regelbalk

 

S'rî S'rî Gurv-ashthaka

 

 

 

Canto 11

 

Hoofdstuk 5

 

Nârada Besluit Zijn Onderricht aan Vasudeva

(1) De achtenswaardige koning [Nimi] zei: 'O u volmaakt in de kennis van de ziel, wat is de bestemming van hen die, zo goed als nooit Hari de Allerhoogste Persoonlijkheid aanbiddend [zie ook 11.3: *4], niet in vrede met hun lusten de controle over zichzelf kwijt zijn?'

(2) S'rî Camasa zei: 'Van het gezicht, de armen, de dijbenen, en de voeten van de Oorspronkelijke Persoon werden met de drie geaardheden van de natuur [in verschillende combinaties *] de vier geestelijke orden [of âs'rama's] en roepingen [of varna's] met de brahmanen voorop gaand gegenereerd [zie ook B.G. 4: 13]. (3) Welk lid van hen dan ook die, niet van aanbidding, minachting koestert voor de Oorspronkelijke Persoon die rechtstreeks de uitnemendheid van hun ziel en de Allerhoogste Beheerser is, zal, van zijn positie afgedwaald, ten val komen [zie B.G. 16: 23]. (4) Er zijn vele mensen verre van de verhandelingen over de Vernietiger [van de zonde; de Heer] die nimmer denken aan de heerlijkheden van de Onfeilbare; zij, wat dat betreft slechts vrouwen [vergelijk 5.17: 15] en s'ûdra's en dergelijke, zijn degenen die de genade van persoonlijkheden als u verdienen. (5) En dan nog raken zelfs de intellectuelen, de edelen en de kooplieden, die het [door initiatie] is toegestaan de Heer Zijn lotusvoeten te benaderen, verbijsterd in hun betrokkenheid bij [allerlei soorten van] filosofieën [zie ook 5.6: 11, B.G. 2: 42-43]. (6) Onwetend over het karma en arrogant, spreken studiehoofden, zichzelf heel geleerd achtend, verrukt met mooie woorden zich uit in ophemelende verhandelingen waardoor ze de draad kwijt raken [zie ook B.G. 9: 3]. (7) Vol van hartstocht en ontaard in hun begeerten zijn ze zo kwaad als slangen, bedrieglijk en ingebeeld en drijven ze zondig de spot met hen die Acyuta dierbaar zijn. (8) Als vrouwenaanbidders onderhouden ze zich met elkaar in hun huizen met het aanmoedigen en aanbidden van de sex als het hoogste goed; zonder het uitdelen van voedsel en doen van schenkingen uit dankbaarheid [voor de spirituele/geestelijke leiders en hun volgelingen], in acht te nemen, denken ze enkel en alleen aan hun eigen levensonderhoud en doden ze, zich niet bewust van de gevolgen, de dieren [zie ook B.G. 16]. (9) Met hun intelligentie verblind door de trots ontleend aan hun weelde, speciale talenten, afkomst, scholing, verzaking, schoonheid, kracht en het volbrengen van rituelen, koesteren ze met een hart van steen minachting voor de geheiligden die de Heer lief zijn en de Beheerser Zelve erbij inbegrepen [zie ook e.g.: 1.8: 26, 4.2: 24, 4.31: 21, 5.1: 12, 7.15: 19, 8.22: 26 en B.G. 2.42-43]. (10) De Ziel van de Meest Aanbiddelijke Beheerser die net als de ether voor eeuwig zich ophoudt in alle belichaamde wezens, is de Uiteindelijke Beheerser verheerlijkt door de Veda's, maar de onintelligenten slaan er geen acht op; ze gaan liever door met het bespreken van de onderwerpen van hun eigen grillige zingenoegens. (11) Het verslingerd zijn aan de sex en het consumeren van vlees en alcohol dat inderdaad steeds wordt aangetroffen in het geconditioneerde levende wezen wordt waarlijk door geen schriftuurlijk gebod ondersteund; wat in dezen is voorgeschreven voor [respectievelijk] het huwelijk, de offerplechtigheid en het ritueel gebruik van wijn, is er voor het doel daar een einde aan te maken [zie ook 1.17: 38-39]. (12) Van alle [te vergaren] weelde is de religiositeit de enige vrucht van welke er inderdaad de kennis is tezamen met de wijsheid en de daarop volgende bevrijding; zij die zo geslaagd zijn in hun huizen realiseren zich niet de onoverkomelijke greep van de dood op hun lichamen [zie ook 3.30: 7, 7.6: 8, 4.29: 52-55 maar ook: 4.22: 10]. (13) Het staat voorgeschreven dat de wijn moet worden genoten door eraan te ruiken en dat dienovereenkomstig een beest volgens de voorschriften moet worden gedood en niet in een begerige vorm van geweld [met het slachten van dieren op een grote schaal]; op dezelfde manier is sex er voor het verwekken van kinderen en niet voor het zinnelijk genot [op zich] [B.G. 7-11]; voor dit allerzuiverste, hun eigen plicht zoals het hoort, hebben zij [de onintelligenten] geen begrip [zie ook 7.15]. (14) Zij die geen weet hebben van deze feiten en zeer onheilig ingebeeld zichzelf als geheiligd beschouwen, doen onschuldig vertrouwende dieren kwaad; nadat ze hun lichamen hebben verlaten zullen die dieren hen opeten [vergelijk 5.26: 11-13 en 4.25: 7-8]. (15) Afgunstig op hun ware Zelf, hun Heer en Beheerser levend in de lichamen van anderen, komen ze, gefixeerd in hun voorliefde voor hun eigen sterfelijke omhulsel en alles wat er bij hoort, ten val. (16) Zij die [aldus] niet de emancipatie [of de moksha] hebben bereikt maar wel de grofstoffelijke dwaasheid te boven kwamen, zijn de drie doelen van het vrome leven toegewijd [het ritueel, een inkomen en gereguleerde verlangens], maar zijn, zonder zich ook maar een moment van reflectie te gunnen [te hard werkend], [niettemin druk] bezig zichzelf te doden [zie ook de purushârtha's 10.2: 32]. (17) Deze zelfmoordenaars de vrede ontberend, denken in hun onwetendheid kennis van zaken te hebben maar lijden, er niet in slagend hun plichten na te komen, mettertijd onder de vernietiging van al hun hoop en hun dromen. (18) Zij die hun gezichten afkeerden van Vâsudeva gaan, zoals beschikt door de illusie-verwekkende energie van de Allerhoogste Ziel, zonder het te willen, de duisternis binnen, hun huizen, kinderen, vrienden en echtgenotes in de steek latend.'

(19) De achtenswaardige koning zei; 'In welke tijd had de Heer welke kleur en welke gedaante en met welke namen en welke methoden wordt Hij aanbeden; alstublieft verschaf hier in onze aanwezigheid duidelijkheid over.'

(20) S'rî Karabhâjana gaf ten antwoord: 'In deze [yuga's] genaamd Krita [of Satya], Tretâ, Dvâpara en Kali wordt de Heer, met het hebben van verschillende huidskleuren [zie ook 10.26: 16], namen en gedaanten, dienovereenkomstig op verschillende manieren aanbeden. (21) In Satya-yuga is Hij blank, heeft Hij vier armen, samengeklit haar, kleding van boombast, een zwart hertenvel, een heilige draad, aksha-zaad gebedskralen en draagt Hij een staf en een waterpot. (22) De menselijke wezens zijn dan vreedzaam, vrij van afgunst, een ieder welgezind, gelijkmoedig en zowel middels boetedoeningen als door het beheersen van hun geest en zinnen van aanbidding voor de Heer. (23) Aldus wordt Hij verschillend gevierd als Hamsa ['de Zwaan'], Suparna ['Mooie Vleugels'], Vaikunthha ['de Heer van het Hemelrijk'], Dharma ['de Handhaver der Religie'], Yoges'vara ['de Beheerser van de Yoga', Amala ['de Onberispelijke '], Îs'vara ['de Allerhoogste Beheerser'], Purusha ['de Oorspronkelijke Persoon'], Avyakta ['de Ongeziene'] en Paramâtmâ ['de Superziel']. (24) In Tretâ-yuga heeft Hij een rode huidskleur, vier armen, draagt hij drie gordels [naar de initiaties van de eerste drie varna's], heeft Hij blonde lokken en heeft Hij, als de verpersoonlijking van de drie Veda's, de offerlepels [**] en dergelijken als Zijn symbolen. (25) Dan aanbidden de menselijke wezens die als zoekers van de Absolute Waarheid gefixeerd zijn in de religiositeit Hem, Hari, de Godheid in Al de Goden, met de offerrituelen van de drie Veda's [zie ook 1.16: 20]. (26) In Tretâ-yuga wordt de Heer verheerlijkt met de namen Vishnu ['de Al-doordringende'], Yajña ['de Heer van het Offer'], Pris'nigarbha [de zoon van Pris'ni, 10.3: 32], Sarvadeva ['De God Aller Goden'], Urukrama ['Hij van de Bovenzinnelijke Wapenfeiten'], Vrishâkapi [de Gedenkwaardige Die Beloont en het Leed Verdrijft'], Jayanta ['Hij die Alles Overwint'] en Urugâya ['Hij het Meest Verheerlijkt']. (27) In Dvâpara-yuga is de Allerhoogste Heer grijsblauw, draagt hij gele kleren en voert Hij Zijn toepassingen met zich mee [de werpschijf, knots, lotus en schelphoorn] tezamen met de lichamelijke kenmerken van de S'rîvatsa en dergelijke en Zijn sierselen [zoals de pauwenveer en het kaustubha-juweel]. (28) In dat tijdperk, o Koning, aanbidden de sterfelijken die kennis willen verwerven over het Allerhoogste Hem, de Oorspronkelijke Persoon die de rol speelt van een grote koning, overeenkomstig de Veda's en de Tantra's [zoals e.g. in 1.10: 16-18 en 10: 74: 17-24 en ***] met: (29-30) 'Onze eerbetuigingen voor Sankarshana, Pradyumna, Aniruddha en U, Vâsudeva; U Nârâyana Rishi, de Oorspronkelijke en Allerhoogste Persoonlijkheid van God, de Grotere Ziel, de Beheerser van de Schepping, de Gedaante van het Universum Zelf en het Ware Zelf van alle levende wezens [zie catur-vyûha].' (31) O Koning, aldus prijzen ze in Dvâpara-yuga de Heer van het Universum; alstublieft verneem op welke manier naar de schriftuurlijke voorschriften men eveneens van aanbidding is in Kali-yuga [zie ook 7.9: 38]. (32) De intelligenten aanbidden [dan Hem die] met een heldere [niet-donkere of gouden] luister samen met [Zijn] metgezellen, dienaren, wapens en toegehorigen, middels de offerplechtigheid van hoofdzakelijk het gezamenlijk bezingen, van lof [is] voor [spreekt over, verspreidt of gekleurd is door] Krishna met: (33) 'O Allerhoogste Persoonlijkheid, aan Uw voeten, waarop men steeds mediteert, die de vernedering onder de invloed der materie te niet doen, die in ruime mate het ware verlangen van de ziel honoreren, die het verblijf en het pelgrimsoord zijn waarvoor S'iva en Brahmâ zich verbuigen, die de meest achtenswaardige toevlucht vormen die het leed wegneemt van Uw dienaren en die de boot voor de oceaan van geboorte en dood zijn, draag ik mijn eerbetoon op. (34) Naar de woorden van een brahmaan [als Akrûra, S'rî Advaita of Johannes de Doper], als de Meest Religieuze de zo moeilijk achter te laten weelde van S'rî opgevend zo sterk begeerd door de goddelijken, ging Hij [als Râma, Krishna, de Buddha, als Jezus, als Caitanya etc.], van genade voor hen die gevangen zijn in de dierlijke aard, naar het gebied ver weg [India, de wildernis, het woud, de woestijn, met sannyas] Zijn object van verlangen najagend [Zijn missie, Zijn dharma, Zijn aanwezigheid als de Heer der toegewijden]; mijn eerbetoon geldt de lotusvoeten van U, o Allerhoogste Persoonlijkheid. [4*]' (35) Aldus wordt de Allerhoogste Heer Hari, de Beheerser van Alle Zegeningen, naar Zijn namen en gedaanten zoals gepast voor iedere yuga aanbeden door de mensen van dat tijdperk, o Koning. (36) De gelovigen [van geestelijke vooruitgang] bekend met de waarde, prijzen het tijdperk van Kali, erop wijzend dat zijn essentie eruit bestaat dat met het [enkele] gezamenlijke bezingen zo goed als alle doeleinden worden bereikt. (37) Daadwerkelijk, voor de belichaamden ronddolend in dit universum, bestaat er geen grotere winst dan dit [sankîrtana-zingen] waardoor men de Opperste Vrede verkrijgt en waardoor de herhaling van geboorte en dood wordt doorbroken [zie ook 2.1: 11, 3.33: 7, 8.23: 16 en 8.23 *]. (38-40) Zij die leven in Satya- en de andere yuga's, o Koning, willen in Kali-yuga hun geboorte nemen daar men voorzeker in die tijd, o grote monarch, links en rechts de toegewijden die Nârâyana zijn toegewijd aantreft; in het bijzonder in grote getalen in de provincies van Zuid-India alwaar die mensen die drinken van het water van de rivieren de Tâmraparnî, de Kritamâlâ, de Payasvinî, de o zo heilige Kâverî, de Mahânadî en de Pratîcî, o heer der mensen, grotendeels toegewijden zuiver van hart van de Allerhoogste Heer Vâsudeva zijn. (41) O Koning, een persoon die, met het verzaken van de materiële verplichtingen, met zijn hele wezen toenadering zocht tot de toevlucht van Mukunda, Hij Die de Toevlucht Verleent, is niet de dienaar noch de schuldenaar van de goden, de wijzen, de normale levende wezens, van vrienden en verwanten of van de voorvaderen [zie ook B.G. 3: 9]. (42) Verankerd aan Zijn voeten bezig met aanbidden en aldus Heer Hari dierbaar, de Allerhoogste Beheerser die met het opgeven van de toeneiging naar anderen toe het hart is binnengetreden, worden welke soort van onregelmatigheden die zich op de ene of de andere manier ook voordeden allen weggenomen [zie 8.23: 16 en B.G. 9: 22, 9: 30, 18: 56].'

(43) S'rî Nârada zei: 'Op deze manier vernomen hebbend over de wetenschap van de toegewijde dienst voelde de meester van Mithilâ zich waarlijk voldaan en bracht hij vervolgens tezamen met de priesters gebeden voor de wijze zonen van Jayantî [de yogendra's 5.4: 8]. (44) Toen, voor ogen van allen aanwezig, verdwenen de volmaakte zielen. De koning, trouw dit dharma nalevend, bereikte de allerhoogste bestemming. (45) U [Vasudeva], o hoogst fortuinlijke ziel, zult eveneens, toegerust met geloof in deze principes van de toegewijde dienst waar u over vernam, bevrijd van alle materiële omgang zich naar het Allerhoogste begeven. (46) De aarde raakte vol van inderdaad de heerlijkheden van jullie twee als man en vrouw, omdat de Allerhoogste Heer, de Beheerser Hari, de positie innam van uw zoon. (47) Voor Krishna de liefde ten toon spreidend van het zien, het omhelzen, en converseren, gaan slapen, zitten en eten met een zoon, zijn de harten van jullie gezuiverd geraakt. (48) Koningen als S'is'upâla, Paundraka en S'âlva die met afgunst zich wedijverend betrokken op Zijn bewegingen, blikken enzovoorts, en aldus mediterend hun geesten concentreerden op Hem neerliggend, zittend etc., hebben een positie bereikt op het zelfde niveau; wat dan niet te zeggen van hen die gunstig gezind waren [zie mukti en ook Jaya &Vijaya]? (49) Verwaardig u niet Krishna, de Opperziel en Beheerser van Allen, het idee op te dringen dat Hij uw zoon is; bij de macht van Zijn illusie verscheen Hij als een normaal menselijk wezen Zijn volheid verhullend als de Allerhoogste Onfeilbare [zie ook B.G. 4: 6]. (50) Van Hem die nederdaalde ten einde de asura-leden van de adelstand die de aarde belastten te doden en de bevrijding te vergunnen, heeft de faam zich wijd verspreid in de wereld [zie ook B.G. 4: 7].'

(51) S'rî S'uka zei: 'Toen ze dit hadden gehoord waren de hoogst fortuinlijke Vasudeva en Devakî zeer verrast en gaven ze de dwaasheid die ze met zichzelf hadden op. (52) Hij die eenpuntig van aandacht mediteert op deze vrome historische vertelling, zal nog in dit leven van de besmetting afkomen en de spirituele volmaaktheid bereiken.

 

next        

 
 

 

 

Bronteksten [geen voorgaande versie in het Nederlands beschikbaar]:

Nârada Concludes His Teachings to Vasudeva

 

Tekst 1:

De achtenswaardige koning [Nimi] zei: 'O u volmaakt in de kennis van de ziel, wat is de bestemming van hen die, zo goed als nooit Hari de Allerhoogste Persoonlijkheid aanbiddend [zie ook 11.3: *4], niet in vrede met hun lusten de controle over zichzelf kwijt zijn?'

King Nimi further inquired - My dear Yogendras, all of you are most perfect in knowledge of the science of the self. Therefore, kindly explain to me the destination of those who for the most part never worship the Supreme Personality of Godhead, Hari, who are unable to quench their material desires and who are not in control of their own selves.

 

Tekst 2:

S'rî Camasa zei: 'Van het gezicht, de armen, de dijbenen, en de voeten van de Oorspronkelijke Persoon werden met de drie geaardheden van de natuur [in verschillende combinaties *] de vier geestelijke orden [of âs'rama's] en roepingen [of varna's] met de brahmanen voorop gaand gegenereerd [zie ook B.G. 4: 13].

S'rî Camasa said - Each of the four social orders, headed by the brâhmanas, was born through different combinations of the modes of nature, from the face, arms, thighs and feet of the Supreme Lord in His universal form. Thus the four spiritual orders were also generated.

 

Tekst 3:

Welk lid van hen dan ook die, niet van aanbidding, minachting koestert voor de Oorspronkelijke Persoon die rechtstreeks de uitnemendheid van hun ziel en de Allerhoogste Beheerser is, zal, van zijn positie afgedwaald, ten val komen [zie B.G. 16: 23].

If any of the members of the four varnas and four âs'ramas fail to worship or intentionally disrespect the Personality of Godhead, who is the source of their own creation, they will fall down from their position into a hellish state of life.

 

Tekst 4:

Er zijn vele mensen verre van de verhandelingen over de Vernietiger [van de zonde; de Heer] die nimmer denken aan de heerlijkheden van de Onfeilbare; zij, wat dat betreft slechts vrouwen [vergelijk 5.17: 15] en s'ûdra's en dergelijke, zijn degenen die de genade van persoonlijkheden als u verdienen.

There are many persons who have little opportunity to take part in discussions about the Supreme Personality of Godhead, Hari, and thus it is difficult for them to chant His infallible glories. Persons such as women, s'ûdras and other fallen classes always deserve the mercy of great personalities like yourself.

 

 Tekst 5

En dan nog raken zelfs de intellectuelen, de edelen en de kooplieden, die het [door initiatie] is toegestaan de Heer Zijn lotusvoeten te benaderen, verbijsterd in hun betrokkenheid bij [allerlei soorten van] filosofieën [zie ook 5.6: 11, B.G. 2: 42-43].

On the other hand, brâhmanas, members of the royal order and vais'yas, even after being allowed to approach the lotus feet of the Supreme Lord, Hari, by receiving the second birth of Vedic initiation, can become bewildered and adopt various materialistic philosophies.

 

Tekst 6

Onwetend over het karma en arrogant, spreken studiehoofden, zichzelf heel geleerd achtend, verrukt met mooie woorden zich uit in ophemelende verhandelingen waardoor ze de draad kwijt raken [zie ook B.G. 9: 3].

Ignorant of the art of work, such arrogantly proud fools, enchanted and enlivened by the sweet words of the Vedas, pose as learned authorities and offer flattering entreaties to the demigods.

 

Tekst 7

Vol van hartstocht en ontaard in hun begeerten zijn ze zo kwaad als slangen, bedrieglijk en ingebeeld en drijven ze zondig de spot met hen die Acyuta dierbaar zijn.

Due to the influence of the mode of passion, the materialistic followers of the Vedas become subject to violent desires and are excessively lusty. Their anger is like that of a snake. Deceitful, overly proud, and sinful in their behavior, they mock the devotees who are dear to Lord Acyuta.

 

Tekst 8

Als vrouwenaanbidders onderhouden ze zich met elkaar in hun huizen met het aanmoedigen en aanbidden van de sex als het hoogste goed; zonder het uitdelen van voedsel en doen van schenkingen uit dankbaarheid [voor de spirituele/geestelijke leiders en hun volgelingen], in acht te nemen, denken ze enkel en alleen aan hun eigen levensonderhoud en doden ze, zich niet bewust van de gevolgen, de dieren [zie ook B.G. 16].

The materialistic followers of Vedic rituals, giving up the worship of the Lord, instead practically worship their wives, and thus their homes become dedicated to sex life. Such materialistic householders encourage one another in such whimsical behavior. Understanding ritualistic sacrifice as a necessary item for bodily maintenance, they perform unauthorized ceremonies in which there is no distribution of foodstuffs or charity to the brâhmanas and other respectable persons. Instead, they cruelly slaughter animals such as goats without any understanding of the dark consequences of their activities.

 

Tekst 9

Met hun intelligentie verblind door de trots ontleend aan hun weelde, speciale talenten, afkomst, scholing, verzaking, schoonheid, kracht en het volbrengen van rituelen, koesteren ze met een hart van steen minachting voor de geheiligden die de Heer lief zijn en de Beheerser Zelve erbij inbegrepen [zie ook e.g.: 1.8: 26, 4.2: 24, 4.31: 21, 5.1: 12, 7.15: 19, 8.22: 26 en B.G. 2.42-43].

The intelligence of cruel-minded persons is blinded by false pride based on great wealth, opulence, prestigious family connections, education, renunciation, personal beauty, physical strength and successful performance of Vedic rituals. Being intoxicated with this false pride, such cruel persons blaspheme the Supreme Personality of Godhead and His devotees.

 

Tekst 10

De Ziel van de Meest Aanbiddelijke Beheerser die net als de ether voor eeuwig zich ophoudt in alle belichaamde wezens, is de Uiteindelijke Beheerser verheerlijkt door de Veda's, maar de onintelligenten slaan er geen acht op; ze gaan liever door met het bespreken van de onderwerpen van hun eigen grillige zingenoegens.

The Personality of Godhead is eternally situated within the heart of every embodied being; still the Lord remains situated apart, just as the sky, which is all-pervading, does not mix with any material object. Thus the Lord is the supreme worshipable object and the absolute controller of everything. He is elaborately glorified in the Vedic literature, but those who are bereft of intelligence do not like to hear about Him. They prefer to waste their time discussing their own mental concoctions, which inevitably deal with gross material sense gratification such as sex life and meat-eating.

 

 Tekst 11

Het verslingerd zijn aan de sex en het consumeren van vlees en alcohol dat inderdaad steeds wordt aangetroffen in het geconditioneerde levende wezen wordt waarlijk door geen schriftuurlijk gebod ondersteund; wat in dezen is voorgeschreven voor [respectievelijk] het huwelijk, de offerplechtigheid en het ritueel gebruik van wijn, is er voor het doel daar een einde aan te maken [zie ook 1.17: 38-39].

In this material world the conditioned soul is always inclined to sex, meat-eating and intoxication. Therefore religious scriptures never actually encourage such activities. Although the scriptural injunctions provide for sex through sacred marriage, for meat-eating through sacrificial offerings and for intoxication through the acceptance of ritual cups of wine, such ceremonies are meant for the ultimate purpose of renunciation.

  

 Tekst 12  

Van alle [te vergaren] weelde is de religiositeit de enige vrucht van welke er inderdaad de kennis is tezamen met de wijsheid en de daarop volgende bevrijding; zij die zo geslaagd zijn in hun huizen realiseren zich niet de onoverkomelijke greep van de dood op hun lichamen [zie ook 3.30: 7, 7.6: 8, 4.29: 52-55 maar ook: 4.22: 10].

The only proper fruit of acquired wealth is religiosity, on the basis of which one can acquire a philosophical understanding of life that eventually matures into direct perception of the Absolute Truth and thus liberation from all suffering. Materialistic persons, however, utilize their wealth simply for the advancement of their family situation. They fail to see that insurmountable death will soon destroy the frail material body.

 

Tekst 13

Het staat voorgeschreven dat de wijn moet worden genoten door eraan te ruiken en dat dienovereenkomstig een beest volgens de voorschriften moet worden gedood en niet in een begerige vorm van geweld [met het slachten van dieren op een grote schaal]; op dezelfde manier is sex er voor het verwekken van kinderen en niet voor het zinnelijk genot [op zich] [B.G. 7-11]; voor dit allerzuiverste, hun eigen plicht zoals het hoort, hebben zij [de onintelligenten] geen begrip [zie ook 7.15].

According to the Vedic injunctions, when wine is offered in sacrificial ceremonies it is later to be consumed by smelling, and not by drinking. Similarly, the sacrificial offering of animals is permitted, but there is no provision for wide-scale animal slaughter. Religious sex life is also permitted, but only in marriage for begetting children, and not for sensuous exploitation of the body. Unfortunately, however, the less intelligent materialists cannot understand that their duties in life should be performed purely on the spiritual platform.

  

 Tekst 14

Zij die geen weet hebben van deze feiten en zeer onheilig ingebeeld zichzelf als geheiligd beschouwen, doen onschuldig vertrouwende dieren kwaad; nadat ze hun lichamen hebben verlaten zullen die dieren hen opeten [vergelijk 5.26: 11-13 en 4.25: 7-8].

Those sinful persons who are ignorant of actual religious principles, yet consider themselves to be completely pious, without compunction commit violence against innocent animals who are fully trusting in them. In their next lives, such sinful persons will be eaten by the same creatures they have killed in this world.

 

 Tekst 15  

Afgunstig op hun ware Zelf, hun Heer en Beheerser levend in de lichamen van anderen, komen ze, gefixeerd in hun voorliefde voor hun eigen sterfelijke omhulsel en alles wat er bij hoort, ten val.

The conditioned souls become completely bound in affection to their own corpselike material bodies and their relatives and paraphernalia. In such a proud and foolish condition, the conditioned souls envy other living entities as well as the Supreme Personality of Godhead, Hari, who resides in the heart of all beings. Thus enviously offending others, the conditioned souls gradually fall down into hell.

 

Tekst 16

Zij die [aldus] niet de emancipatie [of de moksha] hebben bereikt maar wel de grofstoffelijke dwaasheid te boven kwamen, zijn de drie doelen van het vrome leven toegewijd [het ritueel, een inkomen en gereguleerde verlangens], maar zijn, zonder zich ook maar een moment van reflectie te gunnen [te hard werkend], [niettemin druk] bezig zichzelf te doden [zie ook de purushârtha's 10.2: 32].

Those who have not achieved knowledge of the Absolute Truth, yet who are still beyond the darkness of complete ignorance, generally follow the threefold path of pious material life, namely religiosity, economic development and sense gratification. Not having time to reflect on any higher purpose, they become the killers of their own soul.

 

Tekst 17  

Deze zelfmoordenaars de vrede ontberend, denken in hun onwetendheid kennis van zaken te hebben maar lijden, er niet in slagend hun plichten na te komen, mettertijd onder de vernietiging van al hun hoop en hun dromen.

The killers of the soul are never peaceful, because they consider that human intelligence is ultimately meant for expanding material life. Thus neglecting their real, spiritual duties, they are always in distress. They are filled with great hopes and dreams, but unfortunately these are always destroyed by the inevitable march of time.

 

 Tekst 18

Zij die hun gezichten afkeerden van Vâsudeva gaan, zoals beschikt door de illusie-verwekkende energie van de Allerhoogste Ziel, zonder het te willen, de duisternis binnen, hun huizen, kinderen, vrienden en echtgenotes in de steek latend.'

Those who have turned away from the Supreme Lord, Vâsudeva, being under the spell of the Lord's illusory energy, are eventually forced to give up their so-called homes, children, friends, wives and lovers, which were all created by the illusory potency of the Supreme Lord, and enter against their will into the darkest regions of the universe.

 

Tekst 19

De achtenswaardige koning zei; 'In welke tijd had de Heer welke kleur en welke gedaante en met welke namen en welke methoden wordt Hij aanbeden; alstublieft verschaf hier in onze aanwezigheid duidelijkheid over.'

King Nimi inquired - In what colors and forms does the Supreme Personality of Godhead appear in each of the different ages, and with what names and by what types of regulative principles is the Lord worshiped in human society?

 

Tekst 20

S'rî Karabhâjana gaf ten antwoord: 'In deze [yuga's] genaamd Krita [of Satya], Tretâ, Dvâpara en Kali wordt de Heer, met het hebben van verschillende huidskleuren [zie ook 10.26: 16], namen en gedaanten, dienovereenkomstig op verschillende manieren aanbeden.

S'rî Karabhâjana replied - In each of the four yugas, or ages - Krita, Tretâ, Dvâpara and Kali - Lord Kes'ava appears with various complexions, names and forms and is thus worshiped by various processes.

 

Tekst 21

In Satya-yuga is Hij blank, heeft Hij vier armen, samengeklit haar, kleding van boombast, een zwart hertenvel, een heilige draad, aksha-zaad gebedskralen en draagt Hij een staf en een waterpot.

In Satya-yuga the Lord is white and four-armed, has matted locks and wears a garment of tree bark. He carries a black deerskin, a sacred thread, prayer beads and the rod and waterpot of a brahmacârî.

 

 Tekst 22

De menselijke wezens zijn dan vreedzaam, vrij van afgunst, een ieder welgezind, gelijkmoedig en zowel middels boetedoeningen als door het beheersen van hun geest en zinnen van aanbidding voor de Heer.

People in Satya-yuga are peaceful, nonenvious, friendly to every creature and steady in all situations. They worship the Supreme Personality by austere meditation and by internal and external sense control.

 

 Tekst 23

Aldus wordt Hij verschillend gevierd als Hamsa ['de Zwaan'], Suparna ['Mooie Vleugels'], Vaikunthha ['de Heer van het Hemelrijk'], Dharma ['de Handhaver der Religie'], Yoges'vara ['de Beheerser van de Yoga', Amala ['de Onberispelijke '], Îs'vara ['de Allerhoogste Beheerser'], Purusha ['de Oorspronkelijke Persoon'], Avyakta ['de Ongeziene'] en Paramâtmâ ['de Superziel'].

In Satya-yuga the Lord is glorified by the names Hamsa, Suparna, Vaikunthha, Dharma, Yoges'vara, Amala, Îs'vara, Purusha, Avyakta and Paramâtmâ.

 

 Tekst 24

In Tretâ-yuga heeft Hij een rode huidskleur, vier armen, draagt hij drie gordels [naar de initiaties van de eerste drie varna's], heeft Hij blonde lokken en heeft Hij, als de verpersoonlijking van de drie Veda's, de offerlepels [**] en dergelijken als Zijn symbolen.

In Tretâ-yuga the Lord appears with a red complexion. He has four arms, golden hair, and wears a triple belt representing initiation into each of the three Vedas. Embodying the knowledge of worship by sacrificial performance, which is contained in the Rig, Sâma and Yajur Vedas, His symbols are the ladle, spoon and other implements of sacrifice.

 

 Tekst 25

Dan aanbidden de menselijke wezens die als zoekers van de Absolute Waarheid gefixeerd zijn in de religiositeit Hem, Hari, de Godheid in Al de Goden, met de offerrituelen van de drie Veda's [zie ook 1.16: 20].

In Tretâ-yuga, those members of human society who are fixed in religiosity and are sincerely interested in achieving the Absolute Truth worship Lord Hari, who contains within Himself all the demigods. The Lord is worshiped by the rituals of sacrifice taught in the three Vedas.

 

 Tekst 26

In Tretâ-yuga wordt de Heer verheerlijkt met de namen Vishnu ['de Al-doordringende'], Yajña ['de Heer van het Offer'], Pris'nigarbha [de zoon van Pris'ni, 10.3: 32], Sarvadeva ['De God Aller Goden'], Urukrama ['Hij van de Bovenzinnelijke Wapenfeiten'], Vrishâkapi [de Gedenkwaardige Die Beloont en het Leed Verdrijft'], Jayanta ['Hij die Alles Overwint'] en Urugâya ['Hij het Meest Verheerlijkt'].

In Tretâ-yuga the Lord is glorified by the names Vishnu, Yajña, Pris'nigarbha, Sarvadeva, Urukrama, Vrishâkapi, Jayanta and Urugâya.

 

 Tekst 27

In Dvâpara-yuga is de Allerhoogste Heer grijsblauw, draagt hij gele kleren en voert Hij Zijn toepassingen met zich mee [de werpschijf, knots, lotus en schelphoorn] tezamen met de lichamelijke kenmerken van de S'rîvatsa en dergelijke en Zijn sierselen [zoals de pauwenveer en het kaustubha-juweel].

In Dvâpara-yuga the Supreme Personality of Godhead appears with a dark blue complexion, wearing yellow garments. The Lord's transcendental body is marked in this incarnation with S'rîvatsa and other distinctive ornaments, and He manifests His personal weapons.

 

 Tekst 28

In dat tijdperk, o Koning, aanbidden de sterfelijken die kennis willen verwerven over het Allerhoogste Hem, de Oorspronkelijke Persoon die de rol speelt van een grote koning, overeenkomstig de Veda's en de Tantra's [zoals e.g. in 1.10: 16-18 en 10: 74: 17-24 en ***] met:

My dear King, in Dvâpara-yuga men who desire to know the Supreme Personality of Godhead, who is the supreme enjoyer, worship Him in the mood of honoring a great king, following the prescriptions of both the Vedas and tantras.

 

 Tekst 29-30

'Onze eerbetuigingen voor Sankarshana, Pradyumna, Aniruddha en U, Vâsudeva; U Nârâyana Rishi, de Oorspronkelijke en Allerhoogste Persoonlijkheid van God, de Grotere Ziel, de Beheerser van de Schepping, de Gedaante van het Universum Zelf en het Ware Zelf van alle levende wezens [zie catur-vyûha].'

'Obeisances to You, O Supreme Lord Vâsudeva, and to Your forms of Sankarshana, Pradyumna and Aniruddha. O Supreme Personality of Godhead, all obeisances unto You. O Lord Nârâyana Rishi, O creator of the universe, best of personalities, master of this cosmos and original form of the universe, O Supersoul of all created entities, all homage unto You.'

 

 Tekst 31

O Koning, aldus prijzen ze in Dvâpara-yuga de Heer van het Universum; alstublieft verneem op welke manier naar de schriftuurlijke voorschriften men eveneens van aanbidding is in Kali-yuga [zie ook 7.9: 38].

O King, in this way people in Dvâpara-yuga glorified the Lord of the universe. In Kali-yuga also people worship the Supreme Personality of Godhead by following various regulations of the revealed scriptures. Now kindly hear of this from me.

 

 Tekst 32

De intelligenten aanbidden [dan Hem die] met een heldere [niet-donkere of gouden] luister samen met [Zijn] metgezellen, dienaren, wapens en toegehorigen, middels de offerplechtigheid van hoofdzakelijk het gezamenlijk bezingen, van lof [is] voor [spreekt over, verspreidt of gekleurd is door] Krishna met:

In the age of Kali, intelligent persons perform congregational chanting to worship the incarnation of Godhead who constantly sings the names of Krishna. Although His complexion is not blackish, He is Krishna Himself. He is accompanied by His associates, servants, weapons and confidential companions.

 

 Tekst 33

'O Allerhoogste Persoonlijkheid, aan Uw voeten, waarop men steeds mediteert, die de vernedering onder de invloed der materie te niet doen, die in ruime mate het ware verlangen van de ziel honoreren, die het verblijf en het pelgrimsoord zijn waarvoor S'iva en Brahmâ zich verbuigen, die de meest achtenswaardige toevlucht vormen die het leed wegneemt van Uw dienaren en die de boot voor de oceaan van geboorte en dood zijn, draag ik mijn eerbetoon op.

My dear Lord, You are the Mahâ-purusha, the Supreme Personality of Godhead, and I worship Your lotus feet, which are the only eternal object of meditation. Those feet destroy the embarrassing conditions of material life and freely award the greatest desire of the soul, the attainment of pure love of Godhead. My dear Lord, Your lotus feet are the shelter of all holy places and of all saintly authorities in the line of devotional service and are honored by powerful demigods like Lord S'iva and Lord Brahmâ. My Lord, You are so kind that You willingly protect all those who simply bow down to You with respect, and thus You mercifully relieve all the distress of Your servants. In conclusion, my Lord, Your lotus feet are actually the suitable boat for crossing over the ocean of birth and death, and therefore even Lord Brahmâ and Lord S'iva seek shelter at Your lotus feet.'

 

 Tekst 34

Naar de woorden van een brahmaan [als Akrûra, S'rî Advaita of Johannes de Doper], als de Meest Religieuze de zo moeilijk achter te laten weelde van S'rî opgevend zo sterk begeerd door de goddelijken, ging Hij [als Râma, Krishna, de Buddha, als Jezus, als Caitanya etc.], van genade voor hen die gevangen zijn in de dierlijke aard, naar het gebied ver weg [India, de wildernis, het woud, de woestijn, met sannyas] Zijn object van verlangen najagend [Zijn missie, Zijn dharma, Zijn aanwezigheid als de Heer der toegewijden]; mijn eerbetoon geldt de lotusvoeten van U, o Allerhoogste Persoonlijkheid. [4*]'

O Mahâ-purusha, I worship Your lotus feet. You gave up the association of the goddess of fortune and all her opulence, which is most difficult to renounce and is hankered after by even the great demigods. Being the most faithful follower of the path of religion, You thus left for the forest in obedience to a brâhmana's curse. Out of sheer mercifulness You chased after the fallen conditioned souls, who are always in pursuit of the false enjoyment of illusion, and at the same time engaged in searching out Your own desired object, Lord S'yâmasundara.

 

 Tekst 35

Aldus wordt de Allerhoogste Heer Hari, de Beheerser van Alle Zegeningen, naar Zijn namen en gedaanten zoals gepast voor iedere yuga aanbeden door de mensen van dat tijdperk, o Koning.

Thus, O King, the Supreme Lord Hari is the giver of all desirable benefits of life. Intelligent human beings worship the particular forms and names that the Lord manifests in different ages.

 

 Tekst 36

De gelovigen [van geestelijke vooruitgang] bekend met de waarde, prijzen het tijdperk van Kali, erop wijzend dat zijn essentie eruit bestaat dat met het [enkele] gezamenlijke bezingen zo goed als alle doeleinden worden bereikt.

Those who are actually advanced in knowledge are able to appreciate the essential value of this age of Kali. Such enlightened persons worship Kali-yuga because in this fallen age all perfection of life can easily be achieved by the performance of sankîrtana.

 

 Tekst 37

Daadwerkelijk, voor de belichaamden ronddolend in dit universum, bestaat er geen grotere winst dan dit [sankîrtana-zingen] waardoor men de Opperste Vrede verkrijgt en waardoor de herhaling van geboorte en dood wordt doorbroken [zie ook 2.1: 11, 3.33: 7, 8.23: 16 en 8.23 *].

Indeed, there is no higher possible gain for embodied souls forced to wander throughout the material world than the Supreme Lord's sankîrtana movement, by which one can attain the supreme peace and free oneself from the cycle of repeated birth and death.

 

 Tekst 38-40

Zij die leven in Satya- en de andere yuga's, o Koning, willen in Kali-yuga hun geboorte nemen daar men voorzeker in die tijd, o grote monarch, links en rechts de toegewijden die Nârâyana zijn toegewijd aantreft; in het bijzonder in grote getalen in de provincies van Zuid-India alwaar die mensen die drinken van het water van de rivieren de Tâmraparnî, de Kritamâlâ, de Payasvinî, de o zo heilige Kâverî, de Mahânadî en de Pratîcî, o heer der mensen, grotendeels toegewijden zuiver van hart van de Allerhoogste Heer Vâsudeva zijn.

My dear King, the inhabitants of Satya-yuga and other ages eagerly desire to take birth in this age of Kali, since in this age there will be many devotees of the Supreme Lord, Nârâyana. These devotees will appear in various places but will be especially numerous in South India. O master of men, in the age of Kali those persons who drink the waters of the holy rivers of Dravida-des'a, such as the Tâmraparnî, Kritamâlâ, Payasvinî, the extremely pious Kâverî and the Pratîcî Mahânadî, will almost all be purehearted devotees of the Supreme Personality of Godhead, Vâsudeva.

 

 Tekst 41

O Koning, een persoon die, met het verzaken van de materiële verplichtingen, met zijn hele wezen toenadering zocht tot de toevlucht van Mukunda, Hij Die de Toevlucht Verleent, is niet de dienaar noch de schuldenaar van de goden, de wijzen, de normale levende wezens, van vrienden en verwanten of van de voorvaderen [zie ook B.G. 3: 9].

O King, one who has given up all material duties and has taken full shelter of the lotus feet of Mukunda, who offers shelter to all, is not indebted to the demigods, great sages, ordinary living beings, relatives, friends, mankind or even one's forefathers who have passed away. Since all such classes of living entities are part and parcel of the Supreme Lord, one who has surrendered to the Lord's service has no need to serve such persons separately.

 

 Tekst 42

Verankerd aan Zijn voeten bezig met aanbidden en aldus Heer Hari dierbaar, de Allerhoogste Beheerser die met het opgeven van de toeneiging naar anderen toe het hart is binnengetreden, worden welke soort van onregelmatigheden die zich op de ene of de andere manier ook voordeden allen weggenomen [zie 8.23: 16 en B.G. 9: 22, 9: 30, 18: 56].'

One who has thus given up all other engagements and has taken full shelter at the lotus feet of Hari, the Supreme Personality of Godhead, is very dear to the Lord. Indeed, if such a surrendered soul accidentally commits some sinful activity, the Supreme Personality of Godhead, who is seated within everyone's heart, immediately takes away the reaction to such sin.

 

 Tekst 43

S'rî Nârada zei: 'Op deze manier vernomen hebbend over de wetenschap van de toegewijde dienst voelde de meester van Mithilâ zich waarlijk voldaan en bracht hij vervolgens tezamen met de priesters gebeden voor de wijze zonen van Jayantî [de yogendra's 5.4: 8].

Nârada Muni said - Having thus heard the science of devotional service, Nimi, the King of Mithilâ, felt extremely satisfied and, along with the sacrificial priests, offered respectful worship to the sagacious sons of Jayantî.

 

 Tekst 44

Toen, voor ogen van allen aanwezig, verdwenen de volmaakte zielen. De koning, trouw dit dharma nalevend, bereikte de allerhoogste bestemming.

The perfect sages then disappeared before the eyes of everyone present. King Nimi faithfully practiced the principles of spiritual life he had learned from them, and thus he achieved the supreme goal of life.

 

 Tekst 45

U [Vasudeva], o hoogst fortuinlijke ziel, zult eveneens, toegerust met geloof in deze principes van de toegewijde dienst waar u over vernam, bevrijd van alle materiële omgang zich naar het Allerhoogste begeven.

O greatly fortunate Vasudeva, simply apply with faith these principles of devotional service which you have heard, and thus, being free from material association, you will attain the Supreme.

 

 Tekst 46

De aarde raakte vol van inderdaad de heerlijkheden van jullie twee als man en vrouw, omdat de Allerhoogste Heer, de Beheerser Hari, de positie innam van uw zoon.

Indeed, the whole world has become filled with the glories of you and your good wife because the Supreme Personality of Godhead, Lord Hari, has taken the position of your son.

 

 Tekst 47

Voor Krishna de liefde ten toon spreidend van het zien, het omhelzen, en converseren, gaan slapen, zitten en eten met een zoon, zijn de harten van jullie gezuiverd geraakt.

My dear Vasudeva, you and your good wife Devakî have manifested great transcendental love for Krishna, accepting Him as your son. Indeed, you are always seeing the Lord, embracing Him, speaking with Him, resting with Him, sitting together with Him and taking your meals with Him. By such affectionate and intimate association with the Lord, undoubtedly both of you have completely purified your hearts. In other words, you are already perfect.

 

Tekst 48

Koningen als S'is'upâla, Paundraka en S'âlva die met afgunst zich wedijverend betrokken op Zijn bewegingen, blikken enzovoorts, en aldus mediterend hun geesten concentreerden op Hem neerliggend, zittend etc., hebben een positie bereikt op het zelfde niveau; wat dan niet te zeggen van hen die gunstig gezind waren [zie mukti en ook Jaya &Vijaya]?

Inimical kings like S'is'upâla, Paundraka and S'âlva were always thinking about Lord Krishna. Even while they were lying down, sitting or engaging in other activities, they enviously meditated upon the bodily movements of the Lord, His sporting pastimes, His loving glances upon His devotees, and other attractive features displayed by the Lord. Being thus always absorbed in Krishna, they achieved spiritual liberation in the Lord's own abode. What then can be said of the benedictions offered to those who constantly fix their minds on Lord Krishna in a favorable, loving mood?

 

 Tekst 49

Verwaardig u niet Krishna, de Opperziel en Beheerser van Allen, het idee op te dringen dat Hij uw zoon is; bij de macht van Zijn illusie verscheen Hij als een normaal menselijk wezen Zijn volheid verhullend als de Allerhoogste Onfeilbare [zie ook B.G. 4: 6].

Do not think of Krishna as an ordinary child, because He is the Supreme Personality of Godhead, inexhaustible and the Soul of all beings. The Lord has concealed His inconceivable opulences and is thus outwardly appearing to be an ordinary human being.

 

 Tekst 50

Van Hem die nederdaalde ten einde de asura-leden van de adelstand die de aarde belastten te doden en de bevrijding te vergunnen, heeft de faam zich wijd verspreid in de wereld [zie ook B.G. 4: 7].'

The Supreme Personality of Godhead descended to kill the demoniac kings who were the burden of the earth and to protect the saintly devotees. However, both the demons and the devotees are awarded liberation by the Lord's mercy. Thus, His transcendental fame has spread throughout the universe.

 

 Tekst 51

S'rî S'uka zei: 'Toen ze dit hadden gehoord waren de hoogst fortuinlijke Vasudeva en Devakî zeer verrast en gaven ze de dwaasheid die ze met zichzelf hadden op.

S'rî S'ukadeva Gosvâmî continued - Having heard this narration, the greatly fortunate Vasudeva was completely struck with wonder. Thus he and his most blessed wife Devakî gave up all illusion and anxiety that had entered their hearts.

 

 Tekst 52

Hij die eenpuntig van aandacht mediteert op deze vrome historische vertelling, zal nog in dit leven van de besmetting afkomen en de spirituele volmaaktheid bereiken.

Anyone who meditates on this pious historical narration with fixed attention will purify himself of all contamination in this very life and thus achieve the highest spiritual perfection.

 

*: Met de Rik-samhitâ (8.4: 19), de S'ukla-yajur Veda (34: 11) en de Atharva Veda (19: 66) die allemaal zeggen 'De brahmaan verscheen als Zijn gezicht, de koning als Zijn armen, de vais'ya als Zijn dijen, en de s'ûdra werd geboren uit Zijn voeten' worden, volgens S'rîdhara Svâmî, de brahmanen geacht geboren te zijn uit de geaardheid goedheid, de kshatriya's uit een combinatie van goedheid en hartstocht, de vais'ya's uit een combinatie van hartstocht en onwetendheid en de s'ûdra's uit de geaardheid onwetendheid.

** Hier vermeld worden de vikankata houten sruk en de khadira houten sruvâ die de sruk bediend voor het gieten van ghee in het vuur.

***: De paramparâ, om ons te helpen herinneren aan de neergang van de toewijding in de loop van de yuga's [zie ook 1.16: 20] verduidelijkt: 'De mensen levend in Satya-yuga werden omschreven als s'ântâh, nirvairâh, suhridah en samâh, of vreedzaam, vrij van afgunst, de weldoeners van ieder levend wezen, en gefixeerd op het spiritueel platform voorbij de geaardheden der materiële natuur. Zo ook werden de mensen levend in Tretâ-yuga omschreven als dharmishthhâh en brahma-vâdinah, of diep-religieus, en deskundige navolgers van de Vedische voorschriften. In het voorliggende vers, wordt van de mensen levend in Dvâpara-yuga gezegd dat ze eenvoudig jijñâsavah zijn, ofwel begerig zijn om de Absolute Waarheid te kennen. Anderszins worden ze omschreven als martyâh, of onderhevig aan de zwakheid van sterfelijke wezens.' Het ene na het andere tijdperk is men dus aan het aanbidden met meditatie, het brengen van offers, tempelaanbidding en het gezamenlijk zingen.

4* De paramparâ voegt hier aan toe: 'Bevestiging leverend voor de verklaring van dit vers, aanbidden de volgelingen van Caitanya Mahâprabhu Hem ook in Zijn zesarmige gedaante van de shad-bhuja. Twee armen dragen de waterpot en de danda van de sannyâsî Caitanya Mahâprabhu, twee armen dragen de fluit van Heer Krishna, en twee armen dragen de pijl en de boog van S'rî Râmacandra. Deze shad-bhuja gedaante is de eigenlijke strekking van dit vers van het S'rîmad-Bhâgavatam'.

 

 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties