De
achtenswaardige koning [Nimi] zei: 'O u volmaakt in de
kennis van de ziel, wat is de bestemming van hen die, zo goed
als nooit Hari de Allerhoogste Persoonlijkheid aanbiddend
[zie ook 11.3:
*4], niet
in vrede met hun lusten de controle over zichzelf kwijt
zijn?'
De
achtenswaardige koning [Nimi] zei: 'O u volmaakt in
de kennis van de ziel, wat is de bestemming van hen die, zo
goed als nooit Hari de Allerhoogste Persoonlijkheid
aanbiddend [zie ook 11.3: *4], niet in vrede met hun
lusten de controle over zichzelf kwijt
zijn?'
(Vedabase)
Tekst
2
S'rî
Camasa zei: 'Van het gezicht, de armen, de dijbenen, en de
voeten van de Oorspronkelijke Persoon werden met de drie
geaardheden van de natuur [in verschillende combinaties
*]
de vier geestelijke orden [of âs'rama's]
en roepingen [of varna's] met de brahmanen
vooropgaand gegenereerd [zie ook B.G. 4:
13].
S'rî
Camasa zei: 'Van het gezicht, de armen, de dijbenen, en de
voeten van de Oorspronkelijke Persoon werden met de drie
geaardheden van de natuur [in verschillende combinaties
*] de vier geestelijke orden [of
âs'rama's] en roepingen [of varna's] met
de brahmanen voorop gaand gegenereerd [zie ook B.G. 4:
13]. (Vedabase)
Tekst
3
Welk lid van
hen dan ook die, niet van aanbidding zijnde, minachting
koestert voor de Oorspronkelijke Persoon die de uitnemendheid
van hun ziel is en de Allerhoogste Beheerser, zal, van zijn
positie afgedwaald, ten val komen [zie B.G.
16:
23].
Welk
lid van hen dan ook die, niet van aanbidding, minachting
koestert voor de Oorspronkelijke Persoon die rechtstreeks de
uitnemendheid van hun ziel en de Allerhoogste Beheerser is,
zal, van zijn positie afgedwaald, ten val komen [zie
B.G. 16: 23]. (Vedabase)
Tekst
4
Er zijn vele
mensen die geen kans zien zich bezig te houden met de
verhandelingen over de Vernietiger [van de zonde; de
Heer] en nimmer denken aan de heerlijkheden van de
Onfeilbare; het zijn zij die vallen in de categorie van de
vrouwen [vergelijk 5.17:
15] en
s'ûdra's en dergelijke die de genade van
persoonlijkheden als u verdienen.
Er
zijn vele mensen verre van de verhandelingen over de
Vernietiger [van de zonde; de Heer] die nimmer
denken aan de heerlijkheden van de Onfeilbare; zij, wat dat
betreft slechts vrouwen [vergelijk 5.17: 15] en
s'ûdra's en dergelijke, zijn degenen die de genade van
persoonlijkheden als u verdienen.
(Vedabase)
Tekst
5
En dan nog
raken ook de intellectuelen, de edelen en de kooplieden, die
[door initiatie] toegang kregen tot de Heer Zijn
lotusvoeten, verbijsterd in hun betrokkenheid bij [de meest
uiteenlopende] levensopvattingen [zie ook
5.6:
11, B.G.
2:
42-43].
En
dan nog raken zelfs de intellectuelen, de edelen en de
kooplieden, die het [door initiatie] is toegestaan
de Heer Zijn lotusvoeten te benaderen, verbijsterd in hun
betrokkenheid bij [allerlei soorten van]
filosofieën [zie ook 5.6: 11, B.G. 2: 42-43].
(Vedabase)
Tekst
6
Onwetend over
karmische zaken drukken zij die feitelijk tekort schieten in
ervaring maar arrogant zichzelf heel geleerd achten, verrukt
over de schoonheid van de taal zich uit in [voor de
halfgoden] flatterende verhandelingen waarmee ze de draad
kwijtraken [zie ook B.G. 9:
3].
Onwetend
over het karma en arrogant, spreken studiehoofden, zichzelf
heel geleerd achtend, verrukt met mooie woorden zich uit in
ophemelende verhandelingen waardoor ze de draad kwijt raken
[zie ook B.G. 9: 3].
(Vedabase)
Tekst
7
Vol van
hartstocht en ontaard in hun begeerten zijn ze zo kwaad als
slangen, bedrieglijk en ingebeeld en drijven ze zondig de spot
met hen die Acyuta dierbaar zijn.
Vol
van hartstocht en ontaard in hun begeerten zijn ze zo kwaad
als slangen, bedrieglijk en ingebeeld en drijven ze zondig
de spot met hen die Acyuta dierbaar zijn.
(Vedabase)
Tekst
8
Als
vrouwenaanbidders onderhouden ze zich met elkaar in hun huizen
met het aanmoedigen en aanbidden van de seks als het hoogste
goed; zonder het uitdelen van voedsel en het doen van
schenkingen uit dankbaarheid [voor de
spirituele/geestelijke leiders en hun volgelingen] in acht
te nemen, denken ze enkel en alleen aan hun eigen
levensonderhoud en doden ze, zich niet bewust van de gevolgen,
de dieren [zie ook B.G. 16].
Als
vrouwenaanbidders onderhouden ze zich met elkaar in hun
huizen met het aanmoedigen en aanbidden van de sex als het
hoogste goed; zonder het uitdelen van voedsel en doen van
schenkingen uit dankbaarheid [voor de
spirituele/geestelijke leiders en hun volgelingen], in
acht te nemen, denken ze enkel en alleen aan hun eigen
levensonderhoud en doden ze, zich niet bewust van de
gevolgen, de dieren [zie ook B.G. 16].
(Vedabase)
Tekst
9
Met hun
intelligentie verblind door de trots ontleend aan hun weelde,
speciale talenten, afkomst, scholing, verzaking, schoonheid,
kracht en het volbrengen van rituelen, koesteren ze met een
hart van steen minachting voor zij die zich heiligden en de
Heer lief zijn en hebben ze ook geen achting voor de Beheerser
Zelf [zie ook b.v. 1.8:
26,
4.2:
24,
4.31:
21,
5.1:
12,
7.15:
19,
8.22:
26 en B.G.
2:
42-43].
Met
hun intelligentie verblind door de trots ontleend aan hun
weelde, speciale talenten, afkomst, scholing, verzaking,
schoonheid, kracht en het volbrengen van rituelen, koesteren
ze met een hart van steen minachting voor de geheiligden die
de Heer lief zijn en de Beheerser Zelve erbij inbegrepen
[zie ook e.g.: 1.8: 26, 4.2: 24, 4.31: 21, 5.1: 12,
7.15: 19, 8.22: 26 en B.G.
2.42-43].
(Vedabase)
Tekst
10
De Ziel van de
hoogst aanbiddelijke Beheerser die net als de ether voor eeuwig
zich ophoudt in alle belichaamde wezens, is de Uiteindelijke
Beheerser verheerlijkt door de Veda's, maar de onintelligenten
slaan er geen acht op; ze gaan liever door met het bespreken
van de onderwerpen aangaande hun eigen grillige zingenoegens.
De
Ziel van de Meest Aanbiddelijke Beheerser die net als de
ether voor eeuwig zich ophoudt in alle belichaamde wezens,
is de Uiteindelijke Beheerser verheerlijkt door de Veda's,
maar de onintelligenten slaan er geen acht op; ze gaan
liever door met het bespreken van de onderwerpen van hun
eigen grillige zingenoegens. (Vedabase)
Tekst
11
Met motivatie
voor de seks en het consumeren van vlees en alcohol dat men
steeds aantreft in het geconditioneerde levende wezen vormt een
praktijk die in geen enkel heilig geschrift staat
voorgeschreven; de voorschriften op dit punt voor
[respectievelijk] het huwelijk, de offerplechtigheid en
het ritueel gebruik van wijn, zijn er voor het doel daar een
einde aan te maken [zie ook 1.17:
38-39].
Het
verslingerd zijn aan de sex en het consumeren van vlees en
alcohol dat inderdaad steeds wordt aangetroffen in het
geconditioneerde levende wezen wordt waarlijk door geen
schriftuurlijk gebod ondersteund; wat in dezen is
voorgeschreven voor [respectievelijk] het huwelijk,
de offerplechtigheid en het ritueel gebruik van wijn, is er
voor het doel daar een einde aan te maken [zie ook 1.17:
38-39]. (Vedabase)
Tekst
12
De enige weelde
waar het om gaat is de vrucht te plukken van het dharma [de
rechtschapenheid met de natuur, de religiositeit] waarvan
er de kennis is in combinatie met de wijsheid en de daarop
volgende bevrijding. Maar vanuit het familieleven heeft men
geen oog voor de onoverkomelijke greep van de dood op het
lichaam [zie ook 3.30:
7,
7.6:
8,
4.29:
52-55 maar ook
4.22:
10].
Van
alle [te vergaren] weelde is de religiositeit de
enige vrucht van welke er inderdaad de kennis is tezamen met
de wijsheid en de daarop volgende bevrijding; zij die zo
geslaagd zijn in hun huizen realiseren zich niet de
onoverkomelijke greep van de dood op hun lichamen [zie
ook 3.30: 7, 7.6: 8, 4.29: 52-55 maar ook: 4.22:
10].
(Vedabase)
Tekst
13
Het staat
voorgeschreven dat de wijn moet worden genoten door eraan te
ruiken en dat evenzo een beest volgens de voorschriften moet
worden gedood en niet met een begerige vorm van geweld
[zoals met het grootschalig slachten van dieren]; op
dezelfde manier is seksuele gemeenschap er voor het overwinnen
[van de aandrang om kinderen te krijgen, zoals met het naar
de w.c. gaan] en niet zozeer voor het zinnelijk genot
[B.G. 7:
11]; voor
dit allerzuiverste van de plichtsbetrachting zoals het hoort,
hebben zij [de onintelligenten] geen begrip [zie
ook 7.15].
Het
staat voorgeschreven dat de wijn moet worden genoten door
eraan te ruiken en dat dienovereenkomstig een beest volgens
de voorschriften moet worden gedood en niet in een begerige
vorm van geweld [met het slachten van dieren op een
grote schaal]; op dezelfde manier is sex er voor het
verwekken van kinderen en niet voor het zinnelijk genot
[op zich] [B.G. 7-11]; voor dit
allerzuiverste, hun eigen plicht zoals het hoort, hebben zij
[de onintelligenten] geen begrip [zie ook
7.15]. (Vedabase)
Tekst
14
Zij die geen
weet hebben van deze feiten en zeer onheilig ingebeeld zichzelf
als geheiligd beschouwen, doen onschuldig vertrouwende dieren
kwaad; nadat ze hun lichamen hebben verlaten zullen die dieren
hen opeten [vergelijk 5.26:
11-13 en
4.25:
7-8].
Zij
die geen weet hebben van deze feiten en zeer onheilig
ingebeeld zichzelf als geheiligd beschouwen, doen onschuldig
vertrouwende dieren kwaad; nadat ze hun lichamen hebben
verlaten zullen die dieren hen opeten [vergelijk 5.26:
11-13 en 4.25: 7-8]. (Vedabase)
Tekst
15
Afgunstig op
hun ware Zelf, hun Heer en Beheerser die leeft [in hun
lichaam en] in de lichamen van anderen, komen ze, gefixeerd
in hun voorliefde voor hun eigen sterfelijke omhulsel en alles
wat er bij hoort, ten val.
Afgunstig
op hun ware Zelf, hun Heer en Beheerser levend in de
lichamen van anderen, komen ze, gefixeerd in hun voorliefde
voor hun eigen sterfelijke omhulsel en alles wat er bij
hoort, ten val. (Vedabase)
Tekst
16
Zij die
[aldus] niet de emancipatie [of de
moksha] hebben bereikt maar wel de grofstoffelijke
dwaasheid overwonnen, zijn de drie doelen van het vrome leven
toegewijd [het ritueel, een inkomen en gereguleerde
verlangens], maar zijn, zonder zich ook maar een moment van
reflectie te gunnen [te hard werkend], [niettemin
druk] bezig zichzelf te doden [zie ook de
purushârtha's,
10.2:
32].
Zij
die [aldus] niet de emancipatie [of de
moksha] hebben bereikt maar wel de grofstoffelijke
dwaasheid te boven kwamen, zijn de drie doelen van het vrome
leven toegewijd [het ritueel, een inkomen en
gereguleerde verlangens], maar zijn, zonder zich ook
maar een moment van reflectie te gunnen [te hard
werkend], [niettemin druk] bezig zichzelf te
doden [zie ook de purushârtha's 10.2: 32].
(Vedabase)
Tekst
17
Deze
moordenaars van het eigen zelf die het ontbreekt aan vrede,
denken in hun onwetendheid kennis van zaken te hebben maar
lijden, er niet in slagend hun plichten na te komen, mettertijd
onder de vernietiging van al hun hoop en hun dromen.
Deze
zelfmoordenaars de vrede ontberend, denken in hun
onwetendheid kennis van zaken te hebben maar lijden, er niet
in slagend hun plichten na te komen, mettertijd onder de
vernietiging van al hun hoop en hun dromen.
(Vedabase)
Tekst
18
Zij die hun
gezichten afkeerden van Vâsudeva gaan, zoals beschikt
door de begoochelende energie van de Allerhoogste Ziel, zonder
het te willen de duisternis binnen met achterlating van hun
huizen, kinderen, vrienden en echtgenotes.'
Zij
die hun gezichten afkeerden van Vâsudeva gaan, zoals
beschikt door de illusie-verwekkende energie van de
Allerhoogste Ziel, zonder het te willen, de duisternis
binnen, hun huizen, kinderen, vrienden en echtgenotes in de
steek latend.'
(Vedabase)
Tekst
19
De
achtenswaardige koning zei: 'In welke tijd had de Heer welke
kleur en welke gedaante en met welke namen en welke methoden
wordt Hij aanbeden; alstublieft verschaf hier in ons bijzijn
duidelijkheid over.'
De
achtenswaardige koning zei; 'In welke tijd had de Heer welke
kleur en welke gedaante en met welke namen en welke methoden
wordt Hij aanbeden; alstublieft verschaf hier in onze
aanwezigheid duidelijkheid over.'
(Vedabase)
Tekst
20
S'rî
Karabhâjana gaf ten antwoord: 'In deze
[yuga's] genaamd Krita [of Satya],
Tretâ, Dvâpara en Kali wordt de Heer, met het
hebben van verschillende huidskleuren [zie ook
10.26:
16], namen
en gedaanten, dienovereenkomstig op verschillende manieren
aanbeden.
S'rî
Karabhâjana gaf ten antwoord: 'In deze
[yuga's] genaamd Krita [of Satya],
Tretâ, Dvâpara en Kali wordt de Heer, met het
hebben van verschillende huidskleuren [zie ook 10.26:
16], namen en gedaanten, dienovereenkomstig op
verschillende manieren aanbeden.
(Vedabase)
Tekst
21
In Satya-yuga
is Hij blank, heeft Hij vier armen, samengeklit haar, kleding
van boombast, een zwart hertenvel, een heilige draad,
aksha-zaad gebedskralen en draagt Hij een staf en een
waterpot.
In
Satya-yuga is Hij blank, heeft Hij vier armen, samengeklit
haar, kleding van boombast, een zwart hertenvel, een heilige
draad, aksha-zaad gebedskralen en draagt Hij een staf en een
waterpot. (Vedabase)
Tekst
22
De menselijke
wezens zijn in die tijd vreedzaam, vrij van afgunst, een ieder
welgezind, gelijkmoedig en zowel middels boetedoeningen als
door het beheersen van hun geest en zinnen van aanbidding voor
de Heer.
De
menselijke wezens zijn dan vreedzaam, vrij van afgunst, een
ieder welgezind, gelijkmoedig en zowel middels
boetedoeningen als door het beheersen van hun geest en
zinnen van aanbidding voor de Heer.
(Vedabase)
Tekst
23
Aldus wordt Hij
verschillend gevierd als Hamsa ['de Zwaan'], Suparna
['Mooie Vleugels'], Vaikunthha ['de Heer van het
Hemelrijk'], Dharma ['de Handhaver der Religie'],
Yoges'vara ['de Beheerser van de Yoga'], Amala ['de
Onberispelijke'], Îs'vara ['de Allerhoogste
Beheerser'], Purusha ['de Oorspronkelijke
Persoon'], Avyakta ['de Ongeziene'] en
Paramâtmâ ['de Superziel'].
Aldus
wordt Hij verschillend gevierd als Hamsa ['de
Zwaan'], Suparna ['Mooie Vleugels'], Vaikunthha
['de Heer van het Hemelrijk'], Dharma ['de
Handhaver der Religie'], Yoges'vara ['de Beheerser
van de Yoga', Amala ['de Onberispelijke '],
Îs'vara ['de Allerhoogste Beheerser'], Purusha
['de Oorspronkelijke Persoon'], Avyakta ['de
Ongeziene'] en Paramâtmâ ['de
Superziel']. (Vedabase)
Tekst
24
In
Tretâ-yuga heeft Hij een rode huidskleur, vier armen,
draagt hij drie gordels [overeenkomstig de initiaties van
de eerste drie varna's], heeft Hij blonde lokken en
heeft Hij, als de verpersoonlijking van de drie Veda's, de
offerlepels [**]
en dergelijken als Zijn symbolen.
In
Tretâ-yuga heeft Hij een rode huidskleur, vier armen,
draagt hij drie gordels [naar de initiaties van de
eerste drie varna's], heeft Hij blonde lokken en heeft
Hij, als de verpersoonlijking van de drie Veda's, de
offerlepels [**] en dergelijken als Zijn symbolen.
(Vedabase)
Tekst
25
In die tijd
aanbidden de menselijke wezens die als zoekers van de Absolute
Waarheid gefixeerd zijn in de religiositeit Hem, Hari, de
Godheid in al de Goden, met de offerrituelen van de drie Veda's
[zie ook 1.16:
20].
Dan
aanbidden de menselijke wezens die als zoekers van de
Absolute Waarheid gefixeerd zijn in de religiositeit Hem,
Hari, de Godheid in Al de Goden, met de offerrituelen van de
drie Veda's [zie ook 1.16: 20].
(Vedabase)
Tekst
26
In
Tretâ-yuga wordt de Heer verheerlijkt met de namen Vishnu
['de Al-doordringende'], Yajña ['de Heer van
het Offer'], Pris'nigarbha [de zoon van Pris'ni,
10.3:
32],
Sarvadeva ['De God Aller Goden'], Urukrama ['Hij
van de Bovenzinnelijke Wapenfeiten'], Vrishâkapi
[de Gedenkwaardige Die Beloont en het Leed Verdrijft'],
Jayanta ['Hij die Alles Overwint'] en Urugâya
['Hij het Meest Verheerlijkt'].
In
Tretâ-yuga wordt de Heer verheerlijkt met de namen
Vishnu ['de Al-doordringende'], Yajña
['de Heer van het Offer'], Pris'nigarbha [de
zoon van Pris'ni, 10.3: 32], Sarvadeva ['De God
Aller Goden'], Urukrama ['Hij van de Bovenzinnelijke
Wapenfeiten'], Vrishâkapi [de Gedenkwaardige
Die Beloont en het Leed Verdrijft'], Jayanta ['Hij
die Alles Overwint'] en Urugâya ['Hij het
Meest Verheerlijkt']. (Vedabase)
Tekst
27
In
Dvâpara-yuga is de Allerhoogste Heer grijsblauw, draagt
hij gele kleren en voert Hij Zijn attributen met zich mee
[de werpschijf, knots, lotus en schelphoorn] tezamen
met de lichamelijke kenmerken van de S'rîvatsa en
dergelijke en Zijn sierselen [zoals de pauwenveer en het
Kaustubha-juweel].
In
Dvâpara-yuga is de Allerhoogste Heer grijsblauw,
draagt hij gele kleren en voert Hij Zijn toepassingen met
zich mee [de werpschijf, knots, lotus en
schelphoorn] tezamen met de lichamelijke kenmerken van
de S'rîvatsa en dergelijke en Zijn sierselen
[zoals de pauwenveer en het kaustubha-juweel].
(Vedabase)
Tekst
28
In dat
tijdperk, o Koning, aanbidden de stervelingen die kennis willen
verwerven over het Allerhoogste Hem, de Oorspronkelijke Persoon
die de rol speelt van een grote koning, overeenkomstig de
Veda's en de Tantra's
[zoals b.v. in 1.10:
16-18 en
10.4:
17-24 en
***]
met:
In
dat tijdperk, o Koning, aanbidden de sterfelijken die kennis
willen verwerven over het Allerhoogste Hem, de
Oorspronkelijke Persoon die de rol speelt van een grote
koning, overeenkomstig de Veda's en de Tantra's [zoals
e.g. in 1.10: 16-18 en 10: 74: 17-24 en ***] met:
(Vedabase)
Tekst
29-30
'Onze
eerbetuigingen voor Sankarshana, Pradyumna, Aniruddha en U,
Vâsudeva; U Nârâyana Rishi, de
Oorspronkelijke en Allerhoogste Persoonlijkheid van God, de
Grotere Ziel, de Heer van de Schepping, de Gedaante van het
Universum Zelf en het Ware Zelf van alle levende wezens
[zie catur-vyûha].'
'Onze
eerbetuigingen voor Sankarshana, Pradyumna, Aniruddha en U,
Vâsudeva; U Nârâyana Rishi, de
Oorspronkelijke en Allerhoogste Persoonlijkheid van God, de
Grotere Ziel, de Beheerser van de Schepping, de Gedaante van
het Universum Zelf en het Ware Zelf van alle levende wezens
[zie catur-vyûha].'
(Vedabase)
Tekst
31
O Koning, aldus
prijst men in Dvâpara-yuga de Heer van het Universum;
alstublieft verneem op welke manier men overeenkomstig de
schriftuurlijke voorschriften ook van aanbidding is in
Kali-yuga [zie ook 7.9:
38].
O
Koning, aldus prijzen ze in Dvâpara-yuga de Heer van
het Universum; alstublieft verneem op welke manier naar de
schriftuurlijke voorschriften men eveneens van aanbidding is
in Kali-yuga [zie ook 7.9: 38].
(Vedabase)
Tekst
32
De
intelligenten aanbidden [dan Hem die] met een heldere
[niet-donkere of gouden] luister samen met
[Zijn] metgezellen, dienaren, wapens en begeleiders,
middels de offerplechtigheid van hoofdzakelijk het gezamenlijk
bezingen, van lof [is] voor [spreekt over,
verspreidt of gekleurd is door] Krishna met:
De
intelligenten aanbidden [dan Hem die] met een
heldere [niet-donkere of gouden] luister samen met
[Zijn] metgezellen, dienaren, wapens en
toegehorigen, middels de offerplechtigheid van hoofdzakelijk
het gezamenlijk bezingen, van lof [is] voor
[spreekt over, verspreidt of gekleurd is door]
Krishna met:
(Vedabase)
Tekst
33
'O Allerhoogste
Persoonlijkheid laat mij Uw voeten aanbidden. Steeds mediteert
men erop want ze maken een eind aan de vernedering waaronder we
te lijden hebben als gevolg van de invloed der materie.
Alleszins beantwoordend aan het ware verlangen van de ziel,
vormen ze het verblijf en het pelgrimsoord waarvoor S'iva en
Brahmâ zich verbuigen. Zij, die het leed wegnemen van Uw
dienaren, zijn de meest achtenswaardige toevlucht, ze zijn de
boot voor de oceaan van geboorte en dood.
'O
Allerhoogste Persoonlijkheid, aan Uw voeten, waarop men
steeds mediteert, die de vernedering onder de invloed der
materie te niet doen, die in ruime mate het ware verlangen
van de ziel honoreren, die het verblijf en het pelgrimsoord
zijn waarvoor S'iva en Brahmâ zich verbuigen, die de
meest achtenswaardige toevlucht vormen die het leed wegneemt
van Uw dienaren en die de boot voor de oceaan van geboorte
en dood zijn, draag ik mijn eerbetoon op.
(Vedabase)
Tekst
34
O Allerhoogste
Persoonlijkheid, laat me de lotusvoeten eren van U die in
reactie op de woorden van een brahmaan [als
Akrûra,
S'rî Advaita
of Johannes de Doper], met het afzien van de weelde van
S'rî die zo fel begeerd wordt door de goddelijken,
[als Râma, Krishna, de Boeddha, als Jezus, als
Caitanya etc.] genadevol voor hen die gevangen zijn in de
dierlijke aard, zich begaf naar het afgelegen gebied
[India, de wildernis, het woud, de woestijn, met
sannyâsa] om Uw voorwerp van verlangen na te
jagen [Uw missie, Uw dharma, Uw aanwezigheid als de Heer
der toegewijden, 4*].'
Naar
de woorden van een brahmaan [als Akrûra,
S'rî Advaita of Johannes de Doper], als de Meest
Religieuze de zo moeilijk achter te laten weelde van
S'rî opgevend zo sterk begeerd door de goddelijken,
ging Hij [als Râma, Krishna, de Buddha, als Jezus,
als Caitanya etc.], van genade voor hen die gevangen
zijn in de dierlijke aard, naar het gebied ver weg
[India, de wildernis, het woud, de woestijn, met
sannyas] Zijn object van verlangen najagend [Zijn
missie, Zijn dharma, Zijn aanwezigheid als de Heer der
toegewijden]; mijn eerbetoon geldt de lotusvoeten van U,
o Allerhoogste Persoonlijkheid. [4*]'
(Vedabase)
Tekst
35
O Koning, aldus
wordt de Allerhoogste Heer Hari, de Beheerser van Alle
Zegeningen, met Zijn namen en gedaanten zoals die passen bij
iedere yuga aanbeden door de mensen van dat
tijdperk.
Aldus
wordt de Allerhoogste Heer Hari, de Beheerser van Alle
Zegeningen, naar Zijn namen en gedaanten zoals gepast voor
iedere yuga aanbeden door de mensen van dat tijdperk, o
Koning. (Vedabase)
Tekst
36
De gelovigen
[die van geestelijke vooruitgang zijn en] bekend met de
waarde van het tijdperk van Kali, spreken er hun lof over uit
erop wijzend dat zijn essentie eruit bestaat dat met het
[enkel] gezamenlijk bezingen zo goed als alle
doeleinden kunnen worden bereikt.
De
gelovigen [van geestelijke vooruitgang] bekend met
de waarde, prijzen het tijdperk van Kali, erop wijzend dat
zijn essentie eruit bestaat dat met het [enkele]
gezamenlijke bezingen zo goed als alle doeleinden worden
bereikt. (Vedabase)
Tekst
37
Werkelijk, er
bestaat voor de belichaamden die ronddolen in dit universum
geen grotere verworvenheid dan dit
[sankîrtana-zingen] waardoor men de
Opperste Vrede verkrijgt en de herhaling van geboorte en dood
wordt doorbroken [zie ook 2.1:
11,
3.33:
7,
8.23:
16 en
8.23*].
Daadwerkelijk,
voor de belichaamden ronddolend in dit universum, bestaat er
geen grotere winst dan dit [sankîrtana-zingen]
waardoor men de Opperste Vrede verkrijgt en waardoor de
herhaling van geboorte en dood wordt doorbroken [zie ook
2.1: 11, 3.33: 7, 8.23: 16 en 8.23 *].
(Vedabase)
Tekst
38-40
Zij die leven
in Satya- en de andere yuga's, o Koning, willen in
Kali-yuga hun geboorte nemen omdat men in die tijd, o grote
monarch, in verschillende plaatsen de toegewijden aantreft die
Nârâyana zijn toegewijd. Men vindt ze met name in
grote getalen in de provincies van Zuid-India. De mensen daar
die drinken van het water van de rivieren de
Tâmraparnî, de Kritamâlâ, de
Payasvinî, de o zo heilige Kâverî, de
Mahânadî en de Pratîcî, o heer der
mensen, zijn grotendeels toegewijden met een zuiver hart voor
de Allerhoogste Heer Vâsudeva.
Zij
die leven in Satya- en de andere yuga's, o Koning, willen in
Kali-yuga hun geboorte nemen daar men voorzeker in die tijd,
o grote monarch, links en rechts de toegewijden die
Nârâyana zijn toegewijd aantreft; in het
bijzonder in grote getalen in de provincies van Zuid-India
alwaar die mensen die drinken van het water van de rivieren
de Tâmraparnî, de Kritamâlâ, de
Payasvinî, de o zo heilige Kâverî, de
Mahânadî en de Pratîcî, o heer der
mensen, grotendeels toegewijden zuiver van hart van de
Allerhoogste Heer Vâsudeva zijn.
(Vedabase)
Tekst
41
O Koning, een
persoon die, met het verzaken van de materiële
verplichtingen, met zijn hele wezen toenadering zocht tot de
toevlucht van Mukunda, Hij Die de Toevlucht Verleent, is niet
de dienaar noch de schuldenaar van de goden, de wijzen, de
normale levende wezens, van vrienden en verwanten of van de
voorvaderen [zie ook B.G. 3:
9].
O
Koning, een persoon die, met het verzaken van de
materiële verplichtingen, met zijn hele wezen
toenadering zocht tot de toevlucht van Mukunda, Hij Die de
Toevlucht Verleent, is niet de dienaar noch de schuldenaar
van de goden, de wijzen, de normale levende wezens, van
vrienden en verwanten of van de voorvaderen [zie ook
B.G. 3: 9]. (Vedabase)
Tekst
42
Van degene die
gefixeerd op Zijn voeten van aanbidding is en om die reden
geliefd is bij Heer Hari, de Allerhoogste Beheerser die zich in
het hart vestigde zo gauw men zich niet meer op andere zaken
richtte, worden welke soort van onregelmatigheden ook die zich
op de ene of de andere manier voordeden allemaal uitgezuiverd
[zie 8.23:
16 en B.G.
9:
22,
9:
30,
18:
56].'
Verankerd
aan Zijn voeten bezig met aanbidden en aldus Heer Hari
dierbaar, de Allerhoogste Beheerser die met het opgeven van
de toeneiging naar anderen toe het hart is binnengetreden,
worden welke soort van onregelmatigheden die zich op de ene
of de andere manier ook voordeden allen weggenomen [zie
8.23: 16 en B.G. 9: 22, 9: 30, 18:
56].'
(Vedabase)
Tekst
43
S'rî
Nârada zei: 'Nadat hij aldus had vernomen over de
wetenschap van de toegewijde dienst voelde de heer van
Mithilâ zich waarlijk voldaan en sprak hij vervolgens
tezamen met de priesters gebeden uit voor de wijze zonen van
Jayantî [de Yogendra's 5.4:
8].
S'rî
Nârada zei: 'Op deze manier vernomen hebbend over de
wetenschap van de toegewijde dienst voelde de meester van
Mithilâ zich waarlijk voldaan en bracht hij vervolgens
tezamen met de priesters gebeden voor de wijze zonen van
Jayantî [de yogendra's 5.4: 8].
(Vedabase)
Tekst
44
Toen, voor ogen
van allen aanwezig, verdwenen de volmaakte zielen. De koning,
trouw dit dharma nalevend, bereikte de allerhoogste
bestemming.
Toen,
voor ogen van allen aanwezig, verdwenen de volmaakte zielen.
De koning, trouw dit dharma nalevend, bereikte de
allerhoogste bestemming.
(Vedabase)
Tekst
45
U
[Vasudeva], o hoogst fortuinlijke ziel, zult zich
eveneens, toegerust met geloof in deze principes van de
toegewijde dienst waar u over vernam, nadat u zich heeft
vrijgemaakt van alle materiële zorgen, het Allerhoogste
bereiken.
U
[Vasudeva], o hoogst fortuinlijke ziel, zult
eveneens, toegerust met geloof in deze principes van de
toegewijde dienst waar u over vernam, bevrijd van alle
materiële omgang zich naar het Allerhoogste begeven.
(Vedabase)
Tekst
46
De aarde raakte
vervuld van de heerlijkheden van jullie twee als man en vrouw,
omdat de Allerhoogste Heer, de Beheerser Hari, de positie innam
van uw zoon.
De
aarde raakte vol van inderdaad de heerlijkheden van jullie
twee als man en vrouw, omdat de Allerhoogste Heer, de
Beheerser Hari, de positie innam van uw zoon.
(Vedabase)
Tekst
47
Toen jullie
voor Krishna jullie liefde bewezen van het zien, het omhelzen,
en converseren, gaan slapen, zitten en eten met Hem als zoon,
zijn jullie harten gezuiverd geraakt.
Voor
Krishna de liefde ten toon spreidend van het zien, het
omhelzen, en converseren, gaan slapen, zitten en eten met
een zoon, zijn de harten van jullie gezuiverd geraakt.
(Vedabase)
Tekst
48
Koningen als
S'is'upâla,
Paundraka
en S'âlva
die wedijverend zich afgunstig betrokken op Zijn bewegingen,
blikken enzovoorts, en aldus mediterend hun geesten
concentreerden op Hem terwijl ze neerlagen, zaten etc., hebben
een positie bereikt op hetzelfde niveau; hoe zou het dan wel
niet hen vergaan die Hem gunstig gezind waren [zie
mukti
en ook Jaya
& Vijaya]?
Koningen
als S'is'upâla, Paundraka en S'âlva die met
afgunst zich wedijverend betrokken op Zijn bewegingen,
blikken enzovoorts, en aldus mediterend hun geesten
concentreerden op Hem neerliggend, zittend etc., hebben een
positie bereikt op het zelfde niveau; wat dan niet te zeggen
van hen die gunstig gezind waren [zie mukti en ook Jaya
&Vijaya]? (Vedabase)
Tekst
49
Verwaardig u
niet Krishna, de Opperziel en Beheerser van Allen, het idee op
te dringen dat Hij uw zoon is; bij de macht van Zijn illusie
verscheen Hij als een normaal menselijk wezen met het verhullen
van Zijn volheid als de Allerhoogste Onfeilbare [zie ook
B.G. 4:
6].
Verwaardig
u niet Krishna, de Opperziel en Beheerser van Allen, het
idee op te dringen dat Hij uw zoon is; bij de macht van Zijn
illusie verscheen Hij als een normaal menselijk wezen Zijn
volheid verhullend als de Allerhoogste Onfeilbare [zie
ook B.G. 4: 6]. (Vedabase)
Tekst
50
Van Hem die
nederdaalde om de asura leden van de adelstand die de
aarde belastten te doden en om de [toegewijden de]
bevrijding te vergunnen, heeft de faam zich wijd verspreid in
de wereld [zie ook B.G. 4:
7].'
Van
Hem die nederdaalde teneinde de asura-leden van de adelstand
die de aarde belastten te doden en de bevrijding te
vergunnen, heeft de faam zich wijd verspreid in de wereld
[zie ook B.G. 4: 7].' (Vedabase)
Tekst
51
S'rî
S'uka zei: 'Toen ze dit hadden gehoord waren de hoogst
fortuinlijke Vasudeva en Devakî zeer verrast en gaven ze
de dwaasheid die ze gekoesterd hadden op.
S'rî
S'uka zei: 'Toen ze dit hadden gehoord waren de hoogst
fortuinlijke Vasudeva en Devakî zeer verrast en gaven
ze de dwaasheid die ze met zichzelf hadden op.
(Vedabase)
Tekst
52
Hij die
eenpuntig van aandacht mediteert op deze vrome, historische
vertelling, zal nog in dit leven van de besmetting afkomen en
de spirituele volmaaktheid bereiken.'
Hij
die eenpuntig van aandacht mediteert op deze vrome
historische vertelling, zal nog in dit leven van de
besmetting afkomen en de spirituele volmaaktheid bereiken.
(Vedabase)
*:
Met de Rik-samhitâ (8.4: 19), de S'ukla-yajur Veda (34:
11) en de Atharva Veda (19: 66) die allemaal zeggen 'De
brahmaan verscheen als Zijn gezicht, de koning als Zijn armen,
de vais'ya als Zijn dijen, en de s'ûdra
werd geboren uit Zijn voeten' worden, volgens S'rîdhara
Svâmî, de brahmanen geacht geboren te zijn uit de
geaardheid goedheid, de kshatriya's uit een combinatie
van goedheid en hartstocht, de vais'ya's uit een
combinatie van hartstocht en onwetendheid en de
s'ûdra's uit de geaardheid
onwetendheid.
**
Hier vermeld worden de vikankata houten sruk en
de khadira houten sruvâ die de sruk
bediend voor het gieten van ghee in het vuur.
***:
De paramparâ, om ons te helpen herinneren aan de
neergang van de toewijding in de loop van de yuga's
[zie ook 1.16:
20]
verduidelijkt: 'De mensen levend in Satya-yuga werden
omschreven als s'ântâh, nirvairâh,
suhridah en samâh, of vreedzaam, vrij van afgunst, de
weldoeners van ieder levend wezen, en gefixeerd op het
spiritueel platform voorbij de geaardheden der materiële
natuur. Zo ook werden de mensen levend in Tretâ-yuga
omschreven als dharmishthhâh en
brahma-vâdinah, of diep-religieus, en deskundige
navolgers van de Vedische voorschriften. In het voorliggende
vers, wordt van de mensen levend in Dvâpara-yuga gezegd
dat ze eenvoudig jijñâsavah zijn, ofwel
begerig zijn om de Absolute Waarheid te kennen. Anderszins
worden ze omschreven als martyâh, of onderhevig
aan de zwakheid van sterfelijke wezens.' Het ene na het andere
tijdperk is men dus aan het aanbidden met meditatie, het
brengen van offers, tempelaanbidding en het gezamenlijk
zingen.
4*
De paramparâ voegt hier aan toe: 'Bevestiging
leverend voor de verklaring van dit vers, aanbidden de
volgelingen van Caitanya Mahâprabhu Hem ook in Zijn
zesarmige gedaante van de shad-bhuja. Twee armen dragen
de waterpot en de danda van de sannyâsî
Caitanya Mahâprabhu, twee armen dragen de fluit van
Heer Krishna, en twee armen dragen de pijl en de boog van
S'rî Râmacandra. Deze shad-bhuja gedaante is
de eigenlijke strekking van dit vers van het S'rîmad
Bhâgavatam'.