.2: 39-40, 11.5: 36-37, 11.27: 35 & 44 , en 12:3: 51-52).

Kles'a: hindernis van mentale of emotionele aard op het pad van zelfrealisatie.

- De substantie, de activiteit en de doener als onzuiverheden (zie 12.6: 38).

- Naar Patañjali (Y.S. 5-9) Vijf in getal: avidhyâ, asmitâ, râga, dvesha, abhinidves'a,: (resp.) onwetendheid, ik/mijn-illusie of egoïsme, verlangen of emotionele voorkeur, haat of afkeer en angst voor de dood of hechten aan het leven.

- In drieën in de vaishnavaprediking: belemmeringen vanuit de eigen persoon, door andere personen en door externe invloeden van de wereld (resp. adhiâtmika, adhibautika en adhidaivika-kles'a's) (zie 1.17: 19, 3.6: 9, en 11.22: 30).

- In de toegewijde dienst komt men hindernissen te boven met de zes bladen van de klimplant van de bhakti: 'Als we beginnen in bhakti-sâdhana, verschijnen twee bladen, en dat zijn kles'aghni (verlossing van ellende) en subhada (voorspoed). Als we aan bhâva-bhakti toekomen, verschijnt het tweede stel bladen, en dat zijn moksha-laghutâkrit (verheffing voorbij het verlangen naar bevrijding) en sudurlabha (de zelden bereikte liefde van Râdhâ). Als er prema komt, verschijnen er nog twee, en dat zijn sandrânanda-vis'eshâtma (speciaal geluk; als de essentie van hlâdinî en samvit zich vermengt en zich voordoen op het niveau van sandhinî - zie sat-cit-ânanda), of s'uddha-sâttva) en s'rî-krishna karshanicasa (aantrekkelijk zijn voor Krishna Zelve)' (Tirtha Mahârâja: lezing juni 2001).

Kos'a: (laag, werveling, gat, de binnenkant, de laag, een bol maar ook: schat, scrotum, zaaddoos en woordenboek), er zijn zeven lagen, dimensies of afdelingen in het lichaam van een persoon of het universum dat moet worden gezien als het lichaam van God. De paramparâ bij de teksten S.B. 2.1-25 en 4.26-1-3, 2.6:1, 6.16.37 spreekt van de vijf elementen, het noumenale en fenomenale. Het Bhâgavatam spreekt van lagen waarbij iedere laag tien keer de omvang heeft van de voorgaande bestaande uit achtereenvolgens aarde, water, vuur, lucht, ether, de totale energie en het valse ego. In andere vedânta scholen is er ook sprake van de lagen anna-maya kos'a naar de aarde of de zintuigen van de handeling, prâna-maya kos'a naar het water of de zintuigen van het waarnemen, mano-mayakos'a naar het vuur of de geest, vijñâna-maya kos'a naar de lucht of het intellect, ânanda-maya kos'a naar de ether of het ik-bewustzijn, citta-maya kos'a naar het citta, het tussenbewustzijn, de totale energie of het fenomenale en âtma-maya kos'a naar mahat de totale energie van de purusha, het noumenale. Het hangt ook samen met delen van de hersenen en de stadia van samâdhi: aarde en water kos'a's voor de frontale gebieden, achterhoofd voor de vuur kos'a, de lucht-kos'a de hersenbasis en de cortex de ether kos'a (zie ook dvîpa en dhâtava h).

- De kos'a's worden door de paramparâ uitgelegd als bestaande uit eerst vier materiële stadia van ontwikkeling voordat het Krishna-bewustzijn zich ontwikkelt: anna-maya, prâna-maya, mano-maya en vijñâna-maya. In het laatste vijñâna-maya stadium, het intellectuele stadium, realiseert men zich dat men verschilt van het lichaam. Het volgende vijfde ânanda-maya stadium wordt in de Bhagavad-gîtâ uitgelegd als het brahma-bhûta stadium waarin men gelijk gezind staat tegenover alle levende wezens. Aldus expandeert men, middels toegewijde dienst tot de hogere stadia van gelukzaligheid (bewustzijn en ziel ofwel ânanda, citta en âtma) in Krishna-bewustzijn (zie pp 10.87: 17).

- Er is ook sprake van zeven (gelaagde) ingrediënten of bestanddelen van het lichaam (2.10: 31): nagels, huid, vet, vlees, bloed, been en merg (ook is er sprake van chijl en zaad in dit verband i.p.v. nagels en huid).

- De zeven maten van dit lichaam van het geheel van de materie, het valse ego, de ether, de lucht, het vuur, het water en de aarde 'die me omsluit als een vat' (10.14: 11).

- De zeven lagen van het gouden cosmisch ei zoals bekeken vanuit de vijf elementen het ego en de geest (Shâstri 11.6: 16).

- Monier Williams Woordenboek: 'een term voor de drie schillen of de opeenvolging van omhullingen welke de verschillende kaders (of 'lichamen') van het lichaam uitmaken die de ziel omhullen

1. de ânanda-maya kos'a of "de laag van het plezier", vormt de kârana-s'arîra of het "causale kader";
2. de vijñâna-maya kos'a of de buddhi-maya-kos'a of de mano-maya-kos'a of de prâna-maya-kos'a, "de schil van het intellect of de wil of het leven", dat de sûkshma-s'arira uitmaakt of het "subtiele kader of lichaam";
3. de anna-maya-kos'a, "de laag van de voeding", die de sthûla-s'arîra vormt of het "grofstoffelijke raamwerk"'.

- De acht schatten of nidhi's van Kuvera

Kratu: (ritueel) een van de zeven grote wijzen die rechtstreeks voortkwamen uit Brahmâ. Hij trouwde met Kriyâ, de dochter van Kardama Muni (3.24: 22). Met haar was hij de vader van de zestigduizend vâlakhilya's, de wijzen die de zonnegod omringen.

- Een van de tien zonen van Brahmâ (3.12: 22).

- Een afstammeling van Dhruva verwekt door Ulmuka in Puskarinî als een van zes zeer goede zoons (4.13: 17).

- In het woordenboek staat kratu naast aanbidden en offeren voor: plan, ontwerp, intentie, besluit, vastberadenheid, bedoeling, verlangen, wil, opzet, raadplegen, intelligentie en begrip.

- In de aanbidding van Heer Varâha is kratu een van de honderd ledematen of functies van de Heer: de Heer is yajña en kratu, opoffering en ritueel (5.18: 35, volgens Prabhupâda).

Kripâcârya (Kripa): 'de leraar uit medelijden' geestelijk leraar van de Kuru-familie die later werd uitverkozen door keizer Parîkchit als zijn geestelijk leraar die hij naar behoren beloonde aan de Ganges alwaar hij drie paardenoffers liet uitvoeren (zie 1.16: 3).

- Een van de zeven wijzen in de komende achtste manvatara (8.13: 15-16).

- M.W: Een vriend van Indra en de zoon van de wijze S'aradvat die zware boete deed waarop de jaloerse Indra derhalve een nymf stuurde om hem te verleiden, maar zonder succes; echter, van de wijze werd er een tweeling geboren uit een graspol, die werd gevonden door koning S'ântanu (zie 9.22: 16) en uit mededogen (of kripa) werd meegenomen naar huis en opgevoed; de dochter, Kripî, huwde Drona, en kreeg van hem een zoon genaamd As'vatthâma.

- M.W.: Als de raadgever van Hastinâpura ook wel soms Gautama en S'âradvata genaamd.

Krishna: (in het Sanskriet geschreven als Krsna met puntjes onder de r, de s en de n) de Al-aantrekkelijke Godheid. Koeherder, veldheer, vader, vriend, echtgenoot, minnaar, vedisch vorst. Vishnu-avatâra.

- Levensbeschrijving: Hij nam geboorte in de Yadu-dynastie uit Devakî met Vasudeva als Zijn vader. Dat vond volgens vele autoriteiten plaats in 3182 v. Chr. op de achtste dag in de donkere helft van de maand Bhâdra of S'râvana (Augustus-September). Hij werd geboren in de gevangenis waar zijn oom Kamsa zijn ouders had opgesloten na een voorspelling dat hun achtste zoon hem zou doden. Kamsa vervolgde Hem om die reden zodat er reeds in Zijn kindertijd door Hem vele demonen werden gedood toen Hij verborgen voor de vijand bij de koeherders opgroeide in eerst Gokula en later te Vraja bij Mathurâ waar Hij in het bos van Vrindâvana verbleef bij zijn pleegouders Nanda en Yas'odâ. Een dorp met die naam is nu nog Zijn pelgrimsoord en het centrum van de Krishna-bhakti in de wereld. Het jeugdvriendinnetje dat Hij naar verluid daar had (niet bij naam direct in het Bhâgavatam genoemd) staat bekend als Râdhâ of S'rîmate Râdhârânî en de liefde van die twee staat model voor de zuiverste man-vrouw liefde of persoonlijke liefde die er met God mogelijk is. De emotionaliteit in die relatie wordt rasa genoemd en biedt voor elkeen een ruim scala aan menselijke mogelijkheden om met Hem om te gaan geestelijk (zie ook jalpa). Zijn relatie met ook de andere koeherderinnetjes, de gopî 's , staat model voor de relatie van Hem met Zijn toegewijden in de vorm van de verschillende rasa's. Hij bestreed alle valse heersers op aarde en had als levensopdracht hun overlast weg te nemen. Naast Kamsa die Hij als eerste versloeg waren het later met name Jarâsandha en S'is'upâla en hun trawanten die Zijn aartsvijanden waren. Hij bevocht hen steeds samen met Zijn halfbroer Balarâma ookwel Râma genoemd, die door Vasudeva was verwekt in een andere vrouw van hem genaamd Rohinî. Balarâma geldt als Zijn eerste volledige deelaspect met dezelfde goddelijke status als Hij en als een incarnatie van Sankarshana. Voor Zijn missie, bouwde Hij een aparte stad in zee genaamd Dvârakâ en ontwikkelde Hij, getrouwd met Rukminî en de 16107 andere vrouwen die Hij voor het merendeel had bevrijd uit de handen van de schurken die Hij versloeg, een enorme familie van miljoenen leden, de Yadu's die echter, toen alle vijanden waren bestreden naar Zijn wilsbeschikking, tenslotte elkaar bestreden opdat ook zij geen overlast voor de aarde zouden vormen. Hij assisteerde zijn neef Arjuna als wagenmenner tijdens de grote slag bij Kurukshetra toen de ganse Kuru-dynastie ten onder ging als gevolg van het onrecht veroorzaakt door familiale gehechtheid en bevoordeling. Na die oorlog verdween Krishna naar Zijn hemelse verblijf als gevolg van een pijl in Zijn voet afgeschoten door een jager genaamd Jarâ kort na de slag bij Prabhâsa waar vrijwel al de Yadu's hun einde vonden. Zijn levensverhaal staat beschreven in het tiende Canto en Zijn leer zet Hij uiteen in met name het elfde Canto; de Bhagavad Gîtâ die Hij uitsprak voor zijn vriend en neef Arjuna op het slagveld vertoont een sterke overeenkomst met de yoga-leer zoals uitgelegd in het elfde Canto voor zijn neef Uddhava. Voor de eerste deed Hij dat om aan te sporen tot de strijd tegen het onrecht, voor de tweede deed Hij dat om duidelijk te maken hoe men op aarde moet leven met Hem lijfelijk afwezig.

Hij Wordt herkend als de purusha, de oorspronkelijke persoon van God waar Brahmâ, de Schepper uit voortkwam. Hij wordt gezien als de belangrijkste, meest volledige, de Allerhoogste Persoonlijkheid of nederdaling van God op aarde, reeds bij Zijn leven door Zijn eigen familie daartoe uitgeroepen vanwege Zijn grote heldendaden en gunstige invloed. Letterlijk betekent Zijn naam: duister, vanwege Zijn donkere blauw-grijze huid. Hij wordt o.a. Hrishîkesha genoemd als de Meester van de zintuigen; Bhagavân als de Fortuinlijke of Alvervulde; Mâdhava, als de telg van Madhu, de bloeiende en als onze Lieve Heer; Madhusûd ana, als degene die de demon Madhu versloeg; S'auri als de zoon van de machtige man, te weten Zijn vader Vasudeva, en als nazaat van een voorvader genaamd S'ûra; Acyuta als de onfeilbare; Jagannatha als de Heer van het universum, het levende wezen; S'yâmasundara als de schoonheid met de donkere huid; Kes'ava als de Heer die Kes'i versloeg of de Heer met de mooie haarlokken; Govinda en Gopala als de beschermer en behager van de koeien; Mukunda als de Heer der bevrijding, Murâri als de vijand van de demon Mura, Vâsudeva als de zoon van Vasudeva en Heer van het bewustzijn, Yogîs'vara als Heer van de Yoga; Yajña of Yajñes'vara als de Heer van het offer en Hari als de Hoogste persoonlijkheid, Heer. En zo zijn er nog veel meer namen van Hem bekend.

- Krishna-bewustzijn (natuurlijk bewustzijn) is die staat van bewustzijn die resulteert uit toegewijde dienst aan Heer Krishna.

- De naam van een held en leraar in de oude Vedische tijd voordat Hij bekend werd als de Vishnu-avatâra (zie b.v. S.B. 6.9: 44 & 45).

- De naam van een koning waarvan voorspeld werd dat hij zou regeren in Kali-yuga voor de Kuru-dynastie in verval dan (zie 12.1: 21).

 Krishna-bewustzijn: het kennen van Krishna of de omstandigheid dat men zich van Hem bewust is, Hem kent, op Hem mediteert, voor Hem arbeidt, Zijn roem verkondigt enz.

- Dat bewustzijn dat wordt bewerkstelligd door zich te houden aan de principes van de yoga  (vidhi's) en het zingen van de heilige namen (japa).

- Dat bewustzijn wat wordt beijverd en uitgedragen door ISKCON, de westerse tak van het vaishnavisme zoals gegrondvest door S'rîla Prabhupâda.

- Natuurbewustzijn. Het respecteren van Krishna als de Oorspronkelijke Persoon in zijn eerste manifestatie: het geheel van de materiële natuur (zie purusha en om-pûrnam).

- Bewustzijn van de ware tijd gevormd door het licht van de maan en de zon en de sterrenhemel. Krishna als de verpersoonlijking van de tijd en de orde van de hemelbewegingen (zie ook S'is'umâra, kâla en Vâsudeva).

Krishna-Caitanya: andere naam voor Heer Caitanya  Mahâprabhu (zie ook Gauranga).

Krishnadâsa Kavirâja Gosvâmî: schrijver van de Caitanya-caritâmrita over het leven en het onderricht van Heer S'rî Caitanya Mahâprabhu.

Krishnakarma: alles doen ter wille van Krishna.

Krishna-kathâ: gesprekken waarvan de Allerhoogste Godspersoon het onderwerp is.

Krishnaloka: Krishna's verblijfplaats. Goloka Vrindâvana of cintâmani-dhâma: de planeet of wereld waarin Krishna in alle eeuwigheid omgaat met Zijn zuivere toegewijden; het is de hoogste planeet, het hoogste doel van alle - zowel van de stoffelijke als van de geestelijke werelden.

Kripana: (vrek) iemand die niet wil investeren in zijn ontwikkeling, die niet tot bhakti komt; iemand die zijn talenten begraaft; iemand die zijn leven verdoet door niet naar zelfverwerkelijking te streven.

Krita: plichtsbetrachting; satya-yuga wordt ook wel krita-yuga genoemd omdat de mensen in de aanvang van de schepping natuurlijk zijn in het vervullen van hun plichten (zie ook S.B. 11.17: 10, S.B. 12.3: 18).

Kriyâ-yoga: de praktische methode van het cultiveren van de yoga; het zich verenigen, het zich verbinden met, de religie met de godheid, door het gewetensvol uitvoeren van de plichten van alle dag, de actieve toewijding (zie t antra, S.B. 12: 11).

Krodha: woede uit frustratie over tijdelijkheid. Keerzijde van het verlangen. Anartha.

Kshara: vergankelijk.

Kshattâ: naam van Vidura met betrekking op zijn geboorte uit een dienstmaagd (van een s'ûdra samen met een kshatriya).

Kshatriya: ridder, krijger, politicus, edelman, bestuurder. Eén van de varna's.

- Iemand die zich binnen het stelsel van de maatschappelijke klassen en geestelijke orden in de klasse van de bestuurders en beschermers bevindt (tweede lid) (zie varnâs'rama)

Kshetra (het veld): het lichaam als het veld van kennis, zowel de ziel als de Superziel is kshetra-jña, want de individuele ziel is zich bewust van haar eigen lichaam en de Superziel is zich bewust van de lichamen van alle levende wezens. (zie B G 13-2).

Kshîrodakas'âyî Vishnu: derde purusha-avatâra: de gedaante waarin Garbhodakas'âyî Vishnu binnengaat in het hart van ieder onderscheiden levend wezen, in de individualiteit van elk atoom en zelfs tussen de atomen in aanwezig is. Hij is Paramâtmâ, het lokale aspect van de alomtegenwoordige Superziel.

- De goddelijkheid van het behoud van de individuele gelokaliseerde ziel.

- Heer Aniruddha (zie ook S'vetadvîpa).

Kûrma: de Vishnu-avatâra in de vorm van een schildpad. Op Zijn rug werd de oceaan gekarnd met de slang Vâsuki (zie S.B. 8.7, en ook nâga).

Kûta-yogî's: baatzuchtige yogabeoefenaars.

Kubjâ: het gebochelde dienstmeisje, ookwel bekend als Trivakrâ ('drieknakje'), dat door Krishna recht werd getrokken in Mathurâ en Hem later intiem ontving (zie S.B. 10.41: 1-12 en 10.48).

Kulas'ekhara: een grote toegewijde koning en auteur van de Mukunda-mâlâ-stotra, gebeden tot Heer Krishna.

Kumâra's: vier ascetische zonen van Brahmâ die de kind-vorm behielden. Brahmâcârî's leidend tot de vier principes van kennis: sânkhya (analyse), tapas (verzaking, boete), vairaghya (onthechting) en yoga.

- Sanaka (heeft de leiding) Sanâtana, Sanandana en Sanat-kumâra (zie S.B. 3.12: 4-7 en 3.15).

Kumbhaka: onderdeel van de prânâyama waarbij de adem stil gezet wordt en vastgehouden. Fase tussen pûraka en recaka in (in en uit-ademen). Mag niet zonder âsana's worden beoefend (zie ook prâna, door Krishna besproken in S.B. 11.14: 32 en B.G. 4.29).

Kuntî: koningin, echtgenote van koning Pându , Arjuna's moeder ookwel bekend als tante Prithâ.

Kurarî: populaire vogel, een wijfjes-visarend.

Kurta: bovenkledingstuk, lang hemd. Standaardkleding van mannelijke toegewijden.

Kuru: de stichter van de dynastie waarin de Pândava's, zowel als hun aartsrivalen, de zoons van Dhritarâshthra, geboorte namen.

Kurukshetra: een bedevaartsplaats die sinds de oudste Vedische tijden als heilig wordt beschouwd; dicht bij het tegenwoordige New Delhi in India.

- Plaats waar de oorlog beschreven in het Mahâbhârata werd gehouden en Krishna zijn Gîtâ sprak.

-'Veld van Handelen'

Kuru's (Kaurava's): zoons van koning Dhritarâshthra, honderd in getal waarvan Duryodhana de meest bekende. Tegenstanders in de strijd van Kurukshetra met hun neven de Pândava's die eigenlijk ook Kuru's, afstammelingen van Kuru waren. (zie stamboom).

Kus'a: zegenrijk gras dat bij vedische rituelen gebruikt wordt. Lang en plat is het geschikt voor matten en zitplaatsen.

- Naam van een zoon van avatâra Râmacandra naar wie de op hem volgende dynastie de Kus'a-vams'a werd vernoemd (zie S.B. 9: 12).

Kushmânda's: type van demonische toegehorigen van heer S'iva die ziekte veroorzaken en de meditatie verstoren.

Kuvera: de schatbewaarder van de halfgoden.

 
  Doorzoek het Lexicon

 

Sanskriet Woordenboek

 

S'rîmad Bhâgavatam | Bhagavad Gîtâ | Zingende Filosoof
 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties