Canto
1
Hoofdstuk 17: De Straf en het Loon van Kali
(1) Sûta zei: "Het was daar [bij de rivier de Sarasvatî] dat de koning zag dat een koe en een stier door een s'ûdra [iemand van de laagste klasse], die zich had uitgedost als een koning, met een knuppel werden geslagen alsof ze geen eigenaar hadden. (2) De stier, die wit was als een lotus, verkeerde, geslagen door de s'ûdra, in doodsangst en urineerde en trilde in paniek terwijl hij nog maar op één poot stond. (3) Ook de koe, op zichzelf een religieus voorbeeld maar er nu armzalig aan toe en van streek door de s'ûdra die haar tegen haar poten had geslagen, was zonder kalf en had tranen in haar ogen terwijl ze van zwakte verlangde naar wat gras om te eten. (4) Vanaf zijn met goud beslagen strijdwagen vroeg Parîkchit, goed uitgerust met pijlen en boog, met een donderende stem: (5) 'Wie ben jij, dat onder mijn bescherming, op deze plek, je denkt gewelddadig de hulpelozen te kunnen doden! Hoewel je je krachtig voordoet gekleed als een man van God alsof je een acteur bent, gedraag je je als iemand die nog nooit het licht van de cultuur heeft gezien [twee maal geboren te zijn]! (6) Denk je dat, omdat Heer Krishna en de drager van de boog de Gândîva [Arjuna] uit het gezicht zijn verdwenen, je heimelijk een onschuldige koe kan slaan? Als schurk op die manier verdien je het gedood te worden!'
(7) 'En u', zei hij zich tot de stier wendend, 'bent u alleen maar een stier wit als een lotus die zich voortbeweegt op één poot er drie verloren hebbend of bent u één of andere halfgod in de vorm van een stier die ons verdriet komt bezorgen? (8) Nog nooit heeft er onder de bescherming van de armen van welke koning van de Kuru-dynastie dan ook een dergelijk geweeklaag op deze aarde bestaan, behalve dan bij u die tranen in uw ogen heeft vanwege iemand anders. (9) O zoon van Surabhi [de hemelse koe], in mijn koninkrijk zal er geen geweeklaag zijn, wees dus niet bang voor de s'ûdra, en moeder koe, huil niet; zolang als ik leef als de heerser en onderwerper der afgunstigen, zal alles goed voor u zijn. (10-11) O kuise, hij zal zijn faam, levensduur, fortuin en een goede geboorte verliezen, in wiens staat de levende wezens in angst leven voor onverlaten. Het is voorzeker de allerhoogste plicht van koningen gezag uit te oefenen teneinde een eind te maken aan de misère van degenen die lijden en daarom zal ik deze slechte kerel die zo gewelddadig is jegens andere levende wezens ter dood brengen. (12) Wie is hij die uw poten kon afhakken, o zoon van Surabhi - zoals het u overkwam is het nog nooit eerder gebeurd in de staat van de koningen die leven naar de wil van Krishna. (13) Vertel me, o stier, daar u eerlijk bent en vrij van overtredingen, over hem die u verminkt heeft en de reputatie van de zonen van Parthâ heeft bezoedeld. (14) Zij die de getrouwen doen lijden mogen me vrezen waar ze zich ook bevinden, daar ik een einde zal maken aan de handelingen van de onverlaten en het goede geluk van hen die eerlijk zijn zal herstellen. (15) De parvenu die het bezien heeft op onschuldige levende wezens, zal ik terstond verslaan, of hij nu een halfgod uit de hemel is met wapenrok en sierselen of niet. (16) Het is zeker de heilige plicht van het staatshoofd om altijd hen te beschermen die in loyaliteit leven en, veilig overeenkomstig de geschriften, over anderen te heersen die in feite dolende zijn.'
(17) De persoonlijkheid der religie zei: 'Al dat u zei sprekende ter wille van de vrijheid van angst van hen die lijden is passend voor iemand van de Pândava-dynastie door de kwaliteiten waarnaar zelfs Heer Krishna handelde als een dienaar. (18) O grootste onder de mensen, door de verbijstering van de persoon door alle verschillen van mening, kunnen we niet zeggen wat de oorzaak zou zijn van al het menselijk lijden. (19) Sommigen die alle soorten van dualiteit ontkennen verklaren dat het van jezelf afkomstig is dat men lijdt, anderen zeggen dat het door het bovennatuurlijke wordt veroorzaakt, terwijl weer anderen beweren dat het te wijten is aan de activiteiten van de materiële natuur of door het aanvaarden van autoriteiten van buitenaf. (20) Sommigen ook concludeerden dat het het vermogen de zaken uit te leggen en te doorgronden te boven gaat; wie van hen hierin gelijk heeft, o wijze onder de koningen, is aan het oordeel van uw eigen intelligentie overgelaten'."
(21) Sûta zei: "Parîkchit, die aandachtig de persoonlijkheid van de religie zo hoorde spreken, o beste onder de brahmanen, antwoordde weloverdacht. (22) De koning zei: 'O kenner van de plichten, met u in de gedaante van een stier belijdt u als de persoonlijkheid van de religie dat [net als met een goeroe die het karma op zich neemt] de positie van degene die goddeloos handelt ook de positie wordt van hem die het probleem uitduidt. (23) In andere woorden: zoals de Heer in de materiële wereld te werk gaat is niet te doorgronden en voor allen is het duidelijk dat noch denken noch spreken uitkomst biedt. (24) Versobering, reinheid, mededogen en waarheidliefde, [tapas, s'auca, dayâ, satya] zijn de poten die het tijdperk van de waarheid vestigden [Satya Yuga, de 'oude tijd'], maar door goddeloosheid zijn drie ervan gebroken in trots, teveel omgang met vrouwen en de zucht zich te bedwelmen. (25) Op het ogenblik, o persoonlijkheid der religie, hinkt u verder op het ene been van de waarheidlievendheid terwijl de onenigheid in eigen persoon [Kali], die gedijt op misleiding, goddeloos probeert die poot ook te vernietigen. (26) Een grote last werd van het oppervlak der aarde door de Allerhoogste Heer persoonlijk, en anderen eveneens, weggenomen - Zijn zegenrijke voetafdrukken brachten overal het goede geluk. (27) Weeklagend met tranen in haar ogen wordt de onfortuinlijke en kuise [moeder aarde] die door Hem is verlaten, nu genoten door de lagere klasse die het stelt zonder de cultuur van het leren en zich in mijn plaats voordoet als heersers.'
(28) Op deze wijze werden de persoonlijkheden van de religie en moeder aarde tot rust gebracht door de grote strijder, die zijn scherpe zwaard opnam teneinde Kali, de grondoorzaak van de goddeloosheid, te doden. (29) Wetende dat de koning van zins was hem te doden, wierp Kali, onder de druk van de angst, de koninklijke kledij af en gaf hij zichzelf volledig over het hoofd buigend aan de voeten. (30) Uit mededogen zag hij, die welwillend is tegenover de armen en in staat om met aanbidding om te gaan, er met een glimlach van af om degene te doden die de held ten voeten was gevallen van wie gezegd wordt dat hij het waard is te worden bezongen. (31) De koning zei: 'Vrees niet daar u zich met gevouwen handen hebt overgegeven; wij erfden zeker de roem van Arjuna, maar er kan echter ook geen sprake van zijn dat u in mijn koninkrijk blijft, daar u de vriend der goddeloosheid bent. (32) Met u aanwezig in het lichaam als een god der mensen, zal de goddeloosheid van begeerte, valsheid, roofzucht, onbeleefdheid, verraad, ongeluk, bedrog, redetwist en ijdelheid welig tieren onder de volkeren. (33) Derhalve, o vriend der goddeloosheid, verdient u het niet te verblijven bij de religie en de waarheid op een plaats van eerbetoon waar men plichtsgetrouw en ter zake kundig in dienst aan de Heer der Offers zijn offeranden heeft. (34) In dergelijke offerdiensten wordt de Allerhoogste Persoonlijkheid van God, de Heer, aanbeden als de ziel van alle aanbiddelijke godheden, in de vorm waarvan hij welvaart verspreidt daar Hij de voor alle verlangens onschendbare Superziel is die zowel van binnen als van buiten aanwezig is zoals de lucht dat is voor alles wat beweegt en onbeweeglijk is'."
(35) Sûta zei: "Op die manier toegesproken door koning Parîkchit, beefde de persoonlijkheid van Kali toen hij hem sprekende als Yamarâja, de Heer van de Dood, voor zich zag staan met opgeheven zwaard. (36) Kali zei: 'Waar ik onder uw gezag ook leven moge, o Keizer, zal ik ook altijd de heerschappij van uw boog en pijlen zien. (37) Daarom alstublieft, o leider van de beschermers der religie, wijs me een plaats toe waar ik zeker ben van een permanent verblijf onder uw heerschappij'."
(38) Sûta zei: "Aldus verzocht, verleende hij toen Kali de toestemming te verblijven in plaatsen waar de vier zondige activiteiten van het gokken, drinken, de prostitutie en het slachten van dieren [dyûtam, pânam, striyah, sûnâ] plaatsvonden. (39) Daarnaast kende de meester, op zijn aandringen, hem de plaats toe waar het goud is, daar goud middels de hartstocht de vijfde zonde is door de valsheid, bedwelming, lust en vijandigheid die het met zich meebrengt. (40) Aldus werden op aanwijzing van de zoon van Uttarâ de vijf verblijfplaatsen aan Kali toegewezen waar inderdaad de goddeloosheid wordt aangemoedigd. (41) Derhalve dient een persoon die uit is op zijn welzijn nimmer zijn toevlucht te nemen tot welke van deze plaatsen ook, in het bijzonder niet zij die zich bevinden op het pad der bevrijding, de adel, de dienaren van de staat en de leraren. (42) Door het aanmoedigen van activiteiten ter verbetering van de drie verloren poten van versobering, reinheid en mededogen van de stier, werd [door koning Parîkchit] de aarde volmaakt in ere hersteld. (43-44) Van hem is de huidige heerschappij afkomstig, de troon die werd overgedragen door de koninklijke grootvader [Yudhishthhira] die ernaar uitzag zich in het woud terug te trekken. Van die heerschappij staat die wijze onder de koningen en leider van de Kuru-dynastie, nu in Hastinâpura bekend als de meest fortuinlijke en befaamde keizer. (45) Vanwege deze ervaring van de zoon van Abhimanyu, de koning, kunt u, dankzij zijn heerschappij over de aarde, allen de inwijding genieten van de opvoering van offers als dit."
Tweede editie, geladen 13 maart 2006.
Bronteksten:
De Straf en het Loon van Kali
Sûta zei: "Het was daar [bij de rivier de Sarasvatî] dat de koning zag dat een koe en een stier door een s'ûdra [iemand van de laagste klasse], die zich had uitgedost als een koning, met een knuppel werden geslagen alsof ze geen eigenaar hadden.Sûta Gosvâmî zei: Ter plekke aangekomen, merkte Mahârâja Parîkshit dat een s'ûdra van de laagste kaste, als koning gekleed, met een knots op een koe en een stier stond in te beuken, alsof ze geen eigenaar hadden. (Vedabase)
De stier, die wit was als een lotus, verkeerde, geslagen door de s'ûdra, in doodsangst en urineerde en trilde in paniek terwijl hij nog maar op één poot stond.
De stier was blank als een witte lotus. Hij was in alle staten van angst, omdat de s'ûdra hem zo sloeg; hij was zo bang dat hij, sidderend en waterend, slechts op één poot stond. (Vedabase)
Ook de koe, op zichzelf een religieus voorbeeld maar er nu armzalig aan toe en van streek door de s'ûdra die haar tegen haar poten had geslagen, was zonder kalf en had tranen in haar ogen terwijl ze van zwakte verlangde naar wat gras om te eten.
Hoewel de koe heilrijk is, omdat men religieuze beginselen bij haar kan betrekken, was ze nu verarmd en zonder kalf. Ze werd door een s'ûdra op haar benen geslagen. De tranen stonden haar in de ogen en ze was zwak en vol smart. Ze hunkerde naar wat gras in het veld. (Vedabase)
Vanaf zijn met goud beslagen strijdwagen vroeg Parîkchit, goed uitgerust met pijlen en boog, met een donderende stem:
Uitgerust met pijl en boog en op een met goud beslagen wagen gezeten, sprak Mahârâja Parîkshit de s'ûdra toe met diepe stem, die klonk als de donder. (Vedabase)
'Wie ben jij, dat onder mijn bescherming, op deze plek, je denkt gewelddadig de hulpelozen te kunnen doden! Hoewel je je krachtig voordoet gekleed als een man van God alsof je een acteur bent, gedraag je je als iemand die nog nooit het licht van de cultuur heeft gezien [twee maal geboren te zijn]!
O, wie ben je? Je ziet er sterk uit, en toch waag je het om binnen mijn beschermingsgebied weerlozen te doden! Door je kleding doe je je voor als een goddelijke [koning], maar door je daden ga je dwars tegen de principes dere tweemaal geboren kshatriya's in. (Vedabase)
Denk je dat, omdat Heer Krishna en de drager van de boog de Gândîva [Arjuna] uit het gezicht zijn verdwenen, je heimelijk een onschuldige koe kan slaan? Als schurk op die manier verdien je het gedood te worden!'
Jij schurk, durf je een onschuldige koe te mishandelen, omdat Heer Krishna en Arjuna, de drager van de boog Gândîva, uit het gezicht verdwenen zijn? Aangezien je deze onschuldigen op een verborgen plek staat af te ranselen, bevind ik je schuldig en verdien je de dood. (Vedabase)
'En u', zei hij zich tot de stier wendend, 'bent u alleen maar een stier wit als een lotus die zich voortbeweegt op één poot er drie verloren hebbend of bent u één of andere halfgod in de vorm van een stier die ons verdriet komt bezorgen?
Toen vroeg hij [Mahârâja Parîkshit] de stier: O, wie bent u? Bent u een stier, blank als de witte lotus, of bent u een halfgod? U bent drie benen kwijt en beweegt u nu nog maar op één. Bent u een halfgod, die ons in stieregedaante verdriet komt berokkenen? (Vedabase)
Nog nooit heeft er onder de bescherming van de armen van welke koning van de Kuru-dynastie dan ook een dergelijk geweeklaag op deze aarde bestaan, behalve dan bij u die tranen in uw ogen heeft vanwege iemand anders.
Voor het eerst overkomt het me in dit koninkrijk, dat door de wapens van de vorsten der Kuru-dynastie goed beschermd wordt, dat ik u met tranen in de ogen zie treuren. Tot op heden heeft niemand ter wereld wegens nalatigheid des konings tranen moeten vergieten. (Vedabase)
O zoon van Surabhi [de hemelse koe], in mijn koninkrijk zal er geen geweeklaag zijn, wees dus niet bang voor de s'ûdra, en moeder koe, huil niet; zolang als ik leef als de heerser en onderwerper der afgunstigen, zal alles goed voor u zijn.
O zoon van Surabhi, staak nu het treuren. Het is nergens voor nodig om voor deze lage s'ûdra angst te hebben. En, moeder koe, zo lang ik als heerser en onderwerper van alle afgunstigen in leven ben, hebt u geen reden tot huilen. Alles zal goed met u aflopen. (Vedabase)
O kuise, hij zal zijn faam, levensduur, fortuin en een goede geboorte verliezen, in wiens staat de levende wezens in angst leven voor onverlaten. Het is voorzeker de allerhoogste plicht van koningen gezag uit te oefenen teneinde een eind te maken aan de misère van degenen die lijden en daarom zal ik deze slechte kerel die zo gewelddadig is jegens andere levende wezens ter dood brengen.
O kuise, de koning verliest zijn goede naam, lange levensduur en goede wedergeboorte wanneer onverlaten allerlei levende wezens in zijn rijk in angst en beven laten verkeren. Het is beslist de eerste taak van de vorst om de smart der lijdenden te lenigen. Daarom moet ik deze allerellendigste mens doden, omdat hij gewelddaden begaat jegens de andere levende wezens. (Vedabase)
Wie is hij die uw poten kon afhakken, o zoon van Surabhi - zoals het u overkwam is het nog nooit eerder gebeurd in de staat van de koningen die leven naar de wil van Krishna.
Hij [Mahârâja Parîkshit] richtte zich dringend met de volgende vraag tot de stier: O zoon van Surabhi, wie heeft uw drie benen afgehouwen? In het land van vorsten die de wetten gehoorzamen van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, S'rî Krishna, is er niemand zo ongelukkig als u. (Vedabase)
Vertel me, o stier, daar u eerlijk bent en vrij van overtredingen, over hem die u verminkt heeft en de reputatie van de zonen van Parthâ heeft bezoedeld.
O stier, u bent onschuldig en door en door eerlijk: daarom wens ik u alle goeds. Zeg me alstublieft wie u deze verminkingen heeft toegebracht, die de goede naam van de zoons van Prithâ te schande maken. (Vedabase)
Zij die de getrouwen doen lijden mogen me vrezen waar ze zich ook bevinden, daar ik een einde zal maken aan de handelingen van de onverlaten en het goede geluk van hen die eerlijk zijn zal herstellen.
Ieder die onschuldige wezens leed toebrengt dient me waar ook ter wereld te vrezen. Door onverlaten te onderwerpen is men de onschuldigen vanzelf tot heil. (Vedabase)
De parvenu die het bezien heeft op onschuldige levende wezens, zal ik terstond verslaan, of hij nu een halfgod uit de hemel is met wapenrok en sierselen of niet.
Een ellendeling die kwaad doet door onschuldigen te kwellen zal terstond door mij worden geveld, ook al is hij een met decoraties en wapenrusting getooide hemelbewoner. (Vedabase)
Het is zeker de heilige plicht van het staatshoofd om altijd hen te beschermen die in loyaliteit leven en, veilig overeenkomstig de geschriften, over anderen te heersen die in feite dolende zijn.'
Het is de hoogste plicht van de regerende vorst degenen die de wet eerbiedigen volkomen te beschermen en degenen die in gewone tijden nodeloos van de bepalingen van de Schriften afdwalen te kastijden. (Vedabase)
De persoonlijkheid der religie zei: "Al dat u zei sprekende ter wille van de vrijheid van angst van hen die lijden is passend voor iemand van de Pândava-dynastie door de kwaliteiten waarnaar zelfs Heer Krishna handelde als een dienaar.
De religie in eigen persoon sprak: Deze woorden, zojuist door u geuit, passen een lid van de Pândava-dynastie wonderwel. Door de toewijding die de Pândava's Hem betoonden voor hen ingenomen, trad de Persoonlijkheid Gods Heer Krishna zelfs als hun dienaar en boodschapper op. (Vedabase)
O grootste onder de mensen, door de verbijstering van de persoon door alle verschillen van mening, kunnen we niet zeggen wat de oorzaak zou zijn van al het menselijk lijden.
O grootste onder de mensen, het is zeer moeilijk na te gaan welke onverlaat precies ons dit leed berokkend heeft, want we zijn in de war door alle uiteenlopende opvattingen van de theoretische filosofen. (Vedabase)
Sommigen die alle soorten van dualiteit ontkennen verklaren dat het van jezelf afkomstig is dat men lijdt, anderen zeggen dat het door het bovennatuurlijke wordt veroorzaakt, terwijl weer anderen beweren dat het te wijten is aan de activiteiten van de materiële natuur of door het aanvaarden van autoriteiten van buitenaf.
Sommige van deze filosofen, die alle vormen van dualiteit afwijzen, verklaren dat het eigen ik voor het persoonlijke geluk en verdriet verantwoordelijk is. Anderen beweren dat bovennatuurlijke krachten hiervoor verantwoordelijk zijn, terwijl weer anderen aktiviteit als oorzaak noemen, en de grof-materialisten stellen dat de natuur de grondoorzaak is. (Vedabase)
Sommigen ook concludeerden dat het het vermogen de zaken uit te leggen en te doorgronden te boven gaat; wie van hen hierin gelijk heeft, o wijze onder de koningen, is aan het oordeel van uw eigen intelligentie overgelaten.
Er zijn ook denkers die menen dat de oorzaak der ellende niet via beredenering kan worden vastgesteld, noch via de verbeelding, noch in woorden is uit te drukken. O wijze onder de vorsten, oordeel zelf door uw eigen verstand dienaangaande te gebruiken. (Vedabase)
Sûta zei: "Parîkchit, die aandachtig de persoonlijkheid van de religie zo hoorde spreken, o beste onder de brahmanen, antwoordde weloverdacht.
Anderen beweren dat bovennatuurlijke krachten hiervoor verantwoordelijk zijn, terwijl weer anderen aktiviteit als oorzaak noemen, en de grof-materialisten stellen dat de natuur de grondoorzaak is. (Vedabase)
De koning zei: 'O kenner van de plichten, met u in de gedaante van een stier belijdt u als de persoonlijkheid van de religie dat [net als met een goeroe die het karma op zich neemt] de positie van degene die goddeloos handelt ook de positie wordt van hem die het probleem uitduidt.
De koning zei: O gij, in stieregedaante! U kent de waarheid der religie en spreekt volgens het beginsel dat het lot dat iemand treft die onreligieuze daden bedrijft ook degeen treft die de dader aanbrengt. U bent niemand anders dan de religie in eigen persoon. (Vedabase)
In andere woorden: zoals de Heer in de materiële wereld te werk gaat is niet te doorgronden en voor allen is het duidelijk dat noch denken noch spreken uitkomst biedt.
Zo luidt de slotsom, dat 's Heren energieën onvoorstelbaar zijn. Niemand kan ze peilen hetzij langs spekulatieve weg, hetzij door woordkunstigheid. (Vedabase)
Versobering, reinheid, mededogen en waarheidliefde, [tapas, s'auca, dayâ, satya] zijn de poten die het tijdperk van de waarheid vestigden [Satya Yuga, de 'oude tijd'], maar door goddeloosheid zijn drie ervan gebroken in trots, teveel omgang met vrouwen en de zucht zich te bedwelmen.
In het tijdperk Satya [van waarheidlievendheid] werden uw vier benen geschraagd door de beginselen van soberheid, reinheid, mededogen en waarheidlievendheid. Maar nu blijken als gevolg van de overal heersende goddeloosheid in de vorm van trots, wellust en de zucht om zich te bedwelmen drie van uw benen gebroken te zijn. (Vedabase)
Op het ogenblik, o persoonlijkheid der religie, hinkt u verder op het ene been van de waarheidlievendheid terwijl de onenigheid in eigen persoon [Kali], die gedijt op misleiding, goddeloos probeert die poot ook te vernietigen.
U staat nog maar op één been, uw waarheidlievendheid, en werkt u zo goed en kwaad als het gaat vooruit. Maar de twist in eigen persoon [Kali], die van bedrog gedijt, tracht ook dat ene been te vernietigen. (Vedabase)
Een grote last werd van het oppervlak der aarde door de Allerhoogste Heer persoonlijk, en anderen eveneens, weggenomen - Zijn zegenrijke voetafdrukken brachten overal het goede geluk.
De last der wereld was door toedoen van de Persoonlijkheid Gods en ook anderen beslist verminderd. Toen Hij als avatâra tegenwoordig was, vond dankzij Zijn heilrijke voetafdrukken alle goeds plaats. (Vedabase)
Weeklagend met tranen in haar ogen wordt de onfortuinlijke en kuise [moeder aarde] die door Hem is verlaten, nu genoten door de lagere klasse die het stelt zonder de cultuur van het leren en zich in mijn plaats voordoet als heersers.'
Ongelukkigerwijs verlaten door de Persoonlijkheid Gods, jammert de kuise thans met tranen in de ogen om haar toekomst, want ze wordt nu geregeerd en genoten door mensen van laag niveau die zich als bestuurders voordoen. (Vedabase)
Op deze wijze werden de persoonlijkheden van de religie en moeder aarde tot rust gebracht door de grote strijder, die zijn scherpe zwaard opnam teneinde Kali, de grondoorzaak van de goddeloosheid, te doden.
Zo bracht Mahârâja Parîkshit, die eigenhandig met duizend vijanden kon afrekenen, de religie en de aarde tot bedaren. Vervolgens greep hij zijn scherpe zwaard om de oorzaak van alle goddeloosheid, Kali in eigen persoon, te doden. (Vedabase)
Wetende dat de koning van zins was hem te doden, wierp Kali, onder de druk van de angst, de koninklijke kledij af en gaf hij zichzelf volledig over het hoofd buigend aan de voeten.
Toen Kali in eigen persoon begreep dat de koning van zins was hem te doden, wierp hij terstond zijn koningskleed af en gaf zich door vrees gedrongen, het hoofd voor hem neerbuigend, geheel aan hem over. (Vedabase)
Uit mededogen zag hij, die welwillend is tegenover de armen en in staat om met aanbidding om te gaan, er met een glimlach van af om degene te doden die de held ten voeten was gevallen van wie gezegd wordt dat hij het waard is te worden bezongen.
Bevoegd als hij was om iemands overgave te accepteren, zag Mahârâja Parîkshit, die het waard is om door de geschiedenis heen bezongen te worden, ervan af de arme, zich op hem verlatende en gevallen Kali te doden. Hij zond hem een mededogende glimlach toe, want hij was de armen welgezind. (Vedabase)
De koning zei: 'Vrees niet daar u zich met gevouwen handen hebt overgegeven; wij erfden zeker de roem van Arjuna, maar er kan echter ook geen sprake van zijn dat u in mijn koninkrijk blijft, daar u de vriend der goddeloosheid bent.
De koning sprak als volgt: Wij hebben de roem van Arjuna geërfd. Daarom hoef je, nu je je met gevouwen handen aan ons overgeeft, niet voor je leven te vrezen. Maar je kunt niet in mijn koninkrijk blijven, want je bent de vriend van het goddeloze. (Vedabase)
Met u aanwezig in het lichaam als een god der mensen, zal de goddeloosheid van begeerte, valsheid, roofzucht, onbeleefdheid, verraad, ongeluk, bedrog, redetwist en ijdelheid welig tieren onder de volkeren.
Als Kali in eigen persoon, de goddeloosheid, verlof krijgt om als mensgod of hoofd der uitvoerende macht op te treden, zullen de blijken van goddeloosheid, zoals hebzucht, oneerlijkheid, roof, onbeschoftheid, verraad, ongeluk, bedrof, ruzie en ijdelheid beslist welig tieren. (Vedabase)
Derhalve, o vriend der goddeloosheid, verdient u het niet te verblijven bij de religie en de waarheid op een plaats van eerbetoon waar men plichtsgetrouw en ter zake kundig in dienst aan de Heer der Offers zijn offeranden heeft.
Derhalve, o vriend der goddeloosheid, mag je niet verblijven waar deskundigen in waarheid, en volgens de religieuze beginselen, offers brengen aan de Allerhoogste Goddelijke Persoonlijkheid. (Vedabase)
In dergelijke offerdiensten wordt de Allerhoogste Persoonlijkheid van God, de Heer, aanbeden als de ziel van alle aanbiddelijke godheden, in de vorm waarvan hij welvaart verspreidt daar Hij de voor alle verlangens onschendbare Superziel is die zowel van binnen als van buiten aanwezig is zoals de lucht dat is voor alles wat beweegt en onbeweeglijk is'."
Hoewel bij offerplechtigehden soms een halfgod vereerd wordt, is het toch bij alle dat de Opperheer, de Persoonlijkheid Gods, wordt vereerd, omdat Hij de Superziel van iedereen is en zowel binnen als buiten bestaat, zoals de ether. Zo is alleen Hij het die de offeraar alle welzijn verleent. (Vedabase)
Sûta zei: "Op die manier toegesproken door koning Parîkchit, beefde de persoonlijkheid van Kali toen hij hem sprekende als Yamarâja, de Heer van de Dood, voor zich zag staan met opgeheven zwaard.
S'rî Sûta Gosvâmî zei: Aldus door Mahârâja Parîkshit bevolen, begon Kali in eigen persoon te sidderen van angst. Hem voor zich ziende als Yamarâja, gereed om hem te doden, richtte Kali als volgt het woord tot de koning. (Vedabase):
Kali zei: 'Waar ik onder uw gezag ook leven moge, o Keizer, zal ik ook altijd de heerschappij van uw boog en pijlen zien.
Kali in eigen persoon zei: Uwe Majesteit, ook al mag ik op uw bevel her en der verblijven, waar ik ook kijk zal ik niets anders zien dan uw boog en pijlen. (Vedabase)
Daarom alstublieft, o leider van de beschermers der religie, wijs me een plaats toe waar ik zeker ben van een permanent verblijf onder uw heerschappij'."
O eerste onder de beschermers der religie, bepaal daarom alstublieft een plek waar ik voortdurend verblijven kan onder bescherming van uw regering. (Vedabase)
Sûta zei: "Aldus verzocht, verleende hij toen Kali de toestemming te verblijven in plaatsen waar de vier zondige activiteiten van het gokken, drinken, de prostitutie en het slachten van dieren [dyûtam, pânam, striyah, sûnâ] plaatsvonden.
Sûta Gosvâmî zei: Aldus door Kali in eigen persoon gesmeekt, verleende Mahârâja Parîkshit hem toestemming daar te verblijven waar gokken, drinken, prostitutie en het doden van dieren plaatsvinden. (Vedabase)
Daarnaast kende de meester, op zijn aandringen, hem de plaats toe waar het goud is, daar goud middels de hartstocht de vijfde zonde is door de valsheid, bedwelming, lust en vijandigheid die het met zich meebrengt.
Kali deed nog een verzoek, en omdat hij er zo om smeekte, stond de koning hem toe te verblijven waar goud is, want overal waar goud is zijn ook leugen, bedwelming, wellust, afgunst en vijandschap. (Vedabase)
Aldus werden op aanwijzing van de zoon van Uttarâ de vijf verblijfplaatsen aan Kali toegewezen waar inderdaad de goddeloosheid wordt aangemoedigd.
Zo werd Kali in eigen persoon volgens aanwijzingen van Mahârâja Parîkshit, de zoon van Uttarâ, toegestaan in de vijf oorden te verblijven. (Vedabase)
Derhalve dient een persoon die uit is op zijn welzijn nimmer zijn toevlucht te nemen tot welke van deze plaatsen ook, in het bijzonder niet zij die zich bevinden op het pad der bevrijding, de adel, de dienaren van de staat en de leraren.
Daarom behoren degenen die naar steeds meer welzijn verlangen, vooral vorsten, geestelijken, openbare leiders, brâhmana's en sannyâsî's, nooit te maken te krijgen met de vier bovengenoemde beginselen der goddeloosheid. (Vedabase)
Door het aanmoedigen van activiteiten ter verbetering van de drie verloren poten van versobering, reinheid en mededogen van de stier, werd [door koning Parîkchit] de aarde volmaakt in ere hersteld.
Daarop herstelde de koning de verdwenen poten van de verpersoonlijking der religie [de stier] en verbeterde de toestand van de aarde genoegzaam door aanmoedigende activiteiten. (Vedabase)
Van hem is de huidige heerschappij afkomstig, de troon die werd overgedragen door de koninklijke grootvader [Yudhishthhira] die ernaar uitzag zich in het woud terug te trekken. Van die heerschappij staat die wijze onder de koningen en leider van de Kuru-dynastie, nu in Hastinâpura bekend als de meest fortuinlijke en befaamde keizer.
De hoogst fortuinlijke keizer Mahârâja Parîkshit, wie het koninkrijk Hastinâpura werd toevertrouwd door Mahârâja Yudhishthhira, toen deze zich in het woud wenste terug te trekken, regeert de wereld thans op hoogst geslaagde wijze, aangezien hij verheerlijkt wordt door de daden van de vorsten der Kuru-dynastie. (Vedabase)
Vanwege deze ervaring van de zoon van Abhimanyu, de koning, kunt u, dankzij zijn heerschappij over de aarde, allen de inwijding genieten van de opvoering van offers als dit."
Mahârâja Parîkshit, de zoon van Abhimanyu, is zo bekwaam, dat het dankzij zijn deskundige leiding en bescherming mogelijk is dat u een offer als dit kunt brengen. (Vedabase)
![]()
Voor
deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rî mad Bhâgavatam
linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van
Prabhupâda.
De afbeelding op deze pagina is van Jnananjana
Dasa
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd
Feed-back | Links | Downloads | Muziek | Afbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties