
Canto
5
Hoofdstuk 20: De structuur van de Verschillende Dvīpa's en de Gebeden van hun Verschillende Bewoners
(1) S'rī S'uka zei: 'Vervolgens zal ik de onderverdelingen, afmetingen, kenmerken en vorm beschrijven van de dvīpa ['afgescheiden gebied' zoals continent en eiland of ookwel gordel] genaamd Plaksha en de anderen [zie 5.1: 32]. (2) Zoals de berg Meru wordt omsloten door de dvīpa Jambū wordt zij zelf [gezien van binnenuit] omringd door een zilte oceaan die evenzo breed is. Daarbuiten is zij, zoals een greppel rondom een park, omsloten door de dvīpa Plaksha welke, vernoemd naar de plaksha-boom die zo groot is als een jambū, zich twee keer zo breed uitstrekt. Bij die boom die in alle pracht schitterend ten hemel reikt, is er een vuur dat zeven vlammen telt. De meester van die dvīpa is de zoon van Priyavrata genaamd Idhmajihva, die zijn eigen dvīpa in zeven varsha's [landen] verdeelde die hij vernoemde naar zijn zeven zoons toen hij zelf zich terugtrok voor de yoga der zelfrealisatie. (3-4) S'iva, Yavasa, Subhadra, S'ānta, Kshema, Amrita en Abhaya, zijn aldus de varsha's naar de verschillende rivieren en bergen. De zeven bergketens die de varsha's afbakenen staan bekend als Manikūtha, Vajrakūtha, Indrasena, Jyotishmān, Suparna, Hiranyashthhīva en Meghamāla. De Arunā, Nrimnā, Āngirasī, Sāvitrī, Suptabhātā, Ritambharā en de Satyambharā zijn dienovereenkomstig de hoofdrivieren. Het beroeren van hun water wast de hartstocht en de duisternis weg van de vier soorten van mensen daar genaamd de Hamsa's, de Patanga's, de Ūrdhvāyana's en de Satyānga's [de zwaangelijken, de heersers, de ambitieuzen, en de getrouwen; andere namen voor de varna's of roepingen]. Voor een duizendtal jaren leven ze daar als goden met de mooiste lichamen, kinderen krijgend en vedische rituelen uitvoerend aan de hemelpoort, waarbij ze de Allerhoogste Heer verheerlijken als de Superziel van de Zonnegod middels lof, offerande en gezang: (5) 'Laten we onze toevlucht nemen tot Heer Vishnu, de Ziel aller zielen die de meest authentieke gedaante van de Absolute Waarheid, van de religie, van Brahman, van de nectar [van eeuwig leven] en de dood is, zowel als van Sūrya, de God van de Zon.'
(6) Vanaf Plaksha worden op de vijf dvīpa's de mensen die daar leven zonder uitzondering geboren met de volmaaktheden van een lang leven, een gezond verstand, lichamelijke en geestelijke draagkracht, fysiek vermogen, intelligentie en heldhaftigheid. (7) Omringd door een oceaan van suikerrietsap die qua afmeting net zo breed is, bevindt er zich buiten Plakshadvīpa een andere dvīpa die bekend staat als S'ālmala, die net zo breed tweemaal zo groot is en omringd wordt door een oceaan van drank [of wijn; surā, zie voetnoot]. (8) Die dvīpa ontleent haar naam aan de s'ālmalī-boom zo groot als een plaksha-boom en daarin, zo zegt men, heeft Garuda de draagvogel van vedische gebeden jegens Heer Vishnu, zijn verblijf. (9) De meester van die dvīpa is de zoon van Priyavrata genaamd Yajńabāhu. Hij verdeelde het in zeven varsha's overeenkomstig de namen van zijn zoons: Surocana, Saumanasya, Ramanaka, Deva-varsha, Pāribhadra, Āpyāyana en Avijńāta. (10) De zeven bergen en hoofdrivieren daar kent men als de Svarasa, S'ata-s'ringa, Vāmadeva, Kunda, Mukunda, Pushpa-varsha en de Sahasra-s'ruti bergen en de rivier de Anumati, de Sinīvālī, de Sarasvatī, de Kuhū, de Rajanī, de Nandā en de Rākā. (11) De mensen die in die varsha's leven staan bekend als de S'rutadhara's, Vīryadhara's, Vasundhara's en Ishandhara's [een andere omschrijving van de varna's met de betekenis van zij die van het luisteren, van het heldhaftige, van de weelde, en van de gehoorzaamheid zijn]; volledig bekend met het vedische, aanbidden zij de Allerhoogste Heer als Soma-ātmā ['het ware zelf van de offerdrank' of de maangod]: (12) 'Door Zijn eigen uitstraling verdeelt Hij de tijd in de lichte en donkere periode van de maand [s'ukla en krishna]; moge Hij, die goddelijkheid van de maan zowel als van het graan dat moet worden verdeeld onder de voorvaderen en de goden, die Koning Aller Mensen, ons goedgezind blijven.'
(13) Daarop volgend is er buiten die oceaan van drank even breed en twee maal zo groot, een zee van ghee, die zoals met de dvīpa ervoor, Kus'advīpa omringt, waarvan het kus'agras geschapen door God die dvīpa zijn naam gaf; als door een ander soort vuur worden door de gloed van het jonge ontspruitende gras alle richtingen verlicht. (14) De meester van dat eiland, Hiranyaretā, de zoon van Mahārāja Priyavrata, o Koning, verdeelde zijn dvīpa in zevenen en gaf, toen hij zelf zich terugtrok voor zijn boete, in overeenstemming met zijn zoons, ze de namen Vasu,Vasudāna, Dridharuci, Nābhigupta, Stutyavrata, Vivikta en Vāmadeva. (15) De zeven berggebieden en zeven rivieren van hen zijn de Cakra, Catuh-s'ringa, Kapila, Citrakūtha, Devānīka, Ūrdhvaromā en de Dravina bergen en de rivieren de Ramakulyā, de Madhukulyā, de Mitravindā, de Srutavindā, de Devagarbhā, de Ghritacyutā en de Mantramālā. (16) Aan die wateren aanbidden de bewoners van Kus'advīpa genaamd de Kus'ala's, Kovida's, Abhiyukta's en de Kulaka's [of de gras-zitters, de ervarenen, de concurrenten en de handwerkslieden], bedreven in de rituelen, de Allerhoogste Heer in de gedaante van de God van het Vuur Jātaveda ['Hij die het Loon toekent']: (17) 'Van al de halfgoden van het Allerhoogste Brahman die de ledematen zijn van de Oorspronkelijke Persoon, bent U de Toekenner van het Loon, die rechtstreeks de offerandes van ghee en granen overdraagt; alstUblieft draag daarom de offerandes van onze offers voor de Hoogste Persoonlijkheid van God.'
(18) Zo wordt, net zoals Kus'advīpa wordt omringd, ook overal eromheen, Krauńcadvīpa buiten de oceaan van ghee, omringd door een oceaan van melk [of plantensap], net zo breed en twee keer zo groot, waarin de koning der bergen genaamd Krauńca wordt aangetroffen die die dvīpa zijn naam gaf. (19) Alhoewel de vegetatie in de war werd geschopt door de wapens van de zoon van S'iva [Kārttikeya], raakte hij onbevreesd door het zich altijd baden in de oceaan van melk en door de bescherming van de machtige Varuna [de halfgod van de zeeėn]. (20) Ghritaprishthha, de zoon van Mahārāja Priyavrata, heerser van die dvīpa gaf de verdelingen van zijn eigen land in zeven varsha's de namen van zijn zeven zoons die allen evenzo machtig waren als hij, en stelde ieder van hen aan als de heerser over de varsha. Daarna nam hij zelf toen zijn toevlucht tot de lotusvoeten van de Allerhoogste Heer Harī, de Ziel aller zielen, wiens heerlijkheden zo heilrijk zijn. (21) Āma, Madhuruha, Meghaprishthha, Sudhāmā, Bhrājishthha, Lohitārna en Vanaspati waren de zonen van Ghritaprishthha en de zeven berggebieden en zeven rivieren werden gevierd als de S'ukla en de Vardhamāna, de Bhojana, Upabarhina, Nanda, Nandana en de Sarvatobhadra bergen en de rivier de Abhayā, de Amritaughā, de Āryakā, de Tīrthavatī, de Rūpavatī, de Pavitravatī en de S'uklā. (22) Geheiligd door het gebruik van de klare wateren van al die rivieren aanbidden de bewoners van die varsha's, genaamd de Purusha's, de Rishaba's, de Dravina's en de Devaka's [of de authentieken, de superieuren, de welvarenden en de sportieven], met gevouwen handpalmen vol water, God in de gedaante van het water: (23) 'O water, macht van de Oorspronkelijke Persoon, u heiligt de aarde, haar leven, haar paradijs; moge het beroeren van dat wat door zijn aard de geest van het kwaad vernietigt, onze lichamen zuiveren.'
(24) Logisch daarop volgend wordt, zich bevindend buiten de oceaan van melk, de dvīpa S'āka aangetroffen met een afmeting van zo'n 3.2 miljoen yojana's lang en breed; hij wordt omringd door een oceaan van wei en heeft zijn naam te danken aan een werkelijk zeer geurige vijgenboom die de lucht van de hele dvīpa bezwangert. (25) De heerser daar, een andere zoon van Priyavrata genaamd Medhātithi verdeelde de dvīpa eveneens in zeven varsha's naar de namen van zijn zeven zonen Purojava, Manojava, Pavamāna, Dhūmrānīka, Citrarepha, Bahurūpa en Vis'vadhāra, die hij daar aanstelde als hun leiders. Daarna betrad hij het woud der boete, met zijn geest verzonken in het oneindige van de Allerhoogste Heer. (26) De bergen en rivieren die de begrenzing vormen van de varsha's zijn de bergen genaamd Īs'āna, Urus'ringa, Balabhadra, S'atakesara, Sahasra-srota, Devapāla en de Mahānasa, en de rivieren genaamd de Anaghā, de Āyurdā, de Ubhayasprishthi, de Aparājitā, de Pańcapadī, de Sahasra-s'ruti en de Nijadhriti. (27) De mensen van die varsha's, de Ritavrata's, de Satyavrata's, de Dānavrata's en de Anuvrata's [de varna's der godvrezenden, die van de gezworenen der waarheid, de verschaffing en het volgen] laten zich van hun hartstochten en onwetendheid zuiveren door de praktijk van het reguleren van de adem geregeerd door de halfgod Vāyu, die ze in het bovenzinnelijke verzonken aanbidden met: (28) 'Alle levende wezens binnengaand bent U de ene Superziel van binnen, de rechtstreekse Beheerser, die middels de functies van de lucht in ons handhaaft; alstUblieft leidt ons; daar U over de gehele kosmos heerst.'
(29) Evenzo buiten die oceaan van wei is er een andere dvīpa genaamd Pushkara die twee keer zo groot is als de voorgaande en van buiten wordt omringd door een oceaan van zoet water waarin een zeer grote lotusbloem wordt aangetroffen met zo'n 100 miljoen bloembladen van puur goud die zijn als de vlammen van een laaiend vuur; die lotus beschouwt men als de zitplaats van de almachtige Heer van de Lotus [Brahmā]. (30) Binnen die dvīpa treft men de ene [bergketen] aan genaamd Mānasottara die inderdaad de binnen- en buitengelegen landen daar afgrenst; hij heeft, met een afmeting zo groot als 10.000 yojana's hoog en breed, in zijn vier richtingen de woonplaatsen van de vier lokale heersers, de halfgoden aangevoerd door Indra. Op zijn hoogste punt wordt de berg Meru er omkruist door het voertuig van de zon in een baan die bij de dagen en nachten van de halfgoden bestaat uit een heel jaar [een samvatsara]. (31) De heerser van die dvīpa, ook een zoon van Priyavrata met de naam Vītihotra benoemde op de twee varsha's ervan als hun heersers, en gaf ze ook hun namen, zijn twee zoons Ramanaka en Dhātaki, toen hijzelf net als zijn andere broers, zich feitelijk beperkte tot handelingen om de Allerhoogste Heer tevreden te stellen. (32) De mensen van die landen, aanbidden naar hun rituele plicht, voor de vervulling van hun wensen, de Allerhoogste Heer in de gedaante van Heer Brahmā en bidden dit: (33) 'De gedaante die het allerhoogste Brahman onthult, dat wordt verworven door bewust met de illusie om te gaan [door vedische rituelen], moet worden aanbeden door een persoon die, vol van geloof, onverdeeld is, niet afwijkt en van vrede is jegens Hem, de Meest Machtige die wij aldus aanbidden.'
(34) Daarbuiten is er een berg genaamd Lokāloka die overal eromheen bestaat als de afgrenzing tussen de materiėle en immateriėle plaatsen. (35) De aarde van al het land, dat zich bevindt tussen Meru en de Mānasottara keten, is van goud en de rest erbuiten is zo glad als een spiegel; wat men er ook laat vallen kan op geen enkele manier worden teruggehaald en daarom wordt die plaats gemeden door alle levende wezens. (36) De berg Lokāloka [die de buitenste schil vormt] is er als de afscheiding waarvan men spreekt van gebieden die bewoond zijn en de gebieden die niet bewoond zijn. (37) Dat einde van de drie werelden, er overal omheen door de Beheerser geschapen, reikt dermate ver dat, voor de stralen van al de hemellichamen van de zon tot aan het doel der bevrijding van Dhruva [het centrum van het universum, zie 4.12: 12], er geen mogelijkheid bestaat om verder te reiken. (38) De geleerden die het onderzochten beraamden dat de posities van de planeten, wat betreft hun afmetingen en verschijningsvormen zowel als wat hun situaties betreft, zoveel als zo'n half biljoen yojana's beslaat, waarvan deze tastbare wereld van het licht slechts een kwart vormt [van het volledige van alle bestaande materie; de rest is zoals men dat tegenwoordig noemt 'donkere materie'].
(39) Daar bovenop zijn er in de vier richtingen door de meester van het universum [Brahmā], die de wieg van de ziel is, de besten van alle olifanten genaamd Rishabha, Pushkaracūda, Vāmana en Aparājita gevestigd, die aldus zorgdragen voor de stabiliteit van de verschillende planeten in het universum. (40) Van al zijn lokaal heersende, persoonlijke godheden en al de soorten van helden die op Hem gedijen, is Hij de Allerhoogste Heer, de meest vooraanstaande en grootste persoonlijkheid, de grote meester van alle genade, de Ziel in het voorbije, het Ware Zelf van de zuivere goedheid gekenmerkt door religie, spirituele kennis, onthechting, alle weelde en de acht grote perfecties [zie 3.15: 45]. Omringd door expansies als Vishvaksena en uitgerust met Zijn verschillende wapens omhooggehouden in Zijn eigen stoere armen, manifesteert Hij, voor het heil van alle werelden, op die grootste van alle bergen Zijn gedaante die overal er omheen bestaat. (41) Voor de tijd van Zijn schepping heeft de Opperheer door Zijn eigen geestelijk vermogen aldus deze vervolmaakte verschijning aangenomen, enkel met de bedoeling op die manier de veelvoudigheid van de verscheidene werelden van bestaan te handhaven. (42) De onbewoonde, niet-materiėle varsha strekt zich zover buiten Lokāloka uit als de breedte van wat men er binnen aantreft, en dat voorbije is het pad van de Heer van de Yoga waarvan men zegt dat dat van het zuiverste is.
(43) In het centrum van het universum worden de sterren aangetroffen die zich tussen de hemel en aarde bevinden; die bol in het midden telt een kwart biljoen sterren. (44) Van het zijn binnengegaan in het gefixeerde van deze bol ten tijde van zijn schepping, kent men hem [Brahmā] als Mārtanda [de God der Zonnen]; de aanduiding bekend als Hiranyagarbha ['het goud van binnen' ofwel Brahmā] vond zijn bestaan alzo omdat het die [gouden luminositeit] is vanwaar hij zijn lichaam ontving. (45) Van inderdaad de zonnegod hebben we de verdelingen van de windrichtingen van de hemel, de planeten erboven en de werelden er beneden, en ook alle andere verdelingen van hemelse verblijfplaatsen, plaatsen van verlossing als ook helse plaatsen als Atala. (46) De zonnegod is de heerser over alle soorten van levende wezens, hij is het leven, de ziel en het oog van de goddelijken, de lagere dieren, de menselijke wezens en alles wat maar kruipt en parasiteert.
Tweede editie, geladen 2 maart 2007 ![]()
Vorige Aadhar-editie en Vedabase links:
S'rī S'uka zei: 'Vervolgens zal ik de onderverdelingen, afmetingen, kenmerken en vorm beschrijven van de dvīpa ['afgescheiden gebied' zoals continent en eiland of ookwel gordel] genaamd Plaksha en de anderen [zie 5.1: 32].S'rī S'uka zei: 'Vervolgens zal ik de onderverdelingen, afmetingen, kenmerken en vorm beschrijven van de dvīpa ['afgescheiden gebied' zoals continent en eiland of ookwel gordel] genaamd Plaksha en de anderen [zie 5-1-32]. (Vedabase)
Zoals de berg Meru wordt omsloten door de dvīpa Jambū wordt zij zelf [gezien van binnenuit] omringd door een zilte oceaan die evenzo breed is. Daarbuiten is zij, zoals een greppel rondom een park, omsloten door de dvīpa Plaksha welke, vernoemd naar de plaksha-boom die zo groot is als een jambū, zich twee keer zo breed uitstrekt. Bij die boom die in alle pracht schitterend ten hemel reikt, is er een vuur dat zeven vlammen telt. De meester van die dvīpa is de zoon van Priyavrata genaamd Idhmajihva, die zijn eigen dvīpa in zeven varsha's [landen] verdeelde die hij vernoemde naar zijn zeven zoons toen hij zelf zich terugtrok voor de yoga der zelfrealisatie.
Zoals de berg Meru wordt omsloten door de dvīpa Jambū wordt zij zelf [gezien van binnenuit] omringd door een zilte oceaan die even zo breed is. Daarbuiten is zij, zoals een greppel rondom een park, omsloten door de dvīpa Plaksha welke, vernoemd naar de Plaksha-boom die zo groot is als een Jambū, zich twee keer zo breed uitstrekt. Bij die boom die in alle pracht schitterend ten hemel reikt, is er een vuur dat zeven vlammen telt. De meester van die dvīpa is de zoon van Priyavrata genaamd Idhmajihva, die zijn eigen dvīpa in zeven varsha's [landen] verdeelde die hij vernoemde naar zijn zeven zoons toen hij zelf zich terugtrok voor de yoga der zelfrealisatie. (Vedabase)
S'iva, Yavasa, Subhadra, S'ānta, Kshema, Amrita en Abhaya, zijn aldus de varsha's naar de verschillende rivieren en bergen. De zeven bergketens die de varsha's afbakenen staan bekend als Manikūtha, Vajrakūtha, Indrasena, Jyotishmān, Suparna, Hiranyashthhīva en Meghamāla. De Arunā, Nrimnā, Āngirasī, Sāvitrī, Suptabhātā, Ritambharā en de Satyambharā zijn dienovereenkomstig de hoofdrivieren. Het beroeren van hun water wast de hartstocht en de duisternis weg van de vier soorten van mensen daar genaamd de Hamsa's, de Patanga's, de Ūrdhvāyana's en de Satyānga's [de zwaangelijken, de heersers, de ambitieuzen, en de getrouwen; andere namen voor de varna's of roepingen]. Voor een duizendtal jaren leven ze daar als goden met de mooiste lichamen, kinderen krijgend en vedische rituelen uitvoerend aan de hemelpoort, waarbij ze de Allerhoogste Heer verheerlijken als de Superziel van de Zonnegod middels lof, offerande en gezang:
S'iva, Yavasa, Subhadra, S'ānta, Kshema, Amrita en Abhaya, zijn aldus de varsha's naar de verschillende rivieren en bergen. De zeven bergketens die de varsha's afbakenen staan bekend als Manikūtha, Vajrakūtha, Indrasena, Jyotishmān, Suparna, Hiranyashthhīva en Meghamāla. De Arunā, Nrimnā, Āngirasī, Sāvitrī, Suptabhātā, Ritambharā en de Satyambharā zijn dienovereenkomstig de hoofdrivieren. Het beroeren van hun water wast de hartstocht en de duisternis weg van de vier soorten van mensen daar genaamd de Hamsa's, de Patanga's, de Ūrdhvāyana's en de Satyānga's [de zwaangelijken, de heersers, de ambitieuzen, en de getrouwen; andere namen voor de varna's of roepingen]. Voor een duizendtal jaren leven ze daar als goden met de mooiste lichamen, kinderen krijgend en vedische rituelen uitvoerend aan de hemelpoort waarbij ze de Allerhoogste Heer verheerlijken als de Superziel van de Zonnegod middels lof, offerande en gezang: (Vedabase)
'Laten we onze toevlucht nemen tot Heer Vishnu, de Ziel aller zielen die de meest authentieke gedaante van de Absolute Waarheid, van de religie, van Brahman, van de nectar [van eeuwig leven] en de dood is, zowel als van Sūrya, de God van de Zon.'
'Laten we onze toevlucht nemen tot Heer Vishnu, de Ziel aller zielen die de meest authentieke gedaante van de Absolute Waarheid, van de religie, van Brahman, van de nektar [van eeuwig leven] en de dood is, zowel als van Sūrya, de God van de Zon.' (Vedabase)
Vanaf Plaksha worden op de vijf dvīpa's de mensen die daar leven zonder uitzondering geboren met de volmaaktheden van een lang leven, een gezond verstand, lichamelijke en geestelijke draagkracht, fysiek vermogen, intelligentie en heldhaftigheid.
Vanaf Plaksha worden op de vijf dvīpa's de mensen die daar leven zonder uitzondering geboren met de volmaaktheden van een lang leven, een gezond verstand, lichamelijke en geestelijke draagkracht, fysiek vermogen, intelligentie en heldhaftigheid. (Vedabase)
Omringd door een oceaan van suikerrietsap die qua afmeting net zo breed is, bevindt er zich buiten Plakshadvīpa een andere dvīpa die bekend staat als S'ālmala, die net zo breed tweemaal zo groot is en omringd wordt door een oceaan van drank [of wijn; surā, zie voetnoot].
Omringd door een oceaan van suikerrietsap die qua afmeting net zo breed is, bevindt er zich buiten Plakshadvīpa een andere dvīpa die bekend staat als S'ālmala, die net zo breed tweemaal zo groot is en omringd wordt door een oceaan van drank [of wijn; surā, zie voetnoot ]. (Vedabase)
Die dvīpa ontleent haar naam aan de s'ālmalī-boom zo groot als een plaksha-boom en daarin, zo zegt men, heeft Garuda de draagvogel van vedische gebeden jegens Heer Vishnu, zijn verblijf.
Die dvīpa ontleent haar naam aan de S'ālmali-boom zo groot als een Plaksha-boom en daarin, zo zegt men, heeft Garuda de draagvogel van vedische gebeden jegens Heer Vishnu, zijn verblijf. (Vedabase)
De meester van die dvīpa is de zoon van Priyavrata genaamd Yajńabāhu. Hij verdeelde het in zeven varsha's overeenkomstig de namen van zijn zoons: Surocana, Saumanasya, Ramanaka, Deva-varsha, Pāribhadra, Āpyāyana en Avijńāta.
De meester van die dvīpa is de zoon van Priyavrata genaamd Yajńabāhu. Hij verdeelde het in zeven varsha's overeenkomstig de namen van zijn zoons: Surocana, Saumanasya, Ramanaka, Deva-varsha, Pāribhadra, Āpyāyana en Avijńāta. (Vedabase)
De zeven bergen en hoofdrivieren daar kent men als de Svarasa, S'ata-s'ringa, Vāmadeva, Kunda, Mukunda, Pushpa-varsha en de Sahasra-s'ruti bergen en de rivier de Anumati, de Sinīvālī, de Sarasvatī, de Kuhū, de Rajanī, de Nandā en de Rākā.
De zeven bergen en hoofdrivieren daar kent men als de Svarasa, S'ata-s'ringa, Vāmadeva, Kunda, Mukunda, Pushpa-varsha en de Sahasra-s'ruti bergen en de rivier de Anumati, de Sinīvālī, de Sarasvatī, de Kuhū, de Rajanī, de Nandā en de Rākā. (Vedabase)
De mensen die in die varsha's leven staan bekend als de S'rutadhara's, Vīryadhara's, Vasundhara's en Ishandhara's [een andere omschrijving van de varna's met de betekenis van zij die van het luisteren, van het heldhaftige, van de weelde, en van de gehoorzaamheid zijn]; volledig bekend met het vedische, aanbidden zij de Allerhoogste Heer als Soma-ātmā ['het ware zelf van de offerdrank' of de maangod]:
De mensen die in die varsha's leven staan bekend als S'rutadhara, Vīryadhara, Vasundhara en Ishandhara [een andere omschrijving van de varna's met de betekenis van zij die van het luisteren, van het heldhaftige, van de weelde, en van de gehoorzaamheid zijn]; volledig bekend met het vedische, aanbidden zij de Allerhoogste Heer als Soma-ātmā ['het ware zelf van de offerdrank' of de maangod]: (Vedabase)
'Door Zijn eigen uitstraling verdeelt Hij de tijd in de lichte en donkere periode van de maand [s'ukla en krishna]; moge Hij, die goddelijkheid van de maan zowel als van het graan dat moet worden verdeeld onder de voorvaderen en de goden, die Koning Aller Mensen, ons goedgezind blijven.'
'Door zijn eigen uitstraling verdeelt Hij de tijd in de lichte en donkere periode van de maand [s'ukla en Krishna]; moge Hij, die goddelijkheid van de maan zowel als van het graan dat moet worden verdeeld onder voorvaderen en de goden, die Koning Aller Mensen, ons goedgezind blijven.' (Vedabase)
Daarop volgend is er buiten die oceaan van drank even breed en twee maal zo groot, een zee van ghee, die zoals met de dvīpa ervoor, Kus'advīpa omringt, waarvan het kus'agras geschapen door God die dvīpa zijn naam gaf; als door een ander soort vuur worden door de gloed van het jonge ontspruitende gras alle richtingen verlicht.
Daarop volgend is er buiten die oceaan van drank even breed en twee maal zo groot, een zee van ghee, die zoals met de dvīpa ervoor, Kus'advīpa omringt, waarvan het kus'agras geschapen door God die dvīpa zijn naam gaf; als door een ander soort vuur worden door de gloed van het jonge ontspruitende gras alle richtingen verlicht. (Vedabase)
De meester van dat eiland, Hiranyaretā, de zoon van Mahārāja Priyavrata, o Koning, verdeelde zijn dvīpa in zevenen en gaf, toen hij zelf zich terugtrok voor zijn boete, in overeenstemming met zijn zoons, ze de namen Vasu,Vasudāna, Dridharuci, Nābhigupta, Stutyavrata, Vivikta en Vāmadeva.
De meester van dat eiland, Hiranyaretā, de zoon van Mahārāja Priyavrata, o Koning, verdeelde zijn dvīpa in zevenen en gaf, toen hij zelf zich terugtrok voor zijn boete, in overeenstemming met zijn zoons, ze de namen Vasu,Vasudāna, Dridharuci, Nābhigupta, Stutyavrata, Vivikta en Vāmadeva. (Vedabase)
De zeven berggebieden en zeven rivieren van hen zijn de Cakra, Catuh-s'ringa, Kapila, Citrakūtha, Devānīka, Ūrdhvaromā en de Dravina bergen en de rivieren de Ramakulyā, de Madhukulyā, de Mitravindā, de Srutavindā, de Devagarbhā, de Ghritacyutā en de Mantramālā.
De zeven berggebieden en zeven rivieren van hen zijn de Cakra, Catuh-s'ringa, Kapila, Citrakūtha, Devānīka, Ūrdhvaromā en de Dravina bergen en de rivieren de Ramakulyā, de Madhukulyā, de Mitravindā, de Srutavindā, de Devagarbhā, de Ghritacyutā en de Mantramālā. (Vedabase)
Aan die wateren aanbidden de bewoners van Kus'advīpa genaamd de Kus'ala's, Kovida's, Abhiyukta's en de Kulaka's [of de gras-zitters, de ervarenen, de concurrenten en de handwerkslieden], bedreven in de rituelen, de Allerhoogste Heer in de gedaante van de God van het Vuur Jātaveda ['Hij die het Loon toekent']:
Aan die wateren aanbidden de bewoners van Kus'advīpa genaamd de Kus'ala's, Kovida's, Abhiyukta's en de Kulaka's [of de gras-zitters, de ervarenen, de concurrenten en de handwerkslieden], bedreven in de rituelen, de Allerhoogste Heer in de gedaante van de God van het Vuur Jātaveda ['Hij die het Loon toekent']: (Vedabase)
'Van al de halfgoden van het Allerhoogste Brahman die de ledematen zijn van de Oorspronkelijke Persoon, bent U de Toekenner van het Loon, die rechtstreeks de offerandes van ghee en granen overdraagt; alstUblieft draag daarom de offerandes van onze offers voor de Hoogste Persoonlijkheid van God.'
'Van al de halfgoden van het Allerhoogste Brahman die de ledematen zijn van de Oorspronkelijke Persoon, bent U de Toekenner van het Loon, die rechtstreeks de offerandes van ghee en granen overdraagt; alstublieft draag daarom de offerandes van onze offers voor de Hoogste Persoonlijkheid van God.' (Vedabase)
Zo wordt, net zoals Kus'advīpa wordt omringd, ook overal eromheen, Krauńcadvīpa buiten de oceaan van ghee, omringd door een oceaan van melk [of plantensap], net zo breed en twee keer zo groot, waarin de koning der bergen genaamd Krauńca wordt aangetroffen die die dvīpa zijn naam gaf.
Zo wordt, net zoals Kus'advīpa wordt omringd, ook overal eromheen, Krauńcadvīpa buiten de oceaan van ghee, omringd door een oceaan van melk [of plantensap], net zo breed en twee keer zo groot, waarin de koning der bergen genaamd Krauńca wordt aangetroffen die die dvīpa zijn naam gaf. (Vedabase)
Alhoewel de vegetatie in de war werd geschopt door de wapens van de zoon van S'iva [Kārttikeya], raakte hij onbevreesd door het zich altijd baden in de oceaan van melk en door de bescherming van de machtige Varuna [de halfgod van de zeeėn].
Alhoewel de vegetatie in de war werd geschopt door de wapens van de zoon van S'iva [Kārttikeya], raakte hij onbevreesd door het zich altijd baden in de oceaan van melk en door de bescherming van de machtige Varuna [de halfgod van de zeeėn]. (Vedabase)
Tekst 20
Ghritaprishthha, de zoon van Mahārāja Priyavrata, heerser van die dvīpa gaf de verdelingen van zijn eigen land in zeven varsha's de namen van zijn zeven zoons die allen evenzo machtig waren als hij, en stelde ieder van hen aan als de heerser over de varsha. Daarna nam hij zelf toen zijn toevlucht tot de lotusvoeten van de Allerhoogste Heer Harī, de Ziel aller zielen, wiens heerlijkheden zo heilrijk zijn.
Ghritaprishthha, de zoon van Mahārāja Priyavrata, heerser van die dvīpa gaf de verdelingen van zijn eigen land in zeven varsha's de namen van zijn zeven zoons die allen even zo machtig waren als hij, en stelde ieder van hen aan als meester van de varsha toen hij zelf zijn toevlucht nam tot de lotusvoeten van de Allerhoogste Heer Harī, de Ziel aller zielen, wiens heerlijkheden zo heilrijk zijn. (Vedabase)
Āma, Madhuruha, Meghaprishthha, Sudhāmā, Bhrājishthha, Lohitārna en Vanaspati waren de zonen van Ghritaprishthha en de zeven berggebieden en zeven rivieren werden gevierd als de S'ukla en de Vardhamāna, de Bhojana, Upabarhina, Nanda, Nandana en de Sarvatobhadra bergen en de rivier de Abhayā, de Amritaughā, de Āryakā, de Tīrthavatī, de Rūpavatī, de Pavitravatī en de S'uklā.
Āma, Madhuruha, Meghaprishthha, Sudhāmā, Bhrājishthha, Lohitārna en Vanaspati waren de zonen van Ghritaprishthha en de zeven berggebieden en zeven rivieren werden gevierd als de S'ukla en de Vardhamāna, de Bhojana, Upabarhina, Nanda, Nandana en de Sarvatobhadra bergen en de rivier de Abhayā, de Amritaughā, de Āryakā, de Tīrthavatī, de Rūpavatī, de Pavitravatī en de S'uklā. (Vedabase)
Geheiligd door het gebruik van de klare wateren van al die rivieren aanbidden de bewoners van die varsha's, genaamd de Purusha's, de Rishaba's, de Dravina's en de Devaka's [of de authentieken, de superieuren, de welvarenden en de sportieven], met gevouwen handpalmen vol water, God in de gedaante van het water:
Geheiligd door het gebruik van de klare wateren van al die rivieren aanbidden de bewoners van die varsha's, genaamd de Purusha's, de Rishaba's, de Dravina's en de Devaka's [of de authentieken, de superieuren, de welvarenden en de sportieven], met gevouwen handpalmen vol water, God in de gedaante van het water: (Vedabase)
'O water, macht van de Oorspronkelijke Persoon, u heiligt de aarde, haar leven, haar paradijs; moge het beroeren van dat wat door zijn aard de geest van het kwaad vernietigt, onze lichamen zuiveren.'
'O water, Heroļsche Persoonlijkheid, U heiligt de aarde, haar leven, haar paradijs, moge onze beroering van dat water dat alle zonden vernietigt, aldus van het ware van U onze lichamen zuiveren.' (Vedabase)
Logisch daarop volgend wordt, zich bevindend buiten de oceaan van melk, de dvīpa S'āka aangetroffen met een afmeting van zo'n 3.2 miljoen yojana's lang en breed; hij wordt omringd door een oceaan van wei en heeft zijn naam te danken aan een werkelijk zeer geurige vijgenboom die de lucht van de hele dvīpa bezwangert.
Logisch daarop volgend wordt, zich bevindend buiten de oceaan van melk, de dvīpa S'āka aangetroffen met een afmeting van zo'n 3.2 miljoen yoyana's lang en breed; hij wordt omringd door een oceaan van wei en heeft zijn naam te danken aan een werkelijk zeer geurige vijgenboom die de lucht van de hele dvīpa aromatiseert. (Vedabase)
De heerser daar, een andere zoon van Priyavrata genaamd Medhātithi verdeelde de dvīpa eveneens in zeven varsha's naar de namen van zijn zeven zonen Purojava, Manojava, Pavamāna, Dhūmrānīka, Citrarepha, Bahurūpa en Vis'vadhāra, die hij daar aanstelde als hun leiders. Daarna betrad hij het woud der boete, met zijn geest verzonken in het oneindige van de Allerhoogste Heer.
De heerser daar, een andere zoon van Priyavrata genaamd Medhātithi verdeelde de dvīpa eveneens in zeven varsha's naar de namen van zijn zeven zonen Purojava, Manojava, Pavamāna, Dhūmrānīka, Citrarepha, Bahurūpa en Vis'vadhāra, die hij daar aanstelde als hun leiders toen hijzelf, met zijn geest verzonken in het oneindige van de Allerhoogste Heer, het woud der boete inging. (Vedabase)
De bergen en rivieren die de begrenzing vormen van de varsha's zijn de bergen genaamd Īs'āna, Urus'ringa, Balabhadra, S'atakesara, Sahasra-srota, Devapāla en de Mahānasa, en de rivieren genaamd de Anaghā, de Āyurdā, de Ubhayasprishthi, de Aparājitā, de Pańcapadī, de Sahasra-s'ruti en de Nijadhriti.
De bergen en rivieren die de begrenzing vormen van de varsha's zijn de Īs'āna, Urus'ringa, Balabhadra, S'atakesara, Sahasra-srota, Devapāla en de Mahānasa bergen en de rivieren de Anaghā, de Āyurdā, de Ubhayasprishthi, de Aparājitā, de Pańcapadī, de Sahasra-s'ruti en de Nijadhriti. (Vedabase)
De mensen van die varsha's, de Ritavrata's, de Satyavrata's, de Dānavrata's en de Anuvrata's [de varna's der godvrezenden, die van de gezworenen der waarheid, de verschaffing en het volgen] laten zich van hun hartstochten en onwetendheid zuiveren door de praktijk van het reguleren van de adem geregeerd door de halfgod Vāyu, die ze in het bovenzinnelijke verzonken aanbidden met:
De mensen van die varsha's, de Ritavrata's, de Satyavrata's, de Dānavrata's en de Anuvrata's [de varna's der godvrezenden, die van de gezworenen der waarheid, de verschaffing en het volgen] laten zich van hun hartstochten en onwetendheid zuiveren door de praktijk van het reguleren van de adem geregeerd door de halfgod Vāyu, die ze in het bovenzinnelijke verzonken aanbidden met: (Vedabase)
'Alle levende wezens binnengaand bent U de ene Superziel van binnen, de rechtstreekse Beheerser, die middels de functies van de lucht in ons handhaaft; alstUblieft leidt ons; daar U over de gehele kosmos heerst.'
'Alle levende wezens binnengaand bent U de ene Superziel van binnen, de rechtstreekse Beheerser, die middels de functies van de innerlijke lucht in stand houdt; alstublieft leidt ons; daar U over de gehele Kosmos heerst.' (Vedabase)
Evenzo buiten die oceaan van wei is er een andere dvīpa genaamd Pushkara die twee keer zo groot is als de voorgaande en van buiten wordt omringd door een oceaan van zoet water waarin een zeer grote lotusbloem wordt aangetroffen met zo'n 100 miljoen bloembladen van puur goud die zijn als de vlammen van een laaiend vuur; die lotus beschouwt men als de zitplaats van de almachtige Heer van de Lotus [Brahmā].
Evenzo buiten die oceaan van wei is er een andere dvīpa genaamd Pushkara die twee keer zo groot is als de voorgaande en van buiten wordt omringd door een oceaan van zoet water waarin een zeer grote lotusbloem wordt aangetroffen met zo'n 100 miljoen bloembladen van puur goud die zijn als de vlammen van een laaiend vuur; die lotus beschouwt men als de zitplaats van de almachtige Heer van de Lotus [Brahmā]. (Vedabase)
Binnen die dvīpa treft men de ene [bergketen] aan genaamd Mānasottara die inderdaad de binnen- en buitengelegen landen daar afgrenst; hij heeft, met een afmeting zo groot als 10.000 yojana's hoog en breed, in zijn vier richtingen de woonplaatsen van de vier lokale heersers, de halfgoden aangevoerd door Indra. Op zijn hoogste punt wordt de berg Meru er omkruist door het voertuig van de zon in een baan die bij de dagen en nachten van de halfgoden bestaat uit een heel jaar [een samvatsara].
Binnen diedvīpa treft men de ene [bergketen] aan genaamd Mānasottara die inderdaad de binnen- en buitengelegen landen daar afgrenst; hij heeft, met een afmeting zo groot als 10.000 yojanas hoog en breed, in zijn vier richtingen de woonplaatsen van de vier lokale heersers, de halfgoden aangevoerd door Indra. Op zijn hoogste punt wordt de berg Meru er omkruist door het voertuig van de zon in een baan die bij de dagen en nachten van de halfgoden bestaat uit een heel jaar [een samvatsara]. (Vedabase)
De heerser van die dvīpa, ook een zoon van Priyavrata met de naam Vītihotra benoemde op de twee varsha's ervan als hun heersers, en gaf ze ook hun namen, zijn twee zoons Ramanaka en Dhātaki, toen hijzelf net als zijn andere broers, zich feitelijk beperkte tot handelingen om de Allerhoogste Heer tevreden te stellen.
De heerser van die dvīpa, ook een zoon van Priyavrata met de naam Vītihotra benoemde op de twee varsha's ervan als hun heersers, en gaf ze ook hun namen, zijn twee zoons Ramanaka en Dhātaki, toen hijzelf net als zijn andere broers, zich feitelijk beperkte tot handelingen om de Allerhoogste Heer tevreden te stellen. (Vedabase)
De mensen van die landen, aanbidden naar hun rituele plicht, voor de vervulling van hun wensen, de Allerhoogste Heer in de gedaante van Heer Brahmā en bidden dit:
De mensen van die landen, aanbidden naar hun rituele plicht, voor de vervulling van hun wensen, de Allerhoogste Heer in de gedaante van Heer Brahmā en bidden dit: (Vedabase)
'De gedaante die het allerhoogste Brahman onthult, dat wordt verworven door bewust met de illusie om te gaan [door vedische rituelen], moet worden aanbeden door een persoon die, vol van geloof, onverdeeld is, niet afwijkt en van vrede is jegens Hem, de Meest Machtige die wij aldus aanbidden.'
'De gedaante die het allerhoogste Brahman onthult dat wordt gewonnen door het verwerken van de illusie [door vedische rituelen], moet worden aanbeden door een persoon die vol van geloof onverdeeld is, niet afwijkt en van vrede is jegens Hem, de Meest Machtige die wij aldus aanbidden.' (Vedabase)
Daarbuiten is er een berg genaamd Lokāloka die overal eromheen bestaat als de afgrenzing tussen de materiėle en immateriėle plaatsen.
Daarbuiten is er een berg genaamd Lokāloka die overal eromheen bestaat als de afgrenzing tussen de materiėle en immateriėle plaatsen. (Vedabase)
De aarde van al het land, dat zich bevindt tussen Meru en de Mānasottara keten, is van goud en de rest erbuiten is zo glad als een spiegel; wat men er ook laat vallen kan op geen enkele manier worden teruggehaald en daarom wordt die plaats gemeden door alle levende wezens.
De aarde van al het land dat zich bevindt tussen Meru en de Mānasottara keten is van goud en de rest erbuiten is zo glad als een spiegel; wat men er ook laat vallen kan op geen enkele manier worden teruggebracht en daarom wordt die plaats gemeden door alle levende wezens. (Vedabase)
De berg Lokāloka [die de buitenste schil vormt] is er als de afscheiding waarvan men spreekt van gebieden die bewoond zijn en de gebieden die niet bewoond zijn.
Door de berg Lokāloka, die de buitenste schil is, worden op deze manier de toeschrijvingen van de werelden gevestigd waar materiėle wezens leven en de werelden waar dergelijke wezens niet bestaan. (Vedabase)
Dat einde van de drie werelden, er overal omheen door de Beheerser geschapen, reikt dermate ver dat, voor de stralen van al de hemellichamen van de zon tot aan het doel der bevrijding van Dhruva [het centrum van het universum, zie 4.12: 12], er geen mogelijkheid bestaat om verder te reiken.
Dat einde van de drie werelden, er overal omheen door de Beheerser geschapen, reikt dermate ver dat, voor de stralen van al de hemellichamen van de zon tot aan het doel der bevrijding van Dhruva [het centrum van het universum, zie 4-12], er geen mogelijkheid bestaat om verder te reiken. (Vedabase)
De geleerden die het onderzochten beraamden dat de posities van de planeten, wat betreft de afmetingen van hun verschijningsvormen alsook van hun stellaire situaties, zoveel als zo'n half biljoen yojana's beslaat, waarvan deze tastbare wereld van het licht slechts een kwart vormt [van het volledige van alle bestaande materie; de rest is zoals men dat tegenwoordig noemt 'donkere materie'].
De geleerden die het onderzochten beraamden dat de posities van de planeten wat betreft hun afmetingen en verschijningsvormen zowel als wat hun situaties betreft, zoveel als zo'n half biljoen yojana's beslaat in betrekking waarmee deze tastbare wereld van het licht slechts een kwart beslaat [- van het volledige van alle materie die zich erin bevindt; de rest is zoals men dat tegenwoordig noemt 'zwarte materie' ]. (Vedabase)
Daar bovenop zijn er in de vier richtingen door de meester van het universum [Brahmā], die de wieg van de ziel is, de besten van alle olifanten genaamd Rishabha, Pushkaracūda, Vāmana en Aparājita gevestigd, die aldus zorgdragen voor de stabiliteit van de verschillende planeten in het universum.
Daar bovenop zijn er in de vier richtingen door de meester van het universum [Brahmā], die de wieg van de ziel is, de besten van alle olifanten genaamd Rishabha, Pushkara, Vāmana en Aparājita gevestigd, die aldus zorg dragen voor de stabiliteit van de verschillende planeten in het universum. (Vedabase)
Van al zijn lokaal heersende, persoonlijke godheden en al de soorten van helden die op Hem gedijen, is Hij de Allerhoogste Heer, de meest vooraanstaande en grootste persoonlijkheid, de grote meester van alle genade, de Ziel in het voorbije, het Ware Zelf van de zuivere goedheid gekenmerkt door religie, spirituele kennis, onthechting, alle weelde en de acht grote perfecties [zie 3.15: 45]. Omringd door expansies als Vishvaksena en uitgerust met Zijn verschillende wapens omhooggehouden in Zijn eigen stoere armen, manifesteert Hij, voor het heil van alle werelden, op die grootste van alle bergen Zijn gedaante die overal er omheen bestaat.
Van al zijn persoonlijke godheden die lokaal heersen en al de soorten van helden die op Hem gedijen, is Hij de Allerhoogste Heer, de meest vooraanstaande en grootste persoonlijkheid, de grote meester van alle genade, de Ziel in het voorbije, het Ware Zelf van de zuivere goedheid gekenmerkt door religie, spirituele kennis, onthechting, alle weelde en de acht grote perfecties [zie 3-15-45]; omringd door expansies als Vishvaksena en uitgerust met Zijn verschillende wapens omhooggehouden in Zijn eigen stoutmoedige armen, manifesteert Hij, voor het heil van alle werelden, Zijn gedaante op die grootste van alle bergen die overal er omheen bestaat. (Vedabase)
Voor de tijd van Zijn schepping heeft de Opperheer door Zijn eigen geestelijk vermogen aldus deze vervolmaakte verschijning aangenomen, enkel met de bedoeling op die manier de veelvoudigheid van de verscheidene werelden van bestaan te handhaven.
Voor de tijd van Zijn schepping heeft de Opperheer door Zijn eigen geestelijk vermogen aldus deze vervolmaakte verschijning aangenomen, enkel met de bedoeling op die manier de veelvoudigheid van de verscheidene werelden van bestaan te handhaven. (Vedabase)
De onbewoonde, niet-materiėle varsha strekt zich zover buiten Lokāloka uit als de breedte van wat men er binnen aantreft, en dat voorbije is het pad van de Heer van de Yoga waarvan men zegt dat dat van het zuiverste is.
De onbewoonde, niet-materiėle varsha strekt zich zover buiten Lokāloka uit als de breedte van wat men er binnen aantreft en dat voorbije is het pad van de Heer van de Yoga waarvan men zegt dat dat van het zuiverste is. (Vedabase)
In het centrum van het universum worden de sterren aangetroffen die zich tussen de hemel en aarde bevinden; die bol in het midden telt een kwart biljoen sterren.
In het centrum van het universum worden de sterren aangetroffen die zich tussen de hemel en aarde bevinden; die bol in het midden telt een kwart biljoen sterren. (Vedabase)
Van het zijn binnengegaan in het gefixeerde van deze bol ten tijde van zijn schepping, kent men hem [Brahmā] als Mārtanda [de God der Zonnen]; de aanduiding bekend als Hiranyagarbha ['het goud van binnen' ofwel Brahmā] vond zijn bestaan alzo omdat het die [gouden luminositeit] is vanwaar hij zijn lichaam ontving.
Van het zijn binnengegaan in het gefixeerde van deze bol ten tijde van zijn schepping, kent men hem [Brahmā] als Mārtanda [de God der Zonnen]; de aanduiding bekend als Hyranyagarbha ['het goud van binnen' ofwel Brahmā] vond zijn bestaan alzo omdat het die [gouden luminositeit] is vanwaar hij zijn lichaam ontving. (Vedabase)
Van inderdaad de zonnegod hebben we de verdelingen van de windrichtingen van de hemel, de planeten erboven en de werelden er beneden, en ook alle andere verdelingen van hemelse verblijfplaatsen, plaatsen van verlossing als ook helse plaatsen als Atala.
Van inderdaad de zonnegod hebben we de verdelingen van de windrichtingen van de hemel, de planeten erboven en de werelden er beneden, en ook alle andere verdelingen van hemelse verblijfplaatsen, plaatsen van verlossing als ook helse plaatsen als Atala. (Vedabase)
De zonnegod is de heerser over alle soorten van levende wezens, hij is het leven, de ziel en het oog van de goddelijken, de lagere dieren, de menselijke wezens en alles wat maar kruipt en parasiteert.
De zonnegod, de Beheerser, is van alle soorten van levende wezens, zoals daar zijn de goddelijken, de lagere dieren, de menselijke wezens en alles wat kruipt en opklimt, het leven, de ziel en de visie. (Vedabase)
*: Volgens een bepaalde moderne interpretatie hebben deze zeeėn betrekking op de lichaamssappen, met de dvīpa's als secties, in de virāth-rūpa universele lichaam van de Heer: Lavana of de zilte zee (urine), suikerrietsap. (transpiratie), Surā of de oceaan van wijn (zinnen), Sarpi of de oceaan van ghee (zaad), Dadhi of karnemelk [wei, yoghurt] (slijm), de oceaan van melk (speeksel), en de zee van zuiver water (tranen).
Voor
deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rīmad Bhāgavatam
linkspagina
De afbeeldig is getiteld: 'Jambhu Dvipa Cosmology'. het is een diagram van de Jains over de verdelig van de ene cosmos,
met in het midden het hart en de mystieke berg Merua, omringd door oceanen en rivieren (15e eeuw). Bron.
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd
Feed-back | Links | Downloads | Muziek | Afbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties