regelbalk


 

 

Canto 9

Guru Puja

 
         

 

Hoofdstuk 10: Het Spel en Vermaak van Heer Râmacandra

(1) S'rî S'uka zei: 'Van Khathvânga was Dîrghabâhu er, van hem werd de roemrijke en bedreven Raghu geboren, van wiens zoon Aja de grote koning Das'aratha ter wereld kwam. (2) Op de gebeden van de godsbewusten was er van hem de Absolute Waarheid in vier gedaanten met de Allerhoogste Heer in eigen persoon en drie deelaspecten van Hem; zij verschijnend als vier zoons, stonden aldus bekend als: Râma, Lakshmana, Bharata en S'atrughna. (3) Van Zijn bovenzinnelijke wederwaardigheden als de echtgenoot van Sîtâ, o Koning, hebt u meer dan genoeg vernomen [*] middels de fraaie beschrijvingen door de vele zieners en kenners van de Werkelijkheid [vergelijk B.G. 4: 34]. (4) Trouw aan de leer [gehoor gevend aan een belofte die Zijn vader had gedaan] liet Hij de koninklijke positie achter zich en trok Hij, op Zijn blote lotusvoeten die zo teergevoelig waren als de palm van een hand, van woud tot woud rond in het gezelschap van Zijn beminden [Sîtâ en Lakshmana] die Zijn vermoeidheid op het pad wegnamen. Hij werd [door Râvana] gescheiden van Zijn lieveling Sîtâ omdat hij S'ûrpanakhâ had verminkt [de zuster van Râvana wiens neus eraf werd gesneden] en kreeg ondersteuning van de koning der apen [Hanumân]. Over de oceaan, die in angst verkeerde voor Zijn in woede geheven wenkbrauwen, werd een brug geslagen [naar Lankâ, de verblijfplaats van Râvana] en werd Hij, als een bosbrand de afgunstigen verzengend, de koning van Ayodhyâ. Moge Zijn genade op ons rusten.

(5) Met een [as'vamedha-]offer van Vis'vâmitra werd Zijn eer verdedigd van het daadwerkelijk met Lakshmana als de toezichthouder, gedood hebben van de dolenden in de duisternis aangevoerd door Mârîca, de grote aanvoerders van de Râkshasa's.

(6-7) Het was Hij die van al de helden in de wereld in de zaal waar Sîtâ haar echtgenoot zou uitkiezen de machtige boog van S'iva oppakte die door driehonderd man gedragen moest worden. Hij spande hem op, o Koning, en brak hem in tweeën zoals een olifantje een stuk suikerriet in tweeën breekt. Na eerst de overwinning behaald te hebben het goddelijke meisje genaamd Sîtâ aan Zijn borst te vinden, die qua kwaliteiten, manier van doen, leeftijd en leden een volmaakt koppel met Hem vormde, ontmoette en versloeg Hij op weg naar huis met haar de diepgewortelde trots van Bhrigupati [Paras'urâma] die drie keer [zeven, dus een-en-twintig keer] de aarde had bevrijd [van haar last aan onrechtvaardige heersers] die nu zonder de adel Hem als het zaad had [zie 9.16]. (8) Hij had inderdaad, het hoofd buigend voor het gebod van Zijn vader die al te gehecht zijn vrouw een belofte had gedaan [**], te aanvaarden dat Hij het koninkrijk, het paleis, de weelde, de verwanten, en vrienden achter zich moest laten en in het bos moest gaan leven als een bevrijde ziel. (9) Met Hem, rondtrekkend door het woud ontberingen doorstaand, werd de zuster van de Râkshasa [Râvana] haar lichaam verminkt omdat ze een geest had bedorven door de lust en werden, met in Zijn handen Zijn onoverwinnelijke boog en pijlen, de veertienduizend van haar vele vrienden met Khara, Tris'ira en Dûshana voorop, door Hem gedood.

(10) O heerser der mensen, het aanhoren van de verhalen over Sîtâ, bracht het hart van de tien-koppige Râvana op hol en deed hem zich verlustigen bij de gedachte haar te zien. Mârîca in de gedaante van een gouden hert leidde Hem toen af, weg van waar ze zich ophielden, en werd, zoals S'iva dat deed met Daksha [zie 4.5: 22], toen door Hem ter plekke met een scherpe pijl gedood. (11) Met Hem samen met Zijn broer in het bos, werd de onbeschermde dochter van de koning van Videha [Janaka] door de tijger, de inslechte Râkshasa, weggekaapt waarna Hij rondtrekkend, zich voordoend als een man die aangetrokken tot vrouwen erover in ellende verkeert dat hij gescheiden is van zijn vrouw, aldus een [s'ringâra-rasa] voorbeeld gaf van waar gehechtheid allemaal toe leidt. (12) Na de crematie van hem die terwille van Hem zijn leven had gegeven [de adelaar Jathâyu], doodde Hij Kabandha [een vormloos monster zonder kop] en sloot Hij vriendschap met de aanvoerders van de horden apen zodat hij Sîtâ kon bevrijden. Hij wiens voeten worden aanbeden door Brahmâ en S'iva, maar zich vertoonde als een normaal mens, bracht vervolgens in hun kringen Vâli ter dood [een slechte broer van Hanumân] waarna Hij zich, begeleid door de apensoldaten, naar de kust van de oceaan begaf. (13) De oceaan stil van angst voor Zijn woedende blik - waarvan alle krokodillen en haaien van streek waren - droeg, een persoonlijke gedaante aannemend, op zijn hoofd alles mee wat noodzakelijk was voor de aanbidding van Hem, en zei, met het bereiken van de lotusvoeten, het volgende: (14) 'Wij, die traag van begrip zijn, zijn er werkelijk niet toe in staat, o Allerhoogste, U te kennen als zich ophoudend in de kern van het hart als de Oorspronkelijke Persoon en Allerhoogste Meester van alle Universa; de God-bewusten onder Uw leiding gefixeerd in hun aandacht zijn zot van de goedheid, de heersers over de mensen zijn zot van de hartstocht, terwijl de beheersers van het fysieke bestaan [als spoken] onder de invloed van de traagheid staan, maar Uwe Heerlijkheid bent in Uw positie de Heerser over al deze geaardheden. (15) U mag oversteken naar Uw wens! Versla enkel die zoon van Vis'ravâ genaamd Râvana, die smet van urine over de drie werelden, en win Uw vrouw weer terug o held. Sla hier een brug zodat Uw roem zich mag verbreiden; de grote koningen en helden die er nog zullen zijn zullen daarvoor allen de loftrompet over U steken.'

(16) Nadat de Meester van de Raghu-dynastie met allerhande bergpieken compleet met bomen en planten, die met de hand werden vervoerd door de apen, een brug had gebouwd in de oceaan [***], betrad Hij, geholpen door de aanwijzingen van Vibhîshana [een deugdzame broer van Râvana], met de soldaten aangevoerd door Sugrîva, Nîla en Hanumân [het eiland] Lankâ dat even te voor in brand was gestoken [door Hanumân's staart]. (17)  Aldaar waren de huizen van plezier, graanschuren, schatkamers, paleisdeuren en stadspoorten, vergaderruimten, uitbouwen van de paleizen en [zelfs de] duiventillen met geweld ingenomen en ontmanteld door de Vânara [mensapen]-leiders die als een kudde olifanten de pleinen en kruispunten, met al hun vlaggen en gouden waterpotten op de daken veranderden in één kolkende rivier. (18) De meester der Râkshasa's beval, toen hij dat zag, Nikumbha, Kumbha, Dhûmrâksha, Durmukha, Surântaka en Narântaka het gevecht aan te gaan, en riep daarbij ook zijn zoon Indrajit, zijn volgelingen Prahasta, Atikâya, Vikampana en op het laatst ook Kumbhakarna [zijn machtige broer, zie 4.1: 37, 7.1: 44 en 7.10: 36] tot de strijd op. (19) Al de râkshasa soldaten met hun moeilijk te weerstane zwaarden, lansen, bogen, gekartelde projectielen en spiesen, toortsen, speren en kromzwaarden stelden zich voor Hem op die omringd werd door Sugrîva, Lakshmana, Hanumân, Gandhamâda, Nîla, Angada, Riksha, Panasa en anderen.

(20) De commandanten van de soldaten van de Heerser van de Raghu-dynastie, gezamenlijk tegen alle vijanden, bevochten de horden op olifanten, te voet, vanaf strijdwagens en te paard. Door de krijgers geleid door Angada en anderen werden ze met bomen, bergpieken, knuppels en pijlen allen gedood daar de kansen van Râvana's aanhang zich hadden gekeerd, vervloekt als ze waren door de woede van moeder Sîtâ. (21) De râkshasa leider ziedend dat zijn troepen waren verslagen dirigeerde vervolgens zijn voertuig naar de frontlinie in de richting van de stralende Râma die, schitterend op de strijdwagen van Indra die Mâtali [de menner] had gebracht, hem raakte met de scherpste pijlen. (22) Râma zei tot hem: 'Jij dienaar van het schuim der aarde, aangezien jij, misdadiger, als een hond Mijn weerloze vrouw hebt ontvoerd zal Ik, als de Tijd in eigen persoon, als degene die in Zijn heldhaftigheid nimmer faalt, je als gevolg van die schaamteloze daad vandaag bestraffen, jij waanzinnige schurk [zie ook B.G. 16: 6-18]!'

(23) Hem aldus terechtwijzend liet Hij de pijl los die Hij op Zijn boog had aangelegd en die pijl doorboorde als een bliksemstraal zijn hart. Bloed opgevend uit al zijn tien monden stortte hij vanuit zijn hemelwagen naar beneden terwijl al zijn mensen brulden: 'Och arme, wat is ons nu overkomen?', net zoals de vromen dat doen als ze ten val komen [zie ook B.G. 9: 21]. (24) Daarna kwamen de vrouwen van de demonen aangevoerd door Mandodarî [Râvana's echtgenote] uit Lankâ tevoorschijn en weeklaagden ze toen ze naderbij kwamen [en hun dode echtgenoten zagen]. (25) Hun geliefden en vrienden die allen door Lakshmana's pijlen waren gedood, sloegen, zo zielig, zich op hun borst en huilden daarbij, [voor de overwinnaars] aangenaam om te horen, deerniswekkend: (26) 'O helaas, gedood is hij die in het verleden ons allen beschermde! O, Râvana, oorzaak van ons huilen, tot wie moet de staat van Lankâ zich nu wenden, haar toevlucht zoeken nu ze, overweldigd door de vijand, verstoken is van jouw goede zelf? (27) O grote beschermheer, als gevolg van een val onder de invloed van wellustige verlangens, had je er werkelijk geen idee van hoezeer moeder Sîtâ je in een situatie als deze kon doen belanden. (28) O glorie van de dynastie, om wat je gedaan hebt moeten wij en de staat Lankâ het nu zonder een beschermer stellen en is je lichaam er als voer voor de gieren en je ziel tot de hel verdoemd [vergelijk B.G. 16: 19].'
 

(29) S'rî S'uka zei: 'Met de goedkeuring van de Koning van Kosala [Râma] voerde, van de [Râvana-]familie, Vibhîshana de begrafenisriten uit die voor een overledene in acht moeten worden genomen om hem van de hel te redden. (30) Vervolgens trof de Allerhoogste Heer in een as'oka-bos Zijn lief aan schuilend in een klein hutje aan de voet van een s'ims'apâ [as'oka]boom, zeer vermagerd onder het lijden van Hem gescheiden te zijn. (31) Râma die Zijn teerbeminde echtgenote er zo slecht aan toe zag was zeer bewogen door medeleven toen Hij haar aantrof, en met haar, toen ze haar geliefde zag, maakte een grote vreugde zich meester van haar lotusgelijke mond. (32) De Allerhoogste Heer, die voor de duur van een kalpa Vibhîshana belastte met de heerschappij over de Râkshasa's van Lankâ, plaatste haar op Zijn voertuig en stapte er toen zelf in tezamen met Hanumân en de broeders [Lakshmana en Sugrîva, de commandant] om terug te keren naar hun thuishaven [Ayodhyâ] en om een einde te maken aan de tijd van de gelofte [om voor veertien jaar weg te blijven]. (33) Onderweg werd Hij bedolven onder een keur aan geurige bloemen aangeboden door de hogere klasse ter ere van Zijn buitengewone optreden en waren de ziener van de absolute waarheid [Brahmâ] en zij die bij hem hoorden van een uitbundige vreugde. (34) Hem van het Grote Mededoge speet het erg om te horen hoe Zijn broeder Bharata met samengeklit haar neerliggend op een kus'a-mat, at van rijst die in koeienurine was gekookt en zichzelf hulde in boomschors. (35-38) Bharata vernemend over de aankomst nam de twee sandalen op Zijn hoofd [die Râma op de troon had achtergelaten om Hem te vertegenwoordigen] en ging, in gezelschap van de hele burgerij, de ministers en de priesters, Zijn oudste broer tegemoet om Hem te verwelkomen. Vertrekkend vanuit Zijn kamp Nandigrâma waren er gezangen, de geluiden van muziekinstrumenten, een niet aflatende recitatie van mantra's door brahmanen, met goud geborduurde vlaggen op gouden wagens getrokken door de prachtigste, met goud opgetuigde, paarden en soldaten in met goud overdekte wapenrustingen. In processie met fraai aangeklede courtisanes en dienaren en ook soldaten te voet en al het verdere dat gepast zou zijn voor een koninklijke ontvangst, zoals een grote rijkdom aan allerlei soorten juwelen, viel Hij neer aan de lotusvoeten in een extatische liefde die de kern van Zijn [ascetisch] hart deed smelten en Zijn ogen deed vullen met tranen. (39-40) De twee slippers plaatste Hij met gevouwen handen voor Zijn gouden broeder waarop Hij Hem omhelsde met Zijn wangen nat en Hij Hem in Zijn armen voor een lange tijd baadde met het water van Zijn ogen. Râma, tezamen met Lakshmana en Sîtâ, boden persoonlijk de geleerden en de andere eerbiedwaardige personen hun eerbetuigingen en ontvingen die ook weer terug van al de burgers. (41) Toen ze hun Heer weer terug zagen keren na zo vele jaren, wuifden de burgers van Kosala met hun bovenkleding, boden ze Hem bloemenslingers en begonnen ze in grote vreugde te dansen. (42-43) De sandalen werden door Bharata gedragen, de wuifkwast en de rijk versierde waaier door Vibhîshana en Sugrîva, een witte parasol door de zoon van de Maruts [Hanumân], de boog en de twee pijlenkokers door S'atrughna, Sîtâ droeg de waterpot met water van de heilige plaatsen, Angada had het zwaard van goud en de koning van de Riksha's [Jâmbavân, de leider van de beren die ook hielpen bij de strijd] hield het schild vast, o Koning. (44) Zittend op Kuvera's hemelse wagen [de 'Pushpaka' veroverd op Râvana] deed Hem, de Allerhoogste Heer, met de devote gebeden van de vrouwen en de reciteerders, o Koning, voorkomen zo mooi als de maan gerezen tussen de planeten.
 

 

(45-46) Naar behoren verwelkomd door Zijn broeder werd Hij daarna feestelijk ingehaald in de stad Ayodhyâ. Het koninklijk paleis binnengaand bewees Hij moeder Kaikeyî, Zijn andere stiefmoeders en Zijn eigen moeder [Kaus'alyâ] de eer. De geestelijk leraren, vrienden van hun leeftijd en de jongeren waren allen vol aanbidding en gepast werd het welkom door Hem, de prinses van de Videha's [Sîtâ] en Lakshmana geretourneerd. (47) Als lichamen ontwakend uit de slaap kwamen hun moeders tot leven en bevochtigden ze, met hun zoons op hun schoot, hen met een onophoudelijke stroom tranen met het opgeven van hun verdriet [zo lang van hen gescheiden te zijn geweest]. (48) Met het eraf scheren van het samengeklitte haar, werd door de familiepriester en de ouderen van de familie overeenkomstig de vidhi met het water van de vier oceanen en andere benodigdheden een baad-ceremonie uitgevoerd naar model van de zuivering van Koning Indra [zie 6: 13]. (49) Na aldus van top tot teen te zijn gebaad, fraai aangekleed, opgesierd en met bloemen te zijn omhangen, straalde Hij helder met Zijn broeders en Zijn echtgenote. (50) Behaagd met de overgave aanvaarde Hij de troon Hem aangeboden door Zijn broeder en sloot Hij ook de burgers in Zijn hart die, bezig met de beroepsmatige verplichtingen van hun status-oriëntaties [varnâs'rama, zie B.G. 4: 13], allen in aanmerking kwamen voor Zijn bescherming; Râma was daarin precies als een vader en door hen werd Hij ook beschouwd als zijnde hun vader.

(51) Hoewel het Tretâ-yuga was werd de periode van Râma's aanwezigheid als de koning aan de macht een tijd gelijk aan die van Satya-yuga daar Hij regeerde met het volste respect voor het dharma dat alle levende wezens gelukkig maakt [zie ook 12.3: 15]. (52) De bossen, de rivieren, heuvels en bergen, de landen en de eilanden, de oceanen en de zeeën boden al de levende wezens alles wat ze zich maar konden wensen voor hun voortbestaan, o beste der Bharata's. (53) Er was geen lijden [door eigen toedoen, anderen en de natuur], geen ziekte, ouderdom, treurnis, leed, weeklagen, angst en moeheid of een niet gewilde dood toen Heer Râma, Hij Verheven Boven Alles, koning was. (54) Gezworen niet een andere vrouw te nemen [om principiële redenen scheidde Hij van Sîtâ, zie volgende hoofdstuk] vormde Hij, als een heilige Koning zuiver van karakter en dharma, een voorbeeld voor met name de huishouders middels Zijn persoonlijke plichtsbetrachting. (55) In liefdevolle dienst jegens haar echtgenoot was Sîtâ door haar goede inborst altijd onderworpen en stond ze klaar Hem te behagen, en nam ze kuis en onbevreesd, terughoudend, met begrip voor de positie van haar echtgenoot, Zijn geest in beslag.'
 

 

 

next

 

 

 Tweede editie, geladen 23 december 2007.

 

 

 

 

 

Bronteksten:

Het spel en vermaak van Râmacandra, de Allerhoogste Heer

 

Tekst 1 :

S'rî S'uka zei: 'Van Khathvânga was Dîrghabâhu er, van hem werd de roemrijke en bedreven Raghu geboren, van wiens zoon Aja de grote koning Das'aratha ter wereld kwam.

S'ukadeva Gosvâmî zei: De zoon van Mahârâja Khathvânga heette Dîrghabâhu, en diens zoon was de beroemde Mahârâja Raghu. Mahârâja Raghu verwekte Aja, en Aja was de vader van de grote Mahârâja Das'aratha. (Vedabase)

 

Tekst 2:

Op de gebeden van de godsbewusten was er van hem de Absolute Waarheid in vier gedaanten met de Allerhoogste Heer in eigen persoon en drie deelaspecten van Hem; zij verschijnend als vier zoons, stonden aldus bekend als: Râma, Lakshmana, Bharata en S'atrughna.

In antwoord op de gebeden van de halfgoden verscheen de Allerhoogste Godspersoon, de Absolute Waarheid in eigen persoon, rechtstreeks met Zijn expansie en expansies van die expansie. Hun heilige namen waren Râma, Lakshmana, Bharata en S'atrughna. Deze beroemde incarnaties verschenen in vier gedaantes als de zonen van Mahârâja Das'aratha. (Vedabase)

 

Tekst 3:

Van Zijn bovenzinnelijke wederwaardigheden als de echtgenoot van Sîtâ, o Koning, hebt u meer dan genoeg vernomen [*] middels de fraaie beschrijvingen door de vele zieners en kenners van de Werkelijkheid [vergelijk B.G. 4: 34].

O koning Parîkshit, de transcendentale activiteiten van Heer Râmacandra zijn beschreven door grote heiligen die de waarheid doorschouwd hebben. Omdat u al talloze malen over Heer Râmacandra, de echtgenoot van moeder Sîtâ, heeft horen spreken, zal ik Zijn activiteiten slechts in het kort beschrijven. Luister alstublieft naar mij. (Vedabase)

 

Tekst 4:

Trouw aan de leer [gehoor gevend aan een belofte die Zijn vader had gedaan] liet Hij de koninklijke positie achter zich en trok Hij, op Zijn blote lotusvoeten die zo teergevoelig waren als de palm van een hand, van woud tot woud rond in het gezelschap van Zijn beminden [Sîtâ en Lakshmana] die Zijn vermoeidheid op het pad wegnamen. Hij werd [door Râvana] gescheiden van Zijn lieveling Sîtâ omdat hij S'ûrpanakhâ had verminkt [de zuster van Râvana wiens neus eraf werd gesneden] en kreeg ondersteuning van de koning der apen [Hanumân]. Over de oceaan, die in angst verkeerde voor Zijn in woede geheven wenkbrauwen, werd een brug geslagen [naar Lankâ, de verblijfplaats van Râvana] en werd Hij, als een bosbrand de afgunstigen verzengend, de koning van Ayodhyâ. Moge Zijn genade op ons rusten.

Om de belofte van Zijn vader te eerbiedigen, gaf Heer Râmacandra onmiddellijk de positie van koning op en dwaalde vergezeld van Zijn vrouw, moeder Sîtâ, van woud tot woud, hoewel Zijn lotusvoeten zo gevoelig waren dat ze zelfs de aanraking van Sîtâ's handpalmen niet verdroegen. De Heer werd verder vergezeld door Hanumân, de koning van de apen [of door een andere aap, Sugrîva] en door Zijn jongere broer Lakshmana, die beiden Zijn vermoeidheid van het dwalen door het woud wisten te verlichten. Omdat Hij de neus en oren van S'ûrpanakhâ had afgesneden en haar aldus verminkt had, werd de Heer van moeder Sîtâ gescheiden. Dat maakte Hem erg boos en Hij bewoog Zijn wenkbrauwen op zo'n manier dat de oceaan bang werd en de Heer toestemming gaf om een brug over zijn water te slaan, zodat Hij kon oversteken. Vervolgens trok de Heer het koninkrijk van Râvana binnen om hem te doden, zoals vuur een woud verteert. Moge deze Allerhoogste Heer, Râmacandra, ons allen bescherming bieden. (Vedabase)

 

Tekst 5:

Met een [as'vamedha-]offer van Vis'vâmitra werd Zijn eer verdedigd van het daadwerkelijk met Lakshmana als de toezichthouder, gedood hebben van de dolenden in de duisternis aangevoerd door Mârîca, de grote aanvoerders van de Râkshasa's.

Op de plaats waar Vis'vâmitra zijn offers verrichtte, doodde Heer Râmacandra, de koning van Ayodhyâ, vele demonen, Râkshasa's en onbeschaafde lieden die 's nachts in het duister der onwetendheid ronddoolden. Moge Heer Râmacandra, die deze demonen in het bijzijn van Lakshmana doodde, ons in Zijn goedheid beschermen. (Vedabase)

   

Tekst 6-7:

Het was Hij die van al de helden in de wereld in de zaal waar Sîtâ haar echtgenoot zou uitkiezen de machtige boog van S'iva oppakte die door driehonderd man gedragen moest worden. Hij spande hem op, o Koning, en brak hem in tweeën zoals een olifantje een stuk suikerriet in tweeën breekt. Na eerst de overwinning behaald te hebben het goddelijke meisje genaamd Sîtâ aan Zijn borst te vinden, die qua kwaliteiten, manier van doen, leeftijd en leden een volmaakt koppel met Hem vormde, ontmoette en versloeg Hij op weg naar huis met haar de diepgewortelde trots van Bhrigupati [Paras'urâma] die drie keer [zeven, dus een-en-twintig keer] de aarde had bevrijd [van haar last aan onrechtvaardige heersers] die nu zonder de adel Hem als het zaad had [zie 9.16].

O koning, het spel en vermaak van Heer Râmacandra was schitterend, zoals dat van een baby-olifant. Op de bijeenkomst waar moeder Sîtâ haar echtgenoot zou uitkiezen, brak Hij, temidden van de helden van deze wereld, de boog die aan Heer S'iva toebehoorde. Deze boog was zo zwaar dat hij door driehonderd man gedragen moest worden, maar Heer Râmacandra boog en spande hem, en brak hem vervolgens doormidden, net zoals een baby-olifant een suikerrietstengel doormidden breekt. Zo won de Heer de hand van moeder Sîtâ, die net zo gezegend was met transcendentale eigenschappen als Hijzelf wat gedaante, schoonheid, gedrag, leeftijd en aard betrof. Ze was namelijk de godin van het geluk die altijd aan de borst van de Heer verblijft. Toen Heer Râmacandra terugkeerde van Sîtâ's huis, nadat Hij haar hand gewonnen had op die bijeenkomst van mededingers, kwam Hij Paras'urâma tegen. Hoewel Paras'urâma erg trots was omdat hij eenentwintig maal alle koningen van de aarde had weggevaagd, werd hij door de Heer, die een kshatriya van koninklijke bloede leek te zijn, verslagen. (Vedabase)

 

Tekst 8

Hij had inderdaad, het hoofd buigend voor het gebod van Zijn vader die al te gehecht zijn vrouw een belofte had gedaan [**], te aanvaarden dat Hij het koninkrijk, het paleis, de weelde, de verwanten, en vrienden achter zich moest laten en in het bos moest gaan leven als een bevrijde ziel.

In opdracht van Zijn vader, die gebonden was aan een belofte aan zijn vrouw, liet Heer Râmacandra Zijn koninkrijk, rijkdom, vrienden, begunstigers, residentie en al de rest achter, zoals een bevrijde ziel zijn leven opgeeft, en trok het woud in met Sîtâ. (Vedabase)

 

Tekst 9

Met Hem, rondtrekkend door het woud ontberingen doorstaand, werd de zuster van de Râkshasa [Râvana] haar lichaam verminkt omdat ze een geest had bedorven door de lust en werden, met in Zijn handen Zijn onoverwinnelijke boog en pijlen, de veertienduizend van haar vele vrienden met Khara, Tris'ira en Dûshana voorop, door Hem gedood.

Terwijl Heer Râmacandra gewapend met Zijn onoverwinnelijke pijl en boog door het woud zwierf, waar Hij een leven vol ontberingen leidde, verminkte Hij Râvana's zuster, die bezoedeld was door wellust, door haar neus en oren af te snijden. Bovendien doodde Hij haar veertienduizend Râkshasa-vrienden onder leiding van Khara, Tris'ira en Dûshana. (Vedabase)

 

Tekst 10

O heerser der mensen, het aanhoren van de verhalen over Sîtâ, bracht het hart van de tien-koppige Râvana op hol en deed hem zich verlustigen bij de gedachte haar te zien. Mârîca in de gedaante van een gouden hert leidde Hem toen af, weg van waar ze zich ophielden, en werd, zoals S'iva dat deed met Daksha [zie 4.5: 22], toen door Hem ter plekke met een scherpe pijl gedood.

O koning Parîkshit, toen Râvana, die tien hoofden op zijn schouders had, over de schoonheid en aantrekkelijkheid van Sîtâ hoorde, werd zijn geest zodanig vervuld van wellust dat hij eropuit ging om haar te ontvoeren. Om Heer Râmacandra van Zijn âs'rama weg te lokken, stuurde Râvana Hem Mârîca in de gedaante van een gouden hert, en toen Heer Râmacandra dit schitterende hert zag, verliet Hij Zijn woning en volgde het, totdat Hij het uiteindelijk met een scherpe pijl doodde, net zoals Heer S'iva Daksha doodde. (Vedabase)

 

Tekst 11

Met Hem samen met Zijn broer in het bos, werd de onbeschermde dochter van de koning van Videha [Janaka] door de tijger, de inslechte Râkshasa, weggekaapt waarna Hij rondtrekkend, zich voordoend als een man die aangetrokken tot vrouwen erover in ellende verkeert dat hij gescheiden is van zijn vrouw, aldus een [s'ringâra-rasa] voorbeeld gaf van waar gehechtheid allemaal toe leidt.

Terwijl Râmacandra in het woud was en Lakshmana eveneens afwezig was, ontvoerde de slechtste van alle Râkshasa's, Râvana, Sîtâdevî, de dochter van de koning van Videha, net zoals een tijger een onbeschermd schaap kaapt wanneer de herder weg is. Daarna dwaalde Heer Râmacandra met Zijn broer Lakshmana door het woud alsof Hij diepbedroefd was vanwege de afwezigheid van Zijn vrouw. Op die manier toonde Hij door Zijn persoonlijke voorbeeld wat de toestand is van iemand die gehecht is aan vrouwen. (Vedabase)

 

Tekst 12

Na de crematie van hem die terwille van Hem zijn leven had gegeven [de adelaar Jathâyu], doodde Hij Kabandha [een vormloos monster zonder kop] en sloot Hij vriendschap met de aanvoerders van de horden apen zodat hij Sîtâ kon bevrijden. Hij wiens voeten worden aanbeden door Brahmâ en S'iva, maar zich vertoonde als een normaal mens, bracht vervolgens in hun kringen Vâli ter dood [een slechte broer van Hanumân] waarna Hij zich, begeleid door de apensoldaten, naar de kust van de oceaan begaf.

Heer Râmacandra, wiens lotusvoeten vereerd worden door Heer Brahmâ en Heer S'iva, had een menselijke gedaante aangenomen. Zo verrichtte Hij de begrafenisplechtigheid voor Jathâyu, die door Râvana gedood was. Vervolgens doodde de Heer de demon Kabandha, en nadat Hij vriendschap had gesloten met de leiders van de apen, Vâli gedood had en een plan had gemaakt om moeder Sîtâ te bevrijden, begaf Hij Zich naar het strand van de oceaan. (Vedabase)

 

Tekst 13

De oceaan stil van angst voor Zijn woedende blik - waarvan alle krokodillen en haaien van streek waren - droeg, een persoonlijke gedaante aannemend, op zijn hoofd alles mee wat noodzakelijk was voor de aanbidding van Hem, en zei, met het bereiken van de lotusvoeten, het volgende:

Nadat Heer Râmacandra op het strand aangekomen was, vastte Hij drie dagen in afwachting van de komst van de oceaan in persoon. Toen deze niet verscheen, vertoonde de Heer Zijn spel en vermaak van woede, en gewoon door Zijn blik over de oceaan te laten glijden, maakte Hij alle levende wezens in het water doodsbang, met inbegrip van de krokodillen en de haaien. Daarop kwam de bevreesde oceaan in persoon naar Heer Râmacandra toe met alle artikelen om Hem te vereren. Na zich aan de lotusvoeten van de Heer te hebben geworpen, sprak de oceaan in persoon als volgt. (Vedabase)

 

Tekst 14

'Wij, die traag van begrip zijn, zijn er werkelijk niet toe in staat, o Allerhoogste, U te kennen als zich ophoudend in de kern van het hart als de Oorspronkelijke Persoon en Allerhoogste Meester van alle Universa; de God-bewusten onder Uw leiding gefixeerd in hun aandacht zijn zot van de goedheid, de heersers over de mensen zijn zot van de hartstocht, terwijl de beheersers van het fysieke bestaan [als spoken] onder de invloed van de traagheid staan, maar Uwe Heerlijkheid bent in Uw positie de Heerser over al deze geaardheden.

O alomtegenwoordige Allerhoogste Persoon, we zijn zo traag van begrip dat we niet beseffen wie U bent, maar nu begrijpen we dat U de Allerhoogste Persoon, de meester van het hele universum en de onveranderlijke en oorspronkelijke Godspersoon bent. De halfgoden zijn verblind door de geaardheid goedheid, de Prajâpati's door de geaardheid hartstocht en de heer van de geesten door de geaardheid onwetendheid, maar U bent de meester van al deze geaardheden. (Vedabase)

  

Tekst 15:

U mag oversteken naar Uw wens! Versla enkel die zoon van Vis'ravâ genaamd Râvana, die smet van urine over de drie werelden, en win Uw vrouw weer terug o held. Sla hier een brug zodat Uw roem zich mag verbreiden; de grote koningen en helden die er nog zullen zijn zullen daarvoor allen de loftrompet over U steken.'

O Heer, U kunt me gebruiken zoals het U belieft. U mag mijn water zelfs oversteken en naar het rijk van Râvana gaan, die een bron van grote moeilijkheden en verdriet voor de drie werelden is. Hij is de zoon van Vis'ravâ, maar hij is niet beter dan urine. Dood hem alstublieft en neem zo Uw vrouw, Sîtâdevî, terug. O grote held, bouw alstublieft een brug over mijn water, niet omdat mijn water een belemmering voor U vormt om naar Lankâ te gaan, maar om Uw transcendentale roem te verbreiden. O Heer, alle grote koningen en helden zullen U in de toekomst verheerlijken als ze deze wonderbaarlijke en buitengewone daad van U zien. (Vedabase)

 

Tekst 16:

Nadat de Meester van de Raghu-dynastie met allerhande bergpieken compleet met bomen en planten, die met de hand werden vervoerd door de apen, een brug had gebouwd in de oceaan [***], betrad Hij, geholpen door de aanwijzingen van Vibhîshana [een deugdzame broer van Râvana], met de soldaten aangevoerd door Sugrîva, Nîla en Hanumân [het eiland] Lankâ dat even te voor in brand was gestoken [door Hanumân's staart].

S'ukadeva Gosvâmî zei: Nadat Heer Râmacandra een brug over de oceaan geslagen had door bergtoppen, waarvan de bomen en andere vegetatie door de handen van grote apen dooreengeschud waren, in het water te gooien, ging Heer Râmacandra naar Lankâ om Sîtâdevî uit de greep van Râvana te verlossen. Geleid en geholpen door Vibhîshana, Râvana's broer, drong de Heer samen met de apen-soldaten onder aanvoering van Sugrîva, Nîla en Hânuman, Râvana's koninkrijk Lankâ binnen, dat enige tijd daarvoor door Hanumân in brand was gestoken. (Vedabase)

 

Tekst 17:

Aldaar waren de huizen van plezier, graanschuren, schatkamers, paleisdeuren en stadspoorten, vergaderruimten, uitbouwen van de paleizen en [zelfs de] duiventillen met geweld ingenomen en ontmanteld door de Vânara [mensapen]-leiders die als een kudde olifanten de pleinen en kruispunten, met al hun vlaggen en gouden waterpotten op de daken veranderden in één kolkende rivier.

Nadat ze Lankâ binnen waren gegaan, bezetten de apen-soldaten, die onder leiding stonden van bevelhebbers als Sugrîva, Nîla en Hanumân, alle buitenverblijven, graanopslagplaatsen, schatkamers, paleisdeuren, stadspoorten, gemeenschapshuizen, voorhoven van paleizen en zelfs de duiventillen. Toen de kruispunten, terrassen, vlaggen en gouden waterkruiken op de koepeldaken allemaal verwoest waren, leek de hele stad Lankâ op een rivier die door een kudde olifanten in beroering is gebracht. (Vedabase)

 

Tekst 18:

De meester der Râkshasa's beval, toen hij dat zag, Nikumbha, Kumbha, Dhûmrâksha, Durmukha, Surântaka en Narântaka het gevecht aan te gaan, en riep daarbij ook zijn zoon Indrajit, zijn volgelingen Prahasta, Atikâya, Vikampana en op het laatst ook Kumbhakarna [zijn machtige broer, zie 4.1: 37, 7.1: 44 en 7.10: 36] tot de strijd op.

Toen Râvana, de meester van de Râkshasa's, zag wat voor schade de apen-soldaten aanrichtten, riep hij Nikumbha, Kumbha, Dhûmrâksha, Durmukha, Surântaka, Narântaka en andere Râkshasa's, en ook zijn zoon Indrajit bij zich. Vervolgens liet hij Prahasta, Atikâya, Vikampana en tenslotte Kumbhakarna bij zich komen. Toen zette hij al zijn volgelingen ertoe aan om ten strijde te trekken tegen de vijand. (Vedabase)

  

Tekst 19:

Al de râkshasa soldaten met hun moeilijk te weerstane zwaarden, lansen, bogen, gekartelde projectielen en spiesen, toortsen, speren en kromzwaarden stelden zich voor Hem op die omringd werd door Sugrîva, Lakshmana, Hanumân, Gandhamâda, Nîla, Angada, Riksha, Panasa en anderen.

Heer Râmacandra, die omringd was door Lakshmana en apen-soldaten als Sugrîva, Hanumân, Gandhamâda, Nîla, Angada, Jâmbavân en Panasa, viel de soldaten van de Râkshasa's aan, die volledig uitgerust waren met allerlei onoverwinnelijke wapens zoals zwaarden, lansen, bogen, prâsa's, rishti's, s'akti-pijlen, khadga's en tomara's. (Vedabase)

 

Tekst 20:

De commandanten van de soldaten van de Heerser van de Raghu-dynastie, gezamenlijk tegen alle vijanden, bevochten de horden op olifanten, te voet, vanaf strijdwagens en te paard. Door de krijgers geleid door Angada en anderen werden ze met bomen, bergpieken, knuppels en pijlen allen gedood daar de kansen van Râvana's aanhang zich hadden gekeerd, vervloekt als ze waren door de woede van moeder Sîtâ.

Angada en de andere bevelhebbers van de soldaten van Râmacandra stelden zich op tegenover de olifanten, infanterie, paarden en strijdwagens van de vijand en slingerden grote bomen, bergtoppen, knotsen en pijlen in hun richting. Zo doodden de troepen van Heer Râmacandra Râvana's soldaten, die door het geluk in de steek waren gelaten omdat Râvana door de woede van moeder Sîtâ verdoemd was. (Vedabase)

 

Tekst 21:

De râkshasa leider ziedend dat zijn troepen waren verslagen dirigeerde vervolgens zijn voertuig naar de frontlinie in de richting van de stralende Râma die, schitterend op de strijdwagen van Indra die Mâtali [de menner] had gebracht, hem raakte met de scherpste pijlen.

Toen Râvana, de koning van de Râkshasa's, zag dat zijn soldaten het onderspit delfden, werd hij ontzettend kwaad. Hij stapte in zijn vliegtuig, dat met bloemen versierd was, en stevende op Heer Râmacandra af, die op de oogverblindende strijdwagen zat die Mâtali, de wagenmenner van Indra, gebracht had. Vervolgens beschoot Râvana Heer Râmacandra met scherpe pijlen. (Vedabase)

 

 Tekst 22:

Râma zei tot hem: 'Jij dienaar van het schuim der aarde, aangezien jij, misdadiger, als een hond Mijn weerloze vrouw hebt ontvoerd zal Ik, als de Tijd in eigen persoon, als degene die in Zijn heldhaftigheid nimmer faalt, je als gevolg van die schaamteloze daad vandaag bestraffen, jij waanzinnige schurk [zie ook B.G. 16: 6-18]!'

Heer Râmacandra zei tot Râvana: Je bent de meest verachtelijke van alle menseneters. Ja, je bent net als hun uitwerpselen. Je bent als een hond, want zoals een hond voedsel uit de keuken steelt tijdens de afwezigheid van de huiseigenaar, heb jij in Mijn afwezigheid Mijn vrouw Sîtâdevî ontvoerd. Daarom zal Ik je straffen, net zoals Yamarâja de zondaars straft. Je bent hoogst verachtelijk, zondig en schaamteloos. Daarom zal Ik, die nooit faalt, je vandaag straffen. (Vedabase)

 

Tekst 23:

Hem aldus terechtwijzend liet Hij de pijl los die Hij op Zijn boog had aangelegd en die pijl doorboorde als een bliksemstraal zijn hart. Bloed opgevend uit al zijn tien monden stortte hij vanuit zijn hemelwagen naar beneden terwijl al zijn mensen brulden: 'Och arme, wat is ons nu overkomen?', net zoals de vromen dat doen als ze ten val komen [zie ook B.G. 9: 21].

Na deze scherpe woorden legde Heer Râmacandra een pijl aan op Zijn boog, richtte hem op Râvana en schoot hem af. Deze pijl doorboorde Râvana's hart als een bliksemstraal. Toen Râvana's volgelingen dit zagen, begonnen ze luid door elkaar heen te schreeuwen en te roepen: "O wee, o wee! Wat is er gebeurd? Wat is er gebeurd?", terwijl Râvana, bloed spuwend uit zijn tien monden, uit zijn vliegtuig viel zoals een vroom mens van de hemelse planeten terug naar de aarde valt wanneer de gevolgen van zijn vrome daden zijn opgebruikt. (Vedabase)

  

Tekst 24:

Daarna kwamen de vrouwen van de demonen aangevoerd door Mandodarî [Râvana's echtgenote] uit Lankâ tevoorschijn en weeklaagden ze toen ze naderbij kwamen [en hun dode echtgenoten zagen].

Daarna kwamen alle vrouwen wier echtgenoten in de strijd gevallen waren Lankâ uit, met Mandodarî, de vrouw van Râvana, aan het hoofd. Onafgebroken huilend, begaven ze zich naar de levenloze lichamen van Râvana en de andere Râkshasa's. (Vedabase)

 

Tekst 25:

Hun geliefden en vrienden die allen door Lakshmana's pijlen waren gedood, sloegen, zo zielig, zich op hun borst en huilden daarbij, [voor de overwinnaars] aangenaam om te horen, deerniswekkend:

De vrouwen sloegen zich uit verdriet dat hun echtgenoten door de pijlen van Lakshmana gedood waren op hun borsten en omhelsden hun echtgenoten. Hun deerniswekkende geweeklaag liet niemand onberoerd. (Vedabase)

    

Tekst 26:

'O helaas, gedood is hij die in het verleden ons allen beschermde! O, Râvana, oorzaak van ons huilen, tot wie moet de staat van Lankâ zich nu wenden, haar toevlucht zoeken nu ze, overweldigd door de vijand, verstoken is van jouw goede zelf?

O heer, o meester! U was de belichaming van moeilijkheden voor anderen en werd daarom Râvana genoemd. Maar nu u verslagen bent, zijn wij ook verslagen, want in uw afwezigheid is Lankâ in handen van de vijand gevallen. Tot wie zal ze nu haar toevlucht nemen? (Vedabase)

 

Tekst 27:

O grote beschermheer, als gevolg van een val onder de invloed van wellustige verlangens, had je er werkelijk geen idee van hoezeer moeder Sîtâ je in een situatie als deze kon doen belanden.

O zeer fortuinlijke, omdat u gedreven werd door wellust kon u niet begrijpen wat een macht moeder Sîtâ bezit. Door haar vloek bent u nu gedood door Heer Râmacandra en in deze erbarmelijke toestand terechtgekomen. (Vedabase)

 

Tekst 28:

O glorie van de dynastie, om wat je gedaan hebt moeten wij en de staat Lankâ het nu zonder een beschermer stellen en is je lichaam er als voer voor de gieren en je ziel tot de hel verdoemd [vergelijk B.G. 16: 19].'

O vreugde van de Râkshasa-dynastie, door uw toedoen hebben de staat Lankâ en ook wijzelf nu niemand meer die ons beschermt. Door uw daden is uw lichaam nu goed om opgegeten te worden door de gieren, en uw ziel klaar om naar de hel te gaan. (Vedabase)

 

Tekst 29:

S'rî S'uka zei: 'Met de goedkeuring van de Koning van Kosala [Râma] voerde, van de [Râvana-]familie, Vibhîshana de begrafenisriten uit die voor een overledene in acht moeten worden genomen om hem van de hel te redden.

S'rî S'ukadeva Gosvâmî zei: Nadat Vibhîshana, de vrome broer van Râvana die een toegewijde van Heer Râmacandra was, hiertoe van de koning van Kosala [Heer Râmacandra] toestemming had ontvangen, verrichtte hij de voorgeschreven begrafenisceremonieën om zijn familieleden te bewaren voor de hel. (Vedabase)

  

Tekst 30:

Vervolgens trof de Allerhoogste Heer in een as'oka-bos Zijn lief aan schuilend in een klein hutje aan de voet van een s'ims'apâ [as'oka]boom, zeer vermagerd onder het lijden van Hem gescheiden te zijn.

Daarna zag Heer Râmacandra Sîtâdevî zitten in een hutje aan de voet van de boom s'ims'apâ in een woud van as'oka-bomen. Door het verdriet dat veroorzaakt werd door gescheiden van Hem te zijn was ze mager geworden. (Vedabase)

 

Tekst 31:

Râma die Zijn teerbeminde echtgenote er zo slecht aan toe zag was zeer bewogen door medeleven toen Hij haar aantrof, en met haar, toen ze haar geliefde zag, maakte een grote vreugde zich meester van haar lotusgelijke mond.

Toen Heer Râmacandra Zijn vrouw in die toestand zag, werd Hij door mededogen overmand. Haar geluk kende geen grenzen toen haar geliefde voor haar verscheen, en haar lotus-gelijke mond drukte haar blijdschap uit. (Vedabase)

 

Tekst 32:

De Allerhoogste Heer, die voor de duur van een kalpa Vibhîshana belastte met de heerschappij over de Râkshasa's van Lankâ, plaatste haar op Zijn voertuig en stapte er toen zelf in tezamen met Hanumân en de broeders [Lakshmana en Sugrîva, de commandant] om terug te keren naar hun thuishaven [Ayodhyâ] en om een einde te maken aan de tijd van de gelofte [om voor veertien jaar weg te blijven].

Nadat Heer Râmacandra Vibhîshana met de macht bekleed had om een heel kalpa lang over de Râkshasa-bevolking van Lankâ te regeren, zette Hij, de Allerhoogste Godspersoon [Bhagavân], Sîtâdevî in een met bloemen versierd vliegtuig en nam er vervolgens Zelf ook in plaats. Aangezien de periode dat Hij in het woud moest leven ten einde was, keerde de Heer terug naar Ayodhyâ, vergezeld van Hanumân, Sugrîva en Zijn broer Lakshmana. (Vedabase)

 

Tekst 33:

Onderweg werd Hij bedolven onder een keur aan geurige bloemen aangeboden door de hogere klasse ter ere van Zijn buitengewone optreden en waren de ziener van de absolute waarheid [Brahmâ] en zij die bij hem hoorden van een uitbundige vreugde.

Heer Râmacandra keerde naar Zijn hoofdstad Ayodhyâ terug en werd onderweg begroet door de leden van de prinselijke orde, die Hem bedolven onder een regen van prachtige, geurige bloemen, terwijl grote persoonlijkheden als Heer Brahmâ en andere halfgoden de activiteiten van de Heer uitbundig verheerlijkten. (Vedabase)

 

Tekst 34:

Hem van het Grote Mededoge speet het erg om te horen hoe Zijn broeder Bharata met samengeklit haar neerliggend op een kus'a-mat, at van rijst die in koeienurine was gekookt en zichzelf hulde in boomschors.

Toen Heer Râmacandra in Ayodhyâ aankwam, hoorde Hij dat Zijn broer Bharata in Zijn afwezigheid van gerst gekookt in de urine van een koe geleefd had, Zijn lichaam bedekte met boombast, Zijn haar in samengeklitte strengen droeg en op een matras van kus'a sliep. Dit deed de hoogst genadige Heer enorm veel verdriet. (Vedabase)

 

Tekst 35-38:

Bharata vernemend over de aankomst nam de twee sandalen op Zijn hoofd [die Râma op de troon had achtergelaten om Hem te vertegenwoordigen] en ging, in gezelschap van de hele burgerij, de ministers en de priesters, Zijn oudste broer tegemoet om Hem te verwelkomen. Vertrekkend vanuit Zijn kamp Nandigrâma waren er gezangen, de geluiden van muziekinstrumenten, een niet aflatende recitatie van mantra's door brahmanen, met goud geborduurde vlaggen op gouden wagens getrokken door de prachtigste, met goud opgetuigde, paarden en soldaten in met goud overdekte wapenrustingen. In processie met fraai aangeklede courtisanes en dienaren en ook soldaten te voet en al het verdere dat gepast zou zijn voor een koninklijke ontvangst, zoals een grote rijkdom aan allerlei soorten juwelen, viel Hij neer aan de lotusvoeten in een extatische liefde die de kern van Zijn [ascetisch] hart deed smelten en Zijn ogen deed vullen met tranen.

Toen Heer Bharata begreep dat Heer Râmacandra naar de hoofdstad Ayodhyâ terugkeerde, nam Hij onmiddellijk diens houten schoenen op Zijn hoofd en verliet Zijn kampement te Nandigrâma. Heer Bharata ging vergezeld van ministers, priesters en andere vooraanstaande burgers, van beroepsmusici die mooie melodieën lieten weerklinken, en van geleerde brâhmana's die luid vedische mantra's chantten. De processie werd gevolgd door strijdwagens getrokken door prachtige paarden met een tuig van goud. Deze strijdwagens waren versierd door met gouddraad geborduurde vlaggen en nog andere vlaggen met diverse afmetingen en ontwerpen. Er waren ook soldaten in gouden wapenrusting, dienaren die betelnoten droegen, en vele bekende en aantrekkelijke prostituées. Talloze dienaren volgden te voet en droegen een parasol, wuifkwasten, kostbare juwelen van verschillende waarde en andere artikelen die bij een koninklijke ontvangst horen. Aldus liep Heer Bharata Heer Râmacandra tegemoet en wierp Zich vol extatische liefde aan Zijn lotusvoeten, Zijn hart gesmolten van extase en Zijn ogen vol tranen. (Vedabase)

 

Tekst 39-40:

De twee slippers plaatste Hij met gevouwen handen voor Zijn gouden broeder waarop Hij Hem omhelsde met Zijn wangen nat en Hij Hem in Zijn armen voor een lange tijd baadde met het water van Zijn ogen. Râma, tezamen met Lakshmana en Sîtâ, boden persoonlijk de geleerden en de andere eerbiedwaardige personen hun eerbetuigingen en ontvingen die ook weer terug van al de burgers.

Nadat Heer Bharata de houten schoenen voor Heer Râmacandra had geplaatst, bleef Hij met gevouwen handen en Zijn ogen vol tranen voor Hem staan, waarop Heer Râmacandra Hem voor een lange tijd met beide armen omhelsde en Hem met Zijn eigen tranen baadde. Samen met moeder Sîtâ en Lakshmana bracht Heer Râmacandra toen Zijn nederige eerbetuigingen aan de geleerde brâhmana's en de oudere leden van de familie, en alle burgers van Ayodhyâ brachten hun eerbetuigingen aan de Heer. (Vedabase)

 

Tekst 41:

Toen ze hun Heer weer terug zagen keren na zo vele jaren, wuifden de burgers van Kosala met hun bovenkleding, boden ze Hem bloemenslingers en begonnen ze in grote vreugde te dansen.

Toen de burgers van Ayodhyâ hun koning na zo'n lange tijd weer terugzagen, boden ze Hem bloemenkransen aan, zwaaiden met hun bovenkleding en begonnen uitgelaten te dansen. (Vedabase)

 

Tekst 42-43:

De sandalen werden door Bharata gedragen, de wuifkwast en de rijk versierde waaier door Vibhîshana en Sugrîva, een witte parasol door de zoon van de Maruts [Hanumân], de boog en de twee pijlenkokers door S'atrughna, Sîtâ droeg de waterpot met water van de heilige plaatsen, Angada had het zwaard van goud en de koning van de Riksha's [Jâmbavân, de leider van de beren die ook hielpen bij de strijd] hield het schild vast, o Koning.

O koning, Heer Bharata droeg Heer Râmacandra's houten schoenen, Sugrîva en Vibhîshana een wuifkwast en een uitstekende waaier, Hanumân een witte parasol, S'atrughna een boog en twee pijlenkokers, en Sîtâdevî een kruik met water uit heilige plaatsen, Angada een zwaard, en Jâmbavân, de koning van de Riksha's, een gouden schild. (Vedabase)

 

Tekst 44:

Zittend op Kuvera's hemelse wagen [de 'Pushpaka' veroverd op Râvana] deed Hem, de Allerhoogste Heer, met de devote gebeden van de vrouwen en de reciteerders, o Koning, voorkomen zo mooi als de maan gerezen tussen de planeten.

O koning Parîkshit, zoals de Heer daar in Zijn vliegtuig van bloemen zat, omringd door vrouwen die gebeden tot Hem opzonden en voordrachtskunstenaars die Zijn karaktereigenschappen verheerlijkten, leek Hij op de maan omringd door sterren en planeten. (Vedabase)

  

Tekst 45-46:

Naar behoren verwelkomd door Zijn broeder werd Hij daarna feestelijk ingehaald in de stad Ayodhyâ. Het koninklijk paleis binnengaand bewees Hij moeder Kaikeyî, Zijn andere stiefmoeders en Zijn eigen moeder [Kaus'alyâ] de eer. De geestelijk leraren, vrienden van hun leeftijd en de jongeren waren allen vol aanbidding en gepast werd het welkom door Hem, de prinses van de Videha's [Sîtâ] en Lakshmana geretourneerd.

Nadat Heer Râmacandra door Zijn broer Bharata verwelkomd was, ging Hij temidden van alle festiviteiten de stad Ayodhyâ binnen. Toen Hij het paleis betrad, bracht Hij alle moeders Zijn eerbetuigingen, met inbegrip van Kaikeyî en de andere vrouwen van Mahârâja Das'aratha, en in het bijzonder Zijn eigen moeder, Kaus'alyâ. Ook bracht Hij Zijn eerbetuigingen aan de geestelijke leraren, zoals Vasishthha. Vrienden van Zijn eigen leeftijd en jonger bewezen Hem eer en Hij betoonde hen eveneens respect, waarin Hij werd gevolgd door Lakshmana en moeder Sîtâ. Op deze wijze gingen ze allemaal het paleis binnen. (Vedabase)

 

Tekst 47:

Als lichamen ontwakend uit de slaap kwamen hun moeders tot leven en bevochtigden ze, met hun zoons op hun schoot, hen met een onophoudelijke stroom tranen met het opgeven van hun verdriet [zo lang van hen gescheiden te zijn geweest].

Zodra ze hun zonen zagen, kwamen de moeders van Râma, Lakshmana, Bharata en S'atrughna onmiddellijk overeind, als bewusteloze lichamen die weer bij kennis komen. De moeders namen hun zonen bij zich op schoot en baadden Hen met hun tranen, hetgeen hun verdriet om de langdurige scheiding verlichtte. (Vedabase)

 

Tekst 48:

Met het eraf scheren van het samengeklitte haar, werd door de familiepriester en de ouderen van de familie overeenkomstig de vidhi met het water van de vier oceanen en andere benodigdheden een baad-ceremonie uitgevoerd naar model van de zuivering van Koning Indra [zie 6: 13].

De familiepriester of geestelijk leraar, Vasishthha, liet Heer Râmacandra kaal scheren en verloste Hem daarmee van Zijn samengeklitte haarlokken. Toen verrichtte hij, hierbij geholpen door de oudere leden van de familie, de baadceremonie [abhisheka] voor Heer Râmacandra met water uit de vier zeeën en andere substanties, precies zoals men voor koning Indra gedaan had. (Vedabase)

 

Tekst 49:

Na aldus van top tot teen te zijn gebaad, fraai aangekleed, opgesierd en met bloemen te zijn omhangen, straalde Hij helder met Zijn broeders en Zijn echtgenote.

Nadat Heer Râmacandra volledig gebaad was en Zijn hoofd had laten kaalscheren, hulde Hij Zich in prachtige kleren en liet Zich tooien met een bloemenkrans en verschillende sieraden. Hij zag er stralend uit, temidden van Zijn broers en Zijn vrouw, die op dezelfde wijze gekleed en getooid waren. (Vedabase)

 

Tekst 50:

Behaagd met de overgave aanvaarde Hij de troon Hem aangeboden door Zijn broeder en sloot Hij ook de burgers in Zijn hart die, bezig met de beroepsmatige verplichtingen van hun status-oriëntaties [varnâs'rama, zie B.G. 4: 13], allen in aanmerking kwamen voor Zijn bescherming; Râma was daarin precies als een vader en door hen werd Hij ook beschouwd als zijnde hun vader.

Voldaan over Heer Bharata's houding van volledige overgave en onderwerping, aanvaardde Heer Râmacandra toen de troon. Hij zorgde precies als een vader voor de burgers, en de burgers, die volkomen opgingen in het vervullen van hun plichten volgens het stelsel van varna en âs'rama, aanvaardden Hem als hun vader. (Vedabase)

 

Tekst 51:

Hoewel het Tretâ-yuga was werd de periode van Râma's aanwezigheid als de koning aan de macht een tijd gelijk aan die van Satya-yuga daar Hij regeerde met het volste respect voor het dharma dat alle levende wezens gelukkig maakt [zie ook 12.3: 15].

Heer Râmacandra was koning in Tretâ-yuga, maar omdat Hij zo goed regeerde, leek het wel Satya-yuga. Iedereen was religieus en volkomen gelukkig. (Vedabase)

 

Tekst 52:

De bossen, de rivieren, heuvels en bergen, de landen en de eilanden, de oceanen en de zeeën boden al de levende wezens alles wat ze zich maar konden wensen voor hun voortbestaan, o beste der Bharata's.

O Mahârâja Parîkshit, beste van de Bharata-dynastie, tijdens het bewind van Heer Râmacandra voorzagen de wouden, rivieren, heuvels en bergen, de diverse landen, de zeven eilanden en de zeven zeeën alle levende wezens in hun levensbehoeften. (Vedabase)

 

Tekst 53:

Er was geen lijden [door eigen toedoen, anderen en de natuur], geen ziekte, ouderdom, treurnis, leed, weeklagen, angst en moeheid of een niet gewilde dood toen Heer Râma, Hij Verheven Boven Alles, koning was.

De tijd dat Heer Râmacandra, de Allerhoogste Godspersoon, de koning van deze wereld was, werd gekenmerkt door de totale afwezigheid van ieder lichamelijk of mentaal lijden, ziekte, ouderdom, smart, verdriet, droefenis, angst en vermoeidheid. Zelfs de dood bestond niet voor hen die dat niet wilden. (Vedabase)

 

Tekst 54:

Gezworen niet een andere vrouw te nemen [om principiële redenen scheidde Hij van Sîtâ, zie volgende hoofdstuk] vormde Hij, als een heilige Koning zuiver van karakter en dharma, een voorbeeld voor met name de huishouders middels Zijn persoonlijke plichtsbetrachting.

Heer Râmacandra legde de gelofte af om er slechts één vrouw op na te houden en geen contact met andere vrouwen te hebben. Hij was een heilige koning, met alleen maar goede eigenschappen en zonder een spoor van onzuivere gevoelens zoals woede. Hij leerde alle mensen, en met name de gezinshoofden, om zich goed te gedragen volgens het varnâs'rama-dharma. Zo onderrichtte Hij het grote publiek door Zelf het voorbeeld te geven. (Vedabase)

 

Tekst 55:

In liefdevolle dienst jegens haar echtgenoot was Sîtâ door haar goede inborst altijd onderworpen en stond ze klaar Hem te behagen, en nam ze kuis en onbevreesd, terughoudend, met begrip voor de positie van haar echtgenoot, Zijn geest in beslag.'

Moeder Sîtâ was erg nederig, trouw, bedeesd en kuis, en was zich altijd bewust van de stemming van haar echtgenoot. Zo wist ze door haar karakter, haar liefde en haar dienstbaarheid de Heer volledig voor zich te winnen. (Vedabase)

 

 

*: Dit en het volgende hoofdstuk vormen een samenvatting van Vâlmîki's Râmâyana, het oorspronkelijk geschrift dat de geschiedenis van Râma beschrijft.

**: Prabhupâda legt uit: 'Mahârâja Das'aratha had drie vrouwen. Een van hen, Kaikeyî, diende hem naar genoegen, en om die reden wilde hij haar een gunst verlenen. Kaikeyî, echter, zei dat ze om de gunst zou vragen als dat nodig was. Ten tijde van de kroning van Prins Râmacandra, verzocht Kaikeyî haar echtgenoot om haar zoon Bharata op de troon te zetten en Râmacandra het bos in te sturen. Mahârâja Das'aratha, die vast zat aan zijn belofte, droeg Râmacandra op naar het woud te gaan, zoals zijn geliefde dat had bedongen.'  

***: Deze brug is tot de dag van vandaag werkelijk aanwezig in de vorm van een nauwe land-engte dicht aan het oceaan-oppervlak tussen Lankâ en India, die de Adamsbrug wordt genoemd en bestaat uit een aaneenschakeling van zandbanken, ongeveer 30 km lang [zie afbeelding en artikel].

 

 

 

 

Voor deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
Srîmad Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Het 1e schilderij op deze pagina is van
Muralîdhara dâsa, het 2e van Prasanta dâsa,
het 3e van
Râma Prasada dâsa en het 4e schilderij van Râmadâsa Abhirâma dâsa
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties