regelbalk



 

 

Canto 3

Nârada Muni

 

 

Hoofdstuk 11: De Indeling van de Tijd zich Uitbreidend vanuit het Atoom

(1) Maitreya zei: 'Men moet weten dat de uiteindelijke aanwezigheid van dat wat zichzelf in het vele toont als het ondeelbare, bestaat uit een oneindig klein deeltje [paramânu] waarvan de combinatie [in verschillende vormen] illusie opwekt in de mens. (2) De opperste eenheid van dat deeltje dat aanwezig is in de materiële vormen, behoudt zijn oorspronkelijke gedaante tot het einde der tijden, het is van een eeuwigdurende, onovertroffen uniformiteit. (3) De tijd, mijn beste, die behalve dat hij gekend wordt als de ongemanifesteerde Almachtige Heer die alle fysieke actie beheerst, kan derhalve ook worden afgemeten aan de beweging van zowel de kleinste als de grootste vormen van deeltjescombinaties. (4) De tijd van dat kleinste deeltje bestaat uit de tijd die het nodig heeft om zich uit te strekken over [of te vibreren in] een bepaalde atomaire ruimte. De allergrootste tijd is de tijd die in beslag genomen wordt door het bestaan van het geheel van alle atomen.

(5) Twee oneindig kleine deeltjes vormen een atoom [een anu] en drie atomen vormen een trasarenu waaraan men wordt herinnerd met een straal zonlicht vallend door het latwerk van een raam waarin men iets [een stofdeeltje] in de lucht naar boven ziet bewegen. (6) De tijd in beslag genomen door de combinatie van drie trasarenu's wordt een truthi genoemd [1/16.875 seconde] waarvan er honderd een vedha worden genoemd. Drie van hen worden een enkele lava genoemd. (7) De tijdsduur van drie ervan staat gelijk aan één nimesha [± 0.53 seconde] en de tijd van drie van hen heet een kshana [± 1.6 seconde], vijf daarvan staan voor een kâshthhâ [± 8 seconden] en een laghu bestaat uit vijftien van hen [± 2 minuten]. (8) Een aantal van vijftien van die laghu's wordt een nâdikâ [of danda van ± 30 minuten] genoemd en twee van hen vormen één muhûrta [ongeveer een uur], terwijl zes tot zeven van hen een yâma vormen [een kwart van een lichtdag of een nacht] afhankelijk van de menselijke berekening [het seizoen of de breedtegraad]. (9) Het meetvat [de waterklok] heeft een gewicht van zes pala's [± 4 ons] met een vier mâsha [17 karaats] gouden peilstift van vier vingers lang die een gat bedekt waardoor het zich vult met water tot 'prastha' [volledig, tot het zinkt]. (10) Vier yâma's beslaan de duur van zowel de dag als de nacht van het menselijk wezen en vijftien dagen [van acht yâma's elk] vormen één pakshah [periode van twee weken] welke men gemeten kent als zijnde ofwel zwart ofwel wit [afhankelijk van het feit of er een volle maan dan wel een nieuwe maan in optreedt]. (11) Het samenstel van zo een 'dag' en 'nacht' wordt een voorouderlijke [traditionele of solaire] maand genoemd waarvan een tweetal een seizoen vormt. Zes van hen [resp. 'koude' of hemanta, 'dauw' of s'is'ira, 'lente' of vasanta, 'warmte' of grîshma, 'regen' of varshâs en 'herfst' of s'arad, gerekend vanaf de 22e december] stroken met de beweging van de zon gaande door de noordelijke en zuidelijke hemel. (12) Deze beweging van de zon wordt gezegd één dag van de halfgoden te vormen en wordt een vatsara genoemd [een tropisch jaar] van twaalf maanden. De levensduur van het menselijk wezen wordt geschat op een groot aantal [een honderdtal] van dergelijke jaren [zie ook de 'volledige kalender van orde'].

(13) De oneindig kleine deeltjes en hun combinaties, de planeten, de hemellichamen [zoals de maan] en de sterren, draaien allen rond in het universum om hun omloop in een jaar te volbrengen van het Almachtige [het cyclische, de sturing] van de eeuwige tijd. (14) We spreken van een omloop van de zon alsook van de omloop van een planeet, de omloop van onze sterren [in ons sterrenstelsel rond Sagittarius A in de hemel], de omloop van de maan en de omloop van de aarde, o Vidura, als zijnde één enkel [maar verschillend benoemd] jaar [resp. een sterrenjaar, een planetair jaar, een galactisch jaar, een lunatie en een tropisch jaar]. (15) Met achting voor al Zijn vijf verschillende typen van jaren moet men respect oefenen voor de Ene [Heer van de Tijd] die, verschillend van al het geschapene, Zich roert onder de naam van de Eeuwige Tijd en die, met Zijn energie op verschillende manieren de zaden van de schepping tot leven wekkend, gedurende de dag de duisternis van de levende wezens verdrijft. Door aldus offers te brengen, ontwikkelt men kwaliteit in het materieel bestaan.'

(16) Vidura zei: 'U gaf de maat aan van de uiteindelijke levensduur van de voorvaderen, de goden en de mensen. Kan u, o grote geleerde, nu een beschrijving geven van de tijdsperioden van de levens van de verheven zielen die meer dan een millennium beslaan? (17) O machtige meester, u kent de bewegingen van de Allerhoogste Heer in de gedaante van de eeuwige tijd, want u hebt, in de beheersing van de yoga, de ogen van een zelfgerealiseerde om het gehele universum te overzien.'

(18) Maitreya zei: 'De vier yuga's [tijdperken of millennia] genaamd Satya, Tretâ, Dvâpara en Kali beslaan tezamen ongeveer [één mahâyuga van] 12.000 godenjaren [welke ieder uit 360 vatsara's bestaan].  (19) De opeenvolgende yuga's beginnende met Satya-yuga zijn respectievelijk ieder vier, drie, twee en één maal 1.200 halfgodenjaren lang. (20) Experts zeggen dat de overgangsperioden aan het begin en einde van iedere yuga verschillende honderden godenjaren beslaan. Het zijn millennia [zoals het millennium waarin we nu leven] waarin allerlei soorten van religieuze activiteiten plaatsvinden. (21) Het plichtsbesef van de mensheid wat betreft zijn vier principes van dharma [die van satya, dayâ, tapas, s'auca; waarheid, mededogen, boete en zuiverheid] werd gedurende Satya-yuga naar behoren nageleefd, maar in de andere yuga's namen de principes geleidelijk aan de één na de ander af [eerst boete, dan mededogen, dan zuiverheid]. (22) Naast de duizend [mahâ-]yuga's die samen één dag van Brahmâ [van 4.32 miljard jaar] van de drie werelden uitmaken, mijn beste [de hemelse, svarga; aardse, martya en lagere, pâtâla werelden], is er ook een nacht die net zo lang duurt waarin de Schepper van het universum zich te rusten legt. (23) Na het einde van de nacht als een andere dag van Heer Brahmâ aanbreekt, begint de schepping van de drie werelden, die in totaal de levens van veertien Manu's beslaat, weer van voren af aan. (24) Iedere Manu geniet aldus een tijd van leven van iets meer dan eenenzeventig [mahâ-]yuga's.

(25) Na iedere Manu verschijnt de volgende ten tonele met inbegrip van zijn afstammelingen, de zeven wijzen, de godsbewusten en de koning van de halfgoden [Indra] alsook allen die hen volgen. (26) Dit is Heer Brahmâ's schepping van dag tot dag waarin de lagere dieren, de menselijke wezens, de voorvaderen en de halfgoden zich rondbewegen, verschijnend in de drie werelden op basis van hun karma. (27) Telkens als de ene Manu de andere opvolgt, spreidt de Allerhoogste Heer Zijn goedheid tentoon in Zijn verschillende incarnaties, als de Manu zelf en als anderen, en handhaaft Hij met het zich ontvouwen van Zijn goddelijke vermogens dit universum. (28) Aan het einde van de dag [van Brahmâ] staakt de Hoogmogende Tijd zijn manifestatie en verkeren daarop, met het volkomen geheel vervallen in duisternis, alle levende wezens in diepe stilte. (29) Precies zoals dat gaat met een gewone nacht, zijn al de drie werelden die uit het zicht verdwenen, daarbij verstoken van het licht van de zon en de maan. (30) Als de drie werelden in vuur en vlam gezet zijn door de kracht van het vuur dat voortkomt uit de mond van Heer Sankarshana [zie 3.8: 3], bewegen Bhrigu en andere bewoners die worden geteisterd door de hitte, zich van de wereld van de heiligen [Maharloka] naar de wereld van de goddelijke mensen [Janaloka, de volgende wereld van celibataire heiligen, zie 2.5: 38]. (31) Direct na het begin van de verwoesting van de drie werelden stromen al de zeeën over met gewelddadige winden en orkanen die de golven hoog opstuwen. (32) De Heer die in Zijn mystieke sluimering met gesloten ogen ligt op het bed van Ananta in het water, wordt verheerlijkt door de bewoners van de werelden van de godsbewuste mensen.

(33) Met de symptomen van de dagen en nachten van de voortgang van de tijd, wordt zijn [Brahmâ's] leven en worden ook onze levens beperkt tot een duur van honderd jaar, zij het dat het in zijn geval een honderdtal van zijn jaren duurt [met zijn leven bestaande uit twee parârdha's of twee maal 155.5 biljoen menselijke jaren, zie ook 3.9: 18]. (34) De eerste helft van zijn tijd van leven genaamd één parârdha is voorbij en nu zijn we in dit tijdperk begonnen met de tweede helft. (35) De superieure eerste helft begon met een grootse kalpa genaamd de Brâhma-kalpa waarin Heer Brahmâ zich manifesteerde die men kent als de [bron van de] Vedische klanken. (36) Aan het einde van die enorme tijdspanne kwam wat men de Pâdma-kalpa noemt tot stand waarin aan het waterbekken van de navel van de Heer de lotus van het universum ontsproot. (37) De huidige kalpa [aan het begin] van de tweede helft, o afstammeling van Bharata, wordt gevierd als die van Vârâha waarin de Heer verscheen in de gedaante van een everzwijn [zie 1.3: 7]. (38) De tijd afgemeten aan de twee helften van Brahmâ's leven beslaat voor de ongeboren, onveranderlijke en onbegrensde Ziel van het universum slechts een kort moment. (39) Deze eeuwige tijd die vanaf het allerkleinste deeltje reikt tot de uiteindelijke tijdsduur van twee parârdha's, is nimmer bepalend voor de Allerhoogste Heer, hij is de heerser over die zielen die zich met het lichaam identificeren. (40) Als een combinatie van de basiselementen en hun transformaties heeft dit manifeste universum zich uitgebreid tot een diameter van een half miljard [yojana's - een dynamische kosmische maat]. (41) [De ruimte van de oneindig kleine deeltjes, de oerether, pradhâna] breidde zich uit tot het tienvoudige [van de omvang van de zich eruit condenserende basiselementen en hun transformaties] die verschijnend als atomen er in binnengingen om samen te clusteren tot vele andere eivormige verblijfplaatsen [of sterrenstelsels]. (42) Die oorzaak aller oorzaken [waarin men al de universa aantreft] wordt de onvergankelijke Absolute Waarheid genoemd, het bovenzinnelijk verblijf van de rechtstreekse, persoonlijke manifestatie van de Opperziel: Heer Vishnu.'

Zie ook de pagina: "S'rîmad Bhâgavatam & Bhagavad Gîtâ Tijdcitaten".

 

next                       

 
Derde herziene editie, geladen 27 december 2016.

   

 

 

Vorige Aadhar-editie en Vedabase links:

Tekst 1

Maitreya zei: 'Men moet weten dat de uiteindelijke aanwezigheid van dat wat zichzelf in het vele toont als het ondeelbare, bestaat uit een oneindig klein deeltje [paramânu] waarvan de combinatie [in verschillende vormen] illusie opwekt in de mens.
Maitreya zei: 'De uiteindelijke waarheid van wat zichzelf in het vele toont als het ondeelbare, is altijd het atomaire waardoor de eenheid van de mens verkeerd wordt begrepen. (Vedabase)

  

Tekst 2

De opperste eenheid van dat deeltje dat aanwezig is in de materiële vormen behoudt zijn oorspronkelijke gedaante tot het einde der tijden, het is van een eeuwigdurende, onovertroffen uniformiteit.

Zeker wordt, van het ware der fysieke lichamen [der atomen] die dezelfde vorm behouden tot het einde der tijden, dat wat emancipeert naar het Allerhoogste steeds tot een onbeperkte hoeveelheid vormen samengesteld. (Vedabase)

Tekst 3

De tijd, mijn beste, die behalve dat hij gekend wordt als de ongemanifesteerde Almachtige Heer die alle fysieke actie beheerst, kan derhalve ook worden afgemeten aan de beweging van zowel de kleinste als de grootste vormen van deeltjescombinaties.

En zodoende, kan in relatie tot zowel de grove als de subtiele vormen, de tijd worden afgemeten, mijn beste, aan de beweging van de combinatie der atomen waarvan de Allerhoogste ongemanifesteerde Heer de grote kracht is die alle fysieke actie beheerst. (Vedabase)


Tekst 4

De tijd van dat kleinste deeltje bestaat uit de tijd die het nodig heeft om zich uit te strekken over [of te vibreren in] een bepaalde atomaire ruimte. De allergrootste tijd is de tijd die in beslag genomen wordt door het bestaan van het geheel van alle atomen.

Van die eeuwige tijd van de atomen verzekert men zich m.b.v. de gehele ruimte die tezamen door de atomen in hun enkelvoudige bestaan in beslag wordt genomen [hun expansie], welke het opperste of grote is van de [kosmische] tijd. (Vedabase)


Tekst 5

Twee oneindig kleine deeltjes vormen een atoom [een anu] en drie atomen vormen een trasarenu waaraan men wordt herinnerd met een straal zonlicht vallend door het latwerk van een raam waarin men iets [een stofdeeltje] in de lucht naar boven ziet bewegen.

Drie keer het dubbele van twee atomen wordt een hexatoom waaraan men wordt herinnerd door dat wat men kan zien oplichten in het oogvocht [als een stofdeeltje] dat zich naar boven beweegt als men in de lucht kijkt. (Vedabase)


Tekst 6

De tijd in beslag genomen door de combinatie van drie trasarenu's wordt een truthi genoemd [1/16.875 seconde] waarvan er honderd een vedha worden genoemd. Drie van hen worden een enkele lava genoemd.

De tijd gevormd door de combinatie van drie hexatomen [in hun uitbreiding naar de ruimte die ze in beslag nemen] wordt een truthi [berekend als 1/16.875 van een seconde] genoemd waarvan er honderd een vedha worden genoemd; drie van hen worden in geval enkel één lava genoemd. (Vedabase)

  

Tekst 7

De tijdsduur van drie ervan staat gelijk aan één nimesha [± 0.53 seconde] en de tijd van drie van hen heet een kshana [± 1.6 seconde], vijf daarvan staan voor een kâshthhâ [± 8 seconden] en een laghu bestaat uit vijftien van hen [± 2 minuten].

De tijdsduur van drie ervan moet men zien als één nimesha [± 0.53 seconde] en de tijd van drie van hen wordt een kshana genoemd [± 1.6 seconde], vijf daarvan moet men kennen als een kâshthhâ [± 8 seconden] waarvan een laghu er uit vijftien bestaat [± 2 minuten]. (Vedabase)

 

Tekst 8

Een aantal van vijftien van die laghu's wordt een nâdikâ [of danda van ± 30 minuten] genoemd en twee van hen vormen één muhûrta [ongeveer een uur], terwijl zes tot zeven van hen een yâma vormen [een kwart van een lichtdag of een nacht] afhankelijk van de menselijke berekening [het seizoen of de breedtegraad].

Precies vijftien van die laghu's wordt een nâdikâ [of danda, ± 30 minuten] genoemd en twee van hen vormen één muhûrta [ongeveer een uur] terwijl zes tot zeven van hen een yâma vormen [een kwart van een lichtdag of een nacht] afhankelijk van de menselijke rekening [het seizoen of de breedtegraad]. (Vedabase)
  

Tekst 9

Het meetvat [de waterklok] heeft een gewicht van zes pala's [± 4 ons] met een vier mâsha [17 karaats] gouden peilstift van vier vingers lang die een gat bedekt waardoor het zich vult met water tot 'prastha' [volledig, tot het zinkt].

Het meetvat [de waterklok] heeft een gewicht van zes pala's [± 4 ons] en een vier mâsha [17 karaats] gouden peilstift van vier vingers lang die een gat bedekt waardoor het zich vult met water tot de volgende zonsopgang. (Vedabase)

 

Tekst 10

Vier yâma's beslaan de duur van zowel de dag als de nacht van het menselijk wezen en vijftien dagen [van acht yâma's elk] vormen één pakshah [periode van twee weken] welke men gemeten kent als zijnde ofwel zwart ofwel wit [afhankelijk van het feit of er een volle maan dan wel een nieuwe maan in optreedt].

Vier yâma's beslaan de duur van zowel de dag als de nacht van het menselijk wezen en vijftien dagen [van acht yâma's elk] vormen één pakshah [periode van twee weken] welke men gemeten kent als zijnde ofwel zwart ofwel wit [afhankelijk van het feit of er een volle maan dan wel een nieuwe maan in optreedt]. (Vedabase)

 

Tekst 11

Het samenstel van zo een 'dag' en 'nacht' wordt een voorouderlijke [traditionele of solaire] maand genoemd waarvan een tweetal een seizoen vormt. Zes van hen [resp. 'koude' of hemanta, 'dauw' of s'is'ira, 'lente' of vasanta, 'warmte' of grîshma, 'regen' of varshâs en 'herfst' of s'arad, gerekend vanaf de 22e december] stroken met de beweging van de zon gaande door de noordelijke en zuidelijke hemel.

Het samenstel van zo een 'dag' en 'nacht' wordt een voorouderlijke [traditionele of solaire] maand genoemd waarvan een tweetal een seizoen vormt waarvan er zes zijn [resp. 'koude' of hemanta, 'dauw' of s'is'ira, 'lente' of vasanta, 'warmte' of grîshma, 'regen' of varshâs en 'herfst' of s'arad, gerekend vanaf de 22-e dec.] overeenkomstig de beweging van de zon zoals die gaat door de noordelijke en zuidelijke hemel. (Vedabase) 

 

Tekst 12

Deze beweging van de zon wordt gezegd één dag van de halfgoden te vormen en wordt een vatsara genoemd [een tropisch jaar] van twaalf maanden. De levensduur van het menselijk wezen wordt geschat op een groot aantal [een honderdtal] van dergelijke jaren [zie ook de 'volledige kalender van orde'].

Deze beweging van de zon wordt gezegd één dag van de halfgoden te vormen en wordt een vatsara genoemd [een tropisch jaar] van twaalf maanden. De levensduur van het menselijk wezen wordt geschat op een groot aantal [een honderdtal] van dergelijke jaren [zie ook de 'volledige kalender van orde']. (Vedabase)

    

Tekst 13

De oneindig kleine deeltjes en hun combinaties, de planeten, de hemellichamen [zoals de maan] en de sterren, draaien allen rond in het universum om hun omloop in een jaar te volbrengen van het Almachtige [het cyclische, de sturing] van de eeuwige tijd.

De planeten, de hemellichamen [zoals de maan] en de sterren draaien allemaal samen met de atomen rond in het universum hun omloopbanen voltooiend als een jaar in het Almachtige [of cyclische] van het eeuwige van de tijd. (Vedabase)

  

Tekst 14

We spreken van een omloop van de zon alsook van de omloop van een planeet, de omloop van onze sterren [in ons sterrenstelsel rond Sagittarius A in de hemel], de omloop van de maan en de omloop van de aarde, o Vidura, als zijnde één enkel [maar verschillend benoemd] jaar [resp. een sterrenjaar, een planetair jaar, een galactisch jaar, een lunatie en een tropisch jaar].

De omwenteling rond de zon van de aarde als ook van de andere planeten, het ronddraaien van onze sterren [in ons sterrenstelsel rond Sagittarius A in de hemel] en ook de omloop van de maan, is o Vidura, aldus besproken als zijnde één [maar verschillend benoemd] jaar [resp. tropisch jaar, galactisch jaar, lunatie]. (Vedabase)

 

Tekst 15

Met achting voor al Zijn vijf verschillende typen van  jaren moet men respect oefenen voor de Ene [Heer van de Tijd] die, verschillend van al het geschapene, Zich roert onder de naam van de Eeuwige Tijd en die, met Zijn energie op verschillende manieren de zaden van de schepping tot leven wekkend, gedurende de dag de duisternis van de levende wezens verdrijft. Door aldus offers te brengen, ontwikkelt men kwaliteit in het materieel bestaan.'

De Ene [Heer van de Tijd] die zich los van alle verscheidenheid beweegt onder de naam van de Eeuwige Tijd [de cyclische en lineaire tijd gecombineerd] en middels Zijn eigen energie op verschillende manieren de zaden van de schepping tot leven wekt en gedurende de dag de duisternis verdrijft, moet aandacht worden geschonken met achting voor al Zijn vijf verschillende typen van [dynamische] jaren [het zonnejaar, het galactische jaar, het planetaire jaar, de lunatie of welk jaar van viering ook], zodat men aldus door offers te brengen kwaliteit voortbrengt in het materieel bestaan. (Vedabase)
 

Tekst 16

Vidura zei: 'U gaf de maat aan van de uiteindelijke levensduur van de voorvaderen, de goden en de mensen. Kan u, o grote geleerde, nu een beschrijving geven van de tijdsperioden van de levens van de verheven zielen die meer dan een millennium beslaan?

Vidura zei: 'Gegeven het traditionele, goddelijke en menselijke van de uiteindelijke berekening in het meten van de tijdsperioden van de levens van al de verheven levende bestaansvormen, wat zou dan de berekening van de tijdsperioden zijn die meer dan een millennium beslaan, o hoogst geleerde? (Vedabase)

 

Tekst 17

O machtige meester, u kent de bewegingen van de Allerhoogste Heer in de gedaante van de eeuwige tijd, want u hebt, in de beheersing van de yoga, de ogen van een zelfgerealiseerde om het gehele universum te overzien.'

O machtige van de Geest, bij genade van de ogen van uw yogavisie bent u degene die in uw zelfverwerkelijking van het eeuwige van de tijd de bewegingen van de Allerhoogste Heer in de gedaante van het gehele universum ziet.' (Vedabase)


Tekst 18

Maitreya zei: 'De vier yuga's [tijdperken of millennia] genaamd Satya, Tretâ, Dvâpara en Kali beslaan tezamen ongeveer [één mahâyuga van] 12.000 godenjaren [welke ieder uit 360 vatsara's bestaan].

Maitreya zei: 'De vier yuga's [tijdperken of millennia] genaamd Satya, Tretâ, Dvâpara en Kali beslaan tezamen ongeveer [één mahâyuga van] 1.2000 halfgoden-jaren [welke ieder 360 vatsara's worden toegekend]. (Vedabase)


Tekst 19

De opeenvolgende yuga's beginnende met Satya-yuga zijn respectievelijk ieder vier, drie, twee en één maal 1.200 halfgodenjaren lang.

De opeenvolgende yuga's beginnende met Satya-yuga zijn respectievelijk ieder vier, drie, twee en één maal 1.200 halfgodenjaren lang. (Vedabase)

 

Tekst 20

Experts zeggen dat de overgangsperioden aan het begin en einde van iedere yuga verschillende honderden godenjaren beslaan. Het zijn millennia [zoals het millennium waarin we nu leven] waarin allerlei soorten van religieuze activiteiten plaatsvinden.

Experts zeggen dat de overgangsperioden aan het begin en einde van iedere yuga verschillende honderden halfgodenjaren beslaan en dat dat de millennia zijn [zoals de millennia waarin we nu leven] waarin allerlei soorten van religieuze activiteiten plaatsvinden. (Vedabase)

 

Tekst 21

Het plichtsbesef van de mensheid wat betreft zijn vier principes van dharma [die van satya, dayâ, tapas, s'auca; waarheid, mededogen, boete en zuiverheid] werd gedurende Satya-yuga naar behoren nageleefd, maar in de andere yuga's namen de principes geleidelijk aan de één na de ander af [eerst boete, dan mededogen, dan zuiverheid].

Het volledige plichtsbesef van de mensheid in zijn vier principes der religie [die van satya, dayâ, tapas, s'auca; waarheid, mededogen, boete en reinheid] werd gedurende Satya-yuga naar behoren nageleefd, maar voorzeker in de andere yuga's namen de principes geleidelijk aan de één na de ander af met het naar verhouding meer en meer toestaan van het niet-religieuze. (Vedabase)

 

Tekst 22

Naast de duizend [mahâ-]yuga's die samen één dag van Brahmâ [van 4.32 miljard jaar] van de drie werelden uitmaken, mijn beste [de hemelse, svarga; aardse, martya en lagere, pâtâla werelden], is er ook een nacht die net zo lang duurt waarin de Schepper van het universum zich te rusten legt.

Behalve het duizendtal [mahâ-]yuga's voor de drie werelden [de hemelse, svarga; aardse, martya en lagere, pâtâla werelden] in het bereik van het Absolute [Brahmaloka] die voorzeker één dag van Brahmâ vormt [van 4.32 miljard jaar], o mijn beste, is er ook een nacht die net zo lang is en waarin de Schepper van het universum zich ten ruste legt. (Vedabase)

 

Tekst 23

Na het einde van de nacht als een andere dag van Heer Brahmâ aanbreekt, begint de schepping van de drie werelden, die in totaal de levens van veertien Manu's beslaat, weer van voren af aan.

Volgend op het einde van de nacht met het begin van een andere dag van Heer Brahmâ neemt de schepping van de drie werelden weer opnieuw een aanvang, in zijn totaliteit de levens van veertien Manu's beslaand. (Vedabase)

 

Tekst 24

Iedere Manu geniet aldus een tijd van leven van iets meer dan eenenzeventig [mahâ-]yuga's.

Iedere Manu geniet een tijd van leven van iets meer dan eenenzeventig [mahâ- d.w.z. een samenstel van vier] yuga's. (Vedabase)

 

Tekst 25

Na iedere Manu verschijnt de volgende ten tonele met inbegrip van zijn afstammelingen, de zeven wijzen, de godsbewusten en de koning van de halfgoden [Indra] alsook allen die hen volgen.

Met het eindigen van iedere Manu, komt daarop de volgende met de bloei van zijn afstammelingen, de zeven wijzen, de godsbewusten en de halfgoden met allen die hen navolgen. (Vedabase)

 

Tekst 26

Dit is Heer Brahmâ's schepping van dag tot dag waarin de lagere dieren, de menselijke wezens, de voorvaderen en de halfgoden zich rondbewegen, verschijnend in de drie werelden op basis van hun karma.

 Al deze scheppingen van de lagere dieren, de menselijke wezens, de voorvaderen en de halfgoden die behoren tot de ene schepping van een dag van Brahmâ, bewegen zich rond door de drie werelden daarin optredend in de cycli van hun eigen vruchtdragende activiteiten. (Vedabase)


Tekst 27

Telkens als de ene Manu de andere opvolgt, spreidt de Allerhoogste Heer Zijn goedheid tentoon in Zijn verschillende incarnaties, als de Manu zelf en als anderen, en handhaaft Hij met het zich ontvouwen van Zijn goddelijke vermogens dit universum.

Bij de wisseling van iedere Manu manifesteert de Allerhoogste Heer Zijn goedheid in Zijn verschillende incarnaties als de Manu Zelve die dit universum onderhoudt voor het zich ontvouwen van de goddelijke vermogens. (Vedabase)

 

Tekst 28

Aan het einde van de dag [van Brahmâ] staakt de Hoogmogende Tijd zijn manifestatie en verkeren daarop, met het volkomen geheel vervallen in duisternis, alle levende wezens in diepe stilte.

Op het einde van de dag [van Brahmâ] wordt door de Hoogmogende Tijd alle macht van manifestie ingetrokken en blijven, met de materiële wereld samengetrokken in de duisternis, alle levende wezens stil in hun opgegaan zijn. (Vedabase)

 

Tekst 29

Precies zoals dat gaat met een gewone nacht, zijn al de drie werelden die uit het zicht verdwenen, daarbij verstoken van het licht van de zon en de maan.

Voorzeker moeten daarna al de werkelijkheden van de drie werelden die de nacht van Brahmâ binnengingen, precies zoals dat is met een gewone nacht, het stellen zonder het schijnsel van de zon en de maan. (Vedabase)

 

Tekst 30

Als de drie werelden in vuur en vlam gezet zijn door de kracht van het vuur dat voortkomt uit de mond van Heer Sankarshana [zie 3.8: 3], bewegen Bhrigu en andere bewoners die worden geteisterd door de hitte, zich van de wereld van de heiligen [Maharloka] naar de wereld van de goddelijke mensen [Janaloka, de volgende wereld van celibataire heiligen, zie 2.5: 38].

Als de levenssferen van de drie werelden in vuur en vlam gezet zijn door de kracht van het vuur dat voortkomt uit de mond van Heer Sankarshana [zie 3-8: 3], dan bewegen zich de wijze Bhrigu en anderen die aangedaan zijn door de hitte zich van de wereld van de heiligen [Maharloka, de vierde wereld] naar de wereld van de mensen [Janaloka, de volgende wereld]. (Vedabase)

 

Tekst 31

Direct na het begin van de verwoesting van de drie werelden stromen al de zeeën over met gewelddadige winden en orkanen die de golven hoog opstuwen.

Onmiddellijk volgend op het begin van de verwoesting van de drie werelden stromen al de zeeën over met de verstoring van gewelddadige winden en orkanen die de golven opblazen. (Vedabase)

 

Tekst 32

De Heer die in Zijn mystieke sluimering met gesloten ogen ligt op het bed van Ananta in het water, wordt verheerlijkt door de bewoners van de werelden van de godsbewuste mensen.

In het water wordt daar op de zetel van Ananta de Heer in Zijn mystieke sluimering met Zijn gesloten ogen verheerlijkt door de bewoners van de werelden der mensen. (Vedabase)

 

Tekst 33

Met de symptomen van de dagen en nachten van de voortgang van de tijd, wordt zijn [Brahmâ's] leven en worden ook onze levens beperkt tot een duur van honderd jaar, zij het dat het in zijn geval een honderdtal van zijn jaren duurt [met zijn leven bestaande uit twee parârdha's of twee maal 155.5 biljoen menselijke jaren, zie ook 3.9: 18].

Op die manier is er in de loop van de tijd neergang door deze dagen en nachten van het eindigen van zijn [Brahmâ's] leven precies zoals dat is met onze levens, ookal duurt het een honderdtal jaren [voor hem: twee parârdha's of twee maal 155.5 biljoen jaar, zie ook 3.9: 18]. (Vedabase)


Tekst 34

De eerste helft van zijn tijd van leven genaamd één parârdha is voorbij en nu zijn we in dit tijdperk begonnen met de tweede helft.

De eerste helft van zijn tijd van leven genaamd één parârdha is nu voorbij en zeker zijn we in dit tijdperk begonnen met de tweede helft. (Vedabase)

 

Tekst 35

De superieure eerste helft begon met een grootse kalpa genaamd de Brâhma-kalpa waarin Heer Brahmâ zich manifesteerde die men kent als de [bron van de] Vedische klanken.

In het begin van de superieure eerste helft was er een millennium genaamd de Brâhma-kalpa waarin het grote zich manifesteerde waarop Heer Brahmâ en de bekende geluiden van de Veda verschenen. (Vedabase)

 

Tekst 36

Aan het einde van die enorme tijdspanne kwam wat men de Pâdma-kalpa noemt tot stand waarin aan het waterbekken van de navel van de Heer de lotus van het universum ontsproot.

En daarop aan het einde van het Brâhma-millennium kwam wat de Pâdma-kalpa genoemd wordt tot stand waarin uit de navel van de Heer de lotus van het universum ontsproot. (Vedabase)

 

Tekst 37

De huidige kalpa [aan het begin] van de tweede helft, o afstammeling van Bharata, wordt gevierd als die van Vârâha waarin de Heer verscheen in de gedaante van een everzwijn [zie 1.3: 7].

Dit huidige millennium aan het begin van de tweede helft wordt in feite gevierd, o afstammeling van Bharata, als die van Vârâha waarin de Heer verscheen in de gedaante die is als die van een zwijn [zie 1.3: 7]. (Vedabase)

 

Tekst 38

De tijd afgemeten aan de twee helften van Brahmâ's leven beslaat voor de ongeboren, onveranderlijke en onbegrensde Ziel van het universum slechts een kort moment.

Deze eeuwige tijd van de twee helften van Brahmâ's leven is slechts een seconde vergeleken bij de onveranderlijke, onbegrensde Ziel van het universum die zeker zonder een aanvang is. (Vedabase)


Tekst 39

Deze eeuwige tijd die vanaf het allerkleinste deeltje reikt tot de uiteindelijke tijdsduur van twee parârdha's, is nimmer bepalend voor de Allerhoogste Heer, hij is de heerser over die zielen die zich met het lichaam identificeren.

Deze eeuwige tijd die, beginnend vanaf het atoom reikend tot aan de uiteindelijke tijdsduur van twee parârdha's, de heerser is over hen die van het lichamelijk bewustzijn zijn, is voorzeker nimmer in staat te heersen over het Allerhoogste. (Vedabase)

 

Tekst 40

Als een combinatie van de [acht] basiselementen en hun [zestien] transformaties heeft dit manifeste universum zich uitgebreid tot een diameter van een half miljard [yojana's - een dynamische kosmische maat].

Tezamen met de transformatie van de elementen expandeerden de vandaaruit verenigde manifestaties zich naar buiten met een universum van een half miljard. (Vedabase)


Tekst 41

[De ruimte van de oneindig kleine deeltjes, de oerether, pradhâna] breidde zich uit tot het tienvoudige [van de omvang van de zich eruit condenserende basiselementen en hun transformaties] die verschijnend als atomen er in binnengingen om samen te clusteren tot vele andere eivormige verblijfplaatsen [of sterrenstelsels].

Vergroot tot het tienvoudige kwamen deze eenheden [of de secundaire elementen] die er gelijk atomen in binnengingen klaarblijkelijk bijeen en groepeerden ze zich tezamen in enorme universa [of sterrenstelsels]. (Vedabase)
 

Tekst 42

Die oorzaak aller oorzaken [waarin men al de universa aantreft] wordt de onvergankelijke Absolute Waarheid genoemd, het bovenzinnelijk verblijf van de rechtstreekse, persoonlijke manifestatie van de Opperziel: Heer Vishnu.'

Daarvan zegt men dat het de onfeilbare allerhoogste oorzaak aller oorzaken, de hemelse woning van de Handhaver en zonder twijfel de oorspronkelijke incarnatie van de persoon van de Universele Geest is [Mahâ-Vishnu].' (Vedabase)

 


 

 

 

 

 

 

Creative Commons License
De tekst en de audio worden aangeboden onder de
Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.

De afbeelding is een vervloeiing door Anand Aadhar van twee schilderijen.
De ene is getiteld: 'Clock' en is © van
Vlad Holst (gebruikt met toestemming),
de andere is getiteld: 'Gopala' en is © van
Johannes Ptok.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd.
 

 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties