S'rî
S'uka zei: 'Nadat Heer Krishna omringd door de Yadu's samen met
Râma de uitroeiing van de Daitya's tot stand had gebracht
en zo de last van de aarde verminderde, deed zich zeer spoedig
een conflict voor [tussen de Kaurava's en de
Pândava's].
S'rî
S'uka zei: 'Nadat Heer Krishna omringd door de Yadu's samen
met Râma de uitroeiing van de daitya's realiseerde en
de last van de aarde terugbracht, deed zich zeer spoedig een
conflict voor [onder de Yadu's].
(Vedabase)
Tekst
2
De Allerhoogste
Heer die de aarde verloste van haar last door al de koningen
ter dood te brengen die tezamen kwamen om zich tegenover elkaar
op te stellen, zorgde ervoor dat zij die telkens weer tot
waanzin werden gedreven door het valse gokken, de beledigingen,
het aan de haren [van Draupadî] trekken en de
andere overtredingen van hun vijanden, de onmiddellijke
aanleiding vormden [van de dynastieke strijd, zie ook
Yayâti
en 10.49
& 10.68].
De
Allerhoogste Heer, de aarde verlossend van haar last door al
de koningen ter dood te brengen die tezamen kwamen om zich
tegenover elkaar op te stellen, maakte dat degenen die
telkens weer tot waanzin werden gedreven door het valse
gokken, de beledigingen, het aan de haren [van
Draupadî] trekken en de andere overtredingen van
hun vijanden, de onmiddellijke aanleiding vormden [van
de dynastieke strijd, zie ook Yayâti en 10.49 &
10.68].
(Vedabase)
Tekst
3
Nadat de Yadu's
onder de bescherming van Zijn armen de legers van de koningen
had weggevaagd die een last voor de aarde vormden, kwam de
Ondoorgrondelijke Heer tot de volgende afweging: 'Men kan wel
zeggen dat de aarde van haar last is verlicht, maar Ik denk dat
die nog niet weggenomen is omdat van de Yadu-dynastie het
onverdraaglijke helaas aanhoudt [zie ook
4.16:
13].
De
Ondoorgrondelijke Heer overdacht het van de aarde wegvagen
van de last aan koninklijke legers door de Yadu's, door Zijn
armen beschermd: 'Men zou waarlijk kunnen zeggen dat de
aarde van haar last is verlicht, maar Ik denk dat die nog
niet weggenomen is, omdat van de Yadu-dynastie het
onverdraaglijke helaas aanhoudt [zie ook 4.16: 13].
(Vedabase)
Tekst
4
Zij die in
alles tot Mij hun toevlucht namen raakten nimmer gefrustreerd
met de controle die ze uitoefenden, vanuit een andere hoek valt
er dan ook voor hen geen nederlaag te vrezen. Dus zal Ik
inspireren tot een ruzie binnen de Yadu-dynastie als betrof het
een brand in een bamboebos en zal Ik zo Mijn [doel:
Mijn] verblijfplaats van de vrede bereiken [zie ook
3.3:
14
en 8.8:
37].'
Van
dezen nimmer gefrustreerd in hun beheersing die alleszins
tot Mij hun toevlucht namen, zal er zeer zeker nimmer een
nederlaag te verwachten zijn vanuit een andere hoek; met het
inspireren tot een ruzie binnen de Yadu-dynastie als betrof
het een brand in een bamboebos, zal Ik Mijn [doel:
Mijn] verblijfplaats van de vrede bereiken [zie ook
3.3: 14 en 8.8: 37].' (Vedabase)
Tekst
5
Met dat
voornemen o Koning, trok de Beheerser, de Almachtige die alles
wat Hij wilde gedaan kreeg, Zijn familie terug met behulp van
een vloek die door de brahmanen over hen werd
uitgesproken.
Aldus
het Zich voornemend, o Koning, trok de Beheerser, de
Almachtige van wie ieder verlangen ingang vindt, Zijn
familie terug door een vloek van de geleerden over hen af te
roepen. (Vedabase)
Tekst
6-7
Door middels
Zijn eigen gedaante, die de schoonheid vormt van alle werelden,
alle mensen de ogen te openen, door middels Zijn woorden de
geesten te bevrijden van allen die zich hen herinnerden en door
het laten zien van Zijn voeten vrij baan te geven aan de
[toegewijde] handelingen met hen, gaf de Heer, die
aldus Zijn aantrekkingskracht had uitgeoefend en Zijn positie
vestigde, er blijk van dat naar Zijn mening de mensen die in
onwetendheid verkeren, met het over de aarde verspreiden van
Zijn heerlijkheden in de meest uitgelezen verzen, zonder veel
moeite met [het luisteren naar en zingen van] hen hun
doel zouden bereiken [zie ook 7.5:
23-24].'
Door
middels Zijn eigen gedaante, de schoonheid van alle
werelden, de ogen vrij te maken van alle mensen, door
middels Zijn woorden de geesten te bevrijden van allen die
zich hen herinnerden en door middels Zijn voeten de
handelingen vrij te maken van hen die ze zagen, was de Heer,
die aldus van aantrekking geweest Zijn eigen positie
bereikte, er zeker van dat de mensen die werkelijk onwetend
waren, met het over de aarde verspreiden van Zijn
heerlijkheden in de meest uitgelezen verzen, met gemak met
[het luisteren en zingen met] hen hun doel zouden
bereiken [zie ook
7.5.23-24].'
(Vedabase)
Tekst
8
De Koning zei:
'Hoe kwam het tot deze vloek van de geleerden tegen de
Vrishni's? Zij, geheel verzonken in Krishna, waren altijd
liefdadig en vol van respect voor de brahmanen en waren de
ouderen van dienst.
De
Koning zei: 'Hoe kwam het tot deze vloek van de geleerden
tegen de Vrishni's, die geheel verzonken in Krishna, altijd
liefdadig en respectvol met de brahmanen de ouderen van
dienst waren? (Vedabase)
Tekst
9
Wat bracht hen
ertoe zo'n ernstige vloek uit te spreken en hoe luidde hij, o
zuiverste onder de brahmanen? Alstublieft vertel me hoe er deze
tweedracht kon bestaan onder hen die dezelfde ziel [van
Krishna] deelden.'
Wat
veroorzaakte het zich opwerpen van die ernstige vloek, hoe
luidde ze precies, o zuiverste der tweemaal geborenen;
alstublieft vertelt u me nu hier hoe, met hen die dezelfde
ziel [van Krishna] deelden, er deze tweedracht kon
bestaan?'
(Vedabase)
Tekst
10
De zoon van
Vyâsa zei: 'Met het meedragen van een lichaam waarin
alles wat mooi was samenviel, met het op aarde volbrengen van
de meest gunstige handelingen en met het geheel voldaan
genieten van Zijn leven toen Hij Zich ophield in Zijn
verblijfplaats [Dvârakâ], wilde Hij, zo
groots bezongen, nu Zijn dynastie vernietigen. Dat was het
enige dat Hem nog te doen stond.
De
zoon van Vyâsa zei: 'Met het meedragen van een lichaam
waarin alles wat mooi was samenviel, met het op aarde
volbrengen van de meest gunstige handelingen en met het
geheel bevredigd genieten van Zijn leven Zich ophoudend in
Zijn verblijfplaats [ Dvârakâ], wilde
Hij, zo groots bezongen, Zijn dynastie vernietigen; het
enige dat Hem te doen stond. (Vedabase)
Tekst
11-12
Nadat ze
zegenrijke rituelen hadden verricht om de vroomheid af te
roepen, logeerden de wijzen Vis'vâmitra, Asita, Kanva,
Durvâsâ, Bhrigu, Angirâ, Kas'yapa,
Vâmadeva, Atri, Vasishthha, samen met Nârada en
anderen, [eens] ten huize van de heer der Yadu's
[Vasudeva]. Daarna begaven ze zich naar Pindâraka
[een pelgrimsoord] en werden daarbij uitgewuifd door
Hem, de Ziel van de Tijd over wie te zingen zo goedgunstig is
voor de hele wereld omdat het de onzuiverheden van Kali-yuga
verdrijft.
Met
het hebben verricht van zegenrijke rituelen die de vroomheid
afroepen logeerden de wijzen Vis'vâmitra, Asita,
Kanva, Durvâsâ, Bhrigu, Angirâ, Kas'yapa,
Vâmadeva, Atri, Vasishthha, tezamen met Nârada
en anderen, [eens] ten huize van de heer der Yadu's
[Vasudeva]. Door Hem uitgewuifd, de Ziel van de Tijd
met over wie het gaan zingen, zo goedgunstig voor de hele
wereld, de onzuiverheden van Kali-yuga worden weggenomen,
begaven ze zich naar Pindâraka [een
pelgrimsoord]. (Vedabase)
Tekst
13-15
De jonge
jongens van de Yadu-dynastie [aldaar] benaderden hen in
een spel waarin Sâmba de zoon van Jâmbavatî
[zie ook 10.68]
zich had verkleed in vrouwenkleren. Hun voeten beetgrijpend
vroegen ze, bescheidenheid veinzend, onbeschaamd: 'Deze
zwartogige zwangere vrouw wil graag een zoon krijgen. Maar ze
is te verlegen om het zelf te vragen. Daarom vragen wij u,
wiens blik nimmer beneveld is, of u kunt zeggen of ze een
jongen zal baren of niet?'
De
jonge jongens van de Yadu-dynastie [aldaar] spelend
benaderden hen met Sâmba de zoon van
Jâmbavatî [zie ook 10.68] verkleed in
vrouwenkleren. Hun voeten beetgrijpend vroegen ze,
bescheidenheid veinzend, onbeschaamd: 'Deze zwartogige
zwangere vrouw die zich een zoon wenst, beste geleerden,
vraagt u, te verlegen als ze is om het zelf te vragen, of u,
met uw visie nimmer verduisterd, kunt zeggen of ze al dan
niet een zoon ter wereld zal brengen?'
(Vedabase)
Tekst
16
O Koning, de
wijzen die op die manier voor de gek werden gehouden zeiden
kwaad tegen de jongens: 'Ze zal jullie, dwazen, een knots baren
die de dynastie zal vernietigen!'
O
Koning, de wijzen aldus in de luren gelegd zeiden kwaad
tegen de jongens: 'Ze zal voor jullie, dwazen, geboorte
geven aan een knots welke de dynastie zal vernietigen!'.
(Vedabase)
Tekst
17
Hevig
geschrokken dat te horen, haasten ze zich de buik van
Sâmba vrij te maken waarin ze inderdaad een knots gemaakt
van ijzer aantroffen.
Zij,
hevig geschrokken dat te horen, haasten zich de buik van
Sâmba vrij te maken waarin ze inderdaad een knots
gemaakt van ijzer aantroffen. (Vedabase)
Tekst
18
'Wat hebben we
gedaan, wat zal de familie wel niet zeggen? Wat een tegenslag!'
Zich aldus overweldigd uitlatend pakten ze de knots en gingen
ze naar huis.
'Wat
hebben we gedaan, wat zal de familie wel niet zeggen van ons
zo heel onfortuinlijk?', en aldus overweldigd zich uitlatend
namen ze de knots en gingen ze naar huis.
(Vedabase)
Tekst
19
Met de
schoonheid uit hun gezichten verdwenen, brachten ze de knots
naar de koning [Ugrasena] tijdens een vergadering van
alle Yadu's en vertelden ze wat er gebeurd was.
Hem
bijgevolg in de bijeenkomst opbrengend met de schoonheid van
hun gelaten weggevallen, stelden ze de koning
[Ugrasena] in de aanwezigheid van alle Yadu's op de
hoogte.
(Vedabase)
Tekst
20
Toen ze de
knots zagen en hoorden over de onfeilbare vloek van de
geleerden, o Koning, waren de bewoners van Dvârakâ
ontsteld en raakten ze verscheurd door angst.
Versteld
de knots te zien horend over de onfeilbare vloek van de
geleerden, o Koning, raakten de bewoners van
Dvârakâ verscheurd door angst.
(Vedabase)
Tekst
21
Âhuka
[Ugrasena], de Yadu-koning, liet de knots tot gruis
vermalen waarna hij het gruis samen met het ijzer dat van de
knots over was in zee liet werpen.
Met
het tot gruzelementen vermalen van de knots wierp
Âhuka [Ugrasena], de Yadu-koning, ze samen met
het ijzer dat van de knots over was gebleven in het water
van de oceaan. (Vedabase)
Tekst
22
Een of andere
vis slokte de klomp op. Het gruis werd door de golven
meegevoerd en spoelde aan om vervolgens aan de kust uit te
groeien tot scherpe roeden [genaamd eraka].
Een
of andere vis slokte de klomp op terwijl het gruis door de
golven meegevoerd aanspoelde om aan de kust uit te groeien
tot scherpe roeden [genaamd eraka].
(Vedabase)
Tekst
23
De vis werd uit
zee samen met anderen door een visser opgevist met een net. Het
stuk ijzer dat in de vis zijn maag bewaard was gebleven werd
door een jager [genaamd Jarâ] op een pijl
bevestigd [als pijlpunt].
De
vis in zee werd samen met anderen door een visser gevangen
in een net. Het stuk ijzer dat in de vis zijn maag bewaard
was gebleven werd door een jager [genaamd
Jarâ] op een pijl bevestigd [als
pijlpunt]. (Vedabase)
Tekst
24
De Opperheer,
zeer goed in staat alles te doorgronden wat zich had
afgespeeld, wenste het echter niet de zaken terug te draaien en
legde Zich, met het Zich vertonen als de Tijd, neer bij de
vloek van de brahmanen.'
De
Opperheer, zeer goed in staat, bekend met de betekenis aller
dingen, wilde het echter niet anders maken en was, met het
Zich vertonen als de Tijd, er blij mee met de vloek der
geleerden in te stemmen.
(Vedabase)