Canto
3
Hoofdstuk 8: Manifestatie van Brahmâ uit Garbhodakas'âyî Vishnu.
(1) S'rî Maitreya zei: 'De afstammelingen van Koning Pûru zijn zeker waardig het ware te dienen omdat hun koningen in hoofdzaak de Hoogste Persoonlijkheid zijn toegewijd; en ook met u die geboren bent in deze opeenvolging van toegewijde activiteit voor de Onoverwinnelijke, is er stap voor stap voortdurende vernieuwing. (2) Daartoe zal ik dit Bhâgavatam spreken, dit vedisch supplement welk rechtstreeks werd uitgesproken tot de wijzen door de Allerhoogste Heer ter verzachting van het grote lijden van de menselijke wezens die zo weinig geluk ervaren.
(3) De zoon van Brahmâ [Sanat-Kumâra] deed, aan het hoofd van de grote wijzen [de vier kind-heiligen, de Kumâra's], net als u navraag over de waarheid aangaande de Oorspronkelijke Persoonlijkheid bij Heer Sankarshana [het eerste volkomen deelaspect en de eerste metgezel van de Heer] die onverschrokken van kennis verblijft aan de basis van het Universum. (4) Hij op die wijze gevestigd voor de meditatie van Hem die hogelijkst gewaardeerd wordt met de naam van Vâsudeva, had Zijn blik inwaarts gekeerd, maar voor de vooruitgang van de hoog geleerde wijzen opende Hij Zijn lotusgelijke ogen enigszins. (5) Met de haren op hun hoofden nat van het water van de Ganges beroerden ze de toevlucht van Zijn lotusvoeten die wordt aanbeden door de dochters van de slangenkoning met grote toewijding en verscheidene parafernalia in het verlangen naar een goede echtgenoot. (6) Met woorden en met veel gevoel in ritmische overeenstemming bij herhaling de activiteiten van de Heer verheerlijkend, verspreidde zich vanuit de duizenden van opgeheven kragen [van Ananta, de slangenkoning] de stralende gloed van de edelstenen van hun duizenden helmen. (7) Naar verluid sprak Hij vervolgens over de strekking van het Bhâgavatam met Sanat-Kumâra die de gelofte van de yoga had afgelegd en werd het op verzoek ook verteld [op zijn beurt door hem], o Vidura, aan Sânkhyâyana die eveneens de eed had afgelegd. (8) Toen de grote wijze Sânkhyâyana als de belangrijkste der transcendentalisten die dit Bhâgavatam reciteren [daarna] uitleg gaf, werd hij gehoord door de geestelijk leraar Parâs'ara die ik volgde als ook door Brihaspati. (9) Hij [Parâs'ara] vertelde me vriendelijk van hart, op aanraden van de wijze Pulastya, de meest vooraanstaande der purâna's welke ik ook voor U zal spreken, mijn beste zoon, daar u een immer gewetensvolle volgeling bent.
(10) Toen de drie werelden waren verzonken in het water lag Hij daarin met vrijwel gesloten ogen neer op het slangenbed Ananta en was Hij zonder enige interesse in het uiterlijke druk met het genoegen van Zijn innerlijk vermogen. (11) Hij, van binnenuit het lichaam der transcendentie, behield het subtiele van de materiële elementen als de ziel van de tijd [kâla], leven en energie gevend van Zijn eigen positie van verblijf in het water, op de manier waarop de macht van vuur is gelegen in het brandhout. (12) Voor een duizend keer vier yuga's [4.32 miljard jaar], lag Hij [hiervoor] met Zijn innerlijk vermogen ten ruste terwille van de verdere ontwikkeling - middels Zijn eigen kracht genaamd kâla [tijd] - van de hele wereld gebonden in vruchtdragende handelingen, hetgeen Hem in Zijn eigen lichaam er blauwkleurig deed uitzien [als de toevlucht van het levengevend water]. (13) Naar de bedoeling van Zijn innerlijke aandacht voor de subtiele kwestie, was er na de nodige tijd door de materiële activiteit van de geaardheden der natuur, het geagiteerde [van de oer-substantie] dat toen zeer subtiel [met organische vormen] het doorboren van Zijn buik [van de ether] genereerde. (14) Die knop van de lotusbloem, van binnen uit gegenereerd, verscheen mettertijd vrij plots, de vruchtdragende activiteiten opwekkend en, met zijn eigen uitstraling, de uitgestrekte wateren der vernietiging verlichtend gelijk de zon.
(15) Die lotusbloem die het universum is ging Vishnu in eigen persoon binnen als het reservoir van alle kwaliteiten waarvan, zo men zegt, Hij in het verleden de persoon der vedische wijsheid, de heerser van het universum of de uit zichzelf-geborene voortbracht.(16) En in dat water gezeten op de werveling van de lotus was [de Brahmâ van] de wereld niet in staat te zien en ging hij zo rond met ogen spiedend in de vier richtingen, op die manier tot zijn hoofden komend ['de vier hoofden' van Brahmâ]. (17) Vanaf daar aan het eind van de Yuga kon, vanwege de lucht der vernietiging [donder en bliksem] uit de kolking van het water, het mysterie van de schepping gezeten op en behoed door de lotusbloem, door zijn verbazing zichzelf niet volkomen begrijpen als zijnde de eerste halfgod [Brahmâ]. (18) 'Wie ben ik, hij die bovenop deze lotus zit? Waar kwam deze lotus vandaan? Er zit zeker iets onder het water. Of hij nou uit zichzelf ontsproot of niet, hij moet toch tot iets anders behoren!' (19) Hij [Brahmâ], op deze wijze zich bezinnend op de steel van de lotus, kon, door dat kanaal in het water waar hij in binnenging, ondanks het feit dat hij zich naar binnen keerde en uitvoerig nadacht over dat ontsproten zijn uit de navel [van Vishnu], niet begrijpen hoe die uit zichzelf kon zijn geboren. (20) Omdat hij het in onwetendheid bezag, o Vidura, kwam het, met het zich aldus bezinnen op de oorzaak van de schepping, tot het overwicht van de driedimensionale [tri-kâlika] tijd welke voor de belichaamden het beangstigende en het bekorten van de levensduur tot een honderdtal jaren met zich meebrengt in relatie tot dat wat uitzichzelf voortkwam en het rad [de s'is'umâra cakra of het galactische] van de eeuwige tijd [vergelijk 2.2.: 24-25].
(21) Daarna zich terugtrekkend uit die onderneming zonder te hebben bereikt wat hij verlangde, kwam hij terug naar zijn eigen zitplaats [of materiële positie] waar hij als de halfgod terstond neerzat en zijn intelligentie terugtrok met het beheersen van de ademhaling, zelfverzekerd verzonken in yoga. (22) Na de nodige tijd, ontwikkelde hij, de zelfgeborene voor de duur van zijn leven [een 'honderd jaren van Brahmâ', vier yuga's of 4.32 miljard jaar], in zijn meditatie de intelligentie die zich uit zichzelf manifesteerde in het hart, waardoor hij zag wat voorheen niet kon worden gezien. (23) Op het bed van de volledig witte gigantische S'esha-nâga [slang] lotusbloem lag de Oorspronkelijke Persoon alleen neer onder de overkapping van de slangenkraag die was bedekt met de hoofdsieraden waarvan de stralen de duisternis in het water der vernietiging [de oersoep] verdreef. (24) Het panorama overtrof het groen en koraal van de avondschittering van de zon en het grote en gouden van de bergtoppen met hun juwelen aan watervallen en kruiden, en zo was het landschap van bloemen en bomen [slechts] de opsier van Zijn handen en benen. (25) De lengte en breedte van de afmeting van zijn bovenzinnelijke aanwezigheid dekte het totaal van de drie werelden in al hun diversiteit met de schoonheid van de goddelijke straling der ornamenten die Zijn lichaam sierden.
(26) Naar het verlangen van het menselijk wezen op het pad der toegewijde dienst in de aanbidding van Zijn lotusvoeten die belonen met alles waarnaar verlangd wordt, toonde Hij van die voeten in Zijn grondeloze genade de maangelijke glans van Zijn teen- en vingernagels die de prachtigste [bloemachtige] verdeling vertoont. (27) Van Zijn gelaatsuitdrukking beantwoordend aan ieder zijn verdienste, betovert Hij, die het leed van de wereld verdrijft, met Zijn glimlachen en opsmuk met oorsieraden, en met het licht gereflecteerd van Zijn lippen en fijne neus en wenkbrauwen. (28) Mijn beste Vidura, Zijn middel was mooi gesierd met een gordel en stof in de saffraankleur van kadambabloemen; er was een kostbare halsketting en op Zijn borst was er het aantrekkelijke s'rîvatsa teken [een paar witte haren]. (29) Zoals de bomen in de wereld op zich bestaan en met hun duizenden takken hun grote waarde [aan bloemen en vruchten] tentoonspreiden alsof gesierd met kostbare juwelen, zo ook is de Heer, de heerser van Ananta, [Garbhodakas'âyî Vishnu] bekleed met de kragen boven Zijn schouders. (30) De Opperheer als de bergketen vormt de leefplaats van wat zich rondbeweegt en zich niet beweegt met de vriendschap van Anantadeva die, vanuit het water bedekt met duizenden gouden helmen, als de top van die bergen het Kaustubha [onschatbare juweel] in de oceaan manifesteert. (31) Temidden daarvan met het zoete geluid van de schoonheid en de bloemenkransen van vedische wijsheid [zag Brahmâ dat] door Zijn eigen heerlijkheden de Heer van de zon, de maan, de lucht en het vuur zeer moeilijk te bereiken was, onbenaderbaar als Hij was in Zijn omzwervingen door de drie werelden, al vechtend voor de plicht. (32) Zo kon het zijn dat de godheid van het universum, de schepper van het lot, er zeker van was de navel van Hem te zien, het meer, the lotusbloem, de ziel zijn wateren der vernietiging, de droogmakende lucht en de hemel; maar hij kon zijn blik niet werpen voorbij het geschapene van de kosmische manifestatie. (33) Hij als het zaad van de wereldse activiteiten verlevendigd door de geaardheid der hartstocht bad met die blik aldus, met het [zinnelijk] vijfvoudige van de wezens begeertig naar voortplanting, om creatief te zijn naar het aanbiddelijk bovenzinnelijke op het pad van de standvastige ziel.
Tweede Editie, geladen 26 mei, 2006.
Bronteksten:
Brahmâ geopenbaard uit Garbhodakas'âyî Vishnu
S'rî Maitreya zei: 'De afstammelingen van Koning Pûru zijn zeker waardig het ware te dienen omdat hun koningen in hoofdzaak de Hoogste Persoonlijkheid zijn toegewijd; en ook met u die geboren bent in deze opeenvolging van toegewijde activiteit voor de Onoverwinnelijke, is er stap voor stap voortdurende vernieuwing.De grote wijze Maitreya Muni zei tot Vidura: Het koningshuis Pûru is waardig om de zuivere toegewijden te dienen, omdat alle nazaten van dat geslacht de Godspersoon zijn toegewijd. U bent in deze familie geboren en het is wonderbaarlijk dat door uw toedoen het bovenzinnelijke spel en vermaak van de Heer elk ogenblik nieuwer wordt. (Vedabase)
Daartoe zal ik dit Bhâgavatam spreken, dit vedisch supplement welk rechtstreeks werd uitgesproken tot de wijzen door de Allerhoogste Heer ter verzachting van het grote lijden van de menselijke wezens die zo weinig geluk ervaren.
Laat me nu beginnen te spreken over de Bhâgavata Purâna, die de Godspersoon rechtstreeks tot de grote wijzen heeft uitgesproken ten bate van hen die ter wille van bitter weinig vreugde verstrikt zijn in de grootste ellende. (Vedabase)
De zoon van Brahmâ [Sanat-Kumâra] deed, aan het hoofd van de grote wijzen [de vier kind-heiligen, de Kumâra's], net als u navraag over de waarheid aangaande de Oorspronkelijke Persoonlijkheid bij Heer Sankarshana [het eerste volkomen deelaspect en de eerste metgezel van de Heer] die onverschrokken van kennis verblijft aan de basis van het Universum.
In het verleden vroeg Sanat-kumâra, de leider van de vier klein gebleven heiligen, in gezelschap van de andere grote wijzen, evenals u vol belangstelling naar de waarheden betreffende Vâsudeva, de Allerhoogste, en wel aan Heer Sankarshana, die onder in het heelal verblijft. (Vedabase)
Hij op die wijze gevestigd voor de meditatie van Hem die hogelijkst gewaardeerd wordt met de naam van Vâsudeva, had Zijn blik inwaarts gekeerd, maar voor de vooruitgang van de hoog geleerde wijzen opende Hij Zijn lotusgelijke ogen enigszins.
Heer Sankarshana was aan het mediteren op Zijn Allerhoogste Heer, die de geleerden eren als Vâsudeva, maar ter wille van de vooruitgang van de grote wijzen opende Hij Zijn lotusogen enigszins en begon te spreken. (Vedabase)
Met de haren op hun hoofden nat van het water van de Ganges beroerden ze de toevlucht van Zijn lotusvoeten die wordt aanbeden door de dochters van de slangenkoning met grote toewijding en verscheidene parafernalia in het verlangen naar een goede echtgenoot.
De wijzen kwamen van de hoogste planeten omlaag via het water van de Ganges, waardoor hun hoofdhaar nat was. Ze raakten de lotusvoeten van de Heer aan, die met verschillende attributen aanbeden worden door de dochters van de slangenkoning, wanneer ze een goede echtgenoot willen krijgen. (Vedabase)
Met woorden en met veel gevoel in ritmische overeenstemming bij herhaling de activiteiten van de Heer verheerlijkend, verspreidde zich vanuit de duizenden van opgeheven kragen [van Ananta, de slangenkoning] de stralende gloed van de edelstenen van hun duizenden helmen.
De vier Kumâra's onder aanvoering van Sanat-kumâra, die allen het bovenzinnelijke spel en vermaak van de Heer kenden, verheerlijkten Hem in ritmische zang met welgekozen woorden vol liefde en genegenheid. Daarop begon Heer Sankarshana, met Zijn duizenden geheven kappen, uit de flonkerende stenen op Zijn hoofden een gloed uit te stralen. (Vedabase)
Naar verluid sprak Hij vervolgens over de strekking van het Bhâgavatam met Sanat-Kumâra die de gelofte van de yoga had afgelegd en werd het op verzoek ook verteld [op zijn beurt door hem], o Vidura, aan Sânkhyâyana die eveneens de eed had afgelegd.
Aldus onthulde Heer Sankarshana de strekking van het S'rîmad-Bhâgavatam aan de grote wijze Sanat-kumâra, die reeds de gelofte van verzaking had afgelegd. Op zijn beurt gaf Sanat-kumâra op diens verzoek het S'rîmad-Bhâgavatam door aan Sânkhyâyana Muni, zoals hij het van Sankarshana gehoord had. (Vedabase)
Toen de grote wijze Sânkhyâyana als de belangrijkste der transcendentalisten die dit Bhâgavatam reciteren [daarna] uitleg gaf, werd hij gehoord door de geestelijk leraar Parâs'ara die ik volgde als ook door Brihaspati.
De grote wijze Sânkyâyana was de eerste onder de transcendentalisten, en toen hij de grootsheid van de Heer beschreef met de woorden van het S'rîmad-Bhâgavatam, wilde het zo gebeuren dat mijn geestelijk leraar, Parâs'ara, en Brihaspati hem allebei hoorden. (Vedabase)
Hij [Parâs'ara] vertelde me vriendelijk van hart, op aanraden van de wijze Pulastya, de meest vooraanstaande der purâna's welke ik ook voor U zal spreken, mijn beste zoon, daar u een immer gewetensvolle volgeling bent.
De grote wijze Parâs'ara gaf op aanraden van de grote wijze Pulastya de belangrijkste der purâna's [het Bhâgavatam] aan mij door. Ik zal het nu op mijn beurt doorgeven aan jou, mijn beste zoon, zoals ik het vernomen heb, omdat je me altijd trouw volgt. (Vedabase)
Toen de drie werelden waren verzonken in het water lag Hij daarin met vrijwel gesloten ogen neer op het slangenbed Ananta en was Hij zonder enige interesse in het uiterlijke druk met het genoegen van Zijn innerlijk vermogen.
Te dien tijde, terwijl de drie werelden in het water verzonken waren, lag Garbhodakas'âyî Vishnu alleen op Zijn rustbes, de grote slang Ananta, en hoewel Hij weggesluimerd scheen in Zijn innerlijke vermogen, vrij van elke invloed van de uitwendige energie, waren Zijn ogen niet helemaal dicht. (Vedabase)
Hij, van binnenuit het lichaam der transcendentie, behield het subtiele van de materiële elementen als de ziel van de tijd [kâla], leven en energie gevend van Zijn eigen positie van verblijf in het water, op de manier waarop de macht van vuur is gelegen in het brandhout.
Zoals de kracht van vuur in brandhout schuilt, verbleef de Heer in het verwoestingswater, waarin alle levende wezens in hun subtiele gedaante verzonken waren. Hij lag daar in Zijn zelfwerkzame energie genaamd kâla. (Vedabase)
Voor een duizend keer vier yuga's [4.32 miljard jaar], lag Hij [hiervoor] met Zijn innerlijk vermogen ten ruste terwille van de verdere ontwikkeling - middels Zijn eigen kracht genaamd kâla [tijd] - van de hele wereld gebonden in vruchtdragende handelingen, hetgeen Hem in Zijn eigen lichaam eruit deed zien als zijnde blauwachtig [als de toevlucht van het levengevend water].
Vierduizend yuga-kringlopen lang lag de Heer terneer in Zijn innerlijke vermogen, terwijl het door Zijn uitwendige energie scheen alsof Hij in het water lag te slapen. Toen de levende wezens naar buiten kwamen om hun baatzuchtige activiteiten verder te ontwikkelen, hiertoe aangezet door de energie genaam kâla, zag Hij Zijn transcendente lichaam als blauwachtig. (Vedabase)
Naar de bedoeling van Zijn innerlijke aandacht voor de subtiele kwestie, was er na de nodige tijd door de materiële activiteit van de geaardheden der natuur, het geagiteerde [van de oer-substantie] dat toen zeer subtiel [met organische vormen] het doorboren van Zijn buik [van de ether] genereerde.
De fijnstoffelijke materie der schepping, waarop de Heer Zijn aandacht gericht hield, werd op gang gebracht door de materiële geaardheid hartstocht; waarna de subtiele gedaante der schepping zich door Zijn buikwand boorde. (Vedabase)
Die knop van de lotusbloem, van binnen uit gegenereerd, verscheen mettertijd vrij plots, de vruchtdragende activiteiten opwekkend en, met zijn eigen uitstraling, de uitgestrekte wateren der vernietiging verlichtend gelijk de zon.
Zich naar buiten borend, nam de totaal-gedaante van de baatzuchtige activiteiten der levende wezens de vorm aan van een lotusknop, die ontsproot aan de gedaante van Vishnu, en die door Zijn wil alles verlichtte als de zon, waardoor de uitgestrekte wateren der verwoesting werden opgedroogd. (Vedabase)
Die lotusbloem die het universum is ging Vishnu in eigen persoon binnen als het reservoir van alle kwaliteiten waarvan, zo men zegt, Hij in het verleden de persoon der vedische wijsheid, de heerser van het universum of de uit zichzelf-geborene voortbracht.
In deze kosmische lotus ging Heer Vishnu persoonlijk binnen als de Superziel, en nadat ze doortrokken was geraakt van alle geaardheden der materiële natuur, werd de persoonlijkheid der vedische wijsheid voortgebracht, die we de zelfgeborene noemen. (Vedabase)
En in dat water gezeten op de werveling van de lotus was [de Brahmâ van] de wereld niet in staat te zien en ging hij zo rond met ogen spiedend in de vier richtingen, op die manier tot zijn hoofden komend ['de vier hoofden' van Brahmâ].
Brahmâ, die uit de lotus was geboren, kon de wereld niet zien ook al zat hij op het hart van de bloem. Daarom maakte hij een rondgang door de hele ruimte. Daarbij kreeg hij, terwijl hij zijn blik in alle richtingen liet rondgaan, vier hoofden, één voor elke richting. (Vedabase)
Vanaf daar aan het eind van de Yuga kon, vanwege de lucht der vernietiging [donder en bliksem] uit de kolking van het water, het mysterie van de schepping gezeten op en behoed door de lotusbloem, door zijn verbazing zichzelf niet volkomen begrijpen als zijnde de eerste halfgod [Brahmâ].
Op deze lotus gezeten, kon Heer Brahmâ niet precies begrijpen hoe de schepping, de lotus of hijzelf in elkaar zat. Aan het einde van het tijdvak begon de storm der verwoesting het water en de lotus in grote cirkels rond te bewegen. (Vedabase)
'Wie ben ik, hij die bovenop deze lotus zit? Waar kwam deze lotus vandaan? Er zit zeker iets onder het water. Of hij nou uit zichzelf ontsproot of niet, hij moet toch tot iets anders behoren!'
In zijn onwetendheid overwoog Heer Brahmâ: Wie ben ik, dat ik hier op deze lotus zit? Waar komt die lotus vandaan? Er moet daar beneden iets zijn, en datgene waaruit de lotus komt moet zich in het water bevinden. (Vedabase)
Hij [Brahmâ], op deze wijze zich bezinnend op de steel van de lotus, kon, door dat kanaal in het water waar hij in binnenging, ondanks het feit dat hij zich naar binnen keerde en uitvoerig nadacht over dat ontsproten zijn uit de navel [van Vishnu], niet begrijpen hoe die uit zichzelf kon zijn geboren.
Dit overwegend, ging Heer Brahmâ via de holle stengel van de lotus het water in. Maar ook al ging hij door de lotusstengel heen en kwam hij dichter bij de navel van Vishnu, toch kon hij het begin van de stengel niet vinden. (Vedabase)
Omdat hij het in onwetendheid bezag, o Vidura, kwam het, met het zich aldus bezinnen op de oorzaak van de schepping, tot het overwicht van de driedimensionale [tri-kâlika] tijd welke voor de belichaamden het beangstigende en het bekorten van de levensduur tot een honderdtal jaren met zich meebrengt in relatie tot dat wat uitzichzelf voortkwam en het rad [de s'is'umâra cakra of het galactische] van de eeuwige tijd [vergelijk 2.2.: 24-25].
O Vidura, terwijl Brahmâ zo zijn bestaan onderzocht, kwam hij aan het eind van zijn tijd, die het eeuwige wiel in de hand van Vishnu is en het levend wezen angst inboezemt, zoals o.a. de angst voor de dood. (Vedabase)
Daarna zich terugtrekkend uit die onderneming zonder te hebben bereikt wat hij verlangde, kwam hij terug naar zijn eigen zitplaats [of materiële positie] waar hij als de halfgod terstond neerzat en zijn intelligentie terugtrok met het beheersen van de ademhaling, zelfverzekerd verzonken in yoga.
Toen hij het gewenste doel niet wist te bereiken, staakte hij zijn onderzoek en kwam boven op de lotus terug. Adem en zinnen beteugelend, richtte hij daar zijn geest op de Allerhoogste. (Vedabase)
Na de nodige tijd, ontwikkelde hij, de zelfgeborene voor de duur van zijn leven [een 'honderd jaren van Brahmâ', vier yuga's of 4.32 miljard jaar], in zijn meditatie de intelligentie die zich uit zichzelf manifesteerde in het hart, waardoor hij zag wat voorheen niet kon worden gezien.
Toen aan het eind van zijn honderd levensjaren Brahmâ's meditatie rond was, verkreeg hij de vereiste kennis. Als gevolg daarvan kon hij in zijn eigen hart de Allerhoogste aanschouwen, die hij tevoren zelfs met de grootste inspanning niet had kunnen zien. (Vedabase)
Op het bed van de volledig witte gigantische S'esha-nâga [slang] lotusbloem lag de Oorspronkelijke Persoon alleen neer onder de overkapping van de slangenkraag die was bedekt met de hoofdsieraden waarvan de stralen de duisternis in het water der vernietiging [de oersoep] verdreef.
Brahmâ kon zien dat zich op het water een reusachtig ligbed bevond dat zo wit was als een lotus: het lichaam van S'esa-nâga, waarop de Godspersoon alleen neerlag. De hele lucht werd verlicht door de schittering van de juwelen op de koppen van S'esa-nâga, en die lichtgloed verdreef al het duister dat er heerste. (Vedabase)
Het panorama overtrof het groen en koraal van de avondschittering van de zon en het grote en gouden van de bergtoppen met hun juwelen aan watervallen en kruiden, en zo was het landschap van bloemen en bomen [slechts] de opsier van Zijn handen en benen.
De glans van de bovenzinnelijke gedaante van de Heer spotte met de schoonheid van de koraalberg. De koraalberg is zeer fraai bekleed met de avondhemel, maar het gele gewaad van de Heer spotte met zijn schoonheid. De top van de berg is bedekt met goud, maar de met juwelen bezette hoofdtooi van de Heer spotte ermee. De watervallen, kruiden en bloemenvelden van de berg zijn als bloemenkransen, maar de reusachtige gedaante van de Heer en Zijn armen en benen, getooid met juwelen, parels, tulasî-blaadjes en bloemenkransen, spotten met het tafereel op de berg. (Vedabase)
Tekst 25:
De lengte en breedte van de afmeting van zijn bovenzinnelijke aanwezigheid dekte het totaal van de drie werelden in al hun diversiteit met de schoonheid van de goddelijke straling der ornamenten die Zijn lichaam sierden.
Zijn bovenzinnelijke gedaante, in lengte en breedte oneindig, omvatte de drie planetenstelsels, het hoogste, middelste en laagste. Ze straalde haar eigen licht uit met haar weergaloze kledij en was naar behoren met allerlei sieraden getooid. (Vedabase)
Naar het verlangen van het menselijk wezen op het pad der toegewijde dienst in de aanbidding van Zijn lotusvoeten die belonen met alles waarnaar verlangd wordt, toonde Hij van die voeten in Zijn grondeloze genade de maangelijke glans van Zijn teen- en vingernagels die de prachtigste [bloemachtige] verdeling vertoont.
De Heer hief Zijn lotusvoeten op om ze te laten zien. Ze vormen de bron van alle beloning voor toegewijde dienst die vrij van stoffelijke smetten is. Zo'n beloning wordt toegekend aan hen die Hem in zuivere toewijding aanbidden. Zijn maangelijke teen- en vingernagels, stralend van bovenzinnelijk licht, leken op bloesemblaadjes. (Vedabase)
Van Zijn gelaatsuitdrukking beantwoordend aan ieder zijn verdienste, betovert Hij, die het leed van de wereld verdrijft, met Zijn glimlachen en opsmuk met oorsieraden, en met het licht gereflecteerd van Zijn lippen en fijne neus en wenkbrauwen.
Hij toonde Zich erkentelijk voor de dienst van de toegewijden en deed al hun leed teniet met Zijn schone glimlach. De glans van Zijn met oorbellen getooide gelaat was bijzonder aangenaam, omdat het straalde van de gloed van Zijn lippen en de schoonheid van Zijn neus en wenkbrauwen. (Vedabase)
Mijn beste Vidura, Zijn middel was mooi gesierd met een gordel en stof in de saffraankleur van kadambabloemen; er was een kostbare halsketting en op Zijn borst was er het aantrekkelijke s'rîvatsa teken [een paar witte haren].
O mijn beste Vidura, Zijn heupen waren omwikkeld met een doel zo geel als het stuifmeel van de kadamba-bloem, en omsnoerd met een fraai versierde gordel. Zijn borst was getooid met het s'rîvatsa-teken en een halsketting van onschatbare waarde. (Vedabase)
Zoals de bomen in de wereld op zich bestaan en met hun duizenden takken hun grote waarde [aan bloemen en vruchten] tentoonspreiden alsof gesierd met kostbare juwelen, zo ook is de Heer, de heerser van Ananta, [Garbhodakas'âyî Vishnu] bekleed met de kragen boven Zijn schouders.
Zoals een sandelboom met geurige bloemen en takken is getooid, was de gedaante van de Heer getooid met kostbare parels en juwelen. Hij was de zelf-gevestigde boom, de Heer van alle anderen in het universum. En zoals een sandelboom onder de slangen zit, was de gedaante van de Heer door de koppen van Ananta overhuifd. (Vedabase)
De Opperheer als de bergketen vormt de leefplaats van wat zich rondbeweegt en zich niet beweegt met de vriendschap van Anantadeva die, vanuit het water bedekt met duizenden gouden helmen, als de top van die bergen het Kaustubha [onschatbare juweel] in de oceaan manifesteert.
Als een reusachtige berg staat de Heer overeind als woonplaats van alle bewegende en roerloze wezens. Hij is de vriend van de slangen, omdat S'rî Ananta Zijn vriend is. Zoals een berg met duizenden gouden toppen, zag men de Heer onder de duizenden goudgehelmde koppen van Ananta-nâga. En zoals een berg soms vol juwelen is, was Zijn bovenzinnelijke gedaante van top tot teen met kostbare juwelen gesierd. Zoals een berg soms overspoeld wordt door het water van de oceaan, is de Heer soms ondergedompeld in het water van de verwoesting. (Vedabase)
Temidden daarvan met het zoete geluid van de schoonheid en de bloemenkransen van vedische wijsheid [zag Brahmâ dat] door Zijn eigen heerlijkheden de Heer van de zon, de maan, de lucht en het vuur zeer moeilijk te bereiken was, onbenaderbaar als Hij was in Zijn omzwervingen door de drie werelden, al vechtend voor de plicht.
Terwijl Heer Brahmâ zo naar de op een berg lijkende Heer keek, besefte hij dat Hij Hari, de Godspersoon, moest zijn. Hij zag dat de bloemenkrans op Zijn borst Hem met zoete gezangen van vedische wijsheid verheerlijkte en er prachtig uitzag. Hij werd beschermd door de Sudarsana-werpschijf, Zijn wapen voor de strijd. Zelfs zon, maan, lucht, vuur enzovoort, konden Hem niet benaderen. (Vedabase)
Zo kon het zijn dat de godheid van het universum, de schepper van het lot, er zeker van was de navel van Hem te zien, het meer, the lotusbloem, de ziel zijn wateren der vernietiging, de droogmakende lucht en de hemel; maar hij kon zijn blik niet werpen voorbij het geschapene van de kosmische manifestatie.
Toen Heer Brahmâ, die het lot van het heelal bepaalt, de Heer zo zag, werd hij tegelijk de schepping gewaar. Heer Brahmâ zag het meer in S'rî Vishnu's navel, en de lotus, alsook het water der verwoesting, de drogende lucht en de hemel. Alles werd voor hem zichtbaar. (Vedabase)
Hij als het zaad van de wereldse activiteiten verlevendigd door de geaardheid der hartstocht bad met die blik aldus, met het [zinnelijk] vijfvoudige van de wezens begeertig naar voortplanting, om creatief te zijn naar het aanbiddelijk bovenzinnelijke op het pad van de standvastige ziel.
Vervuld van de geaardheid hartstocht, raakte Heer Brahmâ tot scheppen geneigd. Nadat hij de vijf oorzaken van de schepping had gezien, die hem door de Godspersoon waren getoond, verzonk hij, op het scheppingswerk gericht, in eerbiedig gebed. (Vedabase)
Voor
deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam
linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van
Prabhupâda.
De afbeelding van Heer Brahmâ op de lotus op deze pagina is van
Jadurani
devî dâsî
Produktie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd
Feed-back | Links | Downloads | Muziek | Afbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties