regelbalk



 

Canto 5

Mahâmantra 1

 

 

Hoofdstuk 1: De Activiteiten van Mahârâja Priyavrata

(1) De Koning [Parîkchit] zei: 'Waarom, o wijze, was Priyavrata, de grote toegewijde tevreden met de ziel, er zo gelukkig mee thuis te verblijven, de plaats die de grondoorzaak is van de gebondenheid aan karma en de minachting [voor de wereldverzakende orde]? (2) Voor dat soort personen die vrij zijn van gehechtheden, is het toch niets om te zwelgen in familieaangelegenheden, o wijste van de tweemaal geborenen? (3) Het lijdt geen twijfel dat het bewustzijn van grote zielen zijn voldoening vindt in de schaduw van de voeten van de Heer geprezen in de verzen en niet zo zeer in de geest van gehechtheid aan huis en haard. (4) Dit is waar ik hevig aan twijfel, o brahmaan: hoe kan er [zoals met Priyavrata] op basis van de krachten van iemands huwelijkspartner, huis, kinderen enzovoorts, volmaaktheid en een feilloze vastbeslotenheid jegens Krishna tot stand komen?'

(5)
S'rî S'uka zei: 'Het is volkomen juist wat u zei over de harten van de personen van bevrijding en de toegewijden die zijn verzonken in  de nectargelijke honing van de verhalen aan de lotusvoeten van hun geliefde Heer geprezen in de geschriften. Ondanks de tegenslagen die ze soms ondervinden geven ze vrijwel nooit hun zo hoog verheven positie op. (6) Het staat alom bekend, o Koning, dat prins Priyavrata inderdaad een allerverhevenste toegewijde was die in zijn dienst aan Nârada's voeten zeer snel doordrongen raakte van de volledige waarheid omtrent de spirituele bedoeling die hij in toegewijd enthousiasme onophoudelijk besprak. Hoewel zijn vader hem verzocht over de aarde te heersen omdat hij zo veel van de allerbeste kwaliteiten in zich had, kon hij er niet blij mee zijn. Hij wilde zich niet laten afleiden in zijn grote voorliefde voor het, met al zijn zinnen in al zijn handelen, in yoga verzonken zijn in de Allerhoogste Heer van de Ziel van het Universum, maar om geen enkele reden kon hij van het aanvaarden van die post afzien omdat, als hij op enige andere wijze zou afzien van het onware, dat zeker tot [cultureel] verval zou leiden. (7) En zo gebeurde het dat de eerste onder de halfgoden, Heer Brahmâ, omringd door al zijn persoonlijke metgezellen en de Veda's, nederdaalde uit zijn hemelverblijf. Het is hij die altijd denkt aan het welzijn van het geheel van deze universele schepping bestaande uit de drie geaardheden. Hij is bekend met de uiteindelijke bedoeling ervan, de Allerhoogste Ziel, waaruit hij zelf voortkwam. (8) Als de maan tussen de sterren aan de hemel werd hij op zijn weg links en rechts aanbeden door de leiders van de halfgoden vanaf hun hemelse voertuigen. En zo deden dat ook, de één na de ander, groepjes vervolmaakten, hemelbewoners, verfijnden, zangers en wijzen [respectievelijk de Siddha's, de Gandharva's, de Cârana's, de Sâdhya's en de Muni's] toen hij aldus, als het stralend middelpunt, in de buurt van het Gandhamâdana-gebergte aankwam [waar Priyavrata aan het mediteren was].A Vishnu to worship (9) Toen de devarishi [Nârada] de zwaan herkende die de almachtige vader Heer Hiranyagarbha [Brahmâ] droeg, stond hij samen met Priyavrata en zijn vader [Svâyambhuva Manu] daar aanwezig, onmiddellijk met gevouwen handen op om hem de eer te bewijzen met alles wat er bij hoort. (10) O zoon van Bhârata, de Heer, de oorspronkelijke persoon van het universum die aldus uit dankbaarheid voor de glorie van zijn nederdaling, zoals dat gebruikelijk was, werd geconfronteerd met de middelen van aanbidding en de lof voor zijn kwaliteiten in verheven taal, wendde zich toen tot Priyavrata, terwijl hij hem met een mededogende glimlach aankeek.

(11)
De grote Heer zei: 'Mijn zoon, luister naar de waarheid die ik u zeg. Wees niet jaloers op de Godheid die ons begrip te boven gaat. Wij, Heer S'iva, uw vader en deze grote Rishi [Nârada] voeren allen Zijn opdracht uit en kunnen niet afwijken. (12) Geen enkel levend wezen kan met het aanvaard hebben van een materieel lichaam ontkomen aan wat door Hem werd besloten; niet door verzaking noch door scholing, niet door yoga noch op basis van de eigen kracht of intelligentie, kan men ooit Zijn wil trotseren met de weelde die men verwierf, met de deugd van zijn plichtsbetrachting, met behulp van anderen of door welke persoonlijke inspanning ook. (13) Mijn beste, op het gezag van de Ongeziene aanvaarden alle levende wezens het om verbonden te zijn met een materieel lichaam zodat ze kunnen handelen overeenkomstig hun karma en aldus zijn ze altijd gebonden aan geboorte en dood, illusie en verdriet, angst, geluk en leed. (14) Mijn zoon, in onze onvermijdelijke gebondenheid aan guna en karma zijn wij, net als de vierbenige [stier] die met een touw door zijn neus gebonden is aan de tweebenige [voerman], gelijnd aan het lange touw van de Vedische instructie en gebonden aan allen die [binnen het varnâs'rama-systeem] er toe bijdragen de Heer te behagen. (15) Als blinden geleid door iemand die kan zien moeten wij, mijn beste, [onderworpen aan Zijn Vedische touw] dan onvermijdelijk het leed en geluk onder ogen zien dat hoort bij de kwaliteiten en het werk, afhankelijk van de situatie van het lichaam dat de Heer ons schonk. (16) Zelfs een bevrijde persoon moet zijn leven lang zijn lichaam in stand houden dat hij verwierf als gevolg van zijn verleden, ervan genietend zonder wanbegrip. Maar wat betreft een ander materieel lichaam [een nieuwe geboorte] zal hij, het ziend als iemand die uit zijn slaap ontwaakte, zich nooit laten bepalen door de materiële kwaliteiten ervan. (17) Iemand die daar niet voor waakt [iemand die zijn zinnen niet wil beheersen] heeft, zelfs als hij in de bossen verblijft, te vrezen vanwege de zes bijvrouwen [van de vijf zinnen en de geest]. Maar wat voor schade zou [anderzijds] een huishoudelijk leven iemand berokkenen die een in zichzelf tevreden en geleerd man is die zijn zinnen de baas is? (18) Eenmaal aan een huishoudelijk bestaan begonnen, moet een ieder die die zes tegenstanders wil overwinnen, ze eerst vanuit die stevige vesting de baas proberen te worden. Want pas als de ongereguleerde verlangens van die hevige vijanden hun kracht hebben verloren, kan men, aldus door de wol geverfd, zich vrij door het leven bewegen. (19) Als u deze zes tegenstanders hebt overwonnen en bevrijd bent van gehechtheden op gezag van deze bijzondere instructies van de Oorsponkelijke Persoon, kan u, beschermd in dit fort door de veilige haven van de lotusvoeten van Hem met de lotusgelijke navel, van al de genoegens van het leven genieten en aldus uw weg vinden.'

(20)
S'rî S'uka zei: 'De grote toegewijde van [Brahmâ,] de machtige Heer die de geestelijk leraar is van de drie werelden, aldus volledig op de hoogte gesteld, boog als een nederige ziel met het aanvaarden van zijn opdracht zijn hoofd en zei: 'Ja dat zal ik' en bracht het met alle respect ten uitvoer. (21) Terwijl Priyavrata en Nârada in vrede er notie van namen, werd de grote Heer eveneens door Manu naar behoren gerespecteerd. Daarop vertrok hij om terug te keren naar zijn hemelverblijf, die hoog boven alles verheven plaats die alle beschrijving en verstand te boven gaat. (22) Manu die, ook door Heer Brahmâ ondersteund, zijn plan ten uitvoer bracht en met de goedkeuring van Nârada zijn zoon de verantwoordelijkheid gaf voor de handhaving en bescherming van al de werelden in het universum, raakte [daarmee] persoonlijk verlost van zijn verlangens in de zo hoogst gevaarlijke, giftige oceaan van de materiële wereld. (23) [Priyavrata, de zoon van Manu die als] de keizer van het universum die, naar de opdracht van de Heer, aldus volledig in beslag werd genomen door materiële aangelegenheden, raakte door steeds te mediteren op de twee lotusvoeten van de Allerhoogste Heer, de Oorspronkelijke Persoon wiens bovenzinnelijke invloed alle gebondenheid tenietdoet, geheel gezuiverd met al het vuil uit zijn hart gewassen en bestuurde de materiële wereld met als enige wens de grote zielen te eren. (24) Hij trouwde daarop met Barhishmatî, de dochter van Vis'vakarmâ, één van de stamvaders, en verwekte in haar behalve een dochter, die als de jongste van zijn kinderen de naam Ûrjasvatî droeg, ook tien zoons die qua karakter, kwaliteiten, handelingen, schoonheid en moed hem in zijn grootheid evenaarden. (25) Hij gaf al zijn zoons de namen van Agni, de god van het vuur: Âgnîdhra, Idhmajihva, Yajñabâhu, Mahâvîra, Hiranyaretâ, Ghritaprishthha, Savana, Medhâtithi, Vîtihotra en Kavi. (26) Drie van hen, Kavi, Mahâvîra en Savana waren celibataire zielen die innerlijk gemotiveerd meteen vanaf het begin van hun kindertijd leefden voor de bovenzinnelijke kennis, op basis waarvan ze, zeer goed op de hoogte van de hoogste geestelijke volmaaktheid, zich aansloten bij de wereldverzakende orde [de paramahamsa-âs'rama]. (27) Deze bovenzinnelijke wijzen leefden, in de vrede van de kwaliteiten van die gevierde orde (*), voor de bescherming van de omgang van alle levende wezens die, in angst en vrees om hun materiële bestaan, de lotusvoeten van de Allerhoogste Heer Vâsudeva als hun enige toevlucht hebben. In hun voortdurende heugenis namen zij [de broeders], gezuiverd bij de genade van de hoogste vorm van yoga - die van de toewijding - vrij van smetten, de Allerhoogste Heer van alle schepselen waar in hun harten. Ze zagen Hem rechtstreeks als zich bevindend in henzelf en zagen in dat ze gelijk aan Hem waren in kwaliteit, dat ze [in dat opzicht] niet verschilden van de Heer van de Superziel. (28) Bij een andere vrouw verwekte hij  [Priyavrata] nog drie zoons genaamd Uttama, Tâmasa en Raivata, die allen bestuurders werden van het Manutijdperk [dat 71 mahâyuga's duurt]. (29) Nadat zijn zoons getraind waren in de wereldverzakende orde werd hij [Priyavrata] aldus de heerser over het universum alwaar hij, toegerust met machtige armen van gezag, samen met hen de snaar van de boog spande die luid weerklinkend allen versloeg die tegen het dharma opstonden. Zonder onderbreking was er voor de duur van 110 miljoen jaar de heerschappij van de grote ziel die, met de dagelijks groeiende beminnelijkheid, vrouwelijkheid, bedeesdheid, lachen, blikken, wederkerigheid en liefde van zijn vrouw Barhishmatî, [in zijn herhaalde geboorten] een aangenaam leven had. Maar erdoor in de war gebracht en verslagen verloor hij zijn onderscheidingsvermogen. (30) Omdat hij het niet kon waarderen dat, zolang de zonnegod in zijn baan om de berg Meru heendraaide, hij de ene helft van de aarde verlichtte en de andere helft in het donker liet, zei hij die in zijn aanbidding van de Fortuinlijke van een bovennatuurlijke macht was: 'Ik zal de nacht net zo doen schitteren als de dag', en om dat kracht bij te zetten volgde hij toen in een strijdwagen de zon in zijn omloopbaan, hetgeen hij exact zeven keer en evenzo snel deed alsof hij een tweede zon was. (31) Met de wielen van zijn wagen die met hun loopvlak groeven maakten, werden door hem aldus tewerk gaand de zeven oceanen voortgebracht die de aarde [Bhû-mandala] verdeelden in de zeven dvîpa's [de continenten of 'eilanden']. (32) Bekend als Jambû, Plaksha, S'âlmali, Kus'a, Krauñca, S'âka en Pushkara is ieder van hen er buiten omheen voortgebracht en twee keer zo groot als de voorgaande.  (33) De zeven oceanen - die [figuurlijk als een soort van lichaamssappen] bestaan uit zout water, suikerrietsap, sterke drank, geklaarde boter, melk, vloeibare yoghurt en zoet water - zijn even groot als de zeven continenten die ze, als de groeven [van zijn wagen], de één na de ander opeenvolgend geheel omsluiten. Voor ieder van de dvîpa's afzonderlijk stelde de echtgenoot van Barhishmatî, beginnende bij Jambûdvîpa, als de heerser één van zijn trouwe zoons aan genaamd Âgnîdhra, Idhmajihva, Yajñabâhu, Hiranyaretâ, Ghritaprishthha, Medhâtithi en Vîtihotra.
 
(34)
Verder huwelijkte hij de dochter die Ûrjasvatî heette uit aan de grote wijze Us'anâ [S'ukrâcârya die ook wel Kavi of Kavya werd genoemd]. Uit haar werd een dochter geboren genaamd Devayânî. (35) Voor de toegewijden van de Heer van de Grote Stappen [Urukrama, zie 1.3: 19] die, door hun toevlucht te zoeken bij het stof van Zijn voeten, in staat zijn de zes kwaliteiten te overwinnen [van het materiële bestaan: honger, dorst, weeklagen, illusie, ouderdom en de dood **], is een dergelijke [realisatie van] persoonlijke macht helemaal niet zo verbazingwekkend, want zelfs een vijfdeklas persoon [een uitgestotene] zal zijn materiële gehechtheid direct opgeven als hij slechts één keer Zijn naam uitspreekt. (36) Hij [Priyavrata], die aldus ongeëvenaard was in zijn kracht en invloed, zag op een dag in dat hij, ondanks zijn overgave aan de voeten van de devarishi [Nârada], ten val was gekomen vanwege zijn betrokkenheid bij de basiskwaliteiten van de materie waarin hij geen bevrediging vond [vergelijk 1.5: 17]. Hij zei toen in een geest van verzaking tot zichzelf: (37) 'O, wat was ik fout bezig, zo volledig in beslag genomen door het onbenul van een leven gericht op zinsgenot. De duistere put van het materieel plezier maakte me schuldig aan een hoop verdriet en maakte een dansende aap van me, onbetekenend en van geen belang in de handen van mijn vrouw. Ik ben werkelijk verdoemd en verloren!' Aldus kritiseerde hij zichzelf. (38) Met zijn zelfverwerkelijking gerealiseerd bij de genade van de Hoogste Persoonlijkheid van God in de hemel, met het aan zijn trouw volgende zoons overdragen van de aarde, met het verdelen van de nalatenschap, met het opgeven van zijn koningin waarvan hij zo genoten had, met het afzien van het doodse lichaam van de grote weelde en met zijn hart in volkomen onderwerping overgegaan tot de verzaking, was hij er zeker van weer op het goede spoor te zitten van de grote heilige Nârada en de verhalen over de Heer. (39) Op hem zijn de volgende uitspraken van toepassing: 'Wat door Priyavrata werd gedaan kon, met uitzondering van de Allerhoogste Heer, door niemand anders worden gedaan', 'Hij verdreef de duisternis en schiep de zeven oceanen met de sporen van de wielen van zijn wagen.' (40) 'Het was hij die, om de strijd van de naties op de verschillende continenten een halt toe te roepen, de situatie in het leven riep van het hebben van grenzen in de wereld in de vorm van rivieren, bergketens en wouden en dergelijke [vergelijk 4.14: 45-46].' (41) 'Als de meest geliefde volgeling van de Oorspronkelijke Persoon stond, wat hem betreft, alle weelde van de lagere werelden, de hemelen en de aarde, alsook dat wat verworven wordt door vruchtdragende arbeid of door yoga [de siddhi's], gelijk aan de hel.'

 

next                    

 
Derde herziene editie, geladen 29 januari 2018. 
 

 

 

Vorige Aadhar-editie en Vedabase links:

Tekst 1

De Koning [Parîkchit] zei: 'Waarom, o wijze, was Priyavrata, de grote toegewijde tevreden met de ziel, er zo gelukkig mee thuis te verblijven, de plaats die de grondoorzaak is van de gebondenheid aan karma en de minachting [voor de wereldverzakende orde]?

De Koning zei: 'Waarom, o wijze, was Priyavrata, de grote toegewijde van tevredenheid met de ziel, zo gelukkig in het thuis verblijven, die plaats welke de grondoorzaak is van de gebondenheid in karma en het verraad aan de transcendentie? (Vedabase)

 

Tekst 2

Voor dat soort personen die vrij zijn van gehechtheden, is het toch niets om te zwelgen in familieaangelegenheden, o wijste van de tweemaal geborenen?

Zoiets als het zwelgen in familieaangelegenheden, o wijste der tweemaal geborenen, is voorzeker niet mogelijk met personen die vrij zijn van gehechtheden. (Vedabase)

 

Tekst 3

Het lijdt geen twijfel dat het bewustzijn van grote zielen zijn voldoening vindt in de schaduw van de voeten van de Heer geprezen in de verzen en niet zo zeer in de geest van gehechtheid aan huis en haard.

Het lijdt geen twijfel dat het bewustzijn van grote zielen dat verzadigd raakt door de schaduw van de voeten van de Heer geprezen in de verzen, er nimmer is in gehechtheid aan huis en haard. (Vedabase)

 

Tekst 4

Dit is waar ik hevig aan twijfel, o brahmaan: hoe kan er [zoals met Priyavrata] op basis van de krachten van iemands huwelijkspartner, huis, kinderen enzovoorts, volmaaktheid en een feilloze vastbeslotenheid jegens Krishna tot stand komen?'

Dit betwijfel ik ten sterkste, o brahmaan: hoe kan er op grond van de krachten van de echtgenote, het huis, de kinderen enzovoorts, volmaaktheid en een feilloze vastbeslotenheid jegens Krishna zijn bestaan vinden? (Vedabase)

 

Tekst 5

S'rî S'uka zei: 'Het is volkomen juist wat u zei over de harten van de personen van bevrijding en de toegewijden die zijn verzonken in de nectargelijke honing van de verhalen aan de lotusvoeten van hun geliefde Heer geprezen in de geschriften. Ondanks de tegenslagen die ze soms ondervinden geven ze vrijwel nooit hun zo hoog verheven positie op.

S'rî S'uka zei: 'Wat u zei over de nectargelijke honing van de verheerlijking van de lotusvoeten van de Heer der geschriften, het behagen waarin de harten van de personen der bevrijding en de toegewijden zijn verzonken, is volkomen juist; hoewel soms belemmerd door beperkingen geven ze zo goed als nooit hun zo hoog verheven positie op. (Vedabase)

 

Tekst 6

Het staat alom bekend, o Koning, dat prins Priyavrata inderdaad een allerverhevenste toegewijde was die in zijn dienst aan Nârada's voeten zeer snel doordrongen raakte van de volledige waarheid omtrent de spirituele bedoeling die hij in toegewijd enthousiasme onophoudelijk besprak. Hoewel zijn vader hem verzocht over de aarde te heersen omdat hij zo veel van de allerbeste kwaliteiten in zich had, kon hij er niet blij mee zijn. Hij wilde zich niet laten afleiden in zijn grote voorliefde voor het, met al zijn zinnen in al zijn handelen, in yoga verzonken zijn in de Allerhoogste Heer van de Ziel van het Universum, maar om geen enkele reden kon hij van het aanvaarden van die post afzien omdat, als hij op enige andere wijze zou afzien van het onware, dat zeker tot [cultureel] verval zou leiden.

Omdat, inderdaad, o Koning, prins Priyavrata een allerverhevenste toegewijde was werd hij, Nârada's voeten dienstbaar, zich zeer snel bewust van de volledige waarheid van de zaken aangaande het bovenzinnelijke, aanhoudend het spirituele besprekend in toegewijd enthousiasme, zonder af te wijken van de som der hoogste kwaliteiten zoals uitgeduid in de geschriften. Hij werd door zijn vader verzocht over de oppervlakte van de aarde te heersen, maar omdat hij er een zo grote liefde op nahield voor het met al zijn zinnen en handelen in de yoga verzonken zijn in het alles doordringende van de Allerhoogste Heer, was hij er niet blij mee, hoewel het aanvaarden van die post om geen enkele reden door hem kon worden geweigerd daar zeker verval kon worden voorzien als hij op enige andere wijze zou optreden tegen het onware. (Vedabase)

 

Tekst 7

En zo gebeurde het dat de eerste onder de halfgoden, Heer Brahmâ, omringd door al zijn persoonlijke metgezellen en de Veda's, nederdaalde uit zijn hemelverblijf. Het is hij die altijd denkt aan het welzijn van het geheel van deze universele schepping bestaande uit de drie geaardheden. Hij is bekend met de uiteindelijke bedoeling ervan, de Allerhoogste Ziel, waaruit hij zelf voortkwam.

Zo gebeurde het dat de Heer en eerste onder de halfgoden [Brahmâ] omringd door al zijn persoonlijke metgezellen en de Veda's, nederdaalde uit zijn verblijf; hij die altijd denkt aan het welzijn van het geheel van deze universele schepping van de drie geaardheden en van wie men de uiteindelijke bedoeling van het Universum kent als zijnde de Allerhoogste Ziel van waaruit hij zelf zijn bestaan vond. (Vedabase)


Tekst 8

Als de maan tussen de sterren aan de hemel werd hij op zijn weg links en rechts aanbeden door de leiders van de halfgoden vanaf hun hemelse voertuigen. En zo deden dat ook, de één na de ander, groepjes vervolmaakten, hemelbewoners, verfijnden, zangers en wijzen [respectievelijk de Siddha's, de Gandharva's, de Cârana's, de Sâdhya's en de Muni's] toen hij aldus, als het stralend middelpunt, in de buurt van het Gandhamâdana-gebergte aankwam [waar Priyavrata aan het mediteren was].

Toen hij in de buurt van het Gandhamâdana-gebergte kwam [waar Priyavrata aan het mediteren was] was hij, onder het hemeldak, gelijk de maan verlicht door de sterren, links en rechts geflankeerd door de leiders der halfgoden, die vanaf hun hemelse voertuigen hem de hele weg aanbaden zoals ook de één na de ander de volmaakten dat deden, de hemelbewoners, de verfijnden, de zangers en de wijzen [respectievelijk de Siddha's, de Gandharva's, de Cârana's, de Sâdhya's en de Muni's]. (Vedabase)

 

Tekst 9

Toen de devarishi [Nârada] de zwaan herkende die de almachtige vader Heer Hiranyagarbha [Brahmâ] droeg, stond hij samen met Priyavrata en zijn vader [Svâyambhuva Manu] daar aanwezig, onmiddellijk met gevouwen handen op om hem de eer te bewijzen met alles wat er bij hoort.

Daar herkende de devarishi [Nârada] de zwaan die de almachtige vader Heer Hiranyagarbha [Brahmâ] droeg en stond hij tezamen met Priyavrata en zijn vader onmiddellijk op om hem de eer te bewijzen, met gevouwen handen en alles wat er bij hoort. (Vedabase)

 

Tekst 10

O zoon van Bhârata, de Heer, de oorspronkelijke persoon van het universum die aldus uit dankbaarheid voor de glorie van zijn nederdaling, zoals dat gebruikelijk was, werd geconfronteerd met de middelen van aanbidding en de lof voor zijn kwaliteiten in verheven taal, wendde zich toen tot Priyavrata, terwijl hij hem met een mededogende glimlach aankeek.

O zoon van Bhârata, met de Heer geconfronteerd met behulp van alle zaken van aanbidding overeenkomstig de gebruiken en met zijn kwaliteiten geprezen in verheven taal uit dankbaarheid voor de glorie van zijn nederdalen, richtte hij, de oorspronkelijke persoon van het universum, met een glimlach naar Priyavrata kijkend, zich meedogend tot hem. (Vedabase)

 

Tekst 11

De grote Heer zei: 'Mijn zoon, luister naar de waarheid die ik u zeg. Wees niet jaloers op de Godheid die ons begrip te boven gaat. Wij, Heer S'iva, uw vader en deze grote Rishi [Nârada] voeren allen Zijn opdracht uit en kunnen niet afwijken.

De grote Heer zei: 'Let op wat ik u nu zeg, u moet niet jaloers zijn op de Godheid die ons vermogen tot beheersen te boven gaat; wij, Heer S'iva uw vader en deze grote Rishi [Nârada], voeren allen, er niet toe in staat om af te wijken, Zijn opdrachten uit.  (Vedabase)

 

Tekst 12

Geen enkel levend wezen kan met het aanvaard hebben van een materieel lichaam ontkomen aan wat door Hem werd besloten; niet door verzaking noch door scholing, niet door yoga noch op basis van de eigen kracht of intelligentie, kan men ooit Zijn wil trotseren met de weelde die men verwierf, met de deugd van zijn plichtsbetrachting, met behulp van anderen of door welke persoonlijke inspanning ook.

Geen enkele bestaansvorm kan met het aanvaard hebben van een materieel lichaam ontsnappen aan Zijn opdracht; niet door verzaking noch door scholing, niet door yoga, noch op basis van de eigen kracht of intelligentie en voorzeker ook nooit door de weelde verworven, de deugd der plichtsbetrachting, door een macht van buitenaf of door welk persoonlijk ijveren ook. (Vedabase)

 

Tekst 13

Mijn beste, op het gezag van de Ongeziene aanvaarden alle levende wezens het om verbonden te zijn met een materieel lichaam zodat ze kunnen handelen overeenkomstig hun karma en aldus zijn ze altijd gebonden aan geboorte en dood, illusie en verdriet, angst, geluk en leed.

Gestuurd door het ongeziene, aanvaarden de levende wezens het om met een materieel lichaam gebonden te zijn aan geboorte, dood, hun droefenis, illusie, voortdurend vrezen, geluk en leed en aan alles wat hen te doen staat met hun karma. (Vedabase)


Tekst 14

Mijn zoon, in onze onvermijdelijke gebondenheid aan guna en karma zijn wij, net als de vierbenige [stier] die met een touw door zijn neus gebonden is aan de tweebenige [voerman], gelijnd aan het lange touw van de Vedische instructie en gebonden aan allen die [binnen het varnâs'rama-systeem] er toe bijdragen de Heer te behagen.

In ons gebonden zijn aan de geaardheden en de vruchtdragende arbeid die zo moeilijk uit de weg te gaan is [binnen het varnâs'rama-systeem], mijn zoon, zijn wij, zoals de vierbenigen [de stieren] door de neus gebonden zijn aan de tweebenige [de voerman], aangelijnd aan het lange touw van de vedische instructie en allen bezig de opdrachten uit te voeren bedoeld om de Beheerser te behagen. (Vedabase)

 

Tekst 15

Als blinden geleid door iemand die kan zien moeten wij, mijn beste, [onderworpen aan Zijn Vedische touw] dan onvermijdelijk het leed en geluk onder ogen zien dat hoort bij de kwaliteiten en het werk, afhankelijk van de situatie van het lichaam dat de Heer ons schonk.

Als blindemannen geleid door iemand met ogen moeten wij, mijn beste, onvermijdelijk het leed of geluk aanvaarden dat hoort bij de kwaliteiten en het werk meegebracht door de toestand waarin we ons bevinden met het lichaam dat onze Beschermheer ons schonk. (Vedabase)

 

Tekst 16

Zelfs een bevrijde persoon moet zijn leven lang zijn lichaam in stand houden dat hij verwierf als gevolg van zijn verleden, ervan genietend zonder wanbegrip. Maar wat betreft een ander materieel lichaam [een nieuwe geboorte] zal hij, het ziend als iemand die uit zijn slaap ontwaakte, zich nooit laten bepalen door de materiële kwaliteiten ervan.

Zelfs een bevrijde persoon moet ziin leven lang zijn lichaam handhaven dat werd verkregen als gevolg van het verleden, zonder misverstaan wat werd meegemaakt aanvaardend als iemand die uit de slaap is ontwaakt; maar voor een ander materieel lichaam [een herhaalde geboorte] zou hij nooit toegeven aan de materiële kwaliteiten. (Vedabase)
 
Tekst 17

Iemand die daar niet voor waakt [iemand die zijn zinnen niet wil beheersen] heeft, zelfs als hij in de bossen verblijft, te vrezen vanwege de zes bijvrouwen [van de vijf zinnen en de geest]. Maar wat voor schade zou [anderzijds] een huishoudelijk leven iemand berokkenen die een in zichzelf tevreden en geleerd man is die zijn zinnen de baas is?

Als er zelfs als men in het woud verblijft de angst moet zijn verbijsterd te raken vanwege het leven met de zes bijvrouwen [van het denken en de vijf zinnen], wat voor schade zou dan het huishoudelijk leven zo een in zich tevreden en geleerd iemand berokkenen, die zijn zinnen de baas is? (Vedabase)

 

Tekst 18

Eenmaal aan een huishoudelijk bestaan begonnen, moet een ieder die die zes tegenstanders wil overwinnen, ze eerst vanuit die stevige vesting de baas proberen te worden. Want pas als de ongereguleerde verlangens van die hevige vijanden hun kracht hebben verloren, kan men, aldus door de wol geverfd, zich vrij door het leven bewegen.

Een ieder die is begonnen aan een huishoudelijk bestaan moet allereerst volijverig trachten de zes tegenstanders te overwinnen zodat, zo gauw hij - als vanbinnen een versterkte vesting - de o zo sterke vijanden van de lustige verlangens heeft weten terug te dringen, hij als een man van ervaring kan gaan en staan waar hij maar wil. (Vedabase)


Tekst 19

Als u deze zes tegenstanders hebt overwonnen en bevrijd bent van gehechtheden op gezag van deze bijzondere instructies van de Oorsponkelijke Persoon, kan u, beschermd in dit fort door de veilige haven van de lotusvoeten van Hem met de lotusgelijke navel, van al de genoegens van het leven genieten en aldus uw weg vinden.'

U dan, met het uw toevlucht nemen tot de veilige haven van de ruimte geboden door de lotusvoeten van Hem wiens navel lijkt op een lotus, en met het overwinnen van de zes vijanden, geniet in deze wereld van alles wat er te genieten valt, het uwe vindend in het bevrijd zijn van gehechtheden in uw positie, door deze speciale instructies van de Oorspronkelijk Persoon.' (Vedabase)


Tekst 20

S'rî S'uka zei: 'De grote toegewijde van [Brahmâ,] de machtige Heer die de geestelijk leraar is van de drie werelden, aldus volledig op de hoogte gesteld, boog als een nederige ziel met het aanvaarden van zijn opdracht zijn hoofd en zei: 'Ja dat zal ik' en bracht het met alle respect ten uitvoer.

S'rî S'uka zei: 'De grote toegewijde van de machtige Heer die de geestelijk leraar is van de drie werelden, aldus volledig geïnformeerd, boog, geplaatst voor zijn opdracht, als ondergeschikte ziel zijn hoofd en zei: 'Ja mijn Heer, zo zal het, met alle respect, ten uitvoer worden gebracht'. (Vedabase)

 

Tekst 21

Terwijl Priyavrata en Nârada in vrede er notie van namen, werd de grote Heer eveneens door Manu naar behoren gerespecteerd. Daarop vertrok hij om terug te keren naar zijn hemelverblijf, die hoog boven alles verheven plaats die alle beschrijving en verstand te boven gaat.

De grote Heer, eveneens door Manu naar behoren gerespecteerd zoals hij dat verdient, met Priyavrata en Nârada in vrede er notie van nemend, keerde toen naar zijn verblijf terug, vertrekkend naar die bovengeschikte plaats die beschrijving en verstand te boven gaat. (Vedabase)


Tekst 22

Manu die, ook door Heer Brahmâ ondersteund, zijn plan ten uitvoer bracht en met de goedkeuring van Nârada zijn zoon de verantwoordelijkheid gaf voor de handhaving en bescherming van al de werelden in het universum, raakte [daarmee] persoonlijk verlost van zijn verlangens in de zo hoogst gevaarlijke, giftige oceaan van de materiële wereld.

Manu aldus, eveneens met zijn ondersteuning, ten uitvoer brengend wat hij in gedachten had en met de goedkeuring van Nârada middels zijn zoon de handhaving vestigend van de bescherming van al de werelden in het ganse universum, vond zich persoonlijk verlost van de verlangens van de zo hoogst gevaarlijke oceaan van materiële kommernis. (Vedabase)

 

Tekst 23

[Priyavrata, de zoon van Manu die als] de keizer van het universum die, naar de opdracht van de Heer, aldus volledig in beslag werd genomen door materiële aangelegenheden, raakte door steeds te mediteren op de twee lotusvoeten van de Allerhoogste Heer, de Oorspronkelijke Persoon wiens bovenzinnelijke invloed alle gebondenheid tenietdoet, geheel gezuiverd met al het vuil uit zijn hart gewassen en bestuurde de materiële wereld met als enige wens de grote zielen te eren.

Zo, daadwerkelijk, zoals opgedragen door de Beheerser, volledig begaan met materiële aangelegenheden als de keizer van het universum, raakte hij [Manu's zoon, Priyavrata] door constant te mediteren op de twee lotusvoeten van de Allerhoogste Heer, de Oorspronkelijke Persoon, wiens bovenzinnelijke invloed alle gebondenheid tenietdoet, met al het vuil dat uit zijn hart werd weggewassen volledig gezuiverd en bestuurde hij de materiële wereld enkel om de groten te eren. (Vedabase)

 

Tekst 24

Hij trouwde daarop met Barhishmatî, de dochter van Vis'vakarmâ, één van de stamvaders, en verwekte in haar behalve een dochter, die als de jongste van zijn kinderen de naam Ûrjasvatî droeg, ook tien zoons die qua karakter, kwaliteiten, handelingen, schoonheid en moed hem in zijn grootheid evenaarden.

Nadien trouwde hij ook met Barhishmatî, de dochter van Vis'vakarmâ, een van de stamvaders en verwekte hij glorieus in haar een dochter die als de jongste van allen de naam Ûrjasvatî droeg, zowel als tien zoons, die hem in zijn grootheid evenaarden qua karakter, kwaliteiten, manier van doen, schoonheid en kunnen. (Vedabase)

 

Tekst 25

Hij gaf al zijn zoons de namen van Agni, de god van het vuur: Âgnîdhra, Idhmajihva, Yajñabâhu, Mahâvîra, Hiranyaretâ, Ghritaprishthha, Savana, Medhâtithi, Vîtihotra en Kavi.

De zoons kregen allen de namen van Agni, de god van het vuur: Âgnîdhra, Idhmajihva, Yajñabâhu, Mahâvîra, Hiranyaretâ, Ghritaprishthha, Savana, Medhâtithi, Vîtihotra en Kavi. (Vedabase)

 

Tekst 26

Drie van hen, Kavi, Mahâvîra en Savana waren celibataire zielen die innerlijk gemotiveerd meteen vanaf het begin van hun kindertijd leefden voor de bovenzinnelijke kennis, op basis waarvan ze, zeer goed op de hoogte van de hoogste geestelijke volmaaktheid, zich aansloten bij de wereldverzakende orde [de paramahamsa-âs'rama]

Drie van hen, Kavi, Mahâvîra en Savana waren celibatairen van binnen aangedreven, die meteen vanaf het begin van hun kindertijd leefden in de bovenzinnelijke kennis en goed op de hoogte waren van de hoogste geestelijke volmaaktheid, waarvan zij vrij van twijfels de orde handhaafden [de paramahamsa-âs'rama]. (Vedabase)

 

Tekst 27

Deze bovenzinnelijke wijzen leefden, in de vrede van de kwaliteiten van die gevierde orde (*), voor de bescherming van de omgang van alle levende wezens die, in angst en vrees om hun materiële bestaan, de lotusvoeten van de Allerhoogste Heer Vâsudeva als hun enige toevlucht hebben. In hun voortdurende heugenis namen zij [de broeders], gezuiverd bij de genade van de hoogste vorm van yoga - die van de toewijding - vrij van smetten, de Allerhoogste Heer van alle schepselen waar in hun harten. Ze zagen Hem rechtstreeks als zich bevindend in henzelf en zagen in dat ze gelijk aan Hem waren in kwaliteit, dat ze [in dat opzicht] niet verschilden van de Heer van de Superziel.

In die zo zeker aangehouden wereldverzakende orde (*) verkeert het geheel van de grote wijzen die er zijn voor de individuele zielen die, in angst en vrees om hun materiële bestaan, hun heil zoeken bij de lotusvoeten van de Allerhoogste Heer Vâsudeva, die de enige toevlucht is. In de voortdurende heugenis zagen ze, bij genade van het opperste van de yoga der toewijding, gezuiverd vrij van besmettingen, in hun harten de Allerhoogste Heer van alle schepselen als Zich bevindend in henzelve, daarbij rechtstreeks hun zielen als zijnde gelijk in kwaliteit waarnemend, als niet verschillend van de Heer van de Superziel. van de Heer van de Superziel. (Vedabase)

Tekst 28

Bij een andere vrouw verwekte hij  [Priyavrata] nog drie zoons genaamd Uttama, Tâmasa en Raivata, die allen bestuurders werden van het Manutijdperk [dat 71 mahâyuga's duurt].

Het was bij een andere vrouw dat hij drie zoons verwekte die Uttama, Tâmasa en Raivata heetten en die zo de bestuurders van het Manu-tijdperk werden [dat 71 mahâyuga's duurt]. (Vedabase)

 

Tekst 29

Nadat zijn zoons getraind waren in de wereldverzakende orde werd hij [Priyavrata] aldus de heerser over het universum alwaar hij, toegerust met machtige armen van gezag, samen met hen de snaar van de boog spande die luid weerklinkend allen versloeg die tegen het dharma opstonden. Zonder onderbreking was er voor de duur van 110 miljoen jaar de heerschappij van de grote ziel die, met de dagelijks groeiende beminnelijkheid, vrouwelijkheid, bedeesdheid, lachen, blikken, wederkerigheid en liefde van zijn vrouw Barhishmatî, [in zijn herhaalde geboorten] een aangenaam leven had. Maar erdoor in de war gebracht en verslagen verloor hij zijn onderscheidingsvermogen.

Toegerust met machtige armen van gezag en kunnen, die tezamen de snaar van de boog spanden die luid weerklinkend al degenen versloeg die tegen de heerschappij van het recht opstonden, werden zij allen, al zijn hoogst gekwalificeerde zoons, meesters van het universum en aldus was er zonder onderbreking voor de duur van 110 miljoen jaar de expansie van Priyavrata's heerschappij als een grote ziel, een ziel die van zijn vrouw Barhishmatî haar beminnelijkheid, vrouwelijkheid, verlegenheid, bedeesdheid, lachen en blikken en wederkerigheid in de liefde [in zijn herhaalde geboorten] een aangenaam leven had; maar in zijn ware kennis was hij erdoor verslagen als iemand die minder intelligent was. (Vedabase)

 

Tekst 30

Omdat hij het niet kon waarderen dat, zolang de zonnegod in zijn baan om de berg Meru heendraaide, hij de ene helft van de aarde verlichtte en de andere helft in het donker liet, zei hij die in zijn aanbidding van de Fortuinlijke van een bovennatuurlijke macht was: 'Ik zal de nacht net zo doen schitteren als de dag', en om dat kracht bij te zetten volgde hij toen in een strijdwagen de zon in zijn omloopbaan, hetgeen hij exact zeven keer en evenzo snel deed alsof hij een tweede zon was.

Er geen waardering voor op kunnende brengen dat, zolang de zonnegod in zijn baan om de berg Meru heendraaide, hij de ene helft van de aarde verlichtte en de andere helft in het donker liet, zei hij die in zijn aanbidding van de Fortuinlijke van een bovenmenselijke invloed was: 'Ik zal de nacht net zo doen schitteren als de dag', en om dat kracht bij te zetten volgde hij toen in een strijdwagen de zon in zijn omloopbaan, hetgeen hij exact zeven keer en evenzo snel deed, als was hij een tweede zon. (Vedabase)

 

Tekst 31

Met de wielen van zijn wagen die met hun loopvlak groeven maakten, werden door hem aldus tewerk gaand de zeven oceanen voortgebracht die de aarde  [Bhû-mandala] verdeelden in de zeven dvîpa's [de continenten of 'eilanden'].

Het op die manier te werk gaan met de wielen van zijn wagen was, groeven makend met het loopvlak, er verantwoordelijk voor dat de zeven oceanen werden voortgebracht die de hemelsfeer rondom de aarde [Bhû-mandala] verdeelde in de zeven eilanden [de bereiken van planetair belang]. (Vedabase)

 

Tekst 32

Bekend als Jambû, Plaksha, S'âlmali, Kus'a, Krauñca, S'âka en Pushkara is ieder van hen er buiten omheen voortgebracht en twee keer zo groot als de voorgaande.

Bekend als Jambû, Plaksha, S'âlmali, Kus'a, Krauñca, S'âka en Pushkara had ieder van hen de afmeting van tweemaal die van de voorgaande en was, overal eromheen buiten hen gelegen, er dat wat zij voortbrachten. (Vedabase)

 

Tekst 33

De zeven oceanen - die [figuurlijk als een soort van lichaamssappen] bestaan uit zout water, suikerrietsap, sterke drank, geklaarde boter, melk, vloeibare yoghurt en zoet water - zijn even groot als de zeven continenten die ze, als de groeven [van zijn wagen], de één na de ander opeenvolgend geheel omsluiten. Voor ieder van de dvîpa's afzonderlijk stelde de echtgenoot van Barhishmatî, beginnende bij Jambûdvîpa, als de heerser één van zijn trouwe zoons aan genaamd Âgnîdhra, Idhmajihva, Yajñabâhu, Hiranyaretâ, Ghritaprishthha, Medhâtithi en Vîtihotra.

De zeven oceanen die als de groeven rondom de zeven eilanden waren gevuld met zout water, suikerrietsap, sterke drank, gesmolten boter, melk, vloeibare yoghurt en zoet water, waren van dezelfde grootte als de eilanden die ze aan de buitenkant omsloten, de afzonderlijke eilanden die de een na de andere op een rij tot het aantal van zeven zich om hen heen bevonden. Voor ieder van de eilanden stelde de echtgenoot van Barhishmatî als hun heersers een van zijn getrouwe zoons aan waarvan er eveneens zeven waren: Âgnîdhra, Idhmajihva, Yajñabâhu, Hiranyaretâ, Ghritaprishthha, Medhâtithi and Vîtihotra. (Vedabase)

 

Tekst 34

Verder huwelijkte hij de dochter die Ûrjasvatî heette uit aan de grote wijze Us'anâ [S'ukrâcârya die ook wel Kavi of Kavya werd genoemd]. Uit haar werd een dochter geboren genaamd Devayânî.

Wat hij ook deed was de dochter die Ûrjasvatî heette aan de grote wijze Us'anâ [S'ukrâcârya] schenken uit wie een dochter genaamd Devayânî werd geboren. (Vedabase)

 

Tekst 35

Voor de toegewijden van de Heer van de Grote Stappen [Urukrama, zie 1.3: 19] die, door hun toevlucht te zoeken bij het stof van Zijn voeten, in staat zijn de zes kwaliteiten te overwinnen [van het materiële bestaan: honger, dorst, weeklagen, illusie, ouderdom en de dood **], is een dergelijke [realisatie van] persoonlijke macht helemaal niet zo verbazingwekkend, want zelfs een vijfdeklas persoon [een uitgestotene] zal zijn materiële gehechtheid direct opgeven als hij slechts één keer Zijn naam uitspreekt.

Voor de toegewijden wekt de persoonlijke invloed van Hem van de Grote Stappen [Urukrama, zie 1.3: 19] door wiens lotusvoeten de zesvoudige materiële gesel [van de honger, de dorst, het weeklagen, de illusie, de ouderdom en de dood], wordt verslagen, geen verwondering, als een vijfdeklas persoon [een uitgestotene] die slechts één enkele keer Zijn naam uit, meteen zijn materiële gebondenheid opgeeft.  (Vedabase)


Tekst 36

Hij [Priyavrata], die aldus ongeëvenaard was in zijn kracht en invloed, zag op een dag in dat hij, ondanks zijn overgave aan de voeten van de devarishi [Nârada], ten val was gekomen vanwege zijn betrokkenheid bij de basiskwaliteiten van de materie waarin hij geen bevrediging vond [vergelijk 1.5: 17]. Hij zei toen in een geest van verzaking tot zichzelf:

Hij [Priyavrata] aldus ongeëvenaard in kracht en invloed, die zich ooit overgaf aan de voeten van de devarishi [Nârada] maar daarna ten val kwam vanwege zijn begaan zijn met de geaardheden der materie waarin hij geen bevrediging vond [vergelijk 1-5: 17], zei toen, over zichzelf nadenkend, in een geest van verzaking dit: (Vedabase)

 

Tekst 37

'O, wat was ik fout bezig, zo volledig in beslag genomen door het onbenul van een leven gericht op zinsgenot. De duistere put van het materieel plezier maakte me schuldig aan een hoop verdriet en maakte een dansende aap van me, onbetekenend en van geen belang in de handen van mijn vrouw. Ik ben werkelijk verdoemd en verloren!' Aldus kritiseerde hij zichzelf.

'Helaas, ik heb fout gehandeld want ik was volledig in beslag genomen door de onwetendheid van een zinnelijk leven; de duistere put van het materieel plezier maakte me schuldig aan een hoop verdriet en toonde me als een dansende aap, onbetekenend en van geen belang in de handen van mijn vrouw; zowaar, veroordeeld en verdoemd ben ik!', aldus kritiseerde hij zichzelf. (Vedabase)

 

Tekst 38

Met zijn zelfverwerkelijking gerealiseerd bij de genade van de Hoogste Persoonlijkheid van God in de hemel, met het aan zijn trouw volgende zoons overdragen van de aarde, met het verdelen van de nalatenschap, met het opgeven van zijn koningin waarvan hij zo genoten had, met het afzien van het doodse lichaam van de grote weelde en met zijn hart in volkomen onderwerping overgegaan tot de verzaking, was hij er zeker van weer op het goede spoor te zitten van de grote heilige Nârada en de verhalen over de Heer.

Door de zelfverwerkelijking verworven door de genade van de God Hierboven, met het aan zijn gewetensvol navolgende zoons overdragen van de aarde, met het verdelen van de nalatenschap waarvan hij op zovele manieren had genoten, met het met de koningin en de grote weelde eraan geven van de doodsheid van zijn lichaam en met het met zichzelf in zijn hart in volmaakte overgave zijn overgegaan tot de verzaking, was hij er met die houding zeker van zichzelf op het goede spoor te hebben gezet in combinatie met de verhalen van de Heer aan de voeten van die grootste der heiligen Nârada. (Vedabase)

 

Tekst 39

Op hem zijn de volgende uitspraken van toepassing: 'Wat door Priyavrata werd gedaan kon, met uitzondering van de Allerhoogste Heer, door niemand anders worden gedaan', 'Hij verdreef de duisternis en schiep de zeven oceanen met de sporen van de wielen van zijn wagen.'

Op hem zijn al deze uitspraken van toepassing: 'Wat door Priyavrata werd gedaan kon, behalve dan door de Allerhoogste Beheerser, door niemand anders worden gedaan', 'Door de indrukken van de wielen van zijn wagen verdreef hij de duisternis, waarmee hij de zeven zeeën schiep'. (Vedabase)

 

Tekst 40

'Het was hij die, om de strijd van de naties op de verschillende continenten een halt toe te roepen, de situatie in het leven riep van het hebben van grenzen in de wereld in de vorm van rivieren, bergketens en wouden en dergelijke [vergelijk 4.14: 45-46].'

'Om het vechten van de verschillende naties op de verschillende continenten een halt toe te roepen, was hij het die in de wereld de situatie in het leven riep van de afscheiding door middel van rivieren, bergketens en wouden [vergelijk 4.14: 45-46] en dergelijke.' (Vedabase)

 

Tekst 41

'Als de meest geliefde volgeling van de Oorspronkelijke Persoon stond, wat hem betreft, alle weelde van de lagere werelden, de hemelen en de aarde, alsook dat wat verworven wordt door vruchtdragende arbeid of door yoga [de siddhi's], gelijk aan de hel.'

'Hij was degene het meest geliefd op het pad in navolging van de Oorspronkelijke Persoon; hij was het voor wie alle weelde van de lagere werelden, de hemelen of de aarde, zoals verworven door vruchtdragende arbeid en de macht van de yoga, te vergelijken was met de hel'. (Vedabase)
 
*: Er zijn vier stadia in het aanvaarden van de wereldverzakende orde: 1) Kuthîcaka: men verblijft buiten het dorp in een hutje, en wat men nodig heeft, met name iemands voedsel, krijgt men van huis. 2) Bahûdaka: men aanvaardt niet langer meer wat dan ook van huis; in plaats daarvan vergaart men, mâdhukarî, met "het beroep van de hommels", wat men nodig heeft, met name iemands voedsel, van verschillende plaatsen. 3) Parivrâjakâcârya: men reist over de gehele wereld rond om de heerlijkheden van Heer Vâsudeva te prediken en wat men nodig heeft, met name iemands voedsel, vergaart men van vele plaatsen. 4) Paramahamsa: hij rondt zijn preekwerk af en gaat op één plaats zitten, strikt voor het heil van de vooruitgang in het geestelijk leven. 

**: Volgens Sâstrî Goswami en S'rîla Vishvanâtha Cakravarti Thhâkura kunnen deze 'zes kwaliteiten' ook worden begrepen als de vijf zinnen en de geest

 

 

 

 

Creative Commons License
De tekst en de audio worden aangeboden onder de

Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License
.

De afbeelding laat Heer Brahmâ zien op zijn zwaan. Murshidabad, 19th c. Bron.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd



 

  

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties