
Bronteksten
(geen voorgaande versie in het Nederlands beschikbaar):
Krishna
Establishes the City of Dvârakâ
Text
1:
S'rî
S'uka zei: 'Asti en Prâpti, de twee koninginnen van
Kamsa, o held van de Bharata's, ongelukkig dat hun echtgenoot
gedood was, gingen vol verdriet naar het huis van hun
vader.
S'ukadeva
Gosvâmî said: When Kamsa was killed, O heroic
descendant of Bharata, his two queens, Asti and
Prâpti, went to their father's house in great
distress.
Text
2:
Hun vader, de
koning van Magadha genaamd Jarâsandha [zie
1.15:
9,
9.22:8,
10.2:
1-2,
10.36:
36],
vertelden ze alles over de oorzaak van hun
weduwschap.
The
sorrowful queens told their father, King Jarâsandha of
Magadha, all about how they had become widows.
Text
3:
Toen hij dat
slechte nieuws hoorde, zette hij vol van leed en wrok, o
Koning, zich tot het extreme plan de Yâdava's van de
aarde weg te vagen.
Hearing
this odious news, O King, Jarâsandha was filled with
sorrow and anger, and he began the greatest possible endeavor
to rid the earth of the Yâdavas.
Text
4:
Met
drieëntwintig akshauhinî's
groepeerde hij zich rondom Mathurâ om de residentie van
de Yadu's van alle kanten te belegeren.
With
a force of twenty-three akshauhinî divisions, he laid
siege to the Yadu capital, Mathurâ, on all
sides.
Text5-6:
Krishna, de
Allerhoogste Heer Hari, die zag hoe door zijn troepenmacht, als
een oceaan die buiten zijn oevers was getreden, Zijn stad werd
belegerd en Zijn burgers door de angst bevangen waren,
overdacht als de Uiteindelijke Oorzaak in een Menselijke
Gedaante wat voor de bedoeling van Zijn nederdaling in deze
wereld gepast zou zijn gezien de tijd en plaats:
Although
Lord Krishna, the Supreme Personality of Godhead, is the
original cause of this world, when He descended to the earth
He played the role of a human being. Thus when He saw
Jarâsandha's assembled army surrounding His city like
a great ocean overflowing its shores, and when He saw how
this army was striking fear into His subjects, the Lord
considered what His suitable response should be according to
the time, place and specific purpose of His current
incarnation.
Text
7-8:
'Ik zal zeker
zijn leger vernietigen, deze last van de aarde, op de been
gebracht door de Koning van Magadha waarin hij allen verzameld
heeft die ondergeschikt de leiding op zich namen en nu kunnen
worden geteld in akshauhinî's van infanterie, cavalerie,
strijdwagens en vechtolifanten; Jarâsandha echter, moet
ik sparen zodat hij het opnieuw zal proberen om een leger
bijeen te brengen.
[The
Supreme Lord thought:] Since it is such a burden on the
earth, I will destroy Jarâsandha's army, consisting of
akshauhinîs of foot soldiers, horses, chariots and
elephants, which the King of Magadha has assembled from all
subservient kings and brought together here. But
Jarâsandha himself should not be killed, since in the
future he will certainly assemble another army.
Text
9:
Dit is de
bedoeling van Mijn nederdalen: dat de last van deze aarde wordt
weggenomen, de geheiligden ten volle beschermd zijn en dat zij
die tegenstreven de dood vinden.
This
is the purpose of My present incarnation - to relieve the
earth of its burden, protect the pious and kill the
impious.
Text
10:
Ook andere
lichamen worden door Mij aangenomen voor het verdedigen van het
dharma wanneer ook maar, na verloop van tijd, het onrecht
overheerst [zie ook 2.7,
en B.G. 4:
7].'
I
also assume other bodies to protect religion and to end
irreligion whenever it flourishes in the course of
time.
Text
11:
Terwijl Hij op
deze manier mediteerde verschenen op dat zelfde moment uit de
hemel [uit Vaikuntha] twee strijdwagens met een gloed
als die van de zon compleet met wagenmenners en een uitrusting.
[S'ukadeva
Gosvâmî continued:] As Lord Govinda was
thinking in this way, two chariots as effulgent as the sun
suddenly descended from the sky. They were complete with
drivers and equipment.
Text
12:
En zo deden dat
ook op eigen gelegenheid de Heer Zijn klassieke en goddelijke
wapens, en hen ziende zei de Heer der Zinnen tot
Sankarshana:
The
Lord's eternal divine weapons also appeared before Him
spontaneously. Seeing these, S'rî Krishna, Lord of the
senses, addressed Lord Sankarshana.
Text
13-14
'AlsJeblieft
neem in ogenschouw, o Gerespecteerde, deze acute dreiging voor
de Yadu's die door Jou beschermd worden, Prabhu, en deze
strijdwagen die is aangekomen met Je favoriete wapens. Het is
inderdaad voor deze bedoeling dat Wij geboren werden: om te
handelen, o Heer, ten gunste van de geheiligden; wees dus zo
goed de last van deze drieëntwintig legers van de aarde
weg te nemen.'
[The
Supreme Lord said:] My respected elder brother, see this
danger which has beset Your dependents, the Yadus! And see,
dear master, how Your personal chariot and favorite weapons
have come before You. The purpose for which We have taken
birth, My Lord, is to secure the welfare of Our devotees.
Please now remove from the earth the burden of these
twenty-three armies.
Text
15
Hem er aldus
toe uitnodigend reden de twee nazaten van Das'ârha, in
wapenrusting schitterend met hun wapens, de stad uit in hun
strijdwagens vergezeld door een heel minieme troepenmacht.
After
Lord Krishna had thus invited His brother, the two
Dâs'ârhas, Krishna and Balarâma, wearing
armor and displaying Their resplendent weapons, drove out of
the city in Their chariots. Only a very small contingent of
soldiers accompanied Them.
Text
16
De Allerhoogste
Persoonlijkheid met Dâruka aan de teugels uitrijdend,
blies op Zijn schelphoorn welke de harten van de vijandige
soldaten deed beven van schrik.
As
Lord Krishna came out of the city with Dâruka at the
reins of His chariot, He blew His conchshell, and the enemy
soldiers' hearts began to tremble with fear.
Text
17
Jarâsandha
wierp een blik op Hen beiden en zei: 'Krishna jij slechtste van
alle personen, ik verlang het niet om me te meten met Jou, een
jongen slechts, die zich uit schaamte verbergt! Met een dwaas
als Jij zal ik de strijd niet aangaan, ga toch heen Jij
moordenaar van je verwanten!
Jarâsandha
looked at the two of Them and said: O Krishna, lowest of
men! I do not wish to fight alone with You, since it would
be a shame to fight with a mere boy. You fool who keep
Yourself hidden, O murderer of Your relatives, go away! I
will not fight with You.
.
Text
18
En als Jij,
Râma, het lef hebt te vechten: raap dan je moed maar
bijeen; ofwel leg je het loodje en ga je naar de hemel door
mijn pijlen doorklieft of je brengt mij ter
dood!'
You,
Râma, should gather Your courage and fight with me, if
You think You can do it. You may either give up Your body
when it is cut to pieces by my arrows, and thus attain to
heaven, or else kill me.
Text
19
De Allerhoogste
Heer zei: 'Waarlijk, helden hoeven niet zo op te snijden, ze
geven simpel blijk van hun kunnen; hoe kunnen we de woorden nu
serieus nemen, o Koning, van een man ijlend met de dood voor
ogen?'
The
Supreme Lord said: Real heroes do not simply boast but
rather show their prowess in action. We cannot take
seriously the words of one who is full of anxiety and who
wants to die.
Text
20
S'rî
S'uka zei: 'De zoon van Jarâ, met zijn gigantische vloed
aan machtige troepen marcheerde toen voorwaarts op de twee
afstammelingen van Madhu af, die toen werden omringd door de
soldaten, strijdwagens, vlaggen, paarden en wagenmenners zoals
de wind de zon verhuld met wolken of een vuur met stof.
S'ukadeva
Gosvâmî said: Just as the wind covers the sun
with clouds or a fire with dust, the son of Jarâ
marched toward the two descendants of Madhu and with his
huge assemblage of armies surrounded Them and Their
soldiers, chariots, flags, horses and charioteers.
Text
21
Toen Hari's en
Râma's twee strijdwagenvaandels gemerkt met de palmboom
en Garuda niet meer konden worden waargenomen in het
strijdgewoel, vielen de vrouwen van de stad die zich hadden
opgesteld op de wachttorens, de paleizen en de doorgangen, in
zwijm getroffen door verdriet.
The
women stood in the watchtowers, palaces and high gates of
the city. When they could no longer see Krishna's and
Balarâma's chariots, identified by banners marked with
the emblems of Garuda and a palm tree, they were struck with
grief and fainted.
Text
22
De Heer, Hij
die wordt aanbeden door verlicht en onverlicht, ziende hoe Zijn
leger werd belaagd door de woeste wolken pijlen die de
vijandige strijdkrachten keer op keer op hen deden neerregenen,
liet daarop S'ârnga, Zijn hoogst uitnemende boog zingen.
Seeing
His army tormented by the relentless and savage rain of
arrows from the massive opposing forces gathered like clouds
about Him, Lord Hari twanged His excellent bow,
S'ârnga, which both gods and demons worship.
Text
23
Vanuit Zijn
pijlenkoker toen een stortvloed aan scherpe pijlen aanleggend,
aanspannend en afvurend, trof Hij zonder ophouden, als een
brandende toorts rondgedraaid, de strijdwagens, olifanten,
paarden en soldaten te voet.
Lord
Krishna took arrows from His quiver, fixed them on the
bowstring, pulled back, and released endless torrents of
sharp shafts, which struck the enemy's chariots, elephants,
horses and infantrymen. The Lord shooting His arrows
resembled a blazing circle of fire.
Text
24
Olifanten
vielen met koppen opengespleten, en vele paarden van de
cavalerie en de strijdwagens hadden tegelijk hun halzen en
vlaggen doorkliefd door de pijlen en van de strijdwagenmenners,
hun meesters en het voetvolk werden armen, benen en schouders
er af geschoten.
Elephants
fell to the ground, their foreheads split open, cavalry
horses fell with severed necks, chariots fell with their
horses, flags, drivers and masters all shattered, and foot
soldiers collapsed with severed arms, thighs and
shoulders.
Text
25-28
Van de
ledematen van de tweebenigen, de olifanten en de paarden die er
af lagen, stroomde het bloed in honderden rivieren die vol
lagen met armen die eruit zagen als slangen, mensenhoofden die
waren als schildpadden, dode olifanten als eilanden en dode
paarden die waren als krokodillen. Vol van handen en bovenbenen
als vissen, mensenhaar gelijk waterplanten, bogen gelijk golven
en wapens gelijk apart staande struiken leken de wagenwielen op
beangstigende draaikolken en de kostbare edelstenen en fraaie
juwelen op de stenen en het grind. De schuchteren schrik
aanjagend en de intelligenten inspirerend met vreugde, maaide
Sankarshana, met Zijn onbegrensde vermogen, met Zijn ploeg de
een na de ander Zijn furieuze vijanden neer. Die troepen voor
de vernietiging geleid door de koning van Magadha, mijn beste,
die zo onafzienbaar, beangstigend en onoverkomelijk grenzeloos
als de oceaan waren, vormden voor de Heren van het Universum,
de twee zoons van Vasudeva, niet meer dan een een
spelletje.
On
the battlefield, hundreds of rivers of blood flowed from the
limbs of the humans, elephants and horses who had been cut
to pieces. In these rivers arms resembled snakes; human
heads, turtles; dead elephants, islands; and dead horses,
crocodiles. Hands and thighs appeared like fish, human hair
like waterweeds, bows like waves, and various weapons like
clumps of bushes. The rivers of blood teemed with all of
these.
Chariot
wheels looked like terrifying whirlpools, and precious gems
and ornaments resembled stones and gravel in the rushing red
rivers, which aroused fear in the timid, joy in the wise.
With the blows of His plow weapon the immeasurably powerful
Lord Balarâma destroyed Magadhendra's military force.
And though this force was as unfathomable and fearsome as an
impassable ocean, for the two sons of Vasudeva, the Lords of
the universe, the battle was hardly more than
play.
Text
29
Het wekt geen
verwondering als Hij, van Oneindige Kwaliteiten, die de
handhaving, schepping en vernietiging van de drie werelden
bewerkstelligt, een tegenstrevende partij onderwerpt, maar
niettemin [in reactie op filosofen die Zijn afzijdigheid
verkondigen] wordt het omschreven als een spel van Hem in
navolging van de menselijke manier van doen.
For
Him who orchestrates the creation, maintenance and
destruction of the three worlds and who possesses unlimited
spiritual qualities, it is hardly amazing that He subdues an
opposing party. Still, when the Lord does so, imitating
human behavior, sages glorify His acts.
Text
30
De zo heel
sterke Jarâsandha, wiens leger was vernietigd en die
verstoken van zijn strijdwagen alleen nog maar zijn adem
restte, werd door Râma zo krachtdadig beetgegrepen als
een leeuw die een andere leeuw te pakken neemt.
Jarâsandha,
with his chariot lost and all his soldiers dead, was left
with only his breath. At that point Lord Balarâma
forcibly seized the powerful warrior, just as one lion takes
hold of another.
Text
31
Maar, terwijl
Hij hem die zo vele tegenstanders had gedood aan het knevelen
was, met de touwen van Varuna [vergelijk
5.24:
23] en die
van normale mensen, werd Hij tegengehouden door Govinda daar
Hij hem nodig had om een ander doel te dienen.
With
the divine noose of Varuna and other, mortal ropes,
Balarâma began tying up Jarâsandha, who had
killed so many foes. But Lord Govinda still had a purpose to
fulfill through Jarâsandha, and thus He asked
Balarâma to stop.
Text
32-33
Hij,
geëerd door helden, schaamde zich ervoor vrijgelaten te
zijn door de twee Heren van het Universum en dacht eraan zich
te onderwerpen aan boetedoeningen, maar werd in zijn besluit op
weg naar huis halverwege tegengehouden door de rest van de
edellieden die hem in klare termen, betekenisvolle woorden als
ook met praktische argumenten uitlegden: 'Dit verslagen zijn
door de Yadu's heeft zich voorgedaan als gevolg van je eigen
karmische gebondenheid'.
Jarâsandha,
whom fighters had highly honored, was ashamed after being
released by the two Lords of the universe, and thus he
decided to undergo penances. On the road, however, several
kings convinced him with both spiritual wisdom and mundane
arguments that he should give up his idea of
self-abnegation. They told him, "Your defeat by the Yadus
was simply the unavoidable reaction of your past
karma.
Text
34
De zoon van
Brihadratha
met al zijn soldaten gedood en achtergelaten door de Opperheer,
kwam toen zwaar terneergeslagen terug in Magadha.
All
of his armies having been killed, and himself neglected by
the Personality of Godhead, King Jarâsandha, son of
Brihadratha, then sadly returned to the kingdom of the
Magadhas.
Text
35-36
Mukunda die met
Zijn troepen ongebroken de oceaan van de legers van Zijn vijand
had overgestoken, werd door de dienaren der drie werelden vol
lof bestrooid met bloemen. Tegemoet gekomen door de mensen van
Mathurâ, die met hun koorts bezworen in grote vreugde
verzet waren, werd Zijn glorie bezongen door hofzangers,
boodschappers en lofredenaars.
Lord
Mukunda had crossed the ocean of His enemy's armies with His
own military force completely intact. He received
congratulations from the denizens of heaven, who showered
Him with flowers. The people of Mathurâ, relieved of
their feverish anxiety and filled with joy, came out to meet
Him as professional bards, heralds and panegyrists sang in
praise of His victory.
Text
37-38
Terwijl Hij de
stad binnentrad met zijn besprenkelde straten en vele vaandels,
weerklonken schelphoorns, pauken, trommels en hoorns allen
tezamen met vînâ's, fluiten, en mridanga's
[tweezijdige trommels voor de toewijding] en chanten de
uitgelaten burgers luidkeels vedische verzen bij de feestelijk
versierde doorgangen.
As
the Lord entered His city, conchshells and kettledrums
sounded, and many drums, horns, vînâs, flutes
and mridangas played in concert. The boulevards were
sprinkled with water, there were banners everywhere, and the
gateways were decorated for the celebration. The citizens
were elated, and the city resounded with the chanting of
Vedic hymns.
Text
39
Met wijdopen
ogen starend vol van liefde en genegenheid overlaadden de
vrouwen Hem met bloemenslingers, yoghurt, geroosterde rijst en
spruiten.
As
the women of the city affectionately looked at the Lord,
their eyes wide open with love, they scattered flower
garlands, yogurt, parched rice and newly grown sprouts upon
Him.
Text
40
De talloze
kostbaarheden van de helden die in de slag gevallen waren
werden door de Heer allen tezamen gepresenteerd aan de koning
van de Yadu's [Ugrasena].
Lord
Krishna then presented to the Yadu king all the wealth that
had fallen on the battlefield - namely, the countless
ornaments of the dead warriors.
Text
41
En zo deed zich
het zeventien keer voor dat de koning van Magadha met zijn
akshauhinî's de Yadu's bevocht die werden beschermd door
Krishna's militaire kracht.
Seventeen
times the King of Magadha met defeat in this very way. And
yet throughout these defeats he fought on with his
akshauhinî divisions against the forces of the Yadu
dynasty who were protected by S'rî Krishna.
Text
42
De Vrishni's
vernietigden met de macht van Krishna de macht van de koning in
zijn geheel: iedere keer dat zijn soldaten gedood waren werd
hij achtergelaten en ging hij weer weg.
By
the power of Lord Krishna, the Vrishnis would invariably
annihilate all of Jarâsandha's forces, and when all
his soldiers had been killed, the King, released by his
enemies, would again go away.
Text
43
Juist toen de
achttiende veldslag op handen was verscheen er een strijder uit
het buitenland [Kâlayavana] die was gestuurd door
Nârada.
Just
as the eighteenth battle was about to take place, a
barbarian warrior named Kâlayavana, sent by
Nârada, appeared on the battlefield.
Text
44
Over de
Vrishni's vernomen hebbende arriveerde hij daar met drie croren
[dertig miljoen] barbaren [mleccha's]
en belegerde hij Mathurâ, daar hij onder de mensen
niemand had gevonden die zich met hem kon meten.
Arriving
at Mathurâ, this Yavana laid siege to the city with
thirty million barbarian soldiers. He had never found a
human rival worth fighting, but he had heard that the
Vrishnis were his equals.
Text
45
Toen Hij hem
zag dacht Krishna met Sankarshana Zijn helper: 'Ah, van twee
kanten; nu staan de Yadu's voor een groot
probleem!
When
Lord Krishna and Lord Sankarshana saw Kâlayavana,
Krishna thought about the situation and said, "Ah, a great
danger now threatens the Yadus from two sides.
Text
46
Deze yavana
vandaag tegenover Ons opgesteld is van de zelfde grote kracht
als Jarâsandha, die hier ook vandaag, morgen of
overmorgen zal aankomen.
"This
Yavana is besieging us already, and the mighty King of
Magadha will soon arrive here, if not today then tomorrow or
the next day.
Text
47
Terwijl Wij
tweeën met hem in gevecht zijn zal de zoon van Jarâ,
als hij komt, onze verwanten doden of ze anders met zich
meevoeren naar zijn eigen vesting.
"If
powerful Jarâsandha comes while We two are busy
fighting Kâlayavana, Jarâsandha may kill Our
relatives or else take them away to his capital.
Text
48
Laten we daarom
vandaag de barbaren doden en ons een stad bouwen, waar onze
getrouwen zich kunnen vestigen, een fort ondoordringbaar voor
de tweebenigen.'
"Therefore
We will immediately construct a fortress that no human force
can penetrate. Let Us settle our family members there and
then kill the barbarian king."
Text
49
De Opperheer
met aldus de zaak voor ogen voorzag in een vesting van twaalf
yoyana's [in omtrek] gelegen in zee alwaar hij een stad
had [genaamd Dvârakâ of 'veel-poortig', zie ook
1:
11] met al
het wonderbaarlijke.
After
thus discussing the matter with Balarâma, the Supreme
Personality of Godhead had a fortress twelve yojanas in
circumference built within the sea. Inside that fort He had
a city built containing all kinds of wonderful
things.
Text
50-53
Daarin kon de
wetenschap van de architectuur van Tvashthâ
[Vis'vakarma] worden bewonderd die met zijn kennis van
zaken de hoofdwegen aanlegde, de hoven en de bedieningswegen
bij de vele grondstukken. Hij herbergde vele prachtige tuinen
en parken met daarin de bomen en struiken van de goddelijken en
doorgangen van kwarts met een bovenbouw die met torentjes van
goud de hemel raakte. De dienstgebouwen met zilver en brons
waren opgesierd met gouden vaten, hadden daken met edelstenen
en de huizen hadden vloeren ingelegd met kostbare smaragden. De
huishoudens bevolkt door de vier varna's
van de mensen hadden tempels voor hun heersende goden en waren
uitgerust met uitkijktorens; en nog het mooist daarbij waren de
paleizen van de Yadu-godheid.
In
the construction of that city could be seen the full
scientific knowledge and architectural skill of
Vis'vakarmâ. There were wide avenues, commercial roads
and courtyards laid out on ample plots of land; there were
splendid parks, and also gardens stocked with trees and
creepers from the heavenly planets. The gateway towers were
topped with golden turrets touching the sky, and their upper
levels were fashioned of crystal quartz. The gold-covered
houses were adorned in front with golden pots and on top
with jeweled roofs, and their floors were inlaid with
precious emeralds. Beside the houses stood treasury
buildings, warehouses, and stables for fine horses, all
built of silver and brass. Each residence had a watchtower,
and also a temple for its household deity. Filled with
citizens of all four social orders, the city was especially
beautified by the palaces of S'rî Krishna, the Lord of
the Yadus.
Text
54
Heer Indra
leverde de Heer de pârijâta
[koraal-]boom en de Sudharmâ-hal ['de goede
wet'] waarin een sterveling zich bevindend niet onderhevig
is aan de wetten der sterfelijkheid.
Lord
Indra brought S'rî Krishna the Sudharmâ assembly
hall, standing within which a mortal man is not subject to
the laws of mortality. Indra also gave the
pârijâta tree.
Text
55
Varuna leverde
paarden zo snel als de wind die wit waren en exclusief
donkergrijs gekleurd; de schatbewaarder der goddelijken leverde
de acht mystieke schatten [zie nidhi]
en ieder van de lokale heersers bracht zijn eigen weelde
in.
Lord
Varuna offered horses as swift as the mind, some of which
were pure dark-blue, others white. The treasurer of the
demigods, Kuvera, gave his eight mystic treasures, and the
rulers of various planets each presented their own
opulences.
Text
56
Welke macht van
beheersing ook die de Allerhoogste Heer had geschonken als hun
eigen volmaaktheden werd allemaal weer terug aangeboden aan
Krishna, nu dat Hij op aarde was gekomen.
The
Supreme Lord having come to the earth, O King, these
demigods now offered Him whatever powers of control He had
previously delegated to them for the exercise of their
particular authority.
Text
57
Krishna nadat
hij, middels de macht van Zijn yoga, al Zijn onderdanen naar
daar had overgebracht [*],
ging toen op aanraden van Balarâma, de beschermer van de
burgers, ongewapend de stadspoort uit, met een slinger van
lotusbloemen om.
After
transporting all His subjects to the new city by the power
of His mystic Yogamâyâ, Lord Krishna consulted
with Lord Balarâma, who had remained in Mathurâ
to protect it. Then, wearing a garland of lotuses but
bearing no weapons, Lord Krishna went out of Mathurâ
by its main gate.
*
S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî haalt hierbij
de volgende verzen aan uit de S'rî Padma Purâna,
Uttara-khanda: "In het holst van de nacht, toen de burgers
van Mathurâ sliepen, haalde Heer Janârdana ze
plotseling weg uit die stad en plaatste hij ze in
Dvârakâ. Toen de mannen wakker werden, stonden ze
allen versteld dat ze zich met hun kinderen en vrouwen bevonden
in paleizen gemaakt van goud. "
