
Bronteksten
[geen voorgaande versie in het Nederlands
beschikbaar]:
Nârada
Concludes His Teachings to Vasudeva
Tekst
1:
De
achtenswaardige koning [Nimi] zei: 'O u volmaakt in de
kennis van de ziel, wat is de bestemming van hen die, zo goed
als nooit Hari de Allerhoogste Persoonlijkheid aanbiddend
[zie ook 11.3:
*4], niet
in vrede met hun lusten de controle over zichzelf kwijt
zijn?'
King
Nimi further inquired - My dear Yogendras, all of you are
most perfect in knowledge of the science of the self.
Therefore, kindly explain to me the destination of those who
for the most part never worship the Supreme Personality of
Godhead, Hari, who are unable to quench their material
desires and who are not in control of their own
selves.
Tekst
2:
S'rî
Camasa zei: 'Van het gezicht, de armen, de dijbenen, en de
voeten van de Oorspronkelijke Persoon werden met de drie
geaardheden van de natuur [in verschillende
combinaties
*] de vier
geestelijke orden [of âs'rama's] en roepingen
[of varna's] met de brahmanen voorop gaand gegenereerd
[zie ook B.G. 4:
13].
S'rî
Camasa said - Each of the four social orders, headed by the
brâhmanas, was born through different combinations of
the modes of nature, from the face, arms, thighs and feet of
the Supreme Lord in His universal form. Thus the four
spiritual orders were also generated.
Tekst
3:
Welk lid van
hen dan ook die, niet van aanbidding, minachting koestert voor
de Oorspronkelijke Persoon die rechtstreeks de uitnemendheid
van hun ziel en de Allerhoogste Beheerser is, zal, van zijn
positie afgedwaald, ten val komen [zie B.G.
16:
23].
If
any of the members of the four varnas and four
âs'ramas fail to worship or intentionally disrespect
the Personality of Godhead, who is the source of their own
creation, they will fall down from their position into a
hellish state of life.
Tekst
4:
Er zijn vele
mensen verre van de verhandelingen over de Vernietiger [van
de zonde; de Heer] die nimmer denken aan de heerlijkheden
van de Onfeilbare; zij, wat dat betreft slechts vrouwen
[vergelijk 5.17:
15] en
s'ûdra's en dergelijke, zijn degenen die de genade van
persoonlijkheden als u verdienen.
There
are many persons who have little opportunity to take part in
discussions about the Supreme Personality of Godhead, Hari,
and thus it is difficult for them to chant His infallible
glories. Persons such as women, s'ûdras and other
fallen classes always deserve the mercy of great
personalities like yourself.
Tekst
5
En dan nog
raken zelfs de intellectuelen, de edelen en de kooplieden, die
het [door initiatie] is toegestaan de Heer Zijn
lotusvoeten te benaderen, verbijsterd in hun betrokkenheid bij
[allerlei soorten van] filosofieën [zie ook
5.6:
11, B.G.
2:
42-43].
On
the other hand, brâhmanas, members of the royal order
and vais'yas, even after being allowed to approach the lotus
feet of the Supreme Lord, Hari, by receiving the second
birth of Vedic initiation, can become bewildered and adopt
various materialistic philosophies.
Tekst
6
Onwetend over
het karma en arrogant, spreken studiehoofden, zichzelf heel
geleerd achtend, verrukt met mooie woorden zich uit in
ophemelende verhandelingen waardoor ze de draad kwijt raken
[zie ook B.G. 9:
3].
Ignorant
of the art of work, such arrogantly proud fools, enchanted
and enlivened by the sweet words of the Vedas, pose as
learned authorities and offer flattering entreaties to the
demigods.
Tekst
7
Vol van
hartstocht en ontaard in hun begeerten zijn ze zo kwaad als
slangen, bedrieglijk en ingebeeld en drijven ze zondig de spot
met hen die Acyuta dierbaar zijn.
Due
to the influence of the mode of passion, the materialistic
followers of the Vedas become subject to violent desires and
are excessively lusty. Their anger is like that of a snake.
Deceitful, overly proud, and sinful in their behavior, they
mock the devotees who are dear to Lord Acyuta.
Tekst
8
Als
vrouwenaanbidders onderhouden ze zich met elkaar in hun huizen
met het aanmoedigen en aanbidden van de sex als het hoogste
goed; zonder het uitdelen van voedsel en doen van schenkingen
uit dankbaarheid [voor de spirituele/geestelijke leiders en
hun volgelingen], in acht te nemen, denken ze enkel en
alleen aan hun eigen levensonderhoud en doden ze, zich niet
bewust van de gevolgen, de dieren [zie ook B.G.
16].
The
materialistic followers of Vedic rituals, giving up the
worship of the Lord, instead practically worship their
wives, and thus their homes become dedicated to sex life.
Such materialistic householders encourage one another in
such whimsical behavior. Understanding ritualistic sacrifice
as a necessary item for bodily maintenance, they perform
unauthorized ceremonies in which there is no distribution of
foodstuffs or charity to the brâhmanas and other
respectable persons. Instead, they cruelly slaughter animals
such as goats without any understanding of the dark
consequences of their activities.
Tekst
9
Met hun
intelligentie verblind door de trots ontleend aan hun weelde,
speciale talenten, afkomst, scholing, verzaking, schoonheid,
kracht en het volbrengen van rituelen, koesteren ze met een
hart van steen minachting voor de geheiligden die de Heer lief
zijn en de Beheerser Zelve erbij inbegrepen [zie ook e.g.:
1.8:
26,
4.2:
24,
4.31:
21,
5.1:
12,
7.15:
19,
8.22:
26 en B.G.
2.42-43].
The
intelligence of cruel-minded persons is blinded by false
pride based on great wealth, opulence, prestigious family
connections, education, renunciation, personal beauty,
physical strength and successful performance of Vedic
rituals. Being intoxicated with this false pride, such cruel
persons blaspheme the Supreme Personality of Godhead and His
devotees.
Tekst
10
De Ziel van de
Meest Aanbiddelijke Beheerser die net als de ether voor eeuwig
zich ophoudt in alle belichaamde wezens, is de Uiteindelijke
Beheerser verheerlijkt door de Veda's, maar de onintelligenten
slaan er geen acht op; ze gaan liever door met het bespreken
van de onderwerpen van hun eigen grillige zingenoegens.
The
Personality of Godhead is eternally situated within the
heart of every embodied being; still the Lord remains
situated apart, just as the sky, which is all-pervading,
does not mix with any material object. Thus the Lord is the
supreme worshipable object and the absolute controller of
everything. He is elaborately glorified in the Vedic
literature, but those who are bereft of intelligence do not
like to hear about Him. They prefer to waste their time
discussing their own mental concoctions, which inevitably
deal with gross material sense gratification such as sex
life and meat-eating.
Tekst
11
Het verslingerd
zijn aan de sex en het consumeren van vlees en alcohol dat
inderdaad steeds wordt aangetroffen in het geconditioneerde
levende wezen wordt waarlijk door geen schriftuurlijk gebod
ondersteund; wat in dezen is voorgeschreven voor
[respectievelijk] het huwelijk, de offerplechtigheid en
het ritueel gebruik van wijn, is er voor het doel daar een
einde aan te maken [zie ook 1.17:
38-39].
In
this material world the conditioned soul is always inclined
to sex, meat-eating and intoxication. Therefore religious
scriptures never actually encourage such activities.
Although the scriptural injunctions provide for sex through
sacred marriage, for meat-eating through sacrificial
offerings and for intoxication through the acceptance of
ritual cups of wine, such ceremonies are meant for the
ultimate purpose of renunciation.
Tekst
12
Van alle
[te vergaren] weelde is de religiositeit de enige
vrucht van welke er inderdaad de kennis is tezamen met de
wijsheid en de daarop volgende bevrijding; zij die zo geslaagd
zijn in hun huizen realiseren zich niet de onoverkomelijke
greep van de dood op hun lichamen [zie ook
3.30:
7,
7.6:
8,
4.29:
52-55 maar
ook: 4.22:
10].
The
only proper fruit of acquired wealth is religiosity, on the
basis of which one can acquire a philosophical understanding
of life that eventually matures into direct perception of
the Absolute Truth and thus liberation from all suffering.
Materialistic persons, however, utilize their wealth simply
for the advancement of their family situation. They fail to
see that insurmountable death will soon destroy the frail
material body.
Tekst
13
Het staat
voorgeschreven dat de wijn moet worden genoten door eraan te
ruiken en dat dienovereenkomstig een beest volgens de
voorschriften moet worden gedood en niet in een begerige vorm
van geweld [met het slachten van dieren op een grote
schaal]; op dezelfde manier is sex er voor het verwekken
van kinderen en niet voor het zinnelijk genot [op zich]
[B.G. 7-11];
voor dit allerzuiverste, hun eigen plicht zoals het hoort,
hebben zij [de onintelligenten] geen begrip [zie
ook 7.15].
According
to the Vedic injunctions, when wine is offered in
sacrificial ceremonies it is later to be consumed by
smelling, and not by drinking. Similarly, the sacrificial
offering of animals is permitted, but there is no provision
for wide-scale animal slaughter. Religious sex life is also
permitted, but only in marriage for begetting children, and
not for sensuous exploitation of the body. Unfortunately,
however, the less intelligent materialists cannot understand
that their duties in life should be performed purely on the
spiritual platform.
Tekst
14
Zij die geen
weet hebben van deze feiten en zeer onheilig ingebeeld zichzelf
als geheiligd beschouwen, doen onschuldig vertrouwende dieren
kwaad; nadat ze hun lichamen hebben verlaten zullen die dieren
hen opeten [vergelijk 5.26:
11-13 en
4.25:
7-8].
Those
sinful persons who are ignorant of actual religious
principles, yet consider themselves to be completely pious,
without compunction commit violence against innocent animals
who are fully trusting in them. In their next lives, such
sinful persons will be eaten by the same creatures they have
killed in this world.
Tekst
15
Afgunstig op
hun ware Zelf, hun Heer en Beheerser levend in de lichamen van
anderen, komen ze, gefixeerd in hun voorliefde voor hun eigen
sterfelijke omhulsel en alles wat er bij hoort, ten val.
The
conditioned souls become completely bound in affection to
their own corpselike material bodies and their relatives and
paraphernalia. In such a proud and foolish condition, the
conditioned souls envy other living entities as well as the
Supreme Personality of Godhead, Hari, who resides in the
heart of all beings. Thus enviously offending others, the
conditioned souls gradually fall down into hell.
Tekst
16
Zij die
[aldus] niet de emancipatie [of de moksha]
hebben bereikt maar wel de grofstoffelijke dwaasheid te boven
kwamen, zijn de drie doelen van het vrome leven toegewijd
[het ritueel, een inkomen en gereguleerde verlangens],
maar zijn, zonder zich ook maar een moment van reflectie te
gunnen [te hard werkend], [niettemin druk]
bezig zichzelf te doden [zie ook de purushârtha's
10.2:
32].
Those
who have not achieved knowledge of the Absolute Truth, yet
who are still beyond the darkness of complete ignorance,
generally follow the threefold path of pious material life,
namely religiosity, economic development and sense
gratification. Not having time to reflect on any higher
purpose, they become the killers of their own soul.
Tekst
17
Deze
zelfmoordenaars de vrede ontberend, denken in hun onwetendheid
kennis van zaken te hebben maar lijden, er niet in slagend hun
plichten na te komen, mettertijd onder de vernietiging van al
hun hoop en hun dromen.
The
killers of the soul are never peaceful, because they
consider that human intelligence is ultimately meant for
expanding material life. Thus neglecting their real,
spiritual duties, they are always in distress. They are
filled with great hopes and dreams, but unfortunately these
are always destroyed by the inevitable march of time.
Tekst
18
Zij die hun
gezichten afkeerden van Vâsudeva gaan, zoals beschikt
door de illusie-verwekkende energie van de Allerhoogste Ziel,
zonder het te willen, de duisternis binnen, hun huizen,
kinderen, vrienden en echtgenotes in de steek latend.'
Those
who have turned away from the Supreme Lord, Vâsudeva,
being under the spell of the Lord's illusory energy, are
eventually forced to give up their so-called homes,
children, friends, wives and lovers, which were all created
by the illusory potency of the Supreme Lord, and enter
against their will into the darkest regions of the
universe.
Tekst
19
De
achtenswaardige koning zei; 'In welke tijd had de Heer welke
kleur en welke gedaante en met welke namen en welke methoden
wordt Hij aanbeden; alstublieft verschaf hier in onze
aanwezigheid duidelijkheid over.'
King
Nimi inquired - In what colors and forms does the Supreme
Personality of Godhead appear in each of the different ages,
and with what names and by what types of regulative
principles is the Lord worshiped in human society?
Tekst
20
S'rî
Karabhâjana gaf ten antwoord: 'In deze [yuga's]
genaamd Krita [of Satya], Tretâ, Dvâpara en
Kali wordt de Heer, met het hebben van verschillende
huidskleuren [zie ook 10.26:
16], namen
en gedaanten, dienovereenkomstig op verschillende manieren
aanbeden.
S'rî
Karabhâjana replied - In each of the four yugas, or
ages - Krita, Tretâ, Dvâpara and Kali - Lord
Kes'ava appears with various complexions, names and forms
and is thus worshiped by various processes.
Tekst
21
In Satya-yuga
is Hij blank, heeft Hij vier armen, samengeklit haar, kleding
van boombast, een zwart hertenvel, een heilige draad,
aksha-zaad gebedskralen en draagt Hij een staf en een
waterpot.
In
Satya-yuga the Lord is white and four-armed, has matted
locks and wears a garment of tree bark. He carries a black
deerskin, a sacred thread, prayer beads and the rod and
waterpot of a brahmacârî.
Tekst
22
De menselijke
wezens zijn dan vreedzaam, vrij van afgunst, een ieder
welgezind, gelijkmoedig en zowel middels boetedoeningen als
door het beheersen van hun geest en zinnen van aanbidding voor
de Heer.
People
in Satya-yuga are peaceful, nonenvious, friendly to every
creature and steady in all situations. They worship the
Supreme Personality by austere meditation and by internal
and external sense control.
Tekst
23
Aldus wordt Hij
verschillend gevierd als Hamsa ['de Zwaan'], Suparna
['Mooie Vleugels'], Vaikunthha ['de Heer van het
Hemelrijk'], Dharma ['de Handhaver der Religie'],
Yoges'vara ['de Beheerser van de Yoga', Amala ['de
Onberispelijke '], Îs'vara ['de Allerhoogste
Beheerser'], Purusha ['de Oorspronkelijke
Persoon'], Avyakta ['de Ongeziene'] en
Paramâtmâ ['de Superziel'].
In
Satya-yuga the Lord is glorified by the names Hamsa,
Suparna, Vaikunthha, Dharma, Yoges'vara, Amala,
Îs'vara, Purusha, Avyakta and
Paramâtmâ.
Tekst
24
In
Tretâ-yuga heeft Hij een rode huidskleur, vier armen,
draagt hij drie gordels [naar de initiaties van de eerste
drie varna's], heeft Hij blonde lokken en heeft Hij, als de
verpersoonlijking van de drie Veda's, de offerlepels
[**]
en dergelijken als Zijn symbolen.
In
Tretâ-yuga the Lord appears with a red complexion. He
has four arms, golden hair, and wears a triple belt
representing initiation into each of the three Vedas.
Embodying the knowledge of worship by sacrificial
performance, which is contained in the Rig, Sâma and
Yajur Vedas, His symbols are the ladle, spoon and other
implements of sacrifice.
Tekst
25
Dan aanbidden
de menselijke wezens die als zoekers van de Absolute Waarheid
gefixeerd zijn in de religiositeit Hem, Hari, de Godheid in Al
de Goden, met de offerrituelen van de drie Veda's [zie ook
1.16:
20].
In
Tretâ-yuga, those members of human society who are
fixed in religiosity and are sincerely interested in
achieving the Absolute Truth worship Lord Hari, who contains
within Himself all the demigods. The Lord is worshiped by
the rituals of sacrifice taught in the three Vedas.
Tekst
26
In
Tretâ-yuga wordt de Heer verheerlijkt met de namen Vishnu
['de Al-doordringende'], Yajña ['de Heer van
het Offer'], Pris'nigarbha [de zoon van Pris'ni,
10.3:
32],
Sarvadeva ['De God Aller Goden'], Urukrama ['Hij
van de Bovenzinnelijke Wapenfeiten'], Vrishâkapi
[de Gedenkwaardige Die Beloont en het Leed Verdrijft'],
Jayanta ['Hij die Alles Overwint'] en Urugâya
['Hij het Meest Verheerlijkt'].
In
Tretâ-yuga the Lord is glorified by the names Vishnu,
Yajña, Pris'nigarbha, Sarvadeva, Urukrama,
Vrishâkapi, Jayanta and Urugâya.
Tekst
27
In
Dvâpara-yuga is de Allerhoogste Heer grijsblauw, draagt
hij gele kleren en voert Hij Zijn toepassingen met zich mee
[de werpschijf, knots, lotus en schelphoorn] tezamen
met de lichamelijke kenmerken van de S'rîvatsa en
dergelijke en Zijn sierselen [zoals de pauwenveer en het
kaustubha-juweel].
In
Dvâpara-yuga the Supreme Personality of Godhead
appears with a dark blue complexion, wearing yellow
garments. The Lord's transcendental body is marked in this
incarnation with S'rîvatsa and other distinctive
ornaments, and He manifests His personal weapons.
Tekst
28
In dat
tijdperk, o Koning, aanbidden de sterfelijken die kennis willen
verwerven over het Allerhoogste Hem, de Oorspronkelijke Persoon
die de rol speelt van een grote koning, overeenkomstig de
Veda's en de Tantra's
[zoals e.g. in 1.10:
16-18 en
10:
74: 17-24 en
***] met:
My
dear King, in Dvâpara-yuga men who desire to know the
Supreme Personality of Godhead, who is the supreme enjoyer,
worship Him in the mood of honoring a great king, following
the prescriptions of both the Vedas and tantras.
Tekst
29-30
'Onze
eerbetuigingen voor Sankarshana, Pradyumna, Aniruddha en U,
Vâsudeva; U Nârâyana Rishi, de
Oorspronkelijke en Allerhoogste Persoonlijkheid van God, de
Grotere Ziel, de Beheerser van de Schepping, de Gedaante van
het Universum Zelf en het Ware Zelf van alle levende wezens
[zie catur-vyûha].'
'Obeisances
to You, O Supreme Lord Vâsudeva, and to Your forms of
Sankarshana, Pradyumna and Aniruddha. O Supreme Personality
of Godhead, all obeisances unto You. O Lord
Nârâyana Rishi, O creator of the universe, best
of personalities, master of this cosmos and original form of
the universe, O Supersoul of all created entities, all
homage unto You.'
Tekst
31
O Koning, aldus
prijzen ze in Dvâpara-yuga de Heer van het Universum;
alstublieft verneem op welke manier naar de schriftuurlijke
voorschriften men eveneens van aanbidding is in Kali-yuga
[zie ook 7.9:
38].
O
King, in this way people in Dvâpara-yuga glorified the
Lord of the universe. In Kali-yuga also people worship the
Supreme Personality of Godhead by following various
regulations of the revealed scriptures. Now kindly hear of
this from me.
Tekst
32
De
intelligenten aanbidden [dan Hem die] met een heldere
[niet-donkere of gouden] luister samen met
[Zijn] metgezellen, dienaren, wapens en toegehorigen,
middels de offerplechtigheid van hoofdzakelijk het gezamenlijk
bezingen, van lof [is] voor [spreekt over,
verspreidt of gekleurd is door] Krishna met:
In
the age of Kali, intelligent persons perform congregational
chanting to worship the incarnation of Godhead who
constantly sings the names of Krishna. Although His
complexion is not blackish, He is Krishna Himself. He is
accompanied by His associates, servants, weapons and
confidential companions.
Tekst
33
'O Allerhoogste
Persoonlijkheid, aan Uw voeten, waarop men steeds mediteert,
die de vernedering onder de invloed der materie te niet doen,
die in ruime mate het ware verlangen van de ziel honoreren, die
het verblijf en het pelgrimsoord zijn waarvoor S'iva en
Brahmâ zich verbuigen, die de meest achtenswaardige
toevlucht vormen die het leed wegneemt van Uw dienaren en die
de boot voor de oceaan van geboorte en dood zijn, draag ik mijn
eerbetoon op.
My
dear Lord, You are the Mahâ-purusha, the Supreme
Personality of Godhead, and I worship Your lotus feet, which
are the only eternal object of meditation. Those feet
destroy the embarrassing conditions of material life and
freely award the greatest desire of the soul, the attainment
of pure love of Godhead. My dear Lord, Your lotus feet are
the shelter of all holy places and of all saintly
authorities in the line of devotional service and are
honored by powerful demigods like Lord S'iva and Lord
Brahmâ. My Lord, You are so kind that You willingly
protect all those who simply bow down to You with respect,
and thus You mercifully relieve all the distress of Your
servants. In conclusion, my Lord, Your lotus feet are
actually the suitable boat for crossing over the ocean of
birth and death, and therefore even Lord Brahmâ and
Lord S'iva seek shelter at Your lotus feet.'
Tekst
34
Naar de woorden
van een brahmaan [als Akrûra,
S'rî Advaita
of Johannes de Doper], als de Meest Religieuze de zo
moeilijk achter te laten weelde van S'rî opgevend zo
sterk begeerd door de goddelijken, ging Hij [als
Râma, Krishna, de Buddha, als Jezus, als Caitanya
etc.], van genade voor hen die gevangen zijn in de
dierlijke aard, naar het gebied ver weg [India, de
wildernis, het woud, de woestijn, met sannyas] Zijn object
van verlangen najagend [Zijn missie, Zijn dharma, Zijn
aanwezigheid als de Heer der toegewijden]; mijn eerbetoon
geldt de lotusvoeten van U, o Allerhoogste Persoonlijkheid.
[4*]'
O
Mahâ-purusha, I worship Your lotus feet. You gave up
the association of the goddess of fortune and all her
opulence, which is most difficult to renounce and is
hankered after by even the great demigods. Being the most
faithful follower of the path of religion, You thus left for
the forest in obedience to a brâhmana's curse. Out of
sheer mercifulness You chased after the fallen conditioned
souls, who are always in pursuit of the false enjoyment of
illusion, and at the same time engaged in searching out Your
own desired object, Lord S'yâmasundara.
Tekst
35
Aldus wordt de
Allerhoogste Heer Hari, de Beheerser van Alle Zegeningen, naar
Zijn namen en gedaanten zoals gepast voor iedere yuga aanbeden
door de mensen van dat tijdperk, o Koning.
Thus,
O King, the Supreme Lord Hari is the giver of all desirable
benefits of life. Intelligent human beings worship the
particular forms and names that the Lord manifests in
different ages.
Tekst
36
De gelovigen
[van geestelijke vooruitgang] bekend met de waarde,
prijzen het tijdperk van Kali, erop wijzend dat zijn essentie
eruit bestaat dat met het [enkele] gezamenlijke
bezingen zo goed als alle doeleinden worden
bereikt.
Those
who are actually advanced in knowledge are able to
appreciate the essential value of this age of Kali. Such
enlightened persons worship Kali-yuga because in this fallen
age all perfection of life can easily be achieved by the
performance of sankîrtana.
Tekst
37
Daadwerkelijk,
voor de belichaamden ronddolend in dit universum, bestaat er
geen grotere winst dan dit [sankîrtana-zingen]
waardoor men de Opperste Vrede verkrijgt en waardoor de
herhaling van geboorte en dood wordt doorbroken [zie ook
2.1:
11,
3.33:
7,
8.23:
16 en
8.23
*].
Indeed,
there is no higher possible gain for embodied souls forced
to wander throughout the material world than the Supreme
Lord's sankîrtana movement, by which one can attain
the supreme peace and free oneself from the cycle of
repeated birth and death.
Tekst
38-40
Zij die leven
in Satya- en de andere yuga's, o Koning, willen in Kali-yuga
hun geboorte nemen daar men voorzeker in die tijd, o grote
monarch, links en rechts de toegewijden die
Nârâyana zijn toegewijd aantreft; in het bijzonder
in grote getalen in de provincies van Zuid-India alwaar die
mensen die drinken van het water van de rivieren de
Tâmraparnî, de Kritamâlâ, de
Payasvinî, de o zo heilige Kâverî, de
Mahânadî en de Pratîcî, o heer der
mensen, grotendeels toegewijden zuiver van hart van de
Allerhoogste Heer Vâsudeva zijn.
My
dear King, the inhabitants of Satya-yuga and other ages
eagerly desire to take birth in this age of Kali, since in
this age there will be many devotees of the Supreme Lord,
Nârâyana. These devotees will appear in various
places but will be especially numerous in South India. O
master of men, in the age of Kali those persons who drink
the waters of the holy rivers of Dravida-des'a, such as the
Tâmraparnî, Kritamâlâ,
Payasvinî, the extremely pious Kâverî and
the Pratîcî Mahânadî, will almost
all be purehearted devotees of the Supreme Personality of
Godhead, Vâsudeva.
Tekst
41
O Koning, een
persoon die, met het verzaken van de materiële
verplichtingen, met zijn hele wezen toenadering zocht tot de
toevlucht van Mukunda, Hij Die de Toevlucht Verleent, is niet
de dienaar noch de schuldenaar van de goden, de wijzen, de
normale levende wezens, van vrienden en verwanten of van de
voorvaderen [zie ook B.G. 3:
9].
O
King, one who has given up all material duties and has taken
full shelter of the lotus feet of Mukunda, who offers
shelter to all, is not indebted to the demigods, great
sages, ordinary living beings, relatives, friends, mankind
or even one's forefathers who have passed away. Since all
such classes of living entities are part and parcel of the
Supreme Lord, one who has surrendered to the Lord's service
has no need to serve such persons separately.
Tekst
42
Verankerd aan
Zijn voeten bezig met aanbidden en aldus Heer Hari dierbaar, de
Allerhoogste Beheerser die met het opgeven van de toeneiging
naar anderen toe het hart is binnengetreden, worden welke soort
van onregelmatigheden die zich op de ene of de andere manier
ook voordeden allen weggenomen [zie 8.23:
16 en B.G.
9:
22,
9:
30,
18:
56].'
One
who has thus given up all other engagements and has taken
full shelter at the lotus feet of Hari, the Supreme
Personality of Godhead, is very dear to the Lord. Indeed, if
such a surrendered soul accidentally commits some sinful
activity, the Supreme Personality of Godhead, who is seated
within everyone's heart, immediately takes away the reaction
to such sin.
Tekst
43
S'rî
Nârada zei: 'Op deze manier vernomen hebbend over de
wetenschap van de toegewijde dienst voelde de meester van
Mithilâ zich waarlijk voldaan en bracht hij vervolgens
tezamen met de priesters gebeden voor de wijze zonen van
Jayantî [de yogendra's 5.4:
8].
Nârada
Muni said - Having thus heard the science of devotional
service, Nimi, the King of Mithilâ, felt extremely
satisfied and, along with the sacrificial priests, offered
respectful worship to the sagacious sons of
Jayantî.
Tekst
44
Toen, voor ogen
van allen aanwezig, verdwenen de volmaakte zielen. De koning,
trouw dit dharma nalevend, bereikte de allerhoogste
bestemming.
The
perfect sages then disappeared before the eyes of everyone
present. King Nimi faithfully practiced the principles of
spiritual life he had learned from them, and thus he
achieved the supreme goal of life.
Tekst
45
U
[Vasudeva], o hoogst fortuinlijke ziel, zult eveneens,
toegerust met geloof in deze principes van de toegewijde dienst
waar u over vernam, bevrijd van alle materiële omgang zich
naar het Allerhoogste begeven.
O
greatly fortunate Vasudeva, simply apply with faith these
principles of devotional service which you have heard, and
thus, being free from material association, you will attain
the Supreme.
Tekst
46
De aarde raakte
vol van inderdaad de heerlijkheden van jullie twee als man en
vrouw, omdat de Allerhoogste Heer, de Beheerser Hari, de
positie innam van uw zoon.
Indeed,
the whole world has become filled with the glories of you
and your good wife because the Supreme Personality of
Godhead, Lord Hari, has taken the position of your
son.
Tekst
47
Voor Krishna de
liefde ten toon spreidend van het zien, het omhelzen, en
converseren, gaan slapen, zitten en eten met een zoon, zijn de
harten van jullie gezuiverd geraakt.
My
dear Vasudeva, you and your good wife Devakî have
manifested great transcendental love for Krishna, accepting
Him as your son. Indeed, you are always seeing the Lord,
embracing Him, speaking with Him, resting with Him, sitting
together with Him and taking your meals with Him. By such
affectionate and intimate association with the Lord,
undoubtedly both of you have completely purified your
hearts. In other words, you are already perfect.
Tekst
48
Koningen als
S'is'upâla,
Paundraka
en S'âlva
die met afgunst zich wedijverend betrokken op Zijn bewegingen,
blikken enzovoorts, en aldus mediterend hun geesten
concentreerden op Hem neerliggend, zittend etc., hebben een
positie bereikt op het zelfde niveau; wat dan niet te zeggen
van hen die gunstig gezind waren [zie mukti
en ook Jaya
&Vijaya]?
Inimical
kings like S'is'upâla, Paundraka and S'âlva were
always thinking about Lord Krishna. Even while they were
lying down, sitting or engaging in other activities, they
enviously meditated upon the bodily movements of the Lord,
His sporting pastimes, His loving glances upon His devotees,
and other attractive features displayed by the Lord. Being
thus always absorbed in Krishna, they achieved spiritual
liberation in the Lord's own abode. What then can be said of
the benedictions offered to those who constantly fix their
minds on Lord Krishna in a favorable, loving mood?
Tekst
49
Verwaardig u
niet Krishna, de Opperziel en Beheerser van Allen, het idee op
te dringen dat Hij uw zoon is; bij de macht van Zijn illusie
verscheen Hij als een normaal menselijk wezen Zijn volheid
verhullend als de Allerhoogste Onfeilbare [zie ook B.G.
4:
6].
Do
not think of Krishna as an ordinary child, because He is the
Supreme Personality of Godhead, inexhaustible and the Soul
of all beings. The Lord has concealed His inconceivable
opulences and is thus outwardly appearing to be an ordinary
human being.
Tekst
50
Van Hem die
nederdaalde ten einde de asura-leden van de adelstand die de
aarde belastten te doden en de bevrijding te vergunnen, heeft
de faam zich wijd verspreid in de wereld [zie ook B.G.
4:
7].'
The
Supreme Personality of Godhead descended to kill the
demoniac kings who were the burden of the earth and to
protect the saintly devotees. However, both the demons and
the devotees are awarded liberation by the Lord's mercy.
Thus, His transcendental fame has spread throughout the
universe.
Tekst
51
S'rî
S'uka zei: 'Toen ze dit hadden gehoord waren de hoogst
fortuinlijke Vasudeva en Devakî zeer verrast en gaven ze
de dwaasheid die ze met zichzelf hadden op.
S'rî
S'ukadeva Gosvâmî continued - Having heard this
narration, the greatly fortunate Vasudeva was completely
struck with wonder. Thus he and his most blessed wife
Devakî gave up all illusion and anxiety that had
entered their hearts.
Tekst
52
Hij die
eenpuntig van aandacht mediteert op deze vrome historische
vertelling, zal nog in dit leven van de besmetting afkomen en
de spirituele volmaaktheid bereiken.
Anyone
who meditates on this pious historical narration with fixed
attention will purify himself of all contamination in this
very life and thus achieve the highest spiritual
perfection.
*:
Met de Rik-samhitâ (8.4: 19), de S'ukla-yajur Veda (34:
11) en de Atharva Veda (19: 66) die allemaal zeggen 'De
brahmaan verscheen als Zijn gezicht, de koning als Zijn armen,
de vais'ya als Zijn dijen, en de s'ûdra werd geboren uit
Zijn voeten' worden, volgens S'rîdhara Svâmî,
de brahmanen geacht geboren te zijn uit de geaardheid goedheid,
de kshatriya's uit een combinatie van goedheid en hartstocht,
de vais'ya's uit een combinatie van hartstocht en onwetendheid
en de s'ûdra's uit de geaardheid onwetendheid.
**
Hier vermeld worden de vikankata houten sruk en de
khadira houten sruvâ die de sruk bediend
voor het gieten van ghee in het vuur.
***:
De paramparâ, om ons te helpen herinneren aan de neergang
van de toewijding in de loop van de yuga's [zie ook
1.16:
20]
verduidelijkt: 'De mensen levend in Satya-yuga werden
omschreven als s'ântâh, nirvairâh, suhridah
en samâh, of vreedzaam, vrij van afgunst, de weldoeners
van ieder levend wezen, en gefixeerd op het spiritueel platform
voorbij de geaardheden der materiële natuur. Zo ook werden
de mensen levend in Tretâ-yuga omschreven als
dharmishthhâh en brahma-vâdinah, of diep-religieus,
en deskundige navolgers van de Vedische voorschriften. In het
voorliggende vers, wordt van de mensen levend in
Dvâpara-yuga gezegd dat ze eenvoudig
jijñâsavah zijn, ofwel begerig zijn om de Absolute
Waarheid te kennen. Anderszins worden ze omschreven als
martyâh, of onderhevig aan de zwakheid van sterfelijke
wezens.' Het ene na het andere tijdperk is men dus aan het
aanbidden met meditatie, het brengen van offers,
tempelaanbidding en het gezamenlijk zingen.
4*
De paramparâ voegt hier aan toe: 'Bevestiging leverend
voor de verklaring van dit vers, aanbidden de volgelingen van
Caitanya Mahâprabhu Hem ook in Zijn zesarmige gedaante
van de shad-bhuja. Twee armen dragen de waterpot en de
danda van de sannyâsî Caitanya Mahâprabhu,
twee armen dragen de fluit van Heer Krishna, en twee armen
dragen de pijl en de boog van S'rî Râmacandra. Deze
shad-bhuja gedaante is de eigenlijke strekking van dit vers van
het S'rîmad-Bhâgavatam'.