regelbalk

 

Guru Puja

 

 

 

Canto 11

 

Hoofdstuk 10

 

De Ziel Vrij, de Ziel Gebonden

(1) De Allerhoogste Heer zei: 'Een ziel vrij van verlangen die Mijn toevlucht aanvaardt, moet verantwoordelijkheid dragend voor de persoonlijke plichten aan God waar Ik over sprak [zie ook in e.g. 10.60: 52 en B.G. 3: 35], het varnâs'rama-systeem van de samenleving praktiseren [B.G. 4: 13]. (2) Een gezuiverde ziel behoort te onderkennen hoe van de belichaamden die op zichzelf gericht het sensuele voor het ware houden, alle pogingen gedoemd zijn te mislukken [zie ook B.G. 13: 32]. (3) Wat de mediteerder ziet in het bereik van de slaap of in zijn fantasie heeft evenzo weinig te betekenen als het uiteenlopend van aard is; op dezelfde manier is de intelligentie in het door de geaardheden afgezonderde zelf nogal nutteloos [B.G. 2: 41 & B.G. 9.15]. (4) Mij toegedaan moet men de arbeid verrichten die nodig is voor de onthechting [nivritti] en de handelingen in gehechtheid eraan geven [pravritti], daar men volmaakt aan de slag op zoek naar de spirituele waarheid geen acht hoort te slaan op de voorschriften voor de baatzuchtige arbeid [zie 7.15: 47]. (5) Hij die van toewijding is moet steeds de hoofdregels in acht nemen [de geboden, de vidhi] en bij tijden de ondergeschikte regels [de niyama], en de vredelievende goeroe van dienst zijn die, bekend met Mijn gedaante, niet van Mij verschilt [zie ook: 7.14: 41-42]. (6) Wees met nederigheid, jezelf niet als de doener ziend, arbeidzaam, vrij van bezitsdrang, gevestigd in vriendschap, zonder haast en belang stellend in het navraag doen, vrij van wrok en loze praat. (7) Met het neutraal blijven naar de echtgenote toe, de kinderen, de woning, het land, het eigen volk en het banksaldo en dergelijke, moet men z'n eigenbelang gelijkelijk in allen zien [zie B.G. 5: 18].

(8) De ziel is de ziener zelf-verlicht die verschilt van het lichaam grofstoffelijk en subtiel, precies zoals het vuur brandend om te verlichten dat is in verhouding tot het te verbranden brandhout [zie ook B.G. 2: 16-24]. (9) Daarin [in het hout] doorgedrongen met het aannemen van zijn verschillende kwaliteiten van verborgen zijn, manifest zijn, groot of onbeduidend, aanvaardt op dezelfde manier het wezen transcendent de kwaliteiten met betrekking tot het lichaam [zie ook 3.24: 6, 4.9: 7, 10.37: 10-11, 10.46: 36]. (10) Dat wat met dit lichaam opgebouwd door de geaardheden is gebonden aan die samsâra die voorzeker van de Oorspronkelijke Persoon is [zie B.G. 8: 4], is dit levende wezen, waarvan de banden worden doorsneden door de kennis van de Ziel. (11) Daarom moet men door het cultiveren van de kennis van de Ziel als zich bevindend in het eigen zelf [2.2 en B.G. 9: 5], zuiver van toenadering in de realisatie van het Allerhoogste, geleidelijk aan dit begrip van de materiële kwestie opgeven [als zijnde een losstaande werkelijkheid]. (12) De âcârya beschouwd als het onderliggende houtje voor het aanmaken van vuur, met de discipel bovenaan en de instructies als de draaistok er tussen in gebruikt, is de kennis gelijk het vuur dat geluk brengt [vergelijk 9.14: 44-46]. (13) Deze zuiverste intelligentie voor handen van degenen met ervaring [de âcârya's], stoot de illusie af die stamt van de guna's en wordt, volledig opbrandend wat door hen gevestigd is, zelf tot vrede gebracht zoals een vuur dat zonder brandstof komt te zitten [zie ook 11.3: 12].

(14-16) Als je aldus denkt aan de verscheidenheid aan verrichters van vruchtdragende handelingen, aan die genieters van geluk en ongeluk; als je dan denkt aan het steeds voortbestaan van de materiële wereld, de tijd, de traditionele verhandelingen en de ziel; als je denkt aan de oorspronkelijke zekerheid van de feitelijke situatie van alle materiële objecten waarmee, bij de gratie van het verschil van al de zinsobjecten hun vormen en veranderingen, de kennis zijn bestaan vond; dan [moet je enkel vanuit die materiële visie wel toegeven *], o Uddhava, zijn er steeds de zijnstoestanden van het geboren zijn [de ouderdom, de ziekte] en zo voorts, daar iedere belichaamde in contact staat met een lichaam [geconditioneerd] door de verschillende geledingen [of indelingen naar de zon en maan, zie 3.11] van de tijd. (17) Van de uitvoerder, die als de genieter daarin bovendien van vruchtdragende handelingen is, wordt duidelijk het gebrek aan onafhankelijkheid en het geluk en ongeluk waargenomen; welke waarde kan men eraan ontlenen niet [werkelijk terwille van het duurzaam geluk, zie B.G. 9: 3 en 11.9: 1] de zaak in de hand te hebben? (18) Somtijds is er onder de belichaamden zelfs niet met de intelligenten het geluk en is dat ook zo met het ongeluk van de verdwaasden; het egoïsme [daarvan] is volledig ijdel [zie ook B.G. 2: 15 en 11.9: 4]. (19) Zelfs als ze erin slagen het geluk te bereiken en het leed uit de wereld te helpen, hebben ze nog steeds geen weet van het verenigen van het bewustzijn [het yogaproces], waarmee de dood zijn macht niet doet gelden [vergelijk B.G. 10: 34]. (20) Welke zekerheid van geluk of lust verschaft een materieel object de persoon die, met de dood vlakbij die geen bevrediging schenkt, als iemand die veroordeeld is tot de dood naar zijn plaats van executie wordt geleid? (21) Dat waarover we vernamen [de hemel] of wat we reeds gezien hebben [de aarde] is besmet door de rivaliteit, het fout-vinden, het afglijden en het verval; precies als met het landbouwen zijn er vele obstakels die zich opwerpen met het enkel maar vruchteloos verlangen naar [zie ook 11.3: 20]. (22) Als men, in zijn dharma niet aangedaan door hindernissen, van een uitnemende uitvoeringspraktijk is, zal zelfs de status op die manier verworven er [ten leste] niet zijn, alsjeblieft luister daarom hiernaar [zie ook B.G. 2: 14].

(23) Alhier de goden aanbeden hebbend met offerplechtigheden gaat de uitvoerder ervan naar de hemelse werelden alwaar hij mag genieten als een god van de hemelse genoegens die hij heeft verworven [zie B.G. 3: 11 en 4: 12]. (24) Door zijn opgebouwde verdienste stralend in de tempel [de 'vimâna'], wordt hij veranderend [van plaats op weg naar de hemel] temidden van de godinnen die bekoorlijke kleren dragen, door de zangers van de hemel verheerlijkt met gezangen. (25) Met de vrouwen van de hemel naar zijn zin zijn gang gaand met die notie van orde die omlijst is door belgeklingel, denkt hij, een goede tijd hebbend, niet aan zijn eigen neergang als hij zich comfortabel ontspant in de lusthoven der goddelijken [zie b.v. 7.15: 69-73]. (26) Hij, net zolang in de hemelen genietend totdat zijn vrome tegoed is verbruikt en zijn geloof is uitgeput, valt, verwijderd van de tijd [er niet stabiel mee -], tegen zijn wil, neer uit de hemel [vergelijk B.G. 9: 20-22]. (27-29) Als, hij als gevolg van materialistische omgang bezig is met handelingen tegen het dharma of, niet zijn zinnen de baas zijnd, wellustig leeft als een ellendige, begeertige rokkenjager, van geweld is jegens andere levende wezens, dieren doodt tegen de regels en van aanbidding is voor reeksen geesten en spoken [vergelijk 7.12: 12], zal een levend wezen, eenmaal vertrokken, hulpeloos vervolgens belanden in de diepste duisternis van de helse werelden en zal hij vanwege die activiteiten opnieuw een materieel lichaam aannemen om handelingen te verrichten die [wederom] hem in de toekomst veel ongeluk zullen bereiden; welk geluk vindt men in het zweren bij activiteiten die steeds tot de dood leiden [zie ook 5.26: 37 en B.G. 16: 19-21]? (30) In al de werelden en onder al hun leiders is er angst voor Mij; de individuele zielen die een kalpa lang leven vrezen Mij en zelfs de allerhoogste, Brahmâ die voor de duur van twee parârdha's leeft, vreest Mij [zie ook 1.13: 17-20, 3.8: 20, 3.11: 33, 3:25: 42, 3.26: 16, 3.29: 37, 3.29: 40-45 , 5.24: 15, 5.24: 28]. (31) De materiële zinnen in gang gezet door de geaardheden der natuur zetten aan tot handelingen en de individuele jîva, zich inderdaad geheel bezighoudend met de materieel georiënteerde zinnen en de guna's, ervaart de verschillende karmische gevolgen [zie ook 3.32 en B.G. 3.27]. (32) Voor zolang er het afzonderlijke bestaan van de natuurlijke geaardheden is zullen er de verschillende bestaanstoestanden van de [belichaamde] ziel zijn, en zolang als er de verschillende bestaanstoestanden van de ziel zijn, zal er voorzeker inderdaad [de karmische] afhankelijkheid zijn [zie ook B.G. 17: 2]. (33) Zolang men niet vrij is van de afhankelijkheid zal er de vrees voor de Beheerser zijn [de Tijd]; zij die zich hieraan [aan deze afhankelijkheid] wijden zullen, verstandsverbijsterd, altijd vol van verdriet zijn. (34) Als er de beroering van de geaardheden is, noemt men Mij aldus verschillend de Tijd, het Zelf, de Vedische Kennis, de Wereld, de Natuur, als zeker ook het Dharma.'

(35) S'rî Uddhava zei: 'Hoewel aanwezig temidden van de geaardheden der natuur is de belichaamde niet gebonden door wat zich opwerpt vanuit het lichaam [het geluk en het leed], anders gezegd, hoe doet het zich voor dat men [feitelijk] nimmer overdekt door de geaardheden, gebonden raakt, o Almachtige? (36-37) Wat is zijn plaats, waar geniet hij mee, of aan welke kentekenen kan men hem herkennen; wat zou hij eten of hoe zou hij zich ontlasten, neerliggen of zitten? [vergelijk B.G. 14: 21] Verklaar mij dit wat ik vraag, o Onfeilbare, o Beste van Allen In Staat Vragen te Beantwoorden; dit tegelijkertijd eeuwig gebonden zijn en eeuwig bevrijd zijn is voorzeker iets wat me in de war brengt.

 

 next        

 
 

 

 

Bronteksten (geen voorgaande vertaling in het Nederlands beschikbaar):

The Nature of Fruitive Activity

 

Text 1:

De Allerhoogste Heer zei: 'Een ziel vrij van verlangen die Mijn toevlucht aanvaardt, moet verantwoordelijkheid dragend voor de persoonlijke plichten aan God waar Ik over sprak [zie ook in e.g. 10.60: 52 en B.G. 3: 35], het varnâs'rama-systeem van de samenleving praktiseren [B.G. 4: 13].

The Supreme Personality of Godhead said: Taking full shelter in Me, with the mind carefully fixed in the devotional service of the Lord as spoken by Me, one should live without personal desire and practice the social and occupational system called varnâs'rama.

 

Text 2:

Een gezuiverde ziel behoort te onderkennen hoe van de belichaamden die op zichzelf gericht het sensuele voor het ware houden, alle pogingen gedoemd zijn te mislukken [zie ook B.G. 13: 32].

A purified soul should see that because the conditioned souls who are dedicated to sense gratification have falsely accepted the objects of sense pleasure as truth, all of their endeavors are doomed to failure.

 

Text 3:

Wat de mediteerder ziet in het bereik van de slaap of in zijn fantasie heeft evenzo weinig te betekenen als het uiteenlopend van aard is; op dezelfde manier is de intelligentie in het door de geaardheden afgezonderde zelf nogal nutteloos [B.G. 2: 41 & B.G. 9.15].

One who is sleeping may see many objects of sense gratification in a dream, but such pleasurable things are merely creations of the mind and are thus ultimately useless. Similarly, the living entity who is asleep to his spiritual identity also sees many sense objects, but these innumerable objects of temporary gratification are creations of the Lord's illusory potency and have no permanent existence. One who meditates upon them, impelled by the senses, uselessly engages his intelligence.

 

Text 4:

Mij toegedaan moet men de arbeid verrichten die nodig is voor de onthechting [nivritti] en de handelingen in gehechtheid eraan geven [pravritti], daar men volmaakt aan de slag op zoek naar de spirituele waarheid geen acht hoort te slaan op de voorschriften voor de baatzuchtige arbeid [zie 7.15: 47].

One who has fixed Me within his mind as the goal of life should give up activities based on sense gratification and should instead execute work governed by the regulative principles for advancement. When, however, one is fully engaged in searching out the ultimate truth of the soul, one should not accept the scriptural injunctions governing fruitive activities.

 

Text 5:

Hij die van toewijding is moet steeds de hoofdregels in acht nemen [de geboden, de vidhi] en bij tijden de ondergeschikte regels [de niyama], en de vredelievende goeroe van dienst zijn die, bekend met Mijn gedaante, niet van Mij verschilt [zie ook: 7.14: 41-42].

One who has accepted Me as the supreme goal of life should strictly observe the scriptural injunctions forbidding sinful activities and, as far as possible, should execute the injunctions prescribing minor regulative duties such as cleanliness. Ultimately, however, one should approach a bona fide spiritual master who is full in knowledge of Me as I am, who is peaceful, and who by spiritual elevation is not different from Me.

 

Text 6:

Wees met nederigheid, jezelf niet als de doener ziend, arbeidzaam, vrij van bezitsdrang, gevestigd in vriendschap, zonder haast en belang stellend in het navraag doen, vrij van wrok en loze praat.

The servant or disciple of the spiritual master should be free from false prestige, never considering himself to be the doer. He should be active and never lazy and should give up all sense of proprietorship over the objects of the senses, including his wife, children, home and society. He should be endowed with feelings of loving friendship toward the spiritual master and should never become deviated or bewildered. The servant or disciple should always desire advancement in spiritual understanding, should not envy anyone and should always avoid useless conversation.

 

 Text 7

Met het neutraal blijven naar de echtgenote toe, de kinderen, de woning, het land, het eigen volk en het banksaldo en dergelijke, moet men z'n eigenbelang gelijkelijk in allen zien [zie B.G. 5: 18].

One should see one's real self-interest in life in all circumstances and should therefore remain detached from wife, children, home, land, relatives, friends, wealth and so on.

 

Text 8

De ziel is de ziener zelf-verlicht die verschilt van het lichaam grofstoffelijk en subtiel, precies zoals het vuur brandend om te verlichten dat is in verhouding tot het te verbranden brandhout [zie ook B.G. 2: 16-24].

Just as fire, which burns and illuminates, is different from firewood, which is to be burned to give illumination, similarly the seer within the body, the self-enlightened spirit soul, is different from the material body, which is to be illuminated by consciousness. Thus the spirit soul and the body possess different characteristics and are separate entities.

 

Text 9

Daarin [in het hout] doorgedrongen met het aannemen van zijn verschillende kwaliteiten van verborgen zijn, manifest zijn, groot of onbeduidend, aanvaardt op dezelfde manier het wezen transcendent de kwaliteiten met betrekking tot het lichaam [zie ook 3.24: 6, 4.9: 7, 10.37: 10-11, 10.46: 36].

Just as fire may appear differently as dormant, manifest, weak, brilliant and so on, according to the condition of the fuel, similarly, the spirit soul enters a material body and accepts particular bodily characteristics.

 

Text 10

Dat wat met dit lichaam opgebouwd door de geaardheden is gebonden aan die samsâra die voorzeker van de Oorspronkelijke Persoon is [zie B.G. 8: 4], is dit levende wezen, waarvan de banden worden doorsneden door de kennis van de Ziel.

The subtle and gross material bodies are created by the material modes of nature, which expand from the potency of the Supreme Personality of Godhead. Material existence occurs when the living entity falsely accepts the qualities of the gross and subtle bodies as being his own factual nature. This illusory state, however, can be destroyed by real knowledge.

 

 Text 11

Daarom moet men door het cultiveren van de kennis van de Ziel als zich bevindend in het eigen zelf [2.2 en B.G. 9: 5], zuiver van toenadering in de realisatie van het Allerhoogste, geleidelijk aan dit begrip van de materiële kwestie opgeven [als zijnde een losstaande werkelijkheid].

Therefore, by the cultivation of knowledge one should approach the Supreme Personality of Godhead situated within oneself. By understanding the Lord's pure, transcendental existence, one should gradually give up the false vision of the material world as independent reality.

  

 Text 12  

De âcârya beschouwd als het onderliggende houtje voor het aanmaken van vuur, met de discipel bovenaan en de instructies als de draaistok er tussen in gebruikt, is de kennis gelijk het vuur dat geluk brengt [vergelijk 9.14: 44-46].

The spiritual master can be compared to the lower kindling stick, the disciple to the upper kindling stick, and the instruction given by the guru to the third stick placed in between. The transcendental knowledge communicated from guru to disciple is compared to the fire arising from the contact of these, which burns the darkness of ignorance to ashes, bringing great happiness both to guru and disciple.

 

Text 13

Deze zuiverste intelligentie voor handen van degenen met ervaring [de âcârya's], stoot de illusie af die stamt van de guna's en wordt, volledig opbrandend wat door hen gevestigd is, zelf tot vrede gebracht zoals een vuur dat zonder brandstof komt te zitten [zie ook 11.3: 12].

By submissively hearing from an expert spiritual master, the expert disciple develops pure knowledge, which repels the onslaught of material illusion arising from the three modes of material nature. Finally this pure knowledge itself ceases, just as fire ceases when the stock of fuel has been consumed.

  

 Text 14-16

Als je aldus denkt aan de verscheidenheid aan verrichters van vruchtdragende handelingen, aan die genieters van geluk en ongeluk; als je dan denkt aan het steeds voortbestaan van de materiële wereld, de tijd, de traditionele verhandelingen en de ziel; als je denkt aan de oorspronkelijke zekerheid van de feitelijke situatie van alle materiële objecten waarmee, bij de gratie van het verschil van al de zinsobjecten hun vormen en veranderingen, de kennis zijn bestaan vond; dan [moet je enkel vanuit die materiële visie wel toegeven *], o Uddhava, zijn er steeds de zijnstoestanden van het geboren zijn [de ouderdom, de ziekte] en zo voorts, daar iedere belichaamde in contact staat met een lichaam [geconditioneerd] door de verschillende geledingen [of indelingen naar de zon en maan, zie 3.11] van de tijd.

My dear Uddhava, I have thus explained to you perfect knowledge. There are philosophers, however, who challenge My conclusion. They state that the natural position of the living entity is to engage in fruitive activities, and they see him as the enjoyer of the happiness and unhappiness that accrue from his own work. According to this materialistic philosophy, the world, time, the revealed scriptures and the self are all variegated and eternal, existing as a perpetual flow of transformations. Knowledge, moreover, cannot be one or eternal, because it arises from the different and changing forms of objects; thus knowledge itself is always subject to change. Even if you accept such a philosophy, My dear Uddhava, there will still be perpetual birth, death, old age and disease, since all living entities must accept a material body subject to the influence of time.

 

Text 17

Van de uitvoerder die als de genieter daarin bovendien van vruchtdragende handelingen is, wordt duidelijk het gebrek aan onafhankelijkheid en het geluk en ongeluk waargenomen; welke waarde kan men eraan ontlenen niet [werkelijk terwille van het duurzaam geluk, zie B.G. 9: 3 en 11.9: 1] de zaak in de hand te hebben?

Although the performer of fruitive activities desires perpetual happiness, it is clearly observed that materialistic workers are often unhappy and only occasionally satisfied, thus proving that they are not independent or in control of their destiny. When a person is always under the superior control of another, how can he expect any valuable results from his own fruitive actions?

 

Text 18

Somtijds is er onder de belichaamden zelfs niet met de intelligenten het geluk en is dat ook zo met het ongeluk van de verdwaasden; het egoïsme [daarvan] is volledig ijdel [zie ook B.G. 2: 15 en 11.9: 4].

It is observed within the material world that sometimes even an intelligent person is not happy. Similarly, sometimes even a great fool is happy. The concept of becoming happy through expertly performing material activities is simply a useless exhibition of false egotism.

  

Text 19

Zelfs als ze erin slagen het geluk te bereiken en het leed uit de wereld te helpen, hebben ze nog steeds geen weet van het verenigen van het bewustzijn [het yogaproces], waarmee de dood zijn macht niet doet gelden [vergelijk B.G. 10: 34].

Even if people know how to achieve happiness and avoid unhappiness, they still do not know the process by which death will not be able to exert its power over them.

 

Text 20

Welke zekerheid van geluk of lust verschaft een materieel object de persoon die, met de dood vlakbij die geen bevrediging schenkt, als iemand die veroordeeld is tot de dood naar zijn plaats van executie wordt geleid?

Death is not at all pleasing, and since everyone is exactly like a condemned man being led to the place of execution, what possible happiness can people derive from material objects or the gratification they provide?

 

Text 21

Dat waarover we vernamen [de hemel] of wat we reeds gezien hebben [de aarde] is besmet door de rivaliteit, het fout-vinden, het afglijden en het verval; precies als met het landbouwen zijn er vele obstakels die zich opwerpen met het enkel maar vruchteloos verlangen naar [zie ook 11.3: 20].

That material happiness of which we hear, such as promotion to heavenly planets for celestial enjoyment, is just like that material happiness we have already experienced. Both are polluted by jealousy, envy, decay and death. Therefore, just as an attempt to raise crops becomes fruitless if there are many problems like crop disease, insect plague or drought, similarly, the attempt to attain material happiness, either on earth or on the heavenly planets, is always fruitless because of innumerable obstacles.

 

 Text 22

Als men, in zijn dharma niet aangedaan door hindernissen, van een uitnemende uitvoeringspraktijk is, zal zelfs de status op die manier verworven er [ten leste] niet zijn, alsjeblieft luister daarom hiernaar [zie ook B.G. 2: 14].

If one performs Vedic sacrifices and fruitive rituals without any mistake or contamination, one will achieve a heavenly situation in the next life. But even this result, which is only achieved by perfect performance of fruitive rituals, will be vanquished by time. Now hear of this.

 

 Text 23

Alhier de goden aanbeden hebbend met offerplechtigheden gaat de uitvoerder ervan naar de hemelse werelden alwaar hij mag genieten als een god van de hemelse genoegens die hij heeft verworven [zie B.G. 3: 11 en 4: 12].

If on earth one performs sacrifices for the satisfaction of the demigods, he goes to the heavenly planets, where, just like a demigod, he enjoys all of the heavenly pleasures he has earned by his performances.

 

 Text 24

Door zijn opgebouwde verdienste stralend in de tempel [de 'vimâna'], wordt hij veranderend [van plaats op weg naar de hemel] temidden van de godinnen die bekoorlijke kleren dragen, door de zangers van de hemel verheerlijkt met gezangen.

Having achieved the heavenly planets, the performer of ritualistic sacrifices travels in a glowing airplane, which he obtains as the result of his piety on earth. Being glorified by songs sung by the Gandharvas and dressed in wonderfully charming clothes, he enjoys life surrounded by heavenly goddesses.

 

 Text 25

Met de vrouwen van de hemel naar zijn zin zijn gang gaand met die notie van orde die omlijst is door belgeklingel, denkt hij, een goede tijd hebbend, niet aan zijn eigen neergang als hij zich comfortabel ontspant in de lusthoven der goddelijken [zie b.v. 7.15: 69-73].

Accompanied by heavenly women, the enjoyer of the fruits of sacrifice goes on pleasure rides in a wonderful airplane, which is decorated with circles of tinkling bells and which flies wherever he desires. Being relaxed, comfortable and happy in the heavenly pleasure gardens, he does not consider that he is exhausting the fruits of his piety and will soon fall down to the mortal world.

 

 Text 26

Hij, net zolang in de hemelen genietend totdat zijn vrome tegoed is verbruikt en zijn geloof is uitgeput, valt, verwijderd van de tijd [er niet stabiel mee -], tegen zijn wil, neer uit de hemel [vergelijk B.G. 9: 20-22].

Until his pious results are used up, the performer of sacrifice enjoys life in the heavenly planets. When the pious results are exhausted, however, he falls down from the pleasure gardens of heaven, being moved against his desire by the force of eternal time.

 

 Text 27-29

Als, hij als gevolg van materialistische omgang bezig is met handelingen tegen het dharma of, niet zijn zinnen de baas zijnd, wellustig leeft als een ellendige, begeertige rokkenjager, van geweld is jegens andere levende wezens, dieren doodt tegen de regels en van aanbidding is voor reeksen geesten en spoken [vergelijk 7.12: 12], zal een levend wezen, eenmaal vertrokken, hulpeloos vervolgens belanden in de diepste duisternis van de helse werelden en zal hij vanwege die activiteiten opnieuw een materieel lichaam aannemen om handelingen te verrichten die [wederom] hem in de toekomst veel ongeluk zullen bereiden; welk geluk vindt men in het zweren bij activiteiten die steeds tot de dood leiden [zie ook 5.26: 37 en B.G. 16: 19-21]?

If a human being is engaged in sinful, irreligious activities, either because of bad association or because of his failure to control his senses, then such a person will certainly develop a personality full of material desires. He thus becomes miserly toward others, greedy and always anxious to exploit the bodies of women. When the mind is so polluted one becomes violent and aggressive and without the authority of Vedic injunctions slaughters innocent animals for sense gratification. Worshiping ghosts and spirits, the bewildered person falls fully into the grip of unauthorized activities and thus goes to hell, where he receives a material body infected by the darkest modes of nature. In such a degraded body, he unfortunately continues to perform inauspicious activities that greatly increase his future unhappiness, and therefore he again accepts a similar material body. What possible happiness can there be for one who engages in activities inevitably terminating in death?

  

 Text 30

In al de werelden en onder al hun leiders is er angst voor Mij; de individuele zielen die een kalpa lang leven vrezen Mij en zelfs de allerhoogste, Brahmâ die voor de duur van twee parârdha's leeft, vreest Mij [zie ook 1.13: 17-20, 3.8: 20, 3.11: 33, 3:25: 42, 3.26: 16, 3.29: 37, 3.29: 40-45 , 5.24: 15, 5.24: 28].

In all the planetary systems, from the heavenly to the hellish, and for all of the great demigods who live for one thousand yuga cycles, there is fear of Me in My form of time. Even Brahmâ, who possesses the supreme life span of 311,040,000,000,000 years, is also afraid of Me.

 

 Text 31

De materiële zinnen in gang gezet door de geaardheden der natuur zetten aan tot handelingen en de individuele jîva, zich inderdaad geheel bezighoudend met de materieel georiënteerde zinnen en de guna's, ervaart de verschillende karmische gevolgen [zie ook 3.32 en B.G. 3.27].

The material senses create material activities, either pious or sinful, and the modes of nature set the material senses into motion. The living entity, being fully engaged by the material senses and modes of nature, experiences the various results of fruitive work.

 

 Text 32

Voor zolang er het afzonderlijke bestaan van de natuurlijke geaardheden is zullen er de verschillende bestaanstoestanden van de [belichaamde] ziel zijn, en zolang als er de verschillende bestaanstoestanden van de ziel zijn, zal er voorzeker inderdaad [de karmische] afhankelijkheid zijn [zie ook B.G. 17: 2].

As long as the living entity thinks that the modes of material nature have separate existences, he will be obliged to take birth in many different forms and will experience varieties of material existence. Therefore, the living entity remains completely dependent on fruitive activities under the modes of nature.

 

 Text 33

Zolang men niet vrij is van de afhankelijkheid zal er de vrees voor de Beheerser zijn [de Tijd]; zij die zich hieraan [aan deze afhankelijkheid] wijden zullen, verstandsverbijsterd, altijd vol van verdriet zijn.

The conditioned soul who remains dependent on fruitive activities under the material modes of nature will continue to fear Me, the Supreme Personality of Godhead, since I impose the results of one's fruitive activities. Those who accept the material concept of life, taking the variegatedness of the modes of nature to be factual, devote themselves to material enjoyment and are therefore always absorbed in lamentation and grief.

 

 Text 34

Als er de beroering van de geaardheden is, noemt men Mij aldus verschillend de Tijd, het Zelf, de Vedische Kennis, de Wereld, de Natuur, als zeker ook het Dharma.'

When there is agitation and interaction of the material modes of nature, the living entities then describe Me in various ways such as all-powerful time, the Self, Vedic knowledge, the universe, one's own nature, religious ceremonies and so on.

 

 Text 35

S'rî Uddhava zei: 'Hoewel aanwezig temidden van de geaardheden der natuur is de belichaamde niet gebonden door wat zich opwerpt vanuit het lichaam [het geluk en het leed], anders gezegd, hoe doet het zich voor dat men [feitelijk] nimmer overdekt door de geaardheden, gebonden raakt, o Almachtige?

S'rî Uddhava said: O my Lord, a living entity situated within the material body is surrounded by the modes of nature and the happiness and distress that are born of activities caused by these modes. How is it possible that he is not bound by this material encirclement? It may also be said that the living entity is ultimately transcendental and has nothing to do with the material world. Then how is he ever bound by material nature?

 

 Text 36-37

Wat is zijn plaats, waar geniet hij mee, of aan welke kentekenen kan men hem herkennen; wat zou hij eten of hoe zou hij zich ontlasten, neerliggen of zitten? [vergelijk B.G. 14: 21] Verklaar mij dit wat ik vraag, o Onfeilbare, o Beste van Allen In Staat Vragen te Beantwoorden; dit tegelijkertijd eeuwig gebonden zijn en eeuwig bevrijd zijn is voorzeker iets wat me in de war brengt.

O my Lord, Acyuta, the same living entity is sometimes described as eternally conditioned and at other times as eternally liberated. I am not able to understand, therefore, the actual situation of the living entity. You, my Lord, are the best of those who are expert in answering philosophical questions. Please explain to me the symptoms by which one can tell the difference between a living entity who is eternally liberated and one who is eternally conditioned. In what various ways would they remain situated, enjoy life, eat, evacuate, lie down, sit or move about?

 

*: Deze filosofie, weet men, wordt uitgedragen door de volgelingen van Jaimini Kavi die het pravritti mârga pad van de gereguleerde zinsbevrediging uitdragen boven dat van de nivritti-mârga van handelingen in verzaking; iets waartegen de paramparâ die dit boek overdraagt, met dit vers voor ogen, ernstig bezwaar aantekent erop wijzend dat men aldus voor altijd vast zit in, nitya-baddha, gebonden is aan herhaalde geboorte, dood, ziekte etc.

 

 

 

 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties