regelbalk

 

Nrisimha Pranâma

 

 

 

Canto 11

 

Hoofdstuk 6

 

Retraite op Advies van Brahmâ en Uddhava Privé Toegesproken

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen [nadat Nârada was vertrokken] kwam heer Brahmâ omringd door zijn zoons, de goden en de heersers der mensen, aan [in Dvârakâ] samen met heer Bhava [S'iva], de voor alle levende wezens goedgunstige beheerser, die werd vergezeld door een schare van spookachtige wezens. (2-4) Indra de oppermachtige beheerser en zijn goden [de Marut's], de zoons van Aditi, de goedgeaarden helder van geest [de Vasu's], de beschermers van de gezondheid [de As'vin's], de kunstenaars [de Ribhu's], de afstammelingen van Angirâ, de expansies van S'iva [de Rudra's], de goden van het intellect [de Vis'vedeva's], de goden van de handel [de sâdhya's] en andere halfgoden; de zangers en dansmeisjes van de hemel [Ghandarva's en Apsara's], zij die uitmuntten [de Nâga's], de vervolmaakten [de Siddha's] en de eerbiedwaardigen [de Cârana's], de schatbewaarders [de Vuhyaka's], de zieners [de Rishi's], de voorvaderen [de Pita's] als ook de wetenschappers [de Vidyâdhara's] en zij die bijzondere talenten hebben [de Kinnara's] kwamen allen tezamen aan in Dvârakâ begerig Krishna te zien, de Allerhoogste Heer die de onzuiverheden van alle plaatsen wegneemt en die met Zijn bovenzinnelijke gedaante de ganse menselijke samenleving betoverend Zijn faam verbreidde in alle werelden. (5) In die schitterende stad rijk in een grote overvloed zagen ze met hun hongerige ogen Heer Krishna zo prachtig om te zien.

(6) Met het Hem, de beste der Yadu's, overladen met bloemenslingers meegebracht uit de tuinen van de hemel, prezen ze Hem, de Heer van het Levende Wezen, zich uitdrukkend in bekoorlijke denkbeelden en woorden. (7) De goden zeiden: 'Wij met onze intelligentie, zinnen, levensadem, geest en woorden buigen ons neer voor Uw lotusvoeten, o Heer, waarop in het hart wordt gemediteerd door hen verenigd in de liefde van het streven naar bevrijding uit de grote gebondenheid van de karmische verwikkelingen. (8) U, door de materiële energie bestaande uit de drie geaardheden, beschermt en vernietigt met het ondoorgrondelijke van Uzelf de manifestatie, maar U bevindend in die materiële natuur raakt U door deze geaardheden in het geheel niet verstrikt in karmische aktiviteiten, o U Onoverwinnelijke, daar U, de Onbelemmerde en Onbetwijfelbare, altijd verzonken bent in Uw gelukzaligheid [zie ook B.G. 3.22]. (9) O Aanbiddelijke, de loutering van die personen die een besmet bewustzijn hebben wordt door bezweringen, het volgen van de voorschriften, het bestuderen van de s'âstra's, door liefdadigheid, boetedoeningen en rituelen niet zo in gang gezet als door het trouw luisteren naar de grootsten van hen die zich in de goedheid bevinden en die volledig gerijpt zijn in Uw bovenzinnelijke heerlijkheden [zie ook 4.29: 36-38]. (10) Mogen er voor ons de lotusvoeten zijn, het vuur dat onze ongunstige mentaliteit verteert en door de wijzen die uit zijn op het ware voordeel wordt gedragen in harten die tot vrede zijn gekomen, het vuur dat door de waarachtigen van zelfbeheersing wordt gedragen voor het verwerven van een gelijksoortige weelde; het is door het drie maal daags aanbidden van het opwekkende van U [de catur-vyûha] dat men reikt voorbij de hemelen [zie ook 11.5: 34]. (11) Op hen mediteren zij die, met het samengevouwen hebben van hun handen, de ghee in het offervuur brengen met het [nirukta] proces van begrip krijgen voor de drie Veda's; op hen mediteren de yogabeoefenaren die, van onderzoek naar Uw [yoga-]mâyâ, verenigd zijn in het zich realiseren van het Ware Zelf; en ze zijn [daarenboven] volmaakt aanbeden door de toegewijden die het meest verheven zijn [zie uttama en 11.2: 45-47]. (12) S'rî, Uw gezellin, voelt met de verwelkte bloemenslinger van U, o Almachtige, zich in dezen zo uitgedaagd als een jaloerse bijvrouw omdat U onze offergave aanvaardt als zijnde naar behoren gebracht [zie ook B.G. 9: 26]; mogen er altijd de lotusvoeten, het vuur van de vernietiging van onze onzuivere verlangens zijn! (13) Uw voeten met drie machtige stappen [met het water van de Ganges] neerkomend in ieder van de drie werelden [zie 8.20] en als een vlag die een vlaggenmast siert, angst en onbevreesdheid creërend onder de asura's en de goddelijken hun respectievelijke strijdmachten, zijn er voor de geheiligden voor het bereiken van de hemel en voor de afgunstigen er voor precies het tegenovergestelde, o Meest Machtige; mogen deze voeten, o Opperheer, ons die U aanbidden zuiveren van onze zonden. (14) Als ossen bijeen gehouden door de neus hebben Brahmâ en al de andere belichaamde wezens hun bestaan, onderling in strijd verkerend onder de controle van de Tijd; mogen die lotusvoeten van U, de Allerhoogste Persoonlijkheid in het voorbije van zowel de materiële natuur als de individuele persoon, voor ons het bovenzinnelijk geluk verspreiden [vergelijk 1.13: 42, 6.3: 12]. (15) U bent de oorzaak van deze schepping, handhaving en vernietiging, de oorzaak van het ongeziene, de individuele ziel en het grotere van de manifeste werkelijkheid; men zegt dat U, deze zelfde persoonlijkheid, de beheersende tijdfactor bent die zich voordoet als een drievoudig rad, die, als de Tijd die ononderbroken in zijn voortgang de afname van alles bewerkstelligt, de Allerhoogste Persoonlijkheid bent [*]. (16) Het mannelijke [van Mahâvishnu], van U [als de Tijd] het potente zaad van deze schepping verkrijgend, bevrucht de uitgebreidheid van de materie waarvan Hij, wiens zaad nimmer wordt verspild, verenigd samen met die zelfde natuur gegenereerd vanuit het Zelf, zoals een gewone foetus wordt voortgebracht, het gouden voorwereldlijk ei van het universum in het leven schiep toegerust met zijn [zeven, zie kosha] omhullende lagen. (17) U bent daarom van alles wat beweegt en op zijn plaats blijft staan de Oorspronkelijke Beheerser, omdat, ookal raakt U o Meester van Ieder Zijn Zinnen doende met de zinsobjecten Zelf nimmer door hen aangetast, anderen, op eigen houtje controle uitoefenend, in angst verkeren vanwege die objecten die, naar voren getreden uit de transformatie van de geaardheden van de onderhavige materiële natuur, zich ophoopten [zie ook B.G. 16: 23-24]. (18) De zestienduizend [vrouwen van U], zo betoverend tijdens de momenten dat ze blijk gaven van hun gevoelens als ze met hun wenkbrauwen, glimlachen en blikken de pijlen van Cupido afvuurden, waren met hun berichten en avances van de echtelijke liefde zijnde, met al hun methoden niet in staat Uw zinnen te begoochelen [zie ook 1.11: 36]. (19) De brede rivieren van Uw nectargelijke onderwerpen en de rivieren die wegstromen van het baden van Uw voeten zijn ertoe in staat alle besmetting van de drie werelden te vernietigen; het is van het luisteren met de oren naar de traditie en van het in fysiek contact staan [met de wateren] met de gang naar Zijn voeten dat zij die streven naar zuivering hun toenadering zoeken om omgang te hebben met deze twee doelen van het pelgrimeren naar U.'

(20) De eerbiedwaardige zoon van Vyâsa [S'uka] zei: 'Tezamen met S'iva en de halfgoden aldus van lof voor Govinda, de Heer, bracht hij die de honderden onder zijn gezag heeft [Brahmâ], vanuit zijn positie in de hemel, zijn eerbetuigingen. (21) S'rî Brahmâ zei: 'U o Heer, o Onbegrensde Ziel, er door ons voor het doel van het terugdringen van de last van de aarde voorheen toe verzocht, hebt gehoor gegeven aan het verzoek zoals het werd voorgelegd. (22) Met het gevestigd hebben van de principes van het dharma onder de vromen en de zoekers naar de waarheid, zijn het waarlijk de heerlijkheden van U, aldus door U in alle richtingen verspreid, welke de besmetting van alle werelden wegnemen. (23) Nederdalend in de Yadu-dynastie hebt U, voor het heil van het universum een gedaante aannemend, met grootmoedige daden aktiviteiten zonder weerga aan de dag gelegd. (24) O Heer, die geheiligde mensen die in het Kali-tijdperk horen en zingen over Uw handelingen, zullen met gemak de duisternis te boven komen [zie ook 10.14]. (25) O Allerhoogste Persoonlijkheid, nedergedaald in de Yadu-vams'a zijn honderdvijfentwintig herfsten verstreken, o Meester. (26-27) O, U Grondvesting van Alles, voor U bestaat er niet langer een plicht aan de godsbewusten, en het resterende deel van de dynastie is feitelijk vernietigd door deze vloek van de brahmanen [zie 11.1]. Daarom verzoeken wij U om, zo het U zint, Uw hemelverblijf binnen te gaan, en er alstUblieft met ons, de beschermers van alle werelden en hun bewoners, mee door te gaan om de dienaren van Vaikunthha [Heer Vishnu] te beschermen.'

(28) De Opperheer zei: 'Ik heb begrip voor wat u gezegd heeft, o heerser der halfgoden; te uwent wille is al het werk volbracht nodig om de last van de aarde weg te nemen. (29) Deze zelfde Yadu-familie is, met de dreiging die ze vormt de hele wereld te verzwelgen in de uitbreiding van haar macht, moed en overdaad, door Mij een halt toegeroepen precies zoals een oceaan wordt tegengehouden door haar kust. (30) Als Ik zou vertrekken zonder de enorme dynastie van al te trotse Yadu's, zou om die reden de hele wereld door deze vloed worden vernietigd. (31) Op dit zelfde moment is vanwege de brahmanenvloek de vernietiging van de familie begonnen; nadien zal Ik, o zondenloze Brahmâ, een bezoek afleggen aan uw verblijfplaats.'

(32) S'rî S'uka zei: 'Aldus aangesproken door de Heer van de Wereld, viel de zelfgeborene neer aan Zijn voeten om Hem tezamen met de verschillende goden zijn eerbetuigingen te brengen en keerde de godheid terug naar zijn verblijfplaats. (33) Daarna, toen de Opperheer in de stad Dvârakâ zich ernstige verstoringen zag ontwikkelen, sprak Hij tot de verzamelde Yadu-ouderen. (34) De Allerhoogste Heer zei: 'Deze werkelijk zeer grote verstoringen die zich hier van alle kanten voordoen zijn het gevolg van de vloek die er van de kant van de brahmanen was tegen onze familie; het is onmogelijk die tegen te gaan. (35) We zouden er niet naar moeten verlangen om hier te blijven leven, o eerbiedwaardigen; laat ons niet talmen en vandaag nog naar Prabhâsa gaan, naar die zo heel heilige plaats der vroomheid [**]. (36) De koning van de sterren [de maangod] gegrepen door de tering vanwege een vloek van Daksha, nam er eens een bad, raakte terstond bevrijd van de terugslag van zijn zonde en hervatte het wassen met zijn fasen. (37-38) Ook wij naar de voldoening der voorvaderen een bad nemend in die plaats, de goddelijken en de aanbiddelijken der geleerdheid te eten gevend met offers van verschillende smaken voedsel en eveneens giften uitdelend met geloof in hen als zijnde geschikte kandidaten voor de liefdadigheid, zullen door onze goedgeefsheid, als met boten over een oceaan, het gevaar overwinnen.'

(39) S'rî S'uka zei: 'O kind van de Kuru's, de Yâdava's, aldus door de Fortuinlijke geïnstrueerd tot een besluit gekomen, spanden hun paarden voor hun wagens om zich te begeven naar de heilige plaats. (40-41) O Koning, Uddhava [zie ook 3.2 en 10.46 & 47], als een immer trouwe volgeling van Krishna vernemend over dat wat door de Heer was gezegd, benaderde, met voor ogen de angstwekkende, slechte voortekenen [zie ook 1.14: 2-5], in het privé de Ene Beheerser der Beheersers van Heel het Levende Universum en richtte, aan Zijn voeten zijn hoofd voorover buigend, zich tot Hem met gevouwen handen. (42) S'rî Uddhava zei: 'O Heer en God der Goden, o Meester van de Yoga, o Vroomheid van het Luisteren en Zingen, met het terugtrekken van deze familie uit deze wereld, zegt U dat, hoewel U er als de alles-doorvarende goedertierende Beheerser toe in staat bent de vloek der geschoolden te herroepen, U dat niet kunt doen! (43) Ik kan het zelfs niet voor een onderdeel van een seconde verdragen om Uw lotusvoeten te verlaten, o Kes'ava; alstUblieft neem ook mij mee naar Uw verblijfplaats o Meester [zie ook 3.29: 13]. (44) Uw zo hoogst goedgunstige spel en vermaak, o Krishna, is nectar voor mensenoren; als ze eenmaal de smaak te pakken hebben laten de mensen hun verlangens naar andere zaken varen. (45) Hoe kunnen wij, de toegewijden van U, het allerbeminste Zelf, in ons neerliggen, zitten, lopen, staan, baden, recreëren en eten en dergelijke, U nu ooit vaarwel zeggen? (46) Met het eten van het overgebleven voedsel en opgesierd zijn met de bloemenslingers, de geuren, de kleding en de sierselen reeds door U genoten, zullen wij, Uw dienaren, voorzeker de illusieverwekkende energie overwinnen. (47) De slechts in lucht geklede zondenloze leden van de wereldverzakende orde die als wijzen van strikte naleving steeds hun zaad omhoog laten gaan, gaan naar de verblijfplaats bekend als brahman [zie ûrdhva retah en ook 10.2: 32]. (48-49) Anderzijds zullen wij, o Grootste der Yogî's, rondtrekkend in deze wereld langs de wegen der baatzuchtige arbeid, samen met Uw toegewijden, de moeilijk te overwinnen duisternis te boven komen door de onderwerpen te bespreken waarmee we ons Uw daden, woorden, bewegingen, brede glimlachen, blikken en liefdesavonturen in navolging van de menselijke wereld heugen en verheerlijken.'

(50) S'rî S'uka zei: 'Op deze manier verzocht, o Koning, sprak de Opperheer, de zoon van Devakî, in het privé uitvoerig tot de geliefde dienaar Uddhava.'  

 

next        

 
 

 

 

Bronteksten (geen voorgaande versie in het Nederlands beschikbaar):

The Yadu Dynasty Retires to Prabhâsa

 

Tekst 1:

S'rî S'uka zei: 'Toen [nadat Nârada was vertrokken] kwam heer Brahmâ omringd door zijn zoons, de goden en de heersers der mensen, aan [in Dvârakâ] samen met heer Bhava [S'iva], de voor alle levende wezens goedgunstige beheerser, die werd vergezeld door een schare van spookachtige wezens.

S'rî S'ukadeva Gosvâmî said - Lord Brahmâ then set off for Dvârakâ, accompanied by his own sons as well as by the demigods and the great Prajâpatis. Lord S'iva, the bestower of auspiciousness to all living beings, also went, surrounded by many ghostly creatures.

 

Tekst 2-4:

Indra de oppermachtige beheerser en zijn goden [de Marut's], de zoons van Aditi, de goedgeaarden helder van geest [de Vasu's], de beschermers van de gezondheid [de As'vin's], de kunstenaars [de Ribhu's], de afstammelingen van Angirâ, de expansies van S'iva [de Rudra's], de goden van het intellect [de Vis'vedeva's], de goden van de handel [de sâdhya's] en andere halfgoden; de zangers en dansmeisjes van de hemel [Ghandarva's en Apsara's], zij die uitmuntten [de Nâga's], de vervolmaakten [de Siddha's] en de eerbiedwaardigen [de Cârana's], de schatbewaarders [de Vuhyaka's], de zieners [de Rishi's], de voorvaderen [de Pita's] als ook de wetenschappers [de Vidyâdhara's] en zij die bijzondere talenten hebben [de Kinnara's] kwamen allen tezamen aan in Dvârakâ begerig Krishna te zien, de Allerhoogste Heer die de onzuiverheden van alle plaatsen wegneemt en die met Zijn bovenzinnelijke gedaante de ganse menselijke samenleving betoverend Zijn faam verbreidde in alle werelden.

The powerful Lord Indra, along with the Maruts, Âdityas, Vasus, As'vinîs, Ribhus, Angirâs, Rudras, Vis'vedevas, Sâdhyas, Gandharvas, Apsaras, Nâgas, Siddhas, Câranas, Guhyakas, the great sages and forefathers and the Vidyâdharas and Kinnaras, arrived at the city of Dvârakâ, hoping to see Lord Krishna. By His transcendental form, Krishna, the Supreme Lord, enchanted all human beings and spread His own fame throughout the worlds. The Lord's glories destroy all contamination within the universe.

 

Tekst 5:

In die schitterende stad rijk in een grote overvloed zagen ze met hun hongerige ogen Heer Krishna zo prachtig om te zien.

In that resplendent city of Dvârakâ, rich with all superior opulences, the demigods beheld with unsatiated eyes the wonderful form of S'rî Krishna.

 

Tekst6:

Met het Hem, de beste der Yadu's, overladen met bloemenslingers meegebracht uit de tuinen van de hemel, prezen ze Hem, de Heer van het Levende Wezen, zich uitdrukkend in bekoorlijke denkbeelden en woorden.

The demigods covered the Supreme Lord of the universe with flower garlands brought from the gardens of heaven. Then they praised Him, the best of the Yadu dynasty, with statements containing charming words and ideas.

 

 Tekst 7

De goden zeiden: 'Wij met onze intelligentie, zinnen, levensadem, geest en woorden buigen ons neer voor Uw lotusvoeten, o Heer, waarop in het hart wordt gemediteerd door hen verenigd in de liefde van het streven naar bevrijding uit de grote gebondenheid van de karmische verwikkelingen.

The demigods began to speak - Our dear Lord, advanced mystic yogis, striving for liberation from the severe bondage of material work, meditate with great devotion upon Your lotus feet within their hearts. Dedicating our intelligence, senses, vital air, mind and power of speech to Your Lordship, we demigods bow down at Your lotus feet.

 

Tekst 8

U, door de materiële energie bestaande uit de drie geaardheden, beschermt en vernietigt met het ondoorgrondelijke van Uzelf de manifestatie, maar U bevindend in die materiële natuur raakt U door deze geaardheden in het geheel niet verstrikt in karmische aktiviteiten, o U Onoverwinnelijke, daar U, de Onbelemmerde en Onbetwijfelbare, altijd verzonken bent in Uw gelukzaligheid [zie ook B.G. 3.22].

O unconquerable Lord, You engage Your illusory energy, composed of three modes, to unleash, maintain and devastate the inconceivable manifest cosmos, all within Your own self. As the supreme superintendent of mâyâ, You appear to be situated in the interaction of the modes of nature; however, You are never affected by material activities. In fact, You are directly engaged in Your own eternal, spiritual bliss, and thus You cannot be accused of any material infection.

 

Tekst 9

O Aanbiddelijke, de loutering van die personen die een besmet bewustzijn hebben wordt door bezweringen, het volgen van de voorschriften, het bestuderen van de s'âstra's, door liefdadigheid, boetedoeningen en rituelen niet zo in gang gezet als door het trouw luisteren naar de grootsten van hen die zich in de goedheid bevinden en die volledig gerijpt zijn in Uw bovenzinnelijke heerlijkheden [zie ook 4.29: 36-38].

O greatest of all, those whose consciousness is polluted by illusion cannot purify themselves merely by ordinary worship, study of the Vedas, charity, austerity and ritual activities. Our Lord, those pure souls who have developed a powerful transcendental faith in Your glories achieve a purified state of existence that can never be attained by those lacking such faith.

 

Tekst 10

Mogen er voor ons de lotusvoeten zijn, het vuur dat onze ongunstige mentaliteit verteert en door de wijzen die uit zijn op het ware voordeel wordt gedragen in harten die tot vrede zijn gekomen, het vuur dat door de waarachtigen van zelfbeheersing wordt gedragen voor het verwerven van een gelijksoortige weelde; het is door het drie maal daags aanbidden van het opwekkende van U [de catur-vyûha] dat men reikt voorbij de hemelen [zie ook 11.5: 34].

Great sages, desiring the highest benefit in life, always cherish Your lotus feet within their hearts, which are melted by love for You. Similarly, Your self-controlled devotees, desiring to cross beyond the material kingdom of heaven to achieve opulence equal to Yours, worship Your lotus feet in the morning, at noon and in the evening. Thus, they meditate upon Your Lordship in Your quadruple expansion. Your lotus feet are just like a blazing fire that burns to ashes all the inauspicious desires for material sense gratification.

 

 Tekst 11

Op hen mediteren zij die, met het samengevouwen hebben van hun handen, de ghee in het offervuur brengen met het [nirukta] proces van begrip krijgen voor de drie Veda's; op hen mediteren de yogabeoefenaren die, van onderzoek naar Uw [yoga-]mâyâ, verenigd zijn in het zich realiseren van het Ware Zelf; en ze zijn [daarenboven] volmaakt aanbeden door de toegewijden die het meest verheven zijn [zie uttama en 11.2: 45-47].

Those about to offer oblations into the fire of sacrifice in accordance with the Rig, Yajur and Sâma Vedas meditate on Your lotus feet. Similarly, the practitioners of transcendental yoga meditate upon Your lotus feet, hoping for knowledge about Your divine mystic potency, and the most elevated pure devotees perfectly worship Your lotus feet, desiring to cross beyond Your illusory potency.

  

 Tekst 12  

S'rî, Uw gezellin, voelt met de verwelkte bloemenslinger van U, o Almachtige, zich in dezen zo uitgedaagd als een jaloerse bijvrouw omdat U onze offergave aanvaardt als zijnde naar behoren gebracht [zie ook B.G. 9: 26]; mogen er altijd de lotusvoeten, het vuur van de vernietiging van onze onzuivere verlangens zijn!

O almighty Lord, You are so kind to Your servants that You have accepted the withered flower garland that we have placed on Your chest. Since the goddess of fortune makes her abode on Your transcendental chest, she will undoubtedly become agitated, like a jealous co-wife, upon seeing our offering also dwelling there. Yet You are so merciful that You neglect Your eternal consort Lakshmî and accept our offering as most excellent worship. O merciful Lord, may Your lotus feet always act as a blazing fire to consume the inauspicious desires within our hearts.

 

Tekst 13

Uw voeten met drie machtige stappen [met het water van de Ganges] neerkomend in ieder van de drie werelden [zie 8.20] en als een vlag die een vlaggenmast siert, angst en onbevreesdheid creërend onder de asura's en de goddelijken hun respectievelijke strijdmachten, zijn er voor de geheiligden voor het bereiken van de hemel en voor de afgunstigen er voor precies het tegenovergestelde, o Meest Machtige; mogen deze voeten, o Opperheer, ons die U aanbidden zuiveren van onze zonden.

O omnipotent Lord, in Your incarnation as Trivikrama, You raised Your leg like a flagpole to break the shell of the universe, allowing the holy Ganges to flow down, like a banner of victory, in three branches throughout the three planetary systems. By three mighty steps of Your lotus feet, Your Lordship captured Bali Mahârâja, along with his universal kingdom. Your lotus feet inspire fear in the demons by driving them down to hell and fearlessness among Your devotees by elevating them to the perfection of heavenly life. We are sincerely trying to worship You, our Lord; therefore may Your lotus feet kindly free us from all of our sinful reactions.

  

 Tekst 14

Als ossen bijeen gehouden door de neus hebben Brahmâ en al de andere belichaamde wezens hun bestaan, onderling in strijd verkerend onder de controle van de Tijd; mogen die lotusvoeten van U, de Allerhoogste Persoonlijkheid in het voorbije van zowel de materiële natuur als de individuele persoon, voor ons het bovenzinnelijk geluk verspreiden [vergelijk 1.13: 42, 6.3: 12].

You are the Supreme Personality of Godhead, the transcendental entity who is superior to both material nature and the enjoyer of nature. May Your lotus feet bestow transcendental pleasure upon us. All of the great demigods, beginning with Brahmâ, are embodied living entities. Struggling painfully with one another under the strict control of Your time factor, they are just like bulls dragged by ropes tied through their pierced noses.

 

 Tekst 15  

U bent de oorzaak van deze schepping, handhaving en vernietiging, de oorzaak van het ongeziene, de individuele ziel en het grotere van de manifeste werkelijkheid; men zegt dat U, deze zelfde persoonlijkheid, de beheersende tijdfactor bent die zich voordoet als een drievoudig rad, die, als de Tijd die ononderbroken in zijn voortgang de afname van alles bewerkstelligt, de Allerhoogste Persoonlijkheid bent [*].

You are the cause of the creation, maintenance and destruction of this universe. As time, You regulate the subtle and manifest states of material nature and control every living being. As the threefold wheel of time You diminish all things by Your imperceptible actions, and thus You are the Supreme Personality of Godhead.

 

Tekst 16

Het mannelijke [van Mahâvishnu], van U [als de Tijd] het potente zaad van deze schepping verkrijgend, bevrucht de uitgebreidheid van de materie waarvan Hij, wiens zaad nimmer wordt verspild, verenigd samen met die zelfde natuur gegenereerd vanuit het Zelf, zoals een gewone foetus wordt voortgebracht, het gouden voorwereldlijk ei van het universum in het leven schiep toegerust met zijn [zeven, zie kosha] omhullende lagen.

My dear Lord, the original purusha-avatâra, Mahâ-Vishnu, acquires His creative potency from You. Thus with infallible energy He impregnates material nature, producing the mahat-tattva. Then the mahat-tattva, the amalgamated material energy, endowed with the potency of the Lord, produces from itself the primeval golden egg of the universe, which is covered by various layers of material elements.

 

Tekst 17  

U bent daarom van alles wat beweegt en op zijn plaats blijft staan de Oorspronkelijke Beheerser, omdat, ookal raakt U o Meester van Ieder Zijn Zinnen doende met de zinsobjecten Zelf nimmer door hen aangetast, anderen, op eigen houtje controle uitoefenend, in angst verkeren vanwege die objecten die, naar voren getreden uit de transformatie van de geaardheden van de onderhavige materiële natuur, zich ophoopten [zie ook B.G. 16: 23-24].

O Lord, You are the supreme creator of this universe and the ultimate controller of all moving and nonmoving living entities. You are Hrishîkes'a, the supreme controller of all sensory activity, and thus You never become contaminated or entangled in the course of Your supervision of the infinite sensory activities within the material creation. On the other hand, other living entities, even yogîs and philosophers, are disturbed and frightened simply by remembering the material objects that they have supposedly renounced in their pursuit of enlightenment.

 

 Tekst 18

De zestienduizend [vrouwen van U], zo betoverend tijdens de momenten dat ze blijk gaven van hun gevoelens als ze met hun wenkbrauwen, glimlachen en blikken de pijlen van Cupido afvuurden, waren met hun berichten en avances van de echtelijke liefde zijnde, met al hun methoden niet in staat Uw zinnen te begoochelen [zie ook 1.11: 36].

My Lord, You are living with sixteen thousand exquisitely beautiful, aristocratic wives. By their irresistible coy and smiling glances and by their lovely arching eyebrows, they send You messages of eager conjugal love. But they are completely unable to disturb the mind and senses of Your Lordship.

 

Tekst 19

De brede rivieren van Uw nectargelijke onderwerpen en de rivieren die wegstromen van het baden van Uw voeten zijn ertoe in staat alle besmetting van de drie werelden te vernietigen; het is van het luisteren met de oren naar de traditie en van het in fysiek contact staan [met de wateren] met de gang naar Zijn voeten dat zij die streven naar zuivering hun toenadering zoeken om omgang te hebben met deze twee doelen van het pelgrimeren naar U.'

The nectar-bearing rivers of discussions about You, and also the holy rivers generated from the bathing of Your lotus feet, are able to destroy all contamination within the three worlds. Those who are striving for purification associate with the holy narrations of Your glories by hearing them with their ears, and they associate with the holy rivers flowing from Your lotus feet by physically bathing in them.

 

Tekst 20

De eerbiedwaardige zoon van Vyâsa [S'uka] zei: 'Tezamen met S'iva en de halfgoden aldus van lof voor Govinda, de Heer, bracht hij die de honderden onder zijn gezag heeft [Brahmâ], vanuit zijn positie in de hemel, zijn eerbetuigingen.

S'rî S'ukadeva Gosvâmî continued - After Brahmâ, along with Lord S'iva and the other demigods, thus offered prayers to the Supreme Lord, Govinda, Lord Brahmâ situated himself in the sky and addressed the Lord as follows.

 

Tekst 21

S'rî Brahmâ zei: 'U o Heer, o Onbegrensde Ziel, er door ons voor het doel van het terugdringen van de last van de aarde voorheen toe verzocht, hebt gehoor gegeven aan het verzoek zoals het werd voorgelegd.

Lord Brahmâ said - My dear Lord, previously we requested You to remove the burden of the earth. O unlimited Personality of Godhead, that request has certainly been fulfilled.

 

 Tekst 22

Met het gevestigd hebben van de principes van het dharma onder de vromen en de zoekers naar de waarheid, zijn het waarlijk de heerlijkheden van U, aldus door U in alle richtingen verspreid, welke de besmetting van alle werelden wegnemen.

My Lord, You have reestablished the principles of religion among pious men who are always firmly bound to the truth. You have also distributed Your glories all over the world, and thus the whole world can be purified by hearing about You.

 

 Tekst 23

Nederdalend in de Yadu-dynastie hebt U, voor het heil van het universum een gedaante aannemend, met grootmoedige daden aktiviteiten zonder weerga aan de dag gelegd.

Descending into the dynasty of King Yadu, You have manifested Your unique transcendental form, and for the benefit of the entire universe You have executed magnanimous transcendental activities.

 

 Tekst 24

O Heer, die geheiligde mensen die in het Kali-tijdperk horen en zingen over Uw handelingen, zullen met gemak de duisternis te boven komen [zie ook 10.14].

My dear Lord, those pious and saintly persons who in the age of Kali hear about Your transcendental activities and also glorify them will easily cross over the darkness of the age.

 

 Tekst 25

O Allerhoogste Persoonlijkheid, nedergedaald in de Yadu-vams'a zijn honderdvijfentwintig herfsten verstreken, o Meester.

O Supreme Personality of Godhead, O my Lord, You have descended into the Yadu dynasty, and thus You have spent one hundred twenty-five autumns with Your devotees.

 

 Tekst 26-27

O, U Grondvesting van Alles, voor U bestaat er niet langer een plicht aan de godsbewusten, en het resterende deel van de dynastie is feitelijk vernietigd door deze vloek van de brahmanen [zie 11.1]. Daarom verzoeken wij U om, zo het U zint, Uw hemelverblijf binnen te gaan, en er alstUblieft met ons, de beschermers van alle werelden en hun bewoners, mee door te gaan om de dienaren van Vaikunthha [Heer Vishnu] te beschermen.'

My dear Lord, there is nothing remaining at this time for Your Lordship to do on behalf of the demigods. You have already withdrawn Your dynasty by the curse of the brâhmanas. O Lord, You are the basis of everything, and if You so desire, kindly return now to Your own abode in the spiritual world. At the same time, we humbly beg that You always protect us. We are Your humble servants, and on Your behalf we are managing the universal situation. We, along with our planets and followers, require Your constant protection.

  

 Tekst 28

De Opperheer zei: 'Ik heb begrip voor wat u gezegd heeft, o heerser der halfgoden; te uwent wille is al het werk volbracht nodig om de last van de aarde weg te nemen.

The Supreme Lord said: O lord of the demigods, Brahmâ, I understand your prayers and request. Having removed the burden of the earth, I have executed everything that was required on your behalf.

 

 Tekst 29

Deze zelfde Yadu-familie is, met de dreiging die ze vormt de hele wereld te verzwelgen in de uitbreiding van haar macht, moed en overdaad, door Mij een halt toegeroepen precies zoals een oceaan wordt tegengehouden door haar kust.

That very Yâdava dynasty in which I appeared became greatly magnified in opulence, especially in their physical strength and courage, to the extent that they threatened to devour the whole world. Therefore I have stopped them, just as the shore holds back the great ocean.

 

 Tekst 30

Als Ik zou vertrekken zonder de enorme dynastie van al te trotse Yadu's, zou om die reden de hele wereld door deze vloed worden vernietigd.

If I were to leave this world without withdrawing the overly proud members of the Yadu dynasty, the whole world would be destroyed by the deluge of their unlimited expansion.

 

 Tekst 31

Op dit zelfde moment is vanwege de brahmanenvloek de vernietiging van de familie begonnen; nadien zal Ik, o zondenloze Brahmâ, een bezoek afleggen aan uw verblijfplaats.'

Now due to the brâhmana's curse, the annihilation of My family has already begun. O sinless Brahmâ, when this annihilation is finished and I am enroute to Vaikunthha, I will pay a small visit to your abode.

 

 Tekst 32

S'rî S'uka zei: 'Aldus aangesproken door de Heer van de Wereld, viel de zelfgeborene neer aan Zijn voeten om Hem tezamen met de verschillende goden zijn eerbetuigingen te brengen en keerde de godheid terug naar zijn verblijfplaats.

S'rî S'ukadeva Gosvâmî said - Thus addressed by the Lord of the universe, the self-born Brahmâ fell down in obeisances at the lotus feet of the Lord. Surrounded by all the demigods, the great Brahmâ then returned to his personal abode.

 

 Tekst 33

Daarna, toen de Opperheer in de stad Dvârakâ zich ernstige verstoringen zag ontwikkelen, sprak Hij tot de verzamelde Yadu-ouderen.

Thereafter, the Personality of Godhead observed that tremendous disturbances were taking place in the holy city of Dvârakâ. Thus the Lord spoke to the assembled senior members of the Yadu dynasty as follows.

 

 Tekst 34

De Allerhoogste Heer zei: 'Deze werkelijk zeer grote verstoringen die zich hier van alle kanten voordoen zijn het gevolg van de vloek die er van de kant van de brahmanen was tegen onze familie; het is onmogelijk die tegen te gaan.

The Supreme Personality of Godhead said: Our dynasty has been cursed by the brâhmanas. Such a curse is impossible to counteract, and thus great disturbances are appearing everywhere around us.

 

 Tekst 35

We zouden er niet naar moeten verlangen om hier te blijven leven, o eerbiedwaardigen; laat ons niet talmen en vandaag nog naar Prabhâsa gaan, naar die zo heel heilige plaats der vroomheid [**].

My dear respected elders, we must not remain any longer in this place if we wish to keep our lives intact. Let us go this very day to the most pious place Prabhâsa. We have no time to delay.

 

 Tekst 36

De koning van de sterren [de maangod] gegrepen door de tering vanwege een vloek van Daksha, nam er eens een bad, raakte terstond bevrijd van de terugslag van zijn zonde en hervatte het wassen met zijn fasen.

Once, the moon was afflicted with consumption because of the curse of Daksha, but just by taking bath at Prabhâsa-kshetra, the moon was immediately freed from his sinful reaction and again resumed the waxing of his phases.

 

 Tekst 37-38

Ook wij naar de voldoening der voorvaderen een bad nemend in die plaats, de goddelijken en de aanbiddelijken der geleerdheid te eten gevend met offers van verschillende smaken voedsel en eveneens giften uitdelend met geloof in hen als zijnde geschikte kandidaten voor de liefdadigheid, zullen door onze goedgeefsheid, als met boten over een oceaan, het gevaar overwinnen.'

By bathing at Prabhâsa-kshetra, by offering sacrifice there to placate the forefathers and demigods, by feeding the worshipable brâhmanas with various delicious foodstuffs and by bestowing opulent gifts upon them as the most suitable candidates for charity, we will certainly cross over these terrible dangers through such acts of charity, just as one can cross over a great ocean in a suitable boat.

 

 Tekst 39

S'rî S'uka zei: 'O kind van de Kuru's, de Yâdava's, aldus door de Fortuinlijke geïnstrueerd tot een besluit gekomen, spanden hun paarden voor hun wagens om zich te begeven naar de heilige plaats.

S'ukadeva Gosvâmî said: O favorite son of the Kurus, thus advised by the Personality of Godhead, the Yâdavas made up their minds to go to that holy place, Prabhâsa-kshetra, and thus yoked their horses to their chariots.

 

 Tekst 40-41

O Koning, Uddhava [zie ook 3.2 en 10.46 & 47], als een immer trouwe volgeling van Krishna vernemend over dat wat door de Heer was gezegd, benaderde, met voor ogen de angstwekkende, slechte voortekenen [zie ook 1.14: 2-5], in het privé de Ene Beheerser der Beheersers van Heel het Levende Universum en richtte, aan Zijn voeten zijn hoofd voorover buigend, zich tot Hem met gevouwen handen.

My dear King, Uddhava was a constantly faithful follower of Lord Krishna. Upon seeing the imminent departure of the Yâdavas, hearing from them of the Lord's instructions and taking note of the fearful omens, he approached the Personality of Godhead in a private place. He bowed down with his head at the lotus feet of the supreme controller of the universe and with folded hands addressed Him as follows.

 

 Tekst 42

S'rî Uddhava zei: 'O Heer en God der Goden, o Meester van de Yoga, o Vroomheid van het Luisteren en Zingen, met het terugtrekken van deze familie uit deze wereld, zegt U dat, hoewel U er als de alles-doorvarende goedertierende Beheerser toe in staat bent de vloek der geschoolden te herroepen, U dat niet kunt doen!

S'rî Uddhava said - O my Lord, O supreme God among all the demigods, real piety is invoked simply by hearing and chanting Your transcendental glories. My Lord, it appears that You will now withdraw Your dynasty, and thus You Yourself will finally give up Your pastimes within this universe. You are the supreme controller and the master of all mystic power. But although You are fully capable of counteracting the brâhmanas' curse against Your dynasty, You are not doing so, and Your disappearance is imminent.

 

 Tekst 43

Ik kan het zelfs niet voor een onderdeel van een seconde verdragen om Uw lotusvoeten te verlaten, o Kes'ava; alstUblieft neem ook mij mee naar Uw verblijfplaats o Meester [zie ook 3.29: 13].

O Lord Kes'ava, my dear master, I cannot tolerate giving up Your lotus feet even for a fraction of a moment. I urge You to take me along with You to Your own abode.

 

 Tekst 44

Uw zo hoogst goedgunstige spel en vermaak, o Krishna, is nectar voor mensenoren; als ze eenmaal de smaak te pakken hebben laten de mensen hun verlangens naar andere zaken varen.

O my dear Krishna, Your pastimes are supremely auspicious for mankind and are an intoxicating beverage for the ears. Tasting such pastimes, people forget their desires for other things.

 

 Tekst 45

Hoe kunnen wij, de toegewijden van U, het allerbeminste Zelf, in ons neerliggen, zitten, lopen, staan, baden, recreëren en eten en dergelijke, U nu ooit vaarwel zeggen?

My dear Lord, You are the Supreme Soul, and thus You are most dear to us. We are Your devotees, and how can we possibly reject You or live without You even for a moment? Whether we are lying down, sitting, walking, standing, bathing, enjoying recreation, eating or doing anything else, we are constantly engaged in Your service.

 

 Tekst 46

Met het eten van het overgebleven voedsel en opgesierd zijn met de bloemenslingers, de geuren, de kleding en de sierselen reeds door U genoten, zullen wij, Uw dienaren, voorzeker de illusieverwekkende energie overwinnen.

Simply by decorating ourselves with the garlands, fragrant oils, clothes and ornaments that You have already enjoyed, and by eating the remnants of Your meals, we, Your servants, will indeed conquer Your illusory energy.

 

 Tekst 47

De slechts in lucht geklede zondenloze leden van de wereldverzakende orde die als wijzen van strikte naleving steeds hun zaad omhoog laten gaan, gaan naar de verblijfplaats bekend als brahman [zie ûrdhva retah en ook 10.2: 32].

Naked sages who seriously endeavor in spiritual practice, who have raised their semen upward, who are peaceful and sinless members of the renounced order, attain the spiritual abode called Brahman.

 

 Tekst 48-49

Anderzijds zullen wij, o Grootste der Yogî's, rondtrekkend in deze wereld langs de wegen der baatzuchtige arbeid, samen met Uw toegewijden, de moeilijk te overwinnen duisternis te boven komen door de onderwerpen te bespreken waarmee we ons Uw daden, woorden, bewegingen, brede glimlachen, blikken en liefdesavonturen in navolging van de menselijke wereld heugen en verheerlijken.'

O greatest of mystics, although we are conditioned souls wandering on the path of fruitive work, we will certainly cross beyond the darkness of this material world simply by hearing about Your Lordship in the association of Your devotees. Thus we are always remembering and glorifying the wonderful things You do and the wonderful things You say. We ecstatically recall Your amorous pastimes with Your confidential conjugal devotees and how You boldly smile and move about while engaged in such youthful pastimes. My dear Lord, Your loving pastimes are bewilderingly similar to the activities of ordinary people within this material world.

 

  Tekst 50

S'rî S'uka zei: 'Op deze manier verzocht, o Koning, sprak de Opperheer, de zoon van Devakî, in het privé uitvoerig tot de geliefde dienaar Uddhava.'  

S'ukadeva Gosvâmî said: O King Parîkshit, thus addressed, the Supreme Personality of Godhead, Krishna, the son of Devakî, began to reply confidentially to His dear, unalloyed servant Uddhava.

 

*: Tijd in drieën kan worden beschouwd als de drie soorten seizoenen, zomer, winter en voorjaar/herfst of als de drie naar de cyclische orde, de cakra, van de zon, de maan en de sterren, in de zin van verleden, heden en toekomst en als de tijd van de natuur, de cultuur en het psychologisch ervaren [zie ook tri-kâlika, 5.22: 2, tijdcitaten en de B.G. 10.30 & 33, 11: 32].

**: Prabhâsa is een beroemde heilige plaats zich bevindend in de buurt van het Veraval treinstation, in de streek van Junagarah. Aan de voet van dezelfde pippala-boom waaronder Heer Krishna werd beweerd te hebben neergelegen bevindt zich nu een tempel. Een mijl verderop van de boom vandaan, aan de kust, is er de Vîra-prabhañjana Mathha, en men zegt dat vanaf dat punt de jager Jarâ de pijl afschoot welke het einde markeerde van Zijn aardse bestaan [zoals beschreven in de laatste twee hoofdstukken van dit Canto].

 

 

 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
De afbeelding van de Tijd op deze pagina is van
Johannes Ptok
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties