regelbalk


 

Canto 6

Pañca Tattva

 

 

Hoofdstuk 3: Yamarâja Instrueert zijn Boodschappers

(1) De koning zei: 'Wat gaf de godheid, de Koning van het Dharma wiens opdracht was gedwarsboomd, ten antwoord nadat hij had gehoord wat zijn dienaren, verslagen door de gezagdragers van de Doder van Mura [Krishna], die heerst over alle mensen van de wereld, hadden te zeggen? (2) O wijze, dit breken van de opdracht van een godheid als Yamarâja was iets waarvan nog nooit iemand eerder had gehoord; o wijsgeer, dienaangaande ben ik ervan overtuigd dat waarlijk niemand meer geschikt is dan u om de twijfels van de mensen weg te nemen.'

(3) S'rî S'uka zei: 'De dienaren van de Dood, o Koning, wiens plannen waren verijdeld door de mannen van de Allerhoogste Heer, stelden hun meester Yamarâja, de heerser over de stad Samyamanî, op de hoogte. (4) De Yamadûta's zeiden: 'Hoeveel heersers zijn er eigenlijk in deze materiële wereld naar de zaak der baatzuchtige handelingen tentoongespreid onder de invloed van de manifestatie die in drieën wordt gekend, o meester? (5) Als er zo vele autoriteiten in deze wereld bestaan om de zondaar wel of niet te bestraffen, hoe kan er dan van hen enige zekerheid bestaan over het ongeluk dan wel het geluk? (6) Zou er niet, met de verscheidenheid aan bestuurders over de vele karmî's in deze wereld, één bestuurlijk hoofd moeten zijn zoals men dat heeft met de verschillende leiders van de departementen der staat? (7) Als zodanig zou u de ene allerhoogste heer en meester over alle levenden zijn met inbegrip van de andere heersers; u zou de meester der bestraffing zijn die het verschil tussen goed en kwaad uitmaakt in de menselijke samenleving. (8) Niets daarvan kan men, met de straf die u toebedeelde, terugvinden in deze wereld, nu dat uw opdracht werd overtroffen door vier van de meest schitterende en volmaakte wezens. (9) Met alle macht doorsneden ze de touwen, deze zondaar bevrijdend die door ons in uw opdracht werd meegevoerd naar de plaatsen der vergelding. (10) Over hen die zo snel ter plekke arriveerden zeggende 'Vreest niet' toen 'Nârâyana' werd uitgesproken, zouden we graag van u willen vernemen, als u ons waardig acht.'

(11) De zoon van Vyâsadeva zei: 'Hij, Heer Yamarâja de heerser over alle levenden, aldus verzocht, gaf zijn dienaren antwoord, blij te zijn herinnerd aan de lotusvoeten van de Heer. (12) Yamarâja zei: 'Verheven boven mij is er een ander die als de schering en inslag van stof is voor alles wat rondbeweegt of niet beweegt; in Hem treft men de ganse kosmos aan en van Hem zijn er de gedeeltelijke manifestaties der handhaving [Vishnu], schepping [Brahmâ] en vernietiging [S'iva] van dit universum - de gehele schepping staat onder Zijn controle zoals een stier wordt beheerst met een touw door zijn neus. (13) Door Hem die, met de verschillende namen van een vedisch begrip van de taal, de mensen die uit Hem zijn voortgekomen aan zich bindt zoals men stieren beheerst middels een touw worden zij allen beoordeeld en belast, gebonden als zij zijn door de verplichtingen aan hun titels en karma die hen in angst verzetten. (14-15) Dat geldt zelfs voor mijzelf, degene van de dood, voor Indra van de hemel, Nirriti van de chaos, Varuna van het water, Candra van de maan, Agni van het vuur, voor Heer S'iva van vernietiging, Pavana van de lucht, Brahmâ van de schepping, Sûrya van de zon, Vis'vâsu van de schoonheid [zie 4.18: 17], de acht Vasu's der goedheid, de Sâdhya's van het goddelijke, de Maruts van de wind, de Rudra's der woede, de Siddha's der volkomenheid, Marîci en de anderen die de orde instellen, onsterfelijke bestuurders als Brihaspati en wijzen als Bhrigu; als het zo is met hen die niet besmet zijn door de hartstocht en de onwetendheid, en die zichzelf niet kennen als zijnde aangedaan door mâyâ en die overwegend van de goedheid zijn, wat dan te zeggen van anderen buiten hen? (16) Hij, de Superziel aanwezig in het hart van alle wezens, kan in feite door allen die ademen, middels de zinnen, de geest, de adem of door middel van bedenkingen en bewoordingen niet worden gezien of gekend, precies zoals de verschillende delen van het lichaam niet de ogen kunnen zien die hen overschouwen [vergelijk B.G 7: 26]. (17) Van Hem, die de volledig in zichzelf berustende Heer is die over alles heerst, de Bovenzinnelijke, de Meester over de illusiewekkende energie mâyâ, de Grote van de Ziel, zijn Zijn gezagdragers alhier op dezelfde manier naar waarheid geluk aan het creëren met hun verschijnen, naar Zijn aard en met Zijn kwaliteiten zich rondbewegend in een lichaam gelijk het Zijne. (18) Zij die van Vishnu zijn en door de verlichte zielen worden aanbeden, hebben gedaanten die men zelden aantreft en hoogst wonderlijk zijn om te aanschouwen; zij beschermen de Heer Zijn toegewijden tegen vijandig gezinden onder de gewone stervelingen en onder hen die tot mij behoren, en aldus zijn ze vrijwel tegen alles beschermd. (19) Het volle van het dharma dat rechtstreeks door de Allerhoogste Heer alleen is ingesteld, wordt waarlijk niet gekend door de grote rishi's, noch door de goddelijken, noch door de besten der perfectie, noch door hen die van de duisternis zijn en ook niet door de mensen onder wie men hen die zich verlaten op kennis [de Vidhyâdhara's] en hen die van muziek en zang zijn [de Cârana's] rekent en dergelijken. (20-21) Heer Brahmâ, Nârada, Heer S'iva, de vier Kumâra's, Kapila, Manu, Prahlâda, Janaka, Bhîshma, Bali, hij die van Vyâsa is [zoals S'uka] en ik zelve; wij, deze twaalf [mahâjana's], hebben weet van het dharma van overgave aan de Heer mijn beste dienaren, hetgeen zeer vertrouwelijk is, van het zuiverste en moeilijk te doorgronden; hij die het begrijpt bereikt het eeuwige leven [vergelijk 3.32: 2 en B.G.: 18: 66]. (22) Zo veel is zeker dat voor de mensen levend in deze materiële wereld de yoga van toewijding voor de Allerhoogste Heer beginnende met het zingen van de heilige naam, het aangewezen dharma is van transcenderen. (23) Bezie enkel het verheven uitspreken van de heilige naam van de Heer mijn beste zonen, zie hoe het op zich de bevrijding verzekert van de gebondenheid aan de dood. (24) Zoveel volstaat voor het verdrijven van de zonden van de mens: het gezamenlijk bezingen van de kwaliteiten en namen naar Zijn handelingen, aangezien deze zondaar ten tijde van zijn dood enkel onschuldig met 'Nârâyana' om zijn zoon roepend aldus de bevrijding bereikte. (25) Weet dat dit van de mahâjana's, dit van het goddelijke, vrijwel altijd wordt gemist door inderdaad hen wiens geesten verbijsterd raakten door mâyâ, wiens intelligentie in grote mate zijn scherpte verloor door de zoetheid van de bloemrijke taal naar de opvoeringen vermeld in de drie Veda's en het gewicht van de preoccupatie met baatzuchtige handelingen [zie ook B.G. 2: 42-43]. (26) Met dit in overweging gaan de scherpzinnigen inderdaad over tot de yoga van liefde voor de Allerhoogste en Onbegrensde Heer; dergelijke personen verdienen daarom mijn straf niet; en als er al sprake zou zijn van een val met hen, dan zal dat ook teniet worden gedaan door de hoge lof waar ze uiting aan geven. (27) Vervolg nooit hen, de goddelijken en volmaakten naar wiens zuivere vertellingen de toegewijden zingen die met een gelijkgezinde blik van overgave zijn aan de Allerhoogste Heer; omdat ze volledig worden beschermd door de knots van de Heer is het ons, net als de tijd zelve, niet gegeven hen te bestraffen. (28) Zij die niet gehecht zijn, die ongebonden zwaangelijken der zelfrealisatie [de paramahamsa's], genieten zonder ophouden de honing van de lotusvoeten; zij die een huishoudelijk bestaan genieten in verlangens van gebondenheid bevinden zich op het pad dat naar de hel voert. Leidt mij hen voor die van het onware zijn en zich keerden tegen Mukunda, de Heer der Bevrijding [vergelijk 2.1: 4]. (29) Allen die voor de waarheid op de vlucht zijn, wiens tongen zich nimmer roeren over de Allerhoogste Heer Zijn kwaliteiten en namen, allen die Hem niet in hun hart dragen, noch Zijn lotusvoeten herinneren, die nog niet één enkele keer hun hoofden bogen voor datgene wat van Krishna is [zie B.G. 4: 4-6]; zij allen die tekort schieten in hun plichten jegens Heer Vishnu, leidt hen allen aan mij voor. (30) Ik bidt dat Hij, de Allerhoogste Heer, de oorspronkelijke persoon, de oudste, Heer Nârâyana, mij excuseert voor de grove overtreding van de minachting getoond door mijn dienaren; wij, ik en mijn mannen, verkeerden in onwetendheid en derhalve smeken wij, met gevouwen handen, in de heerlijkheid van het respect hebben voor de alles doorvarende Oorspronkelijke Persoonlijkheid, om vergeving.'

(31) (S'uka:) ''Begrijp daarom o afstammeling van Kuru, dat de hoogste vorm van afdoen, het gunstigste in de wereld om de zonde, hoe groot die ook is, de baas te worden, het gezamenlijk bezingen van Heer Vishnu is. (32) Zij die altijd luisteren en zingen over het heldhaftige van de Heer dat in staat is alle zonde weg te vagen, mogen door toegewijde dienst zeer eenvoudig gezuiverd raken, terwijl dat niet zo gemakkelijk tot stand wordt gebracht als men met hart en ziel gebrand is op de ceremoniën en dergelijke. (33) Degene die vasthoudt aan de honing van Krishna's lotusvoeten vervalt niet nogmaals in zonde omdat hij reeds het verlangen verzaakte om het illusoire naar de geaardheden der natuur te genieten dat leed veroorzaakt; een ander echter, betoverd door de lust, die probeert iets te doen om de hartstocht uit zijn ziel te wassen, is er zeker van dat de hartstocht weer zal terugkeren. (34) Na te zijn herinnerd aan de macht, de grootheid van de Heer, zoals die hen werd uitgelegd door hun meester, waren al de dienaren van Yamarâja door verwondering getroffen; van toen af aan, o Koning, was het in hun geheugen gegrift zich te hoeden bij het zien van de persoon die nimmer van enige vrees is onder de vleugels van de Onfeilbare. (35) Deze zeer vertrouwelijke geschiedenis werd mij uiteengezet door de allermachtigste wijze, de zoon van Kumbha [Âgastya Muni] die verblijvend in de Malaya heuvels de Heer aanbidt.'

 

 

next                       

 
Tweede editie, geladen 5 april 2007.
 

 

 

Source Teksts:

Yamarâja Onderricht zijn Boodschappers

Tekst 1 :

De koning zei: 'Wat gaf de godheid, de Koning van het Dharma wiens opdracht was gedwarsboomd, ten antwoord nadat hij had gehoord wat zijn dienaren, verslagen door de gezagdragers van de Doder van Mura [Krishna], die heerst over alle mensen van de wereld, hadden te zeggen?

Koning Parîkshit zei: O mijn heer, o S'ukadeva Gosvâmî, alle levende wezens staan onder het gezag van Yamarâja, omdat hij beoordeelt of hun activiteiten al dan niet religieus zijn; maar dit keer was zijn bevel genegeerd. Wat was zijn reactie toen zijn dienaren, de Yamadûta's, hem vertelden dat ze verslagen waren door de Vishnudûta's, die hen belet hadden om Ajâmila mee te nemen? (Vedabase)

 

Tekst 2:

O wijze, dit breken van de opdracht van een godheid als Yamarâja was iets waarvan nog nooit iemand eerder had gehoord; o wijsgeer, dienaangaande ben ik ervan overtuigd dat waarlijk niemand meer geschikt is dan u om de twijfels van de mensen weg te nemen.'

O grote wijze, niemand heeft ooit eerder gehoord dat de uitvoering van een bevel van Yamarâja verijdeld werd. Daarom denk ik dat dit twijfels bij de mensen zal oproepen, die door niemand anders dan u weggenomen kunnen worden. Hier ben ik vast van overtuigd. Wilt u daarom zo goed zijn uit te leggen wat de redenen voor deze gebeurtenissen zijn? (Vedabase)

 

Tekst 3:

S'rî S'uka zei: 'De dienaren van de Dood, o Koning, wiens plannen waren verijdeld door de mannen van de Allerhoogste Heer, stelden hun meester Yamarâja, de heerser over de stad Samyamanî, op de hoogte.

S'rî S'ukadeva Gosvâmî antwoordde: Mijn beste koning, nadat de Yamadûta's verslagen waren door de afgezanten van Vishnu, gingen ze naar hun meester, de heer van Samyamanî-purî en de meester der zondaars, om hem van dit voorval op de hoogte te stellen. (Vedabase)

 

Tekst 4:

De Yamadûta's zeiden: 'Hoeveel heersers zijn er eigenlijk in deze materiële wereld naar de zaak der baatzuchtige handelingen tentoongespreid onder de invloed van de manifestatie die in drieën wordt gekend, o meester?

De Yamadûta's zeiden: O heer, hoeveel bestuurders of heersers zijn er eigenlijk in deze materiële wereld? Hoeveel personen zijn er verantwoordelijk voor het toekennen van de verschillende reacties op activiteiten die verricht zijn onder invloed van de drie geaardheden der materiële natuur [sattva-guna, rajo-guna en tamo-guna]? (Vedabase)

 

Tekst 5:

Als er zo vele autoriteiten in deze wereld bestaan om de zondaar wel of niet te bestraffen, hoe kan er dan van hen enige zekerheid bestaan over het ongeluk dan wel het geluk?

Als er in dit universum een heleboel heersers en gerechtshoven zijn die het oneens zijn met elkaar over de wijze van straffen en belonen, dan zullen hun tegenstrijdige uitspraken elkaar neutraliseren, en zal niemand gestraft of beloond worden; of, als ze elkaar juist niet neutraliseren, dan zal iedereen zowel gestraft als beloond moeten worden. (Vedabase)

 

Tekst6:

Zou er niet, met de verscheidenheid aan bestuurders over de vele karmî's in deze wereld, één bestuurlijk hoofd moeten zijn zoals men dat heeft met de verschillende leiders van de departementen der staat?

De Yamadûta's vervolgden: Aangezien er vele verschillende soorten mensen zijn die baatzuchtige activiteiten verrichten [karmî's], kunnen er verschillende rechters of heersers zijn om hen te berechten; maar zoals een keizer vele ministers onder zich heeft, zo moet er één de allerhoogste bestuurder zijn, die de leiding heeft over alle andere rechters. (Vedabase)

  

Tekst 7:

Als zodanig zou u de ene allerhoogste heer en meester over alle levenden zijn met inbegrip van de andere heersers; u zou de meester der bestraffing zijn die het verschil tussen goed en kwaad uitmaakt in de menselijke samenleving.

Er kan maar één allerhoogste rechter zijn. Wij dachten dat u die allerhoogste rechter was, en dat u zelfs zeggenschap had over de halfgoden. We verkeerden in de veronderstelling dat u de meester van alle levende wezens was, de allerhoogste autoriteit, die van iedereen bepaalt wat zijn vrome en wat zijn goddeloze activiteiten zijn geweest. (Vedabase)

 

Tekst 8:

Niets daarvan kan men, met de straf die u toebedeelde, terugvinden in deze wereld, nu dat uw opdracht werd overtroffen door vier van de meest schitterende en volmaakte wezens.

Maar nu zien we dat de door u toegekende straf niet meer uitgevoerd wordt, aangezien uw gebod overtreden is door vier zeer bijzondere en volmaakte personen. (Vedabase)

 

Tekst 9

Met alle macht doorsneden ze de touwen, deze zondaar bevrijdend die door ons in uw opdracht werd meegevoerd naar de plaatsen der vergelding.

Overeenkomstig uw opdracht wilden we de zeer zondige Ajâmila meevoeren naar de helse planeten, toen die prachtige personen uit Siddhaloka met geweld de knopen van de touwen doorsneden waarmee we hem vastgebonden hadden. (Vedabase)

 

Tekst 10:

Over hen die zo snel ter plekke arriveerden zeggende 'Vreest niet' toen 'Nârâyana' werd uitgesproken, zouden we graag van u willen vernemen, als u ons waardig acht.'

Zodra de zondige Ajâmila de naam Nârâyana uitgesproken had, verschenen deze vier mooie mannen onmiddellijk vóór hem, en ze stelden hem gerust door te zeggen: "Wees maar niet bang. Wees maar niet bang." Wij zouden willen dat u ons over hen vertelt. Als u denkt dat we in staat zijn het te begrijpen, wees dan zo goed ons te beschrijven wie ze zijn. (Vedabase)

 

Tekst 11:

De zoon van Vyâsadeva zei: 'Hij, Heer Yamarâja de heerser over alle levenden, aldus verzocht, gaf zijn dienaren antwoord, blij te zijn herinnerd aan de lotusvoeten van de Heer.

S'rî S'ukadeva Gosvâmî zei: Na het horen van al deze vragen was Yamarâja, de allerhoogste bestuurder van de levende wezens, heel tevreden over zijn afgezanten, omdat hij hen de heilige naam van Nârâyana had horen noemen. Denkend aan de lotusvoeten van de Heer, gaf hij hen antwoord. (Vedabase)

 

Tekst 12:

Yamarâja zei: 'Verheven boven mij is er een ander die als de schering en inslag van stof is voor alles wat rondbeweegt of niet beweegt; in Hem treft men de ganse kosmos aan en van Hem zijn er de gedeeltelijke manifestaties der handhaving [Vishnu], schepping [Brahmâ] en vernietiging [S'iva] van dit universum - de gehele schepping staat onder Zijn controle zoals een stier wordt beheerst met een touw door zijn neus.

Yamarâja zei: Mijn beste dienaren, hoewel jullie mij altijd voor de Allerhoogste hebben aangezien, ben ik dat in feite niet. Boven mij, en boven alle andere halfgoden, met inbegrip van Indra en Candra, staat die ene allerhoogste meester en bestuurder. De gedeeltelijke openbaringen van Zijn persoonlijkheid zijn Brahmâ, Vishnu en S'iva, die verantwoordelijk zijn voor de schepping, de instandhouding en de vernietiging van dit universum. Hij is te vergelijken met de twee draden - één in de lengte en één in de breedte - die de basis van een geweven doek vormen. De hele wereld wordt door Hem geleid, zoals een stier geleid wordt door het touw door zijn neus. (Vedabase)

 

Tekst 13:

Door Hem die, met de verschillende namen van een vedisch begrip van de taal, de mensen die uit Hem zijn voortgekomen aan zich bindt zoals men stieren beheerst middels een touw, worden zij allen beoordeeld en belast, gebonden als zij zijn door de verplichtingen aan hun titels en karma die hen in angst verzetten.

Zoals de menner van een ossenkar touwen door de neuzen van zijn stieren haalt om ze onder controle te houden, zo bestuurt de Allerhoogste Godspersoon alle mensen door middel van de touwen van Zijn woorden in de Veda's, waarin de namen en de activiteiten van alle afzonderlijke orden van de samenleving beschreven staan [brâhmana's, kshatriya's, vais'ya's en s'ûdra's]. Uit vrees vereren alle leden van deze orden de Allerhoogste Heer door Hem offerandes aan te bieden naargelang hun respectievelijke activiteiten. (Vedabase)

  

Tekst 14-15:

Dat geldt zelfs voor mijzelf, degene van de dood, voor Indra van de hemel, Nirriti van de chaos, Varuna van het water, Candra van de maan, Agni van het vuur, voor Heer S'iva van vernietiging, Pavana van de lucht, Brahmâ van de schepping, Sûrya van de zon, Vis'vâsu van de schoonheid [zie 4.18: 17], de acht Vasu's der goedheid, de Sâdhya's van het goddelijke, de Maruts van de wind, de Rudra's der woede, de Siddha's der volkomenheid, Marîci en de anderen die de orde instellen, onsterfelijke bestuurders als Brihaspati en wijzen als Bhrigu; als het zo is met hen die niet besmet zijn door de hartstocht en de onwetendheid, en die zichzelf niet kennen als zijnde aangedaan door mâyâ en die overwegend van de goedheid zijn, wat dan te zeggen van anderen buiten hen?

Ikzelf, Yamarâja, de hemelkoning Indra, Nirriti, Varuna, de maangod Candra, Agni, Heer S'iva, Pavana, Heer Brahmâ, de zonnegod Sûrya, Vis'vâsu, de acht Vasu's, de Sâdhya's, de Maruts, de Rudra's, de Siddha's, Marîci en de andere grote rishi's die belast zijn met de instandhouding van bepaalde departementen in het universum, alsook de besten der halfgoden met Brihaspati aan het hoofd, en de grote wijzen onder leiding van Bhrigu - wij allen zijn zonder meer vrij van de invloed van de twee lagere geaardheden der materiële natuur, namelijk hartstocht en onwetendheid, en bevinden ons in de geaardheid goedheid. Toch kunnen zelfs wij de activiteiten van de Allerhoogste Godspersoon niet begrijpen. Hoe zouden anderen, die in een staat van begoocheling slechts over Hem speculeren, dat dan wel kunnen? (Vedabase)

 

Tekst 16:

Hij, de Superziel aanwezig in het hart van alle wezens, kan in feite door allen die ademen, middels de zinnen, de geest, de adem of door middel van bedenkingen en bewoordingen niet worden gezien of gekend, precies zoals de verschillende delen van het lichaam niet de ogen kunnen zien die hen overschouwen [vergelijk B.G 7: 26].

Op dezelfde manier als de verschillende delen van het lichaam de ogen niet kunnen zien, kunnen de levende wezens de Allerhoogste Heer niet zien, die Zich als de Superziel in ieders hart bevindt. De levende wezens kunnen de ware positie van de Allerhoogste Heer niet door middel van hun zinnen vaststellen, noch door hun geest, hun levenslucht, de gedachten in hun hart, of door hun woorden. (Vedabase)
 
Tekst 17:

Van Hem, die de volledig in zichzelf berustende Heer is die over alles heerst, de Bovenzinnelijke, de Meester over de illusiewekkende energie mâyâ, de Grote van de Ziel, zijn Zijn gezagdragers alhier op dezelfde manier naar waarheid geluk aan het creëren met hun verschijnen, naar Zijn aard en met Zijn kwaliteiten zich rondbewegend in een lichaam gelijk het Zijne.

De Allerhoogste Godspersoon is in Zichzelf voldaan en volkomen onafhankelijk. Hij is de meester van iedereen en alles, met inbegrip van de begoochelende energie. Hij heeft Zijn eigen gedaante, eigenschappen en kenmerken, en Zijn afgezanten, de vaisnava's, die heel mooi zijn, zijn qua uiterlijk, transcendentale eigenschappen en aard bijna net als Hij. Zij reizen altijd volkomen onafhankelijk door deze wereld. (Vedabase)

 

Tekst 18:

Zij die van Vishnu zijn en door de verlichte zielen worden aanbeden, hebben gedaanten die men zelden aantreft en hoogst wonderlijk zijn om te aanschouwen; zij beschermen de Heer Zijn toegewijden tegen vijandig gezinden onder de gewone stervelingen en onder hen die tot mij behoren, en aldus zijn ze vrijwel tegen alles beschermd.

De afgezanten van Heer Vishnu, die zelfs door de halfgoden aanbeden worden, hebben hetzelfde prachtige uiterlijk als Vishnu, en men ziet ze maar heel zelden. De Vishnudûta's beschermen de toegewijden van de Heer tegen hun vijanden, tegen mensen die afgunstig zijn, tegen natuurrampen, en zelfs tegen mij. (Vedabase)

 

Tekst 19:

Het volle van het dharma dat rechtstreeks door de Allerhoogste Heer alleen is ingesteld, wordt waarlijk niet gekend door de grote rishi's, noch door de goddelijken, noch door de besten der perfectie, noch door hen die van de duisternis zijn en ook niet door de mensen onder wie men hen die zich verlaten op kennis [de Vidhyâdhara's] en hen die van muziek en zang zijn [de Cârana's] rekent en dergelijken.

Ware religieuze principes worden vastgelegd door de Allerhoogste Godspersoon. Noch de grote rishi's, die op de hoogste planeten wonen en volkomen in de geaardheid goedheid zijn, noch de halfgoden of de leiders van Siddhaloka kunnen bepalen wat de ware religieuze principes zijn. Om dus maar te zwijgen van de asura's, de gewone mensen, de Vidyâdhara's en de Cârana's. (Vedabase)

 

Tekst 20-21:

Heer Brahmâ, Nârada, Heer S'iva, de vier Kumâra's, Kapila, Manu, Prahlâda, Janaka, Bhîshma, Bali, hij die van Vyâsa is [zoals S'uka] en ik zelve; wij, deze twaalf [mahâjana's], hebben weet van het dharma van overgave aan de Heer mijn beste dienaren, hetgeen zeer vertrouwelijk is, van het zuiverste en moeilijk te doorgronden; hij die het begrijpt bereikt het eeuwige leven [vergelijk 3.32: 2 en B.G.: 18: 66].

Heer Brahmâ, Bhagavân Nârada, Heer S'iva, de vier Kumâra's, Heer Kapila [de zoon van Devahûti], Svâyambhuva Manu, Prahlâda Mahârâja, Janaka Mahârâja, grootvader Bhîshma, Bali Mahârâja, S'ukadeva Gosvâmî en ikzelf kennen het ware religieuze principe. Mijn beste dienaren, dit transcendentale religieuze principe, dat bekendstaat als bhâgavata-dharma, overgave aan de Allerhoogste Heer en liefde voor Hem, is volkomen vrij van de besmetting van de geaardheden der materiële natuur. Het is zeer vertrouwelijk en moeilijk te begrijpen voor gewone mensen, maar wie zo gelukkig is om het te begrijpen, wordt onmiddellijk bevrijd en keert terug naar huis, terug naar God. (Vedabase)

 

Tekst 22:

Zo veel is zeker dat voor de mensen levend in deze materiële wereld de yoga van toewijding voor de Allerhoogste Heer beginnende met het zingen van de heilige naam, het aangewezen dharma is van transcenderen.

Toegewijde dienst, hetgeen begint met het chanten van de heilige naam van de Heer, is het hoogste religieuze principe voor de mens. (Vedabase)

 

Tekst 23:

Bezie enkel het verheven uitspreken van de heilige naam van de Heer mijn beste zonen, zie hoe het op zich de bevrijding verzekert van de gebondenheid aan de dood.

Mijn beste dienaren, die als mijn zonen bent, zie hoe glorieus het chanten van de heilige naam van de Heer is. De uiterst zondige Ajâmila chantte alleen met de bedoeling om zijn zoon te roepen, niet wetend dat hij de heilige naam van de Heer aanriep. Desalniettemin herinnerde hij zich hierdoor Nârâyana, en werd hij daardoor onmiddellijk uit de touwen van de dood bevrijd. (Vedabase)

 

Tekst 24:

Zoveel volstaat voor het verdrijven van de zonden van de mens: het gezamenlijk bezingen van de kwaliteiten en namen naar Zijn handelingen, aangezien deze zondaar ten tijde van zijn dood enkel onschuldig met 'Nârâyana' om zijn zoon roepend aldus de bevrijding bereikte.

Daarom moeten we beseffen dat men door het chanten van de heilige naam van de Heer en het loven van Zijn eigenschappen en activiteiten, heel gemakkelijk bevrijd kan raken van alle reacties op zijn zonden. Dit is in feite de enige aanbevolen methode om zich te ontdoen van reacties op zijn zonden. Zelfs als iemand de heilige naam van de Heer chant zonder hem goed uit te spreken, zal hij bevrijd worden uit de materiële gevangenschap, wanneer hij tenminste zonder overtredingen chant. Ajâmila bijvoorbeeld was uiterst zondig, maar hij chantte de heilige naam terwijl hij stierf, en bereikte hoewel hij zijn zoon riep volkomen bevrijding omdat hij zich de naam van Nârâyana herinnerd had. (Vedabase)

 

Tekst 25:

Weet dat dit van de mahâjana's, dit van het goddelijke, vrijwel altijd wordt gemist door inderdaad hen wiens geesten verbijsterd raakten door mâyâ, wiens intelligentie in grote mate zijn scherpte verloor door de zoetheid van de bloemrijke taal naar de opvoeringen vermeld in de drie Veda's en het gewicht van de preoccupatie met baatzuchtige handelingen [zie ook B.G. 2: 42-43].

Omdat Yâjñavalkya, Jaimini en andere samenstellers van religieuze geschriften verward zijn door de begoochelende energie van de Allerhoogste Godspersoon, kunnen ze de geheime, vertrouwelijke religieuze leer van de twaalf mahâjana's niet kennen. Ze kunnen de transcendentale waarde van het beoefenen van toegewijde dienst of het chanten van de Hare Krishna mantra niet begrijpen. Omdat hun geest aangetrokken is tot de riten die in de Veda's vermeld staan - met name in de Yajur-Veda, de Sâma-Veda en de Rig-Veda - is hun intelligentie afgestompt geraakt. Ze zijn druk bezig met het verzamelen van de benodigdheden voor riten die slechts tijdelijk voordeel opleveren, zoals bevordering naar Svargaloka voor materieel geluk. Ze voelen zich niet aangetrokken tot de sankîrtana-beweging, maar zijn in plaats daarvan juist geïnteresseerd in dharma, artha, kâma en moksha. (Vedabase)

 

Tekst 26:

Met dit in overweging gaan de scherpzinnigen inderdaad over tot de yoga van liefde voor de Allerhoogste en Onbegrensde Heer; dergelijke personen verdienen daarom mijn straf niet; en als er al sprake zou zijn van een val met hen, dan zal dat ook teniet worden gedaan door de hoge lof waar ze uiting aan geven.

Na al deze punten in overweging te hebben genomen, besluiten intelligente mensen daarom om alle problemen op te lossen door over te gaan tot het beoefenen van toegewijde dienst in de vorm van het chanten van de heilige naam van de Heer, die Zich in ieders hart bevindt en de bron van alle zegenrijke eigenschappen is. Zulke mensen vallen niet onder mijn rechtsgebied. Over het algemeen begaan ze nooit zonden, maar zelfs als ze dat per ongeluk of omdat ze verward of in illusie zijn toch doen, zijn ze beschermd tegen de reacties op hun zonden omdat ze altijd de Hare Krishna mantra chanten. (Vedabase)

 

Tekst 27:

Vervolg nooit hen, de goddelijken en volmaakten naar wiens zuivere vertellingen de toegewijden zingen die met een gelijkgezinde blik van overgave zijn aan de Allerhoogste Heer; omdat ze volledig worden beschermd door de knots van de Heer is het ons, net als de tijd zelve, niet gegeven hen te bestraffen.

Mijn beste dienaren, benader zulke toegewijden alsjeblieft niet, want ze hebben zich volkomen overgegeven aan de lotusvoeten van de Allerhoogste Godspersoon. Ze bezien iedereen met gelijke blik, en hun levensverhaal wordt bezongen door de halfgoden en de bewoners van Siddhaloka. Kom alsjeblieft niet eens in hun buurt. Ze worden altijd beschermd door de knots van de Allerhoogste Godspersoon, en daarom zijn noch Heer Brahmâ, noch ik, en zelfs de tijd niet bevoegd om ze te straffen. (Vedabase)

 

Tekst 28:

Zij die niet gehecht zijn, die ongebonden zwaangelijken der zelfrealisatie [de paramahamsa's], genieten zonder ophouden de honing van de lotusvoeten; zij die een huishoudelijk bestaan genieten in verlangens van gebondenheid bevinden zich op het pad dat naar de hel voert. Leidt mij hen voor die van het onware zijn en zich keerden tegen Mukunda, de Heer der Bevrijding [vergelijk 2.1: 4].

Paramahamsa's zijn verheven personen die geen smaak hebben voor materieel genot maar de honing van de lotusvoeten van de Heer drinken. Mijn beste dienaren, breng alleen mensen voor me die een afkeer hebben van de smaak van deze honing, die niet met paramahamsa's omgaan, en die gehecht zijn aan het familieleven en werelds genot, want dat is de weg naar de hel. (Vedabase)

 

Tekst 29:

Allen die voor de waarheid op de vlucht zijn, wiens tongen zich nimmer roeren over de Allerhoogste Heer Zijn kwaliteiten en namen, allen die Hem niet in hun hart dragen, noch Zijn lotusvoeten herinneren, die nog niet één enkele keer hun hoofden bogen voor datgene wat van Krishna is [zie B.G. 4: 4-6]; zij allen die tekort schieten in hun plichten jegens Heer Vishnu, leidt hen allen aan mij voor.

Mijn beste dienaren, breng me alsjeblieft alleen die zondaars die hun tong niet gebruiken om de heilige naam te chanten en Krishna's eigenschappen te verheerlijken; die zich in hun hart niet één maal Zijn lotusvoeten herinneren, en die nooit hun hoofd voor Heer Krishna neerbuigen. Stuur me degenen die niet hun plichten tegenover Vishnu vervullen, hetgeen de enige ware plichten van de mens zijn. Breng me alsjeblieft al deze dwazen en schurken. (Vedabase)

 

Tekst 30:

Ik bidt dat Hij, de Allerhoogste Heer, de oorspronkelijke persoon, de oudste, Heer Nârâyana, mij excuseert voor de grove overtreding van de minachting getoond door mijn dienaren; wij, ik en mijn mannen, verkeerden in onwetendheid en derhalve smeken wij, met gevouwen handen, in de heerlijkheid van het respect hebben voor de alles doorvarende Oorspronkelijke Persoonlijkheid, om vergeving.'

[Daarna sprak Yamarâja, die zichzelf en zijn dienaren als overtreders beschouwde, als volgt om de Heer om vergiffenis te vragen.] O mijn Heer, mijn dienaren hebben zonder meer een grote overtreding begaan door een vaisnava als Ajâmila gevangen te nemen. O Nârâyana, o U die de allerhoogste en oudste van allen bent, vergeef ons alstublieft. Door onze onwetendheid hebben we Ajâmila niet als Uw dienaar herkend, en zodoende hebben we ongetwijfeld een grote overtreding begaan. Daarom smeken we U met gevouwen handen om vergiffenis. Mijn Heer, aangezien U bijzonder genadig en vol goede eigenschappen bent, vragen we U ons te willen vergeven. We brengen U onze nederige eerbetuigingen. (Vedabase)

 

Tekst 31:

[S'uka:] 'Begrijp daarom o afstammeling van Kuru, dat de hoogste vorm van afdoen, het gunstigste in de wereld om de zonde, hoe groot die ook is, de baas te worden, het gezamenlijk bezingen van Heer Vishnu is.

S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: Mijn beste koning, het chanten van de heilige naam van de Heer kan zelfs de reacties op de grootste zonden tenietdoen. Daarom is het chanten dat beoefend wordt door de sankîrtana-beweging de meest zegenrijke activiteit in het universum. Probeer dit alstublieft te begrijpen, zodat anderen het ook serieus zullen nemen. (Vedabase)

 

Tekst 32:

Zij die altijd luisteren en zingen over het heldhaftige van de Heer dat in staat is alle zonde weg te vagen, mogen door toegewijde dienst zeer eenvoudig gezuiverd raken, terwijl dat niet zo gemakkelijk tot stand wordt gebracht als men met hart en ziel gebrand is op de ceremoniën en dergelijke.

Wie voortdurend de heilige naam van de Heer hoort en chant en over Zijn activiteiten hoort en ze verheerlijkt, kan heel gemakkelijk tot het niveau van zuivere toegewijde dienst komen, hetgeen iemands hart van al het vuil kan reinigen. Tot dergelijke zuivering komt men niet door zich alleen aan bepaalde geloften te houden of vedische riten uit te voeren. (Vedabase)

 

Tekst 33:

Degene die vasthoudt aan de honing van Krishna's lotusvoeten vervalt niet nogmaals in zonde omdat hij reeds het verlangen verzaakte om het illusoire naar de geaardheden der natuur te genieten dat leed veroorzaakt; een ander echter, betoverd door de lust, die probeert iets te doen om de hartstocht uit zijn ziel te wassen, is er zeker van dat de hartstocht weer zal terugkeren.

Toegewijden die altijd de honing van de lotusvoeten van Heer Krishna drinken, zijn totaal niet geïnteresseerd in materiële activiteiten, die verricht worden onder invloed van de drie geaardheden der materiële natuur en alleen maar ellende teweegbrengen. Ja, toegewijden geven nooit Krishna's lotusvoeten op om zich weer bezig te gaan houden met materiële activiteiten. Anderen echter, die gehecht zijn aan vedische riten omdat ze de dienst aan de lotusvoeten van de Heer verwaarloosd hebben en begoocheld zijn door lust, wijden zich nu en dan aan boetedoeningen, maar aangezien ze hierdoor niet werkelijk gezuiverd raken, vervallen ze steeds weer tot zondige activiteiten. (Vedabase)

 

Tekst 34:

Na te zijn herinnerd aan de macht, de grootheid van de Heer, zoals die hen werd uitgelegd door hun meester, waren al de dienaren van Yamarâja door verwondering getroffen; van toen af aan, o Koning, was het in hun geheugen gegrift zich te hoeden bij het zien van de persoon die nimmer van enige vrees is onder de vleugels van de Onfeilbare.

Toen de Yamadûta's van hun meester over de buitengewone heerlijkheid van de Heer en Zijn naam, roem en eigenschappen hoorden, waren ze met stomheid geslagen. Sindsdien zijn ze bang als ze een toegewijde zien, en durven niet meer naar hem te kijken. (Vedabase)

 

Tekst 35:

Deze zeer vertrouwelijke geschiedenis werd mij uiteengezet door de allermachtigste wijze, de zoon van Kumbha [Âgastya Muni] die verblijvend in de Malaya heuvels de Heer aanbidt.

Toen de grote wijze Âgastya, de zoon van Kumbha, in het Malayagebergte verbleef en daar de Allerhoogste Godspersoon vereerde, heb ik hem opgezocht, en hij was het die me dit vertrouwelijke verhaal verteld heeft. (Vedabase)

 

 

 

 

 

 

Voor deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd



 

 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties