Canto
1
Hoofdstuk 15: De Pândava's Trekken Zich Terug
(1) Sûta zei: "Aldus werd Arjuna, de vriend van Krishna, uitgemergeld als hij was vanwege zijn gescheidenheid van Krishna, onderworpen aan de verschillende vormen van twijfel en speculatie van zijn oudere broer de koning. (2) Door zijn treurnis waren zijn mond en lotus-gelijke hart opgedroogd en was zijn lichamelijke luister verdwenen. In beslag genomen door gedachten aan de Allerhoogste Heer S'rî Krishna was hij niet in staat naar behoren te antwoorden. (3) Hoe meer hij de tranen uit zijn ogen vegend met grote moeite de kracht van zijn verdriet probeerde te beheersen, des te meer raakte hij in zijn gevoelens voor Hem verzonken in gedachten over Hem en des te meer raakte hij van streek. (4) Zich Hem herinnerend als weldoener, begunstiger, intieme relatie en wagenmenner, begon Arjuna, overmand en zwaar ademend, tot zijn oudere broer de koning te spreken. (5) Hij zei: 'O mijn Koning, de Persoonlijkheid van God Hari die met me omging als Zijn intieme vriend heeft me verlaten. Nu ben ik verstoken van de verbluffende, grote macht die zelfs de goden versteld deed staan. (6) Ik verloor Hem van wie te zijn gescheiden voor zelfs maar een ogenblik voorzeker alle universa ongunstig en ontdaan van alle leven zouden toeschijnen, alsof het allemaal lijken waren. (7) Door de kracht van Zijn genade kon ik al de prinsen bedwingen die lustten naar de macht bij de verkiezing van de bruidegom in koning Drupada's paleis waar ik Draupadî's hand verwierf door de vis die als schietschijf fungeerde met mijn boog te doorboren. (8) Omdat Hij mij terzijde stond was ik in staat Indra en zijn goddelijke metgezellen te overwinnen, slaagde ik erin de vuurgod ertoe aan te zetten zijn woud in lichterlaaie te zetten, en kon ik het wonderschoon uitgevoerde vergaderhuis tot stand brengen dat werd gebouwd door Maya [uit dankbaarheid hem gered te hebben uit dat vuur in het woud genaamd Khândava] waar al de prinsen te uwer ere bijeenkwamen met geschenken uit alle windstreken. (9) Onder Zijn invloed slaagde onze jongere broer [Bhîma], die de kracht heeft van een duizend olifanten, erin terwille van het [râjasûya] offer hem [Jarâsandha] te doden die werd aanbeden door de vele koningen. Het was Hij die de koningen redde die door Jarâsandha waren bijeengebracht [in zijn hoofdstad] om te worden geofferd aan de heer der geesten [Mahâbhairava]. Nadien betaalden ze je allen schatting. (10) Hij benam [ter vergelding] de echtgenoten [de Kuru's] het leven wiens vrouwen ertoe waren veroordeeld hun haar los te dragen omdat het samengebonden haar van je vrouw [Draupadî], dat prachtig gekapt en gezegend was voor de grote ceremonie, werd losgemaakt. Gegrepen door de schurken [de Kuru's onder leiding van Duhs'âsana], wierp ze zich in tranen aan de Voeten. (11) Hij beschermde ons toen we in moeilijkheden belandden, bedreigd in het woud door de intrige van onze vijanden die waren geassocieerd met Durvâsâ Muni, die aldaar met zijn tienduizend discipelen langs kwam om te eten. Door simpelweg voordat zij er aan toe waren de voedselresten te aanvaarden stelde Hij al de drie werelden zowel als de muni's die op dat moment aan het baden waren tevreden door ze zo het idee te geven dat ze reeds gevoed waren. (12) Onder Zijn invloed kon ik eens de Persoonlijkheid van God met de Drietand [Heer S'iva] en zijn vrouw, de dochter van de Himalaya, versteld doen staan, om reden waarvan hij en andere goden me beloonden met hun eigen wapens. En zo slaagde ik er in, levend in dit lichaam, een half verheven zitplaats in het Huis van Indra te verwerven. (13) Als een gast van die hemel kon ik met beide armen, met mijn boog de Gândîva, Indra en al de goden, de demon Nivâtakavaca doden, gemachtigd als ik was, o afstammeling van koning Ajamîdha, door Hem, de Hoogste Persoonlijkheid van wie ik momenteel verstoken ben.(14) Door Zijn vriendschap alleen kon ik, gezeten op de strijdwagen, de onoverkomelijke oceaan van het eindeloze bestaan van de militaire kracht van de Kaurava's oversteken, en door Zijn vriendschap alleen, kon ik terugkeren met de enorme weelde van de vijand; de schittering van al de juwelen die ik met geweld van hun hoofden nam. (15) Hij was het die met de macht van Zijn blik de geestelijke onrust beëindigde die voortkwam uit het verlangen naar resultaten van al de strijders die met de rijkdom van hun strijdwagens stonden opgesteld op het slagveld, o grote Koning, en uit wiens gelederen ik naar voren trad met voor ogen de immensiteit van grote koninklijke persoonlijkheden als Bhîshma, Karna, Drona en S'alya. (16) Onder Zijn bescherming konden de zeer machtige, onoverwinnelijke wapens die werden gebruikt door Drona, Bhîshma, Karna, Bhûris'ravâ, koning Sus'armâ, S'alya, koning Jayadratha, Bâhlika [een broer van Bhîshma] etc., me niet raken, precies zoals dat ook zo ging met Prahlâda [de beroemde toegewijde van Nrisimhadev, de leeuw-incarnatie] die werd bedreigd door de demonen. (17) Abusievelijk over Hem denkend als alleen maar mijn wagenmenner verloste Hij mij, wiens voeten door de intelligenten worden gediend terwille van de verlossing. Door Zijn genade sloegen mijn vijanden geen acht op mij en vielen ze me niet aan als ik afsteeg voor mijn dorstige paarden. (18) Met Zijn glimlachende gezicht maakte Hij grappen en was Hij open met me, me aansprekend met 'zoon van Prithâ', 'vriend' en 'zoon van de Kuru-dynastie' en dergelijke; hartelijke uitspraken van mijn Mâdhava [Krishna] die mijn ziel raken en overmannen nu ik er aan terugdenk. (19) Toen ik met Hem sliep, neerzat, liep en at, en we elkaar de waarheid voorhielden en dergelijke, zag ik Hem bij vergissing aan voor een vriend gelijk aan mij, terwijl Hij me, ondanks dat ik Hem in mijn overtreding voor lager aanzag, groots in Zijn glorie tolereerde zoals een vriend een vriend aanvaard of een vader zijn kind. (20) O Keizer, zonder de Hoogste Persoonlijkheid, mijn geliefde vriend en weldoener, zijn mijn hart en ziel leeg. Pas geleden nog werd ik, als was ik een zwakke vrouw, verslagen door een stel ontrouwe koeherders toen ik Krishna's vrouwen beschermde. (21) Met dezelfde boog, pijlen, strijdwagen en paarden, ben ik dezelfde Arjuna en strijdwagenvechter die door alle koningen werd gerespecteerd. Maar dit alles werd in één enkel ogenblik, Hem missend, zo betekenisloos als boter geofferd in de as, als geld verkregen door magie of zaden gezaaid in onvruchtbare grond.
(22-23) O Koning, in antwoord op je vraag naar onze vrienden en verwanten in Dvârakâ kan ik je zeggen dat ze werden vervloekt door de brahmanen en dat ze als gevolg daarvan, dronken van de rijstwijn, als een stel dwazen elkaar met stokken hebben gedood, elkaar niet eens herkennend in die beschonken toestand. Slechts vier of vijf van hen zijn er overgebleven. (24) Het is door de Hoogste Persoonlijkheid, onze Heer, zo beschikt dat de levende wezens elkaar de ene keer doden terwijl ze elkaar de andere keer beschermen. (25-26) Zoals in de oceaan de groteren de kleineren opeten en de sterkeren de zwakkeren verorberen, o Koning, nam zo ook de Almachtige Ene de last gevormd door de Yadu's van de wereld weg, door in een gevecht de sterkere Yadu de zwakkere te laten doden en de grotere Yadu de kleinere. (27) Met voor de geest de woorden gesproken door Govinda, herinner ik me hoe aantrekkelijk ze zijn, en hoe ze, doortrokken van betekenis en aan de tijd en omstandigheid aangepast, een einde maken aan de pijn in het hart'."
(28) Sûta zei: "Aldus denkend aan de lotusvoeten van de Heer en wat Hij hem allemaal had bijgebracht in de vertrouwlijkheid van hun diepe vriendschap, kwam Arjuna tot rust met zijn geest bevrijd van alle materiële betrokkenheid. (29) Voortdurend zich de voeten van Vâsudeva herinnerend, nam Arjuna's toewijding snel toe en kwam er een eind aan zijn eindeloos gepieker. (30) Zich opnieuw de aanwijzingen van de Hoogste Heer over het transcendentale voor de geest halend temidden van de veldslag en denkend aan Zijn tijd en handelen, verdreef hij de duisternis van zijn onwetendheid en werd hij zijn zinnen de baas. (31) Vrij van treurnis er door zijn spiritueel vermogen in slagend te breken met de twijfels opgeroepen door de dualiteit van het geïdentificeerd zijn met de materie, was hij, dankzij de overstijging zonder de materiële vorm, bevrijd van het verstrikt zijn in de kringloop van geboorte en dood. (32) Met het aangehoord hebben van de uitweidingen over het verdwijnen van de Opperheer naar Zijn hemelverblijf en het einde van de Yadu-dynastie, besloot ook Yudhishthhira zichzelf terug te trekken en de wereld achter zich te laten voor het heil van de ziel. (33) Ook koningin Kuntî, die alles had gehoord wat Arjuna vertelde over het einde van de Yadu's en het verdwijnen van de Heer, vond, samen met alle anderen die onverdeeld waren in hun toewijding voor de transcendentie van de Heer, in haar bezielde betrokkenheid bevrijding van haar materiële bestaan. (34) Door de last weg te nemen van de wereld werd dat lichaam [van de Yadu-dynastie] opgegeven door de Ongeborene, zoals een doorn die werd gebruikt om een andere doorn te verwijderen wordt weggegooid, aangezien die doorns voor de Heer één en hetzelfde zijn. (35) Zoals met Zijn Matsya-incarnatie en andere verschijningen, precies als een goochelaar het ene lichaam opgevend om een ander weer op te pakken, gaf Hij het lichaam prijs dat Hij manifesteerde om de last van de aarde te verlichten. (36) Toen Mukunda [de Heer der Bevrijding], de Fortuinlijke zo de moeite waard om over te vernemen, deze aarde verliet - manifesteerde van die dag af aan Kali[-yuga] zich ten volle, tot het ongeluk van een ieder wiens geest niet ontwaakt is.
(37) Yudhishthhira die slim als hij was zag hoe in zijn hoofdstad, staat en thuis, als ook in het zelf, de zaken verergerden met de vicieuze cirkel van hebzucht, valsheid, oneerlijkheid, goddeloosheid en geweld en dergelijke, begreep dat het tijd was om te vertrekken, waartoe hij zich dan ook kleedde. (38) Zijn kleinzoon [Parîkchit], die naar behoren was getraind en door zijn kwaliteiten zijns gelijke was in alle opzichten, kroonde hij daartoe in de hoofdstad Hastinâpura tot keizer en heerser over al het land dat door de zee werd omringd. (39) Te Mathurâ maakte hij Vajra [de zoon van Aniruddha] tot koning van S'ûrasena, waarna hij een prâjâpatya offer liet brengen om in staat te zijn in zichzelf het vuur te vinden om zijn doel te bereiken. (40) Zijn gordel, sieraden en dat alles opgevend, raakte hij ongeïnteresseerd volkomen onthecht zijnde van de grenzeloze gebondenheid. (41) Hij trok zijn spraak terug in zijn denken, zijn denken tezamen met zijn andere zinnen in zijn adem, zijn adem trok hij terug in de dood, en in volledige toewijding verenigde hij dat met het lichaam bestaande uit de vijf elementen. (42) Na die vijf elementen te hebben geofferd aan de drie kwaliteiten van de natuur, verenigde hij het nadenkende zelf in één en dezelfde onverschilligheid en fixeerde hij het geheel daarvan in de ziel gericht op de geestelijke ziel van het onuitputtelijke Brahman. (43) Gescheurde kleding aanvaardend, vast voedsel weigerend, niet meer sprekend en met zijn haar loshangend, begon hij eruit te zien als een afgestompte waanzinnige en als een onverantwoordelijke kwajongen die nergens meer naar luisterde alsof hij doof was geworden. (44) Zich naar het Noorden begevend betrad hij, net als vele anderen die in die richting gingen, het pad van zijn gewetensvolle voorvaderen, zijn dagen doorbrengend met het voortdurend vanuit het hart overdenken van de Opperste Verhevenheid, waar hij ook ging.
(45) Gelijk hun vriend inziende dat het tijdperk van Kali met zijn goddeloosheid alle bewoners van de aarde in zijn greep had, volgden al de broers de oudste en vertrokken ze van huis. (46) Zij allen, die met alle deugd en kennis der heiligheid hun offers hadden gebracht, hielden, met het uiteindelijke doel van het levende wezen in gedachten, in hun denken ononderbroken vast aan de voeten van de Heer van Vaikunthha. (47-48) Dat is de bestemming van degenen die door positieve meditatie gezuiverd in toewijding bevrijding hebben gevonden door hun geest te richten op de transcendentale voeten van de Ene Nârâyana. Zij bereikten, met het wegwassen van hun materiële besmetting, met dezelfde lichamen als waar ze mee ter wereld kwamen de verblijfplaats die voor de materialisten die opgaan in materiële zorgen zo heel moeilijk te bereiken is. (49) Ook vertrok Vidura, die met zijn geest en handelen Krishna was toegewijd, na het verlaten van zijn fysieke zelf te Prabhâsa vergezeld door zijn voorvaderen naar zijn hemelverblijf [het rijk van Yama]. (50) Ook Draupadî die het toen zonder de zorg van haar echtgenoten moest stellen, concentreerde zich, eenpuntig in het volle besef van Hem, op Vâsudeva, de Hoogste Persoonlijkheid van God, en bereikte Hem zo. (51) Een ieder die met toewijding kennis neemt van dit afscheid voor het uiteindelijke doel van de zoons van Pându die de Heer zo na aan het hart liggen, zal enkel goed geluk en zuiverheid vinden en winnend in perfectie zo komen tot de toegewijde dienst van de Heer."
Tweede editie, geladen 4 maart 2006
Bronteksten:
De Pândava's Trekken Zich Tijdig Terug
Sûta zei: "Aldus werd Arjuna, de vriend van Krishna, uitgemergeld als hij was vanwege zijn gescheidenheid van Krishna, onderworpen aan de verschillende vormen van twijfel en speculatie van zijn oudere broer de koning.Sûta Gosvâmî zei: Arjuna, Krishna's vermaarde vriend, was door zijn hevige gevoelens van gescheidenheid van Heer Krishna door verdriet overstelpt en dat werd nog erger door de gissingen en vragen van Mahârâja Yudhishthhira. (Vedabase)
Door zijn treurnis waren zijn mond en lotus-gelijke hart opgedroogd en was zijn lichamelijke luister verdwenen. In beslag genomen door gedachten aan de Allerhoogste Heer S'rî Krishna was hij niet in staat naar behoren te antwoorden.
Arjuna's mond en lotushart waren door smart verdroogd. Daarom glansde zijn lichaam niet meer. Nu hij zo aan de Opperheer dacht, kon hij nauwelijks antwoord geven. (Vedabase)
Hoe meer hij de tranen uit zijn ogen vegend met grote moeite de kracht van zijn verdriet probeerde te beheersen, des te meer raakte hij in zijn gevoelens voor Hem verzonken in gedachten over Hem en des te meer raakte hij van streek.
Met grote moeite bedwong hij zijn tranen, die zijn ogen bevlekten. Hij was verstomd van verdriet, omdat Heer Krishna buiten zijn blikveld was, en hij voelde steeds meer liefde voor Hem. (Vedabase)
Zich Hem herinnerend als weldoener, begunstiger, intieme relatie en wagenmenner, begon Arjuna, overmand en zwaar ademend, tot zijn oudere broer de koning te spreken.
Met zwoegende adem en overweldigd door herinneringen aan Heer Krishna - Zijn heilwensen, weldaden, de nauwe verwantschap met Hem en Zijn optreden als stijdwagenmenner - begon Arjuna te spreken. (Vedabase)
Hij zei: 'O mijn Koning, de Persoonlijkheid van God Hari die met me omging als Zijn intieme vriend heeft me verlaten. Nu ben ik verstoken van de verbluffende, grote macht die zelfs de goden versteld deed staan.
Arjuna zei: O koning! De Allerhoogste Persoonlijkheid Gods Hari, die me steeds als innige vriend behandelde, heeft me verlaten. Nu is mijn verbijsterende kracht, waarover zelfs de halfgoden zich verwonderen, niet meer in me. (Vedabase)
Ik verloor Hem van wie te zijn gescheiden voor zelfs maar een ogenblik voorzeker alle universa ongunstig en ontdaan van alle leven zouden toeschijnen, alsof het allemaal lijken waren.
Eén ogenblik van gescheidenheid van Hem zou alle universa heilloos en leeg maken, als levenloze lichamen - Hem ben ik juist verloren. (Vedabase)
Door de kracht van Zijn genade kon ik al de prinsen bedwingen die lustten naar de macht bij de verkiezing van de bruidegom in koning Drupada's paleis waar ik Draupadî's hand verwierf door de vis die als schietschijf fungeerde met mijn boog te doorboren.
Slechts door Zijn genadige kracht kon ik alle wellustige prinsen overwinnen, die ten paleize van Koning Drupada samengekomen waren in de hoop als bruidegom te worden uitgekozen. Met de pijl uit mijn boog wist ik de vis, die als schietschijf diende, te doorboren en zo de hand van Draupadî te winnen. (Vedabase)
Omdat Hij mij terzijde stond was ik in staat Indra en zijn goddelijke metgezellen te overwinnen, slaagde ik erin de vuurgod ertoe aan te zetten zijn woud in lichterlaaie te zetten, en kon ik het wonderschoon uitgevoerde vergaderhuis tot stand brengen dat werd gebouwd door Maya [uit dankbaarheid hem gered te hebben uit dat vuur in het woud genaamd Khândava] waar al de prinsen te uwer ere bijeenkwamen met geschenken uit alle windstreken.
Omdat Hij bij me was, ging het me zeer glad af de machtige hemelvorst Indradeva met zijn halfgoden te overwinnen en zo de vuurgod in staat te stellen het Khândava-woud te verwoesten. Slechts door Zijn genade werd de demoon Maya uit het brandende Khândava-woud gered en konden we door diens schitterend bouwkunstig vakmanschap ons raadhuis bouwen, waarin alle vorsten tijdens het Râjasûya-yajña bijeenkwamen en je geschenken gaven. (Vedabase)
Onder Zijn invloed slaagde onze jongere broer [Bhîma], die de kracht heeft van een duizend olifanten, erin terwille van het [râjasûya] offer hem [Jarâsandha] te doden die werd aanbeden door de vele koningen. Het was Hij die de koningen redde die door Jarâsandha waren bijeengebracht [in zijn hoofdstad] om te worden geofferd aan de heer der geesten [Mahâbhairava]. Nadien betaalden ze je allen schatting.
Je achtenswaardige jongere broer, als tienduizend olifanten zo sterk, doodde door Zijn genade Jarâsandha, wiens voeten door tal van vorsten aanbeden werden. Deze vorsten waren tijdens Jarâsandha's Mahâbhairava-yajña voor het offer samengebracht, maar werden zo bevrijd. Later betaalden ze je schatting. (Vedabase)
Hij benam [ter vergelding] de echtgenoten [de Kuru's] het leven wiens vrouwen ertoe waren veroordeeld hun haar los te dragen omdat het samengebonden haar van je vrouw [Draupadî], dat prachtig gekapt en gezegend was voor de grote ceremonie, werd losgemaakt. Gegrepen door de schurken [de Kuru's onder leiding van Duhs'âsana], wierp ze zich in tranen aan de Voeten.
Hij was het die het haar losmaakte van alle vrouwen van de onverlaten die het hadden gewaagd de haarwrong van uw koningin te openen, toen ze fraai getooid en geheiligd aantrad voor het grote Râjasûya offerritueel. Met tranen in de ogen viel ze daarbij Heer Krishna ten voet. (Vedabase)
Hij beschermde ons toen we in moeilijkheden belandden, bedreigd in het woud door de intrige van onze vijanden die waren geassocieerd met Durvâsâ Muni, die aldaar met zijn tienduizend discipelen langs kwam om te eten. Door simpelweg voordat zij er aan toe waren de voedselresten te aanvaarden stelde Hij al de drie werelden zowel als de muni's die op dat moment aan het baden waren tevreden door ze zo het idee te geven dat ze reeds gevoed waren.
Toen we in ballingschap waren, beraamde Durvâsâ Muni, die altijd met zijn tienduizend discipelen tegelijk komt eten, een plan met onze vijanden om ons in moeilijkheden te brengen. Slechts door wat overgebleven voedsel aan te nemen redde hij [Heer Krishna] ons. Want toen Hij het aannam, voelden de verzamelde muni's, die hun bad aan het nemen waren in de rivier, zich rijkelijk gevoed. En ook de drie werelden waren voldaan. (Vedabase)
Onder Zijn invloed kon ik eens de Persoonlijkheid van God met de Drietand [Heer S'iva] en zijn vrouw, de dochter van de Himalaya, versteld doen staan, om reden waarvan hij en andere goden me beloonden met hun eigen wapens. En zo slaagde ik er in, levend in dit lichaam, een half verheven zitplaats in het Huis van Indra te verwerven.
Het was slechts door Zijn toedoen dat ik de Persoonlijkheid Gods Heer S'iva en zijn echtgenote, de dochter van de Himalaya, versteld wist te doen staan. Het stemde hem [Heer S'iva] zo tevreden, dat hij me zijn eigen wapen schonk. Ook andere halfgoden gaven me hun eigen wapens en bovendien werd ik in de gelegenheid gesteld om in mijn huidige lichaam naar de hemelse planeten te gaan en mocht ik daar op een half verheven zetel plaatsnemen. (Vedabase)
Als een gast van die hemel kon ik met beide armen, met mijn boog de Gândîva, Indra en al de goden, de demon Nivâtakavaca doden, gemachtigd als ik was, o afstammeling van koning Ajamîdha, door Hem, de Hoogste Persoonlijkheid van wie ik momenteel verstoken ben.
Toen ik enkele dagen als gast op de hemelse planeten verbleef, zochten alle halfgoden bescherming bij mijn armen, die het merkteken van de boog Gândîva vertonen, om de demoon Nivâtakavaca te doden. O koning, telg van Ajamîdha, thans ben ik verstoken van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, door wiens toedoen ik zo machtig was. (Vedabase)
Door Zijn vriendschap alleen kon ik, gezeten op de strijdwagen, de onoverkomelijke oceaan van het eindeloze bestaan van de militaire kracht van de Kaurava's oversteken, en door Zijn vriendschap alleen, kon ik terugkeren met de enorme weelde van de vijand; de schittering van al de juwelen die ik met geweld van hun hoofden nam.
De militaire macht der Kaurava's was als een oceaan waarin vele onoverwinnelijke bestaansvormen verbleven en kon niet worden vernietigd. Maar dankzij Zijn vriendschap kon ik, op de strijdwagen gezeten, dit water oversteken. En alleen door Zijn genade kon ik de koeien terugkrijgen en ook met geweld de vorsten al hun helmen afnemen, die bezet waren met juwelen, welke de bron van alle schittering waren. (Vedabase)
Hij was het die met de macht van Zijn blik de geestelijke onrust beëindigde die voortkwam uit het verlangen naar resultaten van al de strijders die met de rijkdom van hun strijdwagens stonden opgesteld op het slagveld, o grote Koning, en uit wiens gelederen ik naar voren trad met voor ogen de immensiteit van grote koninklijke persoonlijkheden als Bhîshma, Karna, Drona en S'alya.
Slechts Hij was het die ieder zijn levensduur ontnam en op het slagveld de wankele kracht en macht van de geestdrift wegnam van de grote slagorde der Kaurava's onder leiding van Bhîshma, Karna, Drona, S'alya enzovoort. Hun opstelling zat goed in elkaar en was meer dan toereikend, maar Hij [Heer S'rî Krishna] was het die dit alles deed terwijl Hij voorwaarts ging. (Vedabase)
Onder Zijn bescherming konden de zeer machtige, onoverwinnelijke wapens die werden gebruikt door Drona, Bhîshma, Karna, Bhûris'ravâ, koning Sus'armâ, S'alya, koning Jayadratha, Bâhlika [een broer van Bhîshma] etc., me niet raken, precies zoals dat ook zo ging met Prahlâda [de beroemde toegewijde van Nrisimhadev, de leeuw-incarnatie] die werd bedreigd door de demonen.
Grote veldheren als Bhîshma, Drona, Bhûris'ravâ, Sus'armâ, S'alya, Jayadratha, Bâhlika enzovoort richtten allen hun onoverwinnelijke wapens tegen mij. Maar door Zijn [Heer Krishna's] genade konden ze me zelfs geen haar op mijn hoofd krenken, zoals Prahlâda Mahârâja, de verheven toegewijde van Heer Nrisimhadeva, niet gedeerd werd door de wapens die de demonen tegen hem gebruikten. (Vedabase)
Abusievelijk over Hem denkend als alleen maar mijn wagenmenner verloste Hij mij, wiens voeten door de intelligenten worden gediend terwille van de verlossing. Door Zijn genade sloegen mijn vijanden geen acht op mij en vielen ze me niet aan als ik afsteeg voor mijn dorstige paarden.
Het was slechts door Zijn genade dat mijn vijanden het verzuimden me te doden toen ik van mijn wagen afkwam om mijn dorstige paarden te drenken. En het was uit gebrek aan achting voor mijn Heer dat ik Hem als mijn wagenmenner in dienst durfde nemen, want de besten onder de mensen aanbidden Hem en bewijzen Hem dienst teneinde verlossing te ontvangen. (Vedabase)
Met Zijn glimlachende gezicht maakte Hij grappen en was Hij open met me, me aansprekend met 'zoon van Prithâ', 'vriend' en 'zoon van de Kuru-dynastie' en dergelijke; hartelijke uitspraken van mijn Mâdhava [Krishna] die mijn ziel raken en overmannen nu ik er aan terugdenk.
O koning! Zijn vrije en schertsende praat was aangenaam en getooid met een prachtige manier van lachen. En ik moet nu denken aan de manier waarop Hij me aansprak: "O zoon van Prithâ , o vriend, o telg van het geslacht Kuru," en door al die hartelijkheid voel ik me nu overweldigd. (Vedabase)
Toen ik met Hem sliep, neerzat, liep en at, en we elkaar de waarheid voorhielden en dergelijke, zag ik Hem bij vergissing aan voor een vriend gelijk aan mij, terwijl Hij me, ondanks dat ik Hem in mijn overtreding voor lager aanzag, groots in Zijn glorie tolereerde zoals een vriend een vriend aanvaard of een vader zijn kind.
We woonden, sliepen, zaten en liepen bijna altijd samen. En soms wanneer men zijn eigen ridderlijkheid moest roemen, in tijden van onregelmatigheden, maakte ik Hem een verwijt door te zeggen: "Je bent bijzonder waarheidlievend, mijn vriend." Werd Zijn waarde aldus gekleineerd, dan verdroeg Hij als Superziel dat soort uitlatingen van me en vergaf me zoals een ware vriend zijn ware vriend vergeeft of een vader zijn zoon. (Vedabase)
O Keizer, zonder de Hoogste Persoonlijkheid, mijn geliefde vriend en weldoener, zijn mijn hart en ziel leeg. Pas geleden nog werd ik, als was ik een zwakke vrouw, verslagen door een stel ontrouwe koeherders toen ik Krishna's vrouwen beschermde.
O keizer, ik ben nu gescheiden van mijn vriend en dierbaarste weldoener, de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, en daardoor lijkt mijn hart nu volkomen leeg. In Zijn afwezigheid werd ik verslagen door een stel goddeloze koeherders terwijl ik wacht stond over de lichamen van alle vrouwen van Krishna. (Vedabase)
Met dezelfde boog, pijlen, strijdwagen en paarden, ben ik dezelfde Arjuna en strijdwagenvechter die door alle koningen werd gerespecteerd. Maar dit alles werd in één enkel ogenblik, Hem missend, zo betekenisloos als boter geofferd in de as, als geld verkregen door magie of zaden gezaaid in onvruchtbare grond.
Ik bezit nog diezelfde boog genaamd Gândîva, dezelfde pijlen, dezelfde wagen getrokken door dezelfde paarden, en ik gebruik dit alles als dezelfde Arjuna aan wie alle koningen de verschuldigde eer bewezen. Maar door de afwezigheid van Heer Krishna zijn deze zaken in een oogwenk leeg en nutteloos geworden, zoals het offeren van geklaarde boter in de as, geld toveren uit een goochelstaf of zaaien in onvruchtbare grond. (Vedabase)
O Koning, in antwoord op je vraag naar onze vrienden en verwanten in Dvârakâ kan ik je zeggen dat ze werden vervloekt door de brahmanen en dat ze als gevolg daarvan, dronken van de rijstwijn, als een stel dwazen elkaar met stokken hebben gedood, elkaar niet eens herkennend in die beschonken toestand. Slechts vier of vijf van hen zijn er overgebleven.
O koning, omdat je me naar onze vrienden en familie in de stad Dvârakâ gevraagd hebt, laat ik je nu weten dat ze, allen door de brâhmana's vervloekt, als gevolg hiervan dronken werden van wijn, gemaakt van gezuiverde rijst, en vervolgens met stokken op elkaar insloegen zonder elkaar zelfs maar te herkennen. Op vier of vijf na zijn ze nu allemaal dood en heen. (Vedabase)
Het is door de Hoogste Persoonlijkheid, onze Heer, zo beschikt dat de levende wezens elkaar de ene keer doden terwijl ze elkaar de andere keer beschermen.
Dit kwam in feite allemaal door de opperwil van de Heer, de Persoonlijkheid Gods. Nu eens doden mensen elkaar, dan weer beschermen ze elkaar. (Vedabase)
Zoals in de oceaan de groteren de kleineren opeten en de sterkeren de zwakkeren verorberen, o Koning, nam zo ook de Almachtige Ene de last gevormd door de Yadu's van de wereld weg, door in een gevecht de sterkere Yadu de zwakkere te laten doden en de grotere Yadu de kleinere.
O koning, zoals de grote en sterke waterwezens in de oceaan de kleine en zwakke opslokken, hebben door de wil van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, ter verlichting van de last der wereld, de sterke Yadu's de zwakke en de grote Yadu's de kleine gedood. (Vedabase)
Met voor de geest de woorden gesproken door Govinda, herinner ik me hoe aantrekkelijk ze zijn, en hoe ze, doortrokken van betekenis en aan de tijd en omstandigheid aangepast, een einde maken aan de pijn in het hart'."
Nu voel ik me aangesproken door de raad die de Persoonlijkheid Gods [Govinda] me gegeven heeft, omdat hij vol aanwijzingen is, hoe men overal en te allen tijde het brandend hart verlichten kan. (Vedabase)
Sûta zei: "Aldus denkend aan de lotusvoeten van de Heer en wat Hij hem allemaal had bijgebracht in de vertrouwlijkheid van hun diepe vriendschap, kwam Arjuna tot rust met zijn geest bevrijd van alle materiële betrokkenheid.
Sûta Gosvâmî zei: Verzonken in gedachten aan het onderricht van de Heer, dat hem in grote vertrouwelijkheid en vriendschap gegeven was, en met zijn geest op Zijn lotusvoeten gericht, werd Arjuna's hart rustig en vrij van alle stoffelijke besmetting. (Vedabase)
Voortdurend zich de voeten van Vâsudeva herinnerend, nam Arjuna's toewijding snel toe en kwam er een eind aan zijn eindeloos gepieker.
Arjuna's voortdurende heugenis van de lotusvoeten van Heer S'rî Krishna deed zijn toewijding snel toenemen en als gevolg daarvan week alle rommel uit zijn gedachten. (Vedabase)
Zich opnieuw de aanwijzingen van de Hoogste Heer over het transcendentale voor de geest halend temidden van de veldslag en denkend aan Zijn tijd en handelen, verdreef hij de duisternis van zijn onwetendheid en werd hij zijn zinnen de baas.
Vanwege al het spel en vermaak en alle aktiviteiten van de Heer en ook door Zijn afwezigheid leek het wel alsof Arjuna het onderricht, dat de Persoonlijkheid Gods nagelaten had, vergeten was. Maar dat was toch niet zo en hij kreeg zijn zinnen weer in bedwang. (Vedabase)
Vrij van treurnis er door zijn spiritueel vermogen in slagend te breken met de twijfels opgeroepen door de dualiteit van het geïdentificeerd zijn met de materie, was hij, dankzij de overstijging zonder de materiële vorm, bevrijd van het verstrikt zijn in de kringloop van geboorte en dood.
Dankzij zijn geestelijke verworvenheden werd de twijfel der dualiteit volkomen uit hem weggesneden. Zo was hij los van de drieërlei aard der stoffelijke natuur en bevond zich in het bovenzinnelijke. Hij kon niet meer verstrikt raken in geboorte en dood, want hij was van de stoffelijke gedaante bevrijd. (Vedabase)
Met het aangehoord hebben van de uitweidingen over het verdwijnen van de Opperheer naar Zijn hemelverblijf en het einde van de Yadu-dynastie, besloot ook Yudhishthhira zichzelf terug te trekken en de wereld achter zich te laten voor het heil van de ziel.
Toen hij hoorde dat Heer Krishna naar zijn woning was heengegaan en begreep dat er een eind gekomen was aan de aardse openbaring van het geslacht Yadu, besloot Mahârâja Yudhishthhira terug te keren naar huis, terug naar God. (Vedabase)
Ook koningin Kuntî, die alles had gehoord wat Arjuna vertelde over het einde van de Yadu's en het verdwijnen van de Heer, vond, samen met alle anderen die onverdeeld waren in hun toewijding voor de transcendentie van de Heer, in haar bezielde betrokkenheid bevrijding van haar materiële bestaan.
Toen Kuntî Arjuna hoorde spreken over het einde van het geslacht Yadu en de verdwijning van Heer Krishna, verbond ze zich met volkomen aandacht in de toegewijde dienst van de bovenzinnelijke Persoonlijkheid Gods en kwam zo vrij uit de loop van het stoffelijk bestaan. (Vedabase)
Door de last weg te nemen van de wereld werd dat lichaam [van de Yadu-dynastie] opgegeven door de Ongeborene, zoals een doorn die werd gebruikt om een andere doorn te verwijderen wordt weggegooid, aangezien die doorns voor de Heer één en hetzelfde zijn.
De Allerhoogste ongeboren Heer S'rî Krishna zorgde ervoor dat de leden van het geslacht Yadu hun lichaam verlieten en verlichtte zo de last der wereld. Deze handeling was als het lospeuteren van een doorn met behulp van een andere doorn, hoewel ze voor de bestuurder beide gelijk zijn. (Vedabase)
Zoals met Zijn Matsya-incarnatie en andere verschijningen, precies als een goochelaar het ene lichaam opgevend om een ander weer op te pakken, gaf Hij het lichaam prijs dat Hij manifesteerde om de last van de aarde te verlichten.
De Opperheer gaf het lichaam prijs dat Hij geopenbaard had teneinde de last der wereld te verlichten. Als een tovenaar treedt Hij uit het ene lichaam teneinde verschillende andere gedaanten aan te nemen, zoals de vis-avatâra enzovoort. (Vedabase)
Toen Mukunda [de Heer der Bevrijding], de Fortuinlijke zo de moeite waard om over te vernemen, deze aarde verliet - manifesteerde van die dag af aan Kali[-yuga] zich ten volle, tot het ongeluk van een ieder wiens geest niet ontwaakt is.
Vanaf dezelfde dag dat de Persoonlijkheid Gods, Heer Krishna, de planeet aarde in Zijn eigenste gedaante verliet, werd Kali, dat al gedeeltelijk verschenen was, nu geheel geopenbaard, teneinde ongunstige omstandigheden te scheppen voor degenen die slechts met een schamele hoeveelheid kennis begiftigd zijn. (Vedabase)
Yudhishthhira die slim als hij was zag hoe in zijn hoofdstad, staat en thuis, als ook in het zelf, de zaken verergerden met de vicieuze cirkel van hebzucht, valsheid, oneerlijkheid, goddeloosheid en geweld en dergelijke, begreep dat het tijd was om te vertrekken, waartoe hij zich dan ook kleedde.
Mahârâja Yudhishthhira bezat voldoende verstand om te begrijpen wat voor invloed Kali zou hebben, met de voor deze tijd kenmerkende hebzucht, leugen, bedrog en geweld overal in stad en land, thuis en onder de mensen. Daarom koos hij de verstandigste weg en maakte zich gereed om van huis weg te gaan en kleedde zich dienovereenkomstig. (Vedabase)
Zijn kleinzoon [Parîkchit], die naar behoren was getraind en door zijn kwaliteiten zijns gelijke was in alle opzichten, kroonde hij daartoe in de hoofdstad Hastinâpura tot keizer en heerser over al het land dat door de zee werd omringd.
Daarna liet hij in de hoofdstad Hastinâpura de troon besteigen door zijn kleinzoon, die daartoe opgeleid was en even bekwaam was als hijzelf, opdat deze heer en meester zou zijn over al het land omzoomd door de zeeën. (Vedabase)
Te Mathurâ maakte hij Vajra [de zoon van Aniruddha] tot koning van S'ûrasena, waarna hij een prâjâpatya offer liet brengen om in staat te zijn in zichzelf het vuur te vinden om zijn doel te bereiken.
Vervolgens stelde hij Vajra, de zoon van Aniruddha [Heer Krishna's kleinzoon], te Mathurâ aan als koning van S'ûrasena. Daarna bracht Mahârâja Yudhishthhira een Prâjâpatya-offer en wekte in zichzelf het vuur op om huis en haard te verlaten. (Vedabase)
Zijn gordel, sieraden en dat alles opgevend, raakte hij ongeïnteresseerd volkomen onthecht zijnde van de grenzeloze gebondenheid.
Mahârâja Yudhishthhira legde dadelijk alle tekenen van zijn koninklijke waardigheid, zijn gordel en sieraden af en werd in alle opzichten volkomen ongeïnteresseerd en onthecht. (Vedabase)
Hij trok zijn spraak terug in zijn denken, zijn denken tezamen met zijn andere zinnen in zijn adem, zijn adem trok hij terug in de dood, en in volledige toewijding verenigde hij dat met het lichaam bestaande uit de vijf elementen.
Vervolgens nam hij alle zinnen op in de geest, dan de geest in het leven, het leven in de ademhaling, zijn gehele bestaan in de belichaming van de vijf elementen en zijn lichaam in de dood. Daarna kwam hij als zuiver zelf vrij van de stoffelijk bepaalde levensbeschouwing. (Vedabase)
Na die vijf elementen te hebben geofferd aan de drie kwaliteiten van de natuur, verenigde hij het nadenkende zelf in één en dezelfde onverschilligheid en fixeerde hij het geheel daarvan in de ziel gericht op de geestelijke ziel van het onuitputtelijke Brahman.
Terwijl hij zo het grofstoffelijke lichaam bestaande ui de vijf elementen in de drieërlei aard der stoffelijke natuur liet uitgaan, liet hij ze in één onwetendheid samengaan, die hij vervolgens liet versmelten met het zelf, Brahman, dat in alle omstandigheden onuitputtelijk is. (Vedabase)
Gescheurde kleding aanvaardend, vast voedsel weigerend, niet meer sprekend en met zijn haar loshangend, begon hij eruit te zien als een afgestompte waanzinnige en als een onverantwoordelijke kwajongen die nergens meer naar luisterde alsof hij doof was geworden.
Vervolgens hulde Mahârâja Yudhishthhira zich in gerafelde kledij, nam geen vast voedsel meer tot zich, hield zich vrijwillig onnozel en liet zijn haar los hangen. Hierdoor deed hij denken aan een gek of landloper. Hij stelde zich in geen enkel opzicht van zijn broers afhankelijk. En als een dove hoorde hij niets meer. (Vedabase)
Zich naar het Noorden begevend betrad hij, net als vele anderen die in die richting gingen, het pad van zijn gewetensvolle voorvaderen, zijn dagen doorbrengend met het voortdurend vanuit het hart overdenken van de Opperste Verhevenheid, waar hij ook ging.
Toen begaf hij zich op weg naar het noorden langs het pad dat zijn voorvaders en grote lieden waren gegaan, teneinde zich volkomen aan het denken aan de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods te wijden. En zo leefde hij waar hij ook ging. (Vedabase)
Gelijk hun vriend inziende dat het tijdperk van Kali met zijn goddeloosheid alle bewoners van de aarde in zijn greep had, volgden al de broers de oudste en vertrokken ze van huis.
De jongere broers van Mahârâja Yudhishthhira bespeurden dat het Kali-tijdperk reeds overal ter wereld aangebroken was en dat de burgers van het koninkrijk al door goddeloze aktiviteiten besmet raakten. Daarom besloten ze de schreden van hun oudste broer te drukken. (Vedabase)
Zij allen, die met alle deugd en kennis der heiligheid hun offers hadden gebracht, hielden, met het uiteindelijke doel van het levende wezen in gedachten, in hun denken ononderbroken vast aan de voeten van de Heer van Vaikunthha.
Ze hadden allen de beginselen der religie nageleefd en waren als gevolg daarvan tot de slotsom gekomen dat de lotusvoeten van Heer S'rî Krishna het allerhoogste doel zijn. Daarom mediteerden ze ononderbroken op Zijn voeten. (Vedabase)
Dat is de bestemming van degenen die door positieve meditatie gezuiverd in toewijding bevrijding hebben gevonden door hun geest te richten op de transcendentale voeten van de Ene Nârâyana. Zij bereikten, met het wegwassen van hun materiële besmetting, met dezelfde lichamen als waar ze mee ter wereld kwamen de verblijfplaats die voor de materialisten die opgaan in materiële zorgen zo heel moeilijk te bereiken is.
Door zuiver bewustzijn dankzij onophoudelijke toegewijde heugenis bereikten ze de geestelijke hemel, die bestuurd wordt door de Allerhoogste Nârâyana, Heer S'rî Krishna. Dit gelukt slechts degenen die onwankelbaar op de ene Opperheer mediteren. Deze woning van Heer S'rî Krishna, bekend als Goloka Vrindâvana, kan niet worden bereikt door lieden die opgaan in de stoffelijk bepaalde levensbeschouwing. Maar de Pândava's, die volkomen van alle stoffelijke smetten gelouterd waren, bereikten die woning in hun eigenste lichaam. (Vedabase)
Ook vertrok Vidura, die met zijn geest en handelen Krishna was toegewijd, na het verlaten van zijn fysieke zelf te Prabhâsa vergezeld door zijn voorvaderen naar zijn hemelverblijf [het rijk van Yama].
Vidura verliet zijn lichaam tijdens een pelgrimstocht te Prabhâsa. Omdat hij in gedachten aan Heer Krishna opging, werd hij ontvangen door de bewoners van de planeet Pitriloka, vanwaar hij naar zijn oorspronkelijke positie terugkeerde. (Vedabase)
Ook Draupadî die het toen zonder de zorg van haar echtgenoten moest stellen, concentreerde zich, eenpuntig in het volle besef van Hem, op Vâsudeva, de Hoogste Persoonlijkheid van God, en bereikte Hem zo.
Draupadî zag dat haar echtgenoten zonder zich iets van haar aan te trekken van huis gingen. Ze wist heel goed hoe het met Heer Vâsudeva, Krishna, de Persoonlijkheid Gods, gesteld was. Zowel zij als Subhadrâ liet zich opgaan in gedachten aan de Heer en bereikte hetzelfde resultaat als hun echtgenoten. (Vedabase)
Een ieder die met toewijding kennis neemt van dit afscheid voor het uiteindelijke doel van de zoons van Pându die de Heer zo na aan het hart liggen, zal enkel goed geluk en zuiverheid vinden en winnend in perfectie zo komen tot de toegewijde dienst van de Heer."
Het onderwerp van het vertrek van de zoons van Pându naar het uiteindelijke levensdoel, de terugkeer naar God, is volkomen heilrijk en volmaakt zuiver. Ieder die deze geschiedenis vol toegewijde aandacht aanhoort komt tot toegewijde dienst aan de Heer, hetgeen de hoogste volmaaktheid des levens is. (Vedabase)
![]()
Voor
deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam
linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van
Prabhupâda.
Afbeelding 1 op deze pagina is van Pariksit
Dasa
(website)
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd
Feed-back | Links | Downloads | Muziek | Afbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties