Canto
7
Hoofdstuk 5: Prahlâda Mahârâja, de Heilige Zoon van Hiranyakas'ipu
(1) S'rî Nârada zei: 'Om als hun priester op te treden werd door de Asura's de machtigste die er was, S'ukrâcârya ['de belangrijkste leraar'], gekozen. Zijn twee zoons Shanda en Amarka leefden in de buurt van waar de daitya koning zijn verblijf had. (2) De koning stuurde de jongen Prahlâda, die goed op de hoogte was van de morele richtlijnen, naar hen toe om tezamen met andere asura kinderen zich de leerstof van de boeken der materiële kennis eigen te maken. (3) Luisterend en herhalend wat de leraren onderwezen over wat allemaal moest beschouwd worden als zijnde het goed en kwaad van jezelf en van anderen, vond hij dat het een slecht staaltje filosofie betrof. (4) Toen eens de Asura despoot zijn zoon op zijn schoot zette, o zoon van Pându, vroeg hij: 'Vertel me mijn zoon, wat denk jij nou zelf dat het beste zou zijn?'
(5) S'rî Prahlâda ['de vreugde van het begrijpen'] zei: 'O heiligste excellentie der Asura's, ik denk dat allen die een lichaam hebben, vanwege het feit dat ze het tijdelijke voor het ware aanzien, een intelligentie hebben die altijd vol van zorgen is; met het opgeven van die versluiering van de ziel, dat huishoudelijk belang wat niets anders is dan een overwoekerde put, kan men er beter zeker van zijn het bos in te gaan en zijn toevlucht te zoeken bij de Heer.'
(6) S'rî Nârada zei: 'De Daitya die hoorde hoe zijn zoon bij zijn volle verstand met zoveel woorden de kant van de vijand koos, lachte over de intelligentie van de kleine jongen en hield het erop dat hij door een verkeerde mentaliteit was beïnvloed: (7) 'Laat deze jongen maar beter beschermd zijn op school zodat zijn intelligentie vrij blijft van de invloed van op Vishnu georiënteerde brahmanen die zich anders voordoen dan ze zijn.'
(8) Teruggebracht naar die plek [de guru-kula], riepen de daitya priesters Prahlâda bij zich en ondervroegen ze hem, terwijl ze hem met een zachte stem en aangename woorden geruststelden. (9) 'Lief kind, Prahlâda, het beste zij je toegewenst, vertel ons de waarheid en lieg niet, welke van de andere kinderen hebben je deze verkeerde manier van denken bijgebracht? (10) Zeg ons, kwam deze tegendraadse zienswijze van kwaadwilligen of was het iets van jezelf; wij, al je leraren branden van verlangen hier achter te komen, o beste van de familie.'
(11) S'rî Prahlâda zei: 'Dat praten over anderen in termen van goed en kwaad is iets dat hoort bij mensen die van een materiële levensovertuiging zijn; denkend over wat men ziet is men eenvoudigweg begoocheld door het uiterlijke dat door Hem geschapen is, de Allerhoogste Heer die ik mijn respect betoon [zie ook B.G. 5: 18]. (12) Als Hij tevreden is over de persoon is het dierlijk begrip van deze tijdgebonden manier van onderscheid maken tussen het 'ik' van iemand anders en het 'ik' van jezelf tenietgedaan. (13) Van Hem, deze Superziel kunnen zij, wiens intelligentie en dienstverlening is bedorven door de 'Ik' en 'gij' manier van denken, zich zeer moeilijk verzekeren; zij, die van Brahmâ [hier: de valse leraren], van wie de navolgers op het vedisch pad in de war zijn, hebben inderdaad mijn intelligentie tegenover zich geplaatst. (14) O brahmanen, net zoals ijzer uit zichzelf beweegt in de nabijheid van een magneet is dienovereenkomstig mijn intelligentie simpelweg bepaald door de wil van de cakra in Zijn hand [zie b.v. 5.14: 29].'
(15) S'rî Nârada zei: 'Na dit alles de brahmanen gezegd te hebben viel de grote geest stil en werd hij hardvochtig terechtgewezen door de dienaren van de koning die het allemaal niks vonden en zeer boos op hem waren: (16) 'O haal me een stok voor hem, deze sintel van de dynastie, die met zijn corrupte denkwijze ons naar beneden haalt; voor hem is de vierde optie der diplomatie, de danda [de roede], de geëigende oplossing [volgend op dâna, wettelijk bepaalde liefdadigheid; sâma, gunstig stemmen en bheda, het verdelen van posten]. (17) In het sandelhoutbos van de Daitya's is deze jongen geboren als een boom vol doornen die dient als handvat voor de bijl die Vishnu is die ons bij de wortel omhakt!'
(18) Op deze wijze op verschillende manieren hem in woord en daad bedreigend, onderrichten zij Prahlâda in wat de geschriften te bieden hadden over de [eerste] drie doelen in het leven [de purusârtha's van dharma, artha en kâma]. (19) Nadat zijn leraren hem alles hadden bijgebracht wat er maar te weten viel over de vier beginselen der diplomatie werd hij, door zijn moeder gebaad en opgesierd, naar de daitya heerser gebracht. (20) De jongen hem ten voeten gevallen werd door de Asura bemoedigd met zegeningen en aan een langdurige omhelzing met beide armen van zijn kant, ontleende hij een grote vreugde. (21) Hem op zijn schoot nemend besnoof hij zijn hoofd en bevochtigde hij hem met het vocht van zijn tranen, en met een lach op zijn gezicht zei hij het volgende, o Yudhishthhira.
(22) Hiranyakas'ipu zei: 'Welnu Prahlâda mijn zoon, nu je zo goed onderricht bent, zeg me eens iets aardigs van wat jij, o liefde van mijn leven, al die tijd zo hebt geleerd van je leraren.'
(23-24) S'rî Prahlâda zei: 'Luisteren, zingen, je Vishnu herinneren, aandacht besteden aan de voeten, het brengen van offers en gebeden, een dienaar worden, een vriend zijn en je ziel en zaligheid overgeven zijn voor alle mensen van opoffering de negen verschillende handelwijzen waaruit de bhakti bestaat die men moet opbrengen voor de Allerhoogste Heer Vishnu; dat alles bij elkaar beschouw ik als het toppunt van wat men kan leren.'
(25) Toen hij zijn zoon dit hoorde zeggen zei Hiranyakas'ipu, met lippen trillend van woede, daarop tegen de zoon van de goeroe [die Prahlâda's leraar was] het volgende: (26) 'Jij ontaarde brahmaan! Wat krijgen we nou, kies je nu partij voor de vijand door zo achterbaks deze onzin te onderrichten zonder je te bekommeren om mijn jongen zoals het hoort, dwaas die je bent! (27) Werkelijk, wat zijn er toch een hoop oneerlijke mensen in de wereld die, in het belazeren van hun vrienden, zich maar voor het vertoon uitdossen; in de loop van de tijd kan men van hen zich de zonde zien manifesteren zoals een ziekte dat doet bij mensen die verkeerd leven.'
(28) De zoon van de goeroe zei: 'Dit wat uw zoon zegt is in het geheel niet wat wij hem hebben bijgebracht, noch heeft iemand anders hem dat geleerd, o vijand van Indra; dit is zijn eigen natuurlijke toeneiging, o Koning, wees niet vertoornd jegens ons over die klaarblijkelijke misser van hem.'
(29) S'rî Nârada zei: 'Aldus van de leraar een antwoord gekregen hebbend richtte de Asura zich wederom tot zijn zoon: 'Als je dit niet vernomen hebt uit de mond van je leraar, vanwaar dan stamt deze kwalijke voorkeur van je, o mislukkeling?'
(30) S'rî Prahlâda zei: 'Personen gehecht aan hun materiële leven ontwikkelen vanwege een gebrek aan controle over hun zinnen, in hun telkens weer opnieuw herkauwen van het gekauwde, een leven dat tot de hel voert; nimmer zijn ze Krishna [zie B.G. 4: 4-5] toegenegen omdat anderen het zeggen of omdat ze het zelf inzien, noch zullen ze dat zijn door een combinatie van die twee [zie ook B.G. 2: 44]. (31) Zij die uit zijn op de waarde van het uiterlijke hebben er in hun ambities geen idee van wat het doel van hun leven, Vishnu, is; hoewel ze worden geleid zijn ze, als blindemannen geleid door een blinde, zwaar in touwen gebonden aan de dictaten van de materiële natuur. (32) Zo lang als het bewustzijn van deze mensen niet in contact staat met de Voeten van de Roem, zolang als ze niet de heiliging aanvaarden van de orde [of het stof] van de voeten van hen die vrij van de gebondenheid zijn, ligt de verdwijning van het ongewenste, wat de opzet is van al de groten, buiten hun bereik.'
(33) Na aldus gesproken te hebben hield de zoon op. Hiranyakas'ipu in zijn woede blind voor de zelfverwerkelijking, wierp hem van zijn schoot op de grond.(34) Overmand door verontwaardiging zei hij woedend met bloed doorlopen ogen: 'Mannen, maak meteen een eind aan zijn leven, breng hem weg naar zijn dood! (35) Hij hier is de moordenaar van mijn broer, hij, die zo laag zijn eigen weldoeners heeft opgegeven, is als een dienaar aan de voeten Vishnu, dezelfde die zijn oom heeft gedood. (36) En voor Vishnu deugt hij ook niet met de schamele vijf jaren dat hij oud is en met zijn zo onbetrouwbaar het eraan gegeven hebben van de slecht te verzaken liefde van zijn vader en zijn moeder. (37) Zelfs afkomstig van anderen is een kind een zegen zo groot als een geneeskrachtig kruid dat van elders stamt; maar een zoon geboren uit jezelf die van slechte wil is behoort net als met een verziekte arm of been worden afgezet, schadelijk als hij is voor het welzijn van het lichaam dat op zijn verwijdering nog een gelukkig leven kan hebben. (38) Alleszins moet hij worden gedood, hij die etend, neerliggend en zittend met ons, zich voordoend als een vriend evenzo goed een vijand is als de onbeheersbare zinnen zijn voor een wijze.'
(39-40) De handlangers die ter harte hadden genomen wat hun leider allemaal had te zeggen brulden toen schrikwekkend met de scherpste drietanden in hun handen, met angstaanjagende tanden en gezichten en hun rode haren en snorren: 'Laten we hem in stukken hakken', en vielen toen Prahlâda, die daar stilletjes zat, met hun spiesen aan op zijn weke delen. (41) Maar met hem wiens geest was verzonken in het Allerhoogste Absolute van de Fortuinlijke, de Ziel van een Ieder die voor de zinnen niet waar te nemen is, sorteerden ze geen effect precies zoals goede daden dat niet doen met een onwaardig iemand. (42) O Yudhishthhira, de daitya despoot onder de indruk toen hij zag hoe al de pogingen ijdel bleken, voorzag toen vastberaden in tal van manieren om hem ter dood te brengen. (43-44) Hem pletten met een olifant, met de gifslangen van de koning aanvallen, met toverspreuken de verdoemenis afroepen, hem van grote hoogten werpen, trucs verzinnen, hem opsluiten, gif toedienen en onderwerpen aan uithongering, koude, wind, vuur en water en met het uitstorten van rotsblokken, was de demon niet in staat zijn zoon, de zondeloze, ter dood te brengen en met het in dat lang volgehouden pogen mislukt zijn verkeerde hij in grote zorgen:
(45) 'Van de overmaat aan deze onheilige uitingen en de verschillende manieren uitgedacht om hem te doden, van al deze verraderlijkheden en wantoestanden vond hij verlichting op eigen kracht! (46) Mij zo nabij en enkel maar een kind is hij niettemin onwankelbaar nergens bang voor; net zoals een geslagen hond altijd zijn staart zal krom houden, zal hij nooit mijn wandaden vergeten. (47) Ongetwijfeld zal deze grenzenloze heerlijkheid en onvergankelijkheid van zijn, van welke kant belaagd ook, voor niets en niemand bang zijn, vroeg of laat de reden van mijn dood zijn.'
(48) Aldus liet hij het hoofd hangen en verloor hij een groot deel van zijn glans. Shanda en Amarka, de twee zonen van de leraar der voorschriften, spraken toen in verholen bewoordingen tot hem. (49) 'Door u alleen overwonnen beven al de leiders van de drie werelden vol van angst voor het heffen van uw wenkbrauwen; u hebt van hem niets te vrezen o meester, noch zien we in waarom u zich eigenlijk zorgen zou moeten maken over de kwaliteiten en fouten van dit of dat kind. (50) Houd hem, totdat onze goeroe S'ukrâcârya er weer is, vastgebonden met de touwen van Varuna zodat hij, bang, er niet vandoor gaat; geholpen door de meer ervarenen zal de intelligentie wel komen als zijn persoon wat ouder is.'
(51) Op deze manier van advies gediend nam hij in acht wat de zoons van de geestelijk leraar hem hadden gezegd en aldus werd Prahlâda praktisch onderricht over wat de burgerdeugden waren van koningen. (52) De formele plicht, de economie en het reguleren van het verlangen werden keer op keer systematisch aan Prahlâda uiteengezet o Koning, die evenzo nederig was als onderworpen [vergelijk B.G. 14: 20 & 26]. (53) Wat de leraren hem voorhielden betreffende de drie wegen - de opvoeding die hij kreeg van mensen die putten uit een opgelegde dualiteit, beschouwde hij niet als een werkelijk goede instructie [vergelijk 6.3: 20-25]. (54) Als de leraren druk waren met hun eigen burgerplichten namen de jongens van zijn leeftijd de kans waar om op hem een beroep te doen. (55) Hij, de grote intelligentie, sprak dan tot hen, hen in aangename bewoordingen glimlachend en geleerd uitleggend hoe genadevol het is om bij God te blijven. (56-57) Zij, de jongens die hun speelgoed opgaven, raakten dan allen, oprecht vol van bewondering voor zijn woorden, geestelijk bevrijd van de aanwijzingen en de vorming door hen [de leraren] die er genoegen in schiepen in termen van tegenstellingen te spreken. Ze zaten om hem heen o Koning van de macht, met hun harten en ogen vrijgemaakt op hem gevestigd die vol van medeleven sprak als een echte vriend en een groot voorbeeld van een Asura vol van toewijding.
Tweede editie, geladen 19 juni 2007.
![]()
Bronteksten:
Prahlâda Mahârâja, de Heilige Zoon van Hiranyakas'ipu
S'rî Nârada zei: 'Om als hun priester op te treden werd door de Asura's de machtigste die er was, S'ukrâcârya ['de belangrijkste leraar'], gekozen. Zijn twee zoons Shanda en Amarka leefden in de buurt van waar de daitya koning zijn verblijf had.De grote heilige Nârada Muni zei: De demonen met Hiranyakas'ipu aan het hoofd aanvaardden S'ukrâcârya als hun priester voor het uitvoeren van rituelen. De twee zoons van S'ukrâcârya, Shanda en Amarka, woonden daardoor vlakbij Hiranyakas'ipu's paleis. (Vedabase)
De koning stuurde de jongen Prahlâda, die goed op de hoogte was van de morele richtlijnen, naar hen toe om tezamen met andere asura kinderen zich de leerstof van de boeken der materiële kennis eigen te maken.
Prahlâda Mahârâja was al opgeleid in het devotionele leven, maar toen zijn vader hem naar deze twee zoons van S'ukrâcârya toestuurde om onderwezen te worden, namen ze hem samen met de andere zoons van de Asura's bij zich op school. (Vedabase)
Luisterend en herhalend wat de leraren onderwezen over wat allemaal moest beschouwd worden als zijnde het goed en kwaad van jezelf en van anderen, vond hij dat het een slecht staaltje filosofie betrof.
Prahlâda luisterde wel naar de uiteenzettingen over politiek en economie van de onderwijzers en zei hen ook na, maat hij begreep dat politieke filosofie inhoudt dat men de een als vriend moet beschouwen en de ander als vijand, en daarom hield hij er niet van. (Vedabase)
Toen eens de Asura despoot zijn zoon op zijn schoot zette, o zoon van Pându, vroeg hij: 'Vertel me mijn zoon, wat denk jij nou zelf dat het beste zou zijn?'
Beste koning Yudhishthhira, op een keer nam de koning der demonen, Hiranyakas'ipu, zijn zoon Prahlâda op schoot en vroeg hem heel teder: Lieve zoon, vertel me alsjeblieft wat je het beste vindt van alles wat je van je onderwijzers geleerd hebt. (Vedabase)
S'rî Prahlâda ['de vreugde van het begrijpen'] zei: 'O heiligste excellentie der Asura's, ik denk dat allen die een lichaam hebben, vanwege het feit dat ze het tijdelijke voor het ware aanzien, een intelligentie hebben die altijd vol van zorgen is; met het opgeven van die versluiering van de ziel, dat huishoudelijk belang wat niets anders is dan een overwoekerde put, kan men er beter zeker van zijn het bos in te gaan en zijn toevlucht te zoeken bij de Heer.'
Prahlâda Mahârâja antwoordde: O beste der asura's, koning der demonen, voorzover ik van mijn geestelijk leraar geleerd heb, wordt iedereen die een tijdelijk lichaam heeft aangenomen en een tijdelijk gezinsleven leidt met zekerheid gekweld door angst en zorgen omdat hij in een diepe, donkere put gevallen is waar geen water te vinden is maar alleen lijden. Men zou deze situatie moeten opgeven en naar het woud [vana] moeten gaan. Om nog duidelijker te zijn, men zou naar Vrindâvana moeten gaan, waar niets dan Krishna-bewustzijn heerst, en daar zijn toevlucht nemen tot de Allerhoogste Godspersoon. (Vedabase)
S'rî Nârada zei: 'De Daitya die hoorde hoe zijn zoon bij zijn volle verstand met zoveel woorden de kant van de vijand koos, lachte over de intelligentie van de kleine jongen en hield het erop dat hij door een verkeerde mentaliteit was beïnvloed:
Nârada Muni vervolgde: Toen Hiranyakas'ipu, de koning der demonen, Prahlâda Mahârâja over het pad van zelfrealisatie in toegewijde dienst hoorde spreken, waarmee hij de kant van zijn vaders vijanden koos, zei hij lachtend: "Zo wordt de intelligentie van een kind bezoedeld door de woorden van de vijand." (Vedabase)
'Laat deze jongen maar beter beschermd zijn op school zodat zijn intelligentie vrij blijft van de invloed van op Vishnu georiënteerde brahmanen die zich anders voordoen dan ze zijn.'
Hiranyakas'ipu gaf zijn dienaren de volgende opdracht: Beste demonen, zorg dat deze jongen volkomen beschermd wordt op de guru-kula waar hij les krijgt, zodat zijn intelligentie niet nog meer beïnvloed wordt door vaishnava's die daar misschien in vermomming binnenkomen. (Vedabase)
Teruggebracht naar die plek [de guru-kula], riepen de daitya priesters Prahlâda bij zich en ondervroegen ze hem, terwijl ze hem met een zachte stem en aangename woorden geruststelden.
Toen Hiranyakas'ipu's dienaren de jonge Prahlâda terugbrachten naar de guru-kula [het gebouw waar de brâhmana's de jongens lesgaven], stelden de priesters van de demonen, Shanda en Amarka, hem op zijn gemak. Op een allervriendelijkste toon en met hartelijke woorden ondervroegen ze hem als volgt. (Vedabase)
'Lief kind, Prahlâda, het beste zij je toegewenst, vertel ons de waarheid en lieg niet, welke van de andere kinderen hebben je deze verkeerde manier van denken bijgebracht?
Beste zoon Prahlâda, moge alle vrede en voorspoed je deel zijn. Vertel alsjeblieft geen leugens; zeg gewoon de waarheid. Deze jongens die je hier ziet, zijn niet zoals jij, want zij zeggen niets afwijkends. Waar heb je deze dingen geleerd? Hoe komt het dat je intelligentie zo bedorven is? (Vedabase)
Zeg ons, kwam deze tegendraadse zienswijze van kwaadwilligen of was het iets van jezelf; wij, al je leraren branden van verlangen hier achter te komen, o beste van de familie.'
O beste vertegenwoordiger van je familie, wie is de oorzaak van deze besmetting van je intelligentie, jijzelf of onze vijanden? Wij zijn je onderwijzers en willen dit heel graag weten. Vertel ons alsjeblieft de waarheid. (Vedabase)
S'rî Prahlâda zei: 'Dat praten over anderen in termen van goed en kwaad is iets dat hoort bij mensen die van een materiële levensovertuiging zijn; denkend over wat men ziet is men eenvoudigweg begoocheld door het uiterlijke dat door Hem geschapen is, de Allerhoogste Heer die ik mijn respect betoon [zie ook B.G. 5: 18].
Prahlâda Mahârâja antwoordde: Laat me mijn nederige eerbetuigingen brengen aan de Allerhoogste Godspersoon, wiens uitwendige energie de intelligentie van de mens op een dwaalspoor heeft gebracht en zo het onderscheid tussen "mijn vriend" en "mijn vijand" heeft gecreëerd. Ik maak dit nu daadwerkelijk mee, hoewel ik er vroeger al uit gezaghebbende bron over heb gehoord. (Vedabase)
Als Hij tevreden is over de persoon is het dierlijk begrip van deze tijdgebonden manier van onderscheid maken tussen het 'ik' van iemand anders en het 'ik' van jezelf tenietgedaan.
Wanneer de Allerhoogste Godspersoon tevreden over het levend wezen is door de toegewijde dienst die hij verricht, wordt men een pandita en maakt men geen onderscheid meer tussen vijanden, vrienden en zichzelf. Dan is hij werkelijk intelligent en denkt: "Ieder van ons is een eeuwige dienaar van God en daarom zijn we niet verschillend van elkaar." (Vedabase)
Van Hem, deze Superziel kunnen zij, wiens intelligentie en dienstverlening is bedorven door de 'Ik' en 'gij' manier van denken, zich zeer moeilijk verzekeren; zij, die van Brahmâ [hier: de valse leraren], van wie de navolgers op het vedisch pad in de war zijn, hebben inderdaad mijn intelligentie tegenover zich geplaatst.
Mensen die altijd in termen van "vriend" en "vijand" denken, zijn niet in staat om de Superziel in zichzelf te ontdekken. Zelfs zulke verheven personen als Heer Brahmâ, die volkomen vertrouwd zijn met de Veda's, weten soms niet goed hoe ze de principes van toegewijde dienst moeten naleven. Dezelfde Allerhoogste Godspersoon die deze situatie creëerde, heeft me stellig de intelligentie geschonken om de kant van uw zogenaamde vijand te kiezen. (Vedabase)
O brahmanen, net zoals ijzer uit zichzelf beweegt in de nabijheid van een magneet is dienovereenkomstig mijn intelligentie simpelweg bepaald door de wil van de cakra in Zijn hand [zie b.v. 5.14: 29].'
O brâhmana's [onderwijzers], zoals ijzer dat wordt aangetrokken door een magneet automatisch naar die magneet toegaat, zo wordt mijn bewustzijn, dat door Zijn wil is veranderd, aangetrokken tot Heer Vishnu, die een werpschijf in Zijn hand houdt. Ik bezit dus geen enkele onafhankelijkheid. (Vedabase)
S'rî Nârada zei: 'Na dit alles de brahmanen gezegd te hebben viel de grote geest stil en werd hij hardvochtig terechtgewezen door de dienaren van de koning die het allemaal niks vonden en zeer boos op hem waren:
De grote wijze Nârada Muni vervolgde: De grote ziel Prahlâda Mahârâja zweeg nadat hij dit tegen zijn onderwijzers Shanda en Amarka, de zoons van S'ukrâcârya, had gezegd. De twee zogenaamde brâhmana's werden toen ontzettend boos op hem. Als dienaren van Hiranyakas'ipu voelden ze zich bijzonder gekrenkt, en om Prahlâda Mahârâja te straffen, zeiden ze het volgende. (Vedabase)
'O haal me een stok voor hem, deze sintel van de dynastie, die met zijn corrupte denkwijze ons naar beneden haalt; voor hem is de vierde optie der diplomatie, de danda [de roede], de geëigende oplossing [volgend op dâna, wettelijk bepaalde liefdadigheid; sâma, gunstig stemmen en bheda, het verdelen van posten].
Oh, breng me alsjeblieft een stok! Deze Prahlâda schaadt onze goede naam. Door zijn verderfelijke intelligentie is hij als een brandende sintel in de dynastie der demonen geworden. Hij heeft nu een behandeling nodig volgens de laatste van de vier soorten van politieke diplomatie. (Vedabase)Tekst 17:
In het sandelhoutbos van de Daitya's is deze jongen geboren als een boom vol doornen die dient als handvat voor de bijl die Vishnu is die ons bij de wortel omhakt!'
Deze schurk Prahlâda is plotseling opgeschoten als een doornboom in een bos met sandelbomen. Als men sandelbomen wil rooien, heeft men een bijl nodig, en het hout van een doornboom is heel geschikt voor de steel van zo'n bijl. Heer Vishnu is de bijl om het bos van sandelbomen van de demonen-familie mee om te hakken, en deze Prahlâda hier is de steel voor die bijl. (Vedabase)
Op deze wijze op verschillende manieren hem in woord en daad bedreigend, onderrichten zij Prahlâda in wat de geschriften te bieden hadden over de [eerste] drie doelen in het leven [de purusârtha's van dharma, artha en kâma].
Shanda en Amarka, de onderwijzers van Prahlâda Mahârâja, straften en bedreigden hun leerling op allerlei manieren en begonnen hem les te geven over het pad van wereldse religie, materiële rijkdom en zinsbevrediging. Dat is de opleiding die ze hem gaven. (Vedabase)
Nadat zijn leraren hem alles hadden bijgebracht wat er maar te weten viel over de vier beginselen der diplomatie werd hij, door zijn moeder gebaad en opgesierd, naar de daitya heerser gebracht.
Na enige tijd dachten de onderwijzers Shanda en Amarka dat Prahlâda Mahârâja voldoende geschoold was in de diplomatie van het kalmeren van volksleiders, het hen verzoenen door ze een winstgevende positie aan te bieden, het toepassen van het "verdeel en heers" principe en tenslotte het straffen in geval van ongehoorzaamheid. Op een dag, nadat Prahlâda's moeder de jongen persoonlijk gebaad, mooi aangekleed en met passende sieraden getooid had, brachten ze hem voor de troon van zijn vader. (Vedabase)
De jongen hem ten voeten gevallen werd door de Asura bemoedigd met zegeningen en aan een langdurige omhelzing met beide armen van zijn kant, ontleende hij een grote vreugde.
Toen Hiranyakas'ipu zag dat zijn kind aan zijn voeten was gevallen en hem zijn eerbetuigingen bracht, overlaadde hij de jongen als liefhebbende vader meteen met zegeningen en omhelsde hem met beide armen. Het is natuurlijk voor een vader om zich gelukkig te voelen wanneer hij zijn zoon omhelst en Hiranyakas'ipu was dan ook erg voldaan toen hij dat deed. (Vedabase)
Hem op zijn schoot nemend besnoof hij zijn hoofd en bevochtigde hij hem met het vocht van zijn tranen, en met een lach op zijn gezicht zei hij het volgende, o Yudhishthhira.
Nârada Muni vervolgde: Beste koning Yudhishthhira, Hiranyakas'ipu nam Prahlâda Mahârâja op schoot en rook aan zijn hoofd. Terwijl tranen van liefde over zijn wangen rolden en het lachende gezicht van het kind bevochtigden, sprak hij zijn zoon als volgt toe. (Vedabase)
Hiranyakas'ipu zei: 'Welnu Prahlâda mijn zoon, nu je zo goed onderricht bent, zeg me eens iets aardigs van wat jij, o liefde van mijn leven, al die tijd zo hebt geleerd van je leraren.'
Hiranyakas'ipu zei: Beste Prahlâda, o lieve zoon die een lang leven beschoren is, je hebt nu al een hele tijd allerlei dingen van je onderwijzers geleerd. Herhaal nu alsjeblieft voor me wat jij denkt dat het beste van al die kennis is. (Vedabase)
S'rî Prahlâda zei: 'Luisteren, zingen, je Vishnu herinneren, aandacht besteden aan de voeten, het brengen van offers en gebeden, een dienaar worden, een vriend zijn en je ziel en zaligheid overgeven zijn voor alle mensen van opoffering de negen verschillende handelwijzen waaruit de bhakti bestaat die men moet opbrengen voor de Allerhoogste Heer Vishnu; dat alles bij elkaar beschouw ik als het toppunt van wat men kan leren.'
Prahlâda Mahârâja zei: Het horen en chanten van de transcendentale heilige namen en het luisteren naar beschrijvingen van de gedaante, eigenschappen, attributen en het spel en vermaak van Heer Vishnu of deze zelf beschrijven, ze herinneren, de lotusvoeten van de Heer dienen, de Heer nederig vereren met zestien soorten attributen, gebeden tot de Heer richten, Zijn dienaar worden, de Heer als zijn beste vriend beschouwen, en alles aan Hem overgeven (met andere woorden, Hem dienen met lichaam, geest en woorden) - deze negen methoden worden aanvaard als zuivere toegewijde dienst. Wie zijn leven aan de dienst van Krishna heeft gewijd door middel van deze negen methoden moet als de grootste geleerde worden beschouwd, want hij heeft volmaakte kennis verworven. (Vedabase)
Toen hij zijn zoon dit hoorde zeggen zei Hiranyakas'ipu, met lippen trillend van woede, daarop tegen de zoon van de goeroe [die Prahlâda's leraar was] het volgende:
Toen Hiranyakas'ipu deze woorden over toegewijde dienst uit de mond van zijn zoon Prahlâda hoorde, werd hij razend. Met trillende lippen sprak hij Shanda, de zoon van zijn guru S'ukrâcârya, als volgt toe. (Vedabase)
'Jij ontaarde brahmaan! Wat krijgen we nou, kies je nu partij voor de vijand door zo achterbaks deze onzin te onderrichten zonder je te bekommeren om mijn jongen zoals het hoort, dwaas die je bent!
O nutteloze, doortrapte zoon van een brâhmana, je hebt mijn bevelen in de wind geslagen en je toevlucht genomen tot mijn vijanden! Je hebt deze jongen van alles over toegewijde dienst geleerd! Wat is dit voor onzin? (Vedabase)
Werkelijk, wat zijn er toch een hoop oneerlijke mensen in de wereld die, in het belazeren van hun vrienden, zich maar voor het vertoon uitdossen; in de loop van de tijd kan men van hen zich de zonde zien manifesteren zoals een ziekte dat doet bij mensen die verkeerd leven.'
In mensen die zondig zijn, manifesteren zich mettertijd allerlei ziektes. Zo zijn er in deze wereld ook veel wolven in schaapskeren, maar uiteindelijk komt door hun hypocriete gedrag hun ware vijandige aard naar boven. (Vedabase)
De zoon van de goeroe zei: 'Dit wat uw zoon zegt is in het geheel niet wat wij hem hebben bijgebracht, noch heeft iemand anders hem dat geleerd, o vijand van Indra; dit is zijn eigen natuurlijke toeneiging, o Koning, wees niet vertoornd jegens ons over die klaarblijkelijke misser van hem.'
De zoon van S'ukrâcârya, Hiranyakas'ipu's geestelijk leraar, zei: O vijand van koning Indra, o koning! Wat uw zoon Prahlâda gezegd heeft is hem noch door mij noch door iemand anders geleerd. Zijn toegewijde dienst is spontaan en heeft zich op natuurlijke wijze in hem ontwikkeld. Zet daarom alstublieft uw woede van u af en beschuldig ons niet nodeloos. Het is niet goed om een brâhmana zo te beledigen. (Vedabase)
S'rî Nârada zei: 'Aldus van de leraar een antwoord gekregen hebbend richtte de Asura zich wederom tot zijn zoon: 'Als je dit niet vernomen hebt uit de mond van je leraar, vanwaar dan stamt deze kwalijke voorkeur van je, o mislukkeling?'
S'rî Nârada Muni vervolgde: Na dit antwoord van de onderwijzer wendde Hiranyakas'ipu zich weer tot zijn zoon Prahlâda. Hiranyakas'ipu zei: Jij schurk, diepst gevallen telg van ons geslacht, als je die kennis niet van je onderwijzers hebt geleerd, waar heb je het dan vandaan? (Vedabase)
S'rî Prahlâda zei: 'Personen gehecht aan hun materiële leven ontwikkelen vanwege een gebrek aan controle over hun zinnen, in hun telkens weer opnieuw herkauwen van het gekauwde, een leven dat tot de hel voert; nimmer zijn ze Krishna [zie B.G. 4: 4-5] toegenegen omdat anderen het zeggen of omdat ze het zelf inzien, noch zullen ze dat zijn door een combinatie van die twee [zie ook B.G. 2: 44].
Prahlâda Mahârâja antwoordde: Door hun onbeheerste zinnen staren mensen die verslaafd zijn aan het materialistische leven regelrecht op een hels bestaan aan en herkauwen steeds opnieuw wat ze al een keer gekauwd hebben. Hun interesse in Krishna zal nooit gewekt worden, of het nu door onderricht van anderen of door eigen inspanning is, of door een combinatie van beide. (Vedabase)
Zij die uit zijn op de waarde van het uiterlijke hebben er in hun ambities geen idee van wat het doel van hun leven, Vishnu, is; hoewel ze worden geleid zijn ze, als blindemannen geleid door een blinde, zwaar in touwen gebonden aan de dictaten van de materiële natuur.
Mensen die volkomen verstrikt zijn in het bewustzijn dat ze van het materiële leven willen genieten en daarom als leider of guru iemand hebben gekozen die even blind en gehecht is aan uitwendige zinsobjecten als zijzelf, kunnen niet begrijpen dat het doel van het leven is terug te keren naar huis, terug naar God, om Heer Vishnu te dienen. Zoals blinden die door een andere blinde geleid worden van het juiste pad afraken en in een greppel terechtkomen, zo zijn materieel gehechte mensen die door andere materieel gehechte mensen geleid worden gebonden door de banden van baatzuchtig werk, die als zeer sterke kabels zijn, en blijven ze steeds in het materialistische leven ronddraaien, waarbij ze de drievoudige ellende ondergaan. (Vedabase)
Zo lang als het bewustzijn van deze mensen niet in contact staat met de Voeten van de Roem, zolang als ze niet de heiliging aanvaarden van de orde [of het stof] van de voeten van hen die vrij van de gebondenheid zijn, ligt de verdwijning van het ongewenste, wat de opzet is van al de groten, buiten hun bereik.'
Tenzij ze het stof van de lotusvoeten van een vaisnava die volkomen bevrijd is van alle materiële besmetting op hun lichaam smeren, kunnen mensen die sterk aangetrokken zijn tot het materialistische leven niet gehecht raken aan de lotusvoeten van de Heer, die verheerlijkt wordt om Zijn buitengewone activiteiten. Alleen door Krishna-bewust te worden en op deze wijze zijn toevlucht te nemen tot de lotusvoeten van de Heer kan men bevrijd raken van alle materiële besmetting. (Vedabase)
Na aldus gesproken te hebben hield de zoon op. Hiranyakas'ipu in zijn woede blind voor de zelfverwerkelijking, wierp hem van zijn schoot op de grond.
Toen Prahlâda Mahârâja dit gezegd had en zweeg, duwde Hiranyakas'ipu hem blind van woede van zijn schoot zodat hij op de grond viel. (Vedabase)
Overmand door verontwaardiging zei hij woedend met bloed doorlopen ogen: 'Mannen, maak meteen een eind aan zijn leven, breng hem weg naar zijn dood!
Woedend en vol verontwaardiging, zijn ogen zo rood als gesmolten koper, zei Hiranyakas'ipu tegen zijn dienaren: O demonen, neem deze jongen bij me weg! Hij verdient het om gedood te worden. Dood hem zo snel mogelijk! (Vedabase)
Hij hier is de moordenaar van mijn broer, hij, die zo laag zijn eigen weldoeners heeft opgegeven, is als een dienaar aan de voeten Vishnu, dezelfde die zijn oom heeft gedood.
Deze jongen Prahlâda is de moordenaar van mijn broer, want hij heeft zijn familie opgegeven om de vijand, Heer Vishnu, als een nederig dienaar toegewijde dienst te gaan bewijzen. (Vedabase)
En voor Vishnu deugt hij ook niet met de schamele vijf jaren dat hij oud is en met zijn zo onbetrouwbaar het eraan gegeven hebben van de slecht te verzaken liefde van zijn vader en zijn moeder.
Hoewel Prahlâda pas vijf jaar oud is, heeft hij op deze jeugdige leeftijd toch zijn liefdevolle relatie met zijn vader en moeder al opgegeven. Daarom is hij beslist onbetrouwbaar. Het is zelfs volstrekt ongeloofwaardig dat hij zich tegenover Vishnu goed zal gedragen. (Vedabase)
Zelfs afkomstig van anderen is een kind een zegen zo groot als een geneeskrachtig kruid dat van elders stamt; maar een zoon geboren uit jezelf die van slechte wil is behoort net als met een verziekte arm of been worden afgezet, schadelijk als hij is voor het welzijn van het lichaam dat op zijn verwijdering nog een gelukkig leven kan hebben.
Hoewel een geneeskrachtig kruid dat in het woud groeit niet tot dezelfde categorie als de mens behoort, bewaren we het toch heel zorgvuldig als het heilzaam is. Op dezelfde manier moeten we iemand die niet tot onze familie behoort maar ons toch gunstig gezind is, bescherming bieden als een zoon. Maar als aan de andere kant een van onze ledematen vergiftigd is door een ziekte, moet die afgezet worden zodat de rest van het lichaam gelukkig door kan leven. Op dezelfde manier moet ook onze eigen zoon, als hij ons niet gunstig gezind is, verworpen worden, ook al is hij geboren uit ons eigen lichaam. (Vedabase)
Alleszins moet hij worden gedood, hij die etend, neerliggend en zittend met ons, zich voordoend als een vriend evenzo goed een vijand is als de onbeheersbare zinnen zijn voor een wijze.'
Zoals onbeheerste zinnen de vijanden zijn van alle yogî's die vooruitgang in hun geestelijk leven willen maken, zo is ook deze Prahlâda, die ogenschijnlijk mijn vriend is, toch mijn vijand omdat ik hem niet in de hand kan houden. Daarom moet deze vijand, of hij nu eet, zit of slaapt, hoe dan ook gedood worden. (Vedabase)
De handlangers die ter harte hadden genomen wat hun leider allemaal had te zeggen brulden toen schrikwekkend met de scherpste drietanden in hun handen, met angstaanjagende tanden en gezichten en hun rode haren en snorren: 'Laten we hem in stukken hakken', en vielen toen Prahlâda, die daar stilletjes zat, met hun spiesen aan op zijn weke delen.
Zo kwam het dat de demonen [Râkshasa's], de dienaren van Hiranyakas'ipu, met hun drietanden de kwetsbare delen van Prahlâda Mahârâja's lichaam begonnen te bewerken. De demonen hadden allemaal vreselijke gezichten, scherpe tanden en roodachtige, koperkleurige baarden en haren, en ze zagen er bijzonder dreigend uit. Met een enorm kabaal en kreten als "Hak hem in stukken! Doorboor hem!" vielen ze Prahlâda Mahârâja aan, die stil op de Allerhoogste Godspersoon mediteerde. (Vedabase)
Maar met hem wiens geest was verzonken in het Allerhoogste Absolute van de Fortuinlijke, de Ziel van een Ieder die voor de zinnen niet waar te nemen is, sorteerden ze geen effect precies zoals goede daden dat niet doen met een onwaardig iemand.
Zelfs al verricht iemand die geen vrome activiteiten op zijn naam heeft staan een of andere goede daad, dan zal dat geen effect hebben. Op dezelfde manier hadden de wapens van de demonen geen enkel effect op Prahlâda Mahârâja, want hij was een toegewijde die door geen enkele materiële situatie van zijn stuk gebracht kon worden en volkomen opging in het mediteren op en het dienen van de Allerhoogste Godspersoon, die onveranderlijk is, die niet gerealiseerd kan worden met de materiële zinnen en die de ziel van het hele universum is. (Vedabase)
O Yudhishthhira, de daitya despoot onder de indruk toen hij zag hoe al de pogingen ijdel bleken, voorzag toen vastberaden in tal van manieren om hem ter dood te brengen.
Beste koning Yudhishthhira, toen alle pogingen van de demonen om Prahlâda Mahârâja te doden vergeefs bleken, begon de koning van de demonen, Hiranyakas'ipu, in grote angst andere methodes te verzinnen om hem te doden. (Vedabase)
Hem pletten met een olifant, met de gifslangen van de koning aanvallen, met toverspreuken de verdoemenis afroepen, hem van grote hoogten werpen, trucs verzinnen, hem opsluiten, gif toedienen en onderwerpen aan uithongering, koude, wind, vuur en water en met het uitstorten van rotsblokken, was de demon niet in staat zijn zoon, de zondeloze, ter dood te brengen en met het in dat lang volgehouden pogen mislukt zijn verkeerde hij in grote zorgen:
Hiranyakas'ipu kon zijn zoon niet doden door hem onder de poten van grote olifanten te gooien, door hem tussen enorme, angstaanjagende slangen te werpen, door dodelijke bezweringen over hem uit te spreken, door hem van de top van een heuvel te gooien, door toverkunsten op hem toe te passen, door hem vergif toe te dienen, door hem uit te hongeren, door hem bloot te stellen aan hevige koude, wind, vuur en water, of door zware stenen op hem te laten vallen die hem moesten vermorzelen. Toen Hiranyakas'ipu merkte dat Prahlâda, die absoluut vrij van zonde was, op geen enkele manier kon kwetsen, maakte hij zich grote zorgen en wist niet wat hij verder nog zou doen. (Vedabase)
'Van de overmaat aan deze onheilige uitingen en de verschillende manieren uitgedacht om hem te doden, van al deze verraderlijkheden en wantoestanden vond hij verlichting op eigen kracht!
Hiranyakas'ipu dacht: Ik heb deze Prahlâda op allerlei manieren beledigd toen ik hem strafte en ik heb van alles bedacht om hem om het leven te brengen, maar ondanks al mijn pogingen is het me niet gelukt om hem te doden. Hij heeft zichzelf iedere keer door zijn eigen krachten gered, en geen van mijn gemeenheden en misdaden hebben ook maar de minste uitwerking op hem gehad. (Vedabase)
Mij zo nabij en enkel maar een kind is hij niettemin onwankelbaar nergens bang voor; net zoals een geslagen hond altijd zijn staart zal krom houden, zal hij nooit mijn wandaden vergeten.
Hoewel hij me zeer na staat en nog maar een kind is, blijkt hij volkomen onbevreesd. Hij is net als de krulstaart van een hond, die nooit rechtgemaakt kan worden, want hij zal noch mijn wangedrag noch zijn relatie met zijn meester, Heer Vishnu, ooit vergeten. (Vedabase)
Ongetwijfeld zal deze grenzenloze heerlijkheid en onvergankelijkheid van zijn, van welke kant belaagd ook, voor niets en niemand bang zijn, vroeg of laat de reden van mijn dood zijn.'
Ik kan zien dat deze jongen over onbeperkte kracht beschikt, want geen van mijn straffen heeft hem bang kunnen maken. Hij lijkt wel onsterfelijk. Daarom zal ik sterven vanwege mijn vijandig gedrag - of misschien ook niet. (Vedabase)
Aldus liet hij het hoofd hangen en verloor hij een groot deel van zijn glans. Shanda en Amarka, de twee zonen van de leraar der voorschriften, spraken toen in verholen bewoordingen tot hem.
Met deze gedachten in zijn hoofd bleef de koning van de Daitya's, somber en beroofd van zijn lichaamsgloed, zwijgend en met gebogen hoofd zitten. Toen spraken Shanda en Amarka, de twee zoons van S'ukrâcârya, in het geheim met hem. (Vedabase)
'Door u alleen overwonnen beven al de leiders van de drie werelden vol van angst voor het heffen van uw wenkbrauwen; u hebt van hem niets te vrezen o meester, noch zien we in waarom u zich eigenlijk zorgen zou moeten maken over de kwaliteiten en fouten van dit of dat kind.
O heer, we weten dat wanneer u alleen maar uw wenkbrauwen optrekt, alle aanvoerders van de verschillende planeten verschrikkelijk bang worden. Zonder enige hulp hebt u alledrie de werelden veroverd. Daarom menen we dat u geen enkele reden hebt om somber te zijn en u zorgen te maken. Wat Prahlâda betreft: hij is niet meer dan een kind en kan geen reden tot angst zijn. Tenslotte hebben zijn goede of slechte eigenschappen geen enkele waarde. (Vedabase)
Houd hem, totdat onze goeroe S'ukrâcârya er weer is, vastgebonden met de touwen van Varuna zodat hij, bang, er niet vandoor gaat; geholpen door de meer ervarenen zal de intelligentie wel komen als zijn persoon wat ouder is.'
Bind dit kind vast met de koorden van Varuna tot onze geestelijk leraar, S'ukrâcârya, terugkomt, zodat hij niet uit angst wegvlucht. In ieder geval, als hij wat ouder wordt en onze lessen in zich opgenomen heeft of onze geestelijk leraar heeft gediend, zal hij wel van gedachten veranderen. Er is dus geen enkele reden om u zorgen te maken. (Vedabase)
Op deze manier van advies gediend nam hij in acht wat de zoons van de geestelijk leraar hem hadden gezegd en aldus werd Prahlâda praktisch onderricht over wat de burgerdeugden waren van koningen.
Na de raad van Shanda en Amarka, de zoons van zijn geestelijk leraar, aangehoord te hebben, ging Hiranyakas'ipu ermee akkoord en verzocht hen om Prahlâda bij te brengen wat de plichten van de leden van koninklijke families zijn. (Vedabase)
De formele plicht, de economie en het reguleren van het verlangen werden keer op keer systematisch aan Prahlâda uiteengezet o Koning, die evenzo nederig was als onderworpen [vergelijk B.G. 14: 20 & 26].
Daarna begonnen Shanda en Amarka Prahlâda Mahârâja, die zeer onderdanig en nederig was, systematisch en aan één stuk door lessen in wereldse religie, economie en zinsbevrediging te geven. (Vedabase)
Wat de leraren hem voorhielden betreffende de drie wegen - de opvoeding die hij kreeg van mensen die putten uit een opgelegde dualiteit, beschouwde hij niet als een werkelijk goede instructie [vergelijk 6.3: 20-25].
De onderwijzers Shanda en Amarka onderrichtten Prahlâda Mahârâja in de drie vormen van materiële vooruitgang, te weten wereldse religie, economie en zinsbevrediging. Maar Prahlâda, die ver boven dergelijke leerstof verheven was, hield er niet van, want zulk onderricht is gebaseerd op de dualiteit van wereldse zaken, waardoor men betrokken raakt in een materialistische levenswijze die gekenmerkt wordt door geboorte, dood, ouderdom en ziekte. (Vedabase)
Als de leraren druk waren met hun eigen burgerplichten namen de jongens van zijn leeftijd de kans waar om op hem een beroep te doen.
Als de onderwijzers naar huis gingen om zich met hun gezinsaangelegenheden bezig te houden, riepen Prahlâda Mahârâja's mede-leerlingen, die van dezelfde leeftijd waren als hij, hem altijd om deze vrije uurtjes met hen te komen spelen. (Vedabase)
Hij, de grote intelligentie, sprak dan tot hen, hen in aangename bewoordingen glimlachend en geleerd uitleggend hoe genadevol het is om bij God te blijven.
Prahlâda Mahârâja, die werkelijk een hoogst geleerd mens was, sprak zijn klasgenoten dan in zeer aangename bewoordingen toe. Glimlachend begon hij hen over de zinloosheid van de materialistische levenswijze te onderrichten. Vriendelijk als hij was, instrueerde hij hen als volgt. (Vedabase)
Zij, de jongens die hun speelgoed opgaven, raakten dan allen, oprecht vol van bewondering voor zijn woorden, geestelijk bevrijd van de aanwijzingen en de vorming door hen [de leraren] die er genoegen in schiepen in termen van tegenstellingen te spreken. Ze zaten om hem heen o Koning van de macht, met hun harten en ogen vrijgemaakt op hem gevestigd die vol van medeleven sprak als een echte vriend en een groot voorbeeld van een Asura vol van toewijding.
Beste koning Yudhishthhira, alle kinderen hielden heel veel van Prahlâda Mahârâja en hadden grote eerbied voor hem, en omdat ze nog jong waren, waren ze nog niet zo bedorven door het onderricht en het gedrag van hun onderwijzers, die gehecht waren aan verwerpelijke dualiteit en lichamelijk comfort. De jongens lieten daarom hun speelgoed liggen en kwamen om Prahlâda Mahârâja heen zitten om naar hem te luisteren. Ze keken hem met grote ernst aan en hielden hun hart en ogen op hem gericht. Prahlâda Mahârâja was een groot toegewijde - ook al was hij in een demonenfamilie geboren - en hij wenste het beste voor hen allemaal; daarom onderrichtte hij hen over de doelloosheid van het materialistische leven. (Vedabase)
![]()
Voor
deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam
linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van
Prabhupâda.
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd