regelbalk


 
Canto 3

Râdhâ-Krishna Bol

 

 

Hoofdstuk 28: Kapila's Instructies over de Uitvoeringspraktijk

(1) De Allerhoogste Heer zei: 'O dochter van de koning, Ik zal nu de kenmerken van het yogasysteem beschrijven dat middels de regulerende beginselen [de inperking van] de geest op het oog heeft zodat men vreugdevol het pad van de Absolute Waarheid kan bewandelen. (2) Men behoort zo goed mogelijk zijn plicht te doen en dat wat die plichtsbetrachting in de weg staat te vermijden. Men dient genoegen te nemen met wat de Heer je doet toekomen en de voeten van een zelfgerealiseerde ziel [de geestelijk leraar] te vereren. (3) Men moet afzien van burgerlijke [materialistische] praktijken en behagen scheppen in een plichtsvervulling die leidt tot bevrijding. Zo ook moet men weinig en zuiver [vegetarisch] voedsel tot zich nemen, steeds in afzondering leven en de vrede van dienst zijn. (4) Geweldloos, waarheidlievend, zonder valse toe-eigening en niet meer bezittend dan men nodig heeft, behoort men celibatair, boetvaardig en rein met het bestuderen van de Veda's respect te oefenen voor de verschijning van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid. (5) Stilte in acht nemend en stabiliteit bereikend in de beheersing van yogahoudingen en de ademhaling, moet men zich geleidelijk aan terugtrekken van de voorwerpen van de zintuigen en de geest op het hart richten. (6) Men raakt in zichzelf verzonken [of in samâdhi] door de geest en prâna te fixeren op één van de [zes] cakra's [of energieknopen *] dan wel door zich te concentreren op het spel en vermaak van [de Heer van] Vaikunthha. (7) Met deze en andere [yoga]methoden intelligent aandachtig tewerkgaand en de adem beheersend, dient men de geest, die besmet raakt door materiële genoegens, geleidelijk aan te onderwerpen. (8) Met het beheersen van de yoga âsana's moet men dit doen door op een gewijde plek voor een zitplaats te zorgen en daar rechtop te gaan zitten in een gemakkelijke houding. (9) Om ervoor te zorgen dat de geest tot rust komt en niet afgeleid raakt, moet men de doorstroming van de levensadem of de prâna mogelijk maken door in te ademen, de adem vast te houden en weer uit te ademen -  of het omgekeerde te doen. (10) De geest van de yogi die van een dergelijke zelfbeheersing is, is snel vrij van verstoringen, precies zoals goud dat, in het vuur geplaatst en met lucht aangewakkerd, snel bevrijd raakt van onzuiverheden. (11) Middels adembeheersing [prânâyâma] verdrijft men onzuiverheden, door zich naar binnen te richten [pratyâhâra] neemt het materieel gemotiveerde denken af, door de geest te concentreren [dhâranâ] overwint men de zonde en door meditatie [dhyâna] stijgt men uit boven de macht van de basiskwaliteiten van de natuur.

(12) Als de geest gezuiverd is en beheerst wordt door de yogapraktijk, behoort men, terwijl men kijkt naar het puntje van zijn neus, te mediteren op het doel van de Allerhoogste Heer [kâshthhâ, Zijn gedaante en tijdmaat in de vorm van b.v. een mechanische of een waterklok gefixeerd op het hoogste punt van de zon met de verdeling van de tijd overeenkomstig het Bhâgavatam]. (13) Met Zijn knots, schelphoorn en werpschijf in Zijn handen, Zijn rood doorlopen ogen die eruitzien als de binnenkant van een lotus en de donkere huidskleur gelijk aan die van de bloembladen van een blauwe lotus, heeft Hij een opgewekte, lotusgelijke gelaatsuitdrukking. (14) Gekleed in zijden kleding zo geel als de meeldraden van een lotus, draagt Hij het S'rîvatsa-teken [een paar witte haren] op Zijn borst en draagt Hij het schitterende Kaustubha-juweel om Zijn nek. (15-16) Er is een slinger van woudbloemen zoemend van de dronken bijen, een halsketting van onschatbare waarde alsmede armbanden, een kroon, polsbanden, enkelbanden en een gordel van de fijnste kwaliteit om Zijn middel. Hij die zetelt in de lotus van het hart is hoogst bekoorlijk om te zien, een lust voor het oog die van een sereniteit is die vreugde schept in de geest en het hart. (17) Hij is altijd zeer mooi om te zien, aanbiddelijk voor alle mensen overal, zo jeugdig als een jongen en begerig Zijn zegen te schenken aan degenen die Hem dienen. (18) Zijn roem, die bijdraagt tot de goede naam van de toegewijden, is het bezingen waard. Men moet op al de ledematen van de godheid mediteren totdat de geest niet meer afdwaalt. (19) Men moet zich de goedgunstige daden voor de geest halen van het prachtige spel en vermaak van Zijn gaan, staan, zitten en liggen dan wel verblijven in het hart. (20) Hij die zijn gedachten over Hem laat gaan moet, als hij met zijn geest gericht op de ene gedaante al Zijn ledematen onderscheidt, in zijn concentratie acht slaan op ieder onderdeel van de Heer afzonderlijk [zie ook S.B. 2.2: 13]. (21) Men moet mediteren op de lotusvoeten van de Heer die gesierd zijn met de merktekens van de bliksemschicht, de drijfstok, de banier en de lotus, alsook op de in het oog springende schitterende rode nagels met de pracht van de maansikkel die de hechte duisternis van het hart verdrijven. (22) Men moet een lange tijd op de lotusvoeten van de Heer mediteren aangezien het heilige water van de Ganges dat van Zijn voeten wegstroomt Heer S'iva zegende die het op zijn hoofd droeg. Ze werden tot een bliksemschicht die werd weggeslingerd naar de berg van zonde aanwezig in de geest van de mediteerder.

(23) Men moet in het hart mediteren op de Godin van het Fortuin, Lakshmî, de lotusogige moeder van het gehele universum geschapen door Brahmâ. Zij, die met haar zorgzame vingers de onderbenen masseert van de Almachtige Heer transcendentaal aan het materiële bestaan, wordt door alle godsbewuste zielen aanbeden. (24) Dan volgen Zijn twee prachtige benen die op de schouders van Garuda alle energie herbergen en zich naar beneden uitstrekken met de luister van de [blauw-witte] lijnzaadbloem, met om Zijn heupen de gordel over de verfijnde gele stof. (25) Vervolgens mediteert men op de uitgestrektheid van Zijn navel, welke de bestaansgrond vormt van al de werelden die zich bevinden in Zijn onderbuik. Uit die navel ontsprong de lotus, de verblijfplaats van de zelfgeborene [Heer Brahmâ] die alle bestaande planetenstelsels omvat. Men moet mediteren op de twee uiterst delicate tepels van de Heer die als smaragden zijn in het witte licht van de parels van Zijn halssnoer. (26) De borst van de Heer van de Wijsheid waar Mahâ-Lakshmî zich ophoudt, verschaft de geest en de ogen van de mensen al het bovenzinnelijk genoegen. Men moet zijn geest ook richten op de meditatie van de hals van Hem door het hele universum bewonderd, die de schoonheid verhoogt van het Kaustubha juweel. (27) Men moet ook mediteren op Zijn armen, waar de heersers van het universum hun bestaan aan ontlenen en waarvan de versieringen gepolijst zijn door het ronddraaien van de berg Mandara, alsook op de oogverblindende schittering van de Sudarshana werpschijf [met zijn duizend spaken] en de zwaangelijke schelphoorn in de lotushand van de Heer. (28) Men moet zich de strijdknots van de Allerhoogste Heer in gedachten nemen die de naam Kaumodakî draagt en Hem zeer dierbaar is, besmeurd als hij is met het bloed van de soldaten van de vijand. Ook moet men aandacht schenken aan de bloemenslinger die gonst van de bijen eromheen en het parelsnoer om Zijn nek dat het principe vertegenwoordigt van het zuivere levende wezen [zie B.G. 7: 7]. (29) Men moet mediteren op het lotusgelijke voorkomen van de Opperheer die Zijn verschillende gedaanten in deze wereld aannam uit mededogen voor de toegewijden en op de glinsterende, krokodilvormige oorhangers die weerspiegelend Zijn vooruitstekende neus en Zijn wangen kristalhelder belichten. (30) Vervolgens moet men aandachtig het geestesoog richten op de gratie van Zijn gezicht dat opgesierd is met veel krullend haar en op Zijn lotusogen en dansende wenkbrauwen die een lotus omringd door bijen en een paar zwemmende vissen in het niet doen verzinken. (31) Hij die een hart vol van toewijding heeft moet lang mediteren op de vele blikken van medeleven in Zijn ogen, want die blikken, vergezeld door de overdaad van Zijn liefdevolle, genadige glimlachen, verzachten de drie beangstigende vormen van ellende [die men zelf veroorzaakt, die door anderen wordt veroorzaakt en die door de materiële natuur wordt teweeggebracht]. (32) Op de hoogst weldadige glimlach van de Heer, die de oceaan van tranen doet opdrogen van alle mensen die in hun verdriet voor Hem bogen, moet men mediteren alsook op de welving van Zijn wenkbrauwen, daar die voor alle wijzen door Zijn inwendig, creatief vermogen werden gemanifesteerd om de god van de seksualiteit te verbijsteren. (33) Gemakkelijk te mediteren is het overdadige lachen van Zijn lippen die de pracht toont van Zijn kleine tanden die gelijk een rij jasmijnknoppen zijn. Met toewijding zijn geest verankerend moet men vol van liefde voor Hem - en met niemand anders voor ogen - op Hem mediteren, Heer Vishnu die zich ophoudt in het hart.

(34) Vanwege de zuivere liefde die men aldus door toewijding heeft ontwikkeld jegens Hari, de Allerhoogste Heer, smelt iemands hart en daardoor ervaart men dan steeds hoe je de haren overeind gaan staan door het extreme genoegen en dat er een stroom van tranen is door de intense liefde. In die staat geeft het denken als [een vis] aan de haak het geleidelijk aan op. (35) Vanaf het moment dat de geest zich in de bevrijde positie bevindt, raakt hij terstond onverschillig en dooft hij uit met het loslaten van de zinsobjecten. Net als een vlam is de persoon met een dergelijke geest op dat ogenblik niet langer afgescheiden [van het 'grote vuur' van de Superziel] en ervaart hij eenheid in vrijheid van de wisselwerking van de natuurlijke geaardheden. (36) Als hij zich bevindt in zijn uiteindelijke heerlijkheid vanwege het stoppen van de op de materiële impulsen reagerende geest, ziet hij, in zijn uitstijgen boven geluk en leed, dat inderdaad de oorzaak van het plezier en de pijn gevonden wordt in de onwetendheid van het zich in ego valselijk identificeren. Daarin schreef hij aan zichzelf [de beheersing toe, ofwel dat] toe wat nu wordt gerealiseerd door de vorm en de tijdmaat [de kâshthhâ dus] van de Superziel [het gelokaliseerde aspect van de Heer]. (37) En wat betreft het lichaam heeft de vervolmaakte ziel er geen notie van dat die niet zou voortbestaan, zich wel zou handhaven of geboorte zou nemen, omdat hij zijn voorbestemde ware identiteit [svarûpa] bereikt heeft. Net zoals het is met iemand die beschonken verblind is en niet beseft of hij nu wel of geen kleren aan zijn lijf heeft. (38) En zo komt men te staan voor de activiteiten die men met het lichaam ondernam en die op gezag van Boven voortduren zolang het moet. Men bevindt zich dan als gevolg van de yoga in verzonkenheid, de bewustzijnstoestand waarin de tot zijn wezensstaat ontwaakte ziel het lichaam,  dat zijn bestaan vond als in een droom, met inbegrip van zijn zinnelijkheid en 'bijproducten' niet [langer] voorop stelt [of aanbidt]. (39) Zoals men een sterfelijk mens begrijpt als zijnde verschillend van zijn zoon en zijn weelde, ongeacht zijn natuurlijke voorliefde voor hen, zo begrijpt men ook de persoon in zijn oorspronkelijke aard als verschillend van zijn lichaam, zinnen, geest en zo meer [ongeacht zijn identificatie met hen]. (40) Het is als met een vuur dat verschilt van zijn vlammen, vonken en rook, hoewel die er van nature, er zelf door voortgebracht, nauw mee verbonden zijn. (41) De elementen, de zinnen, de geest en de primaire natuur [zie 3.26: 10] van de individuele ziel, verschillen zo ook van de [innerlijke] getuige die de Allerhoogste Heer is die men kent als de spirituele volkomenheid [Brahman]. (42) Zoals men met een gelijkgezinde geest alle schepselen herkent als deel uitmakend van één en dezelfde natuur, moet men ook de ziel als aanwezig zien in al het gemanifesteerde en al het gemanifesteerde als aanwezig in de ziel. (43) Zoals het ene vuur zich manifesteert in verschillende soorten hout, zo ook kent de ene geestelijke ziel, in haar positie in de materiële natuur, verschillende geboorten onder verschillende natuurlijke omstandigheden. (44) Als men aldus deze eigen, moeilijk te doorgronden [begoochelende], goddelijke materiële energie, die zowel oorzaak als gevolg is, te boven is gekomen, bevindt men zich in de positie van zijn zelfverwerkelijking [in zijn svarûpa].'

 

next                    

 
 Derde herziene editie, geladen 2 mei 2017.

     

 

 

Vorige Aadhar-editie en Vedabase links:

Tekst 1

De Allerhoogste Heer zei: 'O dochter van de koning, Ik zal nu de kenmerken van het yogasysteem beschrijven dat middels de regulerende beginselen [de inperking van] de geest op het oog heeft zodat men vreugdevol het pad van de Absolute Waarheid kan bewandelen.
De Allerhoogste Heer zei: 'Ik zal u nu, o dochter van de koning, het oorspronkelijke van het yoga-systeem uiteenzetten, met de praktijk waarvan het denken voorzeker vervuld zal raken van vreugde en men het pad van de Absolute Waarheid zal bereiken. (Vedabase)

 

Tekst 2

Men behoort zo goed mogelijk zijn plicht te doen en dat wat die plichtsbetrachting in de weg staat te vermijden. Men dient genoegen te nemen met wat de Heer je doet toekomen en de voeten van een zelfgerealiseerde ziel [de geestelijk leraar] te vereren.

Men behoort met het zo goed mogelijk naleven van de eigen verplichtingen en het vermijden van verplichtingen die zijn bedoeld voor anderen, zijn leven te richten naar de voeten van de geestelijk leraar [de zelf-verwerkelijkte ziel] in tevredenheid over dat wat bereikt is. (Vedabase)

 

Tekst 3

Men moet afzien van burgerlijke [materialistische] praktijken en behagen scheppen in een plichtsvervulling die leidt tot bevrijding. Zo ook moet men weinig en zuiver [vegetarisch] voedsel tot zich nemen, steeds in afzondering leven en de vrede van dienst zijn.

Met het ophouden met de gebruikelijke verplichtingen en in aantrekking tot de rechtgeaarde plichten der verlossing, weinig en zuiver etend, altijd in afzondering levend, is men dan op zijn gemak. (Vedabase)


Tekst 4

Geweldloos, waarheidlievend, zonder valse toe-eigening en niet meer bezittend dan men nodig heeft, behoort men celibatair, boetvaardig en rein met het bestuderen van de Veda's respect te oefenen voor de verschijning van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid.

Geweldloos, waarheidlievend en vrij van onrechtmatige toeëigening, slechts in bezit van zoveel als men nodig heeft, in celibaat en verzaking, rein en met het bestuderen van de Veda's, behoort men de Oorspronkelijke Persoonlijkheid te eren. (Vedabase)

 

Tekst 5

Stilte in acht nemend en stabiliteit bereikend in de beheersing van yogahoudingen en de ademhaling, moet men zich geleidelijk aan terugtrekken van de voorwerpen van de zintuigen en de geest op het hart richten.

In stilte met het goede van het standvastig zijn in de beheersing van yogahoudingen en de levensadem, zich geleidelijk terugtrekkend van de voorwerpen van de zintuigen, moet men zijn geest naar het hart richten.  (Vedabase)


Tekst 6

Men raakt in zichzelf verzonken [of in samâdhi] door de geest en prâna te fixeren op één van de [zes] cakra's [of energieknopen *] dan wel door zich te concentreren op het spel en vermaak van [de Heer van] Vaikunthha.

Met de levensadem gefixeerd in het eigen centrum, met een éénpuntige geest zich concentrerend op het reilen en zeilen van [de Heer van] Vaikunthha, is men door de ziel aldus verzonken [in samâdhi]. (Vedabase)

Tekst 7

Met deze en andere [yoga]methoden intelligent aandachtig tewerkgaand en de adem beheersend, dient men de geest, die besmet raakt door materiële genoegens, geleidelijk aan te onderwerpen.

Bij deze en andere processen moet de besmette geest op het pad van het materieel genieten geleidelijk aan worden beheerst met intelligentie, daadwerkelijk alert zijnde in het fixeren van de ademhaling. (Vedabase)


Tekst 8

Met het beheersen van de yoga âsana's moet men dit doen door op een gewijde plek voor een zitplaats te zorgen en daar rechtop te gaan zitten in een gemakkelijke houding.

Dit moet men doen nadat men plaats heeft genomen op een gewijde plek met het beoefenen van de yogahoudingen, aldaar het lichaam op een makkelijke manier overeind houdend. (Vedabase)

 

Tekst 9

Om ervoor te zorgen dat de geest tot rust komt en niet afgeleid raakt, moet men de doorstroming van de levensadem of de prâna mogelijk maken door in te ademen, de adem vast te houden en weer uit te ademen -  of het omgekeerde te doen.

De instroom van de levensadem vrijmakend behoort men in te ademen, de adem vast te houden en weer uit te ademen of andersom, zodat het denken stabiel wordt en vrij van wisselingen. (Vedabase)


Tekst 10

De geest van de yogi die van een dergelijke zelfbeheersing is, is snel vrij van verstoringen, precies zoals goud dat, in het vuur geplaatst en met lucht aangewakkerd, snel bevrijd raakt van onzuiverheden.

De geest van de yogi in een dergelijke zelfbeheersing kan spoedig vrij zijn van verstoringen, precies zoals goud in het vuur met lucht aangewakkerd waarlijk snel gezuiverd raakt. (Vedabase)

  

Tekst 11

Middels adembeheersing [prânâyâma] verdrijft men onzuiverheden, door zich naar binnen te richten [pratyâhâra] neemt het materieel gemotiveerde denken af, door de geest te concentreren [dhâranâ] overwint men de zonde en door meditatie [dhyâna] stijgt men uit boven de macht van de basiskwaliteiten van de natuur.

Door adembeheersing verdrijft men besmettingen, door zich naar binnen te keren neemt het nadenken over het materiële af, door het denken te concentreren komt men de zonde te boven en door meditatie rijst men uit boven de macht van de geaardheden der natuur. (Vedabase)


 Tekst 12

Als de geest gezuiverd is en beheerst wordt door de yogapraktijk, behoort men, terwijl men kijkt naar het puntje van zijn neus, te mediteren op het doel van de Allerhoogste Heer [kâshthhâ, Zijn gedaante en tijdmaat in de vorm van b.v. een mechanische of een waterklok gefixeerd op het hoogste punt van de zon met de verdeling van de tijd overeenkomstig het Bhâgavatam].

Als het eigen denken gezuiverd is en beheerst wordt door de yogapraktijk, behoort men te mediteren op de Allerhoogste Heer Zijn gedaante en tijdmaat [een mechanische of een waterklok gefixeerd op het hoogste punt van de zon met de verdeling van de tijd overeenkomstig het Bhâgavatam], kijkend naar de punt van de neus. (Vedabase)

 

Tekst 13

Met Zijn knots, schelphoorn en werpschijf in Zijn handen, Zijn rood doorlopen ogen die eruitzien als de binnenkant van een lotus en de donkere huidskleur gelijk aan die van de bloembladen van een blauwe lotus, heeft Hij een opgewekte, lotusgelijke gelaatsuitdrukking.

Zijn knots, schelphoorn en werpschijf dragend, met roodachtige ogen die eruitzien als de binnenkant van een lotus en een donkere huidskleur gelijk de bloembladen van een blauwe lotus, heeft Hij een opgewekte lotusgelijke gelaatsuitdrukking. (Vedabase)

 

Tekst 14

Gekleed in zijden kleding zo geel als de meeldraden van een lotus, draagt Hij het S'rîvatsa-teken [een paar witte haren] op Zijn borst en draagt Hij het schitterende Kaustubha-juweel om Zijn nek.

Met gele zijden kleding die eruitziet als de meeldraden van een lotus, draagt hij het S'rîvatsa-teken [een paar witte haren] op Zijn borst, en draagt Hij het schitterende Kaustubha-juweel om Zijn nek. (Vedabase)

 

Tekst 15-16

Er is een slinger van woudbloemen zoemend van de dronken bijen, een halsketting van onschatbare waarde alsmede armbanden, een kroon, polsbanden, enkelbanden en een gordel van de fijnste kwaliteit om Zijn middel. Hij die zetelt in de lotus van het hart is hoogst bekoorlijk om te zien, een lust voor het oog die van een sereniteit is die vreugde schept in de geest en het hart.

Er is een slinger van woudbloemen zoemend van de dronken hommels, een halsketting van onschatbare waarde, zowel als armbanden, een kroon, polsbanden, enkelbanden en een gordel van de fijnste kwaliteit om Zijn middel; Hij die zetelt in de lotus van het hart is hoogst bekoorlijk om te zien, sereen voor de geest en een lust voor het oog. (Vedabase)

  

Tekst 17

Hij is altijd zeer mooi om te zien, aanbiddelijk voor alle mensen overal, zo jeugdig als een jongen en begerig Zijn zegen te schenken aan degenen die Hem dienen.

Voor de mensen van overal is Hij altijd zeer mooi en aanbiddelijk in de bloei van de jeugd van een jongen, begerig Zijn zegen uit te spreken over degene die offers brengt. (Vedabase)

 

Tekst 18

Zijn roem die bijdraagt tot de goede naam van de toegewijden is het bezingen waard. Men moet op al de ledematen van de godheid mediteren totdat de geest niet meer afdwaalt.

Men moet mediteren op alle delen van de Godheid, de glorie versterkend door de verzen van de toegewijden over Zijn grootheid te zingen, tot de geest het opgeeft af te dwalen. (Vedabase)

 

Tekst 19

Men moet zich de goedgunstige daden voor de geest halen van het prachtige spel en vermaak van Zijn gaan, staan, zitten en liggen dan wel verblijven in het hart.

Men behoort in zijn denken uit te zien naar de zuivere aard van de tijd dat men staat, zich rondbeweegt, neerzit en zich te ruste legt met de wonderschone Heer die verblijft in het hart. (Vedabase)

 

Tekst 20

Hij die zijn gedachten over Hem laat gaan moet, als hij met zijn geest gericht op de ene gedaante al Zijn ledematen onderscheidt, in zijn concentratie acht slaan op ieder onderdeel van de Heer afzonderlijk [zie ook S.B. 2.2: 13].

Met het denken gefixeerd op de gedaante waarbij men zich heeft vergewist van al de ledematen in de concentratie, moet hij die zich zo bezint, acht slaan op ieder afzonderlijk onderdeel van de Heer. (Vedabase)


Tekst 21

Men moet mediteren op de lotusvoeten van de Heer die gesierd zijn met de merktekens van de bliksemschicht, de drijfstok, de banier en de lotus, alsook op de in het oog springende schitterende rode nagels met de pracht van de maansikkel die de hechte duisternis van het hart verdrijven.

Men moet aandacht besteden aan de lotusvoeten van de Heer die versierd zijn met de merktekens van de bliksemschicht, de drijfstok voor olifanten, de banier en de lotus en zich bewust zijn van de in het oog springende schittering van Zijn rode nagels die de pracht kennen van de sikkel van de maan welke de hechte duisternis van het hart verdreef. (Vedabase)

 

Tekst 22

Men moet een lange tijd op de lotusvoeten van de Heer mediteren aangezien het heilige water van de Ganges dat van Zijn voeten wegstroomt Heer S'iva zegende die het op zijn hoofd droeg. Ze werden tot een bliksemschicht die werd weggeslingerd naar de berg van zonde aanwezig in de geest van de mediteerder.

Van het water van de Ganges dat van Zijn voeten wegstroomt, is het heilige geboren op het hoofd van S'iva, dat van de mediterende het gunstige werd dat als een bliksemschicht werd uitgeworpen naar zijn berg van zonde; voor een lange tijd behoort men zo te mediteren op de Heer Zijn voeten. (Vedabase)


Tekst 23

Men moet in het hart mediteren op de Godin van het Fortuin, Lakshmî, de lotusogige moeder van het gehele universum geschapen door Brahmâ. Zij, die met haar zorgzame vingers de onderbenen masseert van de Almachtige Heer transcendentaal aan het materiële bestaan, wordt door alle godsbewuste zielen aanbeden.

Tot Zijn knieën moet men mediteren op de Godin van het Fortuin, Lakshmî, de lotus-ogige moeder van het gehele universum van Brahmâ die door alle goddelijken wordt aanbeden en die met haar zorgzame vingers de onderbenen masseert van de Almachtige Heer transcendentaal aan het materieel bestaan. (Vedabase)

 

Tekst 24

Dan volgen Zijn twee prachtige benen die op de schouders van Garuda alle energie herbergen en zich naar beneden uitstrekken met de luister van de [blauw-witte] lijnzaadbloem, met om Zijn heupen de gordel over de verfijnde gele stof.

Eveneens moet men dan mediteren op Zijn twee benen, die op de schouders van Garuda staan, waar alle energie in huist en die zich naar beneden uitstrekken met de luister van de [blauw-witte] lijnzaadbloem, zowel als op de ronding van Zijn heupen in de uitgelezen gele stof, met de gordel daar omheen. (Vedabase)

 

Tekst 25

Vervolgens mediteert men op de uitgestrektheid van Zijn navel, welke de bestaansgrond vormt van al de werelden die zich bevinden in Zijn onderbuik. Uit die navel ontsprong de lotus, de verblijfplaats van de zelfgeborene [Heer Brahmâ] die alle bestaande planetenstelsels omvat. Men moet mediteren op de twee uiterst delicate tepels van de Heer die als smaragden zijn in het witte licht van de parels van Zijn halssnoer.

Dan mediteert men op de uitgestrektheid van Zijn navel, welke de bestaansgrond vormt van al de werelden zich bevindend in Zijn onderbuik, van waaruit de lotus ontsprong die de verblijfplaats is van de zelfgeborene [Brahmâ] die alle bestaande planetenstelsels omvat. Men moet mediteren op het meest delicate van de twee tepels van de Heer die als smaragden zijn in het witte licht van de paarlen van Zijn halssnoer. (Vedabase)

 

Tekst 26

De borst van de Heer van de Wijsheid waar Mahâ-Lakshmî zich ophoudt, verschaft de geest en de ogen van de mensen al het bovenzinnelijk genoegen. Men moet zijn geest ook richten op de meditatie van de hals van Hem door het hele universum bewonderd, die de schoonheid verhoogt van het Kaustubha juweel.

De borst van de Heer der Wijsheid waar Mahâ-Lakshmî haar verblijf heeft, vergunt de geest en ogen der mensen al het bovenzinnelijk genoegen. Men moet in zijn denken ook mediteren op de hals van degene die door het hele universum wordt bewonderd, welke de schoonheid verhoogt van het Kaustubha juweel. (Vedabase)

 

Tekst 27

Men moet ook mediteren op Zijn armen, waar de heersers van het universum hun bestaan aan ontlenen en waarvan de versieringen gepolijst zijn door het ronddraaien van de berg Mandara, alsook op de oogverblindende schittering van de Sudarshana werpschijf [met zijn duizend spaken] en de zwaangelijke schelphoorn in de lotushand van de Heer.

Op de armen met hun opsmuk die gepolijst is door het ronddraaien van de berg Mandara en waar de heersers van het universum hun oorsprong vinden, behoort men eveneens te mediteren als ook op de oogverblindende schittering van de Sudarshana werpschijf [met zijn duizend spaken] en de zwaangelijke schelphoorn in de lotushand van de Heer. (Vedabase)

 

Tekst 28

Men moet zich de strijdknots van de Allerhoogste Heer in gedachten nemen die de naam Kaumodakî draagt en Hem zeer dierbaar is, besmeurd als hij is met het bloed van de soldaten van de vijand. Ook moet men aandacht schenken aan de bloemenslinger die gonst van de bijen eromheen en het parelsnoer om Zijn nek dat het principe vertegenwoordigt van het zuivere levende wezen [zie B.G. 7: 7].

Men moet zich de strijdknots van de Allerhoogste Heer heugen, die de naam Kaumodakî draagt en Hem zeer dierbaar is, besmeurd als Hij is met het bloed van de soldaten van de vijand; de bloemslinger die gonst van het gezoem van de hommels eromheen, en het halssnoer van parels om Zijn nek dat het principe vertegenwoordigt van het zuivere levende wezen [de toegewijde]. (Vedabase)

 

Tekst 29

Men moet mediteren op het lotusgelijke voorkomen van de Opperheer die Zijn verschillende gedaanten in deze wereld aannam uit mededogen voor de toegewijden en op de glinsterende, krokodilvormige oorhangers die weerspiegelend Zijn vooruitstekende neus en Zijn wangen kristalhelder belichten.

Men moet mediteren op het lotusgelijke voorkomen van de Opperheer dat staat voor de verschillende gedaanten die Hij aannam in deze wereld uit mededogen voor de toegewijden en op de glinsterende krokodilvormige oorhangers die weerspiegelend Zijn vooruitstekende neus en Zijn wangen kristalhelder belichten. (Vedabase)

 

Tekst 30

Vervolgens moet men aandachtig het geestesoog richten op de gratie van Zijn gezicht dat opgesierd is met veel krullend haar en op Zijn lotusogen en dansende wenkbrauwen die een lotus omringd door bijen en een paar zwemmende vissen in het niet doen verzinken.

Vervolgens mediteert men aandachtig met het geestesoog gericht op de gratie van Zijn gezicht dat opgesierd is met veel krullend haar, Zijn lotusogen en dansende wenkbrauwen, die een lotus omringd door bijen en een paar zwemmende vissen zouden beschamen. (Vedabase)

 

Tekst 31

Hij die een hart vol van toewijding heeft moet lang mediteren op de vele blikken van medeleven in Zijn ogen, want die blikken, vergezeld door de overdaad van Zijn liefdevolle, genadige glimlachen, verzachten de drie beangstigende vormen van ellende [die men zelf veroorzaakt, die door anderen wordt veroorzaakt en die door de materiële natuur wordt teweeggebracht].

Hij die van toewijding is, moet van binnenuit zijn hart een langere tijd, vol van devotie, mediteren op de veelvuldige blikken van medeleven van Zijn ogen, die het meest beangstigende van de drie vormen van ellende [door eigen toedoen, door anderen en door de materiële natuur veroorzaakt] verzachten en welke worden vergezeld door de overdaad van de volle genade van Zijn liefhebbende glimlachen. (Vedabase)

 

Tekst 32

Op de hoogst weldadige glimlach van de Heer, die de oceaan van tranen doet opdrogen van alle mensen die in hun verdriet voor Hem bogen, moet men mediteren alsook op de welving van Zijn wenkbrauwen, daar die voor alle wijzen door Zijn inwendig, creatief vermogen werden gemanifesteerd om de god van de seksualiteit te verbijsteren.

De glimlach van de Heer doet de oceaan van tranen opdrogen van alle personen die zich voor Hem verbogen en de bogen van Zijn wenkbrauwen, hoogst begunstigend door Zijn innerlijk vermogen, zijn gemanifesteerd om, ter bescherming van alle wijzen, de bekoring van de God der Seksualiteit te zijn.  (Vedabase)

 

Tekst 33

Gemakkelijk te mediteren is het overdadige lachen van Zijn lippen die de pracht toont van Zijn kleine tanden die gelijk een rij jasmijnknoppen zijn. Met toewijding zijn geest verankerend moet men vol van liefde voor Hem - en met niemand anders voor ogen - op Hem mediteren, Heer Vishnu die zich ophoudt in het hart.

Gemakkelijk te mediteren is het overdadige lachen van Zijn lippen, die de pracht toont van Zijn kleine tanden die gelijk een rij jasmijnknoppen zijn. In het diepst van het hart moet men mediteren om de geest op Hem vast te leggen, vanwege de toewijding voor Vishnu verzonken in liefde voor Hem die daar verblijft, het niet wensend iets anders te zien. (Vedabase)

 

Tekst 34

Vanwege de zuivere liefde die men aldus door toewijding heeft ontwikkeld jegens Hari, de Allerhoogste Heer, smelt iemands hart en daardoor ervaart men dan steeds hoe je de haren overeind gaan staan door het extreme genoegen en dat er een stroom van tranen is door de intense liefde. In die staat geeft het denken als [een vis] aan de haak het geleidelijk aan op.

Van de zuivere liefde aldus door devotie ontwikkeld jegens Hari, de Allerhoogste Heer, is men in het smelten van zijn hart voortdurend aangedaan, waarbij de haren overeind staan van het extreme genoegen en er een stroom van tranen is uit intense liefde, op zo'n manier, dat met name het denken, alsof het aan de haak is geslagen, zich geleidelijk aan terugtrekt. (Vedabase)

 

Tekst 35

Vanaf het moment dat de geest zich in de bevrijde positie bevindt, raakt hij terstond onverschillig en dooft hij uit met het loslaten van de zinsobjecten. Net als een vlam is de persoon met een dergelijke geest op dat ogenblik niet langer afgescheiden [van het 'grote vuur' van de Superziel] en ervaart hij eenheid in vrijheid van de wisselwerking van de natuurlijke geaardheden.

Vanaf het moment dat de geest zich in de bevrijde positie bevindt, wordt die terstond onverschillig en dooft hij uit in onthechting van de zinsobjecten; gelijk een vlam is de persoon met een dergelijke geest op dat ogenblik niet langer afgescheiden [van het 'grote vuur'] van de Superziel en geniet hij de verlossing vrij van de dynamiek van de geaardheden van de materiële natuur. (Vedabase)

 

Tekst 36

Als hij zich bevindt in zijn uiteindelijke heerlijkheid vanwege het stoppen van de op de materiële impulsen reagerende geest, ziet hij, in zijn uitstijgen boven geluk en leed, dat inderdaad de oorzaak van het plezier en de pijn gevonden wordt in de onwetendheid van het zich in ego valselijk identificeren. Daarin schreef hij aan zichzelf [de beheersing toe, ofwel dat] toe wat nu wordt gerealiseerd door de vorm en de tijdmaat [de kâshthhâ dus] van de Superziel [het gelokaliseerde aspect van de Heer].

Zich bevindend in zijn uiteindelijke heerlijkheid door het stoppen van de op de materie reagerende geest, ziet hij hiertoe bovendien in het uitstijgen boven het geluk en het leed, dat zowaar de oorzaak van het plezier en de pijn ligt in de onwetendheid van het zich in ego valselijk identificeren, waarin hij aan zichzelf toeschreef wat nu wordt gerealiseerd als de vorm en de tijdmaat [de kâshthha] van de Superziel [het gelokaliseerd aspect van de Heer]. (Vedabase)

 

Tekst 37

En wat betreft het lichaam heeft de vervolmaakte ziel er geen notie van dat die niet zou voortbestaan, zich wel zou handhaven of geboorte zou nemen, omdat hij zijn voorbestemde ware identiteit [svarûpa] bereikt heeft. Net zoals het is met iemand die beschonken verblind is en niet beseft of hij nu wel of geen kleren aan zijn lijf heeft.

En wat betreft het lichaam heeft de vervolmaakte ziel er geen notie van dat dat niet zou voortbestaan, er zou blijven of geboorte zou nemen omdat hij zijn voorbestemde ware identiteit bereikt heeft; zoals dat het geval is met iemand die beschonken verblind is en niet beseft of hij nu wel of geen kleren aan zijn lijf heeft. (Vedabase)

 

Tekst 38

En zo komt men te staan voor de activiteiten die men met het lichaam ondernam en die op gezag van Boven voortduren zolang het moet. Men bevindt zich dan als gevolg van de yoga in verzonkenheid, de bewustzijnstoestand waarin de tot zijn wezensstaat ontwaakte ziel het lichaam, dat zijn bestaan vond als in een droom, met inbegrip van zijn zinnelijkheid en 'bijproducten' niet [langer] voorop stelt [of aanbidt].

Zo zijn er dan de activiteiten van het lichaam die, bestuurd door het Goddelijke, zich voortzetten voor de duur van hun geplande handelingen; omdat voorzeker dan het lichaam, tezamen met de zinnen en de bijproducten van de yoga, zich bevindt in de verzonkenheid waarvan hij, die ontwaakt is wat betreft zijn wezensstaat, dat lichaam als uit een droom voortgekomen niet als het zijne aanvaard. (Vedabase)

 

Tekst 39

Zoals men een sterfelijk mens begrijpt als zijnde verschillend van zijn zoon en zijn weelde, ongeacht zijn natuurlijke voorliefde voor hen, zo begrijpt men ook de persoon in zijn oorspronkelijke aard als verschillend van zijn lichaam, zinnen, geest en zo meer [ongeacht zijn identificatie met hen].

Zo goed als een sterfelijk mens wordt begrepen als zijnde verschillend van de zoon en de weelde [die hij heeft] ondanks zijn natuurlijke voorliefde voor hen, verschilt dienovereenkomstig de persoon in zijn oorspronkelijke aard van zijn lichaam, zinnen, geest en dergelijke, ondanks zijn identificatie met hen. (Vedabase)

 

Tekst 40

Het is als met een vuur dat verschilt van zijn vlammen, vonken en rook, hoewel die er van nature, er zelf door voortgebracht, nauw mee verbonden zijn.

Hoewel zowel door de vlammen, de vonken ervan of door de rook een vuur nauw met zichzelf is verbonden, verschilt het in de manier waarop het opvlamt.  (Vedabase)

 

Tekst 41

De elementen, de zinnen, de geest en de primaire natuur [zie 3.26: 10] van de individuele ziel, verschillen zo ook van de [innerlijke] getuige die de Allerhoogste Heer is die men kent als de spirituele volkomenheid [Brahman].

De elementen, de zinnen, de geest en de primaire natuur [zie 3-26:10] van de individuele ziel, verschillen zo ook van de waarnemer, die de Allerhoogste Heer is die wordt gekend als de spirituele volkomenheid [brahman]. (Vedabase)

 

Tekst 42

Zoals men met een gelijkgezinde geest alle schepselen herkent als deel uitmakend van één en dezelfde natuur, moet men ook de ziel als aanwezig zien in al het gemanifesteerde en al het gemanifesteerde als aanwezig in de ziel. 

De ziel in al het gemanifesteerde en al het gemanifesteerde in de ziel ziend, behoort men met een gelijke blik alles wat zich gemanifesteerd heeft te beschouwen als zijnde van dezelfde aard. (Vedabase)

Tekst 43

Zoals het ene vuur zich manifesteert in verschillende soorten hout, zo ook kent de ene geestelijke ziel, in haar positie in de materiële natuur, verschillende geboorten onder verschillende natuurlijke omstandigheden.

Zoals het ene van het vuur zich verschillend manifesteert in verschillende soorten hout, zo ook heeft de geestelijke ziel verschillende geboorten onder verschillende natuurlijke omstandigheden met haar positie in de materiële natuur. (Vedabase)

 

Tekst 44

Als men aldus deze eigen, moeilijk te doorgronden [begoochelende], goddelijke materiële energie, die zowel oorzaak als gevolg is, te boven is gekomen, bevindt men zich in de positie van zijn zelfverwerkelijking [in zijn svarûpa].'

Na aldus de moeilijk te overwinnen werkin van oorzaak en gevoglg van de eigen materiële energie te hebben overwonnen, blijft men dan in de bovenzinnelijke positie.' (Vedabase)

 

*: De energieknopen in het lichaam of iemands zes cakra's voor de meditatie worden in het Monier Williams woordenboek beschreven als gepositioneerd boven elkaar in het lichaam als: 1 de mûlâdhâra cakra in het gebied van de pubis, 2 de svâdhishthhâna cakra in het gebied van de navel, 3 de manipûra cakra in de holte van de maag, 4 de anâhata cakra aan de wortel van de neus, 5 de vis'uddha cakra in de holte tussen de frontale voorhoofdsholten en 6 de âjñâkhya cakra op de top van de schedel. De verschillende functies en goden worden verondersteld aanwezig te zijn in deze holten of cirkels. Andere teksten spreken van zeven of zelfs acht cakra's ietwat anders verdeeld over het lagere gebied, de plexus, het hart en de keel.

 

 

 

 

 

 

 

 

 Creative Commons License
De tekst en de audio worden aangeboden onder de
Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
De afbeelding is een klassiek schilderij van S'rî Nârâyana met Lakshmî en Brahmâ.
Artiest onbekend.

Productie: de Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd


 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties