De
achtenswaardige brahmaan zei: 'Aangezien er zowel voor hen die
in de hemel verkeren als voor hen die in de hel zitten er het
zinnelijk geluk is o Koning, en omdat er voor alle belichaamde
wezens eveneens het ongeluk bestaat [van het logisch
tegendeel, de schaduw, de terugslag], behoort een
intelligent iemand niet een dergelijk geluk na te streven
[zie ook B.G. 16:
16].
De
achtenswaardige brahmaan zei: 'Aangezien de belichaamden in
de hemel en de hel voorzeker ook, o Koning, aan de zinnen
geluk zowel als ongeluk ontlenen, behoort degene die van
kennis is derhalve dat [zinservaren] niet te
verlangen [zie ook B.G. 16: 16].
(Vedabase)
Tekst
2
Zo afwachtend
als een python moet men eten wat bij toeval wordt verkregen, of
het nu veel of weinig, smakeloos of zuiver en zalig voedsel is
[7.13:
37-38].
Als
een python onbezorgd moet men eten wat bij toeval wordt
verkregen, of het nu veel of weinig is, smakeloos of zuiver,
zalig voedsel [7.13: 37-38].
(Vedabase)
Tekst
3
Voor vele dagen
vastend moet men zijn vrede bewaren en rustig afwachten als er
geen voedsel voor handen is, net als de python die eet wat de
voorzienigheid verschaft [7.15:
15].
Voor
vele dagen vastend moet men zich schikken als het voedsel in
het wachten op de gelegenheid niet verschijnt, net als de
python etend wat de voorzienigheid verschaft [7.15:
15]. (Vedabase)
Tekst
4
Als men zowel
geestelijk als fysiek sterk zijnde het lichaam in stand houdt
zonder veel moeite te doen, blijft men vredig en heeft men geen
last van slaperigheid. Ook al is men overal toe in staat, toch
moet men [in dat geval] niets
ondernemen.
Sterk,
met geest en zinnen goed bijeen, het lichaam dragend zonder
voor de baat te handelen, blijft men vredig vrij van
slaperigheid; men moet niet van dat [karmisch]
herhalen zijn, ookal heeft men de zinnen volledig ter
beschikking.
(Vedabase)
Tekst
5
Een wijze die
aangenaam is, vol van ernst, ondoorgrondelijk, onbegrensd en
niet is te overwinnen [in zijn weten], is zeer zeker
nimmer verstoord, net als de kalme wateren van de oceaan
[zie ook B.G. 12:
15].
Een
wijze aangenaam vol ernst, ondoorgrondelijk, onbegrensd en
niet te overwinnen [in zijn weten] is zeer zeker
nimmer verstoord als de kalme wateren van de oceaan [zie
ook B.G. 12: 15].
(Vedabase)
Tekst
6
Berooid dan wel
florerend met het verlangde, neemt een wijze, met
Nârâyana als de Allerhoogste, net zoals de oceaan
met de rivieren, niet toe noch neemt hij af [B.G.
2:
70].
Berooid
danwel florerend met het verlangde, neemt een wijze, met
Nârâyana als de Allerhoogste, als de oceaan met
de rivieren [die dan weer vol zijn, dan weer
opgedroogd] niet toe noch neemt hij af [B.G.
2.70]. (Vedabase)
Tekst
7
Bij het zien
van een vrouw komt degene die zijn zinnen niet de baas is, in
de ban rakend van die verleidelijke, bedrieglijke energie van
God, blind ten val in de duisternis, precies zoals een mot in
het vuur beland.
Bij
het zien van een vrouw komt degene die niet zijn zinnen
overwon, bekoord door die verleidelijke, bedrieglijke
energie van God, blind ten val in de duisternis, precies
zoals een mot in het vuur geraakt.
(Vedabase)
Tekst
8
Met het zien
van de kleding, gouden sieraden enzovoorts van de vrouwen zoals
dat is beschikt door mâyâ, zal een persoon
zonder onderscheidingsvermogen met zijn hang naar
zinsbevrediging zich geprikkeld voelen door lustige verlangens
en zonder twijfel, zoals een mot zijn vernietiging vindt, zijn
geestelijke orde teloor zien gaan [B.G.
2:
62-63].
Met
het zien van de kleding, gouden sierraden enzovoorts van de
vrouwen zoals dat is beschikt door mâyâ, zal een
persoon zonder onderscheid geprikkeld door lustige
verlangens met de hang naar zinsbevrediging, zonder twijfel,
op de manier waarop een mot vernietigd wordt, zijn verstand
geruïneerd zien [B.G. 2.62-63].
(Vedabase)
Tekst
9
Met het
nuttigen van kleine beetjes voedsel, afdoende om het lichaam in
leven te houden, behoort men wijs de [sociale]
zekerheid [in geweldloosheid] met de huishouders te
beoefenen en aldus van de bezigheid van een honingbij te zijn
[5.5:
3,
7.2:
11-13,
7.12:
6.
7.14:
5,
7.15:
15 en B.G.
4:
21].
Met
het nuttigen van kleine beetjes voedsel genoeg om het
lichaam in leven te houden, behoort men wijs de
[sociale] zekerheid [geweldloosheid] met de
huishouders te beoefenen en aldus van de bezigheid van een
honingbij te zijn. [5.5: 3, 7.2: 11-13, 7.12: 6. 7.14:
5, 7.15: 15 en B.G. 4: 21].
(Vedabase)
Tekst
10
Een intelligent
mens moet aan de kleinste alsook aan de grootste religieuze
geschriften de essentie ontlenen, precies zoals een honingbij
dat doet met al de grote en kleine bloemen
[11.7:
23, B.G.
15:
15].
Een
man die intelligent is moet aan de kleinste als ook de
grootste religieuze geschriften de essentie ontlenen,
precies zoals een honingbij dat doet met al de bloemen groot
en klein [11.7: 23, B.G. 15:
15].
(Vedabase)
Tekst
11
Niet als de bij
een verzamelaar wezend, behoort men met de buik als zijn
bergplaats en de hand als zijn bord voedsel te aanvaarden dat
werd geschonken in liefdadigheid en het niet te bewaren voor de
nacht of de dag erna.
Niet
als de bij een verzamelaar wezend, behoort men met de buik
als zijn bergplaats en de hand als zijn bord voedsel te
aanvaarden geschonken in liefdadigheid en het niet te
bewaren voor de nacht of de dag erna.
(Vedabase)
Tekst
12
Een bedelmonnik
moet geen voorraad aanleggen voor 's avonds of de volgende dag
omdat hij anders als een honingbij die steeds meer verzameld
teloor zal gaan.
Een
bedelmonnik behoort noch wat voor de nacht is bedoeld noch
wat is bedoeld voor morgen te aanvaarden, daar zoals dat
gaat met het verzamelen van een honingbij die verzameling te
loor gaat. (Vedabase)
Tekst
13
Een bedelmonnik
behoort een meisje niet aan te raken, zelfs niet een van hout
of met zijn voet, omdat hij anders, zoals een olifant wordt
gevangen door een wijfjesolifant, door het lichamelijke contact
in de greep van de materie komt.
Een
bedelmonnik behoort een meisje niet aan te raken, zelfs niet
een van hout of met zijn voet, daar men door het
lichamelijke contact in de greep raakt zoals een olifant
wordt gevangen met een wijfjesolifant.
(Vedabase)
Tekst
14
Om de dood niet
te vinden moet een man van wijsheid nimmer achter een vrouw
aanzitten, omdat hij anders ten onder zal gaan zoals een
olifant verslagen wordt door anderen die sterker zijn dan hij.
Een
man van wijsheid behoort - de dood voor hemzelf - nimmer een
vrouw na te jagen, daar hij als een olifant [in de
wedijver] de vernietiging zal vinden door anderen hem
overtreffend in kracht. (Vedabase)
Tekst
15
Rijkdom die met
grote moeite werd vergaard door een hebberige persoon wordt
door zo iemand niet genoten noch weggegeven aan anderen; die
rijkdom wordt eerder door iemand anders genoten die er
toevallig tegenop loopt en het zich toeëigent zoals men de
honing wegsteelt uit een bijenkorf [zie
5.13:
10].
Hij
die voor zichzelf geniet en niet uitdeelt wat met grote
moeite werd vergaard, zal daarentegen zien dat ook anderen
begeertig dat genieten zullen, precies zoals het gaat met de
honing die degene wordt ontstolen die de overvloed ervan
waardeert [de bij, zie ook 5.13: 10].
(Vedabase)
Tekst
16
Zoals een
honingdief vooropgaat in het genieten van de honing die met
moeite werd verzameld, gaat ook de asceet voorop in het
genieten van de fel begeerde zegening van de welvaart die met
veel problemen werd verworven door huishouders [zie b.v.
1.19:
39 en
7.14:
17].
Gelijk
de honingdief is de asceet nog meer dan anderen, er zeker
van, van hen die zweren bij een huishoudelijk bestaan, de
zegeningen te genieten van fervent verlangde huishoudelijke
rijkdommen verworven met heel veel problemen [zie b.v.
1.19: 39 en 7.14: 17]. (Vedabase)
Tekst
17
Een toegewijde
die in het bos leeft moet nooit luisteren naar wereldse liedjes
en muziek; dat moet men inzien naar het voorbeeld van het hert
dat gevangen werd nadat het verbijsterd raakte door de lokroep
van de jager [zie de
bhajans].
Een
toegewijde rondbewegend in het bos moet zijn oren nooit
laten hangen naar wereldse liedjes; men moet het leren van
het hert dat gevangen werd verbijsterd door het jagerslied
[zie de bhajans]. (Vedabase)
Tekst
18
Plezier
belevend aan ordinair dansen, muzikaal vermaak en dergelijke
liederen, kwam Rishyas'ringa, de zoon van Mrigî, ten val
toen hij als een troeteldier helemaal in de ban raakte van de
vrouwen [zie *,
5.8
en 5.25:
11].
Plezier
belevend aan ordinair dansen, muzikaal vermaak en dergelijke
liederen, viel Rishyas'ringa, de zoon van Mrigî, als
een troeteldier geheel beheerst ten prooi aan de vrouwen
[zie *, 5.8 en 5.25:
11].
(Vedabase)
Tekst
19
Zoals een vis
met zijn verstand op nul aangetrokken door de smaak aan de haak
geslagen wordt en de dood vindt, kan ook een persoon, verstoord
door wat de tong hem influistert, tegen beter weten in zijn
leven vergooien.
Gelijk
een vis die, verstand op nul en aangetrokken tot de smaak
inderdaad, bij de haken reikt tot zijn dood, is van een
persoon o zo gemakkelijk, verstoord geraakt door de tong,
het verstand buiten spel gezet.
(Vedabase)
Tekst
20
De geschoolden
die zich inperken beteugelen snel de materiële zinnen,
maar dat geldt niet voor de tong, want daarvan neemt de smaak
voor voedsel toe met het vasten [zie het
prasâdam-gebed].
De
geschoolden in verzaking overwinnen snel de materiële
zinnen, met uitzondering echter van de tong, waarvoor de
smaak groeit met het vasten [zie het
prasâdam-gebed]. (Vedabase)
Tekst
21
Zolang de tong
niet is verslagen kan een mens, ook al heeft hij alle andere
zinnen verslagen, niet zeggen dat hij zichzelf meester is; maar
heeft hij eenmaal zijn tong in bedwang, dan is hij alles de
baas [zie ook 8:
16 en B.G.
2:
59].
Zolang
de tong niet is verslagen kan van een menselijk wezen, die
al de andere zinnen heeft verslagen, nog steeds niet gezegd
dat hij het won; maar eenmaal de tong verslagen hebbend,
overwon hij alles [zie ook 8: 16 en B.G. 2: 59].
(Vedabase)
Tekst
22
In de stad
Videha leefde vroeger een prostituee genaamd Pingalâ.
Verneem nu van mij o zoon van koningen, wat ik van haar heb
geleerd.
Lang
geleden, was er eens in de stad Videha een prostituee
genaamd Pingalâ, verneem nu van mij o zoon der
Koningen, over dat wat ik van haar zo
leerde.
(Vedabase)
Tekst
23
Zij als een
dame van plezier stond op een avond, om een klant haar huis in
te krijgen, buiten in de deuropening om haar mooie figuur te
laten zien.
Zij
als een dame van plezier stond op een avond, teneinde een
klant haar huis in te krijgen, buiten in de deuropening haar
mooie vorm ten toon te spreiden.
(Vedabase)
Tekst
24
O beste onder
de mannen, uit op geld bezag ze de mannen die ze voorbij zag
komen op straat als klanten die bereid zouden zijn de prijs te
betalen.
De
mannen met geld die ze in de straat langs zag komen, o beste
der mannen, beschouwde zij, uit op het geld, als haar
minnaars die de prijs moesten betalen.
(Vedabase)
Tekst
25-26
Met hun komen
en gaan dacht ze, aldus levend van het verkopen van haar
liefde: 'Misschien zal een of andere vent die genoeg op zak
heeft me voor de liefde benaderen en me een bom duiten
bezorgen.' Aldus vol van ijdele hoop niet slapend en in de
deuropening leunend, de straat op en neer lopend en weer
terugkerend naar haar huis, werd het
middernacht.
Met
hun komen en gaan dacht ze, levend van het verkopen van haar
liefde: 'Misschien zal een andere met genoeg op zak me voor
de liefde benaderen en me er veel van bezorgen'; aldus met
valse hoop verstoord in haar nachtrust in de deuropening
leunend, de straat op en neer lopend en weer terugkerend
naar haar huis, werd het middernacht.
(Vedabase)
Tekst
27
Terneergeslagen
liet ze in haar verlangen naar geld haar gezicht hangen en
ontwaakte in haar zorgelijkheid toen een allerverhevenste
onthechting welke haar het geluk bracht.
Met
haar gezicht hangend terneergeslagen in haar verlangen naar
geld, ontwaakte in haar zorgelijkheid een allerverhevenste
onthechting welke haar het geluk bracht.
(Vedabase)
Tekst
28
Onthechting
werkt als een zwaard dat snijdt door het verstikkende netwerk
van hoop en verlangens. Luister alstublieft naar het lied dat
ze zong na deze omslag in haar denken.
Onthechting
is zo zeker als een zwaard voor het verstikkende netwerk van
hoop en verlangens; luister alstublieft naar het lied dat er
was van haar wiens geest zich was begonnen te verzetten.
(Vedabase)
Tekst
29
Beste Koning,
duidelijk is dat hij die zich niet van de wereld weet af te
keren nimmer dat wat hem lichamelijk bindt wil loslaten, net zo
min als een mens verstoken van wijsheid het idee van bezit op
wil geven.
Mijn
beste, voorzeker zal hij die geen onthechting ontwikkelde
nimmer de gebondenheid van het materiële lichaam willen
opgeven, precies zoals een menselijk wezen verstoken van
wijsheid zijn idee van eigenaarschap niet op zal geven, o
Koning. (Vedabase)
Tekst
30
Pingalâ
zei: 'Zie toch eens hoe fout ik zit! Ik lijk wel gek met wat ik
me voorstel in mijn wellust met een nepminnaar.
Pingalâ
zei: 'Zie hoezeer, met een geest niet in de hand, ik in
staat van illusie verkeer die zo dwaas is in de jacht
wellustig te zijn met een slechte minnaar.
(Vedabase)
Tekst
31
Met het hebben
afgezien van het genoegen dat van Hem is, Hij het Liefst en
Meest Nabij, was ik, deze onnozele ziel, zo hoogst onbeduidend
van een dienstbaarheid die, nimmer de begeerte temperend,
ellende, angst, leed, treurnis en illusie
veroorzaakt.
Met
het opgeven van het genoegen van Hem, Hij het Liefst en
Meest Nabij, was ik, deze onnozele ziel, zo hoogst
onbeduidend van een dienstbaarheid die, nimmer de begeerte
temperend, misère geeft, angst, leed, treurnis en
illusie. (Vedabase)
Tekst
32
O hoe nutteloos
heb ik, met het onderwerpen van mijn ziel aan de marteling,
bezig zijnd als een publieke vrouw - het laakbaarste beroep van
alle - in mijn verlangen met mijn lichaam seksueel te genieten
en daar geld mee te verdienen, mij verkocht aan versierders
die, belust op mij, zelf beklagenswaardig zijn.
O
hoe nutteloos mijn ziel onderwerpend aan de marteling heb
ik, bezig als een publieke vrouw - het meest berispelijke
beroep van alle - met mijn lichaam geld en sexplezier
verlangend, mij verkocht aan versierders die, belust op mij,
zelf beklagenswaardig zijn. (Vedabase)
Tekst
33
Welke andere
vrouw zou zich zo wijden aan dit huis met de negen deuren dat,
opgetrokken met de beenderen van een ruggengraat, de ribben, de
handen en de benen, en bedekt met een huid, met haar en nagels,
vol ontlasting zit en urine lekt [vergelijk B.G.
5:
13 en
4.25-28]?
Welke
andere vrouw behalve ik zou zich wijden aan dit huis met
negen deuren dat, gebouwd met de beenderen van een
ruggengraat, de ribben, de handen en de benen, en bedekt met
een huid, met haar en nagels, vol van ontlasting urine lekt
[vergelijk B.G. 5:13 en 4.25-28]?
(Vedabase)
Tekst
34
Van al de
bewoners van Videha ben ik degene die werkelijk aan
verstandsverbijstering lijdt, ik ben immers de persoon die zeer
onkuis zinsgenot verlangt met een andere man dan Hij die ons de
Ziel geeft, Acyuta..
Van
de bewoners van Videha ben ik degene met een werkelijk
verdwaasd verstand, daar ik degene ben die zeer onkuis
zinsgenot verlangt met een andere man dan Hij die Ons de
Ziel Geeft, Acyuta. (Vedabase)
Tekst
35
Door de prijs
te betalen van het geven van mezelf aan Hem, de weldoener die
absoluut het meest geliefd is, de Heer en Ziel van iedereen die
leeft met een lichaam, kan ik erop rekenen te zullen genieten
als Ramâ.
De
weldoener die absoluut de meest geliefde is, de Heer en Ziel
die Hij van allen is die leven met een lichaam; door de
prijs te betalen van het geven van mezelf aan Hem, zal ik
voorzeker genieten als Ramâ.
(Vedabase)
Tekst
36
Hoeveel
feitelijk geluk hebben het zingenot en de mannen die mijn
zinnen streelden mij nu verschaft? Het voor ogen hebben van een
vrouw of [zelfs] de goden heeft allemaal, verdeeld over
de tijd, zijn begin en einde.
Hoe
veel feitelijk geluk heeft het zingenot en hebben die mannen
die mijn zinnen streelden mij verschaft; om een vrouw te
hebben en [zelfs] goden heeft allemaal, in de tijd
verdeeld, zijn aanvang en zijn eind.
(Vedabase)
Tekst
37
Mijn persoon zo
wanhopig moet daarom de Allerhoogste Heer Vishnu die het geluk
brengt dat ik nu ervaar, op de een of andere manier hebben
behaagd met het afzien van mijn zinsbevrediging!
Deze
hier zo wanhopig moet de Allerhoogste Heer Vishnu die het
geluk brengt dat zich in mij opwerpt, daarom hebben behaagd
met de een of andere handeling van afzien van de
zinsbevrediging! (Vedabase)
Tekst
38
Een vrouw die
het werkelijk slecht getroffen heeft zou niet met dergelijke
hindernissen op het pad der zelfverwerkelijking te maken
krijgen, want die vormen er de oorzaak van dat een persoon de
gebondenheid van zich afschud en de [ware] vrede vindt.
Met
een vrouw die werkelijk onfortuinlijk is zouden die vormen
van ellende zich niet voordoen, die oorzaken van onthechting
waarvan een persoon die de gebondenheid van zich afschud de
[ware] vrede verwerft. (Vedabase)
Tekst
39
Nu ik ermee
ophou valse hoop te koesteren in samenhang met de seksuele
omgang, zoek ik, met het op mijn hoofd aanvaarden van de grote
hulp die Hij biedt, mijn toevlucht bij Hem, de Oorspronkelijke
Beheerser.
Met
het opgeven van de valse hoop in samenhang met de sexuele
omgang kom ik nu, met het op mijn hoofd aanvaarden van de
grote hulp geboden door Hem, voor mijn toevlucht tot Hem, de
Oorspronkelijke Beheerser. (Vedabase)
Tekst
40
Tevreden in de
volle overtuiging dat ik het aldus zal redden ongeacht wat ik
op mijn pad vindt, zal ik erin slagen het leven op prijs te
stellen met enkel de Ene, het Zelf van de Liefde en het Geluk
dat vrij is van twijfel.
Tevreden
in de volle overtuiging daarmee levend met wat ik ook op
mijn weg vindt, zal ik met alleen die Ene het leven
genieten, het Zelf van de Liefde en het Geluk zonder
twijfel. (Vedabase)
Tekst
41
Als men zoals
ik in het behagen van zijn zinnen, verstoken is van inzicht en
beland is in de diepe put van de materiële oceaan, is er
toch niemand anders dan de Oorspronkelijke Beheerser ertoe in
staat om het levende wezen te verlossen dat in de greep
verkeert van het serpent van de tijd [zie ook
10.34]?
Wie
anders dan de Oorspronkelijke Beheerser zou, met mijn in het
behagen van de zinnen beroofd van de visie beland zijn in de
diepe put van de materiële oceaan, er toe in staat zijn
het levende wezen te verlossen dat in de greep verkeert van
het serpent van de tijd [zie ook 10.34]?
(Vedabase)
Tekst
42
Op het moment
dat het zelf aldus het universum kan aanschouwen als verkerend
in de greep van de slang der tijd, wordt hij, oplettend
onthecht van al de materie, voorzeker zijn eigen beschermer.'
Op
het moment dat het zelf aldus het universum kan aanschouwen
als verkerend in de greep van de slang der tijd, wordt hij,
oplettend onthecht van al de materie, voorzeker zijn eigen
beschermer.'
(Vedabase)
Tekst
43
De
achtenswaardige brahmaan zei: 'Aldus ertoe besloten een einde
te maken aan de wanhoop die teweeg gebracht wordt door het
begeren van minnaars, zat ze neer op haar bed met de innerlijke
vrede die ze gevonden had.
De
achtenswaardige brahmaan zei: 'Aldus ertoe besloten een
einde te maken aan de wanhoop veroorzaakt door het begeren
van minnaars, zat ze neer op haar bed met het gevonden
hebben van de innerlijke vrede.
(Vedabase)
Tekst
44
Met het inzicht
dat het grootste ongeluk eruit bestaat dat men steeds verlangt
en dat het vrij zijn van verlangens het tegendeel inhoudt,
sliep Pingalâ gelukkig nu ze het smachten naar minnaars
van zich af had geschud.'
Het
grootste ongeluk voorzeker het verlangen naar, en het
grootste geluk het niet verwachten; op die manier het
smachten naar minnaars afgeschud hebbend, sliep
Pingalâ gelukkig.' (Vedabase)
*:
Rishyas'ringa, dat 'hoorn van een hert' betekent naar het hert
dat muzikaal is aangetrokken, was de jonge zoon van de wijze
Mrigî, met opzet door zijn vader grootgebracht in een
atmosfeer van complete onschuld. Mrigî Rishi dacht dat
als hij zijn zoon nooit blootstelde aan de aanblik van vrouwen
hij altijd en eeuwig een volmaakte
brahmacârî zou blijven. Maar per toeval
ontvingen de bewoners van het naburige koninkrijk, die te
lijden hadden onder een langdurige droogte, het advies van
boven dat de regen alleen maar naar hun koninkrijk zou
terugkeren nadat de brahmaan genaamd Rishyas'ringa er zijn voet
in gezet had. Om die reden zonden ze prachtige vrouwen naar de
hermitage van Mrigî om Rishyas'ringa te verleiden en hem
met zich mee te voeren. Daar Rishyas'ringa nog nooit van
vrouwen had gehoord, liep hij zonder problemen in hun val
[geciteerd van pp 11.8:
18].