A|B|C|D|E|F|G|H|I|J|K|L|M|N|O|P|Q|R|S|T|U|V|W|X|Y|Z

 

Sa | Sh

 

S'âlva: het demonische familielid dat partij koos voor S' i s' u p â l a en met P r a d y u m n a vocht, maar vanwege zijn grote macht en magie werd gedood door K r i s h n a. Hij staat erom bekend dat hij ten strijde trok met een vliegend fort genaamd Saubha (zie 10: 76-77).

S'ânti: vrede.

S'âs'vata: bestendig, kwaliteit van de ziel (gebruikt in B.G. 1.42, 2.20).

S'âstra: (gebod, voorschrift, opdracht, regel, instructie, advies, raadgeving) vedische geschriften, de geopenbaarde Schrift (zie ook V e d a's). De vedische studies, de geopenbaarde instructies, de verhandelingen, de handboeken, de leringen naar de heilige geschriften van de V e d a's en U p a n i s h a d s (zie ook s' r u t i en V e d a).

S'abda: geluid (gekend als K r i s h n a).

- Een proces van offeren van het geluid van de beheerste geest.

- Een type van p r a m â n a, of zekere waarheid van bewijs.

- Een 'voorwerp' van de zinnen (zie v i s h a y a).

S'abda khe: K r i s h n a's uitspraak 'Ik ben het geluid in de ether' (B.G. 7.7).

- Ookwel âkâs'a nâda genoemd in 12.6: 37 (zie ook diviyam s'rotam).

- Het horen van de geluiden van alle levende wezens in the ether behoort tot de secundaire s i d d h i's en heet dûra s'ravana ('ver-horend'), zie 11.15: 19.

S'abda-brahman: de orale traditie, cultuur van voorschriften en rituelen die de opstap voor het K r i s h n a-bewustzijn vormen (s'abda-brahman: de V e d a).

- Het spirituele, vedische, geluid dat zich manifesteert in de vitale adem, de zinnen en de geest (zie 11.21: 36 en 11.15: 19). Mystiek in zelf-realisatie en sociaal in de traditie van de persoonlijke kennisoverdracht.

- S' r î l a  V i s' v a n â t h a  C a k r a v a r t î  T h h â k u r a legt de verdeling van s'abda als volgt uit.

- De prâna fase van het vedisch geluid, bekend als parâ, bevindt zich in de âdhâra-cakra;
- de mentale fase, bekend als pas'yantî, bevindt zich in de streek van de navel, op de manipûraka-cakra;
- de intellectuele fase, bekend als madhyamâ, bevindt zich in de hartstreek, in de anâhata-cakra.
- ten slotte, wordt de manifeste sensorische fase van het Vedisch geluid vaikharî genoemd (zie ook
c a k r a).

S'akti: kracht, energie. In drie soorten: hogere, tussen en lagere energie:

1) Antaranga-s'akti van K r i s h n a en Zijn expansies; Zijn bovenzinnelijk vermogen.

2)Tatashta-s'akti betreffende de individuele ziel.

3) Bahiranga-s'akti: de materiële energie.

Men spreekt bij de hogere en lagere energie ook wel van resp. V i s h n u - s'akti en M a h â m â y â - s'akti.

- De negen s'akti's of vermogens van de Heer: vimalâ, zuiverheid; utkarshinî, verheven staat; jñâna, kennis; kriyâ, activiteit; yogâ, yoga vermogens; prahvî, bescheidenheid; satyâ, waarachtigheid; îs'ânâ, souvereiniteit en anugrahâ, genade (vermeld in 11.27: 25-26).

- Sakti, in tegenstelling tot s'akti, betekent: gehechtheid, aanhang, toewijding en verslaafd zijn aan.

S'akti-âves'a-avatâra: incarnaties met speciale volmachten, zie verder onder a v a t â r a.

- De s'akti-âves'a-avatâra's worden verdeeld in:

(1) Vormen van goddelijke verzonkenheid (bhagavad-âves'a), zoals K a p i l a d e v a of R i s h a b h a d e v a.
(2) Gedaanten met goddelijke volmacht (s'aktyâves'a), van wie er zeven op de voorgrond staan:
1 S' e s h a N â g a in de V a i k u n t h h a wereld, gemachtigd dienst te verlenen aan de Allerhoogste Heer (sva-sevana-s'akti),
2
A n a n t a d e v a, gemachtigd de werelden te dragen van het universum (bhû-dhârana-s'akti),
3
Heer B r a h m â, gevolmachtigd met de energie de cosmische schepping tot stand te brengen (srîshthi-s'akti),
4
C a t u h s a n a, of de K u m â r a's, speciaal gemachtigd de bovenzinnelijke kennis te verspreiden (jñâna-s'akti),
5
N â r a d a M u n i, gemachtigd de toegewijde dienst te verbreiden (bhakti-s'akti),
6
M a h â r â j a P r î t h u, speciaal gevolmachtigd om over de levende wezens te heersen en ze te handhaven (pâlana-s'akti),
7
P a r a s' u r â m a, speciaal gevolmachtigd de schurken en demonen te vernietigen (dushtha-damana-s'akti).' (Purport CC madhya 20,246, zie ook a v a t â r a).

- Jezus Christus wordt ook gezien als een soort van s'akti-âves'a avatâra.

S'ambhu: heer S' i v a als de weldoener, de goedgunstige.

S'amî: een kleine boom in het Nederlands bekend als 'kruidje-roer-me-niet', genaamd de Acacia Suma, of ook wel de Aapta (zie afbeelding), een soort mimosa met cremekleurige bloemen en zeer hard hout dat wordt gebruikt om vuur te maken middels wrijving. Aldus wordt A g n i, of vuur, soms s'amî-garbha, ofwel 'uit de schoot van s'amî' genoemd. Soms wordt de boom aangemerkt en aanbeden als een godin, s'amî-devi.

- Komt ter sprake in de discussie van de symptomen van K a l i - y u g a als de boom in de richting waarvan alle andere bomen degenereren (zie 12.2: 12-16).

- De mantra 's'amî-garbhâd agnim mantha' 'van binnen de s'amî wordt het vuur opgewekt' werd door P u r û r a v â gebruikt toen hij met s'amî-hout vuur maakte toen hij op U r v a s 'i mediteerde (zie 9.14: 44-45).

S'ankara: heer S' i v a als de brenger van voorspoed; de machtigste van de elf R u d r a's, van wie de tien minder machtige overigens afstammen.

- Brenger van voorspoed, gelukbrenger, begunstiger.

- Naam van een zoon van K a s' y a p a en Danu (zie ook 6.6: 27-31).

- Naam van verschillende auteurs en commentatoren, m.n. van S a n k a r â c â r y a .

- Een bepaalde R â g a of muzikale stemming.

S'ankarâcârya: v e d â n t i s c h filosoof en vertaler van de G î t â (leefde 788 -820 A.D., maar volgens de traditie 200 B.C.). Hij deed het brahmanisme weer opleven met het prediken van de eenheid van de ziel met B r a h m a n; zijn toeneiging en heiligheid waren dermate in opspraak dat hij, ook wonderen verrichtend, voor een incarnatie van S' i v a werd aangezien in zijn verdedigen van het onpersoonlijk aspect van K r i s h n a 's leringen. Zijn filosofie wordt vaak als het s'ankarisme gerangschikt onder de impersonalisten en samen met het voidisme van de boeddhisten bevochten door de v a i s h n a v a's als zijnde een m â y â v â d a bedreiging voor hun personalistische benadering en verdedigen van de klassieke orde van de Indiase samenleving. S'ankara droeg overigens zelf ook bij met zijn missie tegen het boeddhisme ter verdediging van de vedische kultuur.

- Zijn vier belangrijkste leerlingen waren Padma-pâda, Hastâmalaka, Sures'vara of Mandana, en Trothaka; een andere leerling van hem, Ânanda-giri, schreef een geschiedenis over zijn controversiële gedragingen, genaamd de S'ankara-vijaya.

- De traditie maakt van hem de grondlegger van een van de belangrijkste Saiva (S'iva-) sekten, de Das'ana-nâmi-Dandin's ofwel 'De tien-namige bedelmonniken'.

- Hij staat bekend als de auteur van een groot aantal oorspronkelijke werken, zoals de Âtma-bodha, Ânanda-lahari, Jñâna-bodhinî, Mani-ratna-mâlâ; en van commentaren op de U p a n i s h a d s, de Brahma-mimâmsâ ofwel de V e d â n t a - s û t r a, de B h a g a v a d - g î t â, en de M a h â b h â r a t a.

- Naam van verschillende leraren en auteurs.

S'aranya: K r i s h n a als de Beschermer, de Toevlucht, Hij die Soelaas biedt (zie 10.66: 37).

S'arva: hij die doodt met pijlen, een naam van heer S' i v a (zie 12.10: 35).

S'atarûpâ: echtgenote van S v â y a m b h u v a  M a n u (zie 3.12: 54) en de moeder van D e v a h û t i.

- Onder de dames is K r i s h n a S'atarûpâ (zie ook M o h i n i  M û r t i, 11.16: 25).

- Vedisch equivalent van Eva, de eerste geschapen vrouw.

Sauca (s'auca): reinheid (voor het zelfbewustzijn ook geestelijk). Onderdeel van de n i y a m a (zie ook V i d h i). Hangt samen met het streven naar respect voor het celibaat, de oorspronkelijke persoon, de kinderziel (zie ook d â n a).

S'auri: (van s'ûra, de machtige held, de sterke en s'aurya, de heldhaftigheid, het kunnen): nazaat van S'ûra (9.24: 27).

- Naam van K r i s h n a (zie 10.32) als de zoon van de machtige man, te weten Zijn vader V a s u d e v a.

S'ibi: een koning beroemd om zijn beschermen van een duif die bij hem z'n toevlucht gezocht had en waarvoor hij zijn eigen vlees aan een havik te eten gaf en aldus de hemel bereikte. Geprezen in 1.12: 20 en 10.72: 21.

- S'ibi, Vara, Krimi en Daksha waren de vier geboren uit Us'înara (9.23: 3-4).

S'ikhâ: plukje haar achtergelaten achter op het geschoren hoofd van mannelijke toegewijden (bij de monniken dus). Kenmerk van v a i s h n a v a toegewijden die in de tempel leven (zie ook guru-kula).

S'ikshâshthaka: acht verzen van de hand van Heer S' r î C a i t a n y a M a h â p r a b h u, die het chanten van de heilige naam van de Heer verheerlijken (zie de bhajan).

S'ila: 'van de stenen' leven, leven van het bijeenrapen van korenaren achtergelaten in het veld, vedisch in de bijstand zitten (zie ook 6.7: 36, 7.15: 30, 11.17; 41 & 43).

S'ishya: onderricht worden, instructie ontvangen (zie g u r u).

S'iva (ookwel gespeld als Shiva of Siva): ('de goedgunstige') halfgod, ookwel S' a n k a r a (de brenger van voorspoed), B h a v a (van het bestaan) S' a m b h u (als de weldoener), M r i d a (de mededogende) of R u d r a (de gruwelijke), G i r i s' a (de heer van de berg), S' a r v a (hij die doodt met pijlen) en M a h â d e v a (de grote god) genoemd. God der Vernietiging, heerst over de geaardheid onwetendheid. Mediteert met P â r v a t î op de berg Kailasa. Ookwel de y o g î der y o g î 's genoemd. Is voortgekomen uit B r a h m â met méér eigenschappen dan (zie: 3.12: 7) zijn 'vader' zelf. Bekend met trommel en j a p a en door zijn kosmische dans ten tijde van het einde van de schepping.

- Van B r a h m â ontving hij eveneens de namen: Manyu, M a n u, Mahinasa, Mahan, Ritadhvaja, Ugraretâ, B h a v a, K â l a, Vâmadeva en Dhritavrata. Zijn elf vrouwen zijn Dhî, Dhriti, Rasalâ, U m â, Niyut, Sarpi, I l â, A m b i k â, I r â v a t î, Svadhâ and Dîkshâ are (3.12: 12-13).

- Zuivere toegewijde belast met de vernietiging van het universum aan het eind van het leven van B r a h m â, zijn verwekker.

- Vals ego transformeert in geest, de t i e n  z i n n e n (ogen, oren, neus, tong, huis, handen, voeten, stem, genitaliën en anus), en vijf fysieke e l e m e n t e n (aarde, water vuur, lucht en ether). Heer S'iva verschijnt in een specifieke l i n g a vorm in ieder van deze zestien substanties en kan in een van deze l i n g a gedaanten worden aanbeden om de mystieke volheden te verkrijgen die er betrekking op hebben. Aldus verleent heer S'iva's âkâs'a-linga de volheid van de ether, zijn jyotir-linga de volheid van het vuur, en zo voorts. (zie pp 10.88: 4).

- 'S'iva, die altijd verenigd is met zijn s' a k t i, wordt aanbeden in zijn drie manifeste g u n a-aspecten: de emotie (zijn s a t t v a ), de autoriteit (zijn r a j a s ) en de traagheid (zijn t a m a s ), en is aldus (de belichaming van) het drievoudige van het ego (10.88: 3).

S'is'upâla: heerser van Cedi, tegenstander van K r i s h n a, zijn aartsvijand die het hield met J a r â s a n d h a en R u k m î, uiteindelijk onthoofd door Zijn c a k r a. Is één van de drie demonische incarnaties van J a y a, de gevallen poortwachter van V a i k u n t h h a. K r i s h n a kaapte R u k m i n î, Zijn eerste vrouw weg voor zijn neus voordat hij met haar kon trouwen (zie 10.53).

S'is'umâra-cakra: ('dolfijn-schijf'): de sterrenhemel die V â s u d e v a wordt genoemd omdat men vanaf de aarde K r i s h n a daarmee rechtstreeks kan waarnemen in de vorm van de cosmische, galactische tijd ofwel de melkweg in de vorm van een dolfijn (zie afbeelding).

- Ookwel de lotus van de schepping, het ontvouwde universum, waaruit B r a h m â voortkomt, ontsprongen aan de navel van V i s h n u.

- Naam voor het onpersoonlijk tijds-aspekt van K r i s h n a (zie ook k â l a en c a k r a).

- Er is ook een mantra genaamd S'is'umâra: 'Onze eerbetuigingen aan deze rustplaats van al de lichtende werelden, aan de meester der halfgoden, de Grote Persoonlijkheid in de vorm van de Tijd, op wie wij mediteren' (zie 5.23: 8).

S'ivânanda Sena: grote g r i h a s t h a-toegewijde van Heer S' r î  C a i t a n y a  M a h â p r a b h u.

S'loka: S a n s k r i e t vers.

S'ravana: luisteren, vernemen over de Heer; de eerste van de negen fasen van toegewijde dienst (zie verder B h â g a v a t a  d h a r m a).

S'raddhâ: geloof; opvatten van sympathie voor de bezigheid en de sfeer van de toegewijde dienst; vertrouwen (zie b h â v a).

S'râddha: ritueel dat gehouden wordt ten bate van de overleden voorouders.

S'râddhadeva: S a t y a v r a t a, de huidige M a n u.

S'ravanam kîrtanam vishnoh: de toegewijde weg van het luisteren naar onderricht en verhalen over Heer Vishnu en het verheerlijken van Zijn roem (zie B h â g av a t a  d h a r m a).

S'rî: Heer.

- Het mooiste.

- Een naam voor de Godin van het geluk (zie ook L a k s h m î)

S'rîdhara Svâmî: V a i s h n a v a â c â r y a in de lijn van Vishnu Svâmî (zie p a r a m p a r â).

- De schrijver van het oudst bestaande v a i s h n a v a-commentaar op het S' r î m a d - B h â g a v a t a m en de B h a g a v ad - g î t â.

S'rîmad Bhâgavatam (Bhâgavata Purâna): het mooiste over Hem die fortuinlijk is. De K r i s h n a -'Bijbel', gesproken door S' u k a d e v a  G o s v â m î, de zoon van V y â s a d e v a die het verhaal van K r i s h n a vastlegde. In dit boek van ca. 18.000 verzen, deze verzameling van klassieke verhalen, wordt alles en iedereen van belang voor de b h a k t i - y o g a beschreven alsmede het gehele leven van Heer K r i s h n a en andere a v a t â r a's van V i s h n u. Als een compendium van vedische kennis, bevat het beknopt de strekking van de vedische geschriften (ga naar het S'rîmad Bhâgavatam op het internet).

- Belangrijkste van de achttien p u r â n a's ookwel de paramahamsa samhitâ genoemd (zie s a m h i t â).

- Een van de zes V i s h n u -p u r â n a's.

S'rîmate  Râdhârânî: jeugdvriendinnetje van K r i s h n a. Belangrijkste g o p î. Aanbeden als K r i s h n a's eeuwige plezier-vermogen. Heer C a i t a n y a's belangrijkste inleving in de b h a k t i (zie ook R â d h â r â n î ).

S'rîvatsa: een teken op de borst van Heer K r i s h n a bestaande uit drie grijze haren.

- Een merkteken beschreven door de vaishnava-toshanî als bestaande uit een krul van fijn blond haar aan de bovenzijde van de rechter kant van Heer V i s h n u's borst. Dit kenmerk geldt niet voor gewone toegewijden. Het is een bijzonder kenmerk van V i s h n u of K r i s h n a.

S'ringâra: één van de vijf direkte of primaire r a s a's of manifestaties van liefde die als de hoofdr a s a's gelden: de amoureuze die men echtelijk mâdhurya onderscheid in svakhya, volwassen en parakhya, jeugdig.

S'ringi: de naam van de zoon van r i s h i S'amîka die wraak nam voor zijn vader, beledigd door keizer P a r î k c h i t, met de vloek dat de keizer na zeven dagen zou sterven aan de beet van een slangevogel (zie 1.18: 24-46).

S'rota: een manier van offeren van geluid door passief luisteren. Staat tegenover s' a b d a: het offeren van het geluid van de beheerste geest; m a n t r a en b h a j a n (zie a p a u r u s h a en d i v y a m  s' r o t a m).

S'ruti: dat wat gehoord wordt; het gesproken woord; heeft betrekking op de mondelinge overlevering van vedische kennis (zie ook s m r i t i).

- Schriften welke rechtstreeks van God Zelf ontvangen zijn, de V e d a's en U p a n i s h a d s, anders dan het geval is met de s m r i t i.

S'ûdra: laaggeborene, arbeider, kameraad, vriend (zie v a r n a).

- Arbeiders, handwerkslieden en artiesten, die de leden van de drie andere v a r n a's diensten verlenen. 

S'ûdrânî: s' û d r a-vrouw.

S'uka: papegaai. Genoemd als eigenschap van toegewijden die strikt in navolging leven en spreken, improviseren en zelf - realiseren in navolging van de s' a s t r a's (zie a n u k a r a n a en a n u s a r a n a)

S'ukadeva Gosvâmî: de naam van de eerste geestelijk leraar, de â c â r y a, die het S' r î m a d B h â g a v a t a m, het verhaal van K r i s h n a sprak voor M a h â r â j a  P a r î k c h i t. De toegewijden van K r i s h n a volgen hem hierin allemaal na. Hij is de Zoon van V y â s a d e v a die het B h â g a v a t a m gestimuleerd door N â r a d a M u n i op schrift stelde.

S'ukrâcârya: ('de oorspronkelijke leraar'), een 'zoon van B h r i g u', een wijze, de geestelijk leraar van de a s u r a's ookwel Kavi Bhârgava of U s' a n â genaamd, een identiteit van K r i s h n a; een nazaat van de wijze M â r k a n d e y a (4.1: 45).

- Koning Yayâti huwde een dochter van S'ukrâcârya genaamd Devayânî uit wie Y a d u werd geboren, de grondlegger van de Y a d u-dynastie waar Heer K r i s h n a toe behoorde (9.18: 4).

- Schonk een schelphoorn toen B a l i weer tot leven werd gewekt nadat hij was verslagen door I n d r a (8.15: 6).

- Vervloekte B a l i vanwege zijn ongehoorzaamheid zodat hij al zijn land aan Heer V â m a n a d e v a kwijt raakte (zie 8.20: 15).

- S'ukra excuseerde later B a l i voor zijn onvolkomenheden (zie 8.23: 15).

- Hij had twee zoons Shanda en Amarka die probeerden P r a h l â d a op te voeden, maar mislukten erin hem uit zijn liefde voor V i s h n u te praten (7.8: 2).

S'vetâsvatara Upanishad: zie U p a n i s a d s.

S'vetadvîpa: het witte eiland in de melk-oceaan van heer V i s h n u die daar heerst in de gedaante van de Allerhoogste Heer A n i r u d d h a, de Heer van de Geest (S.B. 8.4: 17-24).

 S'yâmasundara: naam van K r i s h n a als 'mooi met Zijn donkere huid'.

  - Schoonheid van de grijze huid. De verheven gedaante van K r i s h n a als jongeling in V r i n d â v a n a, bekend met de pauweveer, fluit en gele d h o t i.

Shad-bhuja: de volgelingen van C a i t a n y a  M a h â p r a b h u aanbidden Hem ook in Zijn zes-armige gedaante van de shad-bhuja. Twee armen dragen de waterpot en de d a n d a van de s a n n y â s î  C a i t a n y a  M a h â p r a b h u, twee armen dragen de fluit van Heer K r i s h n a, en twee armen dragen de pijl en de boog van S' r î  R â m a c a n d r a. Deze shad-bhuja gedaante is de eigenlijke strekking van vers 11.5: 34 (zie daar ook voor een afbeelding).

Shath-guna: de zes kwaliteiten van een materieel bestaan: honger, dorst, treurnis, ouderdom, illusie en de dood (zie volgende woord).

Shath-ûrmi: de zes vormen van materiële ellende, de zes 'golven' van de oceaan der materie: honger, dorst, verval, dood, verdriet en illusie. Ookwel gekend als de vier vormen van misère: geboorte, ziekte, ouderdom en dood (zie s h a t h - g u n a).

Shath-varga: de zes vijanden met de zes zintuigen (de vijf plus de geest) van de lust, de woede, de begeerte, de gekte, de bedwelming en de afgunst (zie 11.26: 24) ookwel de zes plunderaars genoemd, shath dasyûn (in 7.8: 10).

Siddhaloka: de plaats voorbij de drie belangrijkste l o k a 's waarvan men niet terugkeert, waar de vervolmaakten heen gaan (zie ook also v a i k u n t h h a).

- De wereld der gezegenden (M.W.).

Siddha's: soort van mensen, de vervolmaakten, zij die perfect zijn, de zelfgerealiseerden, de zieners, de waarheidsprekers, de heiligen, zij van toverkunsten of zij die zijn uitgerust met bovennatuurlijke krachten.

Siddhânta: de slotconclusie van de V e d a's dat realisatie van de s v a r û p a in relatie van dienstbaarheid tot K r i s h n a het K r i s h n a-bewustzijn van eenheid in verscheidenheid geeft ofwel het herkennen van de Godspersoon in de (materiële) wereld. (zie ook n y â y i k a, v e d â n t a en a c i n t h y a - b h e d a - a b h e d a - t a t t v a, en B.G. 9: 15).

- Het feit van de schepping die er niet werkelijk is, van Zijn ware eenheid in de begoochelende tijdelijke werkelijkhied, van Zijn gelijktijdig één en verschillend zijn, wordt besproken in hoofdstuk 11.28 en in 12.4: 23-24.

Siddhi's: y o g a perfecties, mystieke vermogens, geestelijke verworvenheden die een belemmering in de zelfrealisatie kunnen vormen. Er zijn acht hoofdsiddhi's:

1 Het vermogen zich met het kleinste (animâ),
2 grootste (mahimâ),
3 zwaarste (garimâ)
4 en lichtste (laghimâ) te kunnen identificeren, en
5 op eigen wens handelend (prâkâmyam)
6 overal toegang toe hebbend (prâpti),
7 de krachten in gang te zetten (vas'itva)
8 en de overhand te hebben (îs'itvam).

(zie ook k a i v a l y a en b h â g a v a t a  d h a r m a en S.B. 5.6: 1 over de belemmering die ze kunnen vormen of S.B.: 9.4: 24-25, 11: 15, 11.28: 42-43 , 11:14 14 voor hun niet van belang zijn voor de toegewijden).

- Er is ook prake van de siddhi van het beantwoorden aan welk verlangen ook dat Zijn gunst verlangt: de kâmâvasâyitâ siddhi als nummer acht, waarbij de garimâ met de laghimâ siddhi wordt samengenomen als zijnde laghimâ (zie 11.15: 4-5).

- Er zijn acht hoofdsiddhi's, zoals hierboven vermeld, tien secundaire siddhi's, en vijf siddhi's specifiek voor het zich concentreren in de y o g a (zie 11.15: 4-6 ).
De tien secundaire siddhi's:

1 Om in dit lichaam niet te worden geplaagd door honger en dorst en dergelijke,
2 om dingen ver weg te zien en
3 om dingen ver weg te horen,
4 om met de snelheid van de geest zich te verplaatsen,
5 om naar believen iedere willekeurige vorm aan te nemen,
6 om de lichamen van anderen binnen te gaan,
7 te sterven bij wilsbesluit,
8 getuige te zijn van het spel [van de meisjes van de hemel] met de goden,
9 om naar eigen besluit van volmaakt succes te zijn,
10 en om zijn wilsuiting ongehinderd nageleefd te krijgen.

De vijf siddhi's van concentratie in y o g a zijn:

1 Kennis te hebben van het verleden, het heden en de toekomst,
2 om vrij te zijn van de dualiteiten,
3 weet te hebben van wat anderen denken,
4 om de werking van het vuur, de zon, het water, vergif enzovoorts te stoppen
5 en niet door anderen overweldigd te zijn.

Sîtâ: de echtgenote van R â m a waar het in de R a m â y a n a allemaal om draait: ze werd ontvoerd door de demon R â v a n a. Ook Janakî, als de dochter van J a n a k a genoemd. Ze werd Sîtâ of 'voor' genoemd omdat naar verluid ze uit een voor in de aarde was geboren die door J a n a k a tijdens het ploegen was gemaakt om de aarde voor te bereiden op een offer door hem ingesteld om nageslacht te krijgen, vandaar haar bijnaam Ayoni-ja, "niet uit de baarmoeder geboren". (sita, zonder streepjes betekent ook het heldere van het maanlicht, blank, licht, gebonden en verbonden, terwijl het c a n d r a van R â m a c a n d r a slaat op de maan).

Skanda: (alles wat springt of hupt, krekel; spuiten, uitstromen, voortvloeien, overstromen, morsen, vergieten; ten onder gaan, vernietiging; kwikzilver) de 'Aanvaller', de naam van K â r t t i k e y a, de zoon van S' i v a of van A g n i; hij wordt de god van de oorlog genoemd omdat hij de leider is van S' i v a's horden tegen de vijanden van de goden. Hij is ook de leider van de demonen van de ziekte die kinderen aanvallen en ook de god van de inbrekers en de dieven.

- Een koning of een prins.

- Een slim of geleerd iemand.

- Het lichaam.

Slag van Kurukshetra (genoemd naar de heilige plek waar hij zich afspeelde): Een strijd waarin vijfduizend jaar geleden de zoons van P â n d u en die van D h r i t a r â s h t h r a elkaar de heerschappij over de aarde betwistten. Na slechts achttien dagen vechten, waarbij ongeveer 3.94 miljoen krijgers het leven lieten, behaalden P â n d u's zoons de overwinning.

Smaranam: voortdurend denken aan K r i s h n a (een van de negen methoden der toegewijde dienst) (zie ook b h â g a v a t a - d h a r m a).

Smârta's: b r â h m a n a's, brahmanen die slechts geïnteresseerd zijn in het uiterlijk vertoon van vedische regels en rituelen, in plaats van in het bereiken van Heer K r i s h n a, die het doel van de V e d a's is.

Smriti: geheugen, de kennis van de i t i h â s a's en p u r â n a's (zie ook v i b r a h m a h).

- De vedische kennis verdeelt men in smriti en s' r u t i: dat wat rechtstreeks van God gehoord werd - de kennis van de V e d a's en U p a n i s h a d s rechtstreeks van Hem - en dat wat herinnerd wordt als de smriti - beschrijvingen door verloste zielen zoals in de p u r â n a' s. (zie ook V e d a).

- Geschriften vastgelegd door levende wezens onder bovenzinnelijke leiding, van even groot gewicht als de s' r u t i (Zie Geschriften, geopenbaarde).

- Geschriften die verdere uitleg geven over de vier oorspronkelijke V e d a's en de U p a n i s a d s (zie p u r â n a' s).

Soma (-rasa): het gefermenteerd zuur sap van een klimplant dat vermengd met geklaarde boter wordt gebruikt door brahmanen bij vedische rituelen.

- Naam van de maangod (zie C a n d r a).

Stithaprajña: stabiel zijn in bovenzinnelijkheid. Gevestigd zijn in wijsheid. Evenwichtigheid.

Sthita-dhî(ra)-muni (sthita - standvastig; dhîra - onverstoorbaar; muni - wijze): Iemand die altijd opgaat in K r i s h n a -bewustzijn en bijgevolg niet in verwarring raakt door de materiële natuur of de werking der geaardheden (zie g u n a's).

Strî: ('zij die kinderen draagt') vrouw (zie y o s h i t a).

Subhadrâ: zuster van K r i s h n a, getrouwd met A r j u n a. Wordt bezongen in de J a g a n n â t h a mantra (zie bhajan).

Sudharmâ: de Heer Zijn koninklijke vergaderzaal in D v â r a k â die voor hen die er binnengingen de s h a t h - û r m i zes plagen van een materieel leven afweert te weten honger, dorst, weeklagen, misvatting, ouderdom en de dood (zie 10.50: 54 en 10:70: 17).

Sudars'ana: naam van een V i d y â d h a r a door K r i s h n a verlost uit zijn slangenlijf (zie 10:34).

Sudars'ana cakra: ('Zijn voelbare aanwezigheid met het cyclische, de orde van de tijd') Heer V i s h n u's wapen in de vorm van een werpschijf, betrekking hebbend op de vitale kracht t e j a s (zie ook c a k r a en s' i s' u m â r a en k â l a).

- Sudars'ana is de naam van een V i d y â d h a r a door K r i s h n a verlost uit zijn slangenlijf (zie 10:34).

Sudyumna: zie I l â.

Sukha: vreugde, geluk, welbehagen. Staat tegenover d u h k h a, ongeluk. Zie ook â n a n d a: eeuwig geluk, het geluk van de ziel, en r â m a: voldoening, vreugde.

Sukritina: vroomheid die zich aan de regelen der Schrift houdt en de Heer toegewijd dient.

Suparna's: 'de broeders van G a r u d a'; een groep hemelse wezens, de reciteerders van versregels.

Superziel: zie P a r a m â t m â.

Sura: een god, goddelijkheid, een godheid, de zon maar ook: een godbewust iemand. Iemand van het licht, een gelovige, een god-bewust iemand, een verlichte ziel vrij van materiële verlangens.

Surabhi: de koeien in K r i s h n a l o k a. Ze geven een onbeperkte hoeveelheid melk. Vormen een heilig symbool van de vedische welvaart (zie ook k â m a d h e n u).

Sûra: de zon, de verlichte ziel, een wijs geleerd man, toegewijde, beschaafd mens. Staat tegenover a s u r a, boze geest, demon. Afgeleid van licht, zon de zonnegod. Verwijst naar het al dan niet verlicht God van dienst zijn.

Sûrya: de zonnegod, de verpersoonlijking van de orde van de zon zoals we die kennen van de natuur (zie S.B. 5.22).

- Voor iedere maand van het jaar is er een andere representant van de zonnegod die over die maand heerst (zie 12.11: 33-45).

Sûrya-namskar: begroeting van de zonnegod, danwel de orde van de zonnetijd - S û r y a, middels een serie â s a n a's die tezamen een teraardewerping vormen voor K r i s h n a in in de vorm van de Tijd en het licht van de zon (zie ook tijdcitaten, 11: 11: 43-45 en B.G.: 7: 8 en de G â y a t r î).

Sûryaloka: de zonneplaneet; de wereld van de orde van de zon (zie ook l o k a).

Sûta: een zoon uit een gemengd huwelijk tussen een b r a h m a a n s e vader en een k s h a t r i y a moeder (zie ook p r a t i l o m a).

Sûta Gosvâmî: zoon van R o m a h a r s h a n a, de wijze die de gesprekken tussen P a r î k c h i t en S' u k a d e v a verhaalde voor de wijzen die bijeen waren gekomen in het woud van N a i m i s h â r a n y a.

Sûtra: een in enkele woorden samengevatte diepe geestelijke lering (zie ook s' l o k a).

- Een draad, het primaire van de materie (p r a d h â n a of m a h a t - t a t t v a) als de draad van Hem (zie 11.9: 19, 11: 15: 14, 11.22: 13, 11.24: 6 en B.G. 7: 7).

Svâmî: ander woord voor g o s v â m î.

- Iemand die geest en zinnen beheerst; titel van iemand in de wereldverzakende levensorde (zie s a n n y â s î, â c â r y a en g o s v â m î).

- eretitel voor geestelijk leraren.

Sva-dharma: eigen aard, eigen natuur (zie.b.v. 12.6: 70).

- De verworven plichtsbetrachting in toegewijde dienst.

- De specifieke op zelfverwerkelijking gerichte plicht van een bepaald levend wezen overeenkomstig de religieuze beginselen.

Sva-dhyaya: zelfstudie voor de zelf-realisatie en onbaatzuchtige liefdadigheid (zie n i y a m a).

Svargaloka: de hemelse planeten of verblijfplaatsen van de halfgoden (zie l o k a).

- Naam voor de berg M e r u.

Svarûpa: de eigen vorm, je ware aard, je karakter. De oorspronkelijke vorm, de eigenlijke positie, de eeuwige dienstrelatie met K r i s h n a, de wezensaard die in ieder leven na iedere geboorte weer opnieuw wordt opgewekt ter vervolmaking. Ook: nitya-svarûpa: de eeuwige band met K r i s h n a die ieder leven opnieuw moet worden opgewekt en verder ontwikkeld. Doel van de zelfverwerkelijking (zie ook s i d d h â n t a en n i t y a).

Svarûpa-siddhi: de volmaakte realisatie van de wezensaard der ziel.

Svâyambhuva Manu: de oorspronkelijke vader van de mensheid (zie M a n u).

- Vedisch equivalent van Adam, de eerste persoon van de mensheid (zie ook 3.12: 54).

Svayamrûpa: K r i s h n a als a v a t â r a in 'eigen vorm' neergedaald (zie ook p r â k r i t i m  s v a m).

Svayamvara: de plechtigheid waarbij een prinses zich haar gemaal kiest. Bij de gelegenheid ontvoerden K r i s h n a, S â m b a en A r j u n a hun vrouwen: R u k m i n î (10.53), Mitravindâ (10.83: 12), L a k s h m a n â (10.83: 17; 10.68.1), en S u b a d r â (10.86).

Syamantaka: een speciaal zegenrijk intens stralend juweel in het bezit van de Y a d u's in D v â r a k â gebruikt in de aanbidding van S û r y a, de zonnegod (voor het verhaal zie 10: 56).

 

 

  Doorzoek het Lexicon

 

Sanskriet Woordenboek

 

S'rîmad Bhâgavatam | Bhagavad Gîtâ | Zingende Filosoof
 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties