regelbalk


 

 

Canto 10

Mahâmantra 1

 

 

Hoofdstuk 1: De Komst van Heer Krishna: Inleiding

(1) De achtenswaardige koning zei: 'Uwe Heerlijkheid heeft uitgebreid zowel de dynastieën van de koningen van de zonne- en de maangod beschreven als ook de verheven en wonderbaarlijke karakters van hun leden [*]. (2) Alstublieft beschrijf ons Heer Vishnu die verscheen als een incarnatie in delen [d.w.z.: het volle van Hem tezamen met Zijn Volkomen expansie Sankarshana die hier Baladeva is] in de lijn van de dharma-getrouwe, welgemanierde Yadu's die u eveneens beschreef, o beste onder de muni's. (3) Wees zo goed ons alles te vertellen over wat de Allerhoogste Heer, de Oorzaak van de Manifestatie, deed na nedergedaald te zijn in de Yadu-dynastie. (4) Het aanhoren [middels de paramparâ] van de aangename klanken van de verheerlijking van de Heer Geprezen in de Geschriften is het juiste medicijn waarmee de geest wordt verlost van de materiële ziekte van zijn verlangens; een persoon, tenzij hij een doder van dieren is, kan door dergelijke beschrijvingen, aangehoord of gezongen, zichzelf verre houden [van de valsheid, zichzelf beheersen, zie ook B.G. 2: 44]. (5-7) Mijn grootvaders [de Pândava's] op het slagveld met onoverwinnelijke strijders als Devavrata [Bhîshma] en andere grote bevelhebbers die waren als timingila's [haaien-eters], staken in het verleden met behulp van de boot die Hij is net zo gemakkelijk de zo moeilijk te overwinnen oceaan van Kaurava-soldaten over als men over de hoefafdruk van een kalf heen stapt. Dit lichaam van mij, het enige zaadje dat nog over is van de Kuru's en Pândava's, werd, gedoemd ten onder te gaan door As'vatthâmâ's wapen, door Hem, met de cakra in Zijn hand, beschermd, zich bevindend in de schoot van mijn moeder die eveneens haar toevlucht tot Hem gezocht had [zie 1.8: 11 en 1.12: 7]. O man van scholing, beschrijf alstublieft de glorie van de Heer die verscheen als een normaal menselijk wezen, van Hem die het eeuwige leven en de dood schenkt zoals men dat zegt, van Hem die in gedaanten van de Tijd de Oorspronkelijke Persoon is aanwezig zowel binnen als buiten het geheel van de belichaamde wezens. (8) Balarâma, die Sankarshana is, kennen we van u als de zoon van Rohinî; hoe kan Hij zonder van het ene naar het andere lichaam over te stappen verband houden met de schoot van Devakî? (9) Waarom ging Mukunda, de Opperheer weg uit het huis van Zijn vader naar Vraja en waar vestigde Hij, de Meester van de aanhangers van Vishnu, Zich met Zijn verwanten? (10) Wat deed Hij verblijvend in Vraja en de stad Mathurâ en waarom bracht Hij, de doder van Kes'î, Kamsa de broer van Zijn moeder ter dood, hetgeen iets is dat recht tegen de geschriften indruist!? (11) Voor de duur van hoeveel jaren leefde Hij, een menselijk lichaam aannemend, onder de Vrishni's en woonde Hij in de stad van de Yadu's [Dvârakâ]; en hoeveel vrouwen waren er daar met de Meester? (12) O wijze, overal van op de hoogte bent u in staat uit te wijden over de handelingen van Heer Krishna; beschrijf mij, zo vol van geloof en overgave, in detail dit alles en al wat er nog meer te zeggen valt. (13) Zelfs niet de moeilijk te verdragen honger of mijn afzien van water is mij nog tot last nu ik drink van de nectar van de verhandelingen over de Heer die komt uit uw lotusmond.'

(14) Sûta [zie: 1.1] zei: "O zoon van Bhrigu [S'aunaka], de machtige zoon van Vyâsa, de zuiverste van alle toegewijden, bewees, na deze vragen te hebben aangehoord, hem die door Vishnu was gezegend de eer en begon met de beschrijving van de onderwerpen aangaande Krishna die een einde maken aan de duisternis van het Kali-tijdperk [vergelijk 1.7: 2-8]. (15) S'rî S'uka zei: 'Met uw intelligentie hebt u de juiste overtuiging ontwikkeld, o beste van de wijze koningen, want als gevolg daarvan heeft zich in uw hart een duurzame toewijding voor de verhalen over Vâsudeva ontwikkeld [Krishna dus als de zoon van Vasudeva]. (16) Zoals de wereld wordt gezuiverd door het [Ganges-]water van Zijn tenen [5.17: 1], zijn de drie soorten personen van de spreker, de vragensteller en de toehoorder gezuiverd met het zich baden in de gesprekken over Vâsudeva. (17) Moeder aarde overbelast met de eindeloze aantallen van de ingebeelde, nodeloze, daitya strijdkrachten [9.24: 67] en hun namaak edelen ging [eens] naar Heer Brahmâ om bij hem haar toevlucht te zoeken. (18) De gedaante van een koe aannemend verscheen ze zeer van streek deerniswekkend huilend voor de Almachtige [zie ook 1.16: 18] en legde ze hem haar klachten voor. (19) Heer Brahmâ, die alles begrijpt, benaderde daarop samen met haar, de goddelijken en de Drie-ogige [Heer S'iva] de oever van de melk-oceaan [alwaar Vishnu verblijft, zie ook 8.7: 41]. (20) Daar aangekomen aanbaden ze met de grootste aandacht met de [Purusha-sûkta]hymnen voor de Oorspronkelijke Persoon de Allerhoogste Persoonlijkheid, de God der Goden en de Meester van het Universum die zorg draagt voor allen.

(21) De heer van de Veda [Brahmâ] hoorde in trance een weerklinken van woorden in de hemel [zie ook 1.1: 1] en zei tot de dienaren der drie werelden, de halfgoden: 'Verneem van mij wat de Oorspronkelijke Persoon Zijn gebod is, o onsterfelijke zielen, en hervat terstond zonder te talmen uw plichten daarmee aangegeven. (22) Reeds voor we hier aankwamen wist de Persoonlijkheid van God van het leed van de aarde; Hij zal middels u allen als Zijn delen Zich verbreiden in de familie der Yadu's en zo geboorte nemend zolang op aarde verblijven als Hij, de Heer der Heerscharen, nodig vindt om middels Zijn eigen hoogmogende Tijd de last van de planeet terug te dringen. (23) In het huis van Vasudeva zal de Opperheer, de oorspronkelijke bovenzinnelijke persoon, in eigen persoon verschijnen en dus moeten [ook] de vrouwen van de goddelijken, teneinde Hem te behagen, allen hun geboorte nemen. (24) Het deel van Vâsudeva voorheen bekend staand als de onafhankelijke Ananta met de duizenden kragen [Sankarshana, zie ook 5.25] zal als de Heer voor de Heer ten tonele verschijnen [als Baladeva] met het verlangen tot Zijn genoegen op te treden. (25) De genade van Vishnu [Vishnu-mâyâ], zo goed als de Opperheer door wie al de werelden in beslag worden genomen, is met al haar verschillende vermogens door de meester opgedragen te verschijnen en Zijn aangelegenheden te behartigen [zie ook B.G. 9: 12 & 13].'

(26) S'rî S'uka zei: 'Na aldus de onsterfelijken op de hoogte te hebben gesteld keerde de almachtige meester der stamvaders, na moeder aarde tot kalmte te hebben bewogen met aangename woorden, naar zijn eigen hemelse woning terug. (27) S'ûrasena de koning van de Yadu's [zie 9.23: 27] ging in de stad Mathurâ wonen alwaar hij de koninkrijken van Mâthura en S'ûrasena genoot. (28) Mathurâ, nauw verbonden met de Allerhoogste Heer Hari, was sedertdien de hoofdstad voor al de koningen van Yadu [zie ook de bhajan Sâvarana S'rî Gaura Mahimâ]. (29) Het was in die plaats van God dat een tijd geleden de godspersoon Vasudeva, nadat hij met Devakî getrouwd was, met zijn pas getrouwde vrouw een wagen besteeg om naar huis terug te keren. (30) Kamsa, de zoon van Ugrasena voerde, om zijn zuster voor die gelegenheid een plezier te doen, de teugels van de paarden temidden van duizenden gouden wagens. (31-32) Met haar het huis verlatend had koning Devaka, die dol was op zijn dochter, als bruidsschat vierhonderd olifanten behangen met goud meegegeven, tienduizend paarden met achttienhonderd wagens en een honderdtal dienstmaagden, jong en mooi, compleet met juwelen. (33) O mijn beste Koning, schelphoorns, trompetten, trommels en pauken weerklonken tezamen om de bruid en de bruidegom bij hun vertrek het beste toe te wensen. (34) Met hen onderweg, richtte zich een stem uit de hemel tot Kamsa die de teugels hield: 'Het achtste kind van dit meisje dat je met je meevoert jij dwaas, zal jou ter dood brengen!'

(35) Aldus aangesproken nam hij, die kwaadwillig en zondig de Bhoja-familie te schande had gemaakt, een zwaard ter hand gericht tegen zijn zuster en greep hij haar bij haar haar met de bedoeling haar te doden. (36) Om hem die bereid was zo'n gruwelijke en schaamteloze misdaad te begaan tot vrede te bewegen richtte zich toen Vasudeva, die hoogst fortuinlijke ziel, tot hem. (37) S'rî Vasudeva zei: 'Een man van zoveel kwaliteiten, zulk een schitterende ster onder de heldhaftige Bhoja's als de goedheid van jou, hoe kan jij nu je zuster ter dood brengen, een vrouw nota bene, ten tijde van haar huwelijk [zie ook 1.7: 53-54]? (38) Inbegrepen bij het lichaam dat geboren wordt is er voor een ieder die ter wereld kwam de dood, o held; of men nu vandaag sterft of over honderd jaar, op het laatst is ieder levend wezen zeker van de dood [zie ook B.G. 2: 27-28]. (39) Als het lichaam terug moet keren naar de vijf elementen ontvangt de bewoner overeenkomstig zijn eigen karma automatisch een nieuw lichaam als hij zijn voormalige lijf opgeeft. (40) Zoals een persoon die loopt van het staan op het ene been overstapt op het andere been en zoals een rups bezig is op een plant [van het ene blad naar het andere gaand], vergaat het evenzo het levend wezen dat de gevolgen van zijn karma ondergaat [zie ook B.G. 2: 22 en 2: 13]. (41) Als men zich in het geval van een droom, als men in zijn bewustzijn volledig in beslag wordt genomen door mentale beelden, zich in zijn denken, voelen en willen moet overgeven aan wat men allemaal gezien heeft en hoorde, wat zou dan het geval zijn als men zijn huidige lichaam moet vergeten [zie ook 4.29: 60-79 en 5.26]? (42) De geest, die wordt voortgedreven door God of door de eigen wil, begeeft zich in gissingen van deze positie naar andere zodat op het laatst, naar gelang de verandering in gedachten, voelen, willen en handelen, de belichaamde ten tijde van de dood overeenkomstig de materiële geaardheid waaraan hij onderworpen is zijn geboorte neemt [B.G. 13: 22, 14: 14-15 en 6: 34-35]. (43) Op dezefde manier als de reflectie van de hemellichamen gezien in water of andere vloeistoffen bewogen door de wind vertekeningen te zien geeft in verschillende vormen, raakt ook het levend wezen in de situatie die hij door zijn eigen inbeelding overeenkomstig de geaardheden schiep, verbijsterd naar gelang zijn eigen gehechtheden [zie ook 5.5: 4 en B.G. 9: 12-13, 12: 5]. (44) Daarom moet men, zich zijn eigenbelang ter harte nemend, niemand kwaad doen, want degene die kwaad doet moet zelf steeds bang zijn voor anderen. (45) Deze onschuldige vrouw, je jongere zus, is volledig van jou afhankelijk als was ze je eigen dochter - breng haar niet ter dood; ze betekent iets goeds voor je en is je zorg en mededogen waardig!'

(46) S'rî S'uka zei: 'Hij genadeloos, kon door de pogingen van goed advies op deze manier niet gestopt worden of tot vrede bewogen, o zoon van Kuru, daar hij het pad volgde van de menseneters [de Râkshasa's]. (47) Zich bewust van dat besluit dacht Vasudeva diep na over hoe hij, met de acute dreiging van de dood, hem ervan kon weerhouden en zo kwam hij uit op die andere manier. (48) Door een intelligent persoon moet, zolang als hij zijn zaken onder controle heeft, de dood worden vermeden, maar geplaatst voor de onvermijdelijkheid van de dood gaat deze regel niet op. (49-50) En zo bedacht hij: 'Als ik beloof mijn zoons uit te leveren aan deze man van de dood, kan het me lukken mijn onschuldige Devakî te ontzetten, want voordat hij zover komt, komt wellicht deze heer des doods zelf te overlijden; en als dat niet het geval is kan hij de dood alsnog vinden [omdat werd voorspeld dat hij zou worden gedood door mijn zoon]. Je kan moeilijk van tevoren uitmaken hoe het lot zich zal keren. Ookal blijft de dreiging hierna dan nog bestaan, hiermee kan ik haar nu in de gegeven situatie het leven redden. (51) Als een stuk hout om een of andere reden ontsnapt aan een brand is dat aan de voorzienigheid te danken en niet aan iets anders; op dezelfde manier kan je ook niet weten wat er de oorzaak van is dat de één zich in een lichaam ophoudt en de ander het moet verlaten. (52) Na dit alles te hebben overwogen, betoonde de godvrezende man met alle verstand die in hem was, de zondaar zijn respect, hem met lofuitingen het voorstel doend. (53) Met een brede lach uitwendig zich voor de hardvochtige, schaamteloze man voordoend als gelukkig, sprak hij met een geest vol van angst en verdriet. (54) S'rî Vasudeva zei: 'Van Devakî heb je inderdaad, naar wat de stem uit de hemel liet horen, niets te vrezen, o nuchtere geest; ik zal al de zoons aan je uitleveren die van haar ter wereld komen daar zij het waren door wie die angst bij je opkwam.'

(55) S'rî S'uka zei: 'Kamsa, zich neerleggend bij de waarheid van wat hij zei, was er voorlopig van weerhouden zijn zuster om te brengen zodat met hem meer op zijn gemak Vasudeva er gelukkig in slaagde heelhuids thuis te komen. (56) Na de nodig tijd gaf daarna Devakî, de moeder van alle goddelijkheid [zie 4.31: 14 en B.G. 10: 2], jaar na jaar geboorte aan inderdaad [zoals gezegd in 9.24: 53-55] acht zoons en een dochter. (57) Er heel bang voor niet waarachtig over te komen gaf Ânakadundubhi [ofwel Vasudeva, zie 9.24: 28-31] met veel moeite Kîrtimân, de eerstgeborene, aan Kamsa. (58) Wat zou er nu voor een gelouterde ziel te pijnlijk zijn, wat houdt nu afhankelijkheid in voor de geschoolden, wat zou er voor het lagere echelon verboden zijn en wat zou er voor de zelfgerealiseerden te moeilijk om te verzaken zijn? (59) O Koning, toen hij zag dat Vasudeva onverstoord, waarachtig en zeker van zichzelf was, was Kamsa verheugd en zei hij met een grijns op zijn gezicht: (60) 'Neem dit kind met je mee, mijn angst is er inderdaad niet vanwege hem, het was met de achtste zwangerschap die jij met je vrouw hebt dat mijn dood was voorspeld.'

(61) 'Goed dan' zei Ânakadundubhi, zijn zoon weer terugnemend en vertrekkend, zonder dat hij veel waarde hechtte aan de woorden van hem die zo karakterloos zichzelf niet in de hand had. (62-63) Van Nanda [Krishna's pleegvader] af aan waren allen in Vraja, al de koeherders en ingezetenen en de vrouwen, zowel als de Vrishni's te beginnen bij Vasudeva en Devakî en de Yadu-vrouwen, allen in waarheid goden uit de hemel, o nazaat van Bharata; en dat gold ook voor de verwanten, vrienden en weldoeners in het gevolg van Kamsa [zie ook vers 22 en B.G. 6: 41-42]. (64) Dit alles werd Kamsa duidelijk gemaakt door de almachtige Nârada [**]; hem benaderend zei hij hem dat al de Daitya's en dergelijken die een overlast voor de aarde vormden zouden worden gedood [zie vers 17 en ook 9.24: 56]. (65-66) Na het vertrek van de rishi dacht Kamsa dat al de Yadu's goddelijk waren en dat dus ieder kind geboren uit Devakî Vishnu zou kunnen zijn. Aldus in angst verzet over zijn eigen dood arresteerde hij Vasudeva en Devakî ze thuis gevangen zettend in boeien en doodde hij de een na de ander ieder van hun pasgeboren kinderen niet wetend of het nu de 'Nimmer-geboren' Heer was of niet [***]. (67) Moeders, vaders, broers, vrienden of wie dan ook worden ter dood gebracht door koningen als hij, die op deze aarde voortgedreven worden door afgunst en hebzucht. (68) Hij, zich er wel van bewust dat hij in een voorgaand leven als de grote Asura Kâlanemi [letterlijk: 'de band om het wiel van de tijd'] persoonlijk ter dood gebracht was door Vishnu [zie 8.10: 56], werd, opnieuw geboren in deze wereld, een vijand van de [zoals Nârada hem had gezegd door Vishnu gezegende] Yadu-dynastie. (69) Zijn eigen vader Ugrasena, de koning van de Yadu's, Bhoja's en Andhaka's werd door hem, de almachtige, onderworpen [eveneens gevangen gezet] zodat hij in S'ûrasena het rijk voor zichzelf alleen had.

   

next

 
 

  Tweede editie, geladen 21 februari 2008.

 

 

 

 

 

Bronteksten:

The Advent of Lord Krishna: Introduction

 

Tekst 1:

De achtenswaardige koning zei: 'Uwe Heerlijkheid heeft uitgebreid zowel de dynastieën van de koningen van de zonne- en de maangod beschreven als ook de verheven en wonderbaarlijke karakters van hun leden [*].

Koning Parîkshit zei: Mijn heer, u hebt nu een uitvoerige beschrijving gegeven van zowel de dynastieën van de maangod en de zonnegod als van het verheven en schitterende karakter van hun koningen. (Vedabase)

 

Tekst 2:

Alstublieft beschrijf ons Heer Vishnu die verscheen als een incarnatie in delen [d.w.z.: het volle van Hem tezamen met Zijn Volkomen expansie Sankarshana die hier Baladeva is] in de lijn van de dharma-getrouwe, welgemanierde Yadu's die u eveneens beschreef, o beste onder de muni's.

O beste van de muni's, u hebt me ook de afstammelingen van Yadu beschreven, die heel vroom waren en zich strikt aan de religieuze principes hielden. Wees nu zo vriendelijk, als u wilt, om me alles te vertellen over de wonderbaarlijke en roemrijke activiteiten van Heer Vishnu, Krishna, die samen met Baladeva, Zijn volkomen expansie, in die Yadu-dynastie verscheen. (Vedabase)

 

Tekst 3:

Wees zo goed ons alles te vertellen over wat de Allerhoogste Heer, de Oorzaak van de Manifestatie, deed na nedergedaald te zijn in de Yadu-dynastie.

De Superziel, de Allerhoogste Godspersoon, S'rî Krishna, de oorzaak van de kosmische openbaring, verscheen in de dynastie van Yadu. Vertel me alstublieft uitvoerig over Zijn roemrijke activiteiten en karakter, en wel vanaf het begin van Zijn leven tot het eind. (Vedabase)

 

Tekst 4:

Het aanhoren [middels de paramparâ] van de aangename klanken van de verheerlijking van de Heer Geprezen in de Geschriften is het juiste medicijn waarmee de geest wordt verlost van de materiële ziekte van zijn verlangens; een persoon, tenzij hij een doder van dieren is, kan door dergelijke beschrijvingen, aangehoord of gezongen, zichzelf verre houden [van de valsheid, zichzelf beheersen, zie ook B.G. 2: 44].

De verheerlijking van de Allerhoogste Godspersoon wordt voortgezet via de paramparâ, wat inhoudt dat ze wordt overgedragen van geestelijk leraar op leerling. Deze verheerlijking is een genot voor degenen die niet langer geïnteresseerd zijn in de onrechtmatige en tijdelijke verheerlijking van deze kosmische openbaring. Beschrijvingen van de Heer zijn het juiste medicijn voor de geconditioneerde ziel die vastzit in de kringloop van geboorte en dood. Wie zou er dus, afgezien van slagers en zelfmoordenaars, niet voortdurend naar deze verheerlijking van de Heer willen luisteren? (Vedabase)

 

Tekst 5-7:

Mijn grootvaders [de Pândava's] op het slagveld met onoverwinnelijke strijders als Devavrata [Bhîshma] en andere grote bevelhebbers die waren als timingila's [haaien-eters], staken in het verleden met behulp van de boot die Hij is net zo gemakkelijk de zo moeilijk te overwinnen oceaan van Kaurava-soldaten over als men over de hoefafdruk van een kalf heen stapt. Dit lichaam van mij, het enige zaadje dat nog over is van de Kuru's en Pândava's, werd, gedoemd ten onder te gaan door As'vatthâmâ's wapen, door Hem, met de cakra in Zijn hand, beschermd, zich bevindend in de schoot van mijn moeder die eveneens haar toevlucht tot Hem gezocht had [zie 1.8: 11 en 1.12: 7]. O man van scholing, beschrijf alstublieft de glorie van de Heer die verscheen als een normaal menselijk wezen, van Hem die het eeuwige leven en de dood schenkt zoals men dat zegt, van Hem die in gedaanten van de Tijd de Oorspronkelijke Persoon is aanwezig zowel binnen als buiten het geheel van de belichaamde wezens.

Met het schip van de lotusvoeten van Krishna staken mijn grootvader Arjuna en zijn broers de oceaan van het slagveld van Kurukshetra over, waarin aanvoerders als Bhîshmadeva als enorme vissen waren die hen met groot gemak hadden kunnen verzwelgen. Door de genade van Heer Krishna hebben mijn grootvaders deze oceaan, die zeer moeilijk over te steken was, even gemakkelijk overgestoken als men over de hoefafdruk van een kalf heen stapt. Omdat mijn moeder zich aan de lotusvoeten van Heer Krishna overgaf, ging de Heer, de Sudars'ana-cakra in de hand, haar schoot binnen en redde mijn lichaam - het lichaam van de laatst overgebleven afstammeling van de Kuru's en Pândava's - dat bijna vernietigd was door het vuurwapen van As'vatthâmâ. Heer S'rî Krishna, die door Zijn eigen vermogen zowel binnenin als buiten de materieel belichaamde levende wezens verschijnt in de gedaanten van de eeuwige tijd - als Paramâtmâ en virâth-rûpa - bevrijdde iedereen, ofwel als de wrede dood, ofwel als het leven. Verlicht me alstublieft door me Zijn transcendentale eigenschappen te beschrijven. (Vedabase)

 

Tekst 8:

Balarâma, die Sankarshana is, kennen we van u als de zoon van Rohinî; hoe kan Hij zonder van het ene naar het andere lichaam over te stappen verband houden met de schoot van Devakî?

Beste S'ukadeva Gosvâmî, u hebt al uitgelegd dat Sankarshana, die tot de tweede groep van vier behoort, als de zoon van Rohinî verscheen en Balarâma heette. Als Balarâma niet van het ene lichaam naar het andere overgebracht werd, hoe is het dan mogelijk dat Hij Zich eerst in de schoot van Devakî bevond en vervolgens in de schoot van Rohinî? Leg me dat alstublieft uit. (Vedabase)

 

Tekst 9:

Waarom ging Mukunda, de Opperheer weg uit het huis van Zijn vader naar Vraja en waar vestigde Hij, de Meester van de aanhangers van Vishnu, Zich met Zijn verwanten?

Waarom verliet Krishna, de Allerhoogste Godspersoon, het huis van Zijn vader Vasudeva en begaf Hij Zich naar het huis van Nanda in Vrindâvana? En waar woonde de Heer, de meester van de Yadu-dynastie, met Zijn verwanten in Vrindâvana? (Vedabase)

    

Tekst 10:

Wat deed Hij verblijvend in Vraja en de stad Mathurâ en waarom bracht Hij, de doder van Kes'î, Kamsa de broer van Zijn moeder ter dood, hetgeen iets is dat recht tegen de geschriften indruist!?

Heer Krishna woonde zowel in Vrindâvana als in Mathurâ. Wat deed Hij daar? Waarom doodde Hij Kamsa, de broer van Zijn moeder? Zo'n daad wordt nergens in de s'âstra's goedgekeurd. (Vedabase)

 

Tekst 11

Voor de duur van hoeveel jaren leefde Hij, een menselijk lichaam aannemend, onder de Vrishni's en woonde Hij in de stad van de Yadu's [Dvârakâ]; en hoeveel vrouwen waren er daar met de Meester?

Krishna, de Allerhoogste Godspersoon, heeft geen materieel lichaam, maar toch verschijnt Hij als mens. Hoelang leefde Hij met de afstammelingen van Vrishni samen? Hoeveel vrouwen huwde Hij, en hoelang woonde Hij in Dvârakâ? (Vedabase)

    

Tekst 12

O wijze, overal van op de hoogte bent u in staat uit te wijden over de handelingen van Heer Krishna; beschrijf mij, zo vol van geloof en overgave, in detail dit alles en al wat er nog meer te zeggen valt.

O grote wijze die alles over Krishna weet, vertel me alstublieft tot in de bijzonderheden over alles waar ik naar gevraagd heb en ook over alles waar ik niet naar gevraagd heb, want ik heb een vast vertrouwen en wil er ontzettend graag over te horen. (Vedabase)

 

Tekst 13

Zelfs niet de moeilijk te verdragen honger of mijn afzien van water is mij nog tot last nu ik drink van de nectar van de verhandelingen over de Heer die komt uit uw lotusmond.'

Omdat ik op de rand van de dood sta, heb ik de gelofte afgelegd om zelfs geen water meer te drinken. Nu ik echter de nectar van verhalen over Krishna drink die uit uw lotusmond vloeit, kunnen honger en dorst me niet deren, hoewel die normaal gesproken bijzonder moeilijk te verdragen zijn. (Vedabase)

 

Tekst 14

Sûta [zie: 1.1] zei: "O zoon van Bhrigu [S'aunaka], de machtige zoon van Vyâsa, de zuiverste van alle toegewijden, bewees, na deze vragen te hebben aangehoord, hem die door Vishnu was gezegend de eer en begon met de beschrijving van de onderwerpen aangaande Krishna die een einde maken aan de duisternis van het Kali-tijdperk [vergelijk 1.7: 2-8].

Sûta Gosvâmî zei: O zoon van Bhrigu [S'aunaka Rishi], nadat S'ukadeva Gosvâmî, de zeer achtenswaardige toegewijde en de zoon van Vyâsadeva, de vrome vragen van Mahârâja Parîkshit aangehoord had, bedankte hij de koning eerbiedig. Vervolgens begon hij over Krishna te vertellen, hetgeen de remedie is voor al het lijden in dit tijdperk van Kali. (Vedabase)

 

Tekst 15

S'rî S'uka zei: 'Met uw intelligentie hebt u de juiste overtuiging ontwikkeld, o beste van de wijze koningen, want als gevolg daarvan heeft zich in uw hart een duurzame toewijding voor de verhalen over Vâsudeva ontwikkeld [Krishna dus als de zoon van Vasudeva].

S'rîla S'ukadeva Gosvâmî zei: O Majesteit, beste van de heilige koningen, omdat u zich zo sterk aangetrokken voelt tot verhalen over Vâsudeva, is het wel zeker dat uw intelligentie hecht verankerd is in geestelijke kennis, het enige ware doel van de mensheid. Omdat die interesse niet verflauwt, is ze beslist zeer verheven. (Vedabase)

  

Tekst 16:

Zoals de wereld wordt gezuiverd door het [Ganges-]water van Zijn tenen [5.17: 1], zijn de drie soorten personen van de spreker, de vragensteller en de toehoorder gezuiverd met het zich baden in de gesprekken over Vâsudeva.

De Ganges, die van de teen van Heer Vishnu stroomt, zuivert de drie werelden - de hogere, middelste en lagere planetenstelsels. Op dezelfde manier worden er als iemand vragen stelt over het spel en vermaak en de eigenschappen van Heer Vâsudeva, Krishna, eveneens drie soorten mensen gezuiverd: de spreker of prediker, degene die de vragen stelt, en degenen die toehoren. (Vedabase)

 

Tekst 17:

Moeder aarde overbelast met de eindeloze aantallen van de ingebeelde, nodeloze, daitya strijdkrachten [9.24: 67] en hun namaak edelen ging [eens] naar Heer Brahmâ om bij hem haar toevlucht te zoeken.

Toen moeder aarde eens gebukt ging onder de last van honderdduizenden legers van allerlei verwaande demonen die zich als koningen kleedden, kwam ze Heer Brahmâ om hulp roepen. (Vedabase)

 

Tekst 18:

De gedaante van een koe aannemend verscheen ze zeer van streek deerniswekkend huilend voor de Almachtige [zie ook 1.16: 18] en legde ze hem haar klachten voor.

Moeder aarde nam de gedaante aan van een koe, verscheen diepbedroefd en met tranen in haar ogen voor Heer Brahmâ en vertelde hem over de ongelukkige toestand waarin ze verkeerde. (Vedabase)

 

Tekst 19:

Heer Brahmâ, die alles begrijpt, benaderde daarop samen met haar, de goddelijken en de Drie-ogige [Heer S'iva] de oever van de melk-oceaan [alwaar Vishnu verblijft, zie ook 8.7: 41].

Nadat Heer Brahmâ kennis genomen had van de benarde positie waarin moeder aarde zich bevond, begaf hij zich met haar, Heer S'iva en de andere halfgoden naar de kust van de oceaan van melk. (Vedabase)

 

Tekst 20:

Daar aangekomen aanbaden ze met de grootste aandacht met de [Purusha-sûkta]hymnen voor de Oorspronkelijke Persoon de Allerhoogste Persoonlijkheid, de God der Goden en de Meester van het Universum die zorg draagt voor allen.

Toen ze de kust van de oceaan van melk bereikt hadden, vereerden de halfgoden de Allerhoogste Godspersoon, Heer Vishnu, de meester van het hele universum en de allerhoogste God van alle goden, die voor iedereen zorgt en ieders lijden verzacht. Uiterst geconcentreerd chantten ze de vedische mantra's die bekendstaan als de Purusha-sûkta, en aanbaden zo Heer Vishnu, die op de oceaan van melk ligt. (Vedabase)

 

Tekst 21

De heer van de Veda [Brahmâ] hoorde in trance een weerklinken van woorden in de hemel [zie ook 1.1: 1] en zei tot de dienaren der drie werelden, de halfgoden: 'Verneem van mij wat de Oorspronkelijke Persoon Zijn gebod is, o onsterfelijke zielen, en hervat terstond zonder te talmen uw plichten daarmee aangegeven.

In zijn trance hoorde Heer Brahmâ de woorden van Heer Vishnu door de ruimte klinken. Vervolgens sprak hij tot de halfgoden: "O halfgoden, verneem van mij de opdracht van Kshîrodakas'âyî Vishnu, de Allerhoogste Persoon, en voer die zonder uitstel en met volle aandacht uit." (Vedabase)

 

Tekst 22

Reeds voor we hier aankwamen wist de Persoonlijkheid van God van het leed van de aarde; Hij zal middels u allen als Zijn delen Zich verbreiden in de familie der Yadu's en zo geboorte nemend zolang op aarde verblijven als Hij, de Heer der Heerscharen, nodig vindt om middels Zijn eigen hoogmogende Tijd de last van de planeet terug te dringen.

Heer Brahmâ deelde de halfgoden het volgende mee: Nog voor wij ons verzoek tot de Heer richtten, wist Hij al wat voor noodtoestand er op aarde heerst. Daarom moeten jullie, halfgoden, zolang de Heer op aarde is om door middel van Zijn eigen vermogen in de vorm van de tijd haar last te verlichten, allemaal via volkomen expansies als zonen en kleinzonen in de familie van de Yadu's verschijnen. (Vedabase)

 

Tekst 23

In het huis van Vasudeva zal de Opperheer, de oorspronkelijke bovenzinnelijke persoon, in eigen persoon verschijnen en dus moeten [ook] de vrouwen van de goddelijken, teneinde Hem te behagen, allen hun geboorte nemen.

De Allerhoogste Godspersoon, S'rî Krishna, die in het bezit is van alle vermogens, zal persoonlijk verschijnen als de zoon van Vasudeva. Daarom moeten de vrouwen van de halfgoden, om Hem voldoening te schenken, eveneens verschijnen. (Vedabase)

 

Tekst 24

Het deel van Vâsudeva voorheen bekend staand als de onafhankelijke Ananta met de duizenden kragen [Sankarshana, zie ook 5.25] zal als de Heer voor de Heer ten tonele verschijnen [als Baladeva] met het verlangen tot Zijn genoegen op te treden.

De belangrijkste openbaring van Krishna is Sankarshana, die bekendstaat als Ananta. Hij is de oorsprong van alle incarnaties in deze materiële wereld. Nog voordat Heer Krishna verschijnt, zal deze oorspronkelijke Sankarshana verschijnen als Baladeva om de Allerhoogste Heer, Krishna, in Zijn transcendentale spel en vermaak te plezieren. (Vedabase)

  

Tekst 25

De genade van Vishnu [Vishnu-mâyâ], zo goed als de Opperheer door wie al de werelden in beslag worden genomen, is met al haar verschillende vermogens door de meester opgedragen te verschijnen en Zijn aangelegenheden te behartigen [zie ook B.G. 9: 12 & 13].'

Het vermogen van de Heer dat bekendstaat als Vishnu-mâyâ en even goed is als de Allerhoogste Godspersoon Zelf, zal ook samen met Heer Krishna verschijnen. Dit vermogen, dat multifunctioneel werkt, betovert alle werelden, zowel de materiële als de geestelijke. Op verzoek van haar meester zal ze met al haar verschillende vermogens verschijnen om het werk van de Heer uit te voeren. (Vedabase)

 

Tekst 26

S'rî S'uka zei: 'Na aldus de onsterfelijken op de hoogte te hebben gesteld keerde de almachtige meester der stamvaders, na moeder aarde tot kalmte te hebben bewogen met aangename woorden, naar zijn eigen hemelse woning terug.

S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: Nadat hij de halfgoden deze raad gegeven had en moeder aarde gerustgesteld had, keerde de zeer machtige Heer Brahmâ, die de meester van de andere Prajâpati's is en daarom Prajâpati-pati genoemd wordt, terug naar zijn eigen woonplaats, Brahmaloka. (Vedabase)

 

Tekst 27

S'ûrasena de koning van de Yadu's [zie 9.23: 27] ging in de stad Mathurâ wonen alwaar hij de koninkrijken van Mâthura en S'ûrasena genoot.

Vroeger had S'ûrasena, het hoofd van de Yadu-dynastie, Mathurâ als zijn woonplaats gekozen. Vandaar uit regeerde hij over de districten Mâthura en S'ûrasena. (Vedabase)

 

Tekst 28

Mathurâ, nauw verbonden met de Allerhoogste Heer Hari, was sedertdien de hoofdstad voor al de koningen van Yadu [zie ook de bhajan Sâvarana S'rî Gaura Mahimâ].

Sinds die tijd was Mathurâ de hoofdstad van alle koningen van de Yadu-dynastie. De stad en het district Mathurâ zijn zeer nauw met Krishna verbonden omdat Heer Krishna daar eeuwig woont. (Vedabase)

 

Tekst 29

Het was in die plaats van God dat een tijd geleden de godspersoon Vasudeva, nadat hij met Devakî getrouwd was, met zijn pas getrouwde vrouw een wagen besteeg om naar huis terug te keren.

Enige tijd geleden trouwde Vasudeva, die tot de familie van de halfgoden behoorde [of tot de S'ûra-dynastie], met Devakî. Na de bruiloft klom hij op zijn wagen om samen met zijn jonge bruid naar huis terug te keren. (Vedabase)

 

Tekst 30

Kamsa, de zoon van Ugrasena voerde, om zijn zuster voor die gelegenheid een plezier te doen, de teugels van de paarden temidden van duizenden gouden wagens.

Kamsa, de zoon van koning Ugrasena, wilde zijn zuster Devakî ter gelegenheid van haar huwelijk een plezier doen en nam daarom de teugels op om de wagen persoonlijk te mennen. Hij was omringd door honderden gouden wagens. (Vedabase)

 

 Tekst 31-32

Met haar het huis verlatend had koning Devaka, die dol was op zijn dochter, als bruidsschat vierhonderd olifanten behangen met goud meegegeven, tienduizend paarden met achttienhonderd wagens en een honderdtal dienstmaagden, jong en mooi, compleet met juwelen.

Koning Devaka, de vader van Devakî, hield erg veel van zijn dochter. Daarom gaf hij haar, toen ze met haar man het ouderlijk huis verliet, een bruidsschat mee van vierhonderd olifanten, die allemaal prachtig versierd waren met gouden slingers. Hij schonk haar tevens tienduizend paarden, achttienhonderd wagens en tweehonderd zeer mooie, jonge en volledig met sieraden getooide dienaressen. (Vedabase)

 

Tekst 33

O mijn beste Koning, schelphoorns, trompetten, trommels en pauken weerklonken tezamen om de bruid en de bruidegom bij hun vertrek het beste toe te wensen.

O geliefde zoon, Mahârâja Parîkshit, toen bruid en bruidegom klaarstonden om weg te rijden, brak er een concert los van hoornschelpen, hoorns, trommels en pauken om hun vertrek te zegenen. (Vedabase)

 

Tekst 34

Met hen onderweg, richtte zich een stem uit de hemel tot Kamsa die de teugels hield: 'Het achtste kind van dit meisje dat je met je meevoert jij dwaas, zal jou ter dood brengen!'

Terwijl Kamsa de wagen mende, werd hij aangesproken door een onbelichaamde stem: "Jij dwaze schurk, het achtste kind van de vrouw die bij je in de wagen zit zal je doden!" (Vedabase)

 

Tekst 35

Aldus aangesproken nam hij, die kwaadwillig en zondig de Bhoja-familie te schande had gemaakt, een zwaard ter hand gericht tegen zijn zuster en greep hij haar bij haar haar met de bedoeling haar te doden.

Kamsa was een verdoemde persoonlijkheid in de Bhoja-dynastie omdat hij kwaadaardig en zondig was. Daarom greep hij bij het horen van dit voorteken uit de hemel met zijn linkerhand het haar van zijn zuster vast en met zijn rechterhand zijn zwaard om haar daarmee te onthoofden. (Vedabase)

 

Tekst 36

Om hem die bereid was zo'n gruwelijke en schaamteloze misdaad te begaan tot vrede te bewegen richtte zich toen Vasudeva, die hoogst fortuinlijke ziel, tot hem.

Toen de grote ziel Vasudeva, de toekomstige vader van Krishna, zag dat Kamsa zo wreed en kwaadaardig was dat hij op het punt stond om zijn zuster schaamteloos om het leven te brengen, probeerde hij hem met de volgende woorden te kalmeren. (Vedabase)

 

Tekst 37

S'rî Vasudeva zei: 'Een man van zoveel kwaliteiten, zulk een schitterende ster onder de heldhaftige Bhoja's als de goedheid van jou, hoe kan jij nu je zuster ter dood brengen, een vrouw nota bene, ten tijde van haar huwelijk [zie ook 1.7: 53-54]?

Vasudeva zei: Kamsa, mijn beste zwager, je bent de trots van je familie, de Bhoja-dynastie, en grote helden prijzen je eigenschappen. Hoe zou iemand met jouw kwaliteiten een vrouw kunnen doden, je eigen zuster nog wel, en dat op haar huwelijksdag? (Vedabase)

 

Tekst 38

Inbegrepen bij het lichaam dat geboren wordt is er voor een ieder die ter wereld kwam de dood, o held; of men nu vandaag sterft of over honderd jaar, op het laatst is ieder levend wezen zeker van de dood [zie ook B.G. 2: 27-28].

O grote held, wie geboren wordt zal zeker sterven, want de dood wordt tegelijk met het lichaam geboren. Men sterft misschien vandaag of over honderden jaren, maar dat ieder levend wezen sterven zal staat vast. (Vedabase)

 

Tekst 39

Als het lichaam terug moet keren naar de vijf elementen ontvangt de bewoner overeenkomstig zijn eigen karma automatisch een nieuw lichaam als hij zijn voormalige lijf opgeeft.

Als het huidige lichaam in stof uiteenvalt en weer wordt teruggebracht tot vijf elementen - aarde, water, vuur, lucht en ether - krijgt de eigenaar van het lichaam, het levend wezen, overeenkomstig zijn baatzuchtige activiteiten vanzelf een ander lichaam van materiële elementen. En als hij het volgende lichaam gekregen heeft, geeft hij het huidige op. (Vedabase)

 

Tekst 40

Zoals een persoon die loopt van het staan op het ene been overstapt op het andere been en zoals een rups bezig is op een plant [van het ene blad naar het andere gaand], vergaat het evenzo het levend wezen dat de gevolgen van zijn karma ondergaat [zie ook B.G. 2: 22 en 2: 13].

Zoals iemand die over een weg loopt eerst de ene voet op de grond zet en dan pas de andere optilt, of zoals een rups op een plant eerst op het ene blad kruipt en dan pas het vorige loslaat, zo zoekt de geconditioneerde ziel eerst een goed heenkomen in een ander lichaam voordat ze het lichaam waar ze eerst in zat opgeeft. (Vedabase)

 

Tekst 41

Als men zich in het geval van een droom, als men in zijn bewustzijn volledig in beslag wordt genomen door mentale beelden, zich in zijn denken, voelen en willen moet overgeven aan wat men allemaal gezien heeft en hoorde, wat zou dan het geval zijn als men zijn huidige lichaam moet vergeten [zie ook 4.29: 60-79 en 5.26]?

Heeft men een bepaalde situatie meegemaakt door die te zien of erover te horen, dan overdenkt men die situatie en speculeert men erover, en geeft men zich er dus aan over zonder aan zijn huidige lichaam te denken. Op dezelfde manier vergeet men zijn werkelijke positie als men 's nachts door mentale aanpassingen droomt dat men in verschillende omstandigheden en lichamen leeft. Volgens ditzelfde principe geeft men zijn huidige lichaam op en aanvaardt men een ander [tathâ dehântara-prâptih]. (Vedabase)

 

Tekst 42

De geest, die wordt voortgedreven door God of door de eigen wil, begeeft zich in gissingen van deze positie naar andere zodat op het laatst, naar gelang de verandering in gedachten, voelen, willen en handelen, de belichaamde ten tijde van de dood overeenkomstig de materiële geaardheid waaraan hij onderworpen is zijn geboorte neemt [B.G. 13: 22, 14: 14-15 en 6: 34-35].

Op het moment van de dood krijgt men een bepaald lichaam overeenkomstig het denken, voelen en willen van de in baatzuchtige activiteiten verstrikte geest. Het lichaam ontwikkelt zich, met andere woorden, naargelang de activiteiten van de geest. Het veranderen van lichaam is te wijten aan de wispelturigheid van de geest, want anders kon de ziel in haar oorspronkelijke, geestelijke lichaam blijven. (Vedabase)

 

Tekst 43

Op dezefde manier als de reflectie van de hemellichamen gezien in water of andere vloeistoffen bewogen door de wind vertekeningen te zien geeft in verschillende vormen, raakt ook het levend wezen in de situatie die hij door zijn eigen inbeelding overeenkomstig de geaardheden schiep, verbijsterd naar gelang zijn eigen gehechtheden [zie ook 5.5: 4 en B.G. 9: 12-13, 12: 5].

Als de lichtgevende hemellichamen, zoals de zon, de maan en de sterren, in vloeistoffen als olie of water weerspiegeld worden, lijkt het door de wind alsof ze verschillende vormen aangenomen hebben - soms rond, dan weer langgerekt, enzovoort. Op dezelfde manier aanvaardt het levend wezen, de ziel, als hij helemaal opgaat in materialistische gedachten, vanwege onwetendheid verschillende openbaringen als zichzelf. Men raakt, met andere woorden, verward door verzinsels omdat men in beroering gebracht wordt door de geaardheden van de materiële natuur. (Vedabase)

 

Tekst 44

Daarom moet men, zich zijn eigenbelang ter harte nemend, niemand kwaad doen, want degene die kwaad doet moet zelf steeds bang zijn voor anderen.

Als kwaadaardige en zondige activiteiten in het volgende leven resulteren in een lichaam waarin men moet lijden, waarom zou men dan een goddeloze daad verrichten? Met het oog op zijn eigen welzijn dient men niemand een slecht hart toe te dragen, want iemand die kwaadgezind is zit altijd in angst dat zijn vijanden hem kwaad zullen doen in dit leven of in het volgende. (Vedabase)

 

Tekst 45

Deze onschuldige vrouw, je jongere zus, is volledig van jou afhankelijk als was ze je eigen dochter - breng haar niet ter dood; ze betekent iets goeds voor je en is je zorg en mededogen waardig!'

Omdat ze je jongere zuster is, is dit arme meisje Devakî als je eigen dochter en verdient ze het om met liefde behandeld te worden. Je bent een genadig mens en daarom zou je haar niet moeten doden. Ze verdient voorwaar je genegenheid. (Vedabase)

 

Tekst 46

S'rî S'uka zei: 'Hij genadeloos, kon door de pogingen van goed advies op deze manier niet gestopt worden of tot vrede bewogen, o zoon van Kuru, daar hij het pad volgde van de menseneters [de Râkshasa's].

S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: O beste van de Kuru-dynastie, Kamsa was ontzettend wreed en was eigenlijk een volgeling van de Râkshasa's. Daarom liet hij zich door de goede raad van Vasudeva noch kalmeren noch afschrikken. De eventuele gevolgen van zijn zondige activiteiten, of ze nu van dit leven of het volgende waren, konden hem niets schelen. (Vedabase)

 

Tekst 47

Zich bewust van dat besluit dacht Vasudeva diep na over hoe hij, met de acute dreiging van de dood, hem ervan kon weerhouden en zo kwam hij uit op die andere manier.

Toen Vasudeva zag dat Kamsa vastbesloten was zijn zuster Devakî te doden, dacht hij heel diep na. Gezien het onmiddellijke doodsgevaar bedacht hij een ander plan om Kamsa tegen te houden. (Vedabase)

 

Tekst 48

Door een intelligent persoon moet, zolang als hij zijn zaken onder controle heeft, de dood worden vermeden, maar geplaatst voor de onvermijdelijkheid van de dood gaat deze regel niet op.

Zolang een verstandig mens nog intelligentie en lichaamskracht bezit, moet hij proberen de dood te vermijden. Dat is de plicht van iedereen die belichaamd is. Maar als de dood ondanks alle inspanning onvermijdelijk blijkt, begaat degene die met de dood geconfronteerd wordt geen overtreding. (Vedabase)

 

Tekst 49-50

En zo bedacht hij: 'Als ik beloof mijn zoons uit te leveren aan deze man van de dood, kan het me lukken mijn onschuldige Devakî te ontzetten, want voordat hij zover komt, komt wellicht deze heer des doods zelf te overlijden; en als dat niet het geval is kan hij de dood alsnog vinden [omdat werd voorspeld dat hij zou worden gedood door mijn zoon]. Je kan moeilijk van tevoren uitmaken hoe het lot zich zal keren. Ookal blijft de dreiging hierna dan nog bestaan, hiermee kan ik haar nu in de gegeven situatie het leven redden. '

Vasudeva dacht: Als ik mijn zonen afdraag aan Kamsa, die de dood in eigen persoon is, red ik daarmee het leven van Devakî. Misschien sterft Kamsa wel voordat mijn zonen geboren zijn, of misschien zal een van mijn zonen hem doden, aangezien hij voorbestemd is om door toedoen van mijn zoon te sterven. Laat ik Kamsa voorlopig maar beloven dat ik hem mijn zonen zal overhandigen, zodat het onmiddellijke gevaar van zijn kant zal verdwijnen, en als Kamsa te zijner tijd sterft, heb ik niets te vrezen. (Vedabase)

 

Tekst 51

Als een stuk hout om een of andere reden ontsnapt aan een brand is dat aan de voorzienigheid te danken en niet aan iets anders; op dezelfde manier kan je ook niet weten wat er de oorzaak van is dat de één zich in een lichaam ophoudt en de ander het moet verlaten.

Als vuur om een of andere onbekende reden het ene stuk hout overslaat en het ander aansteekt, is het lot daar de oorzaak van. Op dezelfde wijze is er ook geen andere oorzaak dan het onzichtbare lot als een levend wezen het ene lichaam aanneemt en het andere achterlaat. (Vedabase)

 

Tekst 52

Na dit alles te hebben overwogen, betoonde de godvrezende man met alle verstand die in hem was, de zondaar zijn respect, hem met lofuitingen het voorstel doend.

Nadat hij de zaak met al zijn beschikbare kennis overwogen had, deed Vasudeva de zondige Kamsa met veel respect zijn voorstel. (Vedabase)

 

Tekst 53

Met een brede lach uitwendig zich voor de hardvochtige, schaamteloze man voordoend als gelukkig, sprak hij met een geest vol van angst en verdriet.

Hoewel Vasudeva innerlijk diep verontrust was omdat zijn vrouw in gevaar verkeerde, toverde hij om de schaamteloze, wrede en zondige Kamsa te behagen toch een glimlach op zijn gezicht en sprak hem als volgt toe. (Vedabase)

 

Tekst 54

S'rî Vasudeva zei: 'Van Devakî heb je inderdaad, naar wat de stem uit de hemel liet horen, niets te vrezen, o nuchtere geest; ik zal al de zoons aan je uitleveren die van haar ter wereld komen daar zij het waren door wie die angst bij je opkwam.'

Vasudeva zei: O beste van de verstandige mensen, je hoeft niets te vrezen van je zuster Devakî, ondanks de voorspelling van het onzichtbare omen. Haar zonen zullen de oorzaak van je dood zijn. Daarom beloof ik je alle zonen die zij ter wereld brengt en waarvoor jij nu bang bent te zullen overhandigen. (Vedabase)

 

Tekst 55

S'rî S'uka zei: 'Kamsa, zich neerleggend bij de waarheid van wat hij zei, was er voorlopig van weerhouden zijn zuster om te brengen zodat met hem meer op zijn gemak Vasudeva er gelukkig in slaagde heelhuids thuis te komen.

S'rîla S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: Kamsa stemde met de logische argumenten van Vasudeva in, en omdat hij het volste vertrouwen had in de woorden van Vasudeva, zag hij ervan af om zijn zuster te doden. Vasudeva, die voldaan was met Kamsa's instemming, sprak hem nog wat geruststellende woorden toe en ging vervolgens zijn eigen huis binnen. (Vedabase)

 

Tekst 56

Na de nodig tijd gaf daarna Devakî, de moeder van alle goddelijkheid [zie 4.31: 14 en B.G. 10: 2], jaar na jaar geboorte aan inderdaad [zoals gezegd in 9.24: 53-55] acht zoons en een dochter.

Na verloop van tijd, in elk daaropvolgend jaar, bracht Devakî, de moeder van God en de halfgoden, een kind ter wereld. Zo bracht zij, de een na de ander, acht zonen ter wereld en een dochter met de naam Subhadrâ. (Vedabase)

 

Tekst 57

Er heel bang voor niet waarachtig over te komen gaf Ânakadundubhi [ofwel Vasudeva, zie 9.24: 28-31] met veel moeite Kîrtimân, de eerstgeborene, aan Kamsa.

Vasudeva was erg bang om zijn belofte te breken en zo een leugenaar te worden. Daarom overhandigde hij Kamsa met veel pijn en moeite zijn eerste zoon, Kîrtimân. (Vedabase)

 

Tekst 58

Wat zou er nu voor een gelouterde ziel te pijnlijk zijn, wat houdt nu afhankelijkheid in voor de geschoolden, wat zou er voor het lagere echelon verboden zijn en wat zou er voor de zelfgerealiseerden te moeilijk om te verzaken zijn?

Wat is er pijnlijk voor heiligen die zich strikt naar de waarheid richten? Hoe zou er voor zuivere toegewijden die de Allerhoogste Heer als de essentie van alles kennen geen onafhankelijkheid kunnen bestaan? Welke handelingen zijn verboden voor mensen van het laagste soort? En wat is er dat degenen die zich volledig aan de lotusvoeten van Heer Krishna overgegeven hebben niet ter wille van Hem zouden opgeven? (Vedabase)

 

Tekst 59

O Koning, toen hij zag dat Vasudeva onverstoord, waarachtig en zeker van zichzelf was, was Kamsa verheugd en zei hij met een grijns op zijn gezicht:

Beste koning Parîkshit, toen Kamsa zag dat de oprechte Vasudeva hem met volmaakte kalmte het kind overhandigde, was hij heel gelukkig. Daarom glimlachte hij en sprak als volgt. (Vedabase)

 

Tekst 60

'Neem dit kind met je mee, mijn angst is er inderdaad niet vanwege hem, het was met de achtste zwangerschap die jij met je vrouw hebt dat mijn dood was voorspeld.'

O Vasudeva, je mag je kind mee terugnemen naar huis. Ik heb van je eerste kind niets te vrezen. Het is het achtste kind van jou en Devakî waar ik me zorgen over maak, want dat is het kind waar ik voorbestemd ben door gedood te worden. (Vedabase)

 

Tekst 61

'Goed dan' zei Ânakadundubhi, zijn zoon weer terugnemend en vertrekkend, zonder dat hij veel waarde hechtte aan de woorden van hem die zo karakterloos zichzelf niet in de hand had.

Vasudeva knikte en nam zijn kind mee terug naar huis. Maar omdat Kamsa een karakterloos mens was en geen zelfbeheersing had, wist Vasudeva dat hij niet op zijn woord kon vertrouwen. (Vedabase)

 

Tekst 62-63

Van Nanda [Krishna's pleegvader] af aan waren allen in Vraja, al de koeherders en ingezetenen en de vrouwen, zowel als de Vrishni's te beginnen bij Vasudeva en Devakî en de Yadu-vrouwen, allen in waarheid goden uit de hemel, o nazaat van Bharata; en dat gold ook voor de verwanten, vrienden en weldoeners in het gevolg van Kamsa [zie ook vers 22 en B.G. 6: 41-42].

O Mahârâja Parîkshit, beste van de afstammelingen van Bharata, de inwoners van Vrindâvana, de koeherders en hun vrouwen, onder leiding van Nanda Mahârâja, waren allemaal bewoners van de hemelse planeten, en hetzelfde gold voor de afstammelingen van de Vrishni-dynastie, onder leiding van Vasudeva, en voor Devakî en de andere vrouwen van de Yadu-dynastie. De vrienden, verwanten en sympathisanten van zowel Nanda Mahârâja als Vasudeva en zelfs degenen die er op het eerste gezicht als volgelingen van Kamsa uitzagen, waren allemaal halfgoden. (Vedabase)

 

Tekst 64

Dit alles werd Kamsa duidelijk gemaakt door de almachtige Nârada [**]; hem benaderend zei hij hem dat al de Daitya's en dergelijken die een overlast voor de aarde vormden zouden worden gedood [zie vers 17 en ook 9.24: 56].

Op een keer bezocht de grote wijze Nârada koning Kamsa en vertelde hem hoe de demonische mensen die de aarde grote overlast bezorgden gedood zouden worden. Daardoor raakte Kamsa overweldigd door angst en twijfel. (Vedabase)

 

Tekst 65-66

Na het vertrek van de rishi dacht Kamsa dat al de Yadu's goddelijk waren en dat dus ieder kind geboren uit Devakî Vishnu zou kunnen zijn. Aldus in angst verzet over zijn eigen dood arresteerde hij Vasudeva en Devakî ze thuis gevangen zettend in boeien en doodde hij de een na de ander ieder van hun pasgeboren kinderen niet wetend of het nu de 'Nimmer-geboren' Heer was of niet [***].

Na het vertrek van de grote heilige Nârada dacht Kamsa dat alle leden van de Yadu-dynastie halfgoden waren en dat ieder van de kinderen die Devakî ter wereld bracht Vishnu kon zijn. Uit vrees gedood te worden, nam Kamsa Vasudeva en Devakî gevangen en ketende ze met ijzeren boeien. Omdat er voorspeld was dat hij door Vishnu gedood zou worden, verdacht Kamsa ieder van de kinderen ervan dat het Vishnu was en doodde ze de een na de ander. (Vedabase)

 

Tekst 67

Moeders, vaders, broers, vrienden of wie dan ook worden ter dood gebracht door koningen als hij, die op deze aarde voortgedreven worden door afgunst en hebzucht.

Koningen die op deze aarde naar zinsbevrediging hunkeren doden hun vijanden vrijwel altijd zonder enig onderscheid. Om hun grillige behoeften te bevredigen, zijn ze in staat om iedereen te vermoorden, zelfs hun moeders, vaders, broers of vrienden. (Vedabase)

 

Tekst 68

Hij, zich er wel van bewust dat hij in een voorgaand leven als de grote Asura Kâlanemi [letterlijk: 'de band om het wiel van de tijd'] persoonlijk ter dood gebracht was door Vishnu [zie 8.10: 56], werd, opnieuw geboren in deze wereld, een vijand van de [zoals Nârada hem had gezegd door Vishnu gezegende] Yadu-dynastie.

In zijn vorige leven was Kamsa een groot demon met de naam Kâlanemi geweest die door Vishnu gedood was. Toen Kamsa dit feit van Nârada vernam, begon hij iedereen die met de Yadu-dynastie verbonden was te haten. (Vedabase)

 

Tekst 69

Zijn eigen vader Ugrasena, de koning van de Yadu's, Bhoja's en Andhaka's werd door hem, de almachtige, onderworpen [eveneens gevangen gezet] zodat hij in S'ûrasena het rijk voor zichzelf alleen had.

Kamsa, de zeer machtige zoon van Ugrasena, zette zelfs zijn eigen vader, de koning van de Yadu-, Bhoja- en Andhaka-dynastieën, gevangen en regeerde persoonlijk over de staten die tezamen S'ûrasena vormden.
(Vedabase)

 

Voetnoten:

*: Om in herinnering te brengen wat in vorige hoofdstukken is gezegd: Heer Râma verscheen in de sûrya-vams'a van Iksvâku ofwel de zonnedynastie en Heer Krishna verscheen in de candra-vams'a ofwel de maan-dynastie.

**: Een bijkomend vers in dit hoofdstuk van het S'rîmad Bhâgavatam wordt door de Madhvâcârya-sampradâya, vertegenwoordigd door Vijayadhvaja Tîrtha aanvaard. Het vers luidt als volgt:

atha kamsam upâgamya
nârado brahma-nandanah
ekântam upasangamya
vâkyam etad uvâca ha

Woord-voor-woord:
atha: op deze manier; kamsam: jegens Kamsa; upâgamya: na te gaan; nâradah: de grote wijze Nârada; brahma-nandanah: die de zoon is van Brahmâ; ekântam upasangamya: nadat hij naar een zeer afgelegen plek ging; vâkyam: de volgende instructie; etat: deze; uvâca: zei; ha: in het verleden.
Vertaling:
"Daarna benaderde Nârada, de geestelijke zoon van Heer Brahmâ, Kamsa en stelde hij hem, op een zeer afgelegen plaats, op de hoogte van het volgende nieuws."

***: Svâmî Prabhupâda geeft als commentaar: 'Voorheen had een Asura genaamd Kâlanemi zes zoons, genaamd Hamsa, Suvikrama, Krâtha, Damana, Ripurmardana en Krodhahantâ. Ze stonden bekend als de Shad-garbha's, of zes Garbha's, en zij waren allen even machtig en bedreven in militaire aangelegenheden. Deze Shad-garbha's gaven de omgang op met Hiranyakas'ipu, hun grootvader, en ondergingen zware boetedoeningen om Heer Brahmâ tevreden te stemmen, die, toen dat naar zijn genoegen was, instemde hen welke gunst ze ook maar verlangden te verlenen. Toen hen door Heer Brahmâ werd gevraagd te zeggen wat ze wilden, gaven de Shad-garbha's ten antwoord: "Beste Heer Brahmâ, als u ons een gunst wilt verlenen, schenk ons dan de zegen dat we niet zullen worden gedood door welke halfgod, Mahâ-roga, Yaksha, Gandharva-pati, Siddha, Cârana of menselijk wezen dan ook, noch door grote wijzen die volmaakt zijn in hun boetedoeningen en verzakingen." Brahmâ begreep waar ze op uitwaren en vervulde hun wens. Maar toen Hiranyakas'ipu achter deze gang van zaken kwam, was hij zeer kwaad op zijn kleinzoons. "Jullie hebben de omgang met mij opgegeven en zijn vertrokken om Heer Brahmâ te aanbidden" zei hij, "en daarom koester ik geen enkele genegenheid meer voor jullie. Jullie hebben geprobeerd jezelf te redden uit handen van de halfgoden, maar ik vervloek jullie op deze manier: Jullie vader zal geboorte nemen als Kamsa en jullie allen ter dood brengen omdat jullie geboorte zullen nemen als de zoons van Devakî." Vanwege die vloek, moesten de kleinzoons van Hiranyakas'ipu geboorte nemen uit de schoot van Devakî en door Kamsa worden omgebracht, hoewel hij voordien hun vader was geweest. Deze beschrijving staat vermeld in de Hari-vams'a, Vishnu-parva, tweede Hoofdstuk. Overeenkomstig de commentaren van de Vaishnava-toshanî, was de zoon van Devakî die bekend stond als Kîrtimân de derde incarnatie. In zijn eerste incarnatie stond hij bekend als Smara en was hij de zoon van Marîci, en later werd hij de zoon van Kâlanemi. Zo staat het vermeld in de geschiedenissen.'

 

 

 

 

Voor deze vertaling werd het enige deel dat Svâmî Prabhupâda van het tiende Canto schreef gebruikt.
Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
De afbeelding op deze pagina is van
Parîkshit dâsa (Doug Ball).
Productie: de
Filognostische