bij het boek de Bhâgavata Purâna

"Het Verhaal van de Fortuinlijke"

door KRISHNA -DVAIPÂYANA VYÂSA

Downloads:
Bekijk de volledige tekstbestanden boek voor boek.

Muziekbestanden
Luister naar MIDI en Audio-bestanden van de devotionele muziek

Afbeeldingen
Bekijk al de Afbeeldingen van het boek

Links
Vind de oorspronkelijke tekst en vertaling hoofdstuk voor hoofdstuk en andere link


S'rîmad Bhâgavatam
&
Bhagavad Gîtâ Tijdcitaten:



In de meditaties van de verschillene vormen van yoga gaat het erom de dualiteit te ontstijgen en stabiliteit van bovenzinnelijk bewustzijn te ontwikkelen. Een van de meest primaire dualiteiten is die van het persoonlijke, het geheel, de integritieit die staat tegenover het onpersoonlijke, het numerieke, het tijdelijke en afzonderlijke. In het Bhâgavatam komen beide aan bod. Als we namelijk mediteren, met of zonder mantra, worden we ons de verschillende dualiteiten bewust en bereiken we evenwicht met ze. We zien de dingen dan zoals ze zijn en raken bevrijd van illusie. Dat vormt de basis van alle religiositeit en wetenschap. Het streven naar vrijheid van illusie is de kern van en vormt de voorwaarde voor dat wat we de beschaving noemen. Zo vormt het mediteren op de tijd, met kalenders en klokken, en het zo leren zien, respecteren en ervaren van de tijd, het tijdsverloop en het veranderende moment van het eeuwige Nu zoals het er van nature is (zie tempometer) de volmaakte tegenhanger van het al dan niet religieus mediteren op de (Gods-)persoon, het opstijgen tot het geheel, het verkrijgen van overzicht en bewustzijn en het bereiken van integriteit of van zaligheid. Als het ene gerespecteerd wordt dan krijgt men automatisch respect en zin voor de juiste orde van de werkelijkheid van de andere helft van deze dualiteit. Zo leidt meditatie op en respect voor de natuurlijke orde van de tijd tot meditatie op en respect voor de natuurlijke aard en orde van de persoon. Is men zich nuchter bewust van de tijd zoals die verloopt in de natuur, dan wordt men zich ook bewust van de tegenhanger die de persoon vormt als de ideale integriteit, de samenhang en de volledigheid en vereniging van de natuurkrachten als een bewuste beheersing, als een bewust tegenspel van die verder onpersoonlijke mechanische natuurkrachten. Men kan de persoon aldus niet scheiden van zijn natuurlijke tegenhanger van het onpersoonlijke. Het ene hoort bij het andere, het ene bestaat dankzij het andere, zoals licht en donker en warmte en koude. Om een duidelijk idee te geven van hoe in het Bhâgavatam dit onpersoonlijke aspect beschreven wordt, biedt ik hier een overzicht van alle uitspraken over de tijd in dit boek.

Anand Aadhar Prabhu

CANTO 1
S.B. 1.5: 18
Zij die filosofisch geneigd zijn zouden zich om die reden enkel moeten bekommeren om wat niet zo zeer wordt gevonden door van hoog naar laag te dwalen. In de loop van de tijd, de tijd die zo onvermoeibaar en subtiel is, zal men automatisch het genoegen - zo goed als de misère - als resultaat van de gedane arbeid overal vinden.  

S.B. 1.6: 8-9

(8) Ik volgde toen ik nog maar vijf jaar oud was het onderricht van de brahmanen en leefde afhankelijk van haar zonder een idee te hebben van de tijd, de richting en de plaats waarin we leefden.

Toen ze op een avond naar buiten ging om een koe te melken, werd ze door een slang in haar been gebeten en viel ze de hoogmogende tijd ten offer.

S.B. 1.8: 4

Heer Krishna samen met de muni's kalmeerde aldaar de geschokte en geëmotioneerde familie die haar vrienden en leden had verloren, door erop te wijzen hoe een ieder is onderworpen aan de onafwendbare Tijd.

S.B. 1.8: 28

Ik beschouw Jou als de verpersoonlijking van de eeuwige Tijd, als de Heer die zonder een begin en een einde is, en als de alles doordringende Ene die Zijn genade overal gelijkelijk verdeelt over de levende wezens die met elkaar in onenigheid verkeren.

S.B. 1.9: 14

Al het onaangename dat voorviel kan je denk ik aan de Tijd toeschrijven; jullie, evenzogoed als de ganse wereld met zijn heersende goden, staan onder die controle zo goed als de wolken door de wind worden meegevoerd.

S.B. 1.9: 15

Waarom zou dat ongeluk er anders zijn met de aanwezigheid van Yudhishthhira, de zoon van de heerser der religie, Bhîma met zijn machtige strijdknots, Arjuna met de Gândîva in zijn hand en onze weldoener Heer Krishna?

S.B. 1.11: 6

Ze zeiden: 'We hebben ons altijd neergebogen voor Uw lotusvoeten zoals men dat doet in de aanbidding van Brahmâ en zijn zonen en de koning van de hemel, omdat U, voor degene die het opperste welzijn in dit leven verlangt, de Meester der Transcendentie bent waarop de onvermijdelijke tijd geen vat heeft.

S.B. 1.13: 17-20

Maar de onoverkomelijke, niet waarneembare, eeuwige Tijd overtreft op onnavolgbare wijze al degenen die onoplettend en vergroofd zijn in de geest der gehechtheid aan familieaangelegenheden.

 Vidura, die hier weet van had, zei tegen Dhritarâshthra: 'O Koning, [beste broer] trek je alstjeblieft zonder te dralen terug, zie toch hoe je leven door de angst wordt beheerst.

 In deze materiële wereld is er niets of niemand die deze angst kan afwenden, omdat het de Allerhoogste Heer betreft die zich in de gedaante van de eeuwige Tijd voor een ieder van ons aandient.

Onvermijdelijk ten prooi aan de macht van de tijd moet een persoon dit leven, zo dierbaar als het is voor een ieder, zomaar weer opgeven, om nog maar te zwijgen van de weelde en dergelijke zaken die hij heeft verworven.

S.B. 1.13: 46

Hoe kan dit lichaam, dat bestaat uit de vijf elementen [vuur, water, lucht, aarde en ether] en wordt beheerst door de tijd, resultaatgericht handelen en de materiële geaardheden der natuur [kâla, karma en de guna's], nu anderen beschermen als het zelf evenzogoed gebeten wordt door die slang?

S.B. 1.13: 49

Die Ongeborene, de Vader van de Schepping, is, 0 Koning, nu nedergedaald in deze wereld in een gedaante van de [allesverslindende] Tijd met de bedoeling een einde te maken aan al de vijanden van de verlichte zielen.

S.B. 1.14: 3

De tijd had een ongunstige wending genomen: hij bemerkte onregelmatigheden in de seizoenen en zag dat de burgers in hun menselijke zondigheid zich aan woede, begeerte en valsheid overgaven in de behartiging van hun middelen van bestaan.

S.B. 1.14: 5

De mensen maakten zich geleidelijk aan goddeloze gewoonten als hebzucht en dergelijke eigen. De koning, geplaatst voor deze ernstige zaken en slechte voortekenen, sprak er toen met zijn jongere broer over.

S.B. 1.14: 8

Is het zo, zoals Nârada ons voorhield, dat de Hoogste Persoonlijkheid vindt dat het tijd is om deze manifeste wereld achter zich te laten?

S.B. 1.15: 27

Met voor de geest de woorden gesproken door Govinda, herinner ik me hoe aantrekkelijk ze zijn en hoe ze, doortrokken van betekenis en aan de tijd en omstandigheid aangepast, een einde maken aan de pijn in het hart.' "

S.B. 1.16: 24

Breng me alstublieft op de hoogte, o bron van alle overvloed, van de reden van de droevenis die u tot een dergelijke zwakte heeft teruggebracht. Of heeft o moeder, de almachtige Tijd u beroofd van het goede geluk waarover zelfs de verlichte zielen zich lovend uitlieten?'

S.B. 1.18: 37

'Voorwaar, vanwege het breken met de etiquette zal een slangenvogel over zeven dagen de snoodaard van de dynastie bijten die mijn vader heeft beledigd.'

S.B. 1.19: 4

Terwijl hij zo aan het peinzen was vernam hij van de doodsvloek van de zoon van de wijze. Die vloek in de vorm van het vuur van een slangenvogel aanvaardde hij als iets goedgunstigs omdat die zich nog te voltrekken gebeurtenis het logisch gevolg zou zijn van de onverschilligheid van een al te gehechte persoon.

 

CANTO 2

 

S.B. 2.1: 14

O lid van de Kurufamilie, daarom zou ook uw levensduur die beperkt is tot zeven dagen, u ertoe moeten inspireren om alles te volbrengen wat traditioneel hoort bij de rituelen voor een volgend leven.

S.B. 2.1: 24

Zijn individuele lichaam is deze grofstoffelijke materiële wereld waarin we al het verleden, heden en toekomstige ervaren dat deel uitmaakt van het bestaan van dit universum.

S.B. 2.1: 33-34

Zijn aderen zijn de rivieren en de planten en bomen zijn de haren op het lichaam van de Universele Gedaante o Koning. De lucht is Zijn almachtige ademhaling, het verloop der tijdperken, de Tijd, is Zijn beweging en de constante werking van de geaardheden van de materiële natuur vormt Zijn activiteit.

 Laat me u zeggen dat de haren op het hoofd van de Allerhoogste Beheerser de wolken zijn o beste van de Kuru's, en dat de intelligentie van de Almachtige geldt als de grondoorzaak van de materiële schepping. Zijn denken, de bron van alle veranderingen, staat bekend als de maan.

S.B. 2.2: 15

Wanneer men ook zijn lichaam op wil geven o Koning, behoort men als wijze, zonder verstoord te zijn, comfortabel gezeten en met het denken onberoerd door aangelegenheden van tijd en plaats, met het beheersen van de levensadem de zinnen in te perken met behulp van de geest.

S.B. 2.2: 17

Daarin zal men niet de heerschappij van de tijd aantreffen die voorzeker de godspersonen beheerst die sturing geven aan de wereldse schepselen met hun halfgoden, noch zal men daar wereldse goedheid, hartstocht of onwetendheid aantreffen, noch enige andere materiële verandering of oorzakelijkheid van de grote natuur.

S.B. 2.2: 18

Wetende wat wel en wat niet betrekking heeft op het goddelijke van de transcendentale positie, geven zij die het wensen de goddelozen uit de weg te gaan volledig de verwardheden op [van het argumenteren naar plaats en tijd], en plaatsen daarbij steeds in het absolute van de goede wil de aanbiddelijke lotusvoeten van de Heer in hun hart.

S.B. 2.2: 24-25

In de beheersing van de goddelijkheid van het vuur [Vais'vânara, ofwel met regelmatig offeren en mediteren] bereikt men via het gracieuze verloop  [de sushumnâ, het kanaal van het in evenwicht brengen] van de ademhaling, als men de hemelbewegingen volgt [de cakra-orde], de zuivere geest [Brahmaloka, de plaats van de Schepper] die opheldering verschaft en de onzuiverheden wegneemt. Dan bereikt men naar boven gericht o Koning, de schijf [de cakra, het wiel] genaamd S'is'umâra [betekenis: dolfijn, de vorm van de Melkweg, de galactische tijd].

Zich voorbij die navel van het universum, het centrum, het draaipunt van de Handhaver [Vishnu] begevend, wordt door het individuele levende wezen dat gezuiverd werd door het besef van zijn kleinheid, de plaats bereikt die aanbiddenswaardig is voor hen die zich in het bovenzinnelijke bevinden. De zelfgerealiseerde zielen genieten aldaar voor de duur van een kalpa [een dag van Brahmâ].

S.B. 2.5: 11

Alles van de wereld die ik schiep werd geschapen bij de gloed [de brahmajyoti] van Zijn bestaan, net zoals dat het geval is met het vuur, de zon, de planeten en de sterren [die vanuit Zijn gloed stralen].

S.B. 2.5: 21-22

[De Heer van de] Eeuwige Tijd, de beheerser van de begoochelende macht van de materie [mâyâ] neemt aldus, vanuit Zijn eigen vermogen spontaan in verschillende, verworven [guna]gedaanten verschijnend, de werklast [het karma] op Zich zowel als de specifieke aard [of svabhâva, van het levende wezen].

 Door het toezicht van de oorspronkelijke persoon vond de schepping van de mahat-tattva [de 'grotere werkelijkheid'] plaats, door de eeuwige tijd was er de omvorming van de geaardheden en uit deze specifieke naturen vonden de verschillende activiteiten hun bestaan.

S.B. 2.5: 26-29

Door omvorming van de ether vond de lucht zijn bestaan die gekenmerkt wordt door de kwaliteit van de beroering. Daarbij trad ook het geluid naar voren als een kenmerk dat werd overgenomen van de ether. Zo verwierf de lucht tevens een leven vol onderscheid met energie en kracht. De lucht die op haar beurt weer transformeerde onder invloed van de tijd bracht in reactie op het voorgaande uit haar natuur weer het vuurelement voort. Bij de vorm ervan was er dan evenzo de nodige tastbaarheid en geluid [als de erfelijke last of het karma van de voorgaande elementen]. Het vuur vormde zich om tot [of condenseerde uit waterstof en zuurstof als] water en zo ontstond het smaakelement hetgeen eveneens consequent gepaard ging met tastbaarheid, geluid en vorm. Maar door de veelvormigheid van die transformatie van het water vond weer daaropvolgend het geurrijke van het sap zijn bestaan dat [als het aarde-element] vorm aannam samen met de kwaliteiten van de tastbaarheid en het geluid.

S.B. 2.5: 34

Het universum werd na talloze millennia verzonken te zijn geweest in de [causale] wateren, tot zijn eigen tijd van leven opgewekt door de individuele ziel [de jîva of de Heer] die het levenloze leven inblies.

S.B. 2.6: 11

De ongeziene beweger [de Tijd] van de zeeën en oceanen van de tot leven komende en de ook weer in Zijn buik [in de middelste werelden, S'iva] vernietiging vindende wezens, wordt door de intelligenten gekend als het [kloppende] hart dat in het subtiele lichaam is gelokaliseerd.

S.B. 2.6: 24

Om offers te brengen is dat wat men offert, zoals bloemen en groen met brandbaar materiaal [zoals stro], nodig tezamen met een altaar alsook een raamwerk van de tijd [een kalender b.v.] om de geaardheden van de natuur te kunnen volgen.

S.B. 2.6: 42

De eerste avatâra van de Heer, is de Oorspronkelijke Persoon: [Mahâvishnu of Kâranodakas'âyi Vishnu. Hij vormt de basis van] de ruimtetijd [kâla svabhavah, de oorspronkelijke aard van de tijd], oorzaak, effect, de elementen, de geaardheden, alsook het ego, de zinnen en de geest. Samen vormen ze de diversiteit van het volkomen geheel van al het bewegende en niet bewegende van het universele wezen [genaamd Garbhodakas'âyi Vishnu].

S.B. 2.8: 12-13

En hoe zit het met een dag van Brahmâ [een kalpa] en de tussenliggende perioden [vikalpa's]? Wat kan u zeggen over de tijdmaten die we het verleden, het heden en de toekomst noemen? En hoe zit het met de levensduur die belichaamde wezens is toebemeten?

O zuiverste der tweemaal geborenen, wat zou het begin van de tijd kunnen zijn en wat kan u zeggen over hoe de tijd, in de context van het eigen karma, wordt ervaren als zijnde kort of lang?

S.B. 2.9: 3

Zo gauw hij [de getuige, de ziel], in zijn glorie van het overstijgen van de tijd van de materiële energie, ervan geniet om vrij van begoocheling te zijn, geeft hij in die volheid het ook op met dat tweetal [van het 'ik' en 'mijn'].

 

CANTO 3

 

S.B. 3.2: 7

Uddhava zei: 'Wat kan ik nu over ons welbevinden zeggen nu de zon van Krishna is ondergegaan en het huis van mijn familie is verzwolgen door het grote serpent van het verleden?

 S.B. 3.4: 16

Hoewel U geen verlangens kent onderneemt U van alles; hoewel U ongeboren bent neemt U niettemin geboorte; hoewel U de heerser over de eeuwige Tijd bent, zoekt U Uw toevlucht tot de vesting uit vrees voor Uw vijanden en hoewel U behagen schept in Uzelf leidt U een huiselijk bestaan in het gezelschap van vrouwen; dit verbijstert de intelligentie van de geleerden in deze wereld.

S.B. 3.4: 17

Hoewel U nooit verdeeld bent onder de invloed van de tijd, wendt U, in Uw eeuwige intelligentie o Meester, zich tot mij voor advies, alsof U het niet meer zou weten. Maar dat is nooit zo. Dat doet mij versteld staan, o Heer.

S.B. 3.5: 14

Ik heb het te doen met al die arme mensen die, in verval verkerend met de goddelijkheid van de Tijd,  zich in de zondigheid van hun onwetende zieligheid van de verhalen over de Heer hebben afgekeerd en de jaren van hun leven verspillen met nutteloze filosofische oefeningen, denkbeeldige doelen en een diversiteit aan rituelen.

S.B. 3.5: 26-28

Met de uitwerking van de Eeuwige Tijd [kâla] op de drie geaardheden van deze illusoire energie wekte het Opperwezen, Hij die in wezen geestelijk is, door [erin binnen te gaan als] de persoon [als de Purusha] de viriliteit op [de heldenmoed, de mannelijkheid, de kracht].

Uit het ongemanifesteerde ontstond toen door de wisselwerking van de tijd de Mahat-tattva [het geheel van het Allerhoogste, de kosmische intelligentie]. Dit in de totaliteit gesitueerde fysieke zelf dat de duisternis en onwetendheid verdrijft is begrijpend van aard en in staat complete [geestelijke] universa in het leven te roepen.

Het [geheel der manifestatie] dat zo een volkomen expansie vormt van guna, kâla en [jîv]-âtmâ, vormt het gezichtsbereik van de Persoonlijkheid van God. Het is het reservoir, de bestaansgrond, het zelf, van de vele gedifferentieerde levensvormen van dit universum dat aanzet tot creatieve inspanning.

S.B. 3.5: 33-36

De materiële energie vormt een gedeeltelijke vermenging van de tijd [van expanderen en contraheren]. De Heer die dit vanuit de ether overziet creëerde aldus aangeraakt de transformatie van die aanraking in de vorm van de lucht.

De lucht, eveneens getransformeerd door de uiterst machtige ether deed de vorm van het licht ontstaan en [de bio-electriciteit van] de zintuiglijke gewaarwording waarmee de wereld wordt gezien.

Van de interactie van de lucht en haar bio-electriciteit met de blik van de Heer [der ether] was er met de vermenging van de tijd een transformatie die de smaak [voor het leven] in water schiep.

Het geëlectrificeerde water dat aldus werd geschapen als gevolg van de transformatie van de Allerhoogste Geest [van de ether] die de aarde overschouwde, leidde tot de schepping van de kwaliteit van de geur met het zich deels verenigen van de uitwendige energie met de eeuwige tijd. 

S.B. 3.5: 49

O Ongeborene, leidt ons in het op de juiste tijd brengen van onze offers waardoor we samen de maaltijd kunnen delen en ook alle andere levende wezens te eten hebben zodat we met het aanbieden van het voedsel ongestoord kunnen eten.

S.B. 3.6: 15

Er verschenen ogen in de gigantische gedaante die plaats boden aan Tvashthâ, de god van het licht en het gezichtsvermogen waarmee vormen kunnen worden waargenomen.

S.B. 3.6: 24

Vervolgens manifesteerde zich het hart van  het Universele Wezen waarin Candra, de god van de maan, zijn positie innam met de functie van de mentale activiteit waardoor men zich verliest in gedachten.

 S.B. 3.7: 33

O brahmaan, wat zijn de regelingen voor de [S'râddha] periodieke offerplechtigheden om de overledenen te eren en om wat de voorvaderen tot stand brachten te respecteren? En hoe zijn de tijden ingesteld met achting voor de posities van hemellichten als de planeten en de sterren?

 S.B. 3.8: 11-12

Zoals de macht van het vuur verborgen is in hout verbleef Hij daar in het water en hield Hij al het bestaande in het subtiele van Zijn bovenzinnelijk lichaam vanwaaruit Hij leven geeft in de vorm van de Tijd [kâla].

Voor de duur van duizend keer vier yuga's [4.32 miljard jaar] lag Hij met Zijn innerlijk vermogen te rusten terwille van de verdere ontwikkeling - middels Zijn kracht genaamd kâla [tijd] - van de werelden van de levende wezens die afhankelijk zijn van vruchtdragende handelingen. Die rol deed Zijn lichaam er blauwkleurig uitzien [het blauw van de toevlucht van het levengevend water].

 S.B. 3.8: 14

Met de Tijd die het karma in gang zette, verscheen daarmee [met die agitatie] spoedig uit het oorspronkelijke zelf [van Vishnu] een lotusknop die net als een zon de uitgestrekte wateren verlichtte middels zijn gloed.

 S.B. 3.8: 20

In het duister tastend o Vidura gebeurde het dat met zijn contemplatie op deze manier de enormiteit van het driedimensionale van de tijd tot stand kwam [tri-kâlika] die als een wapen [een cakra] de belichaamde, ongeboren ziel vrees inboezemt door zijn levensduur tot een honderdtal jaren te beperken [vergelijk 2.2: 24-25]. 

 S.B. 3.9: 17

 Zolang de mensen van de wereld bezig zijn met ongewenste activiteiten en in de handelingen van hun eigenbelang de door U gunstig verklaarde toegewijde activiteiten minachten, zal de strijd om het bestaan van deze mensen zeer hard zijn en onder het gezag van Uw Waakzaamheid [in de vorm van de Tijd] op een janboel uitlopen. Moge er mijn eerbetuiging zijn voor U.

S.B. 3.10: 5

Hij die op de lotus zijn bestaan gevonden had zag toen hoe de lotus waarop hij zat en het water eromheen werden bewogen door de wind die werd aangewakkerd door de kracht van de eeuwige Tijd.

 S.B. 3.10: 12-13

Tijd [kâla] is het verborgen, onpersoonlijke aspect van God door middel waarvan de kosmische schepping in de vorm van de materiële energie werd gescheiden van de Opperheer als Zijn objectieve manifestatie, als het fenomenale dat door Vishnu's begoochelend vermogen werd gevestigd.

Zoals hij [de Eeuwige Tijd] er is in het heden, was hij er in het begin en zal hij er hierna zijn.

S.B.  3.11: 2-4

De opperste eenheid van dat deeltje dat aanwezig is in de materiële vormen behoudt zijn oorspronkelijke gedaante tot het einde der tijden, het is van een eeuwigdurende, onovertroffen uniformiteit.

 En zo kan, mijn beste, de tijd worden afgemeten aan de beweging van zowel de kleinste als de grootste vormen van deeltjescombinaties waarvan de Allerhoogste, ongemanifesteerde Heer de grote kracht is die alle fysieke actie beheerst.

De atoomtijd is de tijd die door een oneindig klein deeltje in beslag wordt genomen in het zich uitstrekken over [of vibreren in] een bepaalde atomaire ruimte. De allergrootste tijd is de tijd die in beslag genomen wordt door het bestaan van het geheel van alle atomen.

S.B.  3.11: 11-15

Het samenstel van zo een 'dag' en 'nacht' wordt een voorouderlijke [traditionele of solaire] maand genoemd waarvan een tweetal een seizoen vormt. Zes van hen [resp. 'koude' of hemanta, 'dauw' of s'is'ira, 'lente' of vasanta, 'warmte' of grîshma, 'regen' of varshâs en 'herfst' of s'arad, gerekend vanaf de 22e december] stroken met de beweging van de zon gaande door de noordelijke en zuidelijke hemel.

 
Deze beweging van de zon wordt gezegd één dag van de halfgoden te vormen en wordt een vatsara genoemd [een tropisch jaar] van twaalf maanden. De levensduur van het menselijk wezen wordt geschat op een groot aantal [een honderdtal] van dergelijke jaren [zie ook de 'volledige kalender van orde'].

De oneindig kleine deeltjes en hun combinaties, de planeten, de hemellichamen [zoals de maan] en de sterren, draaien allen rond in het universum om in een jaar terug te keren in het Almachtige [cyclische] van de eeuwige tijd.

We spreken van een omloop van de zon alsook van de omloop van een planeet, de omloop van onze sterren [in ons sterrenstelsel rond Sagittarius A in de hemel], de omloop van de maan en de omloop van de aarde, o Vidura, als zijnde één enkel [maar verschillend benoemd] jaar [resp. een sterrenjaar, een planetair jaar, een galactisch jaar, een lunatie en een tropisch jaar]. 

Men moet de Ene [Heer van de Tijd] die verschillend van al het geschapene Zich roert onder de naam van de Eeuwige Tijd, die middels Zijn energie op verschillende manieren de zaden van de schepping tot leven wekt en die gedurende de dag de duisternis verdrijft, respect betonen met achting voor al Zijn vijf verschillende typen van  jaren, zodat men aldus door offers te brengen kwaliteit teweegbrengt in het materieel bestaan.'

S.B. 3.11: 38-39

De tijd afgemeten aan de twee helften van Brahmâ's leven beslaat voor de ongeboren, onveranderlijke en onbegrensde Ziel van het universum slechts een kort moment.

Deze eeuwige tijd die vanaf het allerkleinste deeltje reikt tot de uiteindelijke tijdsduur van twee parârdha's, is nimmer bepalend voor de Allerhoogste Heer, hij is de heerser over hen die zich met het lichaam identificeren.

 S.B. 3.15: 3

De halfgoden zeiden: 'U, o machtige, moet op de hoogte zijn van deze duisternis waar we zo heel erg bang voor zijn. Uw goddelijkheid is vrij van de invloed van de tijd en dus is er niets dat voor u verborgen is.

 S.B. 3.21: 16

O oorspronkelijke vader van allen, de geconditioneerde zielen in de greep van het verlangen zijn allen gebonden aan het touw van de woorden van U als de Heer van de levende wezens. Ik, hun voorbeeld volgend breng eveneens mijn offers voor U, o licht van de eeuwige tijd.

 S.B. 3.21: 18

Het wiel van het universum dat met een ontzagwekkende snelheid ronddraait rond de spil van het onvergankelijke van U [Brahman] met drie assen [zon, maan en sterren], [twaalf tot] dertien spaken [als de maanmaanden], driehonderdzestig verbindingen [als de dagen in een halfgodenjaar], zes randen [als de seizoenen], en ontelbare blaadjes [momenten], verkort wel de levensduur van het universum maar niet die van de toegewijden.

 S.B. 3.24: 33

Ik geef me over aan Heer Kapila, die de bovenzinnelijke allerhoogste persoonlijkheid is, de oorsprong van de wereld en het volle bewustzijn van de tijd en de drie geaardheden der natuur; de handhaver van alle werelden, die in Zichzelf naar Zijn eigen vermogen Zijn manifestaties ontbindt en die de macht is van de onafhankelijkheid.

 S.B. 3.24: 38

O moeder, Mijn toegewijden zullen nimmer, door geen [verandering van de] tijd of welk vernietigingswapen ook, Mij [en Mijn weelde] verliezen die door hen werd uitverkozen als hun dierbaarste zelf, zoon, vriend, leraar, begunstiger en godheid.

 S.B. 3.26: 15-18

Aldus zijn met de door mij gegeven rangschikking de materiële kwaliteiten van de Absolute Waarheid van Brahman opgesomd  [saguna brahman genaamd]. Wat betreft de tijd wordt daarbij gesproken van het vijfentwintigste element.

Van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God wordt gezegd dat Hij de invloed van de tijdfactor vormt die gevreesd wordt door sommigen die begoocheld zijn door het ego van het in contact staan met de materiële aard van het individuele bestaan.

De [expanderende, accellererende] beweging van de materiële natuur zonder haar interactie van de geaardheden en hun specifieke kwaliteiten o dochter van Manu, vormt de [ruimte]tijd [de vierde dimensie] waarvan we in onze wereld Hem kennen, de Opperheer.

Hij die er van binnen is in de vorm van de oorspronkelijke persoon [de purusha] en van buiten in de vorm van de tijd [het vierentwintisgste element],  existeert op basis van [de manifestatie] van zijn vermogens als de Heer van Alle Volheden [Bhâgavan, de Fortuinlijke] voor alle levense wezens [en elementen].

 S.B. 3.26: 22

De kenmerkende eigenschappen van iemands [rede in deze staat van Krishna- of natuurlijk tijds-]bewustzijn zijn als die van de natuurlijke staat van zuiver water: helderheid, onveranderlijkheid en sereniteit. 

 S.B. 3.26: 35

Vanuit de ether zich ontwikkelend uit de subtiliteit van het geluid, vindt onder de transformerende impuls van de tijd de evolutie van het subtiele element der aanraking plaats en treft men aldus de lucht aan, het zinsorgaan ervoor en met die tastzin de feitelijke waarneming.

 S.B. 3.26: 50

Toen [bij de aanvang van de schepping] de zeven primaire elementen [de vijf materiële elementen, het ego en de kosmische intelligentie - de mahat-tattva] zich nog niet hadden vermengd, ging [de Heer] de oorsprong van de schepping toegerust met kâla, karma en guna [de tijd, de werklast en de geaardheden] het universum binnen.

S.B. 3.28: 12

ls de geest door de yogapraktijk gezuiverd is en beheerst wordt, behoort men kijkend naar het puntje van zijn neus te mediteren op de Allerhoogste Heer Zijn gedaante en tijdmaat [kâshthhâ, een mechanische of een waterklok gefixeerd op het hoogste punt van de zon met de verdeling van de tijd overeenkomstig het Bhâgavatam].

 S.B. 3.29: 4

En ja, wat kan Je zeggen over de Eeuwige Tijd die de eeuwige en oorspronkelijke gedaante vertegenwoordigt van de Allerhoogste Heerser die heerst over alle andere heersers en er toe leidt dat de gewone man zich vroom gedraagt?

 S.B. 3.29: 37

De [natuurlijke] tijd die bekend staat als de goddelijke veroorzaker van de verschillende verschijningsvormen van de levende wezens, vormt de reden waarom alle levende wezens  in angst leven die gemotiveerd door de kosmische inteligentie en zo meer zichzelf als afgescheiden beschouwen.

 S.B. 3.29: 38

Hij die van binnenuit in al de levende wezens doordringt, ieders ondersteuning vormt en [ze dan weer] vernietigt met behulp van andere levende wezens noemt men Vishnu, de genieter van alle offers die die tijdfactor, de meester aller meesters, is.

 S.B. 3.29: 40-45

Hem voor wie bevreesd de wind waait en deze zon schijnt, voor wie bevreesd Indra de regens zendt en de hemellichamen aan de hemel stralen; Hem voor wie bevreesd de bomen, de klimplanten en de kruiden ieder op hun tijd bloemen dragen en vruchten voortbrengen; Hem uit angst voor wie de rivieren stromen en de oceanen niet overstromen, vanwege wie het vuur brandt en de aarde met haar bergen niet verzinkt; Hem vanwege wie de hemel lucht verschaft aan hen die ademhalen en onder wiens heerschappij het geheel van het universum uitdijt tot de volledige werkelijkheid [mahat-tattva] met haar zeven lagen [de zeven kos'a's of ook dvîpa's met hun bewustzijnstoestanden op het niveau van het fysieke, fysiologische, psychologische, intellectuele, het gelukzalige, het gewaar zijn en het ware zelf]; Hem uit vrees voor wie de goden van de schepping en zo meer die zorg dragen voor de geaardheden der natuur van deze wereld hun functies uitoefenen naar gelang de yuga's [zie 3-11] en onder wiens gezag al dit levende en levenloze staat; die oneindige, uiteindelijke heerser van de Tijd die zijn begin niet kent, is de onveranderlijke Schepper die mensen vormt uit mensen en de heerschappij van de dood beëindigt middels de dood.'

 S.B. 3.30: 1

Kapila zei: 'Zoals een wolkenmassa geen weet heeft van de kracht van de wind, heeft ook een persoon geen weet van de kracht van deze tijdfactor, ook al wordt hij er door geconditioneerd.

 S.B. 3.31: 16

Wat anders dan Uw Goddelijkheid, die als een gedeeltelijke representatie [het Paramâtma] verblijft in zowel het levende als het levenloze, zou ons de kennis verschaffen van de drievoudigheid van de Tijd, van het verleden, het heden en de toekomst? Ten einde bevrijd te raken van de drievoudige misère [zoals veroorzaakt door onszelf, de natuur en door anderen] moeten wij als individuele zielen die bezig zijn op het pad der vruchtdragende activitieiten ons aan die goddelijkheid overgeven.

 S.B. 3.32: 12-15

[Maar bedenk wel dat] zelfs Brahmâ de Schepper van het levende en levenloze die de bron van de Vedische wijsheid is, alsook de wijzen en de meesters van de yoga, de Kumâra's en de andere volmaakten en oorspronkelijke denkers van de yoga die de Oorspronkelijke Persoon van de Absolute Waarheid, de eerste van alle zielen, bereikten op basis van hun onthechte, egoloze handelen, ondanks hun onafhankelijke visie en al hun spirituele kwaliteiten, weer opnieuw geboorte nemen om hun posities in te nemen als deze manifestatie van de Heer weer opnieuw wordt geschapen door de werking van de tijd en de drie geaardheden. En dat geldt ook voor alle anderen die de goddelijke weelde genoten die voortkwam uit hun vrome daden, ook zij keren weer terug als de wisselwerking der geaardheden zich opnieuw voordoet.

 S.B. 3.32: 37

Ik gaf uitleg over de vier afdelingen van de persoonlijke identiteit [svarûpa] in toegewijde dienst [in combinatie met de geaardheden en hun transcendentie *] en de niet waarneembare actie van de tijd [de conditionering] die de levende wezens voortdrijft.

 

CANTO 4

 S.B. 4.11: 15

De man en de vrouw evolueerden [onder de dwingende kracht van de Tijd] uit de vijf elementen der materie en uit hun seksualiteit ontstonden er nog meer mannen en vrouwen in deze wereld.

 S.B. 4.11: 18-20

Onder de invloed van het zonder twijfel moeilijk te doorgronden vermogen van de Almachtige in de vorm van de kracht van de Tijd, resulteerde de interactie [of verstoring van het evenwicht] van de geaardheden der natuur in deze verscheidenheid aan energieën waarop de Allerhoogste Persoonlijkheid invloed uitoefent ookal is Hij niet degene die handelt en waarin hij tot de dood voert hoewel Hij niet degene is die doodt.  Hij die geen einde kent maakt in de vorm van de Tijd aan alles een eind, Hij die geen begin kent vormt van alles het begin, Hij die onuitputtelijk is roept het ene levende wezen in het leven via het andere en Hij als de dood maakt een einde aan alles wat doodt.
Als de dood ieders leven binnendringend is niemand Zijn bondgenoot of Zijn definitieve vijand. Al de combinaties der elementen [organisch en anorganisch] volgen hulpeloos Zijn bewegen a
ls stofdeeltjes voortgedreven door de wind.

 S.B. 4.11: 22

Sommigen o Koning, verklaren dat karma [de werklast der vruchtdragende handelingen] als het gevolg van iemands eigen aard of als zijnde teweeggebracht door anderen o beschermer der mensen. Sommigen zeggen dat het aan de tijd te wijten is, anderen verwijzen naar het lot, terwijl nog weer anderen het toeschrijven aan de begeerte van het levend wezen.

S.B. 4.12: 4

Iemands intelligentie verkeert in onwetendheid met de misvattingen van 'ik' en 'jij'. Aan een persoon die het lichamelijk begrip volgt doet het leven zich voor als in een droom; het [lichamelijke uitgangspunt] is de oorzaak van gebondenheid en ongeluk.

S.B. 4.12: 16

Hij beschouwde al het geschapene van zijn lichaam, zijn echtgenotes, kinderen, vrienden, zijn invloed, rijkdom, de lusthoven, de voorzieningen voor zijn vrouwen en het geheel van de schoonheid van de aarde met haar oceanen, als een tijdgebonden iets en om die reden vertrok hij naar Badarikâs'rama [de wouden van de Himalaya's].

S.B. 4.12: 36

Voor al die ideeën van een hoger en een lager leven bestaat er nimmer vrede want afhankelijk van de wisselwerking der materiële geaardheden worden ze allen bij de beschikking van de Heer [van de Tijd] vernietigd.

S.B. 4.24: 56

Voor een ziel van volkomen overgave vormt de onoverwinnelijke tijd waarmee U in Uw vermogen en majesteit met enkel het optrekken van Uw wenkbrauwen het hele universum vernietigt, geen bedreiging.

S.B. 4.24: 65

Men mag raden naar [het gezag en de orde van] Uw werkelijkheid [van de Tijd]. Wat we [slechts] zien is hoe U, net als de wind die de wolken uiteendrijft, met Uw zo heel grote kracht [van de Tijd] op den duur al de planetenstelsels vernietigt en hoe alle levende wezens hun einde ermee vinden door toedoen van anderen.

S.B. 4.27: 3

Intieme grapjes makend omhelsde zij hem terwijl hij haar in zijn armen hield. Aldus in beslag genomen door zijn vrouw verloor zijn geest zijn scherpte en was hij zich niet meer zo bewust van het dag en nacht verstrijken van de onoverkomelijke tijd.

S.B. 4.27: 12 & 13

Aldus lichtzinnig in het leven staand met een hart aan banden gelegd door familie en verwanten, brak op een goede dag de tijd [van de oude dag] aan die niet erg op prijs wordt gesteld door hen die gek zijn op vrouwen. O Koning, er is een koning behorend tot het hemelrijk [Gandharvaloka] die Candavega ['de onstuimig stromende tijd'] wordt genoemd. Hij heeft driehonderdzestig zeer machtige andere mannen uit de hemel onder zich [de dagen in een jaar].

S.B. 4.27: 19

[Dit alles speelde zich in de tijd dat] de dochter van de Almachtige Tijd [genaamd Kâlakanyâ] rondreisde door de drie werelden op zoek naar iemand die haar echtgenoot wilde zijn o Koning Prâcînabarhi, maar er was niemand die op haar aanzoek inging.

S.B. 4.27: 27

Toen de koning der Yavana's de dochter van de Tijd zich in deze woorden hoorde uitdrukken, sprak hij, bereid overeenkomstig de wil van God zijn plicht te doen op dit privégebied, haar glimlachend toe:

S.B. 4.29: 21-22

Het jaar dat [het verstrijken van] de tijd symboliseert werd Candavega genoemd, in verband waarmee de driehonderdzestig mannen en vrouwen van de hemel moeten worden begrepen als de dagen en de nachten die met hun voetstappen de levensduur bekorten die men op deze aarde heeft [zie 4.27: 13]. De dochter van de Tijd die bij niemand welkom was en die door de koning der Yavana's, die voor dood en vernietiging was, werd aanvaard als zijn schoonzus, staat voor jarâ, de oude dag [zie 4.7: 19-30].

S.B. 4.29: 21-22

Het jaar dat [het verstrijken van] de tijd symboliseert werd Candavega genoemd, in verband waarmee de driehonderdzestig mannen en vrouwen van de hemel moeten worden begrepen als de dagen en de nachten die met hun voetstappen de levensduur bekorten die men op deze aarde heeft [zie 4.27: 13]. De dochter van de Tijd die bij niemand welkom was en die door de koning der Yavana's, die voor dood en vernietiging was, werd aanvaard als zijn schoonzus, staat voor jarâ, de oude dag [zie 4.27: 19-30].

S.B. 4.29: 54

De bloemen werken precies als een vrouw die met haar zoete bloemengeur de veiligheid van het huishoudelijk leven suggereert als resultaat van een onschuldig verlangen naar het zinsgenoegen van zoiets als het plukken van bloemen. Zo vervult men [zoals het hert] met de echtgenote steeds verzonken zijnd in gedachten aan seksuele bevrediging en het strelen van de tong zijn verlangens. Het geluid van de verschillende hommels dat zo aangenaam in de oren klinkt kan je vergelijken met al die o zo aantrekkelijke praatjes waarmee je vrouw allereerst en ook je kinderen je geest volledig in beslag nemen. De tijgers samen voor hem staan voor al de momenten van de dagen en de nachten die onopgemerkt met het genieten van het huishoudelijk bestaan iemands levensduur bekorten. En achter hem zich ervan verzekerend niet te worden gezien, sluipt de jager als de opzichter van de dood door wiens pijl iemands hart in deze wereld wordt doorboord. Stelt u zichzelf nu voor als degene wiens hart wordt doorboord o Koning

S.B. 4.29: 69

Met de Fortuinlijke steeds aan je zijde verkerend in een geest van zuivere goedheid [vrij van hartstocht en onwetendheid], zal de wereld om je heen, [het z.g.  'hier en nu'] die [met al die indrukken] zo duister kan zijn als de [nieuwe] maan, aldus verbonden zich glashelder aan je openbaren.

S.B. 4.29: 2b

Het grote geheim van dit alles is dat het materiële bestaan oplost in wat we nog niet zien en wat we in het verleden gezien hebben, net als wanneer we slapen; met andere woorden, dat wat zich heeft afgespeeld, zich nu afspeelt of zich nog zal afspelen is maar een droom.'

S.B. 4.30: 28

U die in Uw mededogen met Uw expansies zichtbaar bent voor de bescheiden toegewijden, wordt - met het nodige respect voor de tijd - steeds herinnerd middels iemands toegewijde dienst o vernietiger van alle onheil.

S.B. 4.31: 18

Houdt U daarom allen vereend in Zijn kwaliteit bezig met het toegewijd dienen van rechtsreeks de Bovenzinnelijke Heer die de eigenlijke oorzaak [pradhâna] van de Tijd, de oorspronkelijke Persoon en de Ene Allerhoogste Ziel van het onbeperkte aantal individuele zielen is *; Hij die op basis van Zijn spirituele vermogen losstaat van alles wat voortkomt uit het zelf.

CANTO 5

S.B. 5.4: 17

Hij van aanbidding voor [Vishnu], voerde, met het [eveneens] respecteren van de verschillende goden en doeleinden en zoals voorgeschreven alles verschaffen wat nodig was, naar gelang plaats en tijd allerlei soorten van offerplechtigheden een honderdtal keren uit met priesters van gepaste leeftijd en overtuiging

S.B. 5.9: 20

Oh, Vishnudatta ['beschermd door Vishnu'; Parîkchit], voor hen die niet verbijsterd zijn is dit niet zo'n groot wonder. Zij die zonder vijandschap in goedheid jegens allen verkeren worden door de Allerhoogste Heer der onoverwinnelijke Tijd die de beste van alle wapens bij zich draagt [de Sudars'ana schijf] persoonlijk geheel bevrijd van de zeer sterke en vaste knoop in het hart [die er is als gevolg] van een lichamelijke levensopvatting. Zelfs als ze bedreigd worden met onthoofding [of met een ander levensgevaar], zijn die verloste zielen en toegewijden die geheel overgegeven als ze zijn beschermd worden door Zijn lotusvoeten, nimmer van slag door dit soort van emotionele toestanden; ze hebben niets te vrezen.'

S.B. 5.10: 6

Aldus oefende hij sarcastisch hevige kritiek op hem uit, maar er kwam geen protest vanuit een valse 'ik' en 'mijn'-overtuiging over de lippen van hem die in stilte als voorheen doorging met het dragen van de draagstoel. Als iemand op het spirituele vlak had hij die bijzondere instelling wat betreft de fysieke aangelegenheden van het hebben van een uit onwetendheid voortgekomen eindig vehikel van de tijd, een lichaam dat bestaat uit een combinatie van de natuurlijke geaardheden, de werklast en materiële intenties.

S.B. 5.8: 9

'Helaas! [dacht hij bij zichzelf], raakte door de Heer die het rad van de tijd beweegt, dit schepsel verstoken van zijn familie, vrienden en verwanten. Het  heeft alleen maar mij als zijn toevlucht, als zijn vader, moeder, broeder en lid van de kudde. Omdat het niemand anders heeft stelt het vanzelfsprekend een groot vertrouwen in mijn persoon als steun en toeverlaat en is het volledig van mij afhankelijk om te kunnen leren en voedsel, liefde en bescherming te vinden. Ik  moet dan ook toegeven dat het verkeerd is om iemand te verwaarlozen die je bescherming geniet en moet ernaar handelen zonder er spijt van te hebben.

 S.B. 5.9: 6

Er aldus vanuitgaand dat zijn zoon, hoewel die er geen zin in had, door hem van A tot Z zou moeten worden onderricht in al de reinheid, de Vedische studie, geloften, principes, offers en dienstverlening aan de goeroe die hoort bij de celibataire staat [de brahmacarya âs'rama], was de brahmaan die zijn zoon als zijn ziel en zaligheid zag, in werkelijkheid hierin zwaar gehecht aan zijn huishouding bezig zodat hij, toen hij werd [gehaald] door de dood die niet zo vergeetachtig was [als hij], stierf als een man vol van frustratie over het koppige veinzen van zijn zoon.

 S.B. 5.9: 20

Oh, Vishnudatta ['beschermd door Vishnu'; Parîkchit], voor hen die niet verbijsterd zijn is dit niet zo'n groot wonder. Zij die zonder vijandschap in goedheid jegens allen verkeren worden door de Allerhoogste Heer der onoverwinnelijke Tijd die de beste van alle wapens bij zich draagt [de Sudars'ana schijf] persoonlijk geheel bevrijd van de zeer sterke en vaste knoop in het hart [die er is als gevolg] van een lichamelijke levensopvatting. Zelfs als ze bedreigd worden met onthoofding [of met een ander levensgevaar], zijn die verloste zielen en toegewijden die geheel overgegeven als ze zijn beschermd worden door Zijn lotusvoeten, nimmer van slag door dit soort van emotionele toestanden; ze hebben niets te vrezen.

 S.B. 5.11: 11

Al deze elf bezigheden van de geest worden door de elementen, door de natuur zelf, door de cultuur, door het karma en door de tijd omgevormd tot vele honderden, duizenden en miljoenen [overwegingen] die niet uit elkaar volgen noch uit zichzelf ontstaan, maar [worden veroorzaakt door] de kenner van het veld.

 S.B. 5.12: 10 

Aldus is mager zijn, dik, klein of groot, bestaan als een individuele levensvorm, als levenloze materie of als wat voor ander natuurverschijnsel dat nog meer van belang zou zijn, allemaal onbestendigheid in naam van een zekere plaats, tijd en activiteit, een onbestendigheid die u moet begrijpen als [eigen aan] de werking van de dualiteit der natuur.

S.B. 5.14: 9

Soms copuleert hij ook, in het holst van de nacht gedreven door een tijdelijke werveling van hartstocht, met een verleidelijke vrouw. In een totaal veronachtzamen van de regels [een hogere kijk] verliest hij dan, verblind door de kracht van die passie, ondanks de goddelijkheid [van de zon en de maan], iedere notie omdat hij overmand raakt door een geest vol lust.

 S.B. 5.14: 29

Zo gebeurt het dat als gevolg van de cakra van de Beheerser, de Allerhoogste Heer Vishnu Zijn schijf der Tijd, waarvan de invloed zich uitstrekt van de eerste uitbreiding der atomen tot de duur van het volledige leven van Brahmâ, men moet lijden onder de symptomen van zijn roteren waarmee na de nodige tijd snel voor iemands ogen, in een oogwenk, alle levens der wezens, van Brahmâ tot de eenvoudigste grasspriet, zijn vergaan. Rechtstreeks voor Hem, de Beheerser wiens persoonlijke wapen de schijf van de Tijd is, is men angstig te moede. Zich niet bekommerend om de Allerhoogste Heer, de Oorspronkelijke Persoon van het Offer, neemt men voor aanbiddelijk aan wat ongegrond is, met zelfverzonnen goden die zijn als buizerds, gieren, reigers en kraaien en die door de geschriften der beschaving worden ontkend.

S.B.  5.18: 15

De Allerhoogste Heer verblijft in Ketumâla in de gedaante van Kâmadeva [of ook wel Pradyumna, zie 4.24: 35] overeenkomstig Zijn verlangen de Godin van het geluk te behagen alsook de over het land heersende zonen [de dagen] en dochters [de nachten] van de stamvader [Samvatsara, de godheid van het jaar] waarvan er evenzoveel zijn als er dagen en nachten in een mensenleven zijn. De foetussen van die dochters, wiens geesten van streek zijn door de straling van het grote wapen [de cakra] van de Hoogste Persoonlijkheid, vinden hun vernietiging en worden na een jaar uit [de baarmoeder] gedreven als miskramen.

5: 18: 33

Aan U, met al Uw talloze afzonderlijke namen, vormen en eigenschappen, ontlenen de geschoolden hun idee van getalsmatige verhoudingen, opsommingen en samenhangen, waarvan ze de waarheid achterhalen middels observatie. U die zich aldus analytisch laat doorgronden, biedt ik mijn eerbetuigingen [zie ook Kapila 3.28-33].'

S.B.  5.19: 13-14

Met het hebben opgegeven van het zich identificeren met het lichaam, moet men aan het einde van zijn tijd [van leven] met een houding van toewijding zijn geest richten op U die verheven bent boven de materiële kwaliteiten. Dit verzaken is de perfectie  van de yogapraktijk zoals uiteengezet door de almachtige Brahmâ. Een persoon gedreven door verlangen denkt in angst over het heden en de toekomst van zijn kinderen, echtgenote en weelde, maar een ieder die weet van de hopeloosheid van dit tijdvehikel, beschouwt dergelijke ondernemingen slechts als tijdverspilling omdat het lichaam uiteindelijk verloren gaat.

 S.B. 5.20: 12


'Met Zijn straling verdeelt Hij de tijd in de lichte en donkere periode van de maand [s'ukla en krishna].  Moge Hij, die goddelijkheid van de maan en het graan dat moet worden verdeeld onder de voorvaderen en de goden, moge die Koning Aller Mensen ons goedgezind blijven.'

S.B. 5.20: 30

Op die dvîpa treft men een bergketen aan genaamd Mânasottara die de scheiding vormt tussen de varsha's aan de binnenkant en de buitenkant. Hij herbergt, met een afmeting van 10.000 yojana's hoog en breed, in zijn vier richtingen de woonplaatsen van de vier daar heersende halfgoden [Indra, Yama, Varuna en Soma]. Op zijn hoogste punt wordt de berg Meru omkruist door het voertuig van de zonnegod Sûrya in een baan die gerekend naar de dagen en nachten van de halfgoden [**] bestaat uit een heel jaar.

 S.B. 5.21: 7

Aldus ronddraaiend in een baan ten opzichte van de Mânasottara bergen [er omheen] die 95.1 miljoen yojana's lang is zo stellen de geleerden, treft men ten oosten van Meru Devadhânî, de stad van koning Indra aan, ten zuiden ervan die van Yamarâja genaamd Samyamanî, in het westen Nimlocanî van Varuna, en in het noorden die van de maan genaamd Vibhâvarî. Aan ieder van de vier zijden van Meru [als het energetisch draaipunt] aldus de zonsopkomst, de zonsondergang, de middag of middernacht uitmakend, geeft hij aanleiding tot de verschillende tijden waarop de levende wezens actief zijn of staken met hun activiteiten [*].

 S.B. 5.21: 13

Dit voertuig heeft slechts één wiel met twaalf spaken [de maanden], zes segmenten [de seizoenen] en de drie gedeelten van de naaf [de kwartalen], die in hun geheel bekend staan als een zonnejaar [een samvatsara]. De as zit vast aan de top van de berg Meru met Mânasottara aan de andere kant. Het wiel van de wagen van de zonnegod aldaar gefixeerd draait ten opzichte van de bergketen Mânasottara rond als het wiel van een oliepers.

 S.B. 5.22: 2

Daartoe zei hij [S'uka] in heldere bewoordingen: 'Net zoals het met het zich bewegen van kleine mieren op een ronddraaiende pottenbakkersschijf is gesteld die als gevolg van hun veranderende posities een verschillende oriëntatie ervaren, kan een dergelijk verschil ook worden waargenomen met de beweging in relatie tot Meru en Dhruvaloka [de centrale sterrenhoop en het middelpunt van het sterrenstelsel]. Met de sterren, die zich rond [dat centrum] bewegen, bevinden zich de twee aan de rechter kant, maar vanwege de individuele bewegingen van de planeten onder leiding van de zon óp dat ronddraaiende wiel van de tijd, bewegen de zon en de planeten die men waarneemt in andere huizen en sterrenbeelden zich duidelijk anders.

S.B. 5.22: 3

Hij [die solaire leidraad van de tijd], deze hoogst machtige Oorspronkelijke Persoon, die Nârâyana Zelve is, de Superziel van de drie Vedische beginselen die er is voor het heil en de karmische zuivering van al de werelden, is de oorzaak waar alle heiligheid en Vedisch weten naar op zoek is. Hij verdeelt naar Zijn goeddunken het jaar in zijn twaalf delen en vormt de zes seizoenen met hun verschillende kwaliteiten beginnende met de lente.

 S.B. 5.22: 5&6

Hij nu, de Ziel van al de werelden, die [in de gedaante van de zon] op het wiel van de tijd een positie innam tussen hemel en aarde, passeert de twaalf verdelingen van het jaar bestaande uit de maanden die vernoemd zijn naar de tekens van de dierenriem. De geleerden onderrichten dat ze [overeenkomstig de maan] zijn verdeeld in donkere en lichte helften of [vijftiendaagse] dubbele weken en dat volgens hun instructie de zes delen van zijn omloopbaan genaamd ritu of seizoen gerekend naar de sterren ieder twee en een kwart sterrenteken beslaan [zo is er dus sprake van twaalf of meer sterrenbeelden].  Zo wordt ook de tijdspanne dat de zon zich door de helft van de buitenruimte beweegt een ayana genoemd.

 S.B. 5.22: 11

[Meer dan] tweehonderdduizend yojana's daarachter [achter de maan], zijn er, langs Meru [draaiend] aan de rechterkant, met de vele sterren die door de Heer aan het wiel van de tijd vastgeklonken zijn, de achtentwintig maanhuizen met inbegrip van Abhijit.

 S.B. 5.23: 1-3

S'rî S'uka zei: '1.3 Miljoen yojana's boven hen [boven de sterren van de wijzen] treft men dat allerhoogste verblijf van Vishnu aan dat wordt geprezen in de mantra's van de Rig Veda. Het vormt de bron van het leven van alle levensvormen die vanaf nu tot aan het einde van de schepping voortbestaan. Daar houdt zelfs vandaag de dag nog zich de grote toegewijde Dhruva op, de zoon van Uttânapâda wiens glorie van volgzame toegewijding ik reeds beschreef [zie 4.9]. Agni, de vuurgod, Indra de koning van de hemel, de stamvader die de Prajâpati is, Kas'yapa en ook Dharmarâja, bewegen met dat verblijf rechts van zich er vol van respect eendrachtig omheen. Voor al de rusteloze hemellichten, de planeten, de sterren en de rest, vormt die plaats het door de Heer gevestigde, eeuwig oplichtende en stralende draaipunt. De ondoorgrondelijke, alles omvattende macht van de Tijd wordt aangemerkt als de oorzaak van hun roteren. Net als drie stieren die voor het pletten van rijst [op vaste afstanden] zijn vastgemaakt aan een paal in het midden, behouden de hemellichten hun posities. In hun omloopbanen zich rondbewegend hebben ze een vaste positie ten opzichte van de binnenste en buitenste rand van het wiel van de tijd, net zoals planeten rondom de zon hun posities bewaren. Vasthoudend aan Dhruvaloka tot het einde der schepping, draaien ze in de hemel rond als voortgedreven door de wind, net als zware wolken en grote vogels die beheerst door de lucht hun lichamen rondbewegen vanuit hun voorgaande posities. Aldus gedragen de hemellichten zich consequent, door de gecombineerde inzet van de materiële natuur en de Oorspronkelijke Persoon, zoals ze dat altijd al deden en komen ze nooit in botsing met de aarde.

 S.B. 5.23: 4

Sommigen stellen zich dit enorme leger van hemellichten voor als een s'is'umâra [een dolfijn] en beschrijven het, geconcentreerd in de yoga, als [dat wat zichtbaar is van] de Allerhoogste Heer Vâsudeva [zie ook een afbeelding van de sterrenhemel zoals men die feitelijk door een telescoop ziet].

 S.B. 5.23: 8&9

Deze [gedaante van S'is'umâra] is inderdaad de gedaante van de Allerhoogste Heer, van Heer Vishnu, Hij die bestaat uit al de halfgoden. Men moet met deze gedaante voor ogen iedere ochtend, middag en avond in alle bescheidenheid mediteren op de woorden: 'Mijn eerbetuigingen voor deze rustplaats van al de lichtende werelden, voor de meester der halfgoden, de Allerhoogste Persoonlijkheid in de vorm van de Tijd op wie wij mediteren' [namo jyotih-lokâya kâlâyanâya animishâm pataye mahâ-purushâya abhidhîmahîti, zie ook 2.2: 24]. Zij die met achting voor die leider der halfgoden bestaande uit alle planeten en sterren, voor die vernietiger van de zonde, de mantra zoals hierboven beschreven praktiseren door drie maal daags zo hun respect te betonen of drie keer per dag aldus [in stilte] te mediteren, zullen door dat respect voor de tijd zeer spoedig aan al hun zonden een einde zien komen.  

 5.24: 3

De Allerhoogste Heer die er is voor de bescherming van beide [godheden] gaat te werk met het rad van de Tijd die Zijn allerhoogste aanwezigheid vormt [de Sudars'ana Cakra]. Men acht die schijf als het meest gekoesterde, toegewijde en geliefde wapen dat door zijn macht en ondraaglijke hitte er voor zorgt dat Râhu, bang van geest met de schrik om het hart, uit die positie ver wegvlucht waarin hij bijna een uur lang verkeert en naar aanleiding waarvan de mensen spreken van een [zons- of maans]verduistering.

 5.24: 11

Men maakt zich er zeker niet druk om tijdsindelingen overeenkomstig de veranderingen van de dag en de nacht [zoals waargenomen met zonnewijzers en maanstanden].

 5.24: 14

Geen andere doodsoorzaak dan die van het almachtige rad van de Tijd des Heren in de vorm van Zijn werpschijf is in staat greep op deze welvarende lieden te krijgen.

5.24: 15

Het is vrijwel altijd uit angst voor de Heer Zijn cakra-orde [de dwingende orde van de natuurlijke tijd] dat de echtgenotes van de goddelozen hun foetussen verliezen in miskramen.

5.24: 28

Onder Sutala in de wereld Talâtala heerst de dânava [demonische] koning genaamd Maya. Zijn steden werden verbrand door de almachtige Tripurâri [S'iva], de heer der drie steden, die verlangde naar het welzijn van de drie werelden. Maar hij verwierf als de meester en leraar van alle tovenarij dankzij zijn genade een koninkrijk. Zo beschermd door Mahâdeva [de grote god die S'iva is] denkt hij dat hij niets te vrezen heeft van de Sudars'ana Cakra [de aanwezigheid van de Heer in de vorm van de Tijd] die men [in alle werelden] aanbidt [met klokken en kalenders].

5.26: 8  

Iemand die het geld, de vrouw of de kinderen van iemand anders afpakt kan erop rekenen [bij zijn dood] door de angstaanjagende mannen van Yamarâja in de boeien van de tijd te worden geslagen en met geweld in de hel van Tâmisra ['de duisternis'] te worden geworpen. Beland in die duistere staat moet hij hongeren, smachten naar water, wordt hij met stokken geslagen en uitgescholden en verliest hij, in wanhoop verzet, soms zijn bewustzijn als gevolg van de zware bestraffingen die hij moet ondergaan.

 

 

CANTO 6

 

6.1: 42

Al [de goddelijkheid van] de zon, het vuur, de hemel, de lucht, de goden, de maan, de avond, de dag en de nacht, de windrichtingen, het water en het land geeft inhoud [structuur] aan het persoonlijke dharma [de eigen aard] van het belichaamde levende wezen [zie ook B.G. 8: 4].

6.1: 47

Precies zoals de tegenwoordige tijd de kenmerken verraadt van wat was en wat komen gaat, vormt iemands huidige geboorte een aanduiding voor het dharma en adharma van wat men deed en nog zal doen.

 6.3: 27

Zij, de toegewijden die gelijkgezind jegens allen van overgave zijn aan de Allerhoogste Heer en wiens heilige geschiedenissen de lofzang vormen van de halfgoden en vervolmaakten, moeten jullie nooit benaderen, aangezien ze geheel beschermd worden door de strijdknots van de Heer. Het is niet aan ons hen te straffen, net zo min als het de tijd gegeven is [te beslissen over goed en kwaad].

 6.5: 11

De aardse kwestie [het lichaam] was het veld van handelen, de eeuwige oorzaak die het levend wezen in beslag neemt en de basis vormt van zijn gebondenheid. Wat zou tijdgebonden arbeid nu voor nut hebben als men de eindigheid er niet van inziet?

 6.5: 19

kâla-cakram bhrami tîkshnam
sarvam nishkarshayaj jagat
svatantram abudhasyeha
kim asat-karmabhir bhavet

Het o zo scherpgerande, ronddraaiende rad van de Tijd bestiert de hele wereld naar eigen maat en orde; wat voor nut heeft het in deze wereld te ondernemen in verlangen naar resultaten als men hier niet van op de hoogte is [van deze orde van de tijd]?

6.5: 20

Hoe kan men verstrikt in de geaardheden van de natuur [zie B.G. 18: 19-29] ook maar iets op touw zetten [zoals het verwekken van kinderen], als men de aanwijzingen van de geschriften van de Vader niet begrijpt die duidelijk maken hoe men een punt moet zetten achter de materiële manier van leven?' 

 6.8: 20-23

Moge Kes'ava met Zijn knots me in de ochtenduren na zonsopkomst beschermen, moge Govinda met de fluit in Zijn handen me vroeg in de ochtend beschermen, moge Nârâyana de Heer van alle vermogens, me laat in de ochtend beschermen en moge Vishnu, de Heer met de schijf in Zijn hand, me tussen de middag beschermen [zie tevens 5.21: 10]. Moge Heer Madhusûdana met de ontzagwekkende boog S'ârnga me in de voormiddag beschermen. Moge Mâdhava, de Heer van Brahmâ, Vishnu en S'iva, me in de namiddag beschermen en moge Heer Hrishîkes'a me bij het vallen van de nacht beschermen. Moge Heer Padmanâbha [de Heer uit wiens navel het universum ontsproot] de hele avond vroeg en laat de ene beschermer zijn. Moge de Heer met het S'rîvatsa-teken mij in de uren na middernacht beschermen, moge Janârdana de Heer met het zwaard in Zijn hand, mij laat in de nacht beschermen en moge Heer Dâmodara [zie ook Dâmodarâshthaka] me beschermen in de uren voor het ochtendgloren [met daarin de brâhmamuhûrta, zie **]. Moge de Heerser over het Universum, de Allerhoogste Heer in de gedaante van de tijd mij [als de kâla-mûrti, ook wel de klok] beschermenLaat alstublieft de scherpgerande [Sudars'ana] schijf [Zijn orde van de tijd, het cyclische van de natuurlijke tijd] die door de Heer ingezet zich in alle richtingen vernietigend beweegt gelijk het vuur aan het einde der tijden, de vijandelijke troepen in de as leggen, net zoals droog gras door een laaiend vuur samen met zijn vriend de wind in een oogwenk in de as wordt gelegd.

6.8: 31

We bidden ervoor dat aan alles wat onze levens [en toewijding] verstoort een eind zal komen als een logisch gevolg van het feit dat U het alleen bent, de Heer [van de tijd], die de uiteindelijke werkelijkheid bepaalt van wat er wel en wat er niet is [zoals geluk en ongeluk komt en gaat, zie B.G. 2: 14].

6.9: 31

De goddelijken zeiden: 'U o Heer van het Offer, brengen we onze eerbetuigingen, U die zich bedient van de cakra [de schijf, de cyclische orde van de tijd] als wapen, bent degene die overal paal en perk aan stelt. Onze eerbetuigingen zijn er voor U die bekend staat met zovele transcendentale namen.

6.9: 35

Daarom weten we niet zeker of U als de Heer er nu bent als een normaal mens die, gebonden aan handelingen in de materiële wereld, onder  invloed staat van de geaardheden en zo afhankelijk is van tijd, ruimte, activiteiten en de natuur - en daarbij noodgedwongen de goede en slechte gevolgen draagt van de eigen handelingen, of dat U er nu bent als een volledig in Uzelf tevreden [âtmârâma], zelfbeheerst iemand die in zijn spiritueel vermogen nimmer tekortschiet en steeds de neutrale getuige is.

6.9: 38
U bent bij nadere beschouwing de essentie der eigenheid, de heerser over allen en alles wat spiritueel en materieel is. U bent er als de oorzaak aller oorzaken van het ganse universum die tot in het kleinste atoom in alles aanwezig is met al Uw kwaliteiten. U bent [met de tijdelijkheid] van al de manifestaties de enige die er overblijft.

 6.9: 42

O Allerhoogste Heer, wat zouden wij, als vonken van het oorspronkelijke vuur [dat U bent], U nu allemaal duidelijk moeten maken, U die zich er persoonlijk mee vermaakt met Uw goddelijke energie van schepping, behoud en vernietiging te zijn, U die zich als de Superziel en de geest van het absolute Brahman ophoudt in de harten van al de verschillende levende wezens en er vanbuiten materieel bent naar gelang de tijd, de plaats en de lichamelijke gesteldheid, U die men zich realiseert als de oorzaak van dat wat [het bestaan en het bewustzijn van] het levende wezen uitmaakt, U als de getuige van alles wat er gaande is, als de getuigenis zelf en als de belichaming van de eeuwigdurende heugenis van het hele universum [het z.g. âkâs'a geheugen].

 6.12: 8-10

Als vogels gevangen in een net zuchten al de werelden en hun heersers machteloos onder de tijdfactor die alhier de oorzaak vormt. Mensen die zich dat niet bewust zijn [die oorzaak, die Heer van de Tijd], de kracht van onze zinnen, geest, lichaam, vitaliteit, dood èn onsterfelijkheid, beschouwen hun onverschillige lichaam als de oorzaak. O heer [Indra], begrijp alstublieft dat alle dingen aldus o edelmoedige, precies als een poppetje [een 'vrouw van hout'] of een knuffelbeest [een 'dier van bladeren en stro'], afhankelijk zijn van Îs'a [de Macht, de Heer en meester van de Tijd die hun samenhang en leven vormt].

6.12: 12

Als men geen weet heeft [van de Heer, de tijdfactor]  beschouwt men zichzelf - hoewel men volledig afhankelijk is - als degene die de touwtjes in handen heeft, maar het is Hij die de wezens schept middels andere levende wezens en het is Hijzelf die ze via anderen verslindt. De zegenigen van langlevendheid, weelde, roem en macht manifesteren zich voor een persoon als de tijd  er rijp voor is [Zijn tijd], precies zoals zich ook zonder dat men ervoor kiest het tegengestelde voordoet.

6.15: 3

Net zoals korrels zand samenkomen op de kust en weer uit elkaar drijven door de kracht van de golven, worden de belichaamde zielen door de tijd samengebracht en weer van elkaar gescheiden [vergelijk B.G. 2: 13].

6.16: 5

In de loop van de tijd worden alle mensen elkaars vrienden, familieleden, vijanden, afzijdigen, weldoeners, onverschilligen of afgunstigen [vergelijk B.G. 3: 27].

6.16: 41

Op een andere manier bezig [in halfgodenaanbidding] schiet men tekort qua bewustzijn en krijgt men in de samenleving dientengevolge te maken met het 'ik' en 'mijn' en het 'mij' en 'jou' [van het valse ego]. In benaderingen anders dan de Uwe is men vanwege de afwijkende visie onzuiver in zijn manier van doen, tijdgebonden en vol van adharma [vergelijk B.G. 18: 66].

6.17: 21

Hij, de ene Allerhoogste Heer, geeft middels Zijn vermogens gestalte aan het geconditioneerde bestaan van al de levende wezens alsmede aan het leven van de bevrijding [de toegewijde dienst]. Hij is verantwoordelijk voor het geluk en het leed enerzijds en de positie waarin men [met Hem] boven de tijd is verheven anderzijds.

6.18:66-67

Als iemand de Oorspronkelijke Persoon aanbidt krijgt hij direct greep op zijn leven [wat betreft tijd en maat]. En zo gebeurde dat ook met Diti na voor bijna een jaar de Heer te hebben aanbeden [zie 5.18: 12]. Om de fouten van de moeder ongedaan te maken werden door de Heer de negenenveertig delen die Indra had geschapen, de Maruts, veranderd in [de vijftig] halfgoden [samen met Indra] die soma-drinkers [priesters] werden.

Canto 7

7.1: 8

Afhankelijk van de tijd van hun overwegen vindt men met de geaardheid sattva [de goedheid] de deva's en de rishi's [de goden en de wijzen], staat men met de geaardheid rajas [de hartstocht] voor de Asura's [de onverlichte zielen] en wordt men met de geaardheid tamas [de traagheid] geconfronteerd met Yaksha's en Râkshasa's  [geesten en demonen, zie ook B.G. 14: 11-13].

7.1: 11-12

O heerser der mensen, de ware oorzaak die het mannelijk principe is, het oorspronkelijke ongemanifesteerde fundament van de materie [pradhâna], is de [primaire, expanderende] beweging van de tijd [als de vierde dimensie] die de toevlucht vormt van de Heer [om op te mediteren, zie ook B.G. 11: 32]. (12) O Koning, de Allerhoogste Heer van naam en faam die ook deze [oorspronkelijke notie van de Tijd is] doet in de geaardheid goedheid de verlichte zielen in aantal toenemen en is bijgevolg, als de vriend der halfgoden, van vijandschap en vernietiging met de onverlichte zielen [de materialisten] die worden beheerst door hartstocht en onwetendheid.

7.2: 43

Het vuur in hout kan men afzonderlijk waarnemen, net zoals de lucht in het lichaam en [het tijdeffect van] de alles doordringende ether die zich met niets vermengt. Zo ook kan men het levende wezen apart beschouwen als verheven boven zijn materiële omhulsel dat begaan is met de verschillende kwaliteiten.

7.3: 9-11

[Hij denkt als volgt:] 'Heer Brahmâ, die middels zijn verzaking verzonken in de yoga de bewegende en niet-bewegende wezens schiep [zie 3.8], heeft zijn troon in al de werelden hoog en laag. Verzonken in de yoga dankzij een zelfs nog zwaardere boetedoening [dan de zijne] zal ik, vanuit het eeuwige van de tijd en de ziel, dat voor mezelf bereiken. By my strength I will turn this world upside down and tackle everything that must change in a different way than before. What is the use of all other practices? At the end of a day of creation all the worlds of Vishnu will be vanquished by time anyway!'

7.3: 26-27

S'rî Hiranyakas'ipu zei: 'Aan het einde van een dag van zijn schepping als hij [Heer Brahmâ] onder de invloed van de tijd gehuld is in de hechte duisternis der onwetendheid, manifesteert deze kosmische schepping zich [opnieuw] bij het licht van de stralen van zijn lichaam. Deze wereld toegerust met de drie geaardheden rajas, sattva en tamas [hartstocht, goedheid en onwetendheid], wordt door hem geschapen, gehandhaafd en vernietigd. Die bovenzinnelijke en allerhoogste Heer breng ik mijn respectvolle eerbetuigingen.

7.3: 31

U die nergens door wordt beïnvloed bent de [verpersoonlijking van de] immer waakzame Tijd die met ieder van zijn segmenten de levensduur bekort van alle wezens. U bent van deze materiële wereld het eigenlijke levensbeginsel, het Grote Zelf en de Allerhoogste Heerser die nimmer geboren werd.

7.8: 8

Hij, allerhoogste heerser, de tijdfactor, is Urukrama, de Heer van de Grote Stappen [Vâmana] die die ene kracht van je geest en leven is, de standvastigheid van de lichaamskracht en de kracht van je zintuigen. Hij, het Ware Zelf, is de verheven Meester van de drie geaardheden die middels zijn verschillende natuurkrachten het ganse universum schept, handhaaft en weer in zich opneemt.

7.8: 42

S'rî Indra zei: 'Ons aandeel van de offers werd door Uwe Heerlijkheid die ons beschermde veiliggesteld, o Allerhoogste. Woorden schieten tekort om uit te drukken hoezeer onze lotusgelijke harten getroffen waren door de Daitya, onze harten die in feite Uw verblijfplaats zijn. Helaas o Heer, hoe onbetekenend is onze wereld in de greep van de Tijd, maar U hebt ter wille van de toegewijden in Uw dienst Uw licht geworpen zodat ze verlossing kunnen vinden uit hun gebondenheid. Wat anders dan het  onbelangrijk vinden van de zichtbare wereld zou nu hun weg vormen o Nrisimhadeva?'

7.8: 52

De bewakers van de weelde [de Yaksha's] zeiden: 'Wij die U tot uw genoegen van dienst zijn, behoren tot Uw beste volgelingen. Deze zoon van Diti dwong ons zijn draagstoel te dragen maar hij was de oorzaak van het verdriet [de armoede] van een ieder. Daarom betuigen we U de eer o Heer Nrisimha, want U bent degene die een einde aan zijn leven maakte o vijfentwintigste principe [dat de Tijd is, zie 3.26: 10-15].

7.9: 5

De godheid was door hem, zo'n kleine jongen neergevallen aan Zijn lotusvoeten, hoogst ontroerd en vol van genade hief Hij Zijn lotushand, plaatste die op zijn hoofd en verdreef de angst voor de slang van de tijd uit de geesten van allen [daar aanwezig].

7.9: 20-24

Welke omstandigheid het ook betreft, wat dan ook de reden schijnt te zijn, welke tijd het ook moge wezen, waardoor dan ook of in verhouding tot wat dan ook, waar dan ook door veroorzaakt of terwille waarvan dan ook, op welke manier dan ook of van welke aard ook iets mag zijn, is zeker allemaal slechts een andere verschijningsvorm van de Allerhoogste Werkelijkheid. Of anders gesteld: in de natuur treft men als gevolg van allerlei veranderingen een specifieke vorm van afgescheidenheid aan, maar welke vorm die ook aanneemt, het betreft altijd een manifestatie van Uw energie o Heer. Het illusoire van de materie schept een geest die de bron vormt van moeilijk te beheersen baatzuchtige handelingen [ofwel karma]. Deze handelingen zijn geconditioneerd door de Tijd die de drie geaardheden der natuur in beroering brengt en die door de persoon [op een bepaalde manier] wordt gerespecteerd. Aldus verslagen door de uitnodigende maar begoochelende materie krijgt men te maken met de zestien spaken [van de waarnemende en handelende zinnen, de elementen en de geest] van het rad der wedergeboorte o Ongeborene. Wie kan hier anders dan op Uw manier nu uitkomen [zie ook B.G. 9: 25]? U bent dat ene element van de Tijd waaraan de ziel overwonnen door de geaardheden van Uw heerschappij, altijd en eeuwig is overgeleverd. Ik hier aanwezig als een vorm van materiële energie die in al zijn verzakingen en verschijningsvormen bepaald wordt door Uw cyclische controle, sta daar machteloos tegenover o Heer en Meester. Ik wordt geplet onder het wiel met de zestien spaken. AlstUblieft redt me hieruit o Almachtige, ik heb me geheel aan U overgegeven.O Almachtige ik heb gezien hoe mensen in het algemeen de levensduur, weelde en glorie van de vrome leiders van de hemel begeren. Maar onze vader die dit alles [voor zichzelf] wenste werd simpelweg met de opgeroepen lach van Uw expansie [als Nrisimha] in een oogwenk door U naar beneden gehaald en compleet vernietigd. Daarom verlang ik er niet naar om zo lang te leven als Heer Brahmâ of rijk en machtig te zijn. Ik weet waar al die dwaze zegening van de zinnen van het belichaamd wezen toe leidt. Ik heb er geen behoefte aan te worden aangepakt door U die als de Meester van de Tijd zo machtig bent. Leidt me alstUblieft  naar de kant van Uw dienaren.

7.9: 33

Nadat U uit Uw sluimer op het bed van Ananta in de causale oceaan ontwaakte, verscheen de grote lotus van al de werelden uit Uw navel zoals een bananenboom dat doet uit zijn zaad. Dat kosmische lichaam van U, dit universum aangedreven door de tijdfactor, vormt Uw manier van omgaan [in de vorm van de geaardheden en hun godheden] met de materiële kwestie [met prakriti].

7.10: 13

Door met het genieten [van je oude dag] afscheid te nemen van je verdienste, middels  je vrome handelen je zonde op te geven, met de voortsnellende tijd je lichaam op te geven en na het verspreiden van je reputatie van zuivere goedheid in zelfs de werelden van de goden, zal je bevrijd van alle gebondenheid naar Mij terugkeren.

7.10: 43-44 

Het gaat over de aard van de toewijding, geestelijke kennis en verzaking van die hoogst verheven toegewijde Prahlâda. Probeer ieder van deze verhalen te doorgronden en ontdek zo wat eigen is aan de Heer, de Meester van het behoud, de schepping en de vernietiging, wat Zijn kwaliteiten en handelingen zijn, Zijn [in erfopvolging] doorgegeven wijsheid en hoe Hij, met de tijdfactor, een einde maakt aan alle hogere en lagere levende wezens en hun culturen, hoe groots ze ook zijn.

7.10: 67

O Heerser der Mensen, met de pijlen aangelegd op zijn boog zette S'iva aldus als de Heer en Meester, toen de zon op zijn hoogste punt stond, de zo moeilijk te treffen steden in lichterlaaie.

7.12: 11

De zo-even [in vers 6] beschreven aanwijzingen van de goeroe  voor een huishouder gelden evenzogoed voor een verzaakt iemand, zij het dat de huishouder gedurende een bepaalde periode seksuele omgang kan hebben [zie ook 7.13: 6].

7.13: 6

Hij moet zich niet verheugen over de dood van het lichaam die zeker is, noch over het leven van het lichaam dat onzeker is, hij moet acht slaan op het superieure [bestuur] van de Tijd die heerst over de manifestatie en het verdwijnen van de levende wezens.

7.13: 33

Hij die voor het geld leeft is steeds beducht voor de regering, voor dieven, voor vijanden, verwanten, dieren en vogels, voor bedelaars, voor de Tijd en voor zichzelf.

7.14: 3-4

Als men naar gelang de tijd [op 'zondagen'], in het gezelschap van anderen geheel verlost zijnde van materiële [karmische] handelingen, luistert naar de nectar van de verhalen over de avatâra's van de Heer, zal men, door zulk goed gezelschap gescheiden van de fysieke omgang met de vrouw en kinderen, geleidelijk aan bevrijd raken van verlangens [en trots] alsof men uit een droom ontwaakt [zie ook 5.5: 1 en B.G. 18: 54].

7.14: 10

Op het drievoudige pad [van dharma, artha en kâma] zich niet bovenmate inspannend [niet met ugra-karma bezig zijnd] behoort een persoon, ook al is hij vol van zorgen over zijn huishouding, alleen zoveel binnen te halen als de genade van God hem verschaft naar gelang tijd en omstandigheid [zie ook 4.8: 54].

7.14: 24-26

Het zijn deze gunstige tijden [van het regelmatig zijn met natuurlijke gebeurtenissen] die het lot der mensen ten goede keren. Om voor de mens gedurende alle seizoenen goedgunstigheid, succes en langlevendheid te realiseren moet men daarom op die dagen allerlei plechtigheden houden [*].Het op al deze heilige tijden een heilig bad nemen, japa doen [de Vedische rozenkrans], offers brengen in het vuur en zich aan geloften houden, vormt met dat wat gegeven wordt in respect voor de Allerhoogste Heer, de tweemaal geborenen die zorg dragen voor de beeltenissen, de voorvaderen, de goddelijken, de menselijke wezens in het algemeen en de andere levende wezens, een blijvend voordeel. O Koning, de zuiveringsrituelen die het belang dienen van [het hebben van dagen] met de vrouw, de kinderen en jezelf alsook het belang van begrafenissen, herdenkingen en dagen voor het verrichten van vruchtdragende arbeid, moeten worden uitgevoerd op de [natuurlijke] tijden [in relatie tot de zon en maan] zoals die voor hen bedoeld zijn.

7.15: 13

What is [the value of] the attachment to this insignificant vehicle of time that is doomed to be eaten by the insects, to turn into stool or into ashes? What is the value of being attracted to the body of one's wife, compared to [the value of one's attraction for] the soul that is as all-pervading as the ether?

7.15: 4

In geval men het offeren in geloof [de s'raddha-ceremonie] aan een groot aantal van hen en hun [gezelschap aan] familieleden toevertrouwt, zal het allemaal niet goed lukken wat betreft de meest geschikte plaats en tijd, de benodigdheden, de persoon die de eer toekomt en de methode aangewend.

7.15: 26

De goeroe die het licht op het pad vormt moet men zien als de Allerhoogste Heer in eigen persoon en degene die hem en wat hij van hem hoorde beschouwt als sterfelijk en tijdgebonden, is als een olifant die is schoongewassen [en dan een stofbad neemt].

7.15: 28

Men heeft zijn tijd verspild als al de voorgeschreven activiteiten en inachtnemingen, die waren gericht op het definitieve onderwerpen van de zes afdelingen [van de vijf zinnen en de geest], niet hebben geleid tot het uiteindelijke doel: de verbondenheid in de yoga [van het individuele bewustzijn met Hem].

7.15: 41

Men zegt dat het lichaam de strijdwagen is, de zinnen zijn de paarden, de geest, de meester der zinnen, de teugel, de zinsobjecten vormen de bestemmingen, de intelligentie is de wagenmenner en het bewustzijn is van de grootste gebondenheid, de konditionering, geschapen door de Heer.

7.15: 50-51

De fijne substanties [van het offer] resulteren in de rook [geassocieerd met] de goddelijkheid van de nacht, de donkere helft van de maand, de zon die door het zuiden gaat en de nieuwe maan [vergelijk B.G. 8: 25]. Met die goddelijkheid [vindt men] de granen om ons te voeden die de zaden zijn van de vegetatie op de oppervlakte van de aarde o heerser der aarde. Aldus door de vader [van de Tijd] in het leven geroepen leiden zij [door ons te voeden via de offers] tot de ene na de andere geboorte, tot het keer op keer, regelmatig aannemen van een fysieke gedaante om in deze wereld aanwezig te zijn [zie ook B.G. 9: 21].

7.15: 53

De zinnen dan naar de geest gezet die besmet is met woorden in golven van materiële voorkeur, de woorden dan beperkt tot het volledige van haar elementen, de letters, die dan weer ingeperkt zijn tot het AUM van de pranava dat weerklinkt en die uiteindelijke geluidsklank vervolgens opgegeven tot op het punt erin vervat, resulteert dan daadwerkelijk in de levensadem naar het Allerhoogste van het levende wezen.

7.15: 60

The body consisting of the five elements can not exist without the sense-objects belonging to it. The untrue is found in the fixed form of a body which, just like that what belongs to it, in the end turns out to be a temporary appearance.

7.15: 66

O koning, een persoon behoort zijn plichten te vervullen overeenkomstig zijn [varnâs'rama] positie in de samenleving, tewerk gaand met de middelen, de plaats en de tijd die niet [schriftuurlijk] verboden zijn. Hij moet dat niet op een andere manier doen tenzij er sprake is van een noodsituatie [zie ook 7.11: 17 en B.G. 3: 35].

 

 Canto 8

 8.2: 33

Hij, de Heer, beschermt een ieder die van overgave is. Hij beschermt hen die bang zijn voor de dood tegen de zo heel sterke wurgslang van de tijd [zie B.G. 11: 32] die je met zijn angstwekkende kracht steeds najaagt. Ik geef me over aan Hem die de toevlucht vormt en voor wie zelfs de dood op de vlucht slaat.'

8.2: 25

Zo wil ik niet in deze wereld leven. Wat voor zin heeft het om geboren als een olifant vanbinnen en vanbuiten in gevangenschap te verkeren? Ik wil de ellende en vernietiging niet die er is als gevolg van de tijd. Ik wil worden verlost van die versluiering van mijn geestelijk bestaan [zie ook 1.2: 3 en 6.15: 16].

 8.5: 28

Mogen er onze eerbetuigingen zijn voor de waarheid van Hem die men beschouwt als de as van Heer Brahmâ's bliksemsnel ronddraaiende, heilige rad van de Tijd met zijn vijftien spaken [de kennende en waarnemende zintuigen en de vijf soorten adem], drie naven [de geaardheden] en acht segmenten [de vijf elementen, geest, vals ego en het verstand] waarop het denken zich betrekt [vergelijk 3.21: 18, 7.9: 21, 5.21: 13 en B.G. 18: 61].

 8.5: 42-43

De begeerte is er van Zijn onderlip en genegenheid van Zijn bovenlip; van Zijn neus is er de luister van het lichaam en door Zijn aanraking kon er de dierlijke liefde zijn. Van Zijn wenkbrauwen is er de Heer van de Dood [Yamarâja] maar van Zijn wimpers is er de eeuwige Tijd. Moge Hij, de Almachtige, ons gunstig gestemd zijn. De geleerden stellen dat de elementen der materie, hun wever [kâla, de tijd], de baatzuchtige arbeid [karma], de geaardheden der natuur [de guna's] en de onderlinge verschillen die tot stand zijn gebracht door Zijn scheppend vermogen [yoga-mâyâ], een moeilijk te doorgronden geheel vormen waarvan de grote wijzen zich afwenden [in hun afkeer van de begoocheling der materie]. Moge Hij, de Heerser over Allen en Alles, tevreden over ons zijn.

 8.5: 48

Zelfs niet de geringste activiteit naar behoren volbracht [terwille van U] is tevergeefs, omdat in toewijding tot de Meester [die de Tijd is] men zich U realiseert als de Oorspronkelijke Ziel die goedgunstig iedere persoon een warm hart toedraagt.

8.6: 25

Wees niet bang voor het kâlakûtha ['valse tijd'] gif dat uit de oceaan van melk zal verschijnen en laat je nimmer leiden door begeerte, lust en woede met het resultaat van het karnen.'

8.7: 25-26

U bent de bron van het [spirituele, Vedische] geluid, de oorsprong van het universum, de ziel, de levensadem, de zinnen en de elementen. U bent de geaardheden der natuur en de eigen aard, de eeuwige tijd, het offer en het dharma van de waarheid [satya] en de waarachtigheid [rita]. Het is terwille van u dat men de oorspronkelijke lettergreep van drie letters uitspreekt [A-U-M]. O ziel van al de goddelijken, het vuur vormt uw mond; o Heer van al de werelden het oppervlak van de aardbol kent men als uw lotusvoeten; o zelf van al de goden, de tijd vormt uw bewegen, de windrichtingen vormen uw oren en de heer van het water [Varuna] vormt uw smaak.

8.7: 32
In deze wereld die uit u is voortgekomen en ten tijde van haar ondergang door u in de as wordt gelegd met de vonken van het vuur van uw ogen, hebt u uit genade voor de levende wezens Tripura vernietigd [7.10: 53] alsook een einde gemaakt aan de offers uit begeerte [zie b.v. 4.5], het gif van de [valse] tijd [in deze geschiedenis] en vele andere vormen van ellende. Maar deze zaken maken geen deel uit van uw verheerlijking aangezien u deze wereld uit uw geest bant.

8.8: 21-22

Iemand mag dan van dharma zijn, maar is hij vriendelijk voor alle levende wezens? Iemand kan van verzaking zijn, maar onbekend zijn met de zaak der bevrijding. Een persoon kan macht hebben over mensen, maar nog steeds niet bevrijd zijn van de almacht van de materiële natuur [van de macht van de tijd]. Iemand kan vrij zijn van de invloed van de natuurlijke geaardheden, maar hij zal nimmer een tweede zijn [een andere Heer van Beheersing en Yoga, zie ook 1.2: 8]. Iemand kan lang leven maar hoeft nog niet te weten hoe hij zich moet gedragen en gelukkig zijn, iemand mag de kunst van het leven meester zijn, maar niet weten hoe hij oud moet worden. Iemand kan van beiden op de hoogte zijn en nog steeds ongelukkig zijn in een ander opzicht. Noch is van iemand die uitblinkt op ieder terrein gezegd dat hij mij wenst [in mijn positie van toewijding aan Vishnu]!'

 8.11: 7-8

Bali bracht ertegenin: 'Allen hier op dit slagveld aanwezig zijn onderworpen aan de heerschappij van de tijd en bouwen met hun handelen achtereenvolgens een reputatie op, boeken een overwinning, lijden een nederlaag en vinden de dood. Omdat de hele wereld bewogen wordt door de tijd, juicht of klaagt een verlichte ziel die dit inziet niet. Wat dat betreft zijn jullie aardig de weg kwijt [vergelijk B.G. 2: 11]!

8.12: 40

Zo gauw men zich [levend] met de tijd met al zijn verschillende elementen, met Mij in de vorm van de Eeuwige Tijd [of de zuivere Tijdgeest] verbonden heeft, zal die begoochelende energie van de geaardheden der natuur [de godin Durgâ als optelsom*] niet langer in staat zijn je van je verstand te beroven.'

8.14: 9

In de vorm van de grondleggers [de Prajâpati's] verwekt Hij nageslacht, om de gewetenloze mensen te vernietigen neemt Hij de gedaante aan van koningen en in de vorm van de tijd is Hij er om een einde te maken aan alles wat zich met [het volgen van] de geaardheden der natuur als verschillend ontwikkelde.

 8.17: 27

 U als de oorspronkelijke oorzaak, het einde en de handhaving van het universum, bent het reservoir van talloze vermogens die men de Oorspronkelijke Persoon noemt. Zoals golven hun greep krijgen op iemand die in het water belandde, bent U de Heer, de Heerser die de Tijd is die het ganse universum in Zijn greep heeft.

8.19: 8-9

Hem als de dood in eigen persoon op zich af zien komend met de drietand in zijn hand, dacht de Belangrijkste der Mystici, de Kenner van de Tijd, Heer Vishnu, het volgende: 'Waarheen Ik ook ga zal hij hier - als was hij een ieder zijn dood - ook heen gaan. Daarom zal  Ik zijn hart binnengaan, hij zoekt het alleen maar in de buitenwereld.'

 8.21: 21-22

Voorheen werkte de tijd in ons voordeel en bracht hij ons de overwinning op de goden, maar vandaag werkt de tijd die de Grootste Macht [de Hoogste Autoriteit] in ons bestaan vormt tegen ons. (22) Niemand is ooit de tijdfactor de baas, met geen enkele macht, raadgeving, slimmigheid, verdedigingswerk, toverspreuk, kruidenmengsel, diplomatie of met welke andere middelen of soortgelijke methoden ook.

 8.22: 34

Geen van de grootheden der werelden zullen ertoe in staat zijn u daar de loef af te steken, om nog maar te zwijgen van de gewone man, daar Ik er met mijn cakra voor zal zorgen dat al de Daitya's die tegen uw heerschappij ingaan het af zullen leggen.

 8.23: 16

Wat betreft de tijd en plaats, de persoon, de hulpmiddelen, [het bezigen van] de mantra's en het naleven van de principes, kunnen er tekortkomingen optreden, maar die worden allemaal teniet gedaan als men regelmatig gezamenlijk Uw glorie bezingt [*].

 

Canto 9

 

9-1: 38-39

Tevreden over hem o wetsdienaar, zei S'iva om zijn woord [aan Umâ] gestand te doen en om de wijze zijn liefde te tonen: 'Deze discipel van uw lijn zal de ene maand een vrouw zijn en de andere maand een man. Met deze regeling kan Sudyumna dan naar eigen goeddunken de wereld regeren.'

  9.4: 3

De zo uiterst intelligente afstammelingen van Angirâ [zie 6.6: 19] brengen vandaag een offer, maar op iedere zesde dag dat ze dat doen o geleerde zoon, zullen ze met hun baatzuchtige activiteit in illusie vervallen.

9.4: 28

Tevreden over zijn zuivere toegewijde dienst schonk de Heer hem Zijn cakra [schijfwapen] die de toegewijden beschermt maar degenen die tegen Hem ingaan angst inboezemt [zie tevens 7.9: 43 en B.G. 9: 31].

9.4: 53-59

Heer Brahmâ zei: 'Aan het eind van mijn leven [een dvi-parârdha, zie 3.11: 33] als Zijn spel en vermaak is afgelopen, zal de Heer van de Eindtijd [Vishnu], het Zelf van de Tijd, met enkel een beweging van Zijn wenkbrauwen dit universum vernietigen met inbegrip van mijn hemelse verblijfplaats. Ik, Heer S'iva, Daksha, Bhrigu en de andere wijzen, alsook de heersers over de mensen, de levende wezens en de halfgoden, handelen allen naar Zijn wilsbesluit en buigen gezamenlijk, voor het heil van alle levende wezens, ons hoofd in overgave aan het beginsel dat ons leven beheerst.'   Durvâsâ die, verschroeid door Vishnu's cakra, werd afgewezen door Heer Brahmâ, zocht zijn toevlucht bij hem die altijd op Kailâsa verblijft [Heer S'iva].  S'rî S'ankara [S'iva] zei: 'Mijn beste, wij hebben geen macht over de Allerhoogste, de Transcendentie in eigen Persoon met wie ik, de andere levende wezens en zelfs Heer Brahmâ ronddolen die samen met de talloze universa bij tijden tevoorschijn komen en weer worden vernietigd.  Ik, Sanat en de andere Kumâra's, Nârada, de grote Ongeboren Heer, Kapila, Vyâsadeva, Devala [de grote wijze], Yamarâja, Âsuri [de heilige], Marîci en andere meesters volmaakt in de kennis in navolging van hem, hebben de grenzen ontdekt van alles wat er te weten valt, maar geen van ons is in staat om geheel Zijn begoochelende energie [mâyâ] en dat wat er door overdekt wordt te doorgronden. Het wapen van de Heerser van het Universum [de cakra] is zelfs voor ons moeilijk om mee om te gaan en daarom moet u uw toevlucht zoeken bij de Heer die u zeker Zijn geluk en fortuin zal verlenen.'

(from the Cakra-prayers: ) 9.5: 6

Al mijn respect is er voor u, het gelukbrengend centrum van de omwentelingen, de maat voor de ganse natuur die het vuur der vernietiging bent voor de onverlichte zielen die het mankeert aan toegewijd handelen. U, de handhaver van de drie werelden met een wonderbaarlijke uitstraling, bent van de opperste goedheid, U die zo snel tewerk gaat als de geest die ik tracht te verwoorden.

9.6: 35-36

Ook hij aanbad in het volle bewustzijn van de [Super]ziel Yajña, de Heer der Offers, de God en Superziel verheven boven het zinnelijk vlak. Dit gebeurde in offerplechtigheden die werden bijgewoond door alle godvruchtige mensen die hij beloonde met grote donaties. Alle benodigdheden, de mantra's en de regulerende beginselen, de aanbidding en de aanbidder en de priesters met al het dharma van tewerk gaan overeenkomstig de plaats en tijd, droegen er allemaal toe bij dat het belang van het ware zelf recht werd gedaan.

9.7: 15

Met zijn geest aldus beheerst door de genegenheid voor zijn zoon, leidde hij de god om de tuin met uitspraken over de tijd [die het zou kosten] en liet hij hem wachten.

9.9: 2

Zijn zoon Dilîpa slaagde er net als zijn vader niet in en werd eveneens verslagen door de tijd. Daarop was Dilîpa's zoon Bhagîratha van de grootste verzaking.

9.10: 22

Râma zei tot hem: 'Jij schuim der aarde, aangezien jij, misdadiger, als een hond Mijn weerloze vrouw hebt ontvoerd zal Ik, als de Tijd in eigen persoon, als degene die in Zijn heldhaftigheid nimmer faalt, je persoonlijk voor die schaamteloze daad vandaag bestraffen, jij waanzinnige schurk [zie ook B.G. 16: 6-18]!'

9.19: 28

Ze begreep dat een leven hebben met vrienden en verwanten die allen onderworpen zijn aan de controle van de strikte wetten der natuur [de Tijd], zoiets is als het omgaan met reizigers bij een waterplaats die [overeenkomstig iemands karma] in het leven werd geroepen door het begoochelend vermogen van de Heer. De dochter van S'ukrâcârya gaf al haar gehechtheden in deze droomachtige wereld op, richtte haar geest geheel op Heer Krishna en schudde de zorgen af [van zowel het grove als subtiele; de linga] van haar zelf.

9.20: 16

De koning zich bewust van wat gepast was naar gelang de tijd en plaats, zei ja en trouwde toen volgens de regels van het dharma met S'akuntalâ op de gandharva-manier [met wederzijdse instemming].

9.22: 8

 Brihadratha verwekte bij een andere vrouw van hem een zoon [die werd geboren] in twee helften. De moeder gooide ze naar buiten, maar ze werden door Jarâ [de dochter van de Tijd, zie ook 4.27: 19] spelenderwijs verenigd terwijl ze zei: 'Kom tot leven, kom tot leven'. Aldus werd een zoon genaamd Jarâsandha ['Jarâ's hermafrodiet'] geboren [die later een gezworen vijand van Heer Krishna zou zijn].


Canto Tien

10.1: 5-7
Mijn grootvaders [de Pândava's] staken op het slagveld met onoverwinnelijke strijders als Devavrata [Bhîshma] en andere grote bevelhebbers die waren als timingila's [haaieneters], in het verleden met behulp van de boot die Hij is net zo gemakkelijk de zo moeilijk te overwinnen oceaan van Kauravasoldaten over als men over de hoefafdruk van een kalf heen stapt. Dit lichaam van mij, het enige zaadje dat nog over is van de Kuru's en Pândava's, raakte geschroeid door As'vatthâmâ's wapen toen ik me bevond in de schoot van mijn moeder, maar werd door Hem met de cakra in Zijn hand beschermd omdat zij haar toevlucht tot Hem had genomen [zie 1.8: 11 en 1.12: 7]. O man van scholing, beschrijf alstublieft de glorie van de Heer die op eigen kracht verscheen als een normaal menselijk wezen, van Hem die het eeuwige leven en de dood schenkt zoals men dat zegt, van Hem die verschijnt in gedaanten gebonden aan de Tijd, van Hem die de Oorspronkelijke Persoon is die aanwezig is zowel binnen als buiten al de belichaamde wezens.

10.1: 22
Before we came here the Personality of Godhead knew already about the distress of mother earth. He will expand Himself in the family of the Yadus by means of your good selves taking birth as His parts. Thus you should live on earth for as long as He, the Lord of Lords, needs to diminish the burden of the planet through His own potency of Time.

10.3: 25-26
Als na miljoenen en miljoenen jaren de kosmos op zijn einde loopt en de primaire elementen opgaan in  hun oorspronkelijke vormen en al het gemanifesteerde door de kracht van de Tijd in het ongemanifesteerde verandert, bent U o Heer met de Vele Namen, de enige die overblijft. Men zegt dat deze zo machtige Tijdfactor waardoor, van de kleinste tijdmaat tot aan de maat van een jaar, deze gehele schepping werkt, Uw actie vormt, de beweging vormt van U, de veilige haven, de Allerhoogste Meester die ik mijn overgave bied.

10.5: 4

Material things are purified by time, by washing and bathing, by rituals, by penance, by worship, by charity and by contentment, but the soul is purified by self-realization.

10.10:30-31

U bent de Ene voor alle levende wezens, U bent de meester van de levenskracht, van het lichaam, van de ziel en van de zinnen. U bent de Tijd, de Allerhoogste Heer Vishnu, de Onvergankelijke Heerser. U als de Grootste, die zowel de kosmische schepping bent als het subtiele, U die bestaat uit de hartstocht, de goedheid en de traagheid, bent de Oorspronkelijke Persoonlijkheid, de Supervisor en Kenner van de rusteloze geest in alle levensbereiken.

10.11: 22

Daar liet Upananda [Nanda's oudere broer], de oudste en wijste met de grootste ervaring, zich uit over wat ze, gezien de tijd en omstandigheid ten gunste van Râma en Krishna, het beste konden doen:

10.13: 39

[Hij zei tegen Krishna:] 'Deze jongens zijn geen [geïncarneerde] meesters der verlichting, noch zijn deze kalveren grote wijzen. Jij, alleen, Jij o Allerhoogste Meester, bent het die Zich manifesteert in al de verscheidenheid van het bestaan. Hoe kan Je nu tegelijkertijd alles zijn wat er bestaat? Zeg Me: wat is precies Je woord in dezen?' Door deze woorden uit te spreken kwam Baladeva met Zijn Heerlijkheid toen tot begrip voor de situatie [**].

10.13: 53
Ze werden aanbeden door de tijdsfactor [kâla], de individuele aard [svabhâva], de reformatie der zuivering [samskâra], het verlangen [kâma], het vruchtdragend handelen [karma], de geaardheden [guna] en andere grootheden van wie de  glorie van de verschijningsvorm die ieder van Hen aannam, werd verslagen door Zijn heerlijkheid [zie ook B.G. 13: 22].

10.16: 41
We bidden voor U als de Tijd, voor U als de Zekerheid met de Tijd, voor U als de Getuige van al de Tijdmaten. Onze gebeden zijn er voor U in de gedaante van het Universum, voor U als degene die het Allemaal Overziet, voor U als de Schepper en voor U die de Uiteindelijke Oorzaak van het Universum bent.

10.16: 49

U bent de Almachtige Heer der Schepping, Handhaving en Vernietiging van dit universum die, zonder een begin en zonder te handelen met de geaardheden, met het vermogen van de Tijd onderneemt [tot evenwicht aanzet] in relatie tot de geaardheden. Terwijl U onberispelijk Uw spel speelt, wekt U met Uw blik de afzonderlijke sluimerende kenmerken op van ieder van hen [van ieder van deze geaardheden].

10.16: 57

O Schepper, o Heer van de Tijd en de seizoenen, U bent het die dit universum in het leven riep vol van de verschijningsvormen der natuurlijke geaardheden: die van de schoot en het zaad, die van de persoonlijke geaardheden in gedaanten en mentaliteiten en die van de verschillende talenten en fysieke vermogens.

10.17: 24

Bescherm alsJeblieft ons, Jouw mensen, Jouw vrienden, tegen dat onoverkomelijke [dodelijke] vuur van de Tijd. O Meester, wij aan Je goedgunstige, gezegende voeten die alle vrees verdrijven, zijn niet in staat [hier weg te komen].'

10.20: 16

De wegen die niet meer werden gebruikt vervaagden overgroeid door gras, net zoals geschreven teksten onder de invloed van de tijd uiteenvallen als ze niet bestudeerd worden door de brahmanen.

10.23: 10-11

Hoewel de plaats en tijd, de gebruikte artikelen, de lofzangen, de rituelen, de priesters en het vuur, de halfgoden, de uitvoerder van de offerplechtigheid, het geofferde en het dharmische resultaat ervan allen deel uitmaken van de rechtstreeks zichtbare werkelijkheid van Zijn Absolute Waarheid, van Hem, de Allerhoogste Heer Voorbij de Zinnen, beschouwden ze Hem in hun geleende intelligentie laatdunkend als een gewoon iemand.

10.23: 48-49

Hij vormt de tijd en plaats, de gebruikte artikelen, de hymnen, de rituelen, de priesters en het vuur, de leidende godsbewusten, de uitvoerder van het offer, de plechtigheid en het dharmische resultaat [zie vers 10-11]. Hij, de Allerhoogste Heer Vishnu, de Meester van alle Yogameesters, heeft rechtstreeks zichtbaar voor ons Zijn geboorte genomen onder de Yadu's, maar ondanks dat we hierover vernamen slaagden wij er dwaas genoeg niet in dat te begrijpen.

10.24: 31

S'rî S'uka zei: 'Deze woorden horend uitgesproken door de Allerhoogste Heer, de Tijd in eigen persoon, met de bedoeling de trots van Indra te breken, namen Nanda en de oudere mannen ze aan als zijnde uitstekend.

10.26: 4

As a young child with hardly His eyes open, He sucked [the poisoned milk] from the breast of the greatly powerful Pûtanâ, in the process also sucking away her life air, just like the force of time sucks away the youth from a body [see 10.6].

10.27: 6

U bent de vader en de goeroe van het hele universum, de Oorspronkelijke Heer en de onoverkomelijke Tijd die, als U - door U Zelf bepaald - Uw bovenzinnelijke gedaanten aanneemt, ernaar streeft om het gezag te vormen dat een einde maakt aan de eigenwanen van hen die denken dat ze de Heer van het Universum zijn.

10.34: 29

Toen hij de twee er als de Dood en de Tijd in eigen persoon aan zag komen, werd hij bang. Hij liet in zijn verwarring de vrouwen achter zich en rende voor zijn leven.

 10.36: 32

Na Ze hierheen gebracht te hebben zal ik Ze door de olifant die zo machtig is als de tijd zelve laten doden. En als Ze daaraan weten te ontkomen zullen mijn worstelaars die zo sterk zijn als de bliksem Ze de wereld uithelpen.

10.37: 21

Dan zal ik U als de wagenmenner van Arjuna de gedaante van de Tijd zien aannemen in het afroepen van de vernietiging over de strijdkrachten van deze wereld.

10.38: 5

Maar genoeg daarover, zelfs voor een gevallen ziel als ik bestaat er een kans om Acyuta te zien te krijgen. Ooit zal iemand die wordt meegesleurd door de rivier van de tijd de andere oever bereiken!

10.38: 16

En als ik dan voor de voeten ben neergevallen, zal de Almachtige op mijn hoofd die ene lotushand leggen die de angst verdrijft voor het serpent van de tijd, de slang vanwege wiens flitsende kracht de mensen verschrikt hun toevlucht zoeken.

10.43: 5

Aldus bedreigd, werd de olifantenhoeder kwaad en stuurde hij de furieuze olifant die als Yama, de tijd en de dood was, in de richting van Krishna.

10.43: 5
Toen Hij dat hoorde sprak Krishna, die de worstelpartij goed uitkwam en [dus] wenselijk achtte, woorden die gepast waren voor de tijd en plaats [zie ook 4.8: 54]:

10.50: 5-6

Toen Krishna, de Allerhoogste Heer Hari, zag hoe zijn troepenmacht, als een oceaan die buiten zijn oevers was getreden, Zijn stad belegerde en Zijn burgers vervulde van angst, overdacht Hij als de Uiteindelijke Oorzaak in een Menselijke Gedaante, wat Hij, met het doel van Zijn nederdaling in deze wereld, het beste kon doen gezien de tijd en plaats.

10.51: 18 & 19

Uw kinderen, uw koninginnen en andere verwanten, ministers, adviseurs en onderdanen zijn nu niet meer in leven. De tijd heeft ze weggevaagd. De Allerhoogste, Onuitputtelijke Heer der Beheersing is de Tijd zelve, machtiger dan de machtigste, die, een spel spelend van herder en kudde, de sterfelijke wezens in gang zet.

10.51: 38
Zelfs de grootste wijzen die Mijn geboorten en handelingen opsommen die zich afspelen met betrekking tot de drie aspecten van de tijd [verleden, heden, toekomst] o Koning, kunnen het eind daarvan niet bereiken [vergelijk 8.5: 6 en 8.23: 29].

10.54: 14

Niettemin beklaag of verheug ik mij nooit, want ik weet dat de wereld wordt bestierd door de Voorzienigheid in combinatie met de Tijd.

10 54: 16

Onze vijanden hebben het, met de tijd in hun voordeel, nu gewonnen, maar dan weer, als onze tijd gekomen is, zullen wij het winnen.'

10 54: 29

Verlangend te scheppen o Meester, doet U Zich kennen als zijnde Ongeboren [als Brahmâ], neemt U voor de vernietiging de onwetendheid op U [als S'iva] en bent U voor het behoud [gemanifesteerd als] de goedheid [met de Vishnu-avatâra's] van het universum. [Maar niettemin bent U] niet overdekt [door deze geaardheden] o Heer van Jagat [van het Levende Wezen dat het Universum is]. Hoewel U Kâla [de tijd], Pradhâna [de ongemanifesteerde staat der materie, de oerether] en Purusha  [de oorspronkelijke Persoon] bent, bestaat U er niettemin onafhankelijk van.

10.60: 39

Jij bent de Opperziel van Al de Werelden die Zichzelf wegschenkt en over wiens kunnen de wijzen spreken die de staf opgaven [van het rondtrekken en Paramahamsa's worden, zie 5.1*]. Daarom werd Jij door mij uitverkozen en wijs ik die meesters van de hemel af - Hij die geboren werd op de lotus [Brahmâ] en Hij die het bestaan beheerst [S'iva]. Wat voor belang zou ik hebben bij anderen wiens ambities teniet worden gedaan door de kracht van de Tijd die wordt opgewekt door Je wenkbrauwen?

10.63: 26 

Ik benader U omdat U de loochening bent van deze mâyâ, deze materiële begoocheling van de tijd, het lot, het karma, de individuele geneigdheden, de subtiele elementen, het veld [dat het lichaam vormt], de levenskracht [prâna], het zelf, de transformaties [de elf zinnen] en dit alles bij elkaar [in de vorm van het subtiele lichaam, de linga]. Die illusoire werkelijkheid vormt een nimmer eindigende stroom [als die] van zaden en spruiten.

10.64: 11
 

Wat zou U ook niet bekend zijn o Meester, o Getuige van de Geest van Alle Wezens wiens visie niet belemmerd wordt door de tijd? Niettemin zal ik spreken zoals U wenst.

10.68: 24

'Kijk eens hoe wonderlijk de onvermijdelijke Tijd verloopt. Nu wil dat wat een schoen is, treden op een hoofd dat gesierd wordt door een kroon!

10.69: 32

[Hij zag hoe Hij] groots opgezette huwelijken arrangeerde voor dochters en zoons overeenkomstig de vidhi, op het juiste tijdstip, met echtgenotes en echtgenoten die bij hen pasten.

10.70: 3-5

Maar Vaidarbhî [Rukminî] hield niet van die zo gunstige tijd van de dag omdat ze dan de omhelzing van haar geliefde [Krishna] zou moeten missen. Mâdhava stond op tijdens de brâhma-muhûrta [het uur voor zonsopgang], beroerde water en maakte Zijn geest vrij om te mediteren op het ongeëvenaarde, enige, zelfverlichtende Zelf voorbij alle traagheid der materie. Dat Ware Zelf verdrijft, onfeilbaar als het is, overeenkomstig zijn [Zijn] eigen aard onophoudelijk de onzuiverheid en geeft aanleiding tot de vreugde van het bestaan. Men kent het als het Brahman dat, met zijn [Zijn] energieën, de oorzaak vormt van de schepping en vernietiging van dit universum [zie ook 3.29: 31 & 36-37, B.G. 7: 5 & 6 en *].

10.70: 26

De hele wereld die behagen schept in een verkeerde manier van doen is verbijsterd over de plichten alhier om van het eigen eerbetoon te zijn voor U overeenkomstig Uw [varnâs'rama] woord. Mogen er de eerbetuigingen zijn voor U, de Altijd Waakzame ['het open oog van de Tijd'] die plotseling [ten tijde van iemands stervensuur] een einde maakt aan die koppige hoop op een lang leven in dit bestaan.

10.71: 8

Hiranyagarbha ['hij van het gouden licht' ofwel Brahmâ] en S'arva ['hij die met de pijl doodt', te weten S'iva, zie 7.10: 67], zijn enkel maar het instrument van schepping en vernietiging van de Heer van het Universum, van U in de vorm van de vormloze Tijd.

73: 12-13

Wij die in het verleden, met het ons verlustigen over de weelde, verblind raakten en ruzieden met elkaar over de heerschappij over deze aarde, belaagden zeer genadeloos onze  burgers o Meester en hebben met [U in de gedaante van] de dood recht voor ogen, hoogmoedig van U afgezien. Wij o Krishna, werden ertoe gedwongen om afstand te doen van onze weelde en werden in onze trots gekrenkt door Uw genade in de vorm van de onweerstaanbare macht van de Tijd die zich zo geheimzinnig beweegt. Wij bidden U of we alstUblieft mogen leven in de herinnering aan Uw voeten.

10.74: 6

S'rî S'uka zei: 'Nadat de zoon van Prithâ dat gezegd had, koos hij, op een voor de offerplechtigheid geëigend tijdstip, met de toestemming van Krishna, de geschikte priesters uit, brahmanen die Vedische experts waren:

10.74: 19
 'Het is Acyuta die de allerhoogste positie verdient, Hij is de Opperheer, de leider van de Sâtvata's. Hij staat voor al de halfgoden zowel als de plaats, de tijd en de benodigdheden en dergelijke.

10.74: 31

'Het Vedische woord van waarheid dat de Tijd de onvermijdelijke heerser is, is hiermee bewezen, want zelfs de intelligentie van de ouderen kon door de woorden van een jongen op een dwaalspoor worden gezet!

10.77: 35

Terwijl hij op Hem afkwam met een geheven knots scheidde Krishna met een bhalla snij-pijl zijn arm van zijn romp. Om S'âlva te doden hief Hij vervolgens Zijn wapenschijf. Eruitziend als een berg met daarboven een rijzende zon straalde Hij met een schittering gelijk het licht aan het einde der tijden.

10.82: 29-30

Zijn faam zoals geprezen in de Veda's, het water dat van Zijn voeten afspoelt en de woorden van de geopenbaarde geschriften zuiveren dit universum grondig [zie ook B.G. 15: 15]. Ondanks dat haar weelde door de Tijd werd verwoest is de vitaliteit van de aarde ontwaakt door de aanraking van Zijn lotusvoeten en vervult ze al onze verlangens als een overvloedige regen. Door Hem in eigen persoon te zien, door Hem aan te raken en met Hem rond te lopen, te converseren, neer te liggen, te zitten en te eten, door via een huwelijk met Hem verbonden te zijn en Hem als bloedverwant te hebben, hebt u die [normaal gesproken] het helse pad van het gezinsleven bewandelt nu Vishnu gevonden, de hemel en bevrijding [in eigen persoon] die het einde vormt [van iemands zoeken. Zie ook 5.14 en 7.14 en B.G. 11: 41-42].'

10.83: 4

Bij het licht van Uw persoonlijke gedaante raken we verlost van de banden van de drie [staten] van het materieel bewustzijn [die van waken, dromen en slapen]. Volledig verzonken daarin, zijn we van spiritueel geluk met het ons hebben verbogen voor U, het doel der vervolmaakte heiligen [de paramahamsa's], die met de macht van Uw begoochelende vermogen deze gedaante heeft aangenomen voor de bescherming van de onbegrensde en altijd nieuwe Vedische kennis die wordt bedreigd door de tijd.'

10.84: 12

Niet het vuur, noch de zon, de maan of het firmament, niet de aarde, noch het water, de ether, de adem, de spraak of de geest nemen, als men ze aanbidt, de zonden weg van hen die verstrikt zijn in materiële tegenstellingen. Maar ze worden weggevaagd door slechts een enkel moment een man van [brahmaanse] scholing van dienst te zijn.

10.84: 23

Geen van deze koningen die Uw gezelschap genieten, noch de Vrishni's, kennen U die schuilgaat achter het gordijn van mâyâ, als de Allerhoogste Ziel, de Tijd en de Heer [B.G. 6: 26].

10.84: 32-33

De kwaliteit van [de Heer] Zijn bewustzijn wordt nimmer verstoord door tijdafhankelijke zaken als de schepping, vernietiging en zo meer van dit universum, niet door zijn eigen werking en ook niet als gevolg van een invloed van buitenaf [zie B.G. 4: 14 en 10: 30]. Het bewustzijn van Hem, de Ene Heer die Zijn gelijke niet kent, wordt niet beïnvloed door hindernissen, materiële handelingen en hun terugslagen en de natuurlijke geaardheden met hun stroom van veranderingen [kles'a, karma en guna]. Een [onwetende] buitenstaander kan Hem [echter] zien als zijnde overdekt door Zijn eigen expansies van prâna en andere elementen van de natuur, precies zoals de zon schuil gaat achter wolken, sneeuw of verduisteringen.'

10.84: 38

Iemand die intelligent is behoort het verlangen naar rijkdom te verzaken door offers te brengen en liefdadig te zijn. Het verlangen naar een vrouw en kinderen behoort hij op te geven door zich bezig te houden met tempelzaken. Met behulp van de [cakra-orde van de] Tijd [en ook als zijnde de vernietiger aller werelden, zie ook 9.5 en B.G. 3: 16] moet hij afzien van het verlangen naar een wereld voor zichzelf o Vasudeva. Alle wijzen verzaakten hun [drie soorten van] verlangens naar een huiselijk bestaan en begaven zich voor boetedoeningen het bos in [zie ook B.G. 2: 13].

10.85: 30
 

Uit mij geboren zijn Jullie nu nedergedaald vanwege de koningen die, levend in weerwil van de geschriften en met hun goede eigenschappen vernietigd door de tijd [van Kali-yuga], een overlast voor de wereld werden.

10. 86: 48

Mogen er mijn eerbetuigingen zijn voor U, die de Superziel bent voor de kenners van de Allerhoogste Geest en Hij die [in de vorm van de Tijd **] de dood van de geconditioneerde ziel teweeg brengt, U, degene die zowel de gedaanten van het gevolg als de gedaanten van de oorzaak aanneemt, U wiens visie niet wordt vertroebeld door Uw begoochelend vermogen maar die voor onze blikken wel bent verhuld.

 10.87: 24
Ach, wie alhier, die nog maar pas werd geboren en al spoedig weer zal sterven, heeft een idee van Degene Die Er Het Eerste Was uit wie de [leidende] ziener zijn bestaan vond [Brahmâ] op wie de twee groepen van halfgoden volgden [die de zinnen en de principes beheersen, zie B.G. 7: 26]? Als Hij neerligt om Zich terug te trekken blijft er op dat moment niets over van het grofstoffelijke en het subtiele of van dat wat uit hen is samengesteld [de lichamen] en zijn er ook het verloop van de Tijd en de S'âstra's niet meer [B.G. 9: 7]

10.87: 30

Als de talloze belichaamde wezens niet tijdgebonden zouden zijn, dan zou het alomtegenwoordige niet zo'n soevereine macht vormen, o Onveranderlijke. Omdat men de substantie niet los kan zien van dat waaruit zij werd voortgebracht [ - pradhâna, de oer-ether, de tijdruimte -] moet [U] de Regulator [van de Tijd] worden gekend als zijnde overal in gelijke mate aanwezig en niet als Zich ergens anders bevindend. Om die reden heeft men het bij het verkeerde eind als men ervan uitgaat dat men weet zou hebben [van het volledige van U], men is immers van het onvolkomene [de lokale orde] met wat men zo kent [zie 6.5: 19].

10.87: 31

De materiële natuur [prakriti] en de persoon [de purusha] vinden hun bestaan niet op een bepaald tijdstip. Niet [uit de één of de ander] ontstaand als zodanig is het te danken aan de combinatie van die twee [ongeboren elementen] dat levende lichamen in U hun bestaan vinden, zoals bubbels hun bestaan vinden als een combinatie van water en lucht. En net zoals rivieren in de zee uitmonden en alle smaken [van bloemennectar] zich samenvoegen in de honing, gaan de levende wezens met al hun verschillende namen en kwaliteiten [uiteindelijk ook weer] op in [U,] het Allerhoogste [zie ook B.G. 9: 7].

10.87: 32

Zij die wijs zijn, zijn ervan doordrongen hoezeer Uw mâyâ de menselijke wezens begoochelt en zijn U regelmatig met traditionele toewijding van dienst, U die de bron der bevrijding bent. Hoe kan er voor hen die U trouw aanhangen, ook maar iets van angst bestaan voor een materieel leven, een angst die door het drie-gerande [wiel van de Tijd - van verleden, heden en toekomst] - door Uw fronsende wenkbrauwen - steeds weer wordt opgeroepen in hen die niet bij U hun heil zoeken [zie ook B.G. 4: 10, 7: 14 & 14: 26]?


10.87: 32

Noch de meesters van de hemel, noch zelfs U kunnen het einde bekennen van Uw heerlijkheid o Onbegrensde, o U in wie de vele universa door de Tijd voortgedreven, ieder in hun eigen omhulling, worden rondgeblazen in de hemel als waren het stofdeeltjes. De s'ruti's die vrucht dragen door [neti neti] dat te elimineren wat niet Uw Absolute Waarheid is, vinden in U hun uiteindelijke conclusie [zie siddhânta].'

10.90: 47
O Koning, toen Krishna Zijn geboorte nam onder de Yadu's stelde Hij het pelgrimsoord van de hemelse rivier [de Ganges] die van Zijn voeten spoelt in de schaduw. Door Zijn belichaming bereikten vriend en vijand hun doel [7.1: 46-47]. De onovertroffen en hoogst volmaakte godin S'rî voor wie alle anderen zich in bochten wringen is de Zijne. Zijn naam gehoord of gezongen is wat het ongunstige vernietigt. Door Hem werd het dharma ingesteld voor de lijnen van de [geestelijke] erfopvolging [de leerscholen der wijzen]. Met Heer Krishna, die het wiel van de Tijd [Zijn cakra] als Zijn wapen hanteert, wekt het geen verbazing dat de last van de aarde werd weggenomen [zie ook 3.2: 7-12].

 

Canto 11

 

11.1: 11-12

Na ten huize van de heer der Yadu's [Vasudeva] hoogst zegenrijke rituelen te hebben uitgevoerd om vroomheid af te roepen en de onzuiverheden van Kali-yuga weg te nemen, werden de wijzen Vis'vâmitra, Asita, Kanva, Durvâsâ, Bhrigu, Angirâ, Kas'yapa, Vâmadeva, Atri, Vasishthha, Nârada en anderen, door de Ziel van de Tijd [Heer Krishna] erop uitgestuurd zich naar Pindâraka te begeven [een pelgrimsoord].

11.1: 24

Hoewel de Opperheer heel goed wist wat dat allemaal te betekenen had, wilde Hij de vloek der geleerden niet terugdraaien en legde Hij Zich er, in Zijn Tijdgedaante, bij neer.'

11.3: 08

Als de ontbinding der materiële elementen op handen is trekt de [Heer in de gedaante van de] Tijd die geen Begin of Einde kent, het gemanifesteerde universum bestaande uit de grofstoffelijke objecten en subtiele geaardheden [terug] in het niet-gemanifesteerde [zie ook 3.29: 40-45, 3.26: 51].

11.3: 14

Vuur, door het duister ontdaan van zijn [kwaliteit, zijn] vorm, verandert in lucht en de lucht, die [de kwaliteit] van zijn aanraking kwijtraakt, lost op in de ether. Als de ruimte [de ether] door de Opperziel van de Tijd wordt ontdaan van zijn kwaliteit [het geluid], gaat hij over in het ego [van het niet-weten].

11.6: 14-16

Brahmâ en al de andere belichaamde wezens hebben hun bestaan gelijk ossen met een touw door hun neus. Beheerst door de Tijd maken ze elkaar het leven moeilijk. Mogen de lotusvoeten van U, de Allerhoogste Persoonlijkheid verheven boven zowel de materiële natuur als de individuele persoon, ons het bovenzinnelijk geluk brengen [vergelijk 1.13: 42, 6.3: 12].

U bent de oorzaak van de schepping, handhaving en vernietiging van dit [universum]. U bent de oorzaak van het ongeziene, de individuele ziel en het grote geheel van de manifeste werkelijkheid. Men zegt dat U, deze zelfde persoonlijkheid, de alles beheersende tijdfactor bent die zich doet gelden als een rad dat bestaat uit drie delen [zomer, winter en herfst/lente]. Men beweert  dat U de Allerhoogste Persoonlijkheid bent die in de gedaante van de Tijd onafgebroken in Uw voortgang het verval van alles bewerkstelligt [*].

Het levend wezen [te beginnen met Mahâ-Vishnu] ontleent zijn kracht [potentie] aan dat [tijdsaspect] van U. U vestigt de uitgebreidheid van de materie ermee [mahat-tattva]. Verenigd met diezelfde natuur genereert U, die Uw kracht nimmer verspilt, vanuit Uzelf - zoals een gewone foetus wordt voortgebracht - van daaruit het gouden voorwereldlijke ei van het universum uitgerust met zijn [zevenvoudige] gelaagdheid [zie kos'a].

11.7: 43

Net zoals het bereik van de ether niet wordt beroerd door de winden die de wolken voortblazen, wordt een persoon [in zijn ware zelf] niet geraakt door zijn lichamen bestaande uit vuur, water en aarde die worden bewogen door de Tijd in overeenstemming met de geaardheden der natuur.

11.7: 48-50

De staat van het lichaam [die je ondergaat] vanaf je geboorte tot aan je dood verandert met de loop van de Tijd die zelf niet kan worden waargenomen; het is het lichaam dat verandert, niet de ziel, net zoals de fasen van de maan [veranderen, maar niet de maan zelf, B.G. 2: 13, 2: 20]. Net zoals met vlammen [die men niet los kan zien] van een vuur men individuele zielen niet los kan zien van de lichamen die steeds weer sterven en worden geboren, kan  men de [absolute] Tijd zelf niet waarnemen, ondanks [de relativiteit van] zijn voortsnellende, dwingende stroom [*].

11.8: 36

Hoe weinig geluk brachten mij het zingenot en de mannen die mijn zinnen streelden? Het hebben van een echtgenote of [zelfs de genade van] de goden heeft, verdeeld over de tijd, allemaal zijn begin en eind.

11.8: 41-42

 Als men is gevallen in de put van het materieel bestaan, door zinsgenoegens is beroofd van zijn inzicht en in de greep verkeert van de slang van de Tijd, wie anders dan de Oorspronkelijke Heer zal je ziel dan bevrijden [zie ook 10.34]? Op het moment dat een ziel het universum oplettend beziet als verkerend in de greep van de slang van de Tijd, raakt hij ontnuchterd onthecht van al het materiële en is hij geschikt om te dienen als zijn eigen beschermer.'

11.9: 16-19

Het ene Zelf, de Ene Heer zonder Zijns gelijke, die de Grondvesting en het Reservoir van Allen werd, is Nârâyana, de Godheid die in den beginne bij de gratie van Zijn eigen vermogen dit universum schiep en middels Zijn vermogen van de Tijd aan het einde van de kalpa deze schepping weer terugtrekt in Zichzelf. Als de materiële machten van sattva en zo meer, in evenwicht zijn gebracht door de tijdfactor die het vermogen vormt van het Ware Zelf [de Ziel, de Heer], vindt men de Oorspronkelijke Persoonlijkheid, de purusha als de Allerhoogste Heer, de Meester over zowel de primaire natuur [pradhâna] als de persoon. Hij, het voorwerp van aanbidding van al de geconditioneerde en bovenzinnelijke zielen heeft Zijn bestaan in de zuiverste ervaring die men omschrijft als kaivalya [emancipatie of zaligheid], de volheid van de gelukzalige staat zonder [guna] kwaliteiten [zie ook B.G. 7: 5 *]. Middels het zuivere vermogen van Zijn Zelf, Zijn eigen begoochelende energie die bestaat uit de drie geaardheden, veroorzaakt Hij o onderwerper der vijanden, bij de aanvang van de schepping beweging [met de Tijd] en manifesteert Hij het plan van de materie [de sûtra, de draad, de regel danwel de directie van de mahat-tattva, zie ook 3.26: 19].

11.10: 14-16

Voor zij die heersen met en genieten van hun karma is er natuurlijk de eeuwige dualiteit van geluk en ongeluk, tijd en plaats, hebben en zijn. Als je alles wat materieel is voor eeuwig en volkomen houdt, wordt je intelligentie beheerst door al de verschillende vormen en veranderingen die daarbij horen. Alle levende wezens die aldus denken o Uddhava, zullen zich keer op keer weer geboren zien  [ziek worden en sterven, zie 3.11], verenigd met een lichaam zit men immers vast aan de [conditionerende] geledingen van de tijd [van zon en maan, dag en nacht etc.].

11.10: 26

Na lang van de hemelen te hebben genoten tot zijn vrome tegoed verbruikt was, verliest hij met zijn deugd uitgeput tegen zijn wil zijn plaats in de hemel, [zonder een vaste routine] door de tijd uit zijn positie gedrongen [vergelijk B.G. 9: 20-22].

11.10: 30

In al de werelden bestaat er onder al hun leiders vrees voor Mij [in de vorm van de Tijd]; de individuele zielen die een kalpa lang leven vrezen Mij en zelfs de allerhoogste, Brahmâ die voor de duur van twee parârdha's leeft, vreest Mij [zie ook 1.13: 17-20, 3.8: 20, 3.11: 33, 3.25: 42, 3.26: 16, 3.29: 37, 3.29: 40-45, 5.24: 15, 5.24: 28].

11.10: 33-34

Zolang men niet vrij is van deze afhankelijkheid zal er vrees bestaan voor de Heer en Heerser [die de Tijd  is]. Zij [dan] die dit [deze karmische band] genieten, zullen verdwaasd raken en steeds vol van verdriet zijn. Met het bestaand op elkaar reageren [ofwel de werking] van de geaardheden, noemt men Mij aldus verschillend de Tijd, de Ziel, de Vedische Kennis, de Wereld, de [eigenlijke aard of de grote] Natuur, alsmede het Dharma.'

11.13: 4

De [aangehangen] doctrine, [zoals men met] water [omgaat], de mensen [waar men mee omgaat], iemands leefomgeving en [hoe men zich gedraagt met] de tijd, de [beroepsmatige] activiteiten, iemands geboorte [of milieu] alsook de meditaties, mantra's en zuiveringsrituelen [die men erop nahoudt], zijn de tien factoren die bepalen welke geaardheid [overheerst].

11.13: 13

Als men het proces van het ademen [prânâyâma] de baas is en de zithoudingen [âsana] onder de knie heeft, behoort men aandachtig, stap voor stap, zonder nalatigheid zijn geest op orde te brengen door op gezette tijden zich op Mij te concentreren [overeenkomstig de posities van de zon en de maan, zie B.G. 7: 8 en 5: 26-28].

11.15: 12

De yogi kan laghimâ [lichtheid] verwerven door zijn bewustzijn te hechten aan Mij als het allerhoogste [element] van de kleinste elementen [de atomen], de subtiele eigenschap van de Tijd [zie ook cakra].

11.15: 15

Als men zijn bewustzijn richt op Vishnu, de Oorspronkelijke Heerser over de Drie [guna's, zie ook B.G. 7: 13] die de beweger is in de gedaante van de Tijd, zal men de siddhi van îs'itvâ [de oppermacht] verwerven waarmee men het geconditioneerde lichaam [het veld] en zijn kenner kan beheersen [*].

11.15: 28

Een yogi die zuiver van karakter zich door zijn toewijding tot Mij weet te concentreren [dhâranâ], krijgt inzicht in de drie fasen van de tijd [verleden, heden en toekomst] ondersteund door kennis over geboorte en dood [zie tri-kâlika].

11.15: 33

Men zegt [echter] dat ze [deze siddhi's] voor degene die de hoogste vorm van yoga beoefent - de [bhakti-]yoga waarmee men al het denkbare in het leven van Mij verkrijgt - een belemmering vormen waarmee men zijn tijd verspilt.

11.16: 10

Ik ben het doel van hen die naar vooruitgang streven, de Tijd van hen die controle uitoefenen, Ik ben het evenwicht van de geaardheden der natuur alsook de deugd van degenen met goede eigenschappen.

11.16: 27-28

Van wat een stabiele visie vormt ben Ik het zonnejaar, van de seizoenen ben Ik het voorjaar, van de maanden ben Ik Mârgas'îrsha [November-December], en van de huizen van de maan [de zevenentwintig nakshatra's] ben Ik Abhijit. Onder de yuga's ben Ik Satya-yuga, onder de nuchteren ben Ik Devala en Asita, van de bewerkers van de Veda ben Ik Dvaipâyana [Vyâsadeva], en onder de geleerden thuis in de spiritualiteit ben Ik S'ukrâcârya.

11.18: 3

[In het bos] behoort men zijn hoofdhaar en lichaamshaar, aangezichtshaar en nagels te laten [groeien] alsook het lichaamsvuil, de tanden niet [uitgebreid] te reinigen, [maar] zich drie maal daags te baden en ['s nachts] op de grond te slapen.

11.18: 5-6

Men eet wat ofwel werd bereid op een vuur, wat rijpte mettertijd of wat verpulverd werd met een vijzel, met een steen of vermalen werd met de tanden. Men moet persoonlijk alles bijeenbrengen wat voor het levensonderhoud nodig is naar gelang de plaats, de tijd en de energie die men heeft en goed begrijpen dat [levend in het bos] men niets moet opslaan voor een later tijdstip [zie ook 7.12: 19].

11.19: 10

AlsJeblieft verhef deze persoon die zo erg smachtend naar wat onbeduidend geluk, gebeten door de slang van de tijd, hopeloos ten val kwam in dit donkere gat [van het materieel bestaan]. O Grote Autoriteit, stort Je woorden van genade uit die tot bevrijding leiden!'

11.20: 2

Ze handelen ook over de verschillen binnen het varnâs'rama-systeem waarin de vader van een hogere [anuloma] dan wel een lagere klasse [pratiloma] kan zijn dan de moeder, ze gaan over hemel en hel en behandelen de onderwerpen van het hebben van bezittingen, de leeftijd, de plaats en de tijd [zie ook 4.8: 54 en *].

11.21: 7:
Wat goed en kwaad zou zijn wat betreft de plaats, de tijd, materiële zaken en wat dies meer zij, is door Mij ingesteld o Uddhava, met de bedoeling om materieel gemotiveerde handelingen aan banden te leggen.

11.21: 9-10:

De tijd die ofwel door zijn natuurlijke aard [positie van de zon, maanfase] dan wel door zijn voorwerpen [afspraak per kalender en zonnewijzer] geschikt is voor het naleven van voorgeschreven plichten wordt als goed beschouwd en de tijd die de plichtsvervulling belemmert of ongeschikt is ['s nachts of  tijden van andere verplichtingen] beschouwt men als slecht [zie ook B.G. 7: 8, 11.20: 26, kâla en kâlakûtha **]. De zuiverheid en onzuiverheid van een ding [of van een substantie] stelt men vast [valideert men] aan de hand van een ander ding, aan de hand van wat men erover zegt, aan de hand van een [zuiverings-]ritueel, aan de hand van de tijd of overeenkomstig de relatieve maat [zie ***].

11.21: 12:
Granen, zaken van been, klei of hout, draad, huiden en vloeistoffen en zaken gewonnen uit het vuur [worden gezuiverd] door een combinatie van de [factoren] tijd, lucht, vuur, aarde en water, of door ieder van hen afzonderlijk.

11.21: 15:
De zuivering ontleend aan een mantra is het gevolg van het hebben van de juiste kennis ervan. De zuivering ontleend aan een bepaalde handeling is het gevolg van de toewijding die men voor Mij heeft. Dharma [religiositeit] floreert bij [de zuiverheid van] de zes factoren [zoals vermeld: de plaats, de tijd, de substantie, de mantra's, de doener en de toegewijde handeling], terwijl goddeloosheid [adharma] door het tegenovergestelde wordt voortgebracht.

11.22: 13

In deze wereld is de geaardheid goedheid van kennis [licht], de geaardheid hartstocht van vruchtdragende arbeid [karma] en de geaardheid onwetendheid is van een gebrek aan wijsheid; de interactie van de geaardheden wordt de Tijd genoemd en wat er van nature is, de natuurlijke geneigdheid [svabhâva], vormt de draad [de sûtra, de kosmische intelligentie, de mahat-tattva, zie ook 11.12: 19-21].

11.22: 33

De onrust der geaardheden vindt plaats op basis van de oerether en leidt tot veranderingen [ofwel pradhâna vormt de oorzaak der tijdverschijnselen]. Het principe van het intellect [mahat-tattva, zie ook ***] wekt daardoor een [vals] ik-besef op dat de oorzaak is van drie verschillende vormen van begoocheling: emotie [vaikârika], onwetendheid [tâmasa] en zinsgenot [aindriya].

11.23: 43

Mijn beste, geschapen lichamen vinden voortdurend hun bestaan en einde als gevolg van de Tijd waarvan men de onzichtbare, subtiele energie niet waarneemt.

11.23: 11

O Uddhava, een deel van de weelde van deze zogenaamde brahmaan werd ingepalmd door zijn verwanten, een deel door dieven, een deel door de voorzienigheid, een deel door de tijd, een deel door de gewone man en een deel door hoger geplaatst gezag [zie ook 10.49: 22].

11.23: 42

De brahmaan zei: 'Deze mensen zijn niet de oorzaak van mijn geluk of ongeluk, noch is het te wijten aan de halfgoden, mijn lichaam, de planeten, mijn karma of de tijd. Het is, zoals het heersend gezag dat stelt [de s'ruti], niets dan de geest die er de oorzaak van is dat men ronddraait in de kringloop van het materiële leven.

11.23: 55

En als we zeggen dat de tijd de oorzaak van ons geluk en het leed zou zijn, hoe zit het dan met de ziel in dat idee? De ziel is niet gelijk aan de tijd, zoals een vuur niet gelijk is aan zijn hitte en sneeuw niet gelijk is [aan de kou]. Op wie moet je nu kwaad worden als er geen dualiteit bestaat in de bovenzinnelijke positie [zie ook B.G. 18: 16 en tijdcitaten]?

11.24: 5

Door Mijn beroering [in de vorm van de tijd, van Kâla], manifesteerden zich de geaardheden tamas, rajas en sattva [de guna's] als antwoord op de verlangens van het levende wezen.

 11.24: 15

Zoals beschikt door Mij, de Ondersteuner, de Ziel [de energie] van de Tijd, ontworstelt men zich aan of verdrinkt men in de machtige stroom van de geaardheden van deze wereld waarin men gebonden is aan het verrichten van baatzuchtige arbeid.

 11.24: 19

De materiële natuur [prakriti] waarvan de basis het oorzakelijke [het getransformeerde] ingrediënt van de Allerhoogste Persoon [de purusha] is, vormt samen met dat wat in beroering brengt, te weten de Tijd [kâla], het drietal van de Absolute Waarheid [Brahman] die Ik ben.

11.24: 21-27

Als de vorm van het universum die van Mij is doordrongen de volle planetaire verscheidenheid tentoon heeft gespreid van zijn tijdperken [van schepping, handhaving en verval], komt [omdat het einde van de synergie is bereikt] deze verscheidenheid met zijn verschillende werelden uit op [het weer oplossen in] haar vijf samenstellende grofstoffelijke elementen [zie yuga's en manvantara's, en B.G. 11: 13]. (22-27) Het sterfelijk omhulsel gaat [ten tijde van de vernietiging] op in het voedsel, het voedsel in het graan, het graan in de aarde en de aarde in de geur. De geur lost op in het water, het water in de kwaliteit van de smaak, de smaak in het vuur en het vuur in de vorm. De vorm gaat op in de lucht, de lucht in aanraking en die lost op in de ether. De ether lost op in het subtiele voorwerp van het geluid en de zinnen [van dat geluid etc.] gaan op in hun bronnen [de goden van de zon en de maan etc.]. De bronnen Mijn beste Uddhava, gaan op in de geest van het ego der goedheid, de beheerser van het geluid, die oplost in de oorspronkelijke staat der elementen [het ego der traagheid]. Die almachtige elementaire oernatuur versmelt dan met de kosmische intelligentie [mahat]. Dat grote principe van de natuur gaat over in zijn eigen geaardheden en zij op hun beurt gaan over in hun uiteindelijke verblijfplaats, de ongemanifesteerde staat van de natuur die opgaat in de onfeilbare Tijd. De Tijd lost op in de individualiteit [de jîva] van het Allerhoogste dat het illusoir vermogen stuurt en die individualiteit gaat op in Mij, het Allerhoogste Ongeboren Zelf [âtmâ], die, gekenmerkt door schepping en vernietiging, volmaakt in Zichzelf verwijlt en alleen blijft [zie ook 3.11: 28, 4.23: 15-18, 11.3: 12-15]. (28) Hoe kan, net als met de duisternis als de zon oprijst aan de hemel, de verbijstering van de geest der dualiteit zich handhaven in het hart van degene die dit nauwlettend bestudeert? (29) Dit is wat Ik, die zowel de Geestelijke als de Materiële Wereld overziet, te zeggen had wat betreft deze Sânkhya instructie van analyse [zie ook 3.25 - 3.33] die de band der twijfels doorbreekt van de mensen die zowel meeleven met als ingaan tegen de natuur.'

11.25: 30

De materiële substantie, de plaats, de vrucht van het handelen, tijd, kennis, het handelen, degene die handelt, geloof, de staat van bewustzijn en de bestaansvormen en levensbestemmingen behoren allen aldus tot de drie guna's.

11.28: 16

Met de aandacht gericht op het lichaam, de zinnen, de levenskracht en de geest, neemt de [zich identificerende] individuele ziel, naar gelang de guna's en het karma, zijn gedaante aan in het [grote universele] Zelf. Met de leidraad [de sûtra] van de totale natuur aldus heel verschillend aangeduid [als hond, aap of mens], beweegt hij dan zich, beheerst door de tijd, rond in het materieel bestaan.

11.28: 18

Spirituele kennis [jñâna, impliceert] het onderscheiden [van geest en stof en wordt gevoed door] de Schrift en boetedoening, persoonlijke ervaring, historische verslagen en logische afleidingen. [Zij is gebaseerd op] dat wat er is aan het begin, hetzelfde blijft er tussenin en wat uiteindelijk als enige overblijft van dit [scheppingsgebeuren], te weten de Tijd en de Uiteindelijke Oorzaak [van brahman, de Absolute Waarheid, zie ook B.G. 10: 30, 33, 11: 32 en kâla].

11.29: 11

 Either alone or in association one should with respect for the position of the moon [e.g.], at special occasions and at festivals engage in singing and dancing and so on, with royal opulence [and generous contributions].

12.2: 1

S'rî S'uka zei: 'En dan o Koning, zullen onder de sterke invloed van de tijd [van Kali-yuga] religiositeit, waarheidliefde, reinheid tolerantie en genade alsook levensduur, lichaamskracht en geheugen dag na dag afnemen [zie ook 1.16].

12.2: 44

O Koning, van alles wat koningen met hun macht ook genieten in de wereld laat de Tijd niets meer over dan wat verslagen en verhalen [vergelijk met 2.9: 33, 5.19: 28, 11.19: 16, 11.28: 21].'

12.3: 9-13

Prithu, Purûravâ, Gâdhi, Nahusha, Bharata, Kârtavîryârjuna, Mândhâtâ, Sagara, Râma [*], Khathvânga, Dhundhuhâ [ofwel] Kuvalayâs'va [9.6: 23-24], Raghu [9.10: 1], Trinabindu [9.2: 30], Yayâti, S'aryâti [9.3: 1], S'antanu [9.22: 12-13], Gaya [5.15: 6-13], Bhagîratha [9.9: 2-17], Kakutstha [9.6: 12], Naishadha [Nala, 9.9: 16-17,9.23: 20-21, van de nakomelingen van Nishadha, 9.12: 1], Nriga [Nâbhâga, 10.64: 10], Hiranyakas'ipu, Vritra, Râvana die de hele wereld deed weeklagen, Namuci [8.11: 29-49], S'ambara [10.36: 36], Bhauma, Hiranyâksha en Târaka [8.10: 19-24], zowel als vele andere demonen en vorsten die veel macht hadden over anderen, waren stuk voor stuk helden die goed van alles op de hoogte niet te overwinnen waren en allen onderwierpen. Voor mij levend o machtige, gaven ze blijk van een grote bezitsdrang maar, omdat ze in de greep van de Tijd onderworpen waren aan de dood, bereikten ze niet hun doel; er bleven alleen maar historische verhandelingen van hen over [zie ook B.G. 4: 7].

12.3: 16-17

e achtenswaardige koning [Parîkchit] zei: 'Welke methoden, mijn Heer, staan de mensen levend in Kali-yuga ter beschikking om de fouten die zich als gevolg van dat tijdperk ophopen te bestrijden? Alstublieft leg me uit hoe het zit. (17) Hoe zit het met de yuga's, de plichten die bij hen horen, de tijd die ze beslaan en wanneer ze eindigen, alsook de Tijd zelf die de beweging van de Meester vertegenwoordigt, van Heer Vishnu, de Opperziel [zie ook tijdcitaten-pagina].'

12.3: 26

De kwaliteiten der goedheid, hartstocht en onwetendheid die men aldus [afhankelijk van het tijdperk] waarneemt bij een persoon, wisselen - onder de druk van de [werking der] Tijd - in de geest van samenstelling [***].

12.4: 1

S'rî S'uka zei: 'De tijd beginnend met de kleinste eenheid van het atoom en culminerend in de twee helften [of parârdha's] van het leven van Brahmâ] o Koning, werd beschreven [in 3.11] tezamen met de duur van de yuga's. Verneem nu over de vernietiging van een kalpa.

12.4: 15-19

uur neemt dan de smaak van het water weg, waarna het, verstoken van haar unieke kwaliteit, oplost. Dan volgt het vuur dat door de lucht verstoken raakt van zijn vorm omdat het zijn kwaliteit [van aanraking] wegneemt, waarna de lucht de ether binnengaat die die kwaliteit weer wegneemt. Dan o Koning lost de ether op in het oorspronkelijke element van de natuur [âdi,vals ego in onwetendheid] dat zijn kwaliteit van het geluid wegneemt. Vervolgens worden de zinnen gegrepen door de vitale macht van het universum [tejas of vals ego in hartstocht] mijn beste, terwijl de goden worden geabsorbeerd door de  universele omvorming [vikara, het valse ego der goedheid]. De kosmische intelligentie [mahat] grijpt het valse ego met al zijn functies waarna mahat wordt geabsorbeerd door de geaardheden van de natuur van sattva enzovoorts. Deze drie hoedanigheden o Koning worden dan, onder aandrang van de Tijd, overvleugeld door de onuitputtelijke doener [de oorspronkelijke ongemanifesteerde gedaante van de natuur]. De oorspronkelijke doener is niet onderhevig aan omvorming in tijdverdelingen [shath-ûrmi] en dergelijke kwaliteiten; niet gemanifesteerd zonder een begin en een einde, is het [of Hij] de onfeilbare eeuwige oorzaak.

12.4: 22

Dit vormt de [prâkritika pralaya] vernietiging waarin al de materiële elementen van de natuur en de energieën van de ongeziene Oorspronkelijke Persoon volledig onttakeld raken door de Tijd en reddeloos opgaan.

12.4: 29

Hoewel de veranderlijkheid [van de wereld der verschijnselen of] van zelfs maar één enkel atoom voor ons kenbaar is, kan ze op geen enkele manier worden verklaard  zonder [ - als losstaande van -] het Zelf vanbinnen [van de Tijd, de Heer, de expansie van het universum, de 'vierde dimensie'], want als dat zo zou zijn [als er niet zo'n Zelf zou zijn] zou het, gelijk zijnde aan het bewustzijn, moeten blijven zoals het is

12.4: 36

De [min of meer gunstige levens]omstandigheden van alle levende wezens die onderhevig zijn aan verandering, worden snel en voortdurend weggevaagd door de machtige kracht van de stroom der Tijd en vormen de oorzaken van hun geboorte en dood. Deze staten van zijn geschapen door de Tijd, de gedaante van de Heer zonder een begin en een eind, worden niet [direct] waargenomen, net zoals [de bewegingen van] de planeten in de hemel niet [direct] worden gezien [zie ook 3.10: 10-14].

Tot zover versie drie, ...... wat volgt is de tweede versie.

12.6: 47

Toen ze zagen dat onder de invloed van kâla [de mensen] minder intelligent werden en korter leefden en dat hun kracht was afgenomen, deelden de belangrijkste wijzen, geïnspireerd door de Onfeilbare Heer die Zich in hun harten bevindt, de Veda's op [zie ook 1.4: 16-18].

12.6: 67

S'rî Yâjñavalkya zei: 'Mijn eerbetuigingen voor de Hoogste Persoonlijkheid van God die, verschijnend als de zon, als de Superziel in de vorm van de Tijd aanwezig is [als de Beheerser] in de harten van de vier soorten van levende wezens vanaf Brahmâ tot aan de grassprieten [als geboren uit eieren, baarmoeders, vocht en zaad, zie ook 2.10 37-40]. U die, net als de hemel [door haar wolken], niet door materiële termen te omvatten bent, volbrengt in Uw eentje, met de stroom der jaren die bestaat uit de kleine fragmenten van de kshana's, lava's en nimesha's [zie 3.11: 7], de handhaving van dit universum door het water weg te nemen en weer te retourneren [in de vorm van regen].

12.8: 43

Niets anders dan het bereiken van Uw voeten, de eigenlijke vorm van de bevrijding, brengt de persoon, die van alle kanten te vrezen heeft o Heer, zijn heil; we weten dat Brahmâ, wiens tijd twee parârdha's beslaat, op grond hiervan hoogst bevreesd is, bang vanwege de Tijd die u bent - en wat te zeggen van de wereldse levensvormen door hem geschapen? [zie 10.13: 56]

12.9: 29

Hij aanschouwde de basiselementen van de natuur en al hun grofstoffelijke manifestaties, als ook de Tijd zelve van de verschillende yuga's en kalpa's en elk ander materieel voorwerp van nut in het universum dat als zijnde echt was manifesteerd.

12.10: 37  

Laat er met de kennis van het drievoudige van de tijd [tri-kâlika] o brahmaan, en met de wijsheid plus de verzaking, er voor hem die de het brahmaanse vermogen gegeven is, voor u, de status zijn van 'leraar van de purâna'.

12.10: 42  

Voor die twee soorten mensen, o beste van Bhrigu, die aldus danwel luisteren danwel dit [verhaal] beschrijven dat doordrongen is van het vermogen van de Heer met het Wiel [van de Tijd] in Zijn hand, zal er niet de gang van een werelds bestaan zijn gebaseerd op karma.

 12.11: 14-15    

De knots die Hij draagt is het hoofdelement [de prâna of vitale adem] met betrekking tot het zinsvermogen, de lichaamskracht en de geesteskracht; Zijn uitstekende schelphoorn is het waterelement en Zijn Sudars'ana-schijf is het principe van de tejas [het vitaal vermogen, de waardigheid, het vuur in de strijd]. Zijn zwaard is, [zuiver] als de atmosfeer, het ether-element, Zijn schild bestaat uit de geaardheid onwetendheid, Zijn boog S'arnga is de specifieke orde [of geest, de rûpa] van de tijd, en Zijn pijlenkoker bestaat uit het karma [de actie of de karmendriya's].

12.11: 17

Het cyclische [van de tijd, te weten de zon en de maan] vormt de grondslag voor de oefening van respect voor de Godheid, spirituele initiatie [dîkshâ] vormt voor de geestelijke ziel de manier om tot zuivering te komen, en de toegewijde dienst van de Fortuinlijke is er voor iemand om een einde te maken aan een slechte gang van zaken.

12.11: 17

Sûta zei: "Deze regulator van al de planeten [de zon] die in hun midden ronddraait [rondom de berg Meru, zie 5.22: 2] werd [door de heer in de gedaante van de Tijd] geschapen uit de zijn aanvang niet kennende materiële energie van Vishnu, de Opperziel van alle belichaamde wezens.

12.11: 31

De Heer in termen van de materiële energie wordt aldus verdeeld in negenen beschreven als de tijd, de plaats, de onderneming, de uitvoerder, het instrument, het specifieke ritueel, de schrift, de hulpmiddelen en het resulaat, o brahmaan [vergelijk B.G. 18: 13-15].

12.11: 32

Beginnende met Madhu is de Opperheer met het aanemen van de gedaante van de tijd, er voor de [regulatie van de] planeetbeweging naar de regel van twaalf [maanden of mâsa's, zie ook B.G. 10: 21], zich afzondelijk bewegend met twaalf stellen metgezellen.

12.11: 45

Al dezen [deze persoonlijkheden] vormen de heerlijkheden van Vishnu, de Allerhoogste Persoonlijkheid van God in de gedaante van de zonnegod; zij nemen van hen die op de keerpunten van de dag aan hen terugdenken, de terugslagen van de zonde weg.

12.12: 10

De grove en subtiele bewegingen van de tijd [3.11], [komen eveneens aan bod als ook] het genereren van de lotus [3.8] het het doden van Hiranyâksha in samenhang met de bevrijden van de aarde uit de oceaan [3.17-19].

12.12: 45

[Ten slotte is er een verslag van] Vishnurata [Parîkchit], de intelligente godvruchtige koning die zijn lichaam moest opgeven [12.5-6], hoe de ziener [Vyâsa en anderen] de verschillende takken van de Veda overdroeg [12.6-7], de vrome geschiedenis van Mârkandeya [12.8-10] en de inrichting van de [ledematen van de] Mahâpurusha alsmede de regeling [van de tijd] in relatie tot de zon, het Zelf van het levende wezen dat het Universum is [12.11].

12.12: 61

Als men zelfbeheerst zonder te hebben gegeten deze verzameling van verzen reciteert in [de heilige plaatsen] Pushkara, Mathurâ of Dvârakâ, zal men bevrijd raken van de angst [voor de Tijd, of voor een materieel leven, zie ook 1.13: 19].

 

Bhagavad Gîtâ   

4: 2

Op die manier ontvingen de één na de ander, de heilige koningen deze wetenschap, het op die manier begrijpend, maar in de loop van de tijd raakte deze grootse manier zichzelf te verbinden verstrooid in deze wereld, o onderwerper van de vijanden.

4: 7

Waar en wanneer ook het zeker is dat men verslapt in de rechtszin en een overwegen van onrecht zich manifesteert, o afstammeling van Bharata, te dien tijde manifesteer Ik Mijzelf.

4: 38

Zeker bestaat er niets van kennis in deze wereld wat met deze zuivering te vergelijken is en hij die rijp is in zijn eigen yoga zal dat na een zeker verloop van tijd in zichzelf genieten.

6: 4

Als hij zeker nooit voor het heil van de zinnen bezig is met de noodzakelijke vruchtdragende arbeid, te dien tijde is hij een verzaker van de zelfzucht verheven in de yoga, zo zegt men.

7: 30

Zij die Mij kennen als heersend over allen als ook als het goddelijke en eveneens de offers; zij met hun geesten verbonden in Mij kennen Mij zelfs ook op het tijdstip van hun dood.

8: 7

Houdt het derhalve vol te allen tijde aan Mij te denken en met je geest en intelligentie in overgave aan Mij, zal je voorzeker zonder enige twijfel Mij bereiken.

8: 26-27

AVolgens de Veda's bestaan er deze twee manieren van het [spirituele] licht en de duisternis [der onwetendheid] in het achter zich laten van deze wereld waardoor men ofwel niet meer terug keert of wel terugkomt. Door het kennen van ieder van deze verschillende wegen, o zoon van Prithâ, is de yogi nooit in de war; wees derhalve altijd verenigd in de yoga, o Arjuna.

9: 10

Onder Mijn leiding spreidt het materiële van de natuur zowel het bewegende als het bewegingloze ten toon en om deze reden, [voor het heil van Mijn wezen], o zoon van Kuntî, is de kosmische manifestatie werkzaam.

10: 30

Van de Daitya's [niet-theïstische zoons van Diti die de oceaan karnden] ben Ik Prahlâda, van wat heerst ben Ik de Tijd, van de dieren de leeuw en van de vogels ben Ik Garuda [Vainateya].

10: 33

Van de letters ben Ik de eerste, van de samengestelde woorden ben Ik het tweevoudige woord en voorzeker ben Ik het eeuwige van de Tijd en de Schepper die in alle richtingen ziet.

11: 7

Bezie hier en nu het universum in zijn geheel, alles tegelijkertijd, met al wat beweegt en niet beweegt, in dit lichaam van Mij, o overwinnaar van de slaap, alsook wat je maar wenst te zien.

11: 32

De Allerhoogste Heer zei: 'De Allerhoogste Heer zei: "De Tijd ben Ik, de grote vernietiger der werelden hier bezig met de vernietiging van alle mensen, behalve jullie [broeders] alleen, zullen alle soldaten die aan beide zijden staan opgesteld, hun einde vinden.

13: 31

Als men dat navolgend probeert in te zien dat de diversiteit der levensvormen rust in eenheid en dat die zich uitbreidde naar die eenheid, op dat moment bereikt men het Absolute van de Geest.

14: 11

Als voor al de toegangspoorten van het lichaam zich de verlichting der kennis ontwikkelt, zegt men dat op dat moment de geaardheid goedheid overheerst.

17: 20

Donaties gegeven uit plichtsbetrachting, ongeacht wat er voor terug wordt gedaan, op de juiste tijd en plaats en aan geschikte personen - dat geven wordt beschouwd van de goedheid te zijn.

17: 22

Die liefdadigheid welke gegeven wordt op de verkeerde plaats, op de verkeerde tijd en aan personen die het niet waard zijn en eveneens wordt gegeven zonder respekt en de juiste aandacht - daarvan zegt men dat die in de geaardheid onwetendheid verkeert.

18: 61

De Allerhoogste Meester verblijft in het hart van alle levende wezens, o Arjuna, ieder schepsel sturend dat onderworpen is aan het mechanische van de tijd en de materie.

 

 

 

next page