De
Allerhoogste Heer zei: 'Een ziel vrij van verlangen die Mijn
toevlucht aanvaardt, moet met het verantwoordelijkheid dragen
voor de persoonlijke plichten aan God waar Ik over sprak
[zie ook in b.v. 10.60:
52 en B.G.
3:
35], het
varnâs'rama-systeem
van de samenleving praktiseren [B.G. 4:
13].
De
Allerhoogste Heer zei: 'Een ziel vrij van verlangen die Mijn
toevlucht aanvaardt, moet verantwoordelijkheid dragend voor
de persoonlijke plichten aan God waar Ik over sprak [zie
ook in e.g. 10.60: 52 en B.G. 3: 35], het
varnâs'rama-systeem van de samenleving praktiseren
[B.G. 4: 13]. (Vedabase)
Tekst
2
Een gezuiverde
ziel moet inzien hoe van de belichaamden die op zichzelf
gericht het sensuele voor het ware houden, alle pogingen
gedoemd zijn te mislukken [zie ook B.G.
13:
32].
Een
gezuiverde ziel behoort te onderkennen hoe van de
belichaamden die op zichzelf gericht het sensuele voor het
ware houden, alle pogingen gedoemd zijn te mislukken
[zie ook B.G. 13: 32]. (Vedabase)
Tekst
3
Wat de
mediteerder ziet in het bereik van de slaap of in zijn fantasie
heeft evenzo weinig te betekenen als het uiteenlopend van aard
is. Zo ook maakt men niet echt gebruik van zijn intelligentie
als men zich richt op het door de geaardheden afgezonderde zelf
[B.G. 2:
41 &
9:
15].
Wat
de mediteerder ziet in het bereik van de slaap of in zijn
fantasie heeft even zo weinig te betekenen als het
uiteenlopend van aard is; op dezelfde manier is de
intelligentie in het door de geaardheden afgezonderde zelf
nogal nutteloos [B.G. 2: 41 & B.G. 9.15].
(Vedabase)
Tekst
4
Mij toegedaan
moet men de arbeid verrichten die nodig is voor de onthechting
[nivritti]
en het handelen in gehechtheid opgeven
[pravritti].
Als men goed bezig is op zoek naar de spirituele waarheid hoort
men geen acht te slaan op de voorschriften voor de baatzuchtige
arbeid [zie 7.15:
47].
Mij
toegedaan moet men de arbeid verrichten die nodig is voor de
onthechting [nivritti] en de handelingen in
gehechtheid eraan geven [pravritti], daar men
volmaakt aan de slag op zoek naar de spirituele waarheid
geen acht hoort te slaan op de voorschriften voor de
baatzuchtige arbeid [zie 7.15: 47].
(Vedabase)
Tekst
5
Hij die van
toewijding is moet steeds de basisregels in acht nemen [de
geboden, de vidhi]
en de nevengeschikte regels als de tijd er rijp voor is [de
niyama].
Ook moet hij de vredelievende goeroe van dienst zijn die,
bekend met Mijn gedaante, niet van Mij verschilt [zie ook
7.14:
41-42].
Hij
die van toewijding is moet steeds de hoofdregels in acht
nemen [de geboden, de vidhi] en bij tijden de
ondergeschikte regels [de niyama], en de
vredelievende goeroe van dienst zijn die, bekend met Mijn
gedaante, niet van Mij verschilt [zie ook: 7.14:
41-42]. (Vedabase)
Tekst
6
Wees met
nederigheid, jezelf niet als de doener ziend, arbeidzaam, vrij
van bezitsdrang, gevestigd in vriendschap, zonder haast,
belangstellend in het navraag doen en vrij van wrok en loze
praat.
Wees
met nederigheid, jezelf niet als de doener ziend,
arbeidzaam, vrij van bezitsdrang, gevestigd in vriendschap,
zonder haast en belang stellend in het navraag doen, vrij
van wrok en loze praat. (Vedabase)
Tekst
7
Zich neutraal
opstellend wat betreft de echtgenote, de kinderen, de woning,
het land, het eigen volk en het banksaldo en dergelijke, moet
men z'n eigenbelang herkennen in dat van een ieder [zie
B.G. 5:
18].
Met
het neutraal blijven naar de echtgenote toe, de kinderen, de
woning, het land, het eigen volk en het banksaldo en
dergelijke, moet men z'n eigenbelang gelijkelijk in allen
zien [zie B.G. 5: 18]. (Vedabase)
Tekst
8
De ziel is de
zelfverlichte ziener die verschilt van het grofstoffelijke en
subtiele lichaam, precies zoals het vuur dat licht geeft met
zijn branden verschilt van het brandhout [zie ook B.G.
2:
16-24].
De
ziel is de ziener zelf-verlicht die verschilt van het
lichaam grofstoffelijk en subtiel, precies zoals het vuur
brandend om te verlichten dat is in verhouding tot het te
verbranden brandhout [zie ook B.G. 2: 16-24].
(Vedabase)
Tekst
9
Sluimerend
vanbinnen [in het hout] neemt het vuur [na
ontbranding] de verschillende kwaliteiten aan van groot of
onbeduidend etc. Op dezelfde manier neemt de geestelijke ziel
de kwaliteiten aan die bij het lichaam horen [zie ook
3.24:
6,
4.9:
7,
10.37:
10-11,
10.46:
36].
Daarin
[in het hout] doorgedrongen met het aannemen van
zijn verschillende kwaliteiten van verborgen zijn, manifest
zijn, groot of onbeduidend, aanvaardt op dezelfde manier het
wezen transcendent de kwaliteiten met betrekking tot het
lichaam [zie ook 3.24: 6, 4.9: 7, 10.37: 10-11, 10.46:
36]. (Vedabase)
Tekst
10
Dat wat, met
dit lichaam dat werd gevormd door de geaardheden, is gebonden
aan de samsâra
zee van materie die tot de Oorspronkelijke Persoon behoort
[zie B.G. 8:
4], is wat
men het levende wezen noemt waarvan de banden der gehechtheid
worden verbroken door de kennis van de Ziel.
Dat
wat met dit lichaam opgebouwd door de geaardheden is
gebonden aan die samsâra die voorzeker van de
Oorspronkelijke Persoon is [zie B.G. 8: 4], is dit
levende wezen, waarvan de banden worden doorsneden door de
kennis van de Ziel. (Vedabase)
Tekst
11
Daarom moet
men, door het cultiveren van de kennis van de Ziel als zich
bevindend in het eigen zelf [2.2
en B.G. 9:
5], zuiver
in zijn toenadering met de realisatie van het Allerhoogste,
geleidelijk aan dit begrip van de materiële kwestie
opgeven [als zijnde een losstaande werkelijkheid].
Daarom
moet men door het cultiveren van de kennis van de Ziel als
zich bevindend in het eigen zelf [2.2 en B.G. 9: 5],
zuiver van toenadering in de realisatie van het
Allerhoogste, geleidelijk aan dit begrip van de
materiële kwestie opgeven [als zijnde een
losstaande werkelijkheid]. (Vedabase)
Tekst
12
De
âcârya kan men beschouwen als het
onderliggende houtje voor het aanmaken van vuur, de discipel
als het bovenste houtje en de instructies als de draaistok er
tussenin, terwijl de kennis er is als het vuur dat geluk brengt
[vergelijk 9.14:
44-46].
De
âcârya beschouwd als het onderliggende houtje
voor het aanmaken van vuur, met de discipel bovenaan en de
instructies als de draaistok er tussen in gebruikt, is de
kennis gelijk het vuur dat geluk brengt [vergelijk 9.14:
44-46]. (Vedabase)
Tekst
13
Deze zuiverste
intelligentie die wordt overgedragen door degenen met ervaring
[de âcârya's], stoot de illusie af
die stamt van de guna's en wordt, met het volledig
opbranden van wat door de geaardheden in het leven werd
geroepen, zelf tot vrede gebracht zoals een vuur tot rust komt
dat zonder brandstof komt te zitten [zie ook
11.3:
12].
Deze
zuiverste intelligentie voor handen van degenen met ervaring
[de âcârya's], stoot de illusie af die
stamt van de guna's en wordt, volledig opbrandend wat door
hen gevestigd is, zelf tot vrede gebracht zoals een vuur dat
zonder brandstof komt te zitten [zie ook 11.3: 12].
(Vedabase)
Tekst
14-16
Als je met dit
in gedachten denkt aan de verschillende manieren waarop mensen
hun brood verdienen, als je denkt aan al die genieters van
geluk en ongeluk; als je dan denkt aan het onophoudelijk
voortbestaan van de materiële wereld, de tijd, de
geopenbaarde geschriften en de ziel; als je bedenkt dat alle
kennis aan verandering onderhevig is omdat die zich baseert op
het verschil dat al de bestaansvormen en de veranderingen van
de zinsobjecten maken; dan [zo zal je enkel vanuit die
materiële visie al moeten toegeven *],
o Uddhava, heb je toch steeds de bestaanstoestanden van het
geboren zijn [de ouderdom, de ziekte] enzovoorts.
Iedere belichaamde heeft nu eenmaal een lichaam [dat zijn
orde vond] dankzij de verschillende geledingen van de tijd
[te weten de indelingen naar de zon en maan, zie
3.11].
Als
je aldus denkt aan de verscheidenheid aan verrichters van
vruchtdragende handelingen, aan die genieters van geluk en
ongeluk; als je dan denkt aan het steeds voortbestaan van de
materiële wereld, de tijd, de traditionele
verhandelingen en de ziel; als je denkt aan de
oorspronkelijke zekerheid van de feitelijke situatie van
alle materiële objecten waarmee, bij de gratie van het
verschil van al de zinsobjecten hun vormen en veranderingen,
de kennis zijn bestaan vond; dan [moet je enkel vanuit
die materiële visie wel toegeven *], o Uddhava,
zijn er steeds de zijnstoestanden van het geboren zijn
[de ouderdom, de ziekte] en zo voorts, daar iedere
belichaamde in contact staat met een lichaam
[geconditioneerd] door de verschillende geledingen
[of indelingen naar de zon en maan, zie 3.11] van de
tijd. (Vedabase)
Tekst
17
Van degene die
handelt en als de genieter daarin bovendien van vruchtdragende
handelingen is, openbaart zich duidelijk het gebrek aan
onafhankelijkheid en kan men het geluk en ongeluk waarnemen;
welke waarde kan men eraan ontlenen om niet [werkelijk
terwille van het duurzaam geluk, zie B.G. 9:
3 en
11.9:
1] de zaak
in de hand te hebben?
Van
de uitvoerder, die als de genieter daarin bovendien van
vruchtdragende handelingen is, wordt duidelijk het gebrek
aan onafhankelijkheid en het geluk en ongeluk waargenomen;
welke waarde kan men eraan ontlenen niet [werkelijk
terwille van het duurzaam geluk, zie B.G. 9: 3 en 11.9:
1] de zaak in de hand te hebben?
(Vedabase)
Tekst
18
Onder de
belichaamden zijn de verdwaasden soms ongelukkig en evenzo zijn
zelfs de intelligenten niet altijd gelukkig. Altijd gelukkig
willen zijn is een zinloos streven en iets heel egoïstisch
[zie ook B.G. 2:
15 en
11.9:
4].
Somtijds
is er onder de belichaamden zelfs niet met de intelligenten
het geluk en is dat ook zo met het ongeluk van de
verdwaasden; het egoïsme [daarvan] is volledig
ijdel [zie ook B.G. 2: 15 en 11.9: 4].
(Vedabase)
Tekst
19
En zelfs als ze
erin slagen het geluk te bereiken en leed te vermijden, hebben
ze nog steeds geen weet van het verenigen van het bewustzijn
[het yogaproces] waarmee de dood zijn macht niet kan
doen gelden [vergelijk B.G. 10:
34].
Zelfs
als ze erin slagen het geluk te bereiken en het leed uit de
wereld te helpen, hebben ze nog steeds geen weet van het
verenigen van het bewustzijn [het yogaproces],
waarmee de dood zijn macht niet doet gelden [vergelijk
B.G. 10: 34]. (Vedabase)
Tekst
20
Welke garantie
gelukkig te zijn kan een materieel voorwerp, of de lust, de
persoon nu bieden? Met de nimmer aangename dood voor ogen, is
hij [met de materie] als een veroordeelde die naar zijn
plaats van terechtstelling wordt geleid.
Welke
zekerheid van geluk of lust verschaft een materieel object
de persoon die, met de dood vlakbij die geen bevrediging
schenkt, als iemand die veroordeeld is tot de dood naar zijn
plaats van executie wordt geleid?
(Vedabase)
Tekst
21
Zowel dat wat
we van horen zeggen kennen [de hemel] als wat ons uit
eigen ervaring bekend is [de aarde] wordt verpest door
de rivaliteit, het fout-vinden, het afglijden en het verval.
Net zoals met landbouwen vele obstakels een bevredigend
resultaat in de weg staan is ook het streven naar volkomen
materieel geluk zinloos [zie ook 11.3:
20].
Dat
waarover we vernamen [de hemel] of wat we reeds
gezien hebben [de aarde] is besmet door de
rivaliteit, het fout-vinden, het afglijden en het verval;
precies als met het landbouwen zijn er vele obstakels die
zich opwerpen met het enkel maar vruchteloos verlangen naar
[zie ook 11.3: 20].
(Vedabase)
Tekst
22
Als men in zijn
rechtschapenheid geen last heeft van hindernissen en men weet
uit te blinken in de praktijk, zal zelfs de status die men zo
verwierf niet eeuwig standhouden. Luister alsjeblieft daarom
naar het volgende [zie ook B.G. 2:
14].
Als
men, in zijn dharma niet aangedaan door hindernissen, van
een uitnemende uitvoeringspraktijk is, zal zelfs de status
op die manier verworven er [ten leste] niet zijn,
alsjeblieft luister daarom hiernaar [zie ook B.G. 2:
14]. (Vedabase)
Tekst
23
Met het alhier
aanbeden hebben van de goden met offerplechtigheden gaat de
offeraar naar de hemelse werelden alwaar hij als een god mag
genieten van de hemelse genoegens die hij verwierf [zie
B.G. 3:
11 en
4:
12].
Alhier
de goden aanbeden hebbend met offerplechtigheden gaat de
uitvoerder ervan naar de hemelse werelden alwaar hij mag
genieten als een god van de hemelse genoegens die hij heeft
verworven [zie B.G. 3: 11 en 4: 12].
(Vedabase)
Tekst
24
Als gevolg van
zijn opgebouwde verdienste straalt hij in de tempel [de
'vimâna']
en wordt hij, omringd door bevallig geklede godinnen, onderweg
[bij het achter zich laten van deze aarde] door de
zangers van de hemel verheerlijkt met gezangen.
Door
zijn opgebouwde verdienste stralend in de tempel [de
'vimâna'], wordt hij veranderend [van plaats
op weg naar de hemel] temidden van de godinnen die
bekoorlijke kleren dragen, door de zangers van de hemel
verheerlijkt met gezangen. (Vedabase)
Tekst
25
Terwijl het hem
met de vrouwen van de hemel goed vergaat zoals hij wilde wordt
hij indachtig die notie van orde omlijst door belgeklingel. In
staat van verrukking denkt hij dan niet meer aan zijn neergang
[op aarde] als hij zich comfortabel ontspant in de
lusthoven van de godsbewusten [zie b.v.
7.15:
69-73].
Met
de vrouwen van de hemel naar zijn zin zijn gang gaand met
die notie van orde die omlijst is door belgeklingel, denkt
hij, een goede tijd hebbend, niet aan zijn eigen neergang
als hij zich comfortabel ontspant in de lusthoven der
goddelijken [zie b.v. 7.15: 69-73].
(Vedabase)
Tekst
26
Hij, die net
zolang de hemelen geniet tot zijn vrome tegoed verbruikt is en
zijn geloof is uitgeput, valt vervolgens tegen zijn wil neer
uit de hemel, daar hij zich van de tijd afkeerde [en er dus
niet stabiel mee was, vergelijk B.G. 9:
20-22].
Hij,
net zolang in de hemelen genietend totdat zijn vrome tegoed
is verbruikt en zijn geloof is uitgeput, valt, verwijderd
van de tijd [er niet stabiel mee -], tegen zijn wil,
neer uit de hemel [vergelijk B.G. 9: 20-22].
(Vedabase)
Tekst
27-29
Als hij als
gevolg van zijn materiële betrokkenheid bezig is met
handelingen die tegen het dharma indruisen of als hij, omdat
hij zijn zinnen niet de baas is, wellustig leeft als een
ellendige, begeertige rokkenjager, van geweld is jegens andere
levende wezens, dieren doodt tegen de regels en van aanbidding
is voor reeksen van geesten en spoken [vergelijk
7.12:
12], zal
een menselijk wezen, na te zijn heengegaan, daaropvolgend
hulpeloos belanden in de diepste duisternis van de helse
werelden. Hij zal vanwege zijn daden opnieuw een materieel
lichaam aannemen om handelingen te verrichten die hem in de
toekomst [opnieuw] veel ongeluk zullen bezorgen. Welk
geluk vindt men nu in het zweren bij activiteiten die steeds
weer tot de dood leiden [zie ook 5.26:
37 en B.G.
16:
19-21]?
Als,
hij als gevolg van materialistische omgang bezig is met
handelingen tegen het dharma of, niet zijn zinnen de baas
zijnd, wellustig leeft als een ellendige, begeertige
rokkenjager, van geweld is jegens andere levende wezens,
dieren doodt tegen de regels en van aanbidding is voor
reeksen geesten en spoken [vergelijk 7.12: 12], zal
een levend wezen, eenmaal vertrokken, hulpeloos vervolgens
belanden in de diepste duisternis van de helse werelden en
zal hij vanwege die activiteiten opnieuw een materieel
lichaam aannemen om handelingen te verrichten die
[wederom] hem in de toekomst veel ongeluk zullen
bereiden; welk geluk vindt men in het zweren bij
activiteiten die steeds tot de dood leiden [zie ook
5.26: 37 en B.G. 16: 19-21]?
(Vedabase)
Tekst
30
In al de
werelden en onder al hun leiders is er angst voor Mij; de
individuele zielen die een kalpa
lang leven vrezen Mij en zelfs de allerhoogste, Brahmâ
die voor de duur van twee parârdha's leeft, vreest
Mij [zie ook 1.13:
17-20,
3.8:
20,
3.11:
33,
3.25:
42,
3.26:
16,
3.29:
37,
3.29:
40-45,
5.24:
15,
5.24:
28].
In
al de werelden en onder al hun leiders is er angst voor Mij;
de individuele zielen die een kalpa lang leven vrezen Mij en
zelfs de allerhoogste, Brahmâ die voor de duur van
twee parârdha's leeft, vreest Mij [zie ook 1.13:
17-20, 3.8: 20, 3.11: 33, 3:25: 42, 3.26: 16, 3.29: 37,
3.29: 40-45 , 5.24: 15, 5.24: 28].
(Vedabase)
Tekst
31
De
materiële zinnen geprikkeld door de geaardheden der natuur
zetten aan tot handelingen en de individuele ziel,
jîva,
die geheel opgaat in de activiteit van de materieel
georiënteerde zinnen en de guna's,
ondergaat er de verschillende karmische gevolgen van [zie
ook 3.32
en B.G. 3:
27].
De
materiële zinnen in gang gezet door de geaardheden der
natuur zetten aan tot handelingen en de individuele
jîva, zich inderdaad geheel bezighoudend met de
materieel georiënteerde zinnen en de guna's, ervaart de
verschillende karmische gevolgen [zie ook 3.32 en B.G.
3.27]. (Vedabase)
Tekst
32
Zolang er het
afzonderlijke bestaan van de natuurlijke geaardheden is zullen
er de verschillende bestaanstoestanden van de
[belichaamde] ziel zijn, en zolang er de verschillende
bestaanstoestanden van de ziel zijn, zal er voorzeker dus
[de karmische] afhankelijkheid zijn [zie ook B.G.
17:
2].
Voor
zolang er het afzonderlijke bestaan van de natuurlijke
geaardheden is zullen er de verschillende bestaanstoestanden
van de [belichaamde] ziel zijn, en zolang als er de
verschillende bestaanstoestanden van de ziel zijn, zal er
voorzeker inderdaad [de karmische] afhankelijkheid
zijn [zie ook B.G. 17: 2].
(Vedabase)
Tekst
33
Zolang men niet
vrij is van de afhankelijkheid zal er de vrees voor de
Beheerser zijn [de Tijd]. Zij die zich hieraan [aan
deze afhankelijkheid] wijden zullen, verstandsverbijsterd,
altijd vol van verdriet zijn.
Zolang
men niet vrij is van de afhankelijkheid zal er de vrees voor
de Beheerser zijn [de Tijd]; zij die zich hieraan
[aan deze afhankelijkheid] wijden zullen,
verstandsverbijsterd, altijd vol van verdriet zijn.
(Vedabase)
Tekst
34
Met de
beroering die er door de geaardheden is, noemt men Mij aldus
verschillend de Tijd, het Zelf, de Vedische Kennis, de Wereld,
de Natuur, alsmede het Dharma.'
Als
er de beroering van de geaardheden is, noemt men Mij aldus
verschillend de Tijd, het Zelf, de Vedische Kennis, de
Wereld, de Natuur, als zeker ook het Dharma.'
(Vedabase)
Tekst
35
S'rî
Uddhava zei: 'Hoewel de belichaamde aanwezig is temidden van de
geaardheden der natuur, hoeft hij nog niet vast te zitten aan
wat zich opdringt vanuit het lichaam [het geluk en het
leed]. Oftewel, hoe kan het gebeuren dat men als een vrije
ziel door de geaardheden gebonden raakt, o Almachtige?
S'rî
Uddhava zei: 'Hoewel aanwezig temidden van de geaardheden
der natuur is de belichaamde niet gebonden door wat zich
opwerpt vanuit het lichaam [het geluk en het leed],
anders gezegd, hoe doet het zich voor dat men
[feitelijk] nimmer overdekt door de geaardheden,
gebonden raakt, o Almachtige? (Vedabase)
Tekst
36-37
Waar staat hij,
hoe geniet hij, of waaraan kan men hem herkennen? Wat zou hij
eten of hoe zou hij zich ontlasten, neerliggen of zitten
[vergelijk B.G. 14:
21]? Legt
U alstUblieft uit wat ik U vraag, o Onfeilbare, o Beste van
Allen die in Staat zijn Vragen te Beantwoorden. Dit
tegelijkertijd eeuwig gebonden en eeuwig bevrijd zijn is iets
dat me in de war brengt.'
Wat
is zijn plaats, waar geniet hij mee, of aan welke kentekenen
kan men hem herkennen; wat zou hij eten of hoe zou hij zich
ontlasten, neerliggen of zitten? [vergelijk B.G. 14:
21] Verklaar mij dit wat ik vraag, o Onfeilbare, o Beste
van Allen In Staat Vragen te Beantwoorden; dit
tegelijkertijd eeuwig gebonden zijn en eeuwig bevrijd zijn
is voorzeker iets wat me in de war brengt.
(Vedabase)
*:
Deze filosofie, weet men, wordt uitgedragen door de volgelingen
van Jaimini Kavi die het pravritti mârga pad van
de gereguleerde zinsbevrediging uitdragen boven dat van de
nivritti-mârga van handelingen in verzaking; iets
waartegen de paramparâ die dit boek overdraagt,
met dit vers voor ogen, ernstig bezwaar aantekent erop wijzend
dat men aldus voor altijd vastzit in, nitya-baddha,
gebonden is aan herhaalde geboorte, dood, ziekte etc.