regelbalk

   

Jagannâtha Svâmi

  

 

Canto 10

 

Hoofdstuk 50

 

Krishna Gebruikt Jarâsandha en Vestigt de Stad Dvârakâ

 (1) S'rî S'uka zei: 'Asti en Prâpti, de twee koninginnen van Kamsa, o held van de Bharata's, ongelukkig dat hun echtgenoot gedood was, gingen vol verdriet naar het huis van hun vader. (2) Hun vader, de koning van Magadha genaamd Jarâsandha [zie 1.15: 9, 9.22:8, 10.2: 1-2, 10.36: 36], vertelden ze alles over de oorzaak van hun weduwschap. (3) Toen hij dat slechte nieuws hoorde, zette hij vol van leed en wrok, o Koning, zich tot het extreme plan de Yâdava's van de aarde weg te vagen. (4) Met drieëntwintig akshauhinî's groepeerde hij zich rondom Mathurâ om de residentie van de Yadu's van alle kanten te belegeren. (5-6) Krishna, de Allerhoogste Heer Hari, die zag hoe door zijn troepenmacht, als een oceaan die buiten zijn oevers was getreden, Zijn stad werd belegerd en Zijn burgers door de angst bevangen waren, overdacht als de Uiteindelijke Oorzaak in een Menselijke Gedaante wat voor de bedoeling van Zijn nederdaling in deze wereld gepast zou zijn gezien de tijd en plaats: (7-8) 'Ik zal zeker zijn leger vernietigen, deze last van de aarde, op de been gebracht door de Koning van Magadha waarin hij allen verzameld heeft die ondergeschikt de leiding op zich namen en nu kunnen worden geteld in akshauhinî's van infanterie, cavalerie, strijdwagens en vechtolifanten; Jarâsandha echter, moet ik sparen zodat hij het opnieuw zal proberen om een leger bijeen te brengen. (9) Dit is de bedoeling van Mijn nederdalen: dat de last van deze aarde wordt weggenomen, de geheiligden ten volle beschermd zijn en dat zij die tegenstreven de dood vinden. (10) Ook andere lichamen worden door Mij aangenomen voor het verdedigen van het dharma wanneer ook maar, na verloop van tijd, het onrecht overheerst [zie ook 2.7, en B.G. 4: 7].'

(11) Terwijl Hij op deze manier mediteerde verschenen op dat zelfde moment uit de hemel [uit Vaikuntha] twee strijdwagens met een gloed als die van de zon compleet met wagenmenners en een uitrusting. (12) En zo deden dat ook op eigen gelegenheid de Heer Zijn klassieke en goddelijke wapens, en hen ziende zei de Heer der Zinnen tot Sankarshana: (13-14) 'AlsJeblieft neem in ogenschouw, o Gerespecteerde, deze acute dreiging voor de Yadu's die door Jou beschermd worden, Prabhu, en deze strijdwagen die is aangekomen met Je favoriete wapens. Het is inderdaad voor deze bedoeling dat Wij geboren werden: om te handelen, o Heer, ten gunste van de geheiligden; wees dus zo goed de last van deze drieëntwintig legers van de aarde weg te nemen.'

(15) Hem er aldus toe uitnodigend reden de twee nazaten van Das'ârha, in wapenrusting schitterend met hun wapens, de stad uit in hun strijdwagens vergezeld door een heel minieme troepenmacht. (16) De Allerhoogste Persoonlijkheid met Dâruka aan de teugels uitrijdend, blies op Zijn schelphoorn welke de harten van de vijandige soldaten deed beven van schrik. (17) Jarâsandha wierp een blik op Hen beiden en zei: 'Krishna jij slechtste van alle personen, ik verlang het niet om me te meten met Jou, een jongen slechts, die zich uit schaamte verbergt! Met een dwaas als Jij zal ik de strijd niet aangaan, ga toch heen Jij moordenaar van je verwanten! (18) En als Jij, Râma, het lef hebt te vechten: raap dan je moed maar bijeen; ofwel leg je het loodje en ga je naar de hemel door mijn pijlen doorklieft of je brengt mij ter dood!'

(19) De Allerhoogste Heer zei: 'Waarlijk, helden hoeven niet zo op te snijden, ze geven simpel blijk van hun kunnen; hoe kunnen we de woorden nu serieus nemen, o Koning, van een man ijlend met de dood voor ogen?'

(20) S'rî S'uka zei: 'De zoon van Jarâ, met zijn gigantische vloed aan machtige troepen marcheerde toen voorwaarts op de twee afstammelingen van Madhu af, die toen werden omringd door de soldaten, strijdwagens, vlaggen, paarden en wagenmenners zoals de wind de zon verhuld met wolken of een vuur met stof. (21) Toen Hari's en Râma's twee strijdwagenvaandels gemerkt met de palmboom en Garuda niet meer konden worden waargenomen in het strijdgewoel, vielen de vrouwen van de stad die zich hadden opgesteld op de wachttorens, de paleizen en de doorgangen, in zwijm getroffen door verdriet. (22) De Heer, Hij die wordt aanbeden door verlicht en onverlicht, ziende hoe Zijn leger werd belaagd door de woeste wolken pijlen die de vijandige strijdkrachten keer op keer op hen deden neerregenen, liet daarop S'ârnga, Zijn hoogst uitnemende boog zingen. (23) Vanuit Zijn pijlenkoker toen een stortvloed aan scherpe pijlen aanleggend, aanspannend en afvurend, trof Hij zonder ophouden, als een brandende toorts rondgedraaid, de strijdwagens, olifanten, paarden en soldaten te voet. (24) Olifanten vielen met koppen opengespleten, en vele paarden van de cavalerie en de strijdwagens hadden tegelijk hun halzen en vlaggen doorkliefd door de pijlen en van de strijdwagenmenners, hun meesters en het voetvolk werden armen, benen en schouders er af geschoten. (25-28) Van de ledematen van de tweebenigen, de olifanten en de paarden die er af lagen, stroomde het bloed in honderden rivieren die vol lagen met armen die eruit zagen als slangen, mensenhoofden die waren als schildpadden, dode olifanten als eilanden en dode paarden die waren als krokodillen. Vol van handen en bovenbenen als vissen, mensenhaar gelijk waterplanten, bogen gelijk golven en wapens gelijk apart staande struiken leken de wagenwielen op beangstigende draaikolken en de kostbare edelstenen en fraaie juwelen op de stenen en het grind. De schuchteren schrik aanjagend en de intelligenten inspirerend met vreugde, maaide Sankarshana, met Zijn onbegrensde vermogen, met Zijn ploeg de een na de ander Zijn furieuze vijanden neer. Die troepen voor de vernietiging geleid door de koning van Magadha, mijn beste, die zo onafzienbaar, beangstigend en onoverkomelijk grenzeloos als de oceaan waren, vormden voor de Heren van het Universum, de twee zoons van Vasudeva, niet meer dan een een spelletje. (29) Het wekt geen verwondering als Hij, van Oneindige Kwaliteiten, die de handhaving, schepping en vernietiging van de drie werelden bewerkstelligt, een tegenstrevende partij onderwerpt, maar niettemin [in reactie op filosofen die Zijn afzijdigheid verkondigen] wordt het omschreven als een spel van Hem in navolging van de menselijke manier van doen. (30) De zo heel sterke Jarâsandha, wiens leger was vernietigd en die verstoken van zijn strijdwagen alleen nog maar zijn adem restte, werd door Râma zo krachtdadig beetgegrepen als een leeuw die een andere leeuw te pakken neemt. (31) Maar, terwijl Hij hem die zo vele tegenstanders had gedood aan het knevelen was, met de touwen van Varuna [vergelijk 5.24: 23] en die van normale mensen, werd Hij tegengehouden door Govinda daar Hij hem nodig had om een ander doel te dienen.

(32-33) Hij, geëerd door helden, schaamde zich ervoor vrijgelaten te zijn door de twee Heren van het Universum en dacht eraan zich te onderwerpen aan boetedoeningen, maar werd in zijn besluit op weg naar huis halverwege tegengehouden door de rest van de edellieden die hem in klare termen, betekenisvolle woorden als ook met praktische argumenten uitlegden: 'Dit verslagen zijn door de Yadu's heeft zich voorgedaan als gevolg van je eigen karmische gebondenheid'. (34) De zoon van Brihadratha met al zijn soldaten gedood en achtergelaten door de Opperheer, kwam toen zwaar terneergeslagen terug in Magadha.

(35-36) Mukunda die met Zijn troepen ongebroken de oceaan van de legers van Zijn vijand had overgestoken, werd door de dienaren der drie werelden vol lof bestrooid met bloemen. Tegemoet gekomen door de mensen van Mathurâ, die met hun koorts bezworen in grote vreugde verzet waren, werd Zijn glorie bezongen door hofzangers, boodschappers en lofredenaars. (37-38) Terwijl Hij de stad binnentrad met zijn besprenkelde straten en vele vaandels, weerklonken schelphoorns, pauken, trommels en hoorns allen tezamen met vînâ's, fluiten, en mridanga's [tweezijdige trommels voor de toewijding] en chanten de uitgelaten burgers luidkeels vedische verzen bij de feestelijk versierde doorgangen. (39) Met wijdopen ogen starend vol van liefde en genegenheid overlaadden de vrouwen Hem met bloemenslingers, yoghurt, geroosterde rijst en spruiten. (40) De talloze kostbaarheden van de helden die in de slag gevallen waren werden door de Heer allen tezamen gepresenteerd aan de koning van de Yadu's [Ugrasena]. (41) En zo deed zich het zeventien keer voor dat de koning van Magadha met zijn akshauhinî's de Yadu's bevocht die werden beschermd door Krishna's militaire kracht. (42) De Vrishni's vernietigden met de macht van Krishna de macht van de koning in zijn geheel: iedere keer dat zijn soldaten gedood waren werd hij achtergelaten en ging hij weer weg. (43) Juist toen de achttiende veldslag op handen was verscheen er een strijder uit het buitenland [Kâlayavana] die was gestuurd door Nârada. (44) Over de Vrishni's vernomen hebbende arriveerde hij daar met drie croren [dertig miljoen] barbaren [mleccha's] en belegerde hij Mathurâ, daar hij onder de mensen niemand had gevonden die zich met hem kon meten. (45) Toen Hij hem zag dacht Krishna met Sankarshana Zijn helper: 'Ah, van twee kanten; nu staan de Yadu's voor een groot probleem! (46) Deze yavana vandaag tegenover Ons opgesteld is van de zelfde grote kracht als Jarâsandha, die hier ook vandaag, morgen of overmorgen zal aankomen. (47) Terwijl Wij tweeën met hem in gevecht zijn zal de zoon van Jarâ, als hij komt, onze verwanten doden of ze anders met zich meevoeren naar zijn eigen vesting. (48) Laten we daarom vandaag de barbaren doden en ons een stad bouwen, waar onze getrouwen zich kunnen vestigen, een fort ondoordringbaar voor de tweebenigen.'

(49) De Opperheer met aldus de zaak voor ogen voorzag in een vesting van twaalf yoyana's [in omtrek] gelegen in zee alwaar hij een stad had [genaamd Dvârakâ of 'veel-poortig', zie ook 1: 11] met al het wonderbaarlijke. (50-53) Daarin kon de wetenschap van de architectuur van Tvashthâ [Vis'vakarma] worden bewonderd die met zijn kennis van zaken de hoofdwegen aanlegde, de hoven en de bedieningswegen bij de vele grondstukken. Hij herbergde vele prachtige tuinen en parken met daarin de bomen en struiken van de goddelijken en doorgangen van kwarts met een bovenbouw die met torentjes van goud de hemel raakte. De dienstgebouwen met zilver en brons waren opgesierd met gouden vaten, hadden daken met edelstenen en de huizen hadden vloeren ingelegd met kostbare smaragden. De huishoudens bevolkt door de vier varna's van de mensen hadden tempels voor hun heersende goden en waren uitgerust met uitkijktorens; en nog het mooist daarbij waren de paleizen van de Yadu-godheid. (54) Heer Indra leverde de Heer de pârijâta [koraal-]boom en de Sudharmâ-hal ['de goede wet'] waarin een sterveling zich bevindend niet onderhevig is aan de wetten der sterfelijkheid. (55) Varuna leverde paarden zo snel als de wind die wit waren en exclusief donkergrijs gekleurd; de schatbewaarder der goddelijken leverde de acht mystieke schatten [zie nidhi] en ieder van de lokale heersers bracht zijn eigen weelde in. (56) Welke macht van beheersing ook die de Allerhoogste Heer had geschonken als hun eigen volmaaktheden werd allemaal weer terug aangeboden aan Krishna, nu dat Hij op aarde was gekomen. (57) Krishna nadat hij, middels de macht van Zijn yoga, al Zijn onderdanen naar daar had overgebracht [*], ging toen op aanraden van Balarâma, de beschermer van de burgers, ongewapend de stadspoort uit, met een slinger van lotusbloemen om.

 

 

next        

 
 

 

 

Bronteksten (geen voorgaande versie in het Nederlands beschikbaar):

Krishna Establishes the City of Dvârakâ

 

Text 1:

S'rî S'uka zei: 'Asti en Prâpti, de twee koninginnen van Kamsa, o held van de Bharata's, ongelukkig dat hun echtgenoot gedood was, gingen vol verdriet naar het huis van hun vader.

S'ukadeva Gosvâmî said: When Kamsa was killed, O heroic descendant of Bharata, his two queens, Asti and Prâpti, went to their father's house in great distress.

 

Text 2:

Hun vader, de koning van Magadha genaamd Jarâsandha [zie 1.15: 9, 9.22:8, 10.2: 1-2, 10.36: 36], vertelden ze alles over de oorzaak van hun weduwschap.

The sorrowful queens told their father, King Jarâsandha of Magadha, all about how they had become widows.

 

Text 3:

Toen hij dat slechte nieuws hoorde, zette hij vol van leed en wrok, o Koning, zich tot het extreme plan de Yâdava's van de aarde weg te vagen.

Hearing this odious news, O King, Jarâsandha was filled with sorrow and anger, and he began the greatest possible endeavor to rid the earth of the Yâdavas.

 

Text 4:

Met drieëntwintig akshauhinî's groepeerde hij zich rondom Mathurâ om de residentie van de Yadu's van alle kanten te belegeren.

With a force of twenty-three akshauhinî divisions, he laid siege to the Yadu capital, Mathurâ, on all sides.

 

Text5-6:

Krishna, de Allerhoogste Heer Hari, die zag hoe door zijn troepenmacht, als een oceaan die buiten zijn oevers was getreden, Zijn stad werd belegerd en Zijn burgers door de angst bevangen waren, overdacht als de Uiteindelijke Oorzaak in een Menselijke Gedaante wat voor de bedoeling van Zijn nederdaling in deze wereld gepast zou zijn gezien de tijd en plaats:

Although Lord Krishna, the Supreme Personality of Godhead, is the original cause of this world, when He descended to the earth He played the role of a human being. Thus when He saw Jarâsandha's assembled army surrounding His city like a great ocean overflowing its shores, and when He saw how this army was striking fear into His subjects, the Lord considered what His suitable response should be according to the time, place and specific purpose of His current incarnation.

 

Text 7-8:

'Ik zal zeker zijn leger vernietigen, deze last van de aarde, op de been gebracht door de Koning van Magadha waarin hij allen verzameld heeft die ondergeschikt de leiding op zich namen en nu kunnen worden geteld in akshauhinî's van infanterie, cavalerie, strijdwagens en vechtolifanten; Jarâsandha echter, moet ik sparen zodat hij het opnieuw zal proberen om een leger bijeen te brengen.

[The Supreme Lord thought:] Since it is such a burden on the earth, I will destroy Jarâsandha's army, consisting of akshauhinîs of foot soldiers, horses, chariots and elephants, which the King of Magadha has assembled from all subservient kings and brought together here. But Jarâsandha himself should not be killed, since in the future he will certainly assemble another army.

 

Text 9:

Dit is de bedoeling van Mijn nederdalen: dat de last van deze aarde wordt weggenomen, de geheiligden ten volle beschermd zijn en dat zij die tegenstreven de dood vinden.

This is the purpose of My present incarnation - to relieve the earth of its burden, protect the pious and kill the impious.

 

Text 10:

Ook andere lichamen worden door Mij aangenomen voor het verdedigen van het dharma wanneer ook maar, na verloop van tijd, het onrecht overheerst [zie ook 2.7, en B.G. 4: 7].'

I also assume other bodies to protect religion and to end irreligion whenever it flourishes in the course of time.

 

Text 11:

Terwijl Hij op deze manier mediteerde verschenen op dat zelfde moment uit de hemel [uit Vaikuntha] twee strijdwagens met een gloed als die van de zon compleet met wagenmenners en een uitrusting.

[S'ukadeva Gosvâmî continued:] As Lord Govinda was thinking in this way, two chariots as effulgent as the sun suddenly descended from the sky. They were complete with drivers and equipment.

 

Text 12:

En zo deden dat ook op eigen gelegenheid de Heer Zijn klassieke en goddelijke wapens, en hen ziende zei de Heer der Zinnen tot Sankarshana:

The Lord's eternal divine weapons also appeared before Him spontaneously. Seeing these, S'rî Krishna, Lord of the senses, addressed Lord Sankarshana.

 

 Text 13-14

'AlsJeblieft neem in ogenschouw, o Gerespecteerde, deze acute dreiging voor de Yadu's die door Jou beschermd worden, Prabhu, en deze strijdwagen die is aangekomen met Je favoriete wapens. Het is inderdaad voor deze bedoeling dat Wij geboren werden: om te handelen, o Heer, ten gunste van de geheiligden; wees dus zo goed de last van deze drieëntwintig legers van de aarde weg te nemen.'

[The Supreme Lord said:] My respected elder brother, see this danger which has beset Your dependents, the Yadus! And see, dear master, how Your personal chariot and favorite weapons have come before You. The purpose for which We have taken birth, My Lord, is to secure the welfare of Our devotees. Please now remove from the earth the burden of these twenty-three armies.

 

Text 15

Hem er aldus toe uitnodigend reden de twee nazaten van Das'ârha, in wapenrusting schitterend met hun wapens, de stad uit in hun strijdwagens vergezeld door een heel minieme troepenmacht.

After Lord Krishna had thus invited His brother, the two Dâs'ârhas, Krishna and Balarâma, wearing armor and displaying Their resplendent weapons, drove out of the city in Their chariots. Only a very small contingent of soldiers accompanied Them.

  

Text 16

De Allerhoogste Persoonlijkheid met Dâruka aan de teugels uitrijdend, blies op Zijn schelphoorn welke de harten van de vijandige soldaten deed beven van schrik.

As Lord Krishna came out of the city with Dâruka at the reins of His chariot, He blew His conchshell, and the enemy soldiers' hearts began to tremble with fear.

   

Text 17

Jarâsandha wierp een blik op Hen beiden en zei: 'Krishna jij slechtste van alle personen, ik verlang het niet om me te meten met Jou, een jongen slechts, die zich uit schaamte verbergt! Met een dwaas als Jij zal ik de strijd niet aangaan, ga toch heen Jij moordenaar van je verwanten!

Jarâsandha looked at the two of Them and said: O Krishna, lowest of men! I do not wish to fight alone with You, since it would be a shame to fight with a mere boy. You fool who keep Yourself hidden, O murderer of Your relatives, go away! I will not fight with You.

 .

Text 18

En als Jij, Râma, het lef hebt te vechten: raap dan je moed maar bijeen; ofwel leg je het loodje en ga je naar de hemel door mijn pijlen doorklieft of je brengt mij ter dood!'

You, Râma, should gather Your courage and fight with me, if You think You can do it. You may either give up Your body when it is cut to pieces by my arrows, and thus attain to heaven, or else kill me.

 

Text 19

De Allerhoogste Heer zei: 'Waarlijk, helden hoeven niet zo op te snijden, ze geven simpel blijk van hun kunnen; hoe kunnen we de woorden nu serieus nemen, o Koning, van een man ijlend met de dood voor ogen?'

The Supreme Lord said: Real heroes do not simply boast but rather show their prowess in action. We cannot take seriously the words of one who is full of anxiety and who wants to die.

 

Text 20

S'rî S'uka zei: 'De zoon van Jarâ, met zijn gigantische vloed aan machtige troepen marcheerde toen voorwaarts op de twee afstammelingen van Madhu af, die toen werden omringd door de soldaten, strijdwagens, vlaggen, paarden en wagenmenners zoals de wind de zon verhuld met wolken of een vuur met stof.

S'ukadeva Gosvâmî said: Just as the wind covers the sun with clouds or a fire with dust, the son of Jarâ marched toward the two descendants of Madhu and with his huge assemblage of armies surrounded Them and Their soldiers, chariots, flags, horses and charioteers.

  

Text 21

Toen Hari's en Râma's twee strijdwagenvaandels gemerkt met de palmboom en Garuda niet meer konden worden waargenomen in het strijdgewoel, vielen de vrouwen van de stad die zich hadden opgesteld op de wachttorens, de paleizen en de doorgangen, in zwijm getroffen door verdriet.

The women stood in the watchtowers, palaces and high gates of the city. When they could no longer see Krishna's and Balarâma's chariots, identified by banners marked with the emblems of Garuda and a palm tree, they were struck with grief and fainted.

 

Text 22

De Heer, Hij die wordt aanbeden door verlicht en onverlicht, ziende hoe Zijn leger werd belaagd door de woeste wolken pijlen die de vijandige strijdkrachten keer op keer op hen deden neerregenen, liet daarop S'ârnga, Zijn hoogst uitnemende boog zingen.

Seeing His army tormented by the relentless and savage rain of arrows from the massive opposing forces gathered like clouds about Him, Lord Hari twanged His excellent bow, S'ârnga, which both gods and demons worship.

 

Text 23

Vanuit Zijn pijlenkoker toen een stortvloed aan scherpe pijlen aanleggend, aanspannend en afvurend, trof Hij zonder ophouden, als een brandende toorts rondgedraaid, de strijdwagens, olifanten, paarden en soldaten te voet.

Lord Krishna took arrows from His quiver, fixed them on the bowstring, pulled back, and released endless torrents of sharp shafts, which struck the enemy's chariots, elephants, horses and infantrymen. The Lord shooting His arrows resembled a blazing circle of fire.

 

Text 24

Olifanten vielen met koppen opengespleten, en vele paarden van de cavalerie en de strijdwagens hadden tegelijk hun halzen en vlaggen doorkliefd door de pijlen en van de strijdwagenmenners, hun meesters en het voetvolk werden armen, benen en schouders er af geschoten.

Elephants fell to the ground, their foreheads split open, cavalry horses fell with severed necks, chariots fell with their horses, flags, drivers and masters all shattered, and foot soldiers collapsed with severed arms, thighs and shoulders.

 

Text 25-28

Van de ledematen van de tweebenigen, de olifanten en de paarden die er af lagen, stroomde het bloed in honderden rivieren die vol lagen met armen die eruit zagen als slangen, mensenhoofden die waren als schildpadden, dode olifanten als eilanden en dode paarden die waren als krokodillen. Vol van handen en bovenbenen als vissen, mensenhaar gelijk waterplanten, bogen gelijk golven en wapens gelijk apart staande struiken leken de wagenwielen op beangstigende draaikolken en de kostbare edelstenen en fraaie juwelen op de stenen en het grind. De schuchteren schrik aanjagend en de intelligenten inspirerend met vreugde, maaide Sankarshana, met Zijn onbegrensde vermogen, met Zijn ploeg de een na de ander Zijn furieuze vijanden neer. Die troepen voor de vernietiging geleid door de koning van Magadha, mijn beste, die zo onafzienbaar, beangstigend en onoverkomelijk grenzeloos als de oceaan waren, vormden voor de Heren van het Universum, de twee zoons van Vasudeva, niet meer dan een een spelletje.

On the battlefield, hundreds of rivers of blood flowed from the limbs of the humans, elephants and horses who had been cut to pieces. In these rivers arms resembled snakes; human heads, turtles; dead elephants, islands; and dead horses, crocodiles. Hands and thighs appeared like fish, human hair like waterweeds, bows like waves, and various weapons like clumps of bushes. The rivers of blood teemed with all of these.

Chariot wheels looked like terrifying whirlpools, and precious gems and ornaments resembled stones and gravel in the rushing red rivers, which aroused fear in the timid, joy in the wise. With the blows of His plow weapon the immeasurably powerful Lord Balarâma destroyed Magadhendra's military force. And though this force was as unfathomable and fearsome as an impassable ocean, for the two sons of Vasudeva, the Lords of the universe, the battle was hardly more than play.

 

Text 29

Het wekt geen verwondering als Hij, van Oneindige Kwaliteiten, die de handhaving, schepping en vernietiging van de drie werelden bewerkstelligt, een tegenstrevende partij onderwerpt, maar niettemin [in reactie op filosofen die Zijn afzijdigheid verkondigen] wordt het omschreven als een spel van Hem in navolging van de menselijke manier van doen.

For Him who orchestrates the creation, maintenance and destruction of the three worlds and who possesses unlimited spiritual qualities, it is hardly amazing that He subdues an opposing party. Still, when the Lord does so, imitating human behavior, sages glorify His acts.

 

Text 30

De zo heel sterke Jarâsandha, wiens leger was vernietigd en die verstoken van zijn strijdwagen alleen nog maar zijn adem restte, werd door Râma zo krachtdadig beetgegrepen als een leeuw die een andere leeuw te pakken neemt.

Jarâsandha, with his chariot lost and all his soldiers dead, was left with only his breath. At that point Lord Balarâma forcibly seized the powerful warrior, just as one lion takes hold of another.

 

Text 31

Maar, terwijl Hij hem die zo vele tegenstanders had gedood aan het knevelen was, met de touwen van Varuna [vergelijk 5.24: 23] en die van normale mensen, werd Hij tegengehouden door Govinda daar Hij hem nodig had om een ander doel te dienen.

With the divine noose of Varuna and other, mortal ropes, Balarâma began tying up Jarâsandha, who had killed so many foes. But Lord Govinda still had a purpose to fulfill through Jarâsandha, and thus He asked Balarâma to stop.

 

Text 32-33

Hij, geëerd door helden, schaamde zich ervoor vrijgelaten te zijn door de twee Heren van het Universum en dacht eraan zich te onderwerpen aan boetedoeningen, maar werd in zijn besluit op weg naar huis halverwege tegengehouden door de rest van de edellieden die hem in klare termen, betekenisvolle woorden als ook met praktische argumenten uitlegden: 'Dit verslagen zijn door de Yadu's heeft zich voorgedaan als gevolg van je eigen karmische gebondenheid'.

Jarâsandha, whom fighters had highly honored, was ashamed after being released by the two Lords of the universe, and thus he decided to undergo penances. On the road, however, several kings convinced him with both spiritual wisdom and mundane arguments that he should give up his idea of self-abnegation. They told him, "Your defeat by the Yadus was simply the unavoidable reaction of your past karma.

 

Text 34

De zoon van Brihadratha met al zijn soldaten gedood en achtergelaten door de Opperheer, kwam toen zwaar terneergeslagen terug in Magadha.

All of his armies having been killed, and himself neglected by the Personality of Godhead, King Jarâsandha, son of Brihadratha, then sadly returned to the kingdom of the Magadhas.

 

Text 35-36

Mukunda die met Zijn troepen ongebroken de oceaan van de legers van Zijn vijand had overgestoken, werd door de dienaren der drie werelden vol lof bestrooid met bloemen. Tegemoet gekomen door de mensen van Mathurâ, die met hun koorts bezworen in grote vreugde verzet waren, werd Zijn glorie bezongen door hofzangers, boodschappers en lofredenaars.

Lord Mukunda had crossed the ocean of His enemy's armies with His own military force completely intact. He received congratulations from the denizens of heaven, who showered Him with flowers. The people of Mathurâ, relieved of their feverish anxiety and filled with joy, came out to meet Him as professional bards, heralds and panegyrists sang in praise of His victory.

 

Text 37-38

Terwijl Hij de stad binnentrad met zijn besprenkelde straten en vele vaandels, weerklonken schelphoorns, pauken, trommels en hoorns allen tezamen met vînâ's, fluiten, en mridanga's [tweezijdige trommels voor de toewijding] en chanten de uitgelaten burgers luidkeels vedische verzen bij de feestelijk versierde doorgangen.

As the Lord entered His city, conchshells and kettledrums sounded, and many drums, horns, vînâs, flutes and mridangas played in concert. The boulevards were sprinkled with water, there were banners everywhere, and the gateways were decorated for the celebration. The citizens were elated, and the city resounded with the chanting of Vedic hymns.

 

Text 39

Met wijdopen ogen starend vol van liefde en genegenheid overlaadden de vrouwen Hem met bloemenslingers, yoghurt, geroosterde rijst en spruiten.

As the women of the city affectionately looked at the Lord, their eyes wide open with love, they scattered flower garlands, yogurt, parched rice and newly grown sprouts upon Him.

 

Text 40

De talloze kostbaarheden van de helden die in de slag gevallen waren werden door de Heer allen tezamen gepresenteerd aan de koning van de Yadu's [Ugrasena].

Lord Krishna then presented to the Yadu king all the wealth that had fallen on the battlefield - namely, the countless ornaments of the dead warriors.

 

Text 41

En zo deed zich het zeventien keer voor dat de koning van Magadha met zijn akshauhinî's de Yadu's bevocht die werden beschermd door Krishna's militaire kracht.

Seventeen times the King of Magadha met defeat in this very way. And yet throughout these defeats he fought on with his akshauhinî divisions against the forces of the Yadu dynasty who were protected by S'rî Krishna.

 

Text 42

De Vrishni's vernietigden met de macht van Krishna de macht van de koning in zijn geheel: iedere keer dat zijn soldaten gedood waren werd hij achtergelaten en ging hij weer weg.

By the power of Lord Krishna, the Vrishnis would invariably annihilate all of Jarâsandha's forces, and when all his soldiers had been killed, the King, released by his enemies, would again go away.

 

Text 43

Juist toen de achttiende veldslag op handen was verscheen er een strijder uit het buitenland [Kâlayavana] die was gestuurd door Nârada.

Just as the eighteenth battle was about to take place, a barbarian warrior named Kâlayavana, sent by Nârada, appeared on the battlefield.

 

Text 44

Over de Vrishni's vernomen hebbende arriveerde hij daar met drie croren [dertig miljoen] barbaren [mleccha's] en belegerde hij Mathurâ, daar hij onder de mensen niemand had gevonden die zich met hem kon meten.

Arriving at Mathurâ, this Yavana laid siege to the city with thirty million barbarian soldiers. He had never found a human rival worth fighting, but he had heard that the Vrishnis were his equals.

 

Text 45

Toen Hij hem zag dacht Krishna met Sankarshana Zijn helper: 'Ah, van twee kanten; nu staan de Yadu's voor een groot probleem!

When Lord Krishna and Lord Sankarshana saw Kâlayavana, Krishna thought about the situation and said, "Ah, a great danger now threatens the Yadus from two sides.

 

Text 46

Deze yavana vandaag tegenover Ons opgesteld is van de zelfde grote kracht als Jarâsandha, die hier ook vandaag, morgen of overmorgen zal aankomen.

"This Yavana is besieging us already, and the mighty King of Magadha will soon arrive here, if not today then tomorrow or the next day.

 

Text 47

Terwijl Wij tweeën met hem in gevecht zijn zal de zoon van Jarâ, als hij komt, onze verwanten doden of ze anders met zich meevoeren naar zijn eigen vesting.

"If powerful Jarâsandha comes while We two are busy fighting Kâlayavana, Jarâsandha may kill Our relatives or else take them away to his capital.

 

Text 48

Laten we daarom vandaag de barbaren doden en ons een stad bouwen, waar onze getrouwen zich kunnen vestigen, een fort ondoordringbaar voor de tweebenigen.'

"Therefore We will immediately construct a fortress that no human force can penetrate. Let Us settle our family members there and then kill the barbarian king."

 

Text 49

De Opperheer met aldus de zaak voor ogen voorzag in een vesting van twaalf yoyana's [in omtrek] gelegen in zee alwaar hij een stad had [genaamd Dvârakâ of 'veel-poortig', zie ook 1: 11] met al het wonderbaarlijke.

After thus discussing the matter with Balarâma, the Supreme Personality of Godhead had a fortress twelve yojanas in circumference built within the sea. Inside that fort He had a city built containing all kinds of wonderful things.

 

Text 50-53

Daarin kon de wetenschap van de architectuur van Tvashthâ [Vis'vakarma] worden bewonderd die met zijn kennis van zaken de hoofdwegen aanlegde, de hoven en de bedieningswegen bij de vele grondstukken. Hij herbergde vele prachtige tuinen en parken met daarin de bomen en struiken van de goddelijken en doorgangen van kwarts met een bovenbouw die met torentjes van goud de hemel raakte. De dienstgebouwen met zilver en brons waren opgesierd met gouden vaten, hadden daken met edelstenen en de huizen hadden vloeren ingelegd met kostbare smaragden. De huishoudens bevolkt door de vier varna's van de mensen hadden tempels voor hun heersende goden en waren uitgerust met uitkijktorens; en nog het mooist daarbij waren de paleizen van de Yadu-godheid.

In the construction of that city could be seen the full scientific knowledge and architectural skill of Vis'vakarmâ. There were wide avenues, commercial roads and courtyards laid out on ample plots of land; there were splendid parks, and also gardens stocked with trees and creepers from the heavenly planets. The gateway towers were topped with golden turrets touching the sky, and their upper levels were fashioned of crystal quartz. The gold-covered houses were adorned in front with golden pots and on top with jeweled roofs, and their floors were inlaid with precious emeralds. Beside the houses stood treasury buildings, warehouses, and stables for fine horses, all built of silver and brass. Each residence had a watchtower, and also a temple for its household deity. Filled with citizens of all four social orders, the city was especially beautified by the palaces of S'rî Krishna, the Lord of the Yadus.

 

Text 54

Heer Indra leverde de Heer de pârijâta [koraal-]boom en de Sudharmâ-hal ['de goede wet'] waarin een sterveling zich bevindend niet onderhevig is aan de wetten der sterfelijkheid.

Lord Indra brought S'rî Krishna the Sudharmâ assembly hall, standing within which a mortal man is not subject to the laws of mortality. Indra also gave the pârijâta tree.

 

Text 55

Varuna leverde paarden zo snel als de wind die wit waren en exclusief donkergrijs gekleurd; de schatbewaarder der goddelijken leverde de acht mystieke schatten [zie nidhi] en ieder van de lokale heersers bracht zijn eigen weelde in.

Lord Varuna offered horses as swift as the mind, some of which were pure dark-blue, others white. The treasurer of the demigods, Kuvera, gave his eight mystic treasures, and the rulers of various planets each presented their own opulences.

 

Text 56

Welke macht van beheersing ook die de Allerhoogste Heer had geschonken als hun eigen volmaaktheden werd allemaal weer terug aangeboden aan Krishna, nu dat Hij op aarde was gekomen.

The Supreme Lord having come to the earth, O King, these demigods now offered Him whatever powers of control He had previously delegated to them for the exercise of their particular authority.

 

Text 57

Krishna nadat hij, middels de macht van Zijn yoga, al Zijn onderdanen naar daar had overgebracht [*], ging toen op aanraden van Balarâma, de beschermer van de burgers, ongewapend de stadspoort uit, met een slinger van lotusbloemen om.

After transporting all His subjects to the new city by the power of His mystic Yogamâyâ, Lord Krishna consulted with Lord Balarâma, who had remained in Mathurâ to protect it. Then, wearing a garland of lotuses but bearing no weapons, Lord Krishna went out of Mathurâ by its main gate.

 

* S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî haalt hierbij de volgende verzen aan uit de S'rî Padma Purâna, Uttara-khanda: "In het holst van de nacht, toen de burgers van Mathurâ sliepen, haalde Heer Janârdana ze plotseling weg uit die stad en plaatste hij ze in Dvârakâ. Toen de mannen wakker werden, stonden ze allen versteld dat ze zich met hun kinderen en vrouwen bevonden in paleizen gemaakt van goud. "

 

 

 

 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Produktie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties