regelbalk


 

Canto 6

Jaya Râdhâ Mâdhava 1

 

 

Hoofdstuk 9: Het Verschijnen van de Demon Vritrâsura

(1) S'rî S'uka zei: 'Van Vis'varûpa [zie vorige hoofdstuk], o zoon van Bharata, zijn er de drie hoofden voor het drinken van de soma [het brengen van offers], het drinken van de wijn [het bezetten van de zetel der verlichting] en het eten van het voedsel [de materiële zaak]. (2) Hij, o heerser, bood in de praktijk de goden, met wie hij verwant was van zijn vaders zijde, dat wat hen toekwam, publiekelijk hardop de mantra's reciterend. (3) Ertoe aangezet door de genegenheid voor zijn moeder echter bood hij, offers brengend voor de goddelijken, zonder hun medeweten de onverlichte zielen eveneens een deel in opoffering. (4) De koning der verlichte zielen [Indra] die zag hoe door die overtreding jegens de goddelijken hij het dharma verraadde, sloeg in angst, bovenmatig kwaad geworden, snel Vis'varûpa's hoofden eraf. (5) Het hoofd van hem dat hij gebruikte om de soma te drinken werd een kapiñjala [een berghazelhoen], het hoofd om wijn mee te drinken veranderde in een kalavinka [een spreeuw] en het derde hoofd dat hij gebruikte om voedsel tot zich te nemen veranderde in een tittiri [een gewone patrijs]. (6) Hoe machtig Indra ook was, voor de terugslag van het doden van een brahmaan moest hij met gevouwen handen voor de duur van een jaar de verantwoordelijkheid dragen en daarom verdeelde hij de last over de vier afdelingen van de aarde, de wateren, de bomen en de vrouwen, teneinde zich met betrekking tot deze elementen van de zonde te zuiveren. (7) De aarde die een vierde van de last van het doden van een brahmaan voor haar rekening nam, had, vanwege de zegening van het hebben van water in haar uitsparingen, inderdaad de woestijnen als het zichtbare teken ervan op haar oppervlak. (8) De bomen die een vierde op zich namen van de schuld van het doden van de brahmaan hadden, met hun gezegend zijn met het vermogen om hun takken en twijgen weer terug te groeien indien afgesneden, het zichtbare gevolg van het sap dat van hen vloeide. (9) Met de vrouwen die een vierde op zich namen van de last der zonde, kon van hun zegening van een nimmer aflatende zin in sex, als reactie de vorm van de maandelijkse periode worden waargenomen. (10) Water nam een vierde van de zonde op zich en had, van haar zegening van het vermogen om de omvang te doen toenemen van het materiaal dat het doorweekt, de zichtbare reactie van het bubbelen en schuimen, een resultaat waarvan men moet afzien als men water haalt. (11) Tvashthâ [zie 5.15: 14-15], die zijn zoon had verloren, bracht daarna een offer om een vijand in het leven te roepen met de woorden: 'O vijand van Indra, gedij zodat na een niet al te lange tijd u uw tegenstander kan doden.'

(12) Daarop verscheen uit het anvâhârya vuur [het zuidelijke vuur] een hoogst angstwekkende figuur die eruitzag als de vernietiger aan het einde van de yuga. (13-17) Dag na dag in afmetingen toenemend leek hij op een berg die in brand had gestaan of wolken die zich in de avond samenpakken met de zon van achteren naar alle kanten schijnend als pijlen. Bij zijn haren, snor en baard, die rood waren als gesmolten koper, had hij ogen laaiend als de middagzon. Zich rond bewegend, dansend en de hele wereld bij elkaar schreeuwend, schopte hij met zijn gloeiende drietand zwaaiend het stof hoog op. Met zijn mond diep als een grot de drie werelden verslindend, dronk hij de hemel en likte hij met zijn tong de sterren op. Keer op keer het op een geeuwen zettend met zijn massieve vervaarlijke tanden, vluchtten de mensen die hem zagen in angst weg in al de tien windrichtingen. (18) Hij, die hoogst angstwekkende verpersoonlijking van de zonde was in werkelijkheid de gedaante die de zoon van Tvashthâ had aangenomen. Hij overschaduwde nu, bij de kracht van de verzaking in zijn voorgaande leven, al de drie werelden, en werd aldus Vritra ['hij die alles omsluit'] werd genoemd.(19) Indra, en de soldaten van al de voorvechters der wijsheid, vielen hem aan met het gehele goddelijke arsenaal aan bogen, pijlen en andere wapens dat hen ter beschikking stond, maar Vritra slokte ze allemaal in één keer op. (20) Daarvoor geplaatst, stonden ze versteld en verzamelden ze zich verslagen, met hun moed in de schoenen gezonken, om tot de Superziel te bidden, de Oorspronkelijke Persoon van God.

(21) De godsbewusten zeiden: 'Wij, samen met de goden, die vanaf het begin met Heer Brahmâ de drie werelden tot stand brachten die zijn samengesteld uit lucht, vuur, ether, water en aarde, bewijzen allen, bevend van de angst, de heer van de dood de eer; maar omdat hij zelf weer bang is voor Hem [de Oorspronkelijke Persoonlijkheid], zouden we Hem als onze toevlucht moeten onderkennen. (22) Men is een dwaas, als men de oceaan wil oversteken zich vastklampend aan de staart van een hond; een dwaas als men probeert iemand anders dan Hem te benaderen die zich nergens over verbaast, altijd voldaan is over inderdaad Zijn eigen prestaties, gelijkmoedig en zeer stabiel is, en boven iedere materiële beschrijving staat. (23) Net als Manu [hier: koning Satyavrata] die zijn boot vastbond aan de stevige hoorn van Matsya [de vis-avatâra] om de vloed te overleven, kunnen wij, afhankelijk als we zijn, er zeker van zijn te worden gered van de eindeloze angst voor de zoon van Tvashthâ, hoewel Hij er in feite slechts in de gedaante van een vis is. (24) Voorheen was de Onafhankelijke [Svayambhû of Heer Brahmâ], geheel alleen op de lotus, zeer bevreesd, er dankzij Hem in geslaagd zijnd te nauwer nood te ontsnappen aan een val in de zo hoge golven van de wateren van de vloed opgewaaid door de razende wind [zie 3.8]; moge die verlossing er ook voor ons zijn. (25) Hij, de ene Heerser die door Zijn bovenzinnelijk vermogen ons schiep en door wiens genade wij ons ook een wereld van materie mogen scheppen, kan, hoewel Hij als de acteur recht tegenover ons staat, niet in Zijn gedaante worden herkend door ons omdat we onszelf zien als afzonderlijke heersers. (26-27) Hij onder ons, die altijd geplaagd zijn door onze vijanden, en onder de goddelijken, de dieren en de mensen er altijd zeker van is middels Zijn eigen innerlijk vermogen te verschijnen als een incarnatie in verschillende gedaanten, beschermt in ieder millennium een ieder die Hem lief is en nabij staat. Hem inderdaad, de God en Heer over ons allen en ieder ander levend wezen, is het transcendentale, oorspronkelijke primaire principe van de natuur, de Hoogste Genieter wiens energie men kent in de vorm van het universum waar Hij Zelve los van staat; Hij is de toevlucht die door ons allen wordt gezocht; moge Hij, de Grootste van de Ziel, ons, Zijn toegewijden die zelve geschikt zijn als toevlucht, zegenen met al het goede geluk.'

(28) S'rî S'uka zei: 'Door dat gebed der verlichte zielen, o Koning, werd Hij, de blik naar binnen sturend, zichtbaar met Zijn schelphoorn, werpschijf en knots. (29-30) Van alle kanten werd Hij, met ogen bloeiend als lotussen in de herfst opgewacht door zestien dienaren die precies waren zoals Hij met uitzondering van het Kaustubha-juweel en het S'rîvatsa-teken. Hem ziend, o Koning, wierpen ze zich allen uitgestrekt voor Hem op de grond neer overweldigd door het geluk Hem rechtstreeks te kunnen zien. Toen stonden ze langzaam op en brachten ze Hem hun gebeden. (31) De goddelijken zeiden: 'U, o Heer van het Offer, brengen we, hoewel U degene bent die aan alles een einde maakt, onze eerbetuigingen daar U daadwerkelijk degene bent die zich bedient van de cakra [de schijf, het cyclische, de orde van de tijd] als wapen; al ons respect geldt U die bekend staat met zo veel transcendentale namen. (32) Van U als de Beheerser der drie bestemmingen [van het naar de hel, de hemel of het vagevuur gaan] is er het allerhoogste verblijf [van Vaikunthha]; na U te zijn verschenen in de schepping, o heerser, is men niet in staat het te bevatten. (33) O Heer, laat er onze eerbetuigingen zijn jegens U, o Bhagavân Nârâyana, o Vâsudeva, o Oorspronkelijke Persoon, o Hoogste Persoonlijkheid, o Allerhoogste van alle weelde, O Allergunstigste, o Bovenzinnelijke Zegening, o Grootheid der Genade, o Onveranderlijk Ondersteuner van het Universum en Enige Aanspraak op alle werelden, Heerser over Allen en Echtgenoot van Lakshmî Devî; door de bovenzinnelijke verzonkenheid in devotionele yoga zijn de besten der volkomen verzaking die overal rondzwerven, volledig gezuiverd en duwen ze met hun plichtsgetrouwe respect als paramahamsa's ['zwanen van het allerhoogste'] de deur open van het illusoire bestaan die toegang biedt tot het bewustzijn dat vrij is van smetten in de geestelijke wereld; U o Heer persoonlijk ervarend, vindt een ieder van hen aldus Uw verrukking. (34) Deze bezigheid van U in avonturen met betrekking tot de eenheid waarin U, zich niet verlatend op iets anders - noch op deze noch op die belichaming - nimmer onze medewerking afwacht, is nogal moeilijk te begrijpen; alhoewel U ontstegen bent aan de geaardheden der materie bent U, middels Uw eigen zelf vrij van transformaties, niettemin van schepping, vernietiging en behoud. (35) In dat opzicht vragen we ons derhalve af of U als de Heer er bent als een normaal mens die gebonden is aan handelingen in de materiële wereld, en die onder de invloed is geraakt van de geaardheden in een afhankelijk zijn van tijd, ruimte, activiteiten en de natuur, en daarbij is gedwongen de goede en slechte gevolgen te dragen van wat hij zelf doet; dan wel of U, volledig in Uzelf tevreden en zelfbeheerst van aard, de qua spiritueel vermogen nimmer tekortschietende en immer neutrale getuige bent. Wat dit betreft zijn we er zeker van U niet te begrijpen. (36) Zeker bestaat er met U geen tegenstrijdigheid in het door iemand zowel zijn van de hoogste, onbegrensde en Opperste Beheerser behept met alle kwaliteiten die onpeilbaar is in Zijn vermogen en heerlijkheid, als in het zijn van een werkelijk dubbelzinnige, opponerende, veroordelende, voorbarige, disputerende, door de geschriften opgejaagde geest wiens toevlucht wordt genoten door doortrapte tegenstrevers en controversiële filosofen die hun boekje te buiten gaan. Met U teruggetrokken van al het illusieverwekkende van de materie, met het ongeëvenaarde van U, vormt U met ziel en wereld de ondoorgrondelijke tussenweg waarvan het inderdaad onmogelijk is een idee te krijgen van hoever die reikt als gevolg van de afwezigheid van een dubbelhartige aard in U. (37) Zoals men met het zien van een stuk touw een slang ziet of niet, zo ook concludeert men als men intelligent is tot Uw persoon of anders niet. (38) Met U die bij nadere beschouwing de substantie bent, de heerser over allen in alles wat spiritueel en materieel is, die er bent als de oorzaak aller oorzaken van het ganse universum en die, tot in het kleinste atoom, alomtegenwoordig bent met alle kwaliteit, bent U, van al de manifestaties, daadwerkelijk de enige die overblijft. (39) Daarom zijn daadwerkelijk zij die zich verhouden tot U, en die slechts een enkele keer een druppel van de nectar van Uw heerlijkheden geproefd hebben, in hun geesten van de niet aflatende stroom van gelukzaligheid en zijn zij, met het vergeten van het vage en beperkte aandeel van het aanzien en de weerklank van materieel geluk, als verheven toegewijden, enkel van geloof in U, de Allerhoogste Persoonlijkheid, de enige vriend en meest geliefde van alle levende wezens. Hoe kunnen die toegewijden wiens geesten van een volkomen en onafgebroken geluk zijn, o Doder van Madhu, of zij die, zoals gezegd, ware experts zijn in de aangelegenheden van het leven in het aanvaard hebben van U als de meest geliefde minnaar en vriend, in het dienen van Uw lotusvoeten, dan ooit dit leven opgeven waarin er nooit meer sprake is van een herhaaldelijk geboren worden en sterven? (40) O lieve Ziel en beschutting der drie werelden, o macht en weelde der drie werelden, o handhaver en ziener der drie werelden, o allermooiste der aantrekking in de drie werelden, van Uw expansies in de materiële energie zijn we er zeker van dat door Uw eigen Zelf gemanifesteerd in de verschillende gedaanten der verlichten [Vâmana], der mensen [Râmacandra en Krishna], der dieren [Varâha], van een mengvorm van hen [Nrisimhadeva] en van de waterdieren [Matsya en Kûrma], ten tijde van hun samenspannen al de zoons van Diti en Danu en dergelijken de gerechte straf wordt toegekend al naar gelang ieder zijn overtreding, o Allerhoogste Bestraffer; en moge U evenzo een einde maken aan het leven van deze zoon van Tvashthâ, als U dat noodzakelijk acht. (41) Met het in volledige overgave ons geheel verlaten op U, o Vader der Vaderen, o Heer Hari, zijn onze harten geketend in liefde door meditatie op Uw beide voeten die gelijk twee blauwe lotussen zijn; door de manifestatie van Uw eigen gedaante, door Uw meedogende glimlach, kleurrijke helderheid en hoogste behagen, door Uw perfectie, smelten zij, die door U werden aanvaard als de Uwe, vol van meegevoel met de druppels van de nectar van de zeer lieve woorden die uit Uw mond voortkomen, en achten we U verkiesbaar als degene die de grote pijn in ons kan verhelpen, o Allerzuiverste. (42) Daarom o Allerhoogste Heer, wat is voor ons, als vonken ten opzichte van het oorspronkelijke vuur, de strekking of de speciale noodzaak van het feit dat U, die rechtstreeks de Allerhoogste Absolute Waarheid bent, door ons op de hoogte wordt gesteld? U als de oorzaak van al de schepping, de handhaving, en de vernietiging van de materiële wereld bent, in Uw zich vermaken met de geestelijke energie, zowel aanwezig in de kern van de harten van al de horden van levende wezens als buiten hen, als ook aanwezig als de Superziel voorbij aan hen. Bij de uiterlijke elementen van Uw gedaanten en de bijzonderheden naar gelang de omstandigheid, de tijd, het soort van lichaam en de materiële positie, is er dankzij U, als Hij die al de materiële oorzaken tentoonspreidt, als de getuige van alles wat er gaande is, als de getuigenis zelf, het eeuwigdurende geheugen van het hele universum [het âkâsha geheugen]. (43) Voorzie, om die reden als onze Opperheer en Meester der Transcendentie, alstUblieft bij de duizendbladige lotusbloemen die Uw voeten zijn, in een positie in hun schaduw ten einde de pijn te verhelpen die resulteert uit de gevaren en verlangens van dit geconditioneerde leven welke ons er toe hebben gedreven U te benaderen. (44) Daarom o Beheerser, maak een einde aan deze zoon van Tvashthâ, die de drie werelden verslindt en, o Krishna [zie: B.G. 4: 4-6], al onze kracht en ons vermogen, al onze pijlen en andere middelen ter verdediging, heeft opgeslokt. (45) Aan U als de Zuiverste die Zijn verblijf heeft in de kern van het hart alwaar U de handelingen van het individu overschouwt, aan die manifestatie van Krishna wiens reputatie als verlosser zo helder straalt, aan Hem zonder een begin die enkel door de zuivere toegewijden wordt begrepen, aan dat uiteindelijke doel van het vinden van een veilige haven in deze materiële wereld, aan die uiteindelijke vervulling en dat allerhoogste succes in het leven, aan die Heer, dragen wij onze gebeden op.'

(46) S'rî S'uka zei: 'Nadat hij door al de dienaren van de drie werelden op deze wijze met het verschuldigde respect was aanbeden o Koning, gaf de Heer, erover verheugd hun lof voor Hem aan te horen, hen antwoord. (47) De Allerhoogste Heer zei: 'Ik ben zeer tevreden over u, o beste der goddelijken, door uw weloverwogen gebeden tot Mij als het Oorspronkelijke Zelf en de Heerser over de heugenis der mensen, hebt u mij een grote dienst bewezen in uw toewijding. (48) Als Ik tevreden ben gesteld kan men wat dan ook verkrijgen dat moeilijk te verwerven is; niettemin o beste der intelligenten, koestert hij die de waarheid kent, als hij eenmaal op Mij alleen de aandacht gevestigd heeft, geen verlangen naar enig ander iets buiten Mij. (49) Een miserabele persoon [kripana] heeft, onder de aantrekking van het vormende van de natuur, geen weet van het uiteindelijk doel van de ziel, en hij die het verlangen naar dat soort zaken aanwakkert, is geen haar beter. (50) Iemand die persoonlijk weet heeft van het hoogste levensdoel zal een onwetende er niet in onderrichten karma op te bouwen, precies zoals een arts met ervaring een patiënt niet het verkeerde voedsel zal voorschrijven, zelfs al zou die patiënt ernaar verlangen. (51) O beschermheer van het offer [Maghavan; Indra], al het goede geluk zij u toegewenst, ga heen en vraag zonder dralen Dadhyañca [Dadhîci], de meest verhevene aller heiligen in de opvoeding, boete en de essentie, naar de fysieke middelen. (52) Dadhyañca is zonder twijfel degene die het zuiver spirituele, nadat hij het zich eigen had gemaakt, overdroeg aan de As'vins; bij de lering die 'het hoofd van het paard' [As'vas'ira] wordt genoemd is er van hen het loon der onsterfelijkheid [*]. (53) Dadhyañca, de zoon van Atharvâ, zijn onoverwinnelijke bescherming [in mantra's] bestaande uit Mijzelf [zie vorig hoofdstuk] werd doorgegeven aan Tvashthâ, die het doorgaf aan Vis'varûpa en dat wat Tvashthâ doorgaf hebt u dan op uw beurt van hem ontvangen. (54) De ledematen van die kenner van het dharma [Dhadyañca], waar, terwille van u allen, de As'vins naar vroegen, zullen u worden gegeven. Met behulp van hen zal door Vis'vakarmâ het machtigste van alle wapens worden vervaardigd. Met behulp van dat wapen, begiftigd met Mijn macht, kan het hoofd van Vritrâsura worden afgeslagen. (55) Als hij gedood is zullen jullie allen je weelde, macht, pijlen en andere middelen ter verdediging terugkrijgen; alle geluk is er voor jullie omdat je, als je Mijn toegewijde bent, geen kwaad kan geschieden.'

 

 

next                      

 
Tweede editie, geladen 1 mei 2007.

 

 

Bronteksten:

De verschijning van de demon Vritrâsura

 

Tekst 1 :

S'rî S'uka zei: 'Van Vis'varûpa [zie vorige hoofdstuk], o zoon van Bharata, zijn er de drie hoofden voor het drinken van de soma [het brengen van offers], het drinken van de wijn [het bezetten van de zetel der verlichting] en het eten van het voedsel [de materiële zaak].

S'rî S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: Vis'varûpa, de priester van de halfgoden, had drie hoofden. Het ene gebruikte hij om soma-rasa te drinken, het andere om wijn te drinken en het derde om te eten. O koning Parîkshit, dat is wat ik van de autoriteiten gehoord heb. (Vedabase)

 

Tekst 2:

Hij, o heerser, bood in de praktijk de goden, met wie hij verwant was van zijn vaders zijde, dat wat hen toekwam, publiekelijk hardop de mantra's reciterend.

O Mahârâja Parîkshit, Vis'varûpa was van vaderskant met de halfgoden verwant, en daarom offerde hij duidelijk zichtbaar geklaarde boter in het vuur, en zong daarbij mantra's zoals "indrâya idam svâhâ" ["dit is bedoeld voor koning Indra"] en "idam agnaye" ["dit is voor de halfgod van het vuur"]. Hij chantte deze mantra's met luide stem en offerde elke halfgod wat hem toekwam. (Vedabase)

 

Tekst 3:

Ertoe aangezet door de genegenheid voor zijn moeder echter bood hij, offers brengend voor de goddelijken, zonder hun medeweten de onverlichte zielen eveneens een deel in opoffering.

Maar hoewel hij in naam van de halfgoden geklaarde boter in het vuur offerde, bracht hij buiten hun medeweten ook offerandes aan de demonen, met wie hij van moederszijde verwant was. (Vedabase)

 

Tekst 4:

De koning der verlichte zielen [Indra] die zag hoe door die overtreding jegens de goddelijken hij het dharma verraadde, sloeg in angst, bovenmatig kwaad geworden, snel Vis'varûpa's hoofden eraf.

Op een gegeven moment kreeg Indra, de hemelkoning, echter door dat Vis'varûpa de halfgoden heimelijk oplichtte door offerandes te brengen ten gunste van de demonen. Uit panische angst dat hij door de demonen verslagen zou worden, werd hij zo kwaad op Vis'varûpa dat hij alledrie zijn hoofden van zijn schouders hakte. (Vedabase)

 

Tekst 5:

Het hoofd van hem dat hij gebruikte om de soma te drinken werd een kapiñjala [een berghazelhoen], het hoofd om wijn mee te drinken veranderde in een kalavinka [een spreeuw] en het derde hoofd dat hij gebruikte om voedsel tot zich te nemen veranderde in een tittiri een gewone patrijs].

Daarna veranderde het hoofd waarmee hij altijd soma-rasa dronk in een kapiñjala[een berghazelhoen]; het hoofd waarmee hij wijn placht te drinken in een kalavinka [een spreeuw], en het hoofd waarmee hij gewoonlijk at in een tittiri [een gewone patrijs]. (Vedabase)

 

Tekst 6:

Hoe machtig Indra ook was, voor de terugslag van het doden van een brahmaan moest hij met gevouwen handen voor de duur van een jaar de verantwoordelijkheid dragen en daarom verdeelde hij de last over de vier afdelingen van de aarde, de wateren, de bomen en de vrouwen, teneinde zich met betrekking tot deze elementen van de zonde te zuiveren.

 Hoewel Indra zo machtig was dat hij de zondige reacties op het doden van een brâhmana kon neutraliseren, aanvaardde hij berouwvol en met gevouwen handen de last van deze reacties. Hij leed een jaar lang, en vervolgens zuiverde hij zichzelf door de reacties op zijn zondige moord onder de aarde, het water, de bomen en de vrouwen te verdelen. (Vedabase)

 

Tekst 7:

De aarde die een vierde van de last van het doden van een brahmaan voor haar rekening nam, had, vanwege de zegening van het hebben van water in haar uitsparingen, inderdaad de woestijnen als het zichtbare teken ervan op haar oppervlak.

In ruil voor koning Indra's zegen dat de gleuven in de aarde zich vanzelf zouden dichten, nam het land een kwart van de zondige reacties op het doden van een brâhmana over. Vanwege deze zondige reacties zijn er veel woestijnen op aarde. (Vedabase)

 

Tekst 8:

De bomen die een vierde op zich namen van de schuld van het doden van de brahmaan hadden, met hun gezegend zijn met het vermogen om hun takken en twijgen weer terug te groeien indien afgesneden, het zichtbare gevolg van het sap dat van hen vloeide.

In ruil voor Indra's zegen dat hun takken en twijgen weer zouden aangroeien als ze gesnoeid waren, namen de bomen eveneens een kwart van de reacties op het doden van een brâhmana over. Men kan deze reacties herkennen aan het sap dat uit bomen sijpelt. [Daarom is het verboden om dit sap te drinken.]. (Vedabase)

 

Tekst 9:

Met de vrouwen die een vierde op zich namen van de last der zonde, kon van hun zegening van een nimmer aflatende zin in sex, als reactie de vorm van de maandelijkse periode worden waargenomen.

In ruil voor Heer Indra's zegen dat ze aan één stuk door van wellustige verlangens konden genieten, zelfs tijdens de zwangerschap, zolang seks tenminste niet schadelijk is voor het embryo, namen ook de vrouwen een kwart van de zondige reacties over. Het gevolg van die reacties is dat vrouwen elke maand menstrueren. (Vedabase)

 

Tekst 10:

Water nam een vierde van de zonde op zich en had, van haar zegening van het vermogen om de omvang te doen toenemen van het materiaal dat het doorweekt, de zichtbare reactie van het bubbelen en schuimen, een resultaat waarvan men moet afzien als men water haalt.

En in ruil voor koning Indra's zegen dat water het volume van andere substanties waarmee het gemengd wordt zou doen toenemen, nam ook het water een kwart van de zondige reacties over. Daarom drijven er bellen en schuim op water. Als men water haalt, moet men die vermijden. (Vedabase)

 

Tekst 11:

Tvashthâ [zie 5.15: 14-15], die zijn zoon had verloren, bracht daarna een offer om een vijand in het leven te roepen met de woorden: 'O vijand van Indra, gedij zodat na een niet al te lange tijd u uw tegenstander kan doden.'

Na de dood van Vis'varûpa verrichtte diens vader Tvashthâ bepaalde riten om Indra te doden. Hij bracht offerandes in het vuur en zei: "O vijand van Indra, rijs op zodat u onverwijld uw vijand kunt doden." (Vedabase)

   

Tekst 12:

Daarop verscheen uit het anvâhârya vuur [het zuidelijke vuur] een hoogst angstwekkende figuur die eruitzag als de vernietiger aan het einde van de yuga.

Daarna kwam er aan de zuidzijde van het offervuur Anvâhârya een zeer angstaanjagende persoonlijkheid te voorschijn, die eruitzag als de vernietiger van de hele schepping aan het eind van het millennium. (Vedabase)

 

Tekst 13-17:

Dag na dag in afmetingen toenemend leek hij op een berg die in brand had gestaan of wolken die zich in de avond samenpakken met de zon van achteren naar alle kanten schijnend als pijlen. Bij zijn haren, snor en baard, die rood waren als gesmolten koper, had hij ogen laaiend als de middagzon. Zich rond bewegend, dansend en de hele wereld bij elkaar schreeuwend, schopte hij met zijn gloeiende drietand zwaaiend het stof hoog op. Met zijn mond diep als een grot de drie werelden verslindend, dronk hij de hemel en likte hij met zijn tong de sterren op. Keer op keer het op een geeuwen zettend met zijn massieve vervaarlijke tanden, vluchtten de mensen die hem zagen in angst weg in al de tien windrichtingen.

Als pijlen die weggeschoten worden in de vier windrichtingen, zo groeide het lichaam van de demon dag na dag. Lang en zwartachtig als hij was, zag hij eruit als een verbrande heuvel, en hij straalde als een schitterende wolkenpartij in de avond. Het haar op het lichaam van de demon en zijn baard en snor hadden de kleur van gesmolten koper, en zijn ogen priemden als de middagzon. Hij leek onverslaanbaar, en het was alsof hij de drie werelden op de punten van zijn laaiende drietand hield. Dansend en luid schreeuwend, deed hij het hele aardoppervlak trillen alsof er een aardbeving was. Hij gaapte keer op keer, en daardoor leek het wel alsof hij de hele lucht probeerde op te slokken met zijn mond, die zo diep was als een grot. Het was alsof hij alle sterren met zijn tong uit de hemel likte en met zijn lange, scherpe tanden het hele universum opat. Bij het zien van deze gigantische demon rende iedereen doodsbang alle kanten op. (Vedabase)

 

Tekst 18:

Hij, die hoogst angstwekkende verpersoonlijking van de zonde, was in werkelijkheid de gedaante die de zoon van Tvashthâ had aangenomen. Hij overschaduwde nu, bij de kracht van de verzaking in zijn voorgaande leven, al de drie werelden, en werd aldus Vritra ['hij die alles omsluit'] genoemd.

Deze zeer angstaanjagende demon, die in feite de zoon van Tvashthâ was, overschaduwde door de kracht van zijn ascese alle planetenstelsels. Daarom droeg hij de naam Vritra, "degene die alles bedekt". (Vedabase)
 
Tekst 19:

Indra, en de soldaten van al de voorvechters der wijsheid, vielen hem aan met het gehele goddelijke arsenaal aan bogen, pijlen en andere wapens dat hen ter beschikking stond, maar Vritra slokte ze allemaal in één keer op.

De halfgoden, met Indra aan het hoofd, vielen de demon met hun soldaten aan en bestookten hem met hun transcendentale bogen, pijlen en andere wapens, maar Vritrâsura slikte al deze wapens in. (Vedabase)

 

Tekst 20:

Daarvoor geplaatst, stonden ze versteld en verzamelden ze zich verslagen, met hun moed in de schoenen gezonken, om tot de Superziel te bidden, de Oorspronkelijke Persoon van God.

Bij het zien van de kracht van de demon waren de halfgoden zodanig verbijsterd en teleurgesteld dat ze hun eigen kracht verloren. Daarom kwamen ze allemaal bij elkaar om te proberen de Superziel, de Allerhoogste Godspersoon, Nârâyana, te plezieren door Hem te aanbidden. (Vedabase)

 

Tekst 21:   

De godsbewusten zeiden: 'Wij, samen met de goden, die vanaf het begin met Heer Brahmâ de drie werelden tot stand brachten die zijn samengesteld uit lucht, vuur, ether, water en aarde, bewijzen allen, bevend van de angst, de heer van de dood de eer; maar omdat hij zelf weer bang is voor Hem [de Oorspronkelijke Persoonlijkheid], zouden we Hem als onze toevlucht moeten onderkennen.

De halfgoden zeiden: De drie werelden zijn geschapen door de vijf elementen - namelijk ether, lucht, vuur, water en aarde - die door allerlei halfgoden bestuurd worden, te beginnen met Heer Brahmâ. Omdat we heel erg bang zijn dat de tijdfactor een eind aan ons leven zal maken, brengen we de tijd offergaven, en wel door ons werk te doen zoals de tijd ons dat voorschrijft. Maar de tijdfactor zelf is bang voor de Allerhoogste Godspersoon. Laat ons daarom nu die Allerhoogste Heer vereren, want Hij is de enige die ons volledige bescherming kan bieden. (Vedabase)

 

Tekst 22:

Men is een dwaas, als men de oceaan wil oversteken zich vastklampend aan de staart van een hond; een dwaas als men probeert iemand anders dan Hem te benaderen die zich nergens over verbaast, altijd voldaan is over inderdaad Zijn eigen prestaties, gelijkmoedig en zeer stabiel is, en boven iedere materiële beschrijving staat.

De Heer, die vrij is van alle materiële opvattingen van het leven en nooit door iets verbijsterd raakt, is altijd vol vreugde en geheel voldaan met Zijn eigen geestelijke volmaaktheid. Hij heeft geen enkele band met de materie, en is daarom standvastig en onthecht. Deze Allerhoogste Godspersoon is ieders enige toevlucht. Wie door iemand anders beschermd wil worden, is beslist als een grote dwaas die hangend aan de staart van een hond de zee wil oversteken. (Vedabase)

 

Tekst 23:

Net als Manu [hier: koning Satyavrata] die zijn boot vastbond aan de stevige hoorn van Matsya [de vis-avatâra] om de vloed te overleven, kunnen wij, afhankelijk als we zijn, er zeker van zijn te worden gered van de eindeloze angst voor de zoon van Tvashthâ, hoewel Hij er in feite slechts in de gedaante van een vis is.

Koning Satyavrata, een van de Manu's, redde zichzelf vroeger eens door het kleine bootje van de wereld vast te maken aan de hoorn van de Matsya-avatâra, de vis-incarnatie. Door de genade van de Matsya-avatâra kon Manu zo aan het grote gevaar van de overstroming ontsnappen. Moge diezelfde vis-incarnatie ons nu redden van het grote en angstaanjagende gevaar in de vorm van de zoon van Tvashthâ! (Vedabase)

 

Tekst 24:

Voorheen was de Onafhankelijke [Svayambhû of Heer Brahmâ], geheel alleen op de lotus, zeer bevreesd, er dankzij Hem in geslaagd zijnd te nauwer nood te ontsnappen aan een val in de zo hoge golven van de wateren van de vloed opgewaaid door de razende wind [zie 3.8]; moge die verlossing er ook voor ons zijn.

In het begin van de schepping stuwde een geweldige wind woeste golven op die alles overstroomden. Deze grote golven maakten zo'n afschuwelijk lawaai dat Heer Brahmâ bijna van zijn zetel op de lotus in het verwoestingswater viel, maar hij werd dankzij de hulp van de Heer gered. Daarom verwachten we dat de Heer ook ons in deze gevaarlijke situatie zal beschermen. (Vedabase)

 

Tekst 25:

Hij, de ene Heerser die door Zijn bovenzinnelijk vermogen ons schiep en door wiens genade wij ons ook een wereld van materie mogen scheppen, kan, hoewel Hij als de acteur recht tegenover ons staat, niet in Zijn gedaante worden herkend door ons omdat we onszelf zien als afzonderlijke heersers.

De Allerhoogste Godspersoon, die ons via Zijn uitwendige vermogen heeft geschapen en door wiens genade wij de schepping van het universum verder mogen afwikkelen, staat altijd vóór ons als de Superziel, maar we kunnen Zijn gedaante niet zien. Dit komt doordat we allemaal denken dat we zelf afzonderlijke en onafhankelijke goden zijn. (Vedabase)

 

Tekst 26-27:

Hij onder ons, die altijd geplaagd zijn door onze vijanden, en onder de goddelijken, de dieren en de mensen er altijd zeker van is middels Zijn eigen innerlijk vermogen te verschijnen als een incarnatie in verschillende gedaanten, beschermt in ieder millennium een ieder die Hem lief is en nabij staat. Hem inderdaad, de God en Heer over ons allen en ieder ander levend wezen, is het transcendentale, oorspronkelijke primaire principe van de natuur, de Hoogste Genieter wiens energie men kent in de vorm van het universum waar Hij Zelve los van staat; Hij is de toevlucht die door ons allen wordt gezocht; moge Hij, de Grootste van de Ziel, ons, Zijn toegewijden die zelve geschikt zijn als toevlucht, zegenen met al het goede geluk.'

Door Zijn onvoorstelbare inwendige vermogen expandeert de Allerhoogste Godspersoon Zich in verschillende transcendentale lichamen als Vâmanadeva, de incarnatie van kracht onder de halfgoden; als Paras'urâma, de incarnatie onder de heiligen; als Nrisimhadeva en Varâha, de incarnaties onder de dieren; en als Matsya en Kûrma, de incarnaties onder de waterdieren. Onder allerlei soorten van levende wezens neemt Hij verschillende transcendentale lichamen aan, en onder de mensen verschijnt Hij met name als Heer Krishna en Heer Râma. Door Zijn grondeloze genade beschermt Hij de halfgoden, die altijd belaagd worden door de demonen. Hij is de allerhoogste aanbiddenswaardige Godheid van alle levende wezens. Hij is de allerhoogste oorzaak, vertegenwoordigd in de mannelijke en vrouwelijke scheppingsenergie. Hoewel Hij van dit universum verschilt, bestaat Hij in Zijn universele gedaante [virâth-rûpa]. Laten wij in deze hachelijke situatie onze toevlucht zoeken bij Hem, want we zijn er zeker van dat de Allerhoogste Heer, de Allerhoogste Ziel, ons Zijn bescherming zal bieden. (Vedabase)

 

Tekst 28:

S'rî S'uka zei: 'Door dat gebed der verlichte zielen, o Koning, werd Hij, de blik naar binnen sturend, zichtbaar met Zijn schelphoorn, werpschijf en knots.

S'rî S'ukadeva Gosvâmî zei: Beste koning, toen de halfgoden zo allemaal hun gebeden tot Hem richtten, verscheen de Allerhoogste Godspersoon, Heer Hari, eerst in hun hart en toen vóór hen, met Zijn wapens - de hoornschelp, de werpschijf en de knots - in Zijn hand. (Vedabase)

 

Tekst 29-30:

Van alle kanten werd Hij, met ogen bloeiend als lotussen in de herfst opgewacht door zestien dienaren die precies waren zoals Hij met uitzondering van het Kaustubha-juweel en het S'rîvatsa-teken. Hem ziend, o Koning, wierpen ze zich allen uitgestrekt voor Hem op de grond neer overweldigd door het geluk Hem rechtstreeks te kunnen zien. Toen stonden ze langzaam op en brachten ze Hem hun gebeden.

De Allerhoogste Godspersoon, Nârâyana, was omringd en werd gediend door zestien persoonlijke dienaren, die getooid waren met sieraden en er net zo uitzagen als Hij, maar dan zonder het S'rîvatsa-teken en het Kaustubha-juweel. O koning, toen de halfgoden de Allerhoogste Heer op zie manier voor zich zagen staan, glimlachend en met ogen als de kelkblaadjes van lotusbloemen in de herfst, werden ze overweldigd door geluk en vielen ogenblikkelijk als stokken neer, dandavats brengend. Daarna stonden ze langzaam op en plezierden de Heer door gebeden tot Hem te richten. (Vedabase)

 

Tekst 31:

De goddelijken zeiden: 'U, o Heer van het Offer, brengen we, hoewel U degene bent die aan alles een einde maakt, onze eerbetuigingen daar U daadwerkelijk degene bent die zich bedient van de cakra [de schijf, het cyclische, de orde van de tijd] als wapen; al ons respect geldt U die bekend staat met zo veel transcendentale namen.

De halfgoden zeiden: O Allerhoogste Godspersoon, het komt U toe om de resultaten van de vedische offers te schenken, en U bent tevens de tijdfactor die op den duur al zulke resultaten vernietigt. U bent degene die de cakra werpt om de demonen te doden. O Heer met de vele namen, wij brengen U nederig onze eerbetuigingen. (Vedabase)

 

Tekst 32:

Van U als de Beheerser der drie bestemmingen [van het naar de hel, de hemel of het vagevuur gaan] is er het allerhoogste verblijf [van Vaikunthha]; na U te zijn verschenen in de schepping, o heerser, is men niet in staat het te bevatten.

O allerhoogste bestuurder, U bent degene die de drie bestemmingen bepaalt [verheffing naar de hemelse planeten, geboorte als mens, en verdoeming naar de hel], maar toch is Uw allerhoogste woonplaats Vaikunthha-dhâma. Aangezien wij pas verschenen toen U deze kosmische openbaring al had geschapen, kunnen wij Uw activiteiten met geen mogelijkheid begrijpen. Daarom hebben we U niets anders aan te bieden dan onze nederige eerbetuigingen. (Vedabase)

 

Tekst 33:

O Heer, laat er onze eerbetuigingen zijn jegens U, o Bhagavân Nârâyana, o Vâsudeva, o Oorspronkelijke Persoon, o Hoogste Persoonlijkheid, o Allerhoogste van alle weelde, O Allergunstigste, o Bovenzinnelijke Zegening, o Grootheid der Genade, o Onveranderlijk Ondersteuner van het Universum en Enige Aanspraak op alle werelden, Heerser over Allen en Echtgenoot van Lakshmî Devî; door de bovenzinnelijke verzonkenheid in devotionele yoga zijn de besten der volkomen verzaking die overal rondzwerven, volledig gezuiverd en duwen ze met hun plichtsgetrouwe respect als paramahamsa's ['zwanen van het allerhoogste'] de deur open van het illusoire bestaan die toegang biedt tot het bewustzijn dat vrij is van smetten in de geestelijke wereld; U o Heer persoonlijk ervarend, vindt een ieder van hen aldus Uw verrukking.

O Allerhoogste Godspersoon, o Nârâyana, o Vâsudeva, de Oorspronkelijke Persoon! O meest verhevene, allerhoogste ervaring, verpersoonlijking van voorspoed! O allerhoogste zegen, o hoogst genadige en onveranderlijke! O U die de instandhouder van de kosmische openbaring, de enige eigenaar van alle planetenstelsels, de meester van alles en de echtgenoot van de godin van het fortuin bent! U, o Heer, wordt gerealiseerd door de allerhoogste sannyâsî's, die over de hele wereld zwerven om het Krishna-bewustzijn te prediken en door de beoefening van bhakti-yoga volledig opgaan in samâdhi. Omdat ze hun geest op U gericht houden, kunnen zij in hun volkomen gezuiverde hart Uw aanwezigheid gewaarworden. Als de duisternis in hun hart volledig geweken is en U Zich aan hen onthuld hebt, is de oorsprong van de transcendentale gelukzaligheid die zij ervaren Uw transcendentale gedaante, o Heer. Alleen zulke mensen kunnen U realiseren. Daarom brengen wij U gewoonweg onze nederige eerbetuigingen. (Vedabase)

 

Tekst 34:

Deze bezigheid van U in avonturen met betrekking tot de eenheid waarin U, zich niet verlatend op iets anders - noch op deze noch op die belichaming - nimmer onze medewerking afwacht, is nogal moeilijk te begrijpen; alhoewel U ontstegen bent aan de geaardheden der materie bent U, middels Uw eigen zelf vrij van transformaties, niettemin van schepping, vernietiging en behoud.

O Heer, U behoeft geen enkele steun, en hoewel U geen materieel lichaam bezit, hebt U onze medewerking niet nodig. Aangezien U de oorzaak van de kosmische openbaring bent en zonder zelf te veranderen de materiële elementen daarvoor verschaft, schept, behoudt en vernietigt U deze kosmische openbaring door Uzelf. Hoewel het daardoor lijkt alsof U Zich met materiële activiteiten bezighoudt, bent U transcendentaal aan elke materiële invloed. Daarom is het zeer moeilijk om deze transcendentale activiteiten van U te begrijpen. (Vedabase)

 

Tekst 35:

In dat opzicht vragen we ons derhalve af of U als de Heer er bent als een normaal mens die gebonden is aan handelingen in de materiële wereld, en die onder de invloed is geraakt van de geaardheden in een afhankelijk zijn van tijd, ruimte, activiteiten en de natuur, en daarbij is gedwongen de goede en slechte gevolgen te dragen van wat hij zelf doet; dan wel of U, volledig in Uzelf tevreden en zelfbeheerst van aard, de qua spiritueel vermogen nimmer tekortschietende en immer neutrale getuige bent. Wat dit betreft zijn we er zeker van U niet te begrijpen.

We hebben enkele vragen. De gewone geconditioneerde ziel is onderworpen aan de materiële wetten, en ontvangt zo de vruchten van zijn handelingen. Leeft U, mijn Heer, als een gewoon mens in deze materiële wereld, in een lichaam dat het produkt is van de materiële geaardheden? Geniet of ondergaat U ook de aangename of onplezierige gevolgen van handelingen onder invloed van de tijd, vroeger werk en andere factoren? Of is het juist zo dat U hier alleen maar bent als neutrale getuige, volkomen onafhankelijk, vrij van materiële verlangens en altijd vol geestelijk vermogen? Wij kunnen Uw werkelijke positie beslist niet begrijpen. (Vedabase)

 

Tekst 36:

Zeker bestaat er met U geen tegenstrijdigheid in het door iemand zowel zijn van de hoogste, onbegrensde en Opperste Beheerser behept met alle kwaliteiten die onpeilbaar is in Zijn vermogen en heerlijkheid, als in het zijn van een werkelijk dubbelzinnige, opponerende, veroordelende, voorbarige, disputerende, door de geschriften opgejaagde geest wiens toevlucht wordt genoten door doortrapte tegenstrevers en controversiële filosofen die hun boekje te buiten gaan. Met U teruggetrokken van al het illusieverwekkende van de materie, met het ongeëvenaarde van U, vormt U met ziel en wereld de ondoorgrondelijke tussenweg waarvan het inderdaad onmogelijk is een idee te krijgen van hoever die reikt als gevolg van de afwezigheid van een dubbelhartige aard in U.

O Allerhoogste Godspersoon, alles wat met elkaar in tegenspraak is kan in U tot overeenstemming gebracht worden. O Heer, aangezien U de Allerhoogste Persoon bent, het reservoir van onbeperkte transcendentale eigenschappen, de allerhoogste bestuurder, kunnen de geconditioneerde zielen zich Uw onbegrensde heerlijkheid niet voorstellen. Veel moderne theologen twisten over wat goed en wat verkeerd is, zonder dat ze weten wat werkelijk goed is. Hun argumenten zitten er altijd naast en hun oordeel is weinig overtuigend omdat ze geen geautoriseerde bron hebben waaruit ze kennis over U kunnen putten. Omdat hun geest verward is door geschriften waarin verkeerde conclusies staan, kunnen ze de waarheid betreffende U niet begrijpen. En aangezien hun motivatie om tot de juiste conclusie te komen bovendien onzuiver is, kunnen ze U met hun theorieën niet onthullen, want U bent transcendentaal aan hun materiële opvattingen. U bent uniek en zonder weerga, en daarom zijn tegenstellingen als doen en niet doen, geluk en verdriet, in U niet met elkaar in tegenspraak. Uw vermogen is zo groot, dat U alles kan bewerkstelligen en weer tenietdoen zoals U het wilt. Wat is er voor U onmogelijk met zo'n vermogen? Aangezien er geen dualiteit in Uw goddelijke Zelf bestaat, kunt U alles doen door middel van Uw energie. (Vedabase)

 

Tekst 37:

Zoals men met het zien van een stuk touw een slang ziet of niet, zo ook concludeert men als men intelligent is tot Uw persoon of anders niet.

Een stuk touw jaagt iemand die verward is schrik aan omdat hij denkt dat het een slang is, maar iemand met een goed verstand heeft daar geen last van omdat hij weet dat het maar een touw is. Op dezelfde manier maakt U als Superziel in ieders hart iemand bang of onbevreesd naargelang zijn intelligentie, maar in Uzelf bestaat geen dualiteit. (Vedabase)

 

Tekst 38:

Met U die bij nadere beschouwing de substantie bent, de heerser over allen in alles wat spiritueel en materieel is, die er bent als de oorzaak aller oorzaken van het ganse universum en die, tot in het kleinste atoom, alomtegenwoordig bent met alle kwaliteit, bent U, van al de manifestaties, daadwerkelijk de enige die overblijft.

Na zorgvuldige overweging zal men inzien dat de Allerhoogste Ziel in feite het grondbeginsel van alles is, hoewel Hij Zich op verschillende manieren manifesteert. De totale materiële energie is de oorzaak van de materiële openbaring, maar deze materiële energie heeft haar oorsprong in Hem. Daarom is Hij de oorzaak van alle oorzaken, de oorsprong van de intelligentie en de zinnen. Men kan Hem gewaarworden als de Superziel van alles. Zonder Hem zou alles dood zijn. U, als Superziel, de allerhoogste bestuurder, bent de enige die overblijft. (Vedabase)

 

Tekst 39:

Daarom zijn daadwerkelijk zij die zich verhouden tot U, en die slechts een enkele keer een druppel van de nectar van Uw heerlijkheden geproefd hebben, in hun geesten van de niet aflatende stroom van gelukzaligheid en zijn zij, met het vergeten van het vage en beperkte aandeel van het aanzien en de weerklank van materieel geluk, als verheven toegewijden, enkel van geloof in U, de Allerhoogste Persoonlijkheid, de enige vriend en meest geliefde van alle levende wezens. Hoe kunnen die toegewijden wiens geesten van een volkomen en onafgebroken geluk zijn, o Doder van Madhu, of zij die, zoals gezegd, ware experts zijn in de aangelegenheden van het leven in het aanvaard hebben van U als de meest geliefde minnaar en vriend, in het dienen van Uw lotusvoeten, dan ooit dit leven opgeven waarin er nooit meer sprake is van een herhaaldelijk geboren worden en sterven?

Daarom, o doder van de demon Madhu, stroomt er zonder ophouden transcendentale gelukzaligheid door de geest van degenen die zelfs maar een druppel van de nectargelijke oceaan van Uw heerlijkheid geproefd hebben. Zulke verheven toegewijden vergeten de nietige reflectie van zogenaamd geluk dat teweeggebracht wordt door de materiële zinnen in de vorm van horen en zien. Omdat zulke toegewijden vrij zijn van elk verlangen, zijn ze meesters in de kunst van het bereiken van het ware doel van het leven. O Heer, U bent de ziel en de dierbare vriend van zulke toegewijden, die nooit meer naar deze materiële wereld hoeven terug te keren. Hoe zouden ze hun toegewijde dienst aan U ooit kunnen opgeven? (Vedabase)

 

Tekst 40:

O lieve Ziel en beschutting der drie werelden, o macht en weelde der drie werelden, o handhaver en ziener der drie werelden, o allermooiste der aantrekking in de drie werelden, van Uw expansies in de materiële energie zijn we er zeker van dat door Uw eigen Zelf gemanifesteerd in de verschillende gedaanten der verlichten [Vâmana], der mensen [Râmacandra en Krishna], der dieren [Varâha], van een mengvorm van hen [Nrisimhadeva] en van de waterdieren [Matsya en Kûrma], ten tijde van hun samenspannen al de zoons van Diti en Danu en dergelijken de gerechte straf wordt toegekend al naar gelang ieder zijn overtreding, o Allerhoogste Bestraffer; en moge U evenzo een einde maken aan het leven van deze zoon van Tvashthâ, als U dat noodzakelijk acht.

O Heer, o verpersoonlijking van de drie werelden, o vader van de drie werelden! O kracht van de drie werelden, in de gedaante van de Vâmana-incarnatie! O drie-ogige gedaante van Nrisimhadeva! O allermooiste in de drie werelden! Alles en iedereen, mensen en zelfs de Daitya-demonen en de Dânava's inbegrepen, is slechts een expansie van Uw energie. O allermachtigste, U bent altijd in Uw verschillende incarnaties verschenen om de demonen te straffen zodra ze te machtig werden. U verschijnt als Heer Vâmadeva, Heer Râma en Heer Krishna. Soms verschijnt U als een dier zoals Heer Everzwijn, soms als een gemengde incarnatie zoals Heer Nrisimhadeva en Heer Hayagrîva, en soms als een waterdier zoals Heer Vis en Heer Schildpad. In zulke gedaantes hebt U de demonen en de Dânava's keer op keer gestraft. Daarom bidden wij dat U vandaag, o Heer, als U dat wenst, als een andere incarnatie mag verschijnen om de grote demon Vritrâsura te doden. (Vedabase)

 

Tekst 41:

Met het in volledige overgave ons geheel verlaten op U, o Vader der Vaderen, o Heer Hari, zijn onze harten geketend in liefde door meditatie op Uw beide voeten die gelijk twee blauwe lotussen zijn; door de manifestatie van Uw eigen gedaante, door Uw meedogende glimlach, kleurrijke helderheid en hoogste behagen, door Uw perfectie, smelten zij, die door U werden aanvaard als de Uwe, vol van meegevoel met de druppels van de nectar van de zeer lieve woorden die uit Uw mond voortkomen, en achten we U verkiesbaar als degene die de grote pijn in ons kan verhelpen, o Allerzuiverste.

O allerhoogste beschermer, o grootvader, o allerhoogste zuiverheid, o Heer! Wij zijn allemaal overgegeven zielen aan Uw lotusvoeten. Ja, onze geest is door de ketenen van de liefde in meditatie aan Uw lotusvoeten geklonken. Manifesteer nu alstublieft Uw incarnatie. Aanvaard ons als Uw eeuwige dienaren en toegewijden, en wees alstublieft tevreden over ons en wees ons toegenegen. Bevrijd ons met Uw liefdevolle blik, met die kalme, aangename glimlach vol begrip, en met de zoete woorden die als nectar uit Uw prachtige mond vloeien; bevrijd ons van de angst die deze Vritrâsura ons bezorgt, want hij kwetst ons voortdurend tot in het diepst van ons hart. (Vedabase)

 

Tekst 42:

Daarom o Allerhoogste Heer, wat is voor ons, als vonken ten opzichte van het oorspronkelijke vuur, de strekking of de speciale noodzaak van het feit dat U, die rechtstreeks de Allerhoogste Absolute Waarheid bent, door ons op de hoogte wordt gesteld? U als de oorzaak van al de schepping, de handhaving, en de vernietiging van de materiële wereld bent, in Uw zich vermaken met de geestelijke energie, zowel aanwezig in de kern van de harten van al de horden van levende wezens als buiten hen, als ook aanwezig als de Superziel voorbij aan hen. Bij de uiterlijke elementen van Uw gedaanten en de bijzonderheden naar gelang de omstandigheid, de tijd, het soort van lichaam en de materiële positie, is er dankzij U, als Hij die al de materiële oorzaken tentoonspreidt, als de getuige van alles wat er gaande is, als de getuigenis zelf, het eeuwigdurende geheugen van het hele universum [het âkâsha geheugen].

O Heer, zoals de vonkjes van een vuur onmogelijk tot hetzelfde in staat zijn als het hele vuur, kunnen wij als vonken van U, Heer, U niet vertellen wat we nodig hebben. U bent het volkomen geheel. Waarvan zouden we U daarom op de hoogte moeten brengen? U weet alles, want U bent de oorspronkelijke oorzaak van de kosmische openbaring, de instandhouder en vernietiger van de hele universele schepping. U gaat altijd op in Uw spel en vermaak met Uw geestelijke en materiële energieën, want van al deze verschillende energieën bent U de bestuurder. U leeft in alle wezens, in de kosmos en ook daarbuiten. Inwendig bestaat U als Parabrahman en uitwendig als de elementen van de materiële schepping. Hoewel U Zich in verschillende fasen, op verschillende tijden en plaatsen, en in verschillende lichamen manifesteert, bent U, de Godspersoon, de oorspronkelijke oorzaak van alle oorzaken. Ja, U bent het oorspronkelijke element. U bent de getuige van alle activiteiten, maar U wordt er nooit door geraakt omdat U even uitgestrekt als de hemel bent. Als Parabrahman en Paramâtmâ bent U de getuige van alles. O Allerhoogste Godspersoon, niets is U onbekend. (Vedabase)

 

Tekst 43:

Voorzie, om die reden als onze Opperheer en Meester der Transcendentie, alstUblieft bij de duizendbladige lotusbloemen die Uw voeten zijn, in een positie in hun schaduw ten einde de pijn te verhelpen die resulteert uit de gevaren en verlangens van dit geconditioneerde leven welke ons er toe hebben gedreven U te benaderen.

O Heer, U bent alwetend, en daarom weet U heel goed waarom we onze toevlucht genomen hebben tot de schaduw van Uw lotusvoeten, waar men verlichting kan vinden van alle materiële problemen. Aangezien U de allerhoogste geestelijk leraar bent en alles weet, hebben we onze toevlucht bij Uw lotusvoeten gezocht in de hoop bepaalde aanwijzingen te krijgen. Wees zo goed om alstublieft onze huidige nood te verlichten. Uw lotusvoeten zijn de enige toevlucht voor een volkomen overgegeven toegewijde en de enige manier om alle beproevingen van deze materiële wereld te boven te komen. (Vedabase)

 

Tekst 44:

Daarom o Beheerser, maak een einde aan deze zoon van Tvashthâ, die de drie werelden verslindt en, o Krishna [zie: B.G. 4: 4-6], al onze kracht en ons vermogen, al onze pijlen en andere middelen ter verdediging, heeft opgeslokt.

O Heer, o allerhoogste bestuurder, o Heer Krishna, vernietig daarom alstublieft deze gevaarlijke demon Vritrâsura, de zoon van Tvashthâ, die reeds al onze wapens, onze strijduitrusting en onze kracht en invloed heeft opgeslokt. (Vedabase)

 

Tekst 45:

Aan U als de Zuiverste die Zijn verblijf heeft in de kern van het hart alwaar U de handelingen van het individu overschouwt, aan die manifestatie van Krishna wiens reputatie als verlosser zo helder straalt, aan Hem zonder een begin die enkel door de zuivere toegewijden wordt begrepen, aan dat uiteindelijke doel van het vinden van een veilige haven in deze materiële wereld, aan die uiteindelijke vervulling en dat allerhoogste succes in het leven, aan die Heer, dragen wij onze gebeden op.'

O Heer, U die het allerzuiverst bent, U leeft in het diepst van ieders hart en bent getuige van alle verlangens en activiteiten van de geconditioneerde zielen. O Allerhoogste Godspersoon, U die men kent als Heer Krishna. Uw schitterende reputatie verlicht alle richtingen. U hebt geen begin, want U bent het begin van alles. Zuivere toegewijden begrijpen dit omdat U voor zuivere en oprechte mensen gemakkelijk bereikbaar bent. Wanneer de geconditioneerde zielen na een zwerftocht van vele miljoenen jaren door de materiële wereld bevrijding en bescherming bij Uw lotusvoeten vinden, behalen zij het grootste succes dat men in het leven kan bereiken. Daarom, o Heer, o Allerhoogste Godspersoon, betuigen wij nederig eer aan Uw lotusvoeten. (Vedabase)

 

Tekst 46:

S'rî S'uka zei: 'Nadat hij door al de dienaren van de drie werelden op deze wijze met het verschuldigde respect was aanbeden o Koning, gaf de Heer, erover verheugd hun lof voor Hem aan te horen, hen antwoord.

S'rî S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: O koning Parîkshit, toen de halfgoden zo oprecht tot de Heer baden, luisterde Hij uit Zijn grondeloze genade. Daar Hij tevreden was, gaf Hij de halfgoden als volgt antwoord. (Vedabase)

 

Tekst 47:

De Allerhoogste Heer zei: 'Ik ben zeer tevreden over u, o beste der goddelijken, door uw weloverwogen gebeden tot Mij als het Oorspronkelijke Zelf en de Heerser over de heugenis der mensen, hebt u mij een grote dienst bewezen in uw toewijding.

De Allerhoogste Godspersoon zei: O geliefde halfgoden, de gebeden die u tot Mij gericht hebt getuigen van grote kennis, en Ik ben beslist zeer tevreden over u. Door zulke kennis raakt iemand bevrijd, en op die manier herinnert hij zich Mijn verheven positie, die transcendentaal is aan alle situaties van het materiële bestaan. Zo'n toegewijde wordt geheel gezuiverd als hij met volkomen kennis tot Mij bidt. Op deze wijze bereikt men toegewijde dienst aan Mij. (Vedabase)

 

Tekst 48:

Als Ik tevreden ben gesteld kan men wat dan ook verkrijgen dat moeilijk te verwerven is; niettemin o beste der intelligenten, koestert hij die de waarheid kent, als hij eenmaal op Mij alleen de aandacht gevestigd heeft, geen verlangen naar enig ander iets buiten Mij.

O beste der intelligente halfgoden, hoewel het waar is dat niets moeilijk te bereiken is voor iemand die Mij tevreden heeft weten te stellen, vraagt een zuivere toegewijde, wiens geest uitsluitend op Mij gericht is, Mij niets anders dan de gelegenheid om toegewijde dienst te mogen doen. (Vedabase)

 

Tekst 49:

Een miserabele persoon [kripana] heeft, onder de aantrekking van het vormende van de natuur, geen weet van het uiteindelijk doel van de ziel, en hij die het verlangen naar dat soort zaken aanwakkert, is geen haar beter.

Mensen die denken dat materieel bezit het hoogste doel in het leven is, worden vrekken [kripana's] genoemd. Zij kennen de diepste behoefte van de ziel niet. Bovendien is het zo dat als men zulke dwazen schenkt wat ze verlangen, men ook als een dwaas beschouwd dient te worden. (Vedabase)

 

Tekst 50:

Iemand die persoonlijk weet heeft van het hoogste levensdoel zal een onwetende er niet in onderrichten karma op te bouwen, precies zoals een arts met ervaring een patiënt niet het verkeerde voedsel zal voorschrijven, zelfs al zou die patiënt ernaar verlangen.

Een zuivere toegewijde die zich volledig bekwaamd heeft in de wetenschap van toegewijde dienst zal een dwaas nooit leren om zich omwille van materieel genot met baatzuchtige activiteiten in te laten, laat staan dat hij hem bij zulke activiteiten zou helpen. Zo'n toegewijde is als een ervaren dokter, die een patiënt nooit aanmoedigt om iets te eten wat schadelijk is voor zijn gezondheid, zelfs al zou die patiënt dat graag willen. (Vedabase)

 

Tekst 51:

O beschermheer van het offer [Maghavan; Indra], al het goede geluk zij u toegewenst, ga heen en vraag zonder dralen Dadhyañca [Dadhîci], de meest verhevene aller heiligen in de opvoeding, boete en de essentie, naar de fysieke middelen.

O Maghavan [Indra], Ik wens u alle geluk. Ik geef u de raad om u tot de verheven heilige Dadhyañca [Dadhîci] te wenden. Hij is volleerd in kennis, geloften en ascese, en zijn lichaam is zeer krachtig. Ga hem nu onmiddellijk om zijn lichaam vragen. (Vedabase)

 

Tekst 52:

Dadhyañca is zonder twijfel degene die het zuiver spirituele, nadat hij het zich eigen had gemaakt, overdroeg aan de As'vins; bij de lering die 'het hoofd van het paard' [As'vas'ira] wordt genoemd is er van hen het loon der onsterfelijkheid [*].

Deze heilige Dadhyañca, ook bekend als Dadhîci, nam zelf alle geestelijke kennis in zich op en gaf ze vervolgens door aan de As'vinî-kumâra's. Men zegt dat Dadhyañca hun de mantra's gaf door het hoofd van een paard. Daarom worden deze mantra's As'vas'ira genoemd. Toen de As'vinî-kumâra's deze mantra's betreffende de geestelijke wetenschap van Dadhîci ontvangen hadden, werden zij jîvan-mukta - zelfs nog in dit leven bevrijd. (Vedabase)

 

Tekst 53:

Dadhyañca, de zoon van Atharvâ, zijn onoverwinnelijke bescherming [in mantra's] bestaande uit Mijzelf [zie vorig hoofdstuk] werd doorgegeven aan Tvashthâ, die het doorgaf aan Vis'varûpa en dat wat Tvashthâ doorgaf hebt u dan op uw beurt van hem ontvangen.

Dadhyañca's onoverwinnelijke wapenrusting, de Nârâyana-kavaca, werd aan Tvashthâ geschonken, die hem doorgaf aan zijn zoon Vis'varûpa, van wie u hem weer gekregen hebt. Door dit Nârâyana-kavaca is Dadhîci's lichaam nu geweldig sterk. Daarom moet u hem om zijn lichaam vragen. (Vedabase)

 

Tekst 54:

De ledematen van die kenner van het dharma [Dhadyañca], waar, terwille van u allen, de As'vins naar vroegen, zullen u worden gegeven. Met behulp van hen zal door Vis'vakarmâ het machtigste van alle wapens worden vervaardigd. Met behulp van dat wapen, begiftigd met Mijn macht, kan het hoofd van Vritrâsura worden afgeslagen.

Als de As'vinî-kumâra's voor u om Dadhyañca's lichaam vragen, zal hij het uit genegenheid voor hen zeker geven. Twijfel hier niet aan, want Dadhyañca kent de religieuze principes maar al te goed. Wanneer Dadhyañca u zijn lichaam toekent, zal Vis'vakarmâ een bliksem van zijn beenderen maken. Deze bliksem zal Vritrâsura zeker kunnen doden want hij zal bekleed zijn met Mijn macht. (Vedabase)

 

Tekst 55:

Als hij gedood is zullen jullie allen je weelde, macht, pijlen en andere middelen ter verdediging terugkrijgen; alle geluk is er voor jullie omdat je, als je Mijn toegewijde bent, geen kwaad kan geschieden.'

Wanneer Vritrâsura door Mijn geestelijke kracht gedood is, zult u uw eigen kracht, wapens en rijkdom terugkrijgen. Zo zult u allemaal alle voorspoed kennen. Hoewel Vritrâsura alledrie de werelden kan vernietigen, hoeft u niet te vrezen dat hij u kwaad zal doen. Hij is ook een toegewijde en zal nooit jaloers op u zijn. (Vedabase)

 

 

* Hierbij wordt door de âcârya's het volgende verhaal verteld: 'De grote heilige Dadhîci had volmaakte kennis over hoe vruchtdragend te handelen, en ook was hij ver gevorderd in de geestelijke kennis. Dit wetend benaderden eens de As'vinî-kumâra's hem en smeekten hem hen te instrueren in de geesteswetenschap (brahma-vidyâ). Dadhîci Muni gaf ten antwoord, "Ik ben nu bezig met het treffen van regelingen voor vruchtdragende activiteiten, kom later nog maar eens terug." Toen de As'vinî-kumâra's vertrokken, benaderde Indra, de Koning van de Hemel, Dadhîci en zei, "Mijn beste Muni, de As'vinî-kumâra's zijn maar dokters. Wijdt ze alsjeblieft niet in in de geesteswetenschappen, als je de geesteswetenschap aan hen doorgeeft ondanks mijn waarschuwing, zal ik je straffen door je hoofd af te hakken." Na Dadhîci zo te hebben gewaarschuwd, keerde Indra terug naar de hemel. De As'vinî-kumâra's, die Indra's verlangens begrepen, keerden terug en smeekten Dadhîci om brahma-vidyâ. Toen de grote heilige Dadhîci hen op de hoogte stelde van Indra's bedreiging, gaven de As'vinî-kumâra's ten antwoord, "Laat eerst ons u uw hoofd afhakken en het vervangen door het hoofd van een paard. U kan dan brahma-vidyâ onderrichten met behulp van dat paardenhoofd, en als Indra dan terugkeert en dat hoofd afhakt, zullen we u belonen en u uw oorspronkelijke hoofd weer in orde brengen." Aangezien Dadhîci had beloofd de brahma-vidyâ door te geven aan de As'vinî-kumâra's, ging hij in op hun voorstel. Daarom, omdat Dadhîci de brahma-vidyâ doorgaf middels de mond van het hoofd van een paard, staat deze brahma-vidyâ ook wel bekend als As'vas'ira.'

 

 

 

 

 

Voor deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Het tweede schilderij op deze pagina is van
Sundarangi devî dâsî & Vajrakhya devî dâsî.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd



    

 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties