Tweede
editie, geladen 16 oktober 2009

Voorgaande
Aadhar-editie en
Vedabase links:
Tekst
1
S'rî
Sûta zei: "Toen Mahârâja Parîkchit, hij
die beschermd wordt door Vishnu, hoorde wat er door de wijze,
de gelijkgezinde ziener van de Opperziel, de zoon van
Vyâsa, was gezegd, naderde hij zijn lotusvoeten, boog hij
zijn hoofd voorover en zei hij tot hem met gevouwen handen het
volgende.
S'rî
Sûta zei: "Toen Mahârâja Parîkchit,
hij die beschermd wordt door Vishnu, hoorde wat er door de
wijze, de gelijkgezinde ziener van de Opperziel, de zoon van
Vyâsa, was gezegd, naderde hij zijn lotusvoeten, boog
hij zijn hoofd voorover en zei hij tot hem met gevouwen
handen het volgende. (Vedabase)
Tekst
2
De koning zei:
'Met de grote genade getoond door uwe goedheid heb ik de
perfectie bereikt, omdat een mededogende ziel als u
rechtstreeks voor mij de Heer Zonder een Begin en een Einde
heeft beschreven.
De
koning zei: 'Met de grote genade getoond door uwe goedheid
heb ik de perfectie bereikt, omdat een mededogende ziel als
u rechtstreeks voor mij de Heer Zonder een Begin en een
Einde heeft beschreven. (Vedabase)
Tekst
3
Ik zie het in
het geheel niet als iets verrassends voor grote zielen om
verzonken in de Onfeilbare van genade te zijn voor de onwetende
geconditioneerde zielen die worden gekweld door
leed.
Ik
zie het in het geheel niet als iets verrassends voor grote
zielen om verzonken in de Onfeilbare van genade te zijn voor
de onwetende geconditioneerde zielen gekweld door leed.
(Vedabase)
Tekst
4
Wij
[alzo] vernamen van u deze verzameling van klassieke
verhalen waarin inderdaad de Allerhoogste Heer
Uttamas'loka
naar behoren wordt beschreven [*].
Wij
[alzo] vernamen van u deze verzameling van klassieke
verhalen waarin inderdaad de Allerhoogste Heer Uttamas'loka
naar behoren wordt beschreven [*].
(Vedabase)
Tekst
5
Mijn heer, ik
vrees Takshaka niet of enig ander levend wezen, noch ben ik
bang voor een herhaald sterven; Ik ben de Geest van het
Absolute binnengegaan die u onthulde als losstaand van al het
materiële en vrij van angst.
Mijn
heer, ik vrees Takshaka niet of enig ander levend wezen,
noch ben ik bang voor een herhaald sterven; Ik ben de Geest
van het Absolute binnengegaan onthuld door u als, exclusief
aan al het materiële, zijnde vrij van angst.
(Vedabase)
Tekst
6
Sta het me
alstublieft toe, o brahmaan, dat ik mijn spraak [en andere
zintuiglijke functies] opdraag aan Adhokshaja
zodat ik, met verzonkenheid van geest alle zinnelijke
verlangens verzaakt hebbend, mijn levensadem kan
opgeven.
Sta
het me alstublieft toe, o brahmaan, om mijn spraak [en
andere zintuiglijke functies] te offeren aan Adhokshaja
zodat, met het verzinken van mijn geest na het hebben
opgegeven van alle lustige verlangens, ik mijn levensadem
kan opgeven. (Vedabase)
Tekst
7
Met behulp van
u die de alleszins gunstige, allerhoogste toevlucht toonde van
de Opperheer, heb ik me kunnen concentreren op de onstoffelijke
kennis en wijsheid en is mijn onwetendheid uitgebannen'."
Met
behulp van u die de alleszins gunstige allerhoogste
toevlucht toonde van de Allerhoogste Heer, heb ik me kunnen
concentreren in de onstoffelijke kennis en wijsheid en is
mijn onwetendheid uitgebannen'."
(Vedabase)
Tekst
8
Sûta zei:
"Aldus aangesproken verleende de machtige heilige, de zoon van
Vyâsa, hem toestemming. Na te zijn aanbeden door die god
onder de mensen en door de verzaakte wijzen, ging hij toen weg.
Sûta
zei: "Aldus aangesproken verleende de machtige heilige, de
zoon van Vyâsa, hem toestemming en ging hij heen,
aanbeden door die god onder de mensen en door de verzaakte
wijzen. (Vedabase)
Tekst
9-10
Parîkchit,
de heilige koning, die met de macht van de rede zijn geest
richtte op zijn ziel en mediteerde op de Allerhoogste, stopte
zijn ademen en was zo bewegingloos als een boom. Met het
gezicht naar het noorden gericht zittend op
darbha
gras dat naar het oosten was gelegd op de oever van de Ganges
brak de grote yogi in het volmaakte besef van God met alle
twijfels.
Parîkchit,
de geheiligde koning, hem na, richtte met de macht van de
rede zijn geest naar zijn ziel en mediteerde op de
Allerhoogste met zijn lucht zo bewegingloos als een boom.
Met het gezicht naar het noorden gericht zittend op darbha
gras naar het oosten gelegd op de oever van de Ganges brak
de grote yogi, met het gezicht naar het noorden, in het
volmaakte besef van God met alle twijfels.
(Vedabase)
Tekst
11
Beste
geleerden, toen Takshaka, ertoe aangezet door de kwaad geworden
zoon van de tweemaal geborene [Samika], zich op weg
begaf om de koning te doden, kwam hij Kas'yapa Muni tegen
[zie 1.18].
Beste
geleerden, toen Takshaka, op weg werd gestuurd door de kwaad
geworden zoon van [Samika] de tweemaal geborene,
zag, toen hij met de wens de koning te doden zich op weg
begaf, Kas'yapa Muni [zie 1.18].
(Vedabase)
Tekst
12
Hij die een
deskundige was op het gebied van het bestrijden van vergif,
werd door Takshaka tevreden gesteld met kostbaarheden en ertoe
overgehaald huiswaarts te keren. Daarna vermomde hij, die elke
gedaante kon aannemen die hij maar wenste, zich als een
brahmaan en beet hij de koning.
Hij
zorgde ervoor dat hij, een deskundige op het gebied van het
bestrijden van vergif, door hem tevreden te stellen met
kostbaarheden, terug ging waarop hij, die elke gedaante kon
aannemen die hij maar wenste, zich vermomde als een brahmaan
en de koning beet. (Vedabase)
Tekst
13
Terwijl al de
belichaamde zielen toekeken veranderde het lichaam van de
volledig zelfverwerkelijkte heilige onder de koningen dat werd
verteerd door het vuur van het slangengif terstond tot
as.
Met
alle belichaamde zielen toekijkend veranderde, verteerd door
het vuur van het slangengif, het lichaam van de volledig
zelfverwerkelijkte heilige onder de koningen terstond tot
as. (Vedabase)
Tekst
14
Er deed zich
een luide jammerkreet voor uit alle richtingen van de aarde en
de hemel die uitdrukking gaf aan de ontzetting van vrijwel al
de halfgoden, demonen, menselijke wezens en andere schepselen.
Er
deed zich een luide jammerroep voor uit alle richtingen van
de aarde en de hemel met de ontzetting van vrijwel al de
halfgoden, demonen, menselijke wezens en andere schepselen.
(Vedabase)
Tekst
15
De godsbewusten
lieten pauken klinken, de Gandharva's
en Apsara's
zongen en deden een regen van bloemen neerdalen en de wijzen
spraken woorden van lof.
De
godbewusten lieten pauken klinken, de Gandharva's en
Apsara's zongen en deden een regen van bloemen neerdalen en
de wijzen spraken woorden van lof.
(Vedabase)
Tekst
16
Toen Janamejaya
hoorde dat zijn vader door Takshaka was gebeten, offerde hij in
woede ontstoken in reactie daarop samen met de tweemaal
geborenen de slangen [van de hele wereld] als
offergaven in een grote offerplechtigheid.
Toen
Janamejaya hoorde dat zijn vader door Takshaka was gebeten,
offerde hij in woede ontstoken in reactie daarop samen met
de tweemaal geborenen de slangen [van de hele
wereld] als offergaven in een grote offerplechtigheid.
(Vedabase)
Tekst
17
Takshaka die
zag hoe de grote serpenten werden verbrand in het laaiende vuur
van het slangenoffer, ging zeer verstoord door de angst naar
Indra om bij hem zijn toevlucht te zoeken.
Takshaka
die zag hoe de grote serpenten werden verbrand in het
laaiende vuur van het slangenoffer, ging zeer verstoord door
de angst naar Indra om bij hem zijn toevlucht te zoeken.
(Vedabase)
Tekst
18
Koning
Janamejaya die Takshaka er niet bij zag zei tot de brahmanen:
'Waarom is Takshaka, de laagste van alle serpenten, niet
verbrand?'
Koning
Janamejaya die Takshaka er niet bij zag zei tot de
brahmanen: 'waarom is Takshaka, de laagste van alle
serpenten, niet verbrand?' (Vedabase)
Tekst
19
[Ze
antwoordden:] 'O beste der koningen, hij heeft zijn
toevlucht genomen tot Indra en door zijn bescherming is de
slang aldus niet in het vuur beland.'
[Ze
antwoordden: ] 'O beste der koningen, hij heeft zijn
toevlucht genomen tot Indra en door hem behouden is de slang
aldus niet in het vuur beland.'
(Vedabase)
Tekst
20
De machtig
intelligente zoon van Parîkchit die deze woorden hoorde
gaf de priesters ten antwoord: 'O geleerden, waarom werpen we
dan niet Takshaka samen met Indra in het vuur?'
De
machtig intelligente zoon van Parîkchit die deze
woorden hoorde gaf de priesters ten antwoord: 'O geleerden,
waarom werpen we dan niet Takshaka samen met Indra in het
vuur?' (Vedabase)
Tekst
21
Toen zij dat
hoorden volbrachten de geleerden het ritueel om Takshaka samen
met Indra te offeren: 'O Takshaka, moge je spoedig hier in het
vuur belanden samen met Indra en zijn schare halfgoden'.
Toen
zij dat hoorden volbrachten de geleerden het ritueel om
Takshaka samen met Indra te offeren: 'O Takshaka, moge je
snel in het vuur hier vallen samen met samen met Indra en
zijn schare halfgoden'. (Vedabase)
Tekst
22
Toen Indra
samen met Takshaka en zijn vimâna
zijn positie zag wankelen door de beledigende woorden van de
brahmanen was hij hoogst verstoord over wat hem ter ore
kwam.
Indra
toen hij samen met Takshaka en zijn vimâna werd met
een geest niet meer rustig door de beledigende woorden aldus
uitgesproken door de brahmanen uit zijn positie geworpen.
(Vedabase)
Tekst
23
Op het moment
dat Brihaspati
hem met Takshaka in zijn vimâna uit de hemel naar
beneden zag vallen, richtte de zoon van Angirâ
zich tot de koning:
Toen
Brihaspati hem met Takshaka in zijn vimâna uit de
hemel naar beneden zag vallen, richtte de zoon van
Angirâ zich tot de koning:
(Vedabase)
Tekst
24
'Deze
slangenvogel verdient het niet door u te worden gedood, o grote
heerser der mensen. Hij, deze koning der slangen, dronk van de
nectar der goden en is derhalve ongetwijfeld gevrijwaard van
ouderdom en praktisch onsterfelijk!
'Deze
slangenvogel verdient het niet door u te worden gedood, o
grote heerser der mensen; door hem, de koning der slangen,
werd de nectar van de goden gedronken en derhalve is hij,
zonder twijfel vrij van ouderdom, praktisch onsterfelijk!
(Vedabase)
Tekst
25
Het leven en de
dood van een levend wezen en zijn bestemming in zijn volgende
leven o Koning, zijn enkel het resultaat van zijn karma; voor
hem is er geen andere instantie dan deze die hem geluk en
ongeluk verschaft.
Het
leven en de dood van een levend wezen en zijn bestemming in
zijn volgende leven o Koning, zijn enkel het resultaat van
zijn karma; voor hem is er geen andere instantie dan deze
die hem geluk en ongeluk verschaft.
(Vedabase)
Tekst
26
Iemand die
geboren werd kan de dood vinden door slangen, dieven, vuur en
bliksem, honger, dorst, ziekte en andere instanties o Koning,
maar hij ondergaat daarbij telkens de terugslagen van dat wat
hij deed in het verleden.
Iemand
die geboren werd kan de dood vinden door slangen, dieven,
vuur en bliksem, honger, dorst, ziekte en andere instanties
o Koning, maar hij ondergaat met dat alles de terugslagen op
de dingen die hij deed in het verleden.
(Vedabase)
Tekst
27
Daarom o Koning
moet met dit offer, dat wordt uitgevoerd met de bedoeling om de
slangen geweld aan te doen, worden gestopt. Als we onschuldigen
verbranden zullen er zeker personen voor dat voornemen moeten
boeten' [zie ook de Mahâbhârata
1.43]."
Daarom
o Koning moet met dit offer, uitgevoerd met de bedoeling om
de slangen geweld aan te doen, worden gestopt; met de
onschuldigen verbrand zullen inderdaad personen voor die
gelasting moeten boeten' [zie ook de
Mahâbhârata 1.43]."
(Vedabase)
Tekst
28
Sûta zei:
"Aldus toegesproken zei hij met achting voor de woorden van de
grote wijze: 'Zo zij het!', en een einde makend aan het
slangenoffer vereerde hij de heer der welsprekendheid
[Brihaspati].
Sûta
zei: "Aldus toegesproken zei hij met respect voor de woorden
van de grote wijze: 'Zo zij het!', en een einde makend aan
het slangenoffer vereerde hij de heer der welsprekendheid
[Brihaspati]. (Vedabase)
Tekst
29
Deze vorm van
mahâmâyâ
van Vishnu kan niet worden herkend of tegengehouden door hen
die, als geestelijke zielen die een deel en geheel van Hem
vormen, vanwege Hem verbijsterd raken als gevolg van hun gewone
lichamelijke functioneren overeenkomstig de geaardheden van de
natuur.
Deze
zelfde mahâmâyâ van Vishnu kan niet worden
tegengehouden of geminacht door hen die als
deel-en-een-geheel-vormende geestelijke zielen door Hem
verbijsterd raken vanwege hun gewone lichamelijke
functioneren naar de geaardheden van de natuur.
(Vedabase)
Tekst
30-31
De zichtbare
begoochelende energie waarin men verkerend en de vrede
ontberend, denkt in de trant van 'dat is een bedrieger', zal
niet [overwegen] als men steeds onderzoekt wat er in de
ziel omgaat. Dit omdat men in dat waarvan de
transcendentalisten spreken niet de materialistische argumenten
heeft die zo vele vormen aannemen en men ook niet de geest
heeft vol van beslissingen en twijfels die daaruit voortvloeit.
Daarin [in dat bovenzinnelijk bewustzijn] is het
levende wezen niet van wereldse zaken of dat wat daartoe leidt
en ook niet van de voordelen die men door hen behaald, noch van
het ik-besef dat zo sterk is in het verbonden zijn met de
geaardheden. Deze zaken vallen daarbuiten. Een wijs iemand
behoort er behagen in te scheppen zich verre te houden van de
golven van de wereldse conditioneringen alsmede van een ieder
die aldus verstrikt is [zie ook b.v. 6.4:
31-32].
De
zichtbare begoochelende energie waarin men, de vrede
ontberend, denkt 'dat is een bedrieger', zal niet
[overwegen] als men constant van onderzoek is naar
de aard van de ziel - in dat waarvan de transcendentalisten
spreken is men niet van materialistische argumenten die vele
vormen aannemen of van de geest met zijn functies van
beslissingen en twijfels daarop gebaseerd. Daarin is het
levende wezen niet van wereldse zaken, hun oorzaken en de
voordelen door hen behaald, noch van het ik-besef dat zo
sterk is in het verbonden zijn met de geaardheden hetgeen
daar uitgesloten is; een wijze behoort er inderdaad behagen
in te scheppen zich verre te houden van de golven van de
wereldse conditioneringen en van hen die aldus verstrikt
zijn [zie ook b.v. 6.4: 31-32].
(Vedabase)
Tekst
32
De allerhoogste
toevlucht van Heer Vishnu wordt door hen die naar de verzaking
verlangen omschreven als dat wat 'noch dit, noch dat' is
[zie ook neti
neti].
En zo komen zij, die met hun emoties nergens anders op gericht
zijn, ertoe het kleinzielige materialisme af wijzen waarbij ze
in hun harten het 'niet-dat' [van de Ziel, van Hem]
omarmen waaraan zij die daarin verzonken zijn vasthouden.
De
allerhoogste toevlucht van Heer Vishnu wordt door hen die
verlangen het op te geven omschreven als dat wat 'noch dit,
noch dat' is [zie ook neti neti]; en zo wijzen zij,
met hun emoties nergens anders op gericht, het kleinzielige
materialisme af in het in hun harten omarmen van het
'niet-dat' [de Ziel, Hem] waaraan zij die verzonken
zijn vasthouden. (Vedabase)
Tekst
33
Zij voor wie er
niet de corruptie is van het 'ik' en 'mijn' dat is gebaseerd op
het hebben van een huis en een lijf, komen er op die manier dan
achter wat de allerhoogste toevlucht van Vishnu is.
Zij
voor wie er niet de corruptie is van het 'ik' en 'mijn'
gebaseerd op een huis en een lijf, komen aldus dan dit te
weten wat het allerhoogste verblijf van Vishnu vormt
(Vedabase)
Tekst
34
Beledigende
woorden moet men verdragen, men moet nooit enig iemand
minachten, noch moet men zich identificeren met dit
materiële lichaam of wrok koesteren jegens wie dan
ook.
Beledigende
woorden moet men [zo] verdragen, men moet nooit enig
iemand minachten, noch moet men zich identificeren met dit
materiële lichaam of wrok koesteren jegens wie dan ook.
(Vedabase)
Tekst
35
Ik biedt Hem
mijn eerbetuigingen, de Allerhoogste Persoonlijkheid S'rî
Krishna, wiens macht nimmer overschaduwd wordt en op wiens
lotusvoeten ik mediterend mij deze verzameling van wijsheden
[Samhitâ]
heb eigen gemaakt'."
Ik
biedt Hem mijn eerbetuigingen, de Allerhoogste
Persoonlijkheid S'rî Krishna, wiens macht nimmer
overschaduwd wordt en op wiens lotusvoeten mediterend ik mij
deze verzameling van wijsheden [Samhitâ] heb
eigen gemaakt'." (Vedabase)
Tekst
36
S'rî
S'aunaka zei: "Alstublieft, zeg ons dit: hoe spraken Paila en
de andere hoogst intelligente discipelen van Vyâsa die
het vedische gezag vormen, over de Veda's en hoe verdeelden ze
ze?"
S'rî
S'aunaka zei: "Alstublieft, zeg ons dit: hoe spraken Paila
en de andere hoogst intelligente discipelen van Vyâsa
die het vedische gezag vormen, over de Veda's en hoe
verdeelden ze ze?" (Vedabase)
Tekst
37
Sûta zei:
"O brahmaan, Heer Brahmâ, het meest verheven levende
wezen, had zijn geest volmaakt in bedwang en hoorde in zijn
hart het subtiele bovenzinnelijke geluid [van ta-pa,
2.9:
6] dat
oprees vanuit de ether. Men kan dat horen als men met zijn oren
sluit voor geluiden van buiten [zie ook
s'abda].
Sûta
zei: "O brahmaan, binnen in het hart van heer Brahmâ,
het meest verheven levende wezen, werd, samengesteld uit
geest het functioneren van de oren stoppend, het subtiele
bovenzinnelijke geluid [van ta-pa, 2.9: 6]
waargenomen dat oprees vanuit de ether [zie ook
s'abda]. (Vedabase)
Tekst
38
Door dat geluid
te aanbidden, o brahmaan, zuiveren yogi's zich van de
besmetting van hun harten die bekend staat als de substantie,
de handeling en de doener [**],
en raken ze ervan bevrijd weer opnieuw geboren te worden.
Door
het aanbidden ervan, o brahmaan, zuiveren yogi's uit het uit
het hart de besmetting weg die bekend staat als de
substantie, de handeling en de doener [**] en
bereiken ze het vrij zijn van herboren worden.
(Vedabase)
Tekst
39
In die
activiteit vond de drieledige omkâra
zijn bestaan die, zich manifesterend zonder dat men de
invloed ervan waar kan nemen, de representatie vormt van de
Opperheer [Bhagavân], de Absolute Waarheid
[Brahman] en de Superziel [Paramâtmâ,
zie ook 1.2:
11, B.G.
7:
8].
Daarvan
vond de drieledige omkâra zijn bestaan welke, ongezien
van invloed zich manifesterend, de representatie vormt van
de Opperheer [bhagavân], van de Absolute
Waarheid [brahman] en van de Superziel
[paramâtmâ, zie ook 1.2: 11, B.G. 7: 8].
(Vedabase)
Tekst
40-41
Hij [het
Allerhoogste Zelf] neemt dit ongemanifesteerde, subtiele
geluid waar buiten de fysieke gehoorzin en het visueel vermogen
om. Het geheel aan vedisch geluid waar men zich van bedient is
daar een uitwerking van: een uitwerking van het
omkâra dat zich voordoet vanuit de ziel in de
ether. Van het uit zichzelf voortkomende Brahman en het
Paramâtmâ vormt het de rechtstreekse uitdrukking.
Het is het eeuwige zaad van de Veda's dat het geheim vormt van
alle mantra's [zie ook 7.15:
31,
9.14:
48,
11.14:
34-35,
11.21:
36-40].
Hij
[het Allerhoogste Zelf] verneemt dit
ongemanifesteerde, subtiele geluid met [zelfs] de
gehoorzin slapend en de macht van het zien afwezig; daarvan
wordt, zich ontwikkelend vanuit de ziel en zich
manifesterend in de ether, alles wat vedisch gezegd wordt
voortgebracht. Van het uit zichzelf voortkomende brahman en
het paramâtmâ is dit de rechtstreekse
uitdrukking, het is het eeuwige zaad van de Veda's dat het
geheim vormt van alle mantra's [zie ook 7.15: 31, 9.14:
48, 11.14: 34-35, 11.21: 36-40].
(Vedabase)
Tekst
42
O eminentie van
Bhrigu, daaruit [uit dat geluid] vonden de drie klanken
[A, U en M] van het alfabet beginnende met de A hun
bestaan. Deze klanken liggen ten grondslag aan het drievoudige
aspect van het materiële bestaan, te weten de
guna's,
de namen [van de drie Veda's],
de bestemmingen [de drie soorten loka's]
en de staten van bewustzijn [avasthâtraya].
O
eminentie van Bhrigu, inderdaad daarvan vonden de drie
klanken [A, U en M] van het alfabet beginnende met
de A hun bestaan, die de drievoudige aspecten schragen van
het materiële bestaan van de guna's, de namen [van
de drie Veda's], de doelen [de drie soorten van
loka's] en de staten van bewustzijn
[avasthâtraya]. (Vedabase)
Tekst
43
De machtige
ongeboren heer [Brahmâ] schiep de verschillende
geluiden eruit die het geheel vormen van klinkers, sisklanken,
semi-vocalen en medeklinkers zoals men ze kent in hun lange en
korte maten.
De
machtige ongeboren heer [Brahmâ] schiep er de
verschillende geluiden uit van de gehele verzameling van
klinkers, sisklanken, semi-vocalen, en medeklinkers zoals
men ze kent in hun lange en korte maten.
(Vedabase)
Tekst
44
De almachtige
schiep met hen vanuit zijn vier gezichten de vier Veda's, met
ingebrip van zijn omkâra en zijn
vyâhriti aanheffingen [van de namen van de
zeven loka's].
Hij deed dit met de bedoeling uitleg te verschaffen over de
vier offerplechtigheden [zie ritvik].
Met
hen schiep hij, de almachtige, naar zijn omkâra en
zijn tezamen met zijn vyâhriti aanheffingen
aanheffingen [van de namen van de zeven loka's], uit
zijn vier monden de vier Veda's naar zijn bedoeling de vier
offerplechtigheden onder woorden te brengen [zie
ritvik]. (Vedabase)
Tekst
45
Hij onderwees
ze aan zijn zoons, de grote rishi's
onder de brahmanen die hoogst bedreven zijn in de kunst van de
vedische recitatie, en zij op hun beurt gaven ze door aan hun
eigen zoons als hun leraren van het dharma
[âcârya's].
Hij
onderwees ze aan zijn zoons, de grote rishi's onder de
brahmanen die hoogst bedreven zijn in de kunst van de
vedische recitatie, en zij op hun beurt gaven ze door aan
hun eigen zoons als hun leraren van het dharma
[âcârya's].
(Vedabase)
Tekst
46
Zo werden ze
[de Veda's] gedurende al de vier yuga's de een
na de ander, generatie na generatie [in
paramparâ]
ontvangen door discipelen die standvastig waren in hun
geloften. Aan het einde van Dvâpara-yuga
werden ze toen opgedeeld door de vooraanstaande wijzen.
Zo
werden ze [de Veda's] gedurende al de vier yuga's de
een na de ander, generatie op generatie [in
paramparâ] ontvangen door de discipelen
standvastig in hun geloften toen aan het einde van
Dvâpara-yuga opgedeeld door de vooraanstaande wijzen.
(Vedabase)
Tekst
47
Toen ze zagen
dat onder de invloed van kâla
[de mensen] minder intelligent werden en korter leefden
en dat hun kracht was afgenomen, deelden de belangrijkste
wijzen, geïnspireerd door de Onfeilbare Heer die Zich in
hun harten bevindt, de Veda's op [zie ook
1.4:
16-18].
Met
de waarneming dat van kâla minder intelligent en
korter van levensduur [de mensen] hun kracht was
afgenomen, deelden de belangrijkste wijzen,
geïnspireerd door de Onfeilbare Heer die Zich in hun
harten bevindt, de Veda's op [zie ook 1.4: 16-18].
(Vedabase)
Tekst
48-49
O brahmaan, in
deze periode [van Manu], verzochten de heersers over de
werelden - Brahmâ, S'iva en anderen - de Allerhoogste
Heer, de Beschermer van het Universum, de principes van de
religie te beschermen. De Heer [in de gedaante van Krishna
Dvaipâyana Vyâsa] daalde toen, door
Parâs'ara verwekt in de schoot van Satyavatî, neder
als een deelaspect van Zijn volkomen expansie [als een
deelaspect van Sankarshana dus], met het doel de Veda in
vieren op te splitsen.
O
brahmaan, in deze periode [van Manu], verzochten de
heersers over de werelden - Brahmâ en S'iva en anderen
- de Allerhoogste Heer, de Beschermer van het Universum, de
principes van de religie te beschermen. De Heer als een deel
[Vishnu] nederdalend verscheen toen als een deel van
Zijn volkomen expansie [Sankarshana], in de schoot
van Satyavatî als de zoon [genaamd Krishna
Dvaipâyana Vyâsa] van Parâs'ara om de
Veda in vieren op te splitsen. (Vedabase)
Tekst
50
Hij deelde, net
als met het sorteren van juwelen, de verzameling van mantra's
op door te voorzien in vier specifieke categorieën van
verzamelingen [of Samhitâ's]: de Rig, Atharva,
Yajur en Sâma Veda [zie Veda's].
Hij,
deelde net als met het sorteren van juwelen, de verzameling
van mantra's op voorziend in de vier specifieke
categorieën van verzamelingen [of
Samhitâ's]: de Rig, Atharva, Yajur en Sâma
Veda [zie Veda's]. (Vedabase)
Tekst
51
De hoogst
intelligente en machtige wijze, riep de een na de ander vier
van zijn leerlingen bij zich om aan ieder van hen een van de
[vier] verzamelingen over te dragen, o
brahmaan.
Aan
de hand van hen riep hij, de hoogst intelligente en machtige
wijze, de een na de ander vier van zijn leerlingen bij zich
om aan ieder van hen een verzameling over te dragen, o
brahmaan. (Vedabase)
Tekst
52-53
Hij onderrichte
Paila de eerste verzameling [de Rig Veda] die hij de
Bahvrica noemde ['vele verzen'], voor
Vais'ampâyana sprak hij de verzameling van de
yajur-mantra's uit en die noemde hij Nigada ['het
gereciteerde'], de sâma-mantra's genaamd Chandoga
['de zanger van het metrum'] leerde hij Jaimini, en de
mantra's genaamd Atharva en Angirâ
vertrouwde hij zijn geliefde leerling Sumantu toe [zie ook
4.21:
22].
Hij
onderrichtte Paila de eerste verzameling [de Rig
Veda] die hij de Bahvrica noemde ['vele
verzen'], voor Vais'ampâyana sprak hij de
verzameling van de Yajur mantra's uit en die noemde hij
Nigada ['het gereciteerde'], de Sâma mantra's
genaamd Chandoga ['de zanger van het metrum'] leerde
hij Jaimini, en de mantra's naar de namen van Atharva en
Angirâ vertrouwde hij zijn geliefde leerling Sumantu
toe [zie ook 4.21: 22].
(Vedabase)
Tekst
54-56
Paila sprak
zijn Samhitâ [in tweeën gedeeld] voor
Indrapramiti en Bâshkala. De laatstgenoemde verdeelde
zijn verzameling in vieren en gaf ze verder door, o zoon van
Bhrigu [S'aunaka], aan zijn discipelen Bodhya,
Yâjñavalkya, Parâs'ara en Agnimitra.
Indrapramiti, zelf-beheerst, onderwees zijn verzameling aan de
geschoolde ziener [zijn zoon] Mândûkeya en
zijn discipel Devamitra droeg ze over aan Saubhari en anderen.
Paila
sprak zijn Samhitâ [in tweeën gedeeld]
voor Indrapramiti en Bâshkala, en de laatstgenoemde
gaf ze verder door, zijn verzameling in vieren delend, o
zoon van Bhrigu [S'aunaka], aan zijn discipelen
Bodhya, Yâjñavalkya, Parâs'ara en
Agnimitra, Indrapramiti, zelf-beheerst, onderwees zijn
verzameling aan de geschoolde ziener [zijn zoon]
Mândûkeya, wiens discipel Devamitra ze
onderrichtte aan Saubhari en anderen.
(Vedabase)
Tekst
57
S'âkalya,
zijn zoon, verdeelde zijn verzameling in vijf delen die hij
afzonderlijk doorgaf aan Vâtsya, Mudgala,
S'âlîya, Gokhalya en S'is'ira.
S'âkalya,
zijn zoon, verdeelde zijn verzameling in vijf delen die hij
gaf aan Vâtsya, Mudgala, S'âlîya, Gokhalya
en S'is'ira. (Vedabase)
Tekst
58
De wijze
Jâtûkarnya, ook een leerling van hem, voegde aan de
collectie die hij ontving een woordenlijst toe, toen hij hem
doorgaf aan Balâka, Paila, Jâbâla en
Viraja.
De
wijze Jâtûkarnya, ook een leerling van hem
[S'âkalya], voegde aan de collectie die hij
ontving een woordenlijst toe toen hij hem doorgaf aan
Balâka, [een tweede] Paila, Jâbâla
en Viraja. (Vedabase)
Tekst
59
Bâshkali
[de zoon van Bâshkala] stelde uit al de
verschillende afdelingen [van de Rig Veda] de
verzameling genaamd de Vâlakhilya-Samhitâ samen die
daarop werd verwelkomd door [de daitya zonen]
Vâlâyani, Bhajya en
Kâs'âra.
Bâshkali
[de zoon van Bâshkala] stelde uit al de
verschillende afdelingen [van de Rigveda] de
verzameling genaamd de Vâlakhilya-Samhitâ samen
welke aldus daarop werd aangenomen door door [de daitya
zonen] Vâlâyani, Bhajya en
Kâs'âra. (Vedabase)
Tekst
60
Op deze manier
werden de verzamelingen van al deze verzen door deze brahmaanse
rishi's vol overtuiging [in erfopvolging] hoog
gehouden. Degene die verneemt over de verdeling van deze
heilige verzen raakt bevrijd van alle zonden.
Op
deze manier werden de verzamelingen van deze vele verzen
door deze brahmaanse rishi's in overtuiging [van
erfopvolging] hoog gehouden; als men verneemt over de
verdeling van deze heilige verzen raakt men bevrijd van alle
zonden. (Vedabase)
Tekst
61
De leerlingen
van Vais'ampâyana ontwikkelden zich tot autoriteiten van
de Atharva Veda en staan bekend als de Caraka's ['de
gezworenen'] omdat ze zich hielden aan strikte geloften om
af te doen met de zonde van hun goeroe die een brahmaan had
gedood.
De
leerlingen van Vais'ampâyana ontwikkelden zich tot
autoriteiten van de Atharva Veda en staan bekend als de
Caraka's ['de gezworenen'] omdat ze zich hielden aan
strikte geloften om af te doen met de zonde van hun goeroe
van het doden van een brahmaan.
(Vedabase)
Tekst
62
Yâjñavalkya,
één van zijn discipelen, had in dezen gezegd: 'O
meester, wat is nu de waarde van de pogingen van deze zwakke
makkers? Ik zal een hoogst moeilijke boetedoening volbrengen!'
Yâjñavalkya,
een van zijn discipelen, had in dezen gezegd: 'O meester,
wat is nu de waarde van de pogingen van deze zwakke makkers?
Ik zal een hoogst moeilijke boetedoening volbrengen!'
(Vedabase)
Tekst
63
Aldus
aangesproken werd zijn geestelijk leraar kwaad en zei: 'Ga weg,
genoeg heb ik van dat beledigen van de geschoolden; geef nu
meteen alles op wat je van me geleerd hebt!'
Aldus
aangesproken werd zijn geestelijk leraar kwaad en zei: 'Ga
weg, genoeg heb ik van dat beledigen van de geschoolden;
geef nu meteen alles op wat je van me geleerd hebt!'
(Vedabase)
Tekst
64-65
De zoon van
Devarâta hoestte toen de verzamelde yajur-mantra's op en
vertrok daarna. De wijzen die begeertig keken naar deze
yajur-mantra's veranderden in patrijzen en pikten ze op. Aldus
raakten deze gedeelten van de Yajur Veda bekend als de
allerprachtigste Taittirîya-Samhitâ ['de
patrijzen-verzameling'].
De
zoon van Devarâta hoestte toen de verzamelde Yajur
mantra's op en vertrok van daar. De wijzen die begeertig
keken naar deze Yajur mantra's, raapten ze, veranderend in
patrijzen, op; aldus raakten deze gedeelten van de
Yajur-veda bekend als de allerprachtigste
Taittirîya-Samhitâ ['de
patrijzen-verzameling']. (Vedabase)
Tekst
66
O brahmaan,
Yâjñavalkya, die daarop naar aanvullende mantra's
zocht die zelfs zijn geestelijk leraar niet kende, droeg met
zorg gebeden op aan de machtige heerser die de zon is.
O
brahmaan, Yâjñavalkya, die daarop naar
aanvullende mantra's zocht die zelfs zijn geestelijk leraar
niet bekend waren, droeg met zorg gebeden op aan de machtige
beheerser die de zon is. (Vedabase)
Tekst
67
S'rî
Yâjñavalkya zei: 'Mijn eerbetuigingen voor de
Hoogste Persoonlijkheid van God die, verschijnend als de zon,
als de Superziel in de vorm van de Tijd aanwezig is [als de
Beheerser] in de harten van de vier soorten van levende
wezens vanaf Brahmâ tot aan de grassprieten [als
geboren uit eieren, baarmoeders, vocht en zaad, zie ook
2.10:
37-40]. U
die, net als de hemel [door haar wolken], niet door
materiële termen te omvatten bent, volbrengt in Uw eentje,
met de stroom der jaren die bestaat uit de kleine fragmenten
van de kshana's, lava's en nimesha's [zie
3.11:
7], de
handhaving van dit universum door het water weg te nemen en
weer te retourneren [in de vorm van regen].
S'rî
Yâjñavalkya zei: 'Mijn eerbetuigingen voor de
Hoogste Persoonlijkheid van God die, verschijnend als de
zon, in de vorm van de Superziel aanwezig is [als de
Beheerser] in de vorm van de Tijd in de harten van de
vier soorten van levende wezens vanaf Brahmâ tot aan
de grassprieten [als geboren uit eieren, baarmoeders,
vocht en zaad, zie ook 2.10 37-40]. Op dezelfde manier
dat de hemel niet wordt gedekt door materiële
aanduidingen ['wolken'] brengt U in Uw eentje met de
stroom der jaren bestaande uit de kleine fragmenten van de
kshana's, lava's en nimesha's [zie 3.11: 7] de
handhaving van dit universum op door het wegnemen en weer
retourneren van het water [in de vorm van regen].
(Vedabase)
Tekst
68
O Heer van de
Zon, o Stralende, o Beste onder de Ontwaakten, met de regels
van de heilige traditie mediteer ik dagelijks tijdens de
[drie] keerpunten van de dag met volle aandacht op de
gloeiende bol van U, de machtige heerser, die van een ieder die
gebeden opdraagt alle zonden verbrandt, alsmede het lijden dat
ermee samenhangt en dat wat er aanleiding toe gaf [zie ook
11.14:
35 en de
Gâyatrî].
O
Heer van de Zon, o Stralende, o Beste onder de Ontwaakten,
met de regels van de heilige traditie mediteer ik dagelijks
op de [drie] keerpunten van de dag met volle
aandacht op de gloeiende bol van U, de machtige beheerser,
die van al diegenen die gebeden opdragen alle zonden
verbrandt, het lijden als gevolg ervan en datgene wat er toe
leidde [zie ook 11.14: 35 en de
Gâyatrî]. (Vedabase)
Tekst
69
U, die
inderdaad in deze wereld de Heer bent die verblijft in de
harten van de bewegende en niet-bewegende levende wezens die
afhankelijk zijn van Uw beschutting, wekt de niet-levende
materie van de geest, de zinnen en de verschillende vormen van
de vitale adem [de vâyu's]
tot leven.
U
bent in deze wereld inderdaad de Heer die verblijft in de
harten van de bewegende en niet-bewegende levende wezens die
afhankelijk zijn van de toevlucht die U bent die de
niet-levende materie van de geest, de zinnen en de
verschillende vitale luchten [de vâyu's] tot
leven wekt. (Vedabase)
Tekst
70
U alleen, die
hoogst grootmoedig genadevol Uw blik werpt, wekt, met het
schenken van inzicht, de slapende geesten op van deze wereld
die, gegrepen en verzwolgen door de schrikwekkende bek van de
python die bekend staat als de duisternis, in het onbewuste
verviel als ging ze dood. Aan het begin, halverwege en aan het
eind van de dag betrekt U zo, dag na dag, met de bedoeling de
ziel te vinden, de vromen in het uiteindelijke goed dat bekend
staat als hun persoonlijke plichtsbetrachting en aard van
dienstverlenen [svadharma].
U
alleen, die hoogst grootmoedig genadevol Uw blik werpt,
doet, met de macht van het zien, de slapende geesten opstaan
van deze wereld die, gegrepen en verzwolgen door de
schrikwekkende mond van de python gekent als de duisternis,
voor dood in het onbewuste viel; naar het begin, halverwege
en aan het eind van de dag betrekt U zo, dag na dag, opdat
de ziel wordt gevonden, de vromen in het uiteindelijke goed
dat bekend staat als hun persoonlijke plichtsbetrachting en
aard van dienst [svadharma].
(Vedabase)
Tekst
71
Gelijk een
aardse koning trekt U rond overal angst opwekkend bij de
zondaren, terwijl de godheden die de windrichtingen beheersen
ieder van hun kant met lotusbloemen in hun handen met hun
handpalmen bijeen hun eer betuigen.
Gelijk
een aardse koning reist U overal rond angst opwekkend bij de
onheiligen, terwijl de godheden die de windrichtingen
beheersen van verschillende kanten lotusbloemen vasthouden
en met gevouwen handpalmen hun eer betuigen.
(Vedabase)
Tekst
72
Aldus o Heer,
benader ik, verlangend naar yajur-mantra's die niet bekend zijn
bij anderen, met gebed Uw twee lotusvoeten die worden vereerd
door de geestelijk leraren van de drie werelden [de
loka's,
en zie 5.23:
8]'."
Aldus
benader ik, verlangend naar Yajur-mantra's die niet bekend
zijn bij anderen, met aanbidding inderdaad Uw twee
lotusvoeten, o Heer, die worden vereerd door de geestelijk
leraren van de drie werelden [de loka's, en zie 5.23:
8]'." (Vedabase)
Tekst
73
Sûta zei:
"Hij, de Allerhoogste Heer van de Zon die tevreden was gesteld,
nam de gedaante van een paard aan en presenteerde aan de wijze
de yajur-mantra's die nimmer eerder door een andere sterveling
gekend werden [zie ook 5.18:
6].
Sûta
zei: "Hij, de Allerhoogste Heer van de Zon tevreden gesteld,
presenteerde met het aannemen van de gedaante van een paard,
de yajur-mantra's nimmer door enige andere sterveling gekend
aan de wijze [zie ook 5.18: 6].
(Vedabase)
Tekst
74
De honderden
yajur-mantra's verdeelde de machtige wijze over vijftien
afdelingen en werden overgedragen aan de discipelen Kânva
en Mâdhyandina onder de naam Vâjaseneyi:
'voortgebracht uit de manen van het paard'.
De
honderden Yajur-mantra's voortgebracht uit de manen van het
paard verdeelde de machtige wijze over vijftien afdelingen
en werden overgedragen aan de discipelen Kânva en
Mâdhyandina onder de naam Vâjaseneyi.
(Vedabase)
Tekst
75
Van Jaimini
Rishi, de reciteerder van de Sâma Veda, was er een zoon
Sumantu zowel als zijn kleinzoon Sutvân; voor ieder van
hen sprak hij een van de twee delen van de
verzameling.
Van
Jaimini Rishi, de reciteerder van de Sâma Veda, was er
een zoon Sumantu zowel als zijn kleinzoon Sutvân; voor
ieder van hen sprak hij een van de twee delen van de
verzameling. (Vedabase)
Tekst
76-77
Sukarmâ,
een andere leerling [van Jaimini] en een groot denker,
verdeelde de drie van de Sâma Veda in een duizendtal
verzamelingen van sâma-mantra's waarna, o brahmaan, de
twee discipelen Hiranyanâbha - de zoon van Kus'ala - en
Paushyañji, plus een andere, Âvantya die ver
gevorderd was in het spirituele inzicht, de zorg voor hen op
zich namen.
Sukarmâ,
een andere leerling en groot denker [van Jaimini],
verdeelde de drie van de Sâma Veda in een duizendtal
verzamelingen van sâma-mantra's waarna, o brahmaan, de
twee discipelen Hiranyanâbha, de zoon van Kus'ala, en
Paushyañji plus een andere, Âvantya, ver
gevorderd in het spirituele inzicht, de zorg voor hen op
zich namen. (Vedabase)
Tekst
78
Er waren in
totaal vijfhonderd discipelen van Paushyañji en
Âvantya die de sâma-veda zangers van het
noorden worden genoemd, maar ook daarentegen [in latere
tijden, enkelen van hen] bekend staan als de oostelijke
zangers.
Er
waren in totaal vijfhonderd discipelen van Paushyañji
en Âvantya die de Sâma Veda zangers van het
noorden worden genoemd, als ook daarvan verschillend [in
latere tijden, enkelen van hen] als de oostelijke
zangers. (Vedabase)
Tekst
79
Andere
leerlingen van Paushyañji, namelijk Laugâkshi,
Mângali, Kulya, Kus'îda en Kukshi, namen ieder de
zorg op zich voor een honderdtal verzamelingen mantra's.
Andere
leerlingen van Paushyañji, namelijk Laugâkshi,
Mângali, Kulya, Kus'îda en Kukshi, namen ieder
een honderdtal verzamelingen van mantra's op zich.
(Vedabase)
Tekst
80
Krita, de
discipel van Hiranyanâbha, droeg vierentwintig
Samhitâ's over aan zijn leerlingen; de resterende
Samhitâ's werden doorverteld door de zelfverwerkelijkte
wijze Âvantya."
Krita,
de discipel van Hiranyanâbha, sprak vierentwintig
samhita's voor zijn leerlingen; de resterende samhita's
werden gesproken door de zelfverwerkelijkte wijze
Âvantya. (Vedabase)
*
Het S'rîmad Bhâgavatam staat ook bekend onder de
naam 'Paramahamsa Samhitâ': de verzameling van
verhalen over de Allerhoogste Zwaangelijke Heer.
**:
De substantie, de handeling en de doener als onzuiverheden
worden begrepen als manifestaties van de tot ego inspirerende
geaardheden van de onwetendheid van de inerte materie, de
hartstocht van de beweging en de goedheid van de kennis, ookwel
bekend als de adhibhautika hindernis van het lichaam, de
adhyâtmika hindernis van de organen van handelen
en de adhidaivika hindernis van de waarnemende zinnen
[zie kles'a].
