regelbalk


 

 

Canto 11

Guru Puja

 

 

Hoofdstuk 10: De Ziel Vrij, de Ziel Gebonden

(1) De Allerhoogste Heer zei: 'Een ziel vrij van verlangen die Mijn toevlucht aanvaardt, moet met het verantwoordelijkheid dragen voor de persoonlijke plichten aan God waar Ik over sprak [zie ook in b.v. 10.60: 52 en B.G. 3: 35], het varnâs'rama-systeem van de samenleving praktiseren [B.G. 4: 13]. (2) Een gezuiverde ziel moet inzien hoe van de belichaamden die op zichzelf gericht het sensuele voor het ware houden, alle pogingen gedoemd zijn te mislukken [zie ook B.G. 13: 32]. (3) Wat de mediteerder ziet in het bereik van de slaap of in zijn fantasie heeft evenzo weinig te betekenen als het uiteenlopend van aard is. Zo ook maakt men niet echt gebruik van zijn intelligentie als men zich richt op het door de geaardheden afgezonderde zelf [B.G. 2: 41 & 9: 15]. (4) Mij toegedaan moet men de arbeid verrichten die nodig is voor de onthechting [nivritti] en het handelen in gehechtheid opgeven [pravritti]. Als men goed bezig is op zoek naar de spirituele waarheid hoort men geen acht te slaan op de voorschriften voor de baatzuchtige arbeid [zie 7.15: 47]. (5) Hij die van toewijding is moet steeds de basisregels in acht nemen [de geboden, de vidhi] en de nevengeschikte regels als de tijd er rijp voor is [de niyama]. Ook moet hij de vredelievende goeroe van dienst zijn die, bekend met Mijn gedaante, niet van Mij verschilt [zie ook 7.14: 41-42]. (6) Wees met nederigheid, jezelf niet als de doener ziend, arbeidzaam, vrij van bezitsdrang, gevestigd in vriendschap, zonder haast, belangstellend in het navraag doen en vrij van wrok en loze praat. (7) Zich neutraal opstellend wat betreft de echtgenote, de kinderen, de woning, het land, het eigen volk en het banksaldo en dergelijke, moet men z'n eigenbelang herkennen in dat van een ieder [zie B.G. 5: 18].

(8) De ziel is de zelfverlichte ziener die verschilt van het grofstoffelijke en subtiele lichaam, precies zoals het vuur dat licht geeft met zijn branden verschilt van het brandhout [zie ook B.G. 2: 16-24]. (9) Sluimerend vanbinnen [in het hout] neemt het vuur [na ontbranding] de verschillende kwaliteiten aan van groot of onbeduidend etc. Op dezelfde manier neemt de geestelijke ziel de kwaliteiten aan die bij het lichaam horen [zie ook 3.24: 6, 4.9: 7, 10.37: 10-11, 10.46: 36]. (10) Dat wat, met dit lichaam dat werd gevormd door de geaardheden, is gebonden aan de samsâra zee van materie die tot de Oorspronkelijke Persoon behoort [zie B.G. 8: 4], is wat men het levende wezen noemt waarvan de banden der gehechtheid worden verbroken door de kennis van de Ziel. (11) Daarom moet men, door het cultiveren van de kennis van de Ziel als zich bevindend in het eigen zelf [2.2 en B.G. 9: 5], zuiver in zijn toenadering met de realisatie van het Allerhoogste, geleidelijk aan dit begrip van de materiële kwestie opgeven [als zijnde een losstaande werkelijkheid]. (12) De âcârya kan men beschouwen als het onderliggende houtje voor het aanmaken van vuur, de discipel als het bovenste houtje en de instructies als de draaistok er tussenin, terwijl de kennis er is als het vuur dat geluk brengt [vergelijk 9.14: 44-46]. (13) Deze zuiverste intelligentie die wordt overgedragen door degenen met ervaring [de âcârya's], stoot de illusie af die stamt van de guna's en wordt, met het volledig opbranden van wat door de geaardheden in het leven werd geroepen, zelf tot vrede gebracht zoals een vuur tot rust komt dat zonder brandstof komt te zitten [zie ook 11.3: 12].

(14-16) Als je met dit in gedachten denkt aan de verschillende manieren waarop mensen hun brood verdienen, als je denkt aan al die genieters van geluk en ongeluk; als je dan denkt aan het onophoudelijk voortbestaan van de materiële wereld, de tijd, de geopenbaarde geschriften en de ziel; als je bedenkt dat alle kennis aan verandering onderhevig is omdat die zich baseert op het verschil dat al de bestaansvormen en de veranderingen van de zinsobjecten maken; dan [zo zal je enkel vanuit die materiële visie al moeten toegeven *], o Uddhava, heb je toch steeds de bestaanstoestanden van het geboren zijn [de ouderdom, de ziekte] enzovoorts. Iedere belichaamde heeft nu eenmaal een lichaam [dat zijn orde vond] dankzij de verschillende geledingen van de tijd [te weten de indelingen naar de zon en maan, zie 3.11]. (17) Van degene die handelt en als de genieter daarin bovendien van vruchtdragende handelingen is, openbaart zich duidelijk het gebrek aan onafhankelijkheid en kan men het geluk en ongeluk waarnemen; welke waarde kan men eraan ontlenen om niet [werkelijk terwille van het duurzaam geluk, zie B.G. 9: 3 en 11.9: 1] de zaak in de hand te hebben? (18) Onder de belichaamden zijn de verdwaasden soms ongelukkig en evenzo zijn zelfs de intelligenten niet altijd gelukkig. Altijd gelukkig willen zijn is een zinloos streven en iets heel egoïstisch [zie ook B.G. 2: 15 en 11.9: 4]. (19) En zelfs als ze erin slagen het geluk te bereiken en leed te vermijden, hebben ze nog steeds geen weet van het verenigen van het bewustzijn [het yogaproces] waarmee de dood zijn macht niet kan doen gelden [vergelijk B.G. 10: 34]. (20) Welke garantie gelukkig te zijn kan een materieel voorwerp, of de lust, de persoon nu bieden? Met de nimmer aangename dood voor ogen, is hij [met de materie] als een veroordeelde die naar zijn plaats van terechtstelling wordt geleid. (21) Zowel dat wat we van horen zeggen kennen [de hemel] als wat ons uit eigen ervaring bekend is [de aarde] wordt verpest door de rivaliteit, het fout-vinden, het afglijden en het verval. Net zoals met landbouwen vele obstakels een bevredigend resultaat in de weg staan is ook het streven naar volkomen materieel geluk zinloos [zie ook 11.3: 20]. (22) Als men in zijn rechtschapenheid geen last heeft van hindernissen en men weet uit te blinken in de praktijk, zal zelfs de status die men zo verwierf niet eeuwig standhouden. Luister alsjeblieft daarom naar het volgende [zie ook B.G. 2: 14].

(23) Met het alhier aanbeden hebben van de goden met offerplechtigheden gaat de offeraar naar de hemelse werelden alwaar hij als een god mag genieten van de hemelse genoegens die hij verwierf [zie B.G. 3: 11 en 4: 12]. (24) Als gevolg van zijn opgebouwde verdienste straalt hij in de tempel [de 'vimâna'] en wordt hij, omringd door bevallig geklede godinnen, onderweg [bij het achter zich laten van deze aarde] door de zangers van de hemel verheerlijkt met gezangen. (25) Terwijl het hem met de vrouwen van de hemel goed vergaat zoals hij wilde wordt hij indachtig die notie van orde omlijst door belgeklingel. In staat van verrukking denkt hij dan niet meer aan zijn neergang [op aarde] als hij zich comfortabel ontspant in de lusthoven van de godsbewusten [zie b.v. 7.15: 69-73]. (26) Hij, die net zolang de hemelen geniet tot zijn vrome tegoed verbruikt is en zijn geloof is uitgeput, valt vervolgens tegen zijn wil neer uit de hemel, daar hij zich van de tijd afkeerde [en er dus niet stabiel mee was, vergelijk B.G. 9: 20-22]. (27-29) Als hij als gevolg van zijn materiële betrokkenheid bezig is met handelingen die tegen het dharma indruisen of als hij, omdat hij zijn zinnen niet de baas is, wellustig leeft als een ellendige, begeertige rokkenjager, van geweld is jegens andere levende wezens, dieren doodt tegen de regels en van aanbidding is voor reeksen van geesten en spoken [vergelijk 7.12: 12], zal een menselijk wezen, na te zijn heengegaan, daaropvolgend hulpeloos belanden in de diepste duisternis van de helse werelden. Hij zal vanwege zijn daden opnieuw een materieel lichaam aannemen om handelingen te verrichten die hem in de toekomst [opnieuw] veel ongeluk zullen bezorgen. Welk geluk vindt men nu in het zweren bij activiteiten die steeds weer tot de dood leiden [zie ook 5.26: 37 en B.G. 16: 19-21]? (30) In al de werelden en onder al hun leiders is er angst voor Mij; de individuele zielen die een kalpa lang leven vrezen Mij en zelfs de allerhoogste, Brahmâ die voor de duur van twee parârdha's leeft, vreest Mij [zie ook 1.13: 17-20, 3.8: 20, 3.11: 33, 3.25: 42, 3.26: 16, 3.29: 37, 3.29: 40-45, 5.24: 15, 5.24: 28]. (31) De materiële zinnen geprikkeld door de geaardheden der natuur zetten aan tot handelingen en de individuele ziel, jîva, die geheel opgaat in de activiteit van de materieel georiënteerde zinnen en de guna's, ondergaat er de verschillende karmische gevolgen van [zie ook 3.32 en B.G. 3: 27]. (32) Zolang er het afzonderlijke bestaan van de natuurlijke geaardheden is zullen er de verschillende bestaanstoestanden van de [belichaamde] ziel zijn, en zolang er de verschillende bestaanstoestanden van de ziel zijn, zal er voorzeker dus [de karmische] afhankelijkheid zijn [zie ook B.G. 17: 2]. (33) Zolang men niet vrij is van de afhankelijkheid zal er de vrees voor de Beheerser zijn [de Tijd]. Zij die zich hieraan [aan deze afhankelijkheid] wijden zullen, verstandsverbijsterd, altijd vol van verdriet zijn. (34) Met de beroering die er door de geaardheden is, noemt men Mij aldus verschillend de Tijd, het Zelf, de Vedische Kennis, de Wereld, de Natuur, alsmede het Dharma.'

(35) S'rî Uddhava zei: 'Hoewel de belichaamde aanwezig is temidden van de geaardheden der natuur, hoeft hij nog niet vast te zitten aan wat zich opdringt vanuit het lichaam [het geluk en het leed]. Oftewel, hoe kan het gebeuren dat men als een vrije ziel door de geaardheden gebonden raakt, o Almachtige? (36-37) Waar staat hij, hoe geniet hij, of waaraan kan men hem herkennen? Wat zou hij eten of hoe zou hij zich ontlasten, neerliggen of zitten [vergelijk B.G. 14: 21]? Legt U alstUblieft uit wat ik U vraag, o Onfeilbare, o Beste van Allen die in Staat zijn Vragen te Beantwoorden. Dit tegelijkertijd eeuwig gebonden en eeuwig bevrijd zijn is iets dat me in de war brengt.'

 

 next                    

 
 

 

Tweede editie, geladen 12 april 2009  

 

 

 

 

Voorgaande Aadhar-editie en Vedabase links:

 

Tekst 1

De Allerhoogste Heer zei: 'Een ziel vrij van verlangen die Mijn toevlucht aanvaardt, moet met het verantwoordelijkheid dragen voor de persoonlijke plichten aan God waar Ik over sprak [zie ook in b.v. 10.60: 52 en B.G. 3: 35], het varnâs'rama-systeem van de samenleving praktiseren [B.G. 4: 13].

De Allerhoogste Heer zei: 'Een ziel vrij van verlangen die Mijn toevlucht aanvaardt, moet met het verantwoordelijkheid dragen voor de persoonlijke plichten aan God waar Ik over sprak [zie ook in b.v. 10.60: 52 en B.G. 3: 35], het varnâs'rama-systeem van de samenleving praktiseren [B.G. 4: 13]. (Vedabase)

 

Tekst 2

Een gezuiverde ziel moet inzien hoe van de belichaamden die op zichzelf gericht het sensuele voor het ware houden, alle pogingen gedoemd zijn te mislukken [zie ook B.G. 13: 32].

Een gezuiverde ziel moet inzien hoe van de belichaamden die op zichzelf gericht het sensuele voor het ware houden, alle pogingen gedoemd zijn te mislukken [zie ook B.G. 13: 32]. (Vedabase)

 

Tekst 3

Wat de mediteerder ziet in het bereik van de slaap of in zijn fantasie heeft evenzo weinig te betekenen als het uiteenlopend van aard is. Zo ook maakt men niet echt gebruik van zijn intelligentie als men zich richt op het door de geaardheden afgezonderde zelf [B.G. 2: 41 & 9: 15].

Wat de mediteerder ziet in het bereik van de slaap of in zijn fantasie heeft evenzo weinig te betekenen als het uiteenlopend van aard is. Zo ook maakt men niet echt gebruik van zijn intelligentie als men zich richt op het door de geaardheden afgezonderde zelf [B.G. 2: 41 & 9: 15]. (Vedabase)

 

Tekst 4

Mij toegedaan moet men de arbeid verrichten die nodig is voor de onthechting [nivritti] en het handelen in gehechtheid opgeven [pravritti]. Als men goed bezig is op zoek naar de spirituele waarheid hoort men geen acht te slaan op de voorschriften voor de baatzuchtige arbeid [zie 7.15: 47].

Mij toegedaan moet men de arbeid verrichten die nodig is voor de onthechting [nivritti] en het handelen in gehechtheid opgeven [pravritti]. Als men goed bezig is op zoek naar de spirituele waarheid hoort men geen acht te slaan op de voorschriften voor de baatzuchtige arbeid [zie 7.15: 47]. (Vedabase)

 

Tekst 5

Hij die van toewijding is moet steeds de basisregels in acht nemen [de geboden, de vidhi] en de nevengeschikte regels als de tijd er rijp voor is [de niyama]. Ook moet hij de vredelievende goeroe van dienst zijn die, bekend met Mijn gedaante, niet van Mij verschilt [zie ook 7.14: 41-42].

Hij die van toewijding is moet steeds de basisregels in acht nemen [de geboden, de vidhi] en de nevengeschikte regels als de tijd er rijp voor is [de niyama]. Ook moet hij de vredelievende goeroe van dienst zijn die, bekend met Mijn gedaante, niet van Mij verschilt [zie ook 7.14: 41-42]. (Vedabase)

 

Tekst 6

Wees met nederigheid, jezelf niet als de doener ziend, arbeidzaam, vrij van bezitsdrang, gevestigd in vriendschap, zonder haast, belangstellend in het navraag doen en vrij van wrok en loze praat.

Wees met nederigheid, jezelf niet als de doener ziend, arbeidzaam, vrij van bezitsdrang, gevestigd in vriendschap, zonder haast, belangstellend in het navraag doen en vrij van wrok en loze praat. (Vedabase)

 

 Tekst 7

Zich neutraal opstellend wat betreft de echtgenote, de kinderen, de woning, het land, het eigen volk en het banksaldo en dergelijke, moet men z'n eigenbelang herkennen in dat van een ieder [zie B.G. 5: 18].

Zich neutraal opstellend wat betreft de echtgenote, de kinderen, de woning, het land, het eigen volk en het banksaldo en dergelijke, moet men z'n eigenbelang herkennen in dat van een ieder [zie B.G. 5: 18]. (Vedabase)

 

Tekst 8

De ziel is de zelfverlichte ziener die verschilt van het grofstoffelijke en subtiele lichaam, precies zoals het vuur dat licht geeft met zijn branden verschilt van het brandhout [zie ook B.G. 2: 16-24].

De ziel is de zelfverlichte ziener die verschilt van het grofstoffelijke en subtiele lichaam, precies zoals het vuur dat licht geeft met zijn branden verschilt van het brandhout [zie ook B.G. 2: 16-24]. (Vedabase)

 

Tekst 9

Sluimerend vanbinnen [in het hout] neemt het vuur [na ontbranding] de verschillende kwaliteiten aan van groot of onbeduidend etc. Op dezelfde manier neemt de geestelijke ziel de kwaliteiten aan die bij het lichaam horen [zie ook 3.24: 6, 4.9: 7, 10.37: 10-11, 10.46: 36].

Sluimerend vanbinnen [in het hout] neemt het vuur [na ontbranding] de verschillende kwaliteiten aan van groot of onbeduidend etc. Op dezelfde manier neemt de geestelijke ziel de kwaliteiten aan die bij het lichaam horen [zie ook 3.24: 6, 4.9: 7, 10.37: 10-11, 10.46: 36]. (Vedabase)

 

Tekst 10

Dat wat, met dit lichaam dat werd gevormd door de geaardheden, is gebonden aan de samsâra zee van materie die tot de Oorspronkelijke Persoon behoort [zie B.G. 8: 4], is wat men het levende wezen noemt waarvan de banden der gehechtheid worden verbroken door de kennis van de Ziel.

Dat wat, met dit lichaam dat werd gevormd door de geaardheden, is gebonden aan de samsâra zee van materie die tot de Oorspronkelijke Persoon behoort [zie B.G. 8: 4], is wat men het levende wezen noemt waarvan de banden der gehechtheid worden verbroken door de kennis van de Ziel. (Vedabase)

 

 Tekst 11

Daarom moet men, door het cultiveren van de kennis van de Ziel als zich bevindend in het eigen zelf [2.2 en B.G. 9: 5], zuiver in zijn toenadering met de realisatie van het Allerhoogste, geleidelijk aan dit begrip van de materiële kwestie opgeven [als zijnde een losstaande werkelijkheid].

Daarom moet men, door het cultiveren van de kennis van de Ziel als zich bevindend in het eigen zelf [2.2 en B.G. 9: 5], zuiver in zijn toenadering met de realisatie van het Allerhoogste, geleidelijk aan dit begrip van de materiële kwestie opgeven [als zijnde een losstaande werkelijkheid]. (Vedabase)

  

 Tekst 12  

De âcârya kan men beschouwen als het onderliggende houtje voor het aanmaken van vuur, de discipel als het bovenste houtje en de instructies als de draaistok er tussenin, terwijl de kennis er is als het vuur dat geluk brengt [vergelijk 9.14: 44-46].

De âcârya beschouwd als het onderliggende houtje voor het aanmaken van vuur, met de discipel bovenaan en de instructies als de draaistok er tussen in gebruikt, is de kennis gelijk het vuur dat geluk brengt [vergelijk 9.14: 44-46]. (Vedabase)

 

Tekst 13

Deze zuiverste intelligentie die wordt overgedragen door degenen met ervaring [de âcârya's], stoot de illusie af die stamt van de guna's en wordt, met het volledig opbranden van wat door de geaardheden in het leven werd geroepen, zelf tot vrede gebracht zoals een vuur tot rust komt dat zonder brandstof komt te zitten [zie ook 11.3: 12].

Deze zuiverste intelligentie die wordt overgedragen door degenen met ervaring [de âcârya's], stoot de illusie af die stamt van de guna's en wordt, met het volledig opbranden van wat door de geaardheden in het leven werd geroepen, zelf tot vrede gebracht zoals een vuur tot rust komt dat zonder brandstof komt te zitten [zie ook 11.3: 12]. (Vedabase)

  

 Tekst 14-16

Als je met dit in gedachten denkt aan de verschillende manieren waarop mensen hun brood verdienen, als je denkt aan al die genieters van geluk en ongeluk; als je dan denkt aan het onophoudelijk voortbestaan van de materiële wereld, de tijd, de geopenbaarde geschriften en de ziel; als je bedenkt dat alle kennis aan verandering onderhevig is omdat die zich baseert op het verschil dat al de bestaansvormen en de veranderingen van de zinsobjecten maken; dan [zo zal je enkel vanuit die materiële visie al moeten toegeven *], o Uddhava, heb je toch steeds de bestaanstoestanden van het geboren zijn [de ouderdom, de ziekte] enzovoorts. Iedere belichaamde heeft nu eenmaal een lichaam [dat zijn orde vond] dankzij de verschillende geledingen van de tijd [te weten de indelingen naar de zon en maan, zie 3.11].

Als je met dit in gedachten denkt aan de verschillende manieren waarop mensen hun brood verdienen, als je denkt aan al die genieters van geluk en ongeluk; als je dan denkt aan het onophoudelijk voortbestaan van de materiële wereld, de tijd, de geopenbaarde geschriften en de ziel; als je bedenkt dat alle kennis aan verandering onderhevig is omdat die zich baseert op het verschil dat al de bestaansvormen en de veranderingen van de zinsobjecten maken; dan [zo zal je enkel vanuit die materiële visie al moeten toegeven *], o Uddhava, heb je toch steeds de bestaanstoestanden van het geboren zijn [de ouderdom, de ziekte] enzovoorts. Iedere belichaamde heeft nu eenmaal een lichaam [dat zijn orde vond] dankzij de verschillende geledingen van de tijd [te weten de indelingen naar de zon en maan, zie 3.11]. (Vedabase)

 

Tekst 17

Van degene die handelt en als de genieter daarin bovendien van vruchtdragende handelingen is, openbaart zich duidelijk het gebrek aan onafhankelijkheid en kan men het geluk en ongeluk waarnemen; welke waarde kan men eraan ontlenen om niet [werkelijk terwille van het duurzaam geluk, zie B.G. 9: 3 en 11.9: 1] de zaak in de hand te hebben?

Van degene die handelt en als de genieter daarin bovendien van vruchtdragende handelingen is, openbaart zich duidelijk het gebrek aan onafhankelijkheid en kan men het geluk en ongeluk waarnemen; welke waarde kan men eraan ontlenen om niet [werkelijk terwille van het duurzaam geluk, zie B.G. 9: 3 en 11.9: 1] de zaak in de hand te hebben? (Vedabase)

 

Tekst 18

Onder de belichaamden zijn de verdwaasden soms ongelukkig en evenzo zijn zelfs de intelligenten niet altijd gelukkig. Altijd gelukkig willen zijn is een zinloos streven en iets heel egoïstisch [zie ook B.G. 2: 15 en 11.9: 4].

Onder de belichaamden zijn de verdwaasden soms ongelukkig en evenzo zijn zelfs de intelligenten niet altijd gelukkig. Altijd gelukkig willen zijn is een zinloos streven en iets heel egoïstisch [zie ook B.G. 2: 15 en 11.9: 4]. (Vedabase)

  

Tekst 19

En zelfs als ze erin slagen het geluk te bereiken en leed te vermijden, hebben ze nog steeds geen weet van het verenigen van het bewustzijn [het yogaproces] waarmee de dood zijn macht niet kan doen gelden [vergelijk B.G. 10: 34].

En zelfs als ze erin slagen het geluk te bereiken en leed te vermijden, hebben ze nog steeds geen weet van het verenigen van het bewustzijn [het yogaproces] waarmee de dood zijn macht niet kan doen gelden [vergelijk B.G. 10: 34].  (Vedabase)

 

Tekst 20

Welke garantie gelukkig te zijn kan een materieel voorwerp, of de lust, de persoon nu bieden? Met de nimmer aangename dood voor ogen, is hij [met de materie] als een veroordeelde die naar zijn plaats van terechtstelling wordt geleid.

Welke garantie gelukkig te zijn kan een materieel voorwerp, of de lust, de persoon nu bieden? Met de nimmer aangename dood voor ogen, is hij [met de materie] als een veroordeelde die naar zijn plaats van terechtstelling wordt geleid. (Vedabase)

 

Tekst 21

Zowel dat wat we van horen zeggen kennen [de hemel] als wat ons uit eigen ervaring bekend is [de aarde] wordt verpest door de rivaliteit, het fout-vinden, het afglijden en het verval. Net zoals met landbouwen vele obstakels een bevredigend resultaat in de weg staan is ook het streven naar volkomen materieel geluk zinloos [zie ook 11.3: 20].

Zowel dat wat we van horen zeggen kennen [de hemel] als wat ons uit eigen ervaring bekend is [de aarde] wordt verpest door de rivaliteit, het fout-vinden, het afglijden en het verval. Net zoals met landbouwen vele obstakels een bevredigend resultaat in de weg staan is ook het streven naar volkomen materieel geluk zinloos [zie ook 11.3: 20]. (Vedabase)

 

 Tekst 22

Als men in zijn rechtschapenheid geen last heeft van hindernissen en men weet uit te blinken in de praktijk, zal zelfs de status die men zo verwierf niet eeuwig standhouden. Luister alsjeblieft daarom naar het volgende [zie ook B.G. 2: 14].

Als men in zijn rechtschapenheid geen last heeft van hindernissen en men weet uit te blinken in de praktijk, zal zelfs de status die men zo verwierf niet eeuwig standhouden. Luister alsjeblieft daarom naar het volgende [zie ook B.G. 2: 14]. (Vedabase)

 

 Tekst 23

Met het alhier aanbeden hebben van de goden met offerplechtigheden gaat de offeraar naar de hemelse werelden alwaar hij als een god mag genieten van de hemelse genoegens die hij verwierf [zie B.G. 3: 11 en 4: 12].

Met het alhier aanbeden hebben van de goden met offerplechtigheden gaat de offeraar naar de hemelse werelden alwaar hij als een god mag genieten van de hemelse genoegens die hij verwierf [zie B.G. 3: 11 en 4: 12]. (Vedabase)

 

 Tekst 24

Als gevolg van zijn opgebouwde verdienste straalt hij in de tempel [de 'vimâna'] en wordt hij, omringd door bevallig geklede godinnen, onderweg [bij het achter zich laten van deze aarde] door de zangers van de hemel verheerlijkt met gezangen.

Als gevolg van zijn opgebouwde verdienste straalt hij in de tempel [de 'vimâna'] en wordt hij, omringd door bevallig geklede godinnen, onderweg [bij het achter zich laten van deze aarde] door de zangers van de hemel verheerlijkt met gezangen. (Vedabase)

 

 Tekst 25

Terwijl het hem met de vrouwen van de hemel goed vergaat zoals hij wilde wordt hij indachtig die notie van orde omlijst door belgeklingel. In staat van verrukking denkt hij dan niet meer aan zijn neergang [op aarde] als hij zich comfortabel ontspant in de lusthoven van de godsbewusten [zie b.v. 7.15: 69-73].

Terwijl het hem met de vrouwen van de hemel goed vergaat zoals hij wilde wordt hij indachtig die notie van orde omlijst door belgeklingel. In staat van verrukking denkt hij dan niet meer aan zijn neergang [op aarde] als hij zich comfortabel ontspant in de lusthoven van de godsbewusten [zie b.v. 7.15: 69-73]. (Vedabase)

 

 Tekst 26

Hij, die net zolang de hemelen geniet tot zijn vrome tegoed verbruikt is en zijn geloof is uitgeput, valt vervolgens tegen zijn wil neer uit de hemel, daar hij zich van de tijd afkeerde [en er dus niet stabiel mee was, vergelijk B.G. 9: 20-22].

Hij, die net zolang de hemelen geniet tot zijn vrome tegoed verbruikt is en zijn geloof is uitgeput, valt vervolgens tegen zijn wil neer uit de hemel, daar hij zich van de tijd afkeerde [en er dus niet stabiel mee was, vergelijk B.G. 9: 20-22].  (Vedabase)

 

 Tekst 27-29

Als hij als gevolg van zijn materiële betrokkenheid bezig is met handelingen die tegen het dharma indruisen of als hij, omdat hij zijn zinnen niet de baas is, wellustig leeft als een ellendige, begeertige rokkenjager, van geweld is jegens andere levende wezens, dieren doodt tegen de regels en van aanbidding is voor reeksen van geesten en spoken [vergelijk 7.12: 12], zal een menselijk wezen, na te zijn heengegaan, daaropvolgend hulpeloos belanden in de diepste duisternis van de helse werelden. Hij zal vanwege zijn daden opnieuw een materieel lichaam aannemen om handelingen te verrichten die hem in de toekomst [opnieuw] veel ongeluk zullen bezorgen. Welk geluk vindt men nu in het zweren bij activiteiten die steeds weer tot de dood leiden [zie ook 5.26: 37 en B.G. 16: 19-21]?

Als hij als gevolg van zijn materiële betrokkenheid bezig is met handelingen die tegen het dharma indruisen of als hij, omdat hij zijn zinnen niet de baas is, wellustig leeft als een ellendige, begeertige rokkenjager, van geweld is jegens andere levende wezens, dieren doodt tegen de regels en van aanbidding is voor reeksen van geesten en spoken [vergelijk 7.12: 12], zal een menselijk wezen, na te zijn heengegaan, daaropvolgend hulpeloos belanden in de diepste duisternis van de helse werelden. Hij zal vanwege zijn daden opnieuw een materieel lichaam aannemen om handelingen te verrichten die hem in de toekomst [opnieuw] veel ongeluk zullen bezorgen. Welk geluk vindt men nu in het zweren bij activiteiten die steeds weer tot de dood leiden [zie ook 5.26: 37 en B.G. 16: 19-21]? (Vedabase)

  

 Tekst 30

In al de werelden en onder al hun leiders is er angst voor Mij; de individuele zielen die een kalpa lang leven vrezen Mij en zelfs de allerhoogste, Brahmâ die voor de duur van twee parârdha's leeft, vreest Mij [zie ook 1.13: 17-20, 3.8: 20, 3.11: 33, 3.25: 42, 3.26: 16, 3.29: 37, 3.29: 40-45, 5.24: 15, 5.24: 28].

In al de werelden en onder al hun leiders is er angst voor Mij; de individuele zielen die een kalpa lang leven vrezen Mij en zelfs de allerhoogste, Brahmâ die voor de duur van twee parârdha's leeft, vreest Mij [zie ook 1.13: 17-20, 3.8: 20, 3.11: 33, 3.25: 42, 3.26: 16, 3.29: 37, 3.29: 40-45, 5.24: 15, 5.24: 28].  (Vedabase)

 

 Tekst 31

De materiële zinnen geprikkeld door de geaardheden der natuur zetten aan tot handelingen en de individuele ziel, jîva, die geheel opgaat in de activiteit van de materieel georiënteerde zinnen en de guna's, ondergaat er de verschillende karmische gevolgen van [zie ook 3.32 en B.G. 3: 27].

De materiële zinnen geprikkeld door de geaardheden der natuur zetten aan tot handelingen en de individuele ziel, jîva, die geheel opgaat in de activiteit van de materieel georiënteerde zinnen en de guna's, ondergaat er de verschillende karmische gevolgen van [zie ook 3.32 en B.G. 3: 27]. (Vedabase)

 

 Tekst 32

Zolang er het afzonderlijke bestaan van de natuurlijke geaardheden is zullen er de verschillende bestaanstoestanden van de [belichaamde] ziel zijn, en zolang er de verschillende bestaanstoestanden van de ziel zijn, zal er voorzeker dus [de karmische] afhankelijkheid zijn [zie ook B.G. 17: 2].

Zolang er het afzonderlijke bestaan van de natuurlijke geaardheden is zullen er de verschillende bestaanstoestanden van de [belichaamde] ziel zijn, en zolang er de verschillende bestaanstoestanden van de ziel zijn, zal er voorzeker dus [de karmische] afhankelijkheid zijn [zie ook B.G. 17: 2]. (Vedabase)

 

 Tekst 33

Zolang men niet vrij is van de afhankelijkheid zal er de vrees voor de Beheerser zijn [de Tijd]. Zij die zich hieraan [aan deze afhankelijkheid] wijden zullen, verstandsverbijsterd, altijd vol van verdriet zijn.

Zolang men niet vrij is van de afhankelijkheid zal er de vrees voor de Beheerser zijn [de Tijd]. Zij die zich hieraan [aan deze afhankelijkheid] wijden zullen, verstandsverbijsterd, altijd vol van verdriet zijn. (Vedabase)

 

 Tekst 34

Met de beroering die er door de geaardheden is, noemt men Mij aldus verschillend de Tijd, het Zelf, de Vedische Kennis, de Wereld, de Natuur, alsmede het Dharma.'

Met de beroering die er door de geaardheden is, noemt men Mij aldus verschillend de Tijd, het Zelf, de Vedische Kennis, de Wereld, de Natuur, alsmede het Dharma.' (Vedabase)

 

 Tekst 35

S'rî Uddhava zei: 'Hoewel de belichaamde aanwezig is temidden van de geaardheden der natuur, hoeft hij nog niet vast te zitten aan wat zich opdringt vanuit het lichaam [het geluk en het leed]. Oftewel, hoe kan het gebeuren dat men als een vrije ziel door de geaardheden gebonden raakt, o Almachtige?

S'rî Uddhava zei: 'Hoewel de belichaamde aanwezig is temidden van de geaardheden der natuur, hoeft hij nog niet vast te zitten aan wat zich opdringt vanuit het lichaam [het geluk en het leed]. Oftewel, hoe kan het gebeuren dat men als een vrije ziel door de geaardheden gebonden raakt, o Almachtige? (Vedabase)

 

 Tekst 36-37

Waar staat hij, hoe geniet hij, of waaraan kan men hem herkennen? Wat zou hij eten of hoe zou hij zich ontlasten, neerliggen of zitten [vergelijk B.G. 14: 21]? Legt U alstUblieft uit wat ik U vraag, o Onfeilbare, o Beste van Allen die in Staat zijn Vragen te Beantwoorden. Dit tegelijkertijd eeuwig gebonden en eeuwig bevrijd zijn is iets dat me in de war brengt.'

Waar staat hij, hoe geniet hij, of waaraan kan men hem herkennen? Wat zou hij eten of hoe zou hij zich ontlasten, neerliggen of zitten [vergelijk B.G. 14: 21]? Legt U alstUblieft uit wat ik U vraag, o Onfeilbare, o Beste van Allen die in Staat zijn Vragen te Beantwoorden. Dit tegelijkertijd eeuwig gebonden en eeuwig bevrijd zijn is iets dat me in de war brengt.' (Vedabase)

 

*: Deze filosofie, weet men, wordt uitgedragen door de volgelingen van Jaimini Kavi die het pravritti mârga pad van de gereguleerde zinsbevrediging uitdragen boven dat van de nivritti-mârga van handelingen in verzaking; iets waartegen de paramparâ die dit boek overdraagt, met dit vers voor ogen, ernstig bezwaar aantekent erop wijzend dat men aldus voor altijd vastzit in, nitya-baddha, gebonden is aan herhaalde geboorte, dood, ziekte etc.

 

 

 

 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
De afbeelding is getiteld: "The gambols of ghosts".
Het is een illustratie door William Blake bij Robert Blairs 'The grave'.
Bron.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties