A|B|C|D|E|F|G|H|I|J|K|L|M|N|O|P|Q|R|S|T|U|V|W|X|Y|Z

 

A

 

Âcârya: bonafide, zelfgerealiseerde, geestelijk leraar (g u r u) die onderricht door voorbeeld te geven en de leer van de  p a r a m p a r â vertegenwoordigt en wiens uitspraken na te gaan zijn in de geschriften.

Âdhâra: basis, fundament, grondvesting (t a p a s - is de âdhâra, de basis van de leer van K r i s h n a, zie 11.6: 26-27).

Âdhi: plaats, situatie (zie l o k a).

Âdi: begin, aanvang.

Âditya's: de twaalf halfgod-zoons van A d i t i.

Âdi-s'esha: ('het secundaire vanaf het begin') ook wel S'esha-nâga of Ananta-s'esha: het slangenbed van G a r b h o d a k a s' â y î V i s h n u. Vertegenwoordigt het bijkomend materiële van de dienst aan K r i s h n a. Deelaspekt van S a n k a r s h a n a en wordt soms ook zo genoemd (zie ook A n a n t a, S a n k a r s h a n en S.B. 5.25).

Âgastya: 'hij wiens zinnen niet onafhankelijk zijn': een grote wijze, een ziener, de zoon van Kumbha, de pot. Verblijvend in de Malaya heuvels aanbad hij de Heer (6.3:35). Kwam met V a s i s h t h h a voort uit het zaad dat M i t r a en V a r u n a deponeerden in een aarden pot toen ze U r v a s' î zagen. Hij huwde met de eerste dochter van Malayadhvaja en uit haar werd een zoon geboren genaamd Dridhacyuta. (4.28: 32). Hij vervloekte de koning van Pândya een olifant te worden omdat hij hem niet naar behoren ontving toen hij met zijn discipelen rondtrekkend in het Malaya gebergte onverwacht opzocht. Die olifant staat bekend als G a j e n d r a.

- Een zoon door Pulastya verwekt bij Havirbhû die in zijn volgende leven Dahrâgni heette, hij van het vuur van de spijsvertering, en Vis'ravâ, de grote der verzaking (4.1: 36).

- Een naam van S' i v a.

Âgnîdhra: de zoon van P r i y a v r a t a en kleinzoon van M a n u. Hij wenste zich een vrouw uit de hemel en won aldus de hand van de A p s a r a Pûrvacitti. Zo kreeg hij goed nageslacht zoals koning N â b h i, de vader van a v a t â r a R i s h a b h a (zie 5.2).

Âkûti: een van S v â y a m b h u v a  M a n u's drie dochters en de vrouw van Ruci (zie 4.1)

Ânakadundubhi: een andere naam voor Vasudeva, de vader van Heer K r i s h n a, als degene die Heer K r i s h n a Zijn plaats van geboorte gaf (zie 9.24: 28-31).

Ânanda: hemels geluk, zie ook s a t - c i t - â n a n d a, eeuwigheid, bewustzijn en gelukzaligheid als de fundamentele kwaliteiten van het Godbewustzijn.

Âranyaka: naam voor een afdeling van religieuze en filosofische geschriften nauw verwant aan de b r â h m a n a's en zo genaamd omdat ze dan wel samengesteld werden in de bossen of aldaar bestudeerd werden. De u p a n i s h a d's worden gezien als hun aanhangsels (zie ook V e d a's).

Ârati: lichtoffer; ritueel waarbij voor de beeltenis, Zijn a r c â-gedaante (zie M û r t i), bloemen, water, wierook en licht wordt geofferd.

- Een van de negen activiteiten van de toegewijde dienst (zie b h â g av a t a  d h a r m a).

- Ceremonie met een lamp voor het begroeten of afscheid nemen van de Heer.

Âroha: induktie, veralgemenen, generaliseren van een onpersoonlijke, materiële noemer; de 'opstijgende' methode van kennisverwerving. Kenmerk van u p â d â n a k â r a r a n a.

Âruni's: geheiligde personen aangevoerd door Âruni, ook wel Uddâlaka genaamd, een bekende b r a h m a a n s e leraar, zoon van Aruna Aupaves'i en vader van S'veta-ketu (10.87: 18).

- Superieure yogî's.

Âryan: de beschaafde, progressieve, cultuurminnende mens van geestelijke realisatie (verbasterd: ariër).

Âsana: lichaamshoudingen (zie a s h t h â n g a - y o g a).

Âs'rama: toevluchtsoord voor geestelijk zoekenden.

- Afdeling van het geestelijk leven. Vier soorten:

- B r a h m a c â r î: vrijgezel, celibatair, continent student van bonafide geestelijk leraar.
-
G r i h a s t h a: gehuwd.
-
V â n a p r a s t h a: teruggetrokken.
-
S a n n y â s a - onthecht (zie v a r n â s' r a m a).

- Het doorlopen van deze stadia maakt het mogelijk om tot volkomen zelfrealisatie te komen voordat men het lichaam verlaat. Zodoende keert men dan niet terug naar de materiële wereld en is men bevrijd uit het rad van wedergeboorte. (zie ook s a m s â r a, m u k t i)

- Afgelegen hut die tot meditatie-plek dient.

- Plaats of ruimte waar men gemeenschappelijk naar zelfverwerkelijking streeft, hermitage.

Âstikyam: religieuze verbondenheid, trouwhartigheid, geloof in de religieuze beginselen, vroomheid.

Âsuram bhâvam âsrita: ronduit atheïstische personen.

Âs'utosha: naam voor H e e r  S' i v a als hij die snel te behagen is (zie b.v. 9.9: 8).

Âtma: in hen zelf, van de ziel of het zelf, zelfgerealiseerd, van het levend wezen, het eigene, het lichaam, wat persoonlijk is, wat van het zelf is.

Âtmâ: ziel, het zelf, maar ook: lichaam, hart, geest of zinnen.

- De ziel is eeuwig, kwijnt niet weg, is zuiver, het individuele, de kenner van het veld, het oorspronkelijke vertrekpunt, het onveranderlijke, zelf-verlichtte, de eigenlijke oorzaak, de alles doorvarende, onafhankelijke en onbeweeglijke. Door deze twaalf levenstekenen van de ziel wordt een bewust persoon er toe aangezet het valse begrip van 'Ik 'en 'Mijn' op te geven dat zijn oorsprong heeft in de illusie van alles wat hoort bij het hebben van een lichaam (7.7: 19-20).

- Wezen van God en de mens,

- Zelfherinnering in verbondenheid met K r i s h n a,

- Einde van de ik-illusie (zie a h a m k â r a).

Âtmâ-jyoti: 'het licht van de ziel'. Geestelijke kennis (zie ook v i d y â, â t m â - t a t t v a en B r a h m a j y o t i).

Âtmânandi's: toegewijden die in afzondering met K r i s h n a alleen blijven willen en niet prediken.

Âtma-nivedanam: volledige overgave aan K r i s h n a. Eindpunt van het negenvoudig proces van toegewijde dienst (zie b h â g a v a t a - d h a r m a). Overgave aan K r i s h n a van binnenuit (zie ook c h a i t y a).

Âtmatattva: aanduiding van essentiële kennis omtrent het verschil tussen lichaam en ziel.

- Volmaakte kennis van de ziel zelf.

- De werkelijkheid van de ziel onder gezag van regulatie (zie n i y a m a).

Âtma-râma: de Heer tevreden in Zichzelf aantrekkelijk voor een ieder zoals verklaard door het gelijknamige vers uit het Bhâgavatam (zie 1.7: 10).

Âyu(s of Âyur): de zoon van P u r û r a v â en U r v a s' î, de wijze heersend over de maand Pushya of Pausha, December/Januari (zie 12.11: 42).  

Abhinives'a: een van de vijf k l e s' a's, de hindernissen op het pad van de zelfrealisatie: de gehechtheid aan het leven.

Abhyâsa: standvastigheid, gestadigheid, volhouden, doorzetten, discipline, geregelde praktijk, herhaling, herhaald lezen, studie; gebruik, gewoonte, zede, de poging van de geest om te verwijlen in zijn onveranderde conditie van zuiverheid (s a t t v a).

Acinthya-bhedâbheda-tattva: K r i s h n a is de ondoorgrondelijke  eenheid in de verscheidenheid (zie ook s i d d h â n t a).

- De heuristiek, de vuistregel van de  C a i t a n y a- v a i s h n a v a die stelt: Hij is Mij, maar ik niet Hem; Hij is de eenheid in de veelheid der slechts kwalitatief aan Hem gelijke delen en gehelen; Hij de Godspersoon die het universum is, waar ik slechts een deel k a l â van ben (ekatvena prithâktvena bahudhâ B.G. 9.15).

Acyuta: (letterlijk: iemand die nooit ten val komt); Onfeilbare, gezegd van K r i s h n a.

Adbhuta: verwondering, verbazing of verbijstering als indirekte r a s a.

Adharma: goddeloosheid, plichtsverzaking, tegennatuurlijkheid, onrecht (zie ook d h a r m a).

- Vidharma, paradharma, upadharma, âbhâsa en chala-dharma zijn de vijf verschillende vormen van goddeloosheid die door degenen trouw aan de schrift worden beschouwd als het adharma dat moet worden opgegeven. De oorspronkelijke bedoeling in de weg staan is vidharma (ook onwettig genoemd); doen alsof (ofwel verkeerd opgevat) is het paradharma en ketters of bekokstooft als iets anders is het upadharma; het is (âbhâsa, pretentieus of hypocriet) valse trots en met chala, bedrog, verdraait men de betekenis (S.B. 7.15: 12-13).

- De goddeloze tegenhangers van de religie: leugenachtigheid, geweld, ongenoegen en onenigheid (12.3: 20).

- Zie ook: m â y â v â d i.

Adhi: een voorzetsel voor werkwoorden en zelfstandige naamwoorden, uitdrukking gevend aan erboven staan, hoog boven, ernaast.

Adhibhûtam: de stoffelijke natuur.

Adhidaivatam: de universele gedaante van de Heer genaamd adhidaiva (B.G. 8.4).

Adhidaivika, adhyâtmika, adhibhautika kles'a's: hindernissen afkomstig van resp. de natuur, jezelf en van anderen, zie verder k l e s' a's.

Adhikâri: toegewijde.

- Term voor overgegeven toegewijden in de tempel. Drie soorten:

- K a n i s h t h h a: beginners (b h a k t a's), op dit nivo ontwikkelt men:
- s' r a d d h â, geloof;
- sadhu-sanga
, omgang met toegewijden;
- bhajana kriya: de reguliere spirituele praktijk van het alleen en tezamen zingen van de namen, het lezen van de geschriften en dergelijke; dit stadium overbrugt naar het volgende nivo via
d î k s h â.

- M a d h y a m a: gevorderden (geïnitieerden), op dit nivo ontwikkelt men:

- anârtha nivritti: zonden verdwijnen geleidelijk: het hart raakt gezuiverd;
- nishtha; vastbeslotenheid; duurzame overgave.
- ruci, een hogere smaak;
- as'akti
: verdieping in de relatie met
K r i s h n a; het individuele karakter met een r a s a.

- U t t a m a: zuivere toegewijden die stabiel zijn in bovenzinnelijkheid. (zie ook 11.2: 45-47 en b h a k t a), op dit nivo ontwikkelt men:

- b h â v a: een sterke emotionele ervaring, een staat van vervoering, in het omgaan met K r i s h n a.
-
p r e m a: zuivere liefde voor God in zijn volle omvang.

Adhîshthâya: in die omstandigheid, telkens weer (neemt Hij geboorte).

Adhiyajña: de Superziel, volkomen deel-aspekt van de Heer in het hart van ieder levend wezen. 

Adhokshaja: naam voor de Hoogste Persoonlijkheid, V i s h n u of de V i s h n u- a v a t â r a, als zich bevindend boven en voorbij het zintuiglijke.

Adhvaryu: de priester die de y a y u r-m a n t r a's zingt om het offer in te leiden (zie ook r i t v i k).

Adhyâtma-cetasâ: iemand die zich uitsluitend afhankelijk stelt van K r i s h n a. 

Aditi: de moeder der twaalf halfgoden Vivasvân, Aryamâ, Pûshâ en Tvashthâ, Savitâ, Bhaga, Dhâtâ, Vidhâtâ, Varuna, Mitra, S'atru en Urukrama (6.6: 38-39).

- Één van de vrouwen van de wijze K a s' y a p a (zie S.B 8.16 & 17).

Advaita: zonder dualiteit, hetgeen met betrekking tot de Heer wil zeggen dat er geen verschil bestaat tussen Zijn lichaam en Hemzelf.

-  S.B.: 7.15: 63-65: (63) Naar de constatering dat, zoals met de substantie van de draden van een doek, het effect en de oorzaak (van zijn bestaan) één zijn omdat uiteindelijk ze los van elkaar plaatsen het onware vormt, spreekt men van een begrip van eenheid (bhâvâdvaita, zie ook B.G.: 18: 16). (64) In alle activiteiten van de geest, de woorden en het lichaam rechtstreeks van toewijding zijn voor het Allerhoogste van het Bovenzinnelijk Absolute, o Yudhishthhira, wordt eenheid in handelingen genoemd (kriyâdvaita, vergelijk B.G. 9: 27). (65) Als het uiteindelijk doel en het eigenbelang, de vrouw en de kinderen, de anderen of welke levende wezens ook, één is, wordt die eenheid genoemd de eenheid van het belang (dravyâdvaita). 

Advaita-âcârya (Advaita Prabhu): P a ñ c a - t a t t v a -incarnatie van M a h â - V i s h n u. De oudste metgezel van Heer C a i t a n y a die verantwoordelijk is voor het afroepen van Zijn nederdaling in de stof.

Aghampâpâh: ernstige zonde.

Agni: de halfgod die het vuur regeert.

Agni-traya: naam van de drie heilige vuren, respectievelijk genaamd:

- garhapatya: het vuur van waaruit de offervuren worden aangestoken;
- ahavaniya: het vuur aangemaakt om de offers te ontvangen; met name het oostelijke van de drie vuren brandend bij een plechtigheid;
- dakshina: het zuidelijke vuur, het vuur van het bijeenzamelen, waar gekookt wordt.

Agnihotra-yajña: brandoffer. Het ceremoniële vuuroffer opgevoerd in vedische rituelen.

Aham brahmâsmi: het vedische aforisme "Ik ben geestelijk".

Ahamkâra (Ahankâra): V a l s  e g o berustend op identificatie met het lichaam vormt de zetel van de angst. In de psychologie vaak neurotisch, d.w.z. geestelijk ineffectief, genoemd vanwege de vervreemding van het Ware Zelf of het zelfideaal (K r i s h n a, zie ook a s m i t â). Ook wel gewoon ego genoemd. Van de neurose van de valse identificatie geneest men door de prioriteit van de regulerende beginselen die de menselijkheid definiëren (zie v i d h i) te herstellen oftewel door het gezag van K r i s h n a en Zijn vertegenwoordigers te aanvaarden (zie â c â r y a, p a r a m p a r â, g u r u, m â y â v â d i). Weigert men dit, dan komt men met a n a r t h a's (ondeugden) en k l e s' a's (hindernissen) te zitten ofwel met symptomen van psychisch disfunctioneren: verdringing (repressie, onwetendheid, onbewust zijn, zie a v i d y â), projectie (d v e s h a), angst (fobieën, b h a y a), en dwangmatigheid (tegennatuurlijkheid, hysterie, perversie, valse religie ofwel a d h a r m a).

- De illusie van 'ik' en 'mijn' zoals besproken in b.v. 2.9: 2, 4.28: 17, 4.29: 5, 5.5: 8, 6.16: 41, 10.85: 17, en 11.28: 15.

Ahimsa: geweldloosheid, niets verwonden, onschadelijk zijn, veiligheid, zekerheid (zie b.v. 11.8: 9).

Airâvata: I n d r a's olifant.

Aja: (de Ongeborene) naam van K r i s h n a duidend op Zijn eeuwige bovenzinnelijke aard.

- Naam van de Allerhoogste Godspersoon, 'Hij die ongeboren is'.

Ajana: 'ongeboren zijn', naam van de Heer als de Ongeborene.

Ajâmila: een gevallen brahmaan die van de hel gered werd door het onopzettelijk chanten van de naam van de Heer in zijn stervensuur (zie 6.1 & 2).

Ajita: naam voor K r i s h n a als de Onoverwinnelijke.

Akarma: 'niet-werken', vrijheid van terugslagen, onbaatzuchtige activiteit, toegewijde dienst, activiteit die leidt tot zelfverwerkelijking (zie n a i s - k â m a - k a r m a).

Akshauhinî: legereenheid bestaande uit 21.870 strijdwagens, 21.870 olifanten, 109.350 infanteristen en 65.610 cavaleristen ofwel tien anikini's (zie ook g a n a).

Akrûra: 'niet wreed, zachtgeaard'; naam van K r i s h n a's vertrouwde oom van vaders zijde die naar V r a j a werd gestuurd door K a m s a om K r i s h n a en B a l a r â m a uit te nodigen voor een worstelwedstrijd (zie 10.36).

Ambarîsha Mahârâja: grote koning en toegewijde, die alle negen methoden van toegewijde dienst volmaakt toepaste (zie b h â g a v a t a  d h a r m a, zie 9: 4 & 5).

Ambikâ: betekent moeder, goede vrouw, een naam schriftuurlijk verbonden met het vrouwlijke van U m â en P â r v a t î in relatie tot S k a n d a, S' i v a of R u d r a, als een term van respect. Samen met P a s' u p a t i aanbeden door de g o p a's in 10.34.

Amrit: nectar, de nectar van de Goden. Een substantie gewonnen uit het karnen van de melk-oceaan (zie canto 8.7, 8.8, 8.9 en 8.10).

Ams'a-avatâra: de Heer incarneert om het innerlijk leven te inspireren, maar dan voor enkel één bepaald doel (zie ook c h a n n a en a v a t â r a).

Ananga: 'hij zonder lichaam'; naam van K â m a d e v a of Cupido de God van de Liefde, zo genoemd omdat hij het zonder een lichaam moest stellen door een flits van het oog van S' i v a, daar hij hem had verstoord in zijn leven van verzaking door hem te vervullen van liefde voor P â r v a t î, zijn gezellin.

- De ether (akas'a), de lucht, de hemel; de geest; dat wat niet a n g a is.

Ananta/Ananta S'esha/Anantadeva: naam van de goddelijke slang met de ontelbare koppen waarop hij de universa draagt; het slangenbed waarop V i s h n u neerligt (zie ook S a n k a r s h a n a en 5.25).

Anantavijaya: de naam van Koning Y u d h i s h t h h i r a's schelphoorn.

Anartha's: (niet-doelen) ongewenste eigenschappen, in zes verdeeld: k â m a: lust, k r o d h a: woede, l o b h a bezitsdrang, m a d a: trots, m â t s a r y a: jalouzie en m o h a: misvatting.

Anasûyantah: leven zonder afgunst.

Anga Mahârâja: de vader van koning V e n a.

Angamejayatva: instabiliteit van het lichaam.

Anga's: leden, delen, de bijkomende zaken van de V e d a, te weten S'îkshâ (fonetiek; hoe uitgeproken klanken weer te geven met tekens en geschreven letters), kalpa (de rituelen, voorschriften van regels voor ceremonieën en offerplechtigheden), Vyâkarana (grammatica; de taalregels), chandas (prosodie: accenten op lettergrepen; de wetten van de versmaat of metrische compositie), Jyotisha (astronomie), Nirukta (etymologie; herleiden van enkelvoudige en samengestelde termen).

Angirâ (Angiras): een van de zeven grote wijzen (zie 8.13) die rechtstreeks voortkwamen uit H e e r B r a h m â. Schreef hymnen, een wetboek en een astronomische verhandeling.

- Beroemde wijze en stamvader of p r a j â p a t i die koning C i t r a k e t u onderrichtte (zie 6.14 & 15, 4.1: 33).

- Een van de tien zoons van B r a h m â die voortgebracht werd uit zijn mond (3.12: 20-24).

- Verre nazaat van Bharata (5.9: 1).

- Wijze gehuwd met twee dochters van D a k s h a (6.6: 2).

- Wijze gehuwd met S'raddha een dochter van K a r d a m a (3.24: 22).

- Wijze door Pushkarinî verwekt in Ulmuka (4.13: 17)

Aniruddha: (ongehinderd, niet te overheersen, eigenwillig) een van de vier oorspronkelijke expansies van Heer K r i s h n a in de geestelijke wereld heersend over de geest (zie ook V y û h a s, S a n k a r s h a n a - van het ego, P r a d y u m n a - van de intelligentie en V â s u d e v a van het bewustzijn, zie ook S.B. 4.24:35-37 en p a ñ c a - t a t t v a).

- Aniruddha, de zoon van P r a d y u m n a die een zoon van K r i s h n a was, werd door de dochter van B â n â s u r a verleid tot buitenechtelijke sex, waarop een oorlog volgde waarin B â n a werd verslagen (zie 10.62).

- Een nazaat van V r i s h n i.

- Het touw om vee mee vast te binden.

Anna: voedsel in vier typen: carvya, cûshya, lehya en pehya - resp. voedsel dat wordt gekauwd, opgezogen (of zonder kauwen doorgeslikt), opgelikt en gedronken (vermeld in 4.19: 9, zie ook p r a s â d a m).

Anna-prâsana: ritueel waarbij een kind voor het eerst vast voedsel te eten wordt gegeven. Een van de tien s a m s k â r a's.

Anta: einde (zie v e d â n t a en s i d d h â n t a).

Antardhâna: ('verdwijning'), Vijitâs'va ofwel 'hij die het paard won', de zoon van P r i t h u die het paard terugbracht dat I n d r a weggestolen had van het A s' v a m e d h a offer gehouden door A t r i na de neergang van koning V e n a (zie S.B. 4.24: 3).

Anu-âtmâ: de atomisch kleine ziel welke volkomen deel van K r i s h n a is (zie ook v i b h u - â t m â en j î v a - â t m â).

Anukarana: imitatie, blind volgen, derde klas toewijding (zie k a n i s h t h h a).

Anuloma: de vader is van een hogere klasse dan de moeder in tegenstelling tot de pratiloma, waarbij het omgekeerde waar is (zie 11.20: 2). Andere verdelingen zijn:

- De vaidehaka's bestaan uit hen geboren uit een s' û d r a vader en een b r â h m a n a moeder,
- De sûta's zijn zij die geboren zijn uit een
k s h a t r i y a vader en een brâhmana moeder of van een s' û d r a vader en een k s h a t r i y a moeder.
- De mûrdhâvasikta's zijn zij geboren uit een
b r â h m a n a vader en een k s h a t r i y a moeder.
- Ambasthha's zijn zij die geboren zijn uit een
b r â h m a n a vader en een v a i s' y a moeder (dezen werken vaak in de gezondheidszorg).
- Karana naam voor hen die geboren zijn uit een
v a i s' y a vader en een s' û d r a moeder of een k s h a t r i y a vader en een v a i s' y a moeder.

Anusarana: volgen, naar eigen aard toegewijde dienst doen in overleg; met eigen inbreng. Tweede en eerste klas toewijding (zie m a d h y a m a en u t t a m a).

Apahrita-cetasam: term van K r i s h n a voor warhoofden.

Apâna-vâyu: een der inwendige lichamelijke luchtbewegingen, welke door het a s h t h â n g a - y o g a-systeem onder bedwang kunnen worden gekregen. De a p â n a - v â y u gaat omlaag.

Aparâ prakriti: de lagere, stoffelijke energie van de Heer.

Aparigraha: zonder bezit(-sdrang) zijn, niet aannemen van giften (zie y a m a en n i r m a m a).

Apaurusha: 'niet door een materieel persoon gesproken' (zie s' r u t i).

Apavarga: de weg naar de verlossing door K r i s h n a geopenbaard (zie ook k a i v a l y a - p a n t h â). Er zijn vier stadia van ontwikkeling: van k a r m a-, j ñ â n a-, a s h t h â n g a- tot b h a k t i - y o g a (zie ook t r i - k â n d a).

- Hemel, bevrijding, vervolmaking, einde.

- De emancipatie van de ziel vanuit zijn lichamelijk bestaan, vrijwaring van verdere transmigratie; uiteindelijke zaligheid.

- Gift, donatie, restrictie.

Apsara's: hemelse dansmeisjes, bewoners van de hemel. Echtgenotes van de G a n d h a r v a's.

- Pûrvacitti is de naam van de a p s a r a waar de Heer zich toe bekent (zie 11.16: 33).

Arcana: de lof, het respecteren, de eer bewijzen, het aanbidden, het vereren van de m û r t i of het verbinden van de zinnen in 's Heren dienst (zie ook: b h â g a v a t a  d h a r m a).

Arca-vigraha: de inkarnatie van de Heer in een ogenschijnlijk van materie vervaardigde vorm, bedoeld om het nieuwe toegewijden gemakkelijk te maken, Hem te aanbidden (zie M û r t i).

Arci: de vrouw van koning P r i t h u (4.23: 19-28).

Arjuna: zoon van koningin Kuntî (P r i t h â) en koning P â n d u. Vriend en neef van K r i s h n a. Degene tot wie de G î t â wordt gesproken (zie ook P â n d a v a's en stamboom, G u d a k e s'a en P a r a n t a p a).

Artha: economische activiteit, economische ontwikkeling, gewin. Een van de vier hoofddoelen van het materiële leven (zie p u r u s h â r t h a's)

Aruni: een wijze, niet te verwarren met Âruni - zie hiervoor-, vermeld in 4.8: 1 en 6.15: 12-15.

Aryamâ: de halfgod belast met P i t r i l o k a, de wereld van de voorvaderen. Een van de twaalf zoons van A d i t i (6.6: 38-39) en K a s' y a p a.

- Van de verbintenis van Aryamâ met zijn vrouw Mâtrikâ kwamen vele hooggeleerde zoons ter wereld van wie Heer Brahmâ een soort van mens de wereld in hielp die daadwerkelijk gelijk hen was met een geneigdheid tot zelfonderzoek (6.6: 42).

- Zolang V i d u r a de rol van s' û d r a speelde, deelde Aryamâ optredend voor Y a m a r â j a, de straf uit die de zondaars verdienden (1.13: 15).

Asamprajnatasamâdhi: niet opzettelijke, natuurlijke verzonkenheid in K r i s h n a, negatief noch positief, zonder vals ego (zie s a m â d h i en d h a r m a m e g h a - s a m â d h i).

Asânga: zich losmaken van het stoffelijk bewustzijn.

Asat: van voorbijgaande aard, tijdelijke materiële vorm, het onware, de materiële oorzaak (zie ook s a t en u p â d â n a k â r a n a).

Asat-kâla: tijd die een vorm aanneemt en daarmee onwaar of vals wordt (b.v. de standaardtijd). Deze term komt in de oude geschriften niet rechtstreeks voor - wordt gebruikt voor de moderne prediking om twee essentiële termen met elkaar te verbinden. Wel is er sprake van het k â l a - k û t h a ('valse tijd' ookwel h a l â h a l a genoemd) gif dat voortkwam uit het karnen van de oceaan en dat door Heer S' i v a werd opgedronken (zie k â l a, 8.7: 18 en 8.6: 25).

Ashthânga-yoga: het achtvoudig pad van de y o g a. Zelfrealisatie in acht opeenvolgende fasen: onthoudingen (y a m a), inachtnemingen (n i y a m a), zithoudingen (â s a n a), adembeheersing (p r â n â y â m a), verinnerlijking (p r a t y â h â r a), concentratie (d h â r a n â), meditatie (d h y â n a), absorbtie, verzonkenheid (s a m â d h i).

Ashtha-siddhi's: de acht mystieke volmaaktheden, perfecties, verworven door y o g a-beoefening (zie s i d d h i).

Asita: een klassieke autoriteit in de vedische kennis. Een van de meesters der volmaaktheid die de rondtrekkende spirituele opvoeders zijn (6.15: 12).

Asmitâ: ik-mijn-illusie. Identificatie met de materie en het idee van eigenaarschap. Staat tegenover ziel en delen. (zie k l e s' a, j î v â t m â, n i r m a m a en a h a m k â r a).

Asteya: niet stelen, vrij van onrechtmatig toeëigenen (zie y a m a).

Asura: (lett.: niet van S u r y a, de zonnegod of s u r a, het licht, de verlichting) goddeloze, een demon, iemand die tegen de regels ingaat, iemand van de duisternis, een atheïst, een onverlichte begeertige persoon gedreven door lust en woede. (zie ook s u r a en R â k s h a s a's).

- Een ieder die zich niet aan de regels van de Schriften houdt en wiens enige levensdoel eruit bestaat om voortdurend van werelds vermaak te genieten.

- Zuiver demonisch wezen dat zich openlijk tegen de beginselen van de godsdienst verzet.

- Kwaadaardig monster van het soort dat tijdens K r i s h n a's verblijf op aarde de strijd met Hem aanbond.

As'ubhât: kwaad lot dat men vermijdt door kennis van handelen (zie k a r m a, en B.G. 4.16 & 9.1).

As'vamedha-yajña: paardoffer. Aan het eind van het leven of een periode van bestuur van een koning wordt een paard met een plaquette om de hals het koninkrijk ingestuurd met in het gevolg een leger. Iedereen die de eer van de koning aanvecht wordt dan bestreden.

- Methode om afscheid te nemen van wereldse gehechtheid en status.

- De zoons van S a g a r a werden tot as verbrand toen het paard van hun as'vamedha-offer werd aangetroffen in de â s' r a m a van de wijze K a p i l a die zij om die reden onheus bejegenden (zie 9.8).

As'vattha: de heilige vijgenboom of bodhi of p i p p a l a, of een zonder bijzondere eigenschappen, ook vaak een banyan genoemd; vermeld in de G î t â (10: 26) en in het Bhâgavatam (11.16: 21 en 11.30).

As'vatthâmâ: de kwaadaardige zoon van de grote militaire leider D r o n â c â r y a die de kinderen van de P â n d a v a's vermoorde.

As'vins, As'vinî-kumâra's: tweeling goden, geboren uit V i v a s v â n en zijn vrouw Vadavâ, ze zijn verantwoordelijk voor de geneeskunde en de kruiden. Ze schonken de wijze Cyavana zijn jeugd en verwierven aldus een aandeel in de soma-rasa die hen voordien ontzegd was. Ze verkregen het schild van mantra's dat hen onsterfelijk maakte van Dadhyañca (zie: 4.7: 5, 5.23: 7, 6.9: 52, 8.13: 10, 9.23: 11).

- De tweelingen Sahadeva en Nakula van de P â n d a v a's ziet men als incarnaties van hen.

Atri Muni: een van de tien m a h â r i s h i 's geboren uit B r a h m â. Ontving van K a r d a m a zijn dochter Anasûyâ ten huwelijk (3.24: 22).

- Mediteerde voor een honderdtal jaren op de berg genaamd Riksha en bereikte de zegen van de halfgoden dat ze uit hem geboorte zouden nemen (4.1: 17-28).

- De vrouw van Atri Muni, genaamd Anasûyâ, baarde drie zeer beroemde zoons: D a t t â t r e y a, Durvâsâ en Soma (de maangod), welke (gedeeltelijke) incarnaties van respectievelijk de Superziel (V i s h n u) zijn, heer S' i v a en heer B r a h m â.' (4.1: 15 en 9.14: 2).

- De wijze die betrokken was bij een conflikt tussen I n d r a en P r i t h u over het stelen van een paard (zie 4.19).

AUM: zie o m k â r a.

Avabhritha: een afsluitende plechtigheid in vedische offeranden waarin men zichzelf en de gebruiksvoorwerpen van het offer schoonwast.

Avadhûta: een heilig iemand van volledige verzaking, iemand die zich niet bezorgt om dingen van de wereld als kleding of zelfs maar schoon zijn (zie b.v. R i s h a b h a).

- Wordt besproken door K r i s h n a als hebbende 24 leermeesters (in 11.7, 8 & 9).

- Wordt ondervraagd door P a r î k c h i t in 7.13.

Avaroha-panthâ: de materialist wil alles begrijpen middels de âroha-panthâ - het pad van de rede en argument - maar bovenzinnelijke zaken kunnen niet op deze manier worden begrepen. In plaats daarvan moet men de avaroha-panthâ volgen, het proces van nedergedaalde kennis, het pad van de overgave aan de p a r a m p a r â en het aanvaarden van spirituele, geestelijke kennis.

Avasah: hulpeloosheid (van materialisten b.v.).

Avasthâtraya: de drie staten van bewustzijn (zie ook v r i t t i - t r a y a): waken, jâgrat, slapen svapna en diepe slaap sushupti die de functies van de intelligentie vormen naar de geaardheden der natuur; met kenmerken verschillend met die van hen stelt men de individuele ziel vast als zijnde de getuige (zie 1.18: 26, 4.29: 71 & 1b, 6.16: 61-62, 7.7: 25, 10.47: 31, 10.84: 24-25, 11.13: 27 , 11.25: 20 en 11.28: 20 )

- Boven deze drie die filosofisch ook wel worden aangeduid als de vis'wa (wakker zijn voor externe voorwerpen), taijasa (de geest voor zichzelf dromend) en prâjn'a (latentie van het denken) staat van de Heer, bevindt zich de staat van turiya (het superbewustzijn of de staat van de ziel, zie 12.11: 22).

Avatâra: nederdaling van de Opperheer. Er zijn er in beginsel twee soorten: vibhûti- en aves'a/sâkshad-avatâra's: resp. gevolmachtigde levende wezens en incarnaties en expansies met het volle vermogen. Van deze laatsten bestaan er zes soorten: Purusha, Lîlâ, Guna, Manvantara, Yuga and S'akti-âves'a avatâra's (zie onder). Ze worden ook wel ingedeeld in vaibhâva tijdelijke, minder bekende tweehandige gedaanten (zoals de M o h i n î, V y â s a en H a m s a gedaante) en prabhâva eeuwige incarnaties van de vierhandige soort (zoals de universele gedaante die K r i s h n a toonde op het slagveld). Vaibhâva zijn ook incarnaties als K û r m a, M a t s y a, N a r a - N â r â y a n a, V a r â h a en H a y a g r î v a (zie verder purport C.C. adi.2.97). Er bestaan vierentwintig van deze vaibhâva incarnaties. Een ander verschil tussen avatâra's is wat wordt genoemd het vîlâsa (expansies) en het prakas'a aspect (Zijn eigen gedaante).

- Een volkomen expansie van de Heer.

- De gevolmachtigde toegewijde van de Heer.

- Deductief proces van het nederdalen van de (Super-) ziel in de stof.

- Betekenisverklaring C.C. madhya 20,246 : 'Van de G u n a - a v a t â r a' s zijn er drie - heer B r a h m â, heer S' i v a en Heer V i s h n u.

- Van de L î l â en V i s h n u - a v a t â r a' s zijn er talloze.

- Van de P u r u s h a - a v a t â r a's zijn er ook drie, de drie V i s h n u's.

- Van de avatâra's die verschijnen gedurende de regeerperioden van de M a n u, bekend als de M a n v a n t a r a - a v a t â r a's of ook wel vaibhâva-avatâra's, zijn er bijgevolg veertien.

- Y a j ñ a en V â m a n a worden ookwel gerekend onder de L î l â - a v a t â r a's.

- 'De vier Y u g a - a v a t â r a's zijn: (1) sukla (wit) in S a t y a - y u g a (S.B. 11.5.21), (2) rakta (rood) in T r e t â - y u g a (S.B. 11.5.24), (3) âyâma (donkerblauw) in D v â p a r a - y u g a (S.B. 11.5.27) en (4) over het algemeen krishna (zwart) maar in speciale gevallen pîta (geel) zoals C a i t a n y a M a h â p r a b h u in K a l i - y u g a (S.B. 11.5.32 en 10.8.13).

- De S' a k t y â v e s ' a - a v a t â r a's worden ingedeeld in (1) gedaanten van goddelijke verzonkenheid (bhagavad-âves'a), zoals K a p i l a d e v a of R i s h a b h a d e v a, en (2) goddelijk gevolmachtigde (s'aktyâves'a), van wie er zeven meest vooraanstaand zijn.

(zie verder c h a n n a, s v a y a m r û p a, v i s h n u- t a t t v a - a v a t â r a, g u n a - a v a t â r a, y u g a - a v a t â r a, a m s' a - a v a t â r a, p u r u s h a - a v a t â r a, l î l â - a v a t â r a, m a n v a n t a r a - a v a t â r a, s' a k t i - a v e s ' a- a v a t â r a en S.B. 2:7 voor een beschrijving van V i s h n u - a v a t â r a' s ).

Avidyâ: onwetendheid ontstaan uit de schaduw van B r a h m â, onbenul. In vijf soorten:

1. vals ego als traagheid in onwetendheid (t a m a s),
2. lust als woede in jalouzie (tâmisra),
3. trots als vals eigenaarschap in materialisme (mahâ-moha),
4. klagen als zin voor de dood in dood-illusie (andha-tamisra),
5. twijfel als zelfmisleiding in misvatting (
m o h a) (zie 3.20: 18).

- Voor het eerst vermeld in in 3.12: 2 : 'Allereerst ontstond er [als de vijf soorten van onwetendheid:] het idee dat men zou sterven [andhatâmisra], de verongelijktheid [tâmisra], de hunkering van de verzotheid [mahâmoha], de begoocheling met fouten [zoals het zich met het lichaam identificeren, etc., m o h a] alsmede het duister van de onwetendheid aangaande wat men zelf doet [t a m a s].

- Als geaardheid der natuur (zie g u n a): t a m a s of traagheid.

- Eén van de vijf k l e s' a's.

Âvritya: verhulling (van de ziel door stoffelijkheid).

Avyayam: onveranderlijk. Eigenschap van de ziel.

Avyakta: niet-geopenbaard, voor onze beperkte blik niet zichtbaar.

Ayodhyâ: stad van Heer R â m a en de koningen van de s û r y a  v a m s' a.   

 

 

  Doorzoek het Lexicon

 

Sanskriet Woordenboek

 

S'rîmad Bhâgavatam | Bhagavad Gîtâ | Zingende Filosoof
 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties