regelbalk


 

Canto 10

Bhajahû Re Mana

 

 

Hoofdstuk 16: Krishna Bestraft de Slang Kâliya

(1) S'rî S'uka zei: 'De Zwarte Heer [Krishna], de Almachtige, die het zwarte water zag dat vervuild was door de zwarte slang wilde de zuivering van de rivier en een einde maken aan het serpent.'

(2) De koning zei: 'Hoe onderwierp de Allerhoogste Heer het serpent in de diepe wateren en hoe kon het daar zo vele eeuwen verblijven o geleerde, legt u dat alstublieft uit. (3) O brahmaan, wie kan er genoeg krijgen van het delen van de nectar van de grootmoedige avonturen van Hem, de Allerhoogste Onbegrensde Heer, die als een koeherdersjongen handelde op eigen gezag.'

(4) S'rî S'uka zei: 'Bij de Kâlindi van Kâliya [de naam van de slang] was er een zeker meer dat kookte van het vuur van zijn vergif; de vogels die er overheen vlogen vielen in het water. (5) In aanraking met de giftige dampen van de golven die werden meegevoerd door de wind stierf al het planten- en dierenleven op de oever. (6) Toen Hij zag hoezeer de rivier vervuild was geraakt door het enorm werkzame, sterke gif, klom Krishna, die was nedergedaald om de slechten te onderwerpen, in een Kadamba-boom, sloeg Zich op Zijn armen, trok Zijn gordel strak en sprong in het vergiftigde water. (7) Door de kracht van de val van de Persoon der Essentie stroomde al het water van de slangenpoel, dat kolkte vanwege het gif dat de slang spuwde, over aan alle kanten, zodat haar angstwekkende golven over zo'n honderd booglengten uitvloeiden; het gebeurde werkelijk met een onmetelijke kracht! (8) Mijn beste, toen hij [de slang] het rumoer hoorde dat Hij voortbracht toen Hij al spelend met Zijn machtige armen als een machtige olifant bezig was het water rond te wervelen, ging hij, niet in staat die inbreuk op zijn leefgebied te verdragen, erop af. (9) Terwijl Hij zo onbevreesd aan het spelen was, zo aantrekkelijk in Zijn gele kleding en zo delicaat als een oplichtende witte wolk, met het S'rîvatsa-teken, Zijn glimlachende prachtige gezicht en met Zijn voeten die waren als het binnenste van een lotus, werd Hij door hem kwaadaardig in de borst gebeten en omsloten door zijn kronkels. (10) Hem ziend, onbeweeglijk in de greep van de windingen van de slang, waren Zijn beminde vrienden, de hoeders van de dieren [en allen die daar toevallig nog meer aanwezig waren], volledig van hun stuk en vielen ze, met hun verstand verbijsterd, pijnlijk getroffen, vol van spijt en angst op de grond aangezien ze zichzelf, hun relaties, hun rijkdom, vrouwen en de dingen waar ze aan hechtten allemaal aan Krishna hadden geofferd. (11) De koeien, de stieren en de koekalfjes, schreeuwden, met hun blikken gevestigd op Krishna, het hardop uit, angstig en geschokt als ze waren het uitjammerend in grote nood.

(12) Drie soorten van zeer angstaanjagende, onheilspellende onregelmatigheden deden zich toen voor in Vraja: er vertoonden zich tekenen aan de hemel, op aarde en in de levende wezens die de voorboden waren voor dreigend onheil. (13-15) Voor deze voortekenen geplaatst waren de koeherders die door Nanda werden geleid geplaagd door angst, wetende dat Krishna zonder Balarâma op pad was gegaan om de koeien te hoeden. Zij, niet doordrongen van waar Hij allemaal toe in staat is, konden, overweldigd als ze door die kwade tekenen waren door pijn, verdriet en angst, aan niets anders denken dan aan Hem, hun feitelijke levensadem. Zij allen, de kinderen, de ouderen en de dames, mijn beste, gingen, zich zo ellendig voelend als een koe zonder haar kalf, er bezorgd op uit om Krishna te vinden. (16) Toen Balarâma, de Lieve Opperheer, ze zozeer van streek zag glimlachte Hij liefdevol en zei helemaal niets, geheel op de hoogte als Hij was van de macht van Zijn jongere broer. (17) Zij op zoek naar hun zozeer beminde Krishna volgden het spoor gevormd door de symbolen van de Heer Zijn voetafdrukken dat leidde naar de oever van de Yamunâ. (18) Hier en daar, verspreid tussen andere voetsporen op het koeienpad, de met de lotus, de graanhalm, de olifanten-drijfstok, bliksemschicht en vlag opgesierde voetafdrukken van de meester van hun gemeenschap ziend, haastten ze zich derwaarts, mijn beste. (19) Toen ze Krishna roerloos aantroffen omsloten door de windingen van het slangenlijf, de koeherdersjongens buiten westen met de overgestroomde watermassa's en de dieren er rondom heen het uitschreeuwend, waren ze geheel van streek aan de grootste wanhoop overgeleverd. (20) De gopî's die in hun harten zozeer gehecht waren aan Hem, de Allerhoogste Onbegrensde Persoonlijkheid, werden bij de herinnering aan Zijn liefdevolle glimlachen, blikken en woorden, nu dat hun lieveling was gegrepen door het serpent, gekweld door het grootste verdriet en ervoeren, verstoken van hun lieveling, al de drie werelden als zijnde één grote leegte [zie ook S'ikshâshthaka vers zeven]. (21) Zij die samen met de evenzo gekwelde moeder van Krishna hun blik op haar zoon gevestigd hadden, hielden zich flink met het intomen van hun stortvloed aan emoties en brachten ieder afzonderlijk de verhalen in herinnering over de Lieveling van Vraja terwijl ze verstijfd aan de grond genageld naar Krishna's gezicht staarden. (22) Nanda en zijn mannen die Krishna zagen, hun hart en ziel, werden er door de Almachtige Heer Balarâma, die heel goed wist wat de macht van Krishna was, ervan weerhouden het meer in te gaan. (23) Toen Hij, de enige die ze hadden, een tijdje in die positie verkerend, Zijn koeherdersvolkje daar zag staan samen met de vrouwen en kinderen in de grootste wanhoop om Zijnentwille, maakte Hij daarop een einde aan de illusie van Zijn sterfelijkheid en bevrijdde Hij zich uit de omknelling van het serpent. (24) Zichzelf uitzettend werd Hij door het serpent opgegeven dat het toen te verduren kreeg als gevolg van Zijn bovenzinnelijke lichaam; hij hief zijn kragen hoog op in woede, ademde zwaar door zijn neusgaten die als twee vaten vol kokend gif waren en keek, roerloos met zijn ogen als toortsen, de Heer strak in het gelaat. (25) Hij met zijn gespleten tong van links naar rechts tussen zijn lippen en zijn blik zo schrikwekkend vol van giftig vuur ijverig spiedend naar een gelegenheid om aan te vallen, werd door Hem al spelend omkruist, Zich om hem heen bewegend als de koning der vogels [Garuda]. (26) Op deze manier om hem heen draaiend putte Hij hem uit en liet Hij hem zijn hoog geheven schouders voorover buigen; bovenop de brede koppen geklommen, begon Hij als de Oorspronkelijke, de Eerste Geestelijk Leraar van Al de Kunsten, te dansen, waarbij Zijn lotusvoeten in aanraking [met de slang] rood kleurden van de vele juwelen op de koppen. (27) Toen ze in de gaten kregen dat Hij aan het dansen was verschenen toen datzelfde moment Zijn dienaren ten tonele: de zangers van de hemel en de vervolmaakte zielen, de wijzen en eerbiedwaardigen met hun echtgenotes die zich allen met het grootste genoegen bij Hem voegden met dubbelzijdige kleitrommen, trommeltjes en grote trommels, liederen, en andere vormen van eerbetoon. (28) Welke van zijn honderd-en-één koppen hij ook maar weigerde voorover te buigen, mijn beste, werd meteen naar beneden getrapt; de Heer, die met Zijn trappende voeten hen straft die kwaadaardig zijn, deed het serpent, nog bewegend maar met zijn levenseinde naderend, een golf van vreselijk [giftig] bloed braken uit zijn monden en neusgaten, zodat hij de ergste smarten onderging. (29) Uit zijn ogen droop het gif en welke brakende kop zich ook maar zwaar briesend van de woede verhief, werd al dansend met Zijn voet door Hem tot overgave gedwongen, en iedere keer dat zich dat voordeed werd Hij met bloemen vereerd als zijnde de Oorspronkelijke Persoon. (30) Hevig bloed brakend met zijn talrijke kragen gebroken en zijn lijf verslagen door Zijn bijzondere dansen, o heerser der mensen, herinnerde hij zich de oudste persoon, Heer Nârâyana, de geestelijk leraar van alle zich bewegende en niet bewegende levende wezens en wendde hij zich in de geest tot Hem als zijn toevlucht. (31) Ziende dat de slang moe was van de zware last van de hakken van Heer Krishna in wiens onderbuik het ganse universum wordt aangetroffen, en dat zijn paraplu-achtige kragen waren verpletterd door Zijn getrap, benaderden zijn vrouwen, van streek en met hun kleding, sieraden en haarlokken in de war, de Oorspronkelijke Heer. (32) Zij, innerlijk volledig ontdaan toenadering zoekend ter beschutting, legden hun lijven en kinderen neer op de grond voor Hem, de Heer en Toevlucht van Alle Schepselen, en verbogen zich heilig hun handen samenvouwend om de verlossing van hun zondige echtgenoot te bedingen.

(33) De vrouwen van het serpent zeiden: 'Gerecht is feitelijk de straf voor deze persoon die handelde in overtreding; U daalde neder in deze wereld om, met een naar vriend en vijand gelijkgezinde blik, de slechten te onderwerpen en straf uit te delen met het oog op een positief resultaat. (34) Dit afstraffen van de onwaarachtigen waar U ons mee aanpakte is eigenlijk een vorm van genade omdat met het verdrijven van hun kwalijke invloed U, zoals U dat deed met zijn verschijnen als een serpent, zelfs vertoornd van genade bent in het aanvaarden van de belichaamden. (35) Van welke boete naar behoren uitgevoerd moet hij wel niet in zijn voorgaande levens zijn geweest, vrij van trots en denkend aan anderen, religieus of anderszins van mededogen voor al de mensen, waarmee U, het Goede Zelf van alle levende wezens, tevreden bent gesteld? (36) We weten niet wat van hem leidde tot dit resultaat, o Heer van ons; dat het iemand gegeven is het stof van Uw lotusvoeten te mogen beroeren is iets waarvoor de godin van het geluk, de beste van alle vrouwen, boetedoeningen heeft gedaan, al haar verlangens een lange tijd voor heeft verzaakt, vasthoudend aan haar gelofte. (37) De hemel noch de heerschappij over allen, niet de hoogste schepper te zijn noch de baas over de wereld, niet de perfecties van de yoga of vrijheid van wedergeboorte wordt door hen verlangd die het gebracht hebben tot het stof van Uw voeten [zie ook S'ikshâshthaka vers 4]. (38) Hij, die werd geboren uit onwetendheid en in de ban van de woede verkeerde, heeft bereikt wat voor anderen zo moeilijk te bereiken is; door dat [stof] manifesteert voor hen, die ingekapseld rondwaren in de kringloop van het materieel bestaan, zich alle weelde. (39) Voor U, de Allerhoogste Heer van de Oorspronkelijke Persoon, de Grotere Ziel, de Beschutting voor al het Bestaande en de Hoogste Voorwereldlijke Oorzaak, de Allerhoogste van het Voorbije, onze eerbetuigingen. (40) Voor de Oceaan van Spirituele Kennis en Wijsheid, voor de Absolute Waarheid van een onbegrensd vermogen, jegens Hem vrij van de geaardheden en los van alle verandering van vorm, voor U, de Oorspronkelijke Beweger, ons eerbetoon. (41) Voor de Tijd, voor het Zekere van de Tijd, voor de Getuige van de Indelingen van de Tijd, voor Hem in de gedaante van het Universum, voor Degene die het Allemaal Overziet, voor haar Schepper; voor de Uiteindelijke Oorzaak van het Universum [ons respectvolle eerbetoon]. (42-43) Van het geschapene van de zinnen, de levensadem, de geest, de intelligentie en het bewustzijn bent U de grond der waarneming, die Uiteindelijke Ziel die met de geaardheden der natuur het verkeerde idee teweegbrengt van het zich foutief identificeren van het ware zelf met wat haar overdekt. Onze eerbetuigingen voor de Onbegrensde Heer zo hoogst subtiel, gevestigd in het centrum, de Alwetende die de verschillende zienswijzen sanctioneert, die Ene macht van het uitdrukken van ideeën en woorden. (44) Ons respect keer op keer voor de basis van alle gezaghebbende bewijsvoering, voor de auteur van de geopenbaarde geschriften, voor de bron van de passages die aanzetten en inperken. (45) We buigen voor Heer Krishna en Heer Râma [Sankarshana], de zoons van Vasudeva, en voor Pradyumna en Aniruddha [zie 4.24: 35-36]; onze eerbetuigingen voor de Meester van de Sâtvata's. (46) Onze heilwensen voor Hem, die de verschillende kwaliteiten laat zien, Zichzelf verhullend middels de geaardheden en [niettemin] door het functioneren van de geaardheden kan worden onderkend; Hij die door Zijn toegewijden wordt gekend als de afzonderlijke getuige tegenover de geaardheden. (47) O Beheerser van de Zinnen, laat er voor U, zo ondoorgrondelijk in Uw spel en vermaak vertoond voor de realisatie van de gehele schepping, ons eerbetoon zijn; voor U, die zo stilletjes tewerk gaat met hen die van de stilte zijn. (48) Jegens Hem, de Kenner der Bestemmingen Hoger en Lager, Hij die Alles Bestiert, onze aanbidding voor U, die los staat van het Universum en niettemin het Universum zelf is, Hij die Dat overziet en de Grondoorzaak is van alles. (49) U waarlijk bent de Almachtige Heer der Schepping, Handhaving en Vernietiging van dit universum die, zonder een aanvang met het vermogen van de Tijd met de geaardheden de erbuiten staande gangmaker bent; met Uw blik de afzonderlijke, sluimerende kenmerken opwekkend van ieder van hen [de geaardheden] speelt U Uw spel onberispelijk. (50) De vredigen, de rustelozen en zij die geboren zijn in traagheid zijn erdoor [door de Tijd] Uw materiële manifestaties in de drie werelden; [maar] voor de vredelievenden en de geheiligden alhier die U dierbaar zijn, bent U er, in het verlangen het dharma te handhaven, om ze bescherming te bieden. (51) Voor één keer zou door de meester de overtreding begaan door zijn eigen toegehorige moeten worden getolereerd; U, o Vrede In Eigen Persoon, moet het deze dwaas [onze echtgenoot] die er in mislukte U te begrijpen maar vergeven. (52) O Allerhoogste Heer weest genadig, het serpent loopt op zijn einde; voor ons vrouwen koesteren de geheiligden mededogen, de echtgenoot [aldus] moet het leven worden vergund. (53) AlstUblieft zeg ons, Uw dienstmaagden, wat er zou moeten worden gedaan; door Uw gebod trouw nageleefd zal men gegarandeerd worden bevrijd van alle angst.'

(54) S'rî S'uka zei: 'Hij, de Allerhoogste Heer, aldus uitvoerig geprezen door de vrouwen van de slang, liet hem toen los wiens koppen waren verslagen door Zijn trappende voeten. (55) Langzaam met moeite zijn zinnen herwinnend en op adem komend sprak Kâliya, zwaar ademend, miserabel en onderdanig tot Krishna. (56) Kâliya zei: 'Wij van geboorte zo gemeen en onwetend zijn, met een voortdurende woede begaan, van een aard die moeilijk te verzaken is voor normale mensen die zich daardoor verlaten op het onware, o meester! (57) Dit universum geschapen door U, o Onderhouder van de geaardheden en de verscheidenheid der schepping, is er, van de schoot en het zaad, in gedaanten en mentaliteiten, persoonlijke geaardheden, verschillende talenten en fysieke vermogens. (58) En wij hier verzeild geraakt, o Opperheer, zijn met door de aard van de serpentensoort begaan met woede; hoe kunnen wij met ons verstand kwijt nu op eigen kracht Uw begoochelende materie opgeven die zo moeilijk los te laten is? (59) Laat er het zekere zijn van dat wat U, vanuit Uw goede zelf als de oorzaak daarin, de Kenner van Alles, de beheerser van het Universum, voor ons zal regelen, of het nu een gunst is of een bestraffing.'

(60) S'rî S'uka zei: 'Aldus de woorden aanhorend sprak toen de Allerhoogste Heer die tewerk ging als een menselijk wezen: 'U, serpent, moet hier niet langer blijven; ga samen met uw getrouwen, uw kinderen en vrouwen rechtstreeks naar de oceaan; gun de menselijke wezens en de koeien het genot van de weelde van de rivier. (61) Ieder sterfelijk wezen dat zich dit gebod van Mij voor u herinnert en het reciteert aan het begin en het einde van de dag, zal niet langer bang voor u zijn. (62) Hij die op de plek van dit spel van Mij zich baadt en met het water de goden en zo tevreden stelt, zal, met het met zijn aanbidding naleven van een vastenperiode, bevrijd raken van alle zonden. (63) Bang voor Garuda verliet u het eiland Ramanaka en zocht u uw heil in deze poel; maar nu dat u door Mijn voeten bent getekend zal hij u niet verslinden.'

(64) De achtenswaardige wijze zei: 'Bevrijd door Krishna, de Allerhoogste Persoonlijkheid wiens handelingen zo wonderbaarlijk zijn, o Koning, aanbad de slang samen met zijn vrouwen Hem met genoegen en respect. (65-67) Met de fijnste kleding, strengen bloemen en hoogst kostbare juwelen, alsook met versieringen, hemelse geuren en smeersels en een slinger van lotusbloemen de Heer van het Universum aanbiddend en tevreden stellend, werd het hem door Hij die Garuda in Zijn vaandel heeft toegestaan te vertrekken, tevreden als Hij was over het feit dat Hij werd omlopen en vereerd door hem en zijn vrouwen, kroost en vrienden. Meteen toen hij naar het eiland in zee vertrok raakte het nectargelijke water van de Yamunâ bij de gratie van de Opperheer, die voor Zijn spel en vermaak een menselijke gedaante had aangenomen, vrij van vergif.'

 

 

next           

 
 

 Tweede editie, geladen 20 april 2008.

 

 

 

 

 

Bronteksten (geen voorgaande tekst in het Nederlands beschikbaar)

Krishna Chastises the Serpent Kâliya

 

Tekst 1:

S'rî S'uka zei: 'De Zwarte Heer [Krishna], de Almachtige, die het zwarte water zag dat vervuild was door de zwarte slang wilde de zuivering van de rivier en een einde maken aan het serpent.'

S'ukadeva Gosvâmî said: Lord S'rî Krishna, the Supreme Personality of Godhead, seeing that the Yamunâ River had been contaminated by the black snake Kâliya, desired to purify the river, and thus the Lord banished him from it. (Vedabase)

 

Tekst 2:

De koning zei: 'Hoe onderwierp de Allerhoogste Heer het serpent in de diepe wateren en hoe kon het daar zo vele eeuwen verblijven o geleerde, legt u dat alstublieft uit.

King Parîkshit inquired: O learned sage, please explain how the Supreme Personality of Godhead chastised the serpent Kâliya within the unfathomable waters of the Yamunâ, and how it was that Kâliya had been living there for so many ages. (Vedabase)

    

Tekst 3:

O brahmaan, wie kan er genoeg krijgen van het delen van de nectar van de grootmoedige avonturen van Hem, de Allerhoogste Onbegrensde Heer, die als een koeherdersjongen handelde op eigen gezag.'

O brâhmana, the unlimited Supreme Personality of Godhead freely acts according to His own desires. Who could be satiated when hearing the nectar of the magnanimous pastimes He performed as a cowherd boy in Vrindâvana? (Vedabase)

 

Tekst 4:

S'rî S'uka zei: 'Bij de Kâlindi van Kâliya [de naam van de slang] was er een zeker meer dat kookte van het vuur van zijn vergif; de vogels die er overheen vlogen vielen in het water.

S'rî S'ukadeva Gosvâmî said: Within the river Kâlindî [Yamunâ] was a lake inhabited by the serpent Kâliya, whose fiery poison constantly heated and boiled its waters. Indeed, the vapors thus created were so poisonous that birds flying over the contaminated lake would fall down into it. (Vedabase)

 

Tekst 5:

In aanraking met de giftige dampen van de golven die werden meegevoerd door de wind stierf al het planten- en dierenleven op de oever.

The wind blowing over that deadly lake carried droplets of water to the shore. Simply by coming in contact with that poisonous breeze, all vegetation and creatures on the shore died. (Vedabase)

 

Tekst 6

Toen Hij zag hoezeer de rivier vervuild was geraakt door het enorm werkzame, sterke gif, klom Krishna, die was nedergedaald om de slechten te onderwerpen, in een Kadamba-boom, sloeg Zich op Zijn armen, trok Zijn gordel strak en sprong in het vergiftigde water.

Lord Krishna saw how the Kâliya serpent had polluted the Yamunâ River with his terribly powerful poison. Since Krishna had descended from the spiritual world specifically to subdue envious demons, the Lord immediately climbed to the top of a very high kadamba tree and prepared Himself for battle. He tightened His belt, slapped His arms and then jumped into the poisonous water. (Vedabase)

   

Tekst 7

Door de kracht van de val van de Persoon der Essentie stroomde al het water van de slangenpoel, dat kolkte vanwege het gif dat de slang spuwde, over aan alle kanten, zodat haar angstwekkende golven over zo'n honderd booglengten uitvloeiden; het gebeurde werkelijk met een onmetelijke kracht!

When the Supreme Personality of Godhead landed in the serpent's lake, the snakes there became extremely agitated and began breathing heavily, further polluting it with volumes of poison. The force of the Lord's entrance into the lake caused it to overflow on all sides, and poisonous, fearsome waves flooded the surrounding lands up to a distance of one hundred bow-lengths. This is not at all amazing, however, for the Supreme Lord possesses infinite strength. (Vedabase)

 

Tekst 8

Mijn beste, toen hij [de slang] het rumoer hoorde dat Hij voortbracht toen Hij al spelend met Zijn machtige armen als een machtige olifant bezig was het water rond te wervelen, ging hij, niet in staat die inbreuk op zijn leefgebied te verdragen, erop af.

Krishna began sporting in Kâliya's lake like a lordly elephant - swirling His mighty arms and making the water resound in various ways. When Kâliya heard these sounds, he understood that someone was trespassing in his lake. The serpent could not tolerate this and immediately came forward. (Vedabase)

  

Tekst 9

Terwijl Hij zo onbevreesd aan het spelen was, zo aantrekkelijk in Zijn gele kleding en zo delicaat als een oplichtende witte wolk, met het S'rîvatsa-teken, Zijn glimlachende prachtige gezicht en met Zijn voeten die waren als het binnenste van een lotus, werd Hij door hem kwaadaardig in de borst gebeten en omsloten door zijn kronkels.

Kâliya saw that S'rî Krishna, who wore yellow silken garments, was very delicate, His attractive body shining like a glowing white cloud, His chest bearing the mark of S'rîvatsa, His face smiling beautifully and His feet resembling the whorl of a lotus flower. The Lord was playing fearlessly in the water. Despite His wonderful appearance, the envious Kâliya furiously bit Him on the chest and then completely enwrapped Him in his coils. (Vedabase)

 

Tekst 10

Hem ziend, onbeweeglijk in de greep van de windingen van de slang, waren Zijn beminde vrienden, de hoeders van de dieren [en allen die daar toevallig nog meer aanwezig waren], volledig van hun stuk en vielen ze, met hun verstand verbijsterd, pijnlijk getroffen, vol van spijt en angst op de grond aangezien ze zichzelf, hun relaties, hun rijkdom, vrouwen en de dingen waar ze aan hechtten allemaal aan Krishna hadden geofferd.

When the members of the cowherd community, who had accepted Krishna as their dearmost friend, saw Him enveloped in the snake's coils, motionless, they were greatly disturbed. They had offered Krishna everything - their very selves, their families, their wealth, wives and all pleasures. At the sight of the Lord in the clutches of the Kâliya snake, their intelligence became deranged by grief, lamentation and fear, and thus they fell to the ground. (Vedabase)

 

Tekst 11

De koeien, de stieren en de koekalfjes, schreeuwden, met hun blikken gevestigd op Krishna, het hardop uit, angstig en geschokt als ze waren het uitjammerend in grote nood.

The cows, bulls and female calves, in great distress, called out piteously to Krishna. Fixing their eyes on Him, they stood still in fear, as if ready to cry but too shocked to shed tears. (Vedabase)

   

Tekst 12

Drie soorten van zeer angstaanjagende, onheilspellende onregelmatigheden deden zich toen voor in Vraja: er vertoonden zich tekenen aan de hemel, op aarde en in de levende wezens die de voorboden waren voor dreigend onheil.

In the Vrindâvana area there then arose all three types of fearful omens - those on the earth, those in the sky and those in the bodies of living creatures - which announced imminent danger. (Vedabase)

 

Tekst 13-15

Voor deze voortekenen geplaatst waren de koeherders die door Nanda werden geleid geplaagd door angst, wetende dat Krishna zonder Balarâma op pad was gegaan om de koeien te hoeden. Zij, niet doordrongen van waar Hij allemaal toe in staat is, konden, overweldigd als ze door die kwade tekenen waren door pijn, verdriet en angst, aan niets anders denken dan aan Hem, hun feitelijke levensadem. Zij allen, de kinderen, de ouderen en de dames, mijn beste, gingen, zich zo ellendig voelend als een koe zonder haar kalf, er bezorgd op uit om Krishna te vinden.

Seeing the inauspicious omens, Nanda Mahârâja and the other cowherd men were fearful, for they knew that Krishna had gone to herd the cows that day without His elder brother, Balarâma. Because they had dedicated their minds to Krishna, accepting Him as their very life, they were unaware of His great power and opulence. Thus they concluded that the inauspicious omens indicated He had met with death, and they were overwhelmed with grief, lamentation and fear. All the inhabitants of Vrindâvana, including the children, women and elderly persons, thought of Krishna just as a cow thinks of her helpless young calf, and thus these poor, suffering people rushed out of the village, intent upon finding Him. (Vedabase)

 

Tekst 16

Toen Balarâma, de Lieve Opperheer, ze zozeer van streek zag glimlachte Hij liefdevol en zei helemaal niets, geheel op de hoogte als Hij was van de macht van Zijn jongere broer.

The Supreme Lord Balarâma, the master of all transcendental knowledge, smiled and said nothing when He saw the residents of Vrindâvana in such distress, since He understood the extraordinary power of His younger brother. (Vedabase)

  

Tekst 17

Zij op zoek naar hun zozeer beminde Krishna volgden het spoor gevormd door de symbolen van de Heer Zijn voetafdrukken dat leidde naar de oever van de Yamunâ.

The residents hurried toward the banks of the Yamunâ in search of their dearmost Krishna, following the path marked by His footprints, which bore the unique signs of the Personality of Godhead. (Vedabase)

 

Tekst 18

Hier en daar, verspreid tussen andere voetsporen op het koeienpad, de met de lotus, de graanhalm, de olifanten-drijfstok, bliksemschicht en vlag opgesierde voetafdrukken van de meester van hun gemeenschap ziend, haastten ze zich derwaarts, mijn beste.

The footprints of Lord Krishna, the master of the entire cowherd community, were marked with the lotus flower, barleycorn, elephant goad, thunderbolt and flag. My dear King Parîkshit, seeing His footprints on the path among the cows' hoofprints, the residents of Vrindâvana rushed along in great haste. (Vedabase)

 

Tekst 19

Toen ze Krishna roerloos aantroffen omsloten door de windingen van het slangenlijf, de koeherdersjongens buiten westen met de overgestroomde watermassa's en de dieren er rondom heen het uitschreeuwend, waren ze geheel van streek aan de grootste wanhoop overgeleverd.

As they hurried along the path to the bank of the Yamunâ River, they saw from a distance that Krishna was in the lake, motionless within the coils of the black serpent. They further saw that the cowherd boys had fallen unconscious and that the animals were standing on all sides, crying out for Krishna. Seeing all this, the residents of Vrindâvana were overwhelmed with anguish and confusion. (Vedabase)

 

  Tekst 20

De gopî's die in hun harten zozeer gehecht waren aan Hem, de Allerhoogste Onbegrensde Persoonlijkheid, werden bij de herinnering aan Zijn liefdevolle glimlachen, blikken en woorden, nu dat hun lieveling was gegrepen door het serpent, gekweld door het grootste verdriet en ervoeren, verstoken van hun lieveling, al de drie werelden als zijnde één grote leegte [zie ook S'ikshâshthaka vers zeven].

When the young gopîs, whose minds were constantly attached to Krishna, the unlimited Supreme Lord, saw that He was now within the grips of the serpent, they remembered His loving friendship, His smiling glances and His talks with them. Burning with great sorrow, they saw the entire universe as void. (Vedabase)

 

Tekst 21

Zij die samen met de evenzo gekwelde moeder van Krishna hun blik op haar zoon gevestigd hadden, hielden zich flink met het intomen van hun stortvloed aan emoties en brachten ieder afzonderlijk de verhalen in herinnering over de Lieveling van Vraja terwijl ze verstijfd aan de grond genageld naar Krishna's gezicht staarden.

Although the elder gopîs were feeling just as much distress as she and were pouring forth a flood of sorrowful tears, they had to forcibly hold back Krishna's mother, whose consciousness was totally absorbed in her son. Standing like corpses, with their eyes fixed upon His face, these gopîs each took turns recounting the pastimes of the darling of Vraja. (Vedabase)

 

Tekst 22

Nanda en zijn mannen die Krishna zagen, hun hart en ziel, werden er door de Almachtige Heer Balarâma, die heel goed wist wat de macht van Krishna was, ervan weerhouden het meer in te gaan.

Lord Balarâma then saw that Nanda Mahârâja and the other cowherd men, who had dedicated their very lives to Krishna, were beginning to enter the serpent's lake. As the Supreme Personality of Godhead, Lord Balarâma fully knew Lord Krishna's actual power, and therefore He restrained them. (Vedabase)

 

Tekst 23

Toen Hij, de enige die ze hadden, een tijdje in die positie verkerend, Zijn koeherdersvolkje daar zag staan samen met de vrouwen en kinderen in de grootste wanhoop om Zijnentwille, maakte Hij daarop een einde aan de illusie van Zijn sterfelijkheid en bevrijdde Hij zich uit de omknelling van het serpent.

The Lord remained for some time within the coils of the serpent, imitating the behavior of an ordinary mortal. But when He understood that the women, children and other residents of His village of Gokula were in acute distress because of their love for Him, their only shelter and goal in life, He immediately rose up from the bonds of the Kâliya serpent. (Vedabase)

 

Tekst 24

Zichzelf uitzettend werd Hij door het serpent opgegeven dat het toen te verduren kreeg als gevolg van Zijn bovenzinnelijke lichaam; hij hief zijn kragen hoog op in woede, ademde zwaar door zijn neusgaten die als twee vaten vol kokend gif waren en keek, roerloos met zijn ogen als toortsen, de Heer strak in het gelaat.

His coils tormented by the expanding body of the Lord, Kâliya released Him. In great anger the serpent then raised his hoods high and stood still, breathing heavily. His nostrils appeared like vessels for cooking poison, and the staring eyes in his face like firebrands. Thus the serpent looked at the Lord. (Vedabase)

 

Tekst 25

Hij met zijn gespleten tong van links naar rechts tussen zijn lippen en zijn blik zo schrikwekkend vol van giftig vuur ijverig spiedend naar een gelegenheid om aan te vallen, werd door Hem al spelend omkruist, Zich om hem heen bewegend als de koning der vogels [Garuda].

Lord Krishna moved around the serpent so skillfully that Kâliya could find no opportunity to bite Him. Thus the snake was defeated by S'rî Krishna's transcendental agility. (Vedabase)

 

Tekst 26

Op deze manier om hem heen draaiend putte Hij hem uit en liet Hij hem zijn hoog geheven schouders voorover buigen; bovenop de brede koppen geklommen, begon Hij als de Oorspronkelijke, de Eerste Geestelijk Leraar van Al de Kunsten, te dansen, waarbij Zijn lotusvoeten in aanraking [met de slang] rood kleurden van de vele juwelen op de koppen.

Having severely depleted the serpent's strength with His relentless circling, S'rî Krishna, the origin of everything, pushed down Kâliya's raised shoulders and mounted his broad serpentine heads. Thus Lord S'rî Krishna, the original master of all fine arts, began to dance, His lotus feet deeply reddened by the touch of the numerous jewels upon the serpent's heads. (Vedabase)

 

Tekst 27

Toen ze in de gaten kregen dat Hij aan het dansen was verschenen toen datzelfde moment Zijn dienaren ten tonele: de zangers van de hemel en de vervolmaakte zielen, de wijzen en eerbiedwaardigen met hun echtgenotes die zich allen met het grootste genoegen bij Hem voegden met dubbelzijdige kleitrommen, trommeltjes en grote trommels, liederen, en andere vormen van eerbetoon.

Seeing the Lord dancing, His servants in the heavenly planets - the Gandharvas, Siddhas, sages, Câranas and wives of the demigods - immediately arrived there. With great pleasure they began accompanying the Lord's dancing by playing drums such as mridangas, panavas and ânakas. They also made offerings of songs, flowers and prayers. (Vedabase)

 

Tekst 28

Welke van zijn honderd-en-één koppen hij ook maar weigerde voorover te buigen, mijn beste, werd meteen naar beneden getrapt; de Heer, die met Zijn trappende voeten hen straft die kwaadaardig zijn, deed het serpent, nog bewegend maar met zijn levenseinde naderend, een golf van vreselijk [giftig] bloed braken uit zijn monden en neusgaten, zodat hij de ergste smarten onderging.

My dear King, Kâliya had 101 prominent heads, and when one of them would not bow down, Lord S'rî Krishna, who inflicts punishment on cruel wrong-doers, would smash that stubborn head by striking it with His feet. Then, as Kâliya entered his death throes, he began wheeling his heads around and vomiting ghastly blood from his mouths and nostrils. The serpent thus experienced extreme pain and misery. (Vedabase)

 

Tekst 29

Uit zijn ogen droop het gif en welke brakende kop hij ook maar hevig sissend van de woede hief, werd al dansend met Zijn voet door Hem tot overgave gedwongen, en iedere keer dat zich dat voordeed werd Hij met bloemen vereerd als zijnde de Oorspronkelijke Persoon.

Exuding poisonous waste from his eyes, Kâliya, would occasionally dare to raise up one of his heads, which would breathe heavily with anger. Then the Lord would dance on it and subdue it, forcing it to bow down with His foot. The demigods took each of these exhibitions as an opportunity to worship Him, the primeval Personality of Godhead, with showers of flowers. (Vedabase)

 

Tekst 30

Hevig bloed brakend met zijn talrijke kragen gebroken en zijn lijf verslagen door Zijn bijzondere dansen, o heerser der mensen, herinnerde hij zich de oudste persoon, Heer Nârâyana, de geestelijk leraar van alle zich bewegende en niet bewegende levende wezens en wendde hij zich in de geest tot Hem als zijn toevlucht.

My dear King Parîkshit, Lord Krishna's wonderful, powerful dancing trampled and broke all of Kâliya's one thousand hoods. Then the serpent, profusely vomiting blood from his mouths, finally recognized S'rî Krishna to be the eternal Personality of Godhead, the supreme master of all moving and nonmoving beings, S'rî Nârâyana. Thus within his mind Kâliya took shelter of the Lord. (Vedabase)

 

Tekst 31

Ziende dat de slang moe was van de zware last van de hakken van Heer Krishna in wiens onderbuik het ganse universum wordt aangetroffen, en dat zijn paraplu-achtige kragen waren verpletterd door Zijn getrap, benaderden zijn vrouwen, van streek en met hun kleding, sieraden en haarlokken in de war, de Oorspronkelijke Heer.

When Kâliya's wives saw how the serpent had become so fatigued from the excessive weight of Lord Krishna, who carries the entire universe in His abdomen, and how Kâliya's umbrellalike hoods had been shattered by the striking of Krishna's heels, they felt great distress. With their clothing, ornaments and hair scattered in disarray, they then approached the eternal Personality of Godhead. (Vedabase)

 

Tekst 32

Zij, innerlijk volledig ontdaan toenadering zoekend ter beschutting, legden hun lijven en kinderen neer op de grond voor Hem, de Heer en Toevlucht van Alle Schepselen, en verbogen zich heilig hun handen samenvouwend om de verlossing van hun zondige echtgenoot te bedingen.

Their minds very much disturbed, those saintly ladies placed their children before them and then bowed down to the Lord of all creatures, laying their bodies flat upon the ground. They desired the liberation of their sinful husband and the shelter of the Supreme Lord, the giver of ultimate shelter, and thus they folded their hands in supplication and approached Him. (Vedabase)

 

Tekst 33

De vrouwen van het serpent zeiden: 'Gerecht is feitelijk de straf voor deze persoon die handelde in overtreding; U daalde neder in deze wereld om, met een naar vriend en vijand gelijkgezinde blik, de slechten te onderwerpen en straf uit te delen met het oog op een positief resultaat.

The wives of the Kâliya serpent said: The punishment this offender has been subjected to is certainly just. After all, You have incarnated within this world to curb down envious and cruel persons. You are so impartial that You look equally upon Your enemies and Your own sons, for when You impose a punishment on a living being You know it to be for his ultimate benefit. (Vedabase)

 

Tekst 34

Dit afstraffen van de onwaarachtigen waar U ons mee aanpakte is eigenlijk een vorm van genade omdat met het verdrijven van hun kwalijke invloed U, zoals U dat deed met zijn verschijnen als een serpent, zelfs vertoornd van genade bent in het aanvaarden van de belichaamden.

What You have done here is actually mercy for us, since the punishment You give to the wicked certainly drives away all their contamination. Indeed, because this conditioned soul, our husband, is so sinful that he has assumed the body of a serpent, Your anger toward him is obviously to be understood as Your mercy. (Vedabase)

 

Tekst 35

Van welke boete naar behoren uitgevoerd moet hij wel niet in zijn voorgaande levens zijn geweest, vrij van trots en denkend aan anderen, religieus of anderszins van mededogen voor al de mensen, waarmee U, het Goede Zelf van alle levende wezens, tevreden bent gesteld?

Did our husband carefully perform austerities in a previous life, with his mind free of pride and full of respect for others? Is that why You are pleased with him? Or did he in some previous existence carefully execute religious duties with compassion for all living beings, and is that why You, the life of all living beings, are now satisfied with Him? (Vedabase)

 

Tekst 36

We weten niet wat van hem leidde tot dit resultaat, o Heer van ons; dat het iemand gegeven is het stof van Uw lotusvoeten te mogen beroeren is iets waarvoor de godin van het geluk, de beste van alle vrouwen, boetedoeningen heeft gedaan, al haar verlangens een lange tijd voor heeft verzaakt, vasthoudend aan haar gelofte.

O Lord, we do not know how the serpent Kâliya has attained this great opportunity of being touched by the dust of Your lotus feet. For this end, the goddess of fortune performed austerities for centuries, giving up all other desires and taking austere vows. (Vedabase)

 

Tekst 37

De hemel noch de heerschappij over allen, niet de hoogste schepper te zijn noch de baas over de wereld, niet de perfecties van de yoga of vrijheid van wedergeboorte wordt door hen verlangd die het gebracht hebben tot het stof van Uw voeten [zie ook S'ikshâshthaka vers 4].

Those who have attained the dust of Your lotus feet never hanker for the kingship of heaven, limitless sovereignty, the position of Brahmâ or rulership over the earth. They are not interested even in the perfections of yoga or in liberation itself. (Vedabase)

 

Tekst 38

Hij, die werd geboren uit onwetendheid en in de ban van de woede verkeerde, heeft bereikt wat voor anderen zo moeilijk te bereiken is; door dat [stof] manifesteert voor hen, die ingekapseld rondwaren in de kringloop van het materieel bestaan, zich alle weelde.

O Lord, although this Kâliya, the king of the serpents, has taken birth in the mode of ignorance and is controlled by anger, he has achieved that which is difficult for others to achieve. Embodied souls, who are full of desires and are thus wandering in the cycle of birth and death, can have all benedictions manifested before their eyes simply by receiving the dust of Your lotus feet. (Vedabase)

 

Tekst 39

Voor U, de Allerhoogste Heer van de Oorspronkelijke Persoon, de Grotere Ziel, de Beschutting voor al het Bestaande en de Hoogste Voorwereldlijke Oorzaak, de Allerhoogste van het Voorbije, onze eerbetuigingen.

We offer our obeisances unto You, the Supreme Personality of Godhead. Although present in the hearts of all living beings as the Supersoul, You are all-pervasive. Although the original shelter of all created material elements, You exist prior to their creation. And although the cause of everything, You are transcendental to all material cause and effect, being the Supreme Soul. (Vedabase)

 

Tekst 40

Voor de Oceaan van Spirituele Kennis en Wijsheid, voor de Absolute Waarheid van een onbegrensd vermogen, jegens Hem vrij van de geaardheden en los van alle verandering van vorm, voor U, de Oorspronkelijke Beweger, ons eerbetoon.

Obeisances unto You, the Absolute Truth, who are the reservoir of all transcendental consciousness and potency and the possessor of unlimited energies. Although completely free of material qualities and transformations, You are the prime mover of material nature. (Vedabase)

 

Tekst 41

Voor de Tijd, voor het Zekere van de Tijd, voor de Getuige van de Indelingen van de Tijd, voor Hem in de gedaante van het Universum, voor Degene die het Allemaal Overziet, voor haar Schepper; voor de Uiteindelijke Oorzaak van het Universum [ons respectvolle eerbetoon].

Obeisances unto You, who are time itself, the shelter of time and the witness of time in all its phases. You are the universe, and also its separate observer. You are its creator, and also the totality of all its causes. (Vedabase)

 

Tekst 42-43

Van het geschapene van de zinnen, de levensadem, de geest, de intelligentie en het bewustzijn bent U de grond der waarneming, die Uiteindelijke Ziel die met de geaardheden der natuur het verkeerde idee teweegbrengt van het zich foutief identificeren van het ware zelf met wat haar overdekt. Onze eerbetuigingen voor de Onbegrensde Heer zo hoogst subtiel, gevestigd in het centrum, de Alwetende die de verschillende zienswijzen sanctioneert, die Ene macht van het uitdrukken van ideeën en woorden.

Obeisances unto You, who are the ultimate soul of the physical elements, of the subtle basis of perception, of the senses, of the vital air of life, and of the mind, intelligence and consciousness. By Your arrangement the infinitesimal spirit souls falsely identify with the three modes of material nature, and their perception of their own true self thus becomes clouded. We offer our obeisances unto You, the unlimited Supreme Lord, the supremely subtle one, the omniscient Personality of Godhead, who are always fixed in unchanging transcendence, who sanction the opposing views of different philosophies, and who are the power upholding expressed ideas and the words that express them. (Vedabase)

  

Tekst 44

Ons respect keer op keer voor de basis van alle gezaghebbende bewijsvoering, voor de auteur van de geopenbaarde geschriften, voor de bron van de passages die aanzetten en inperken.

We offer our obeisances again and again to You, who are the basis of all authoritative evidence, who are the author and ultimate source of the revealed scriptures, and who have manifested Yourself in those Vedic literatures encouraging sense gratification as well as in those encouraging renunciation of the material world. (Vedabase)

 

Tekst 45

We buigen voor Heer Krishna en Heer Râma [Sankarshana], de zoons van Vasudeva, en voor Pradyumna en Aniruddha [zie 4.24: 35-36]; onze eerbetuigingen voor de Meester van de Sâtvata's.

We offer our obeisances to Lord Krishna and Lord Râma, the sons of Vasudeva, and to Lord Pradyumna and Lord Aniruddha. We offer our respectful obeisances unto the master of all the saintly devotees of Vishnu. (Vedabase)

 

Tekst 46

Onze heilwensen voor Hem, die de verschillende kwaliteiten laat zien, Zichzelf verhullend middels de geaardheden en [niettemin] door het functioneren van de geaardheden kan worden onderkend; Hij die door Zijn toegewijden wordt gekend als de afzonderlijke getuige tegenover de geaardheden.

Obeisances to You, O Lord, who manifest varieties of material and spiritual qualities. You disguise Yourself with the material qualities, and yet the functioning of those same material qualities ultimately reveals Your existence. You stand apart from the material qualities as a witness and can be fully known only by Your devotees. (Vedabase)

 

Tekst 47

O Beheerser van de Zinnen, laat er voor U, zo ondoorgrondelijk in Uw spel en vermaak vertoond voor de realisatie van de gehele schepping, ons eerbetoon zijn; voor U, die zo stilletjes tewerk gaat met hen die van de stilte zijn.

O Lord Hrishîkes'a, master of the senses, please let us offer our obeisances unto You, whose pastimes are inconceivably glorious. Your existence can be inferred from the necessity for a creator and revealer of all cosmic manifestations. But although Your devotees can understand You in this way, to the nondevotees You remain silent, absorbed in self-satisfaction. (Vedabase)

 

Tekst 48

Jegens Hem, de Kenner der Bestemmingen Hoger en Lager, Hij die Alles Bestiert, onze aanbidding voor U, die los staat van het Universum en niettemin het Universum zelf is, Hij die Dat overziet en de Grondoorzaak is van alles.

Obeisances unto You, who know the destination of all things, superior and inferior, and who are the presiding regulator of all that be. You are distinct from the universal creation, and yet You are the basis upon which the illusion of material creation evolves, and also the witness of this illusion. Indeed, You are the root cause of the entire world. (Vedabase)

 

Tekst 49

U waarlijk bent de Almachtige Heer der Schepping, Handhaving en Vernietiging van dit universum die, zonder een aanvang met het vermogen van de Tijd met de geaardheden de erbuiten staande gangmaker bent; met Uw blik de afzonderlijke, sluimerende kenmerken opwekkend van ieder van hen [de geaardheden] speelt U Uw spel onberispelijk.

O almighty Lord, although You have no reason to become involved in material activity, still You act through Your eternal potency of time to arrange for the creation, maintenance and destruction of this universe. You do this by awakening the distinct functions of each of the modes of nature, which before the creation lie dormant. Simply by Your glance You perfectly execute all these activities of cosmic control in a sporting mood. (Vedabase)

  

Tekst 50

De vredigen, de rustelozen en zij die geboren zijn in traagheid zijn erdoor [door de Tijd] Uw materiële manifestaties in de drie werelden; [maar] voor de vredelievenden en de geheiligden alhier die U dierbaar zijn, bent U er, in het verlangen het dharma te handhaven, om ze bescherming te bieden.

Therefore all material bodies throughout the three worlds - those that are peaceful, in the mode of goodness; those that are agitated, in the mode of passion; and those that are foolish, in the mode of ignorance - all are Your creations. Still, those living entities whose bodies are in the mode of goodness are especially dear to You, and it is to maintain them and protect their religious principles that You are now present on the earth. (Vedabase)

 

Tekst 51

Voor één keer zou door de meester de overtreding begaan door zijn eigen toegehorige moeten worden getolereerd; U, o Vrede In Eigen Persoon, moet het deze dwaas [onze echtgenoot] die er in mislukte U te begrijpen maar vergeven.

At least once, a master should tolerate an offense committed by his child or subject. O supreme peaceful Soul, You should therefore forgive our foolish husband, who did not understand who You are. (Vedabase)

 

Tekst 52

O Allerhoogste Heer weest genadig, het serpent loopt op zijn einde; voor ons vrouwen koesteren de geheiligden mededogen, de echtgenoot [aldus] moet het leven worden vergund.

O Supreme Lord, please be merciful. It is proper for the saintly to feel compassion for women like us. This serpent is about to give up his life. Please give us back our husband, who is our life and soul. (Vedabase)

 

Tekst 53

AlstUblieft zeg ons, Uw dienstmaagden, wat er zou moeten worden gedaan; door Uw gebod trouw nageleefd zal men gegarandeerd worden bevrijd van alle angst.'

Now please tell us, Your maidservants, what we should do. Certainly anyone who faithfully executes Your order is automatically freed from all fear. (Vedabase)

 

Tekst 54

S'rî S'uka zei: 'Hij, de Allerhoogste Heer, aldus uitvoerig geprezen door de vrouwen van de slang, liet hem toen los wiens koppen waren verslagen door Zijn trappende voeten.

S'ukadeva Gosvâmî said: Thus praised by the Nâga-patnîs, the Supreme Personality of Godhead released the serpent Kâliya, who had fallen unconscious, his heads battered by the striking of the Lord's lotus feet. (Vedabase)

 

Tekst 55

Langzaam met moeite zijn zinnen herwinnend en op adem komend sprak Kâliya, zwaar ademend, miserabel en onderdanig tot Krishna.

Kâliya slowly regained his vital force and sensory functions. Then, breathing loudly and painfully, the poor serpent addressed Lord Krishna, the Supreme Personality of Godhead, in humble submission. (Vedabase)

 

Tekst 56

Kâliya zei: 'Wij van geboorte zo gemeen en onwetend zijn, met een voortdurende woede begaan, van een aard die moeilijk te verzaken is voor normale mensen die zich daardoor verlaten op het onware, o meester!

The serpent Kâliya said: Our very birth as a snake has made us envious, ignorant and constantly angry. O my Lord, it is so difficult for people to give up their conditioned nature, by which they identify with that which is unreal. (Vedabase)

 

Tekst 57

Dit universum geschapen door U, o Onderhouder van de geaardheden en de verscheidenheid der schepping, is er, van de schoot en het zaad, in gedaanten en mentaliteiten, persoonlijke geaardheden, verschillende talenten en fysieke vermogens.

O supreme creator, it is You who generate this universe, composed of the variegated arrangement of the material modes, and in the process You manifest various kinds of personalities and species, varieties of sensory and physical strength, and varieties of mothers and fathers with variegated mentalities and forms. (Vedabase)

 

Tekst 58

En wij hier verzeild geraakt, o Opperheer, zijn met door de aard van de serpentensoort begaan met woede; hoe kunnen wij met ons verstand kwijt nu op eigen kracht Uw begoochelende materie opgeven die zo moeilijk los te laten is?

O Supreme Personality of Godhead, among all the species within Your material creation, we serpents are by nature always enraged. Being thus deluded by Your illusory energy, which is very difficult to give up, how can we possibly give it up on our own? (Vedabase)

 

Tekst 59

Laat er het zekere zijn van dat wat U, vanuit Uw goede zelf als de oorzaak daarin, de Kenner van Alles, de beheerser van het Universum, voor ons zal regelen, of het nu een gunst is of een bestraffing.'

O Lord, since You are the omniscient Lord of the universe, You are the actual cause of freedom from illusion. Please arrange for us whatever You consider proper, whether it be mercy or punishment. (Vedabase)

 

Tekst 60

S'rî S'uka zei: 'Aldus de woorden aanhorend sprak toen de Allerhoogste Heer die tewerk ging als een menselijk wezen: 'U, serpent, moet hier niet langer blijven; ga samen met uw getrouwen, uw kinderen en vrouwen rechtstreeks naar de oceaan; gun de menselijke wezens en de koeien het genot van de weelde van de rivier.

S'ukadeva Gosvâmî said: After hearing Kâliya's words, the Supreme Personality of Godhead, who was acting the role of a human being, replied: O serpent, you may not remain here any longer. Go back to the ocean immediately, accompanied by your retinue of children, wives, other relatives and friends. Let this river be enjoyed by the cows and humans. (Vedabase)

 

Tekst 61

Ieder sterfelijk wezen dat zich dit gebod van Mij voor u herinnert en het reciteert aan het begin en het einde van de dag, zal niet langer bang voor u zijn.

If a mortal being attentively remembers My command to you - to leave Vrindâvana and go to the ocean - and narrates this account at sunrise and sunset, he will never be afraid of you. (Vedabase)

 

Tekst 62

Hij die op de plek van dit spel van Mij zich baadt en met het water de goden en zo tevreden stelt, zal, met het met zijn aanbidding naleven van een vastenperiode, bevrijd raken van alle zonden.

If one bathes in this place of My pastimes and offers the water of this lake to the demigods and other worshipable personalities, or if one observes a fast and duly worships and remembers Me, he is sure to become free from all sinful reactions. (Vedabase)

 

Tekst 63

Bang voor Garuda verliet u het eiland Ramanaka en zocht u uw heil in deze poel; maar nu dat u door Mijn voeten bent getekend zal hij u niet verslinden.'

Out of fear of Garuda, you left Ramanaka Island and came to take shelter of this lake. But because you are now marked with My footprints, Garuda will no longer try to eat you. (Vedabase)

 

Tekst 64

De achtenswaardige wijze zei: 'Bevrijd door Krishna, de Allerhoogste Persoonlijkheid wiens handelingen zo wonderbaarlijk zijn, o Koning, aanbad de slang samen met zijn vrouwen Hem met genoegen en respect.

S'ukadeva Gosvâmî continued: My dear King, having been released by Lord Krishna, the Supreme Personality of Godhead, whose activities are wonderful, Kâliya joined his wives in worshiping Him with great joy and reverence. (Vedabase)

 

Tekst 65-67

Met de fijnste kleding, strengen bloemen en hoogst kostbare juwelen, alsook met versieringen, hemelse geuren en smeersels en een slinger van lotusbloemen de Heer van het Universum aanbiddend en tevreden stellend, werd het hem door Hij die Garuda in Zijn vaandel heeft toegestaan te vertrekken, tevreden als Hij was over het feit dat Hij werd omlopen en vereerd door hem en zijn vrouwen, kroost en vrienden. Meteen toen hij naar het eiland in zee vertrok raakte het nectargelijke water van de Yamunâ bij de gratie van de Opperheer, die voor Zijn spel en vermaak een menselijke gedaante had aangenomen, vrij van vergif.'

Kâliya worshiped the Lord of the universe by offering Him fine garments, along with necklaces, jewels and other valuable ornaments, wonderful scents and ointments, and a large garland of lotus flowers. Having thus pleased the Lord, whose flag is marked with the emblem of Garuda, Kâliya felt satisfied. Receiving the Lord's permission to leave, Kâliya circumambulated Him and offered Him obeisances. Then, taking his wives, friends and children, he went to his island in the sea. The very moment Kâliya left, the Yamunâ was immediately restored to her original condition, free from poison and full of nectarean water. This happened by the mercy of the Supreme Personality of Godhead, who was manifesting a humanlike form to enjoy His pastimes. (Vedabase)

  

 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
De twee schilderijen op deze pagina zijn van
Dhriti devî dâsî.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties