regelbalk



 

Canto 6

Mahâmantra 2

 

 


Hoofdstuk 15: De Wijzen Nârada en Angirâ Instrueren Koning Citraketu

(1)  S'rî S'uka zei: 'Hem informerend met woorden van wijsheid spraken ze [de wijzen Nârada en Angirâ] tot de koning die, voor dood neergevallen bij het lijk, zo heel bedroefd was. (2) 'O beste van de koningen, de persoon waar u zo verdrietig over bent, wie is dat nu eigenlijk, o heer, wie was hij in zijn vorige geboorte, wie is hij nu en wie zal hij hierna zijn? (3) Zoals korrels zand door de kracht van de golven aanspoelen en weer van de kust wegdrijven, worden de belichaamde zielen door de tijd samengebracht en weer van elkaar gescheiden [vergelijk B.G. 2: 13]. (4) Net zoals er soms graan groeit uit zaad en soms niet, brengen de levende wezens, ertoe aangezet door het materieel vermogen van de Allerhoogste Heer, soms andere levende wezens voort en soms niet. (5) Wij, u en ook de andere levende wezens die zich hier momenteel wel of niet rondbewegen, o Koning, waren geen van allen bij elkaar voor hun geboorte, noch zullen ze hierna bij elkaar zijn, ook al delen ze hetzelfde heden. (6) De Heerser over Allen schept, behoudt en vernietigt levende wezens middels andere levende wezens, zo onverschillig als een [spelende] jongen; zij die door Hem werden geschapen bestaan niet onafhankelijk van Hem [vergelijk B.G. 3: 27]. (7) Uit het lichaam van de belichaamde ziel manifesteert zich, via een ander lichaam, een nieuw lichaam, o Koning,  net zoals inderdaad uit één zaadje [via de aarde] een ander zaadje wordt voortgebracht. De [op deze manier tijdelijk] belichaamde [individuele ziel] is eeuwig, zoals ook de samenstellende elementen van de materie dat zijn [zie B.G. 8: 17-22]. (8) Narada explains....Dit lichaam en zijn bewoner [de Heer] bezien als los van elkaar maakt, net als het als los van elkaar bezien van het individu en de groep waartoe hij behoort, sedert jaar en dag deel uit van de onwetendheid van de mens; een dergelijke scheiding is, net als het onafhankelijk van elkaar bestaan van zielen - van de essentie -, een denkbeeldige.'

(9) S'rî S'uka zei: 'Koning Citraketu, getroost door wat de tweemaal geborenen hem aldus zeiden, veegde zijn samengetrokken gezicht af met zijn hand en sprak. (10) De achtenswaardige koning zei: 'Jullie twee, die hier naartoe kwamen gehuld in de kleding van iemand die alles heeft opgegeven, zijn volleerd in de geestelijke kennis en zijn de grootsten van de groten. (11) Jullie brahmanen die de Heer dierbaar zijn [jullie Vaishnava's], trekken gekleed als een stel gekken rond door de wereld met de bedoeling om hen het licht te laten zien die, zoals ik, een werelds verstand hebben. (12-15) Sanat-kumâra, Nârada, Ribhu, Angirâ, Devala, Asita, Apântaratamâ [een oude naam van Vyâsadeva], Mârkandeya en Gautama; Vasishthha, Bhagavân Paras'urâma, Kapila, S'ukadeva, Durvâsâ, Yâjñavalkya en Jâtukarna alsook Aruni, Romas'a, Cyavana, Dattâtreya, Âsuri, Patañjali, de wijze Dhaumya hoofd van de Veda's, en de wijze Pañcas'ikha, Hiranyanâbha, Kaus'alya, S'rutadeva en Ritadhvaja; al dezen en andere meesters van de volmaaktheid, zijn de rondtrekkende, spirituele opvoeders. (16) Laat me daarom mijn licht opsteken bij uw toorts van geestelijke kennis, o meesters, want ik ben slechts een dwaze dorpshond verstoken van inzicht in de duisternis.' [*]

(17) S'rî Angirâ zei: 'Ik ben [dezelfde] Angirâ die u de zoon gunde die u graag wilde, o Koning, en deze zoon van Brahmâ hier is de grote Nârada in eigen persoon. (18-19) Het uit treurnis over uw zoon op deze manier verzonken zijn in een moeilijk te overwinnen duisternis, past u niet. U wordt verondersteld zich de Allerhoogste Persoonlijkheid te heugen. Wij tweeën arriveerden hier zichtbaar voor uw ogen, om u bij te staan, o Koning. U, als iemand die verankerd is in het Brahman en de Heer bent toegewijd, verdient het niet om zo de weg kwijt te zijn. (20) De eerste keer dat ik u thuis bezocht, had ik u de spirituele kennis van de transcendentie kunnen geven, maar, aangezien u in beslag werd genomen door andere zaken, kon ik u enkel een zoon bezorgen. (21-23) En nu ondergaat u de beproeving van iemand met een aardige vrouw en kinderen, een thuis, rijkdom, allerlei bezittingen en luxe. De voorwerpen van de zinnen die daarbij een rol spelen, zoals een koninkrijk, verschillende vormen van weelde, land en adel, macht en een schatkist met dienaren, ministers en bondgenoten, zijn allen tijdelijk. Dit alles, o Heerser over S'ûrasena, vormt een beklagenswaardige illusie die aanleiding geeft tot angsten en leed, die bestaat uit drogbeelden die door de geest zelf worden opgeroepen, uit luchtkastelen in de vorm van preoccupaties. (24) Dat waar uw hart naar uitgaat is verstoken van inhoud, dat waar u op mediteert zijn zelfverzonnen zaken die werden geboren uit uw op voordeel belust handelen. Al die soorten van karmisch handelen vinden hun oorsprong in de geest. (25) Dit lichaam van het levend wezen bestaat uit materiële elementen en zinnen van handelen en waarnemen. Van hen wordt beweerd dat ze de oorzaak zijn van de verschillende vormen van lijden en pijn van het levende wezen [zie ook B.G 15: 7-11]. (26) Pas daarom op voor wat zich in de geest afspeelt en overweeg wat uw werkelijke positie is, geef uw geloof in de dualiteit als een duurzaam iets op; zoek uw heil in de staat van vrede.'

(27) S'rî Nârada zei: 'Luister goed en ontvang van mij deze mantra die het geheim van de Vedische filosofie bevat [zie 8.16: 18-25]. Als u zich er een zevental nachten op concentreert, zal die u de visie verschaffen van Heer Sankarshana ['Hij met de ploeg' die alles samenbrengt; zie 5.25]. (28) Alle anderen [alle andere mannen van God] die deze illusie van de dualiteit opgaven en de  beschutting van Zijn lotusvoeten vonden, o Koning, bereikten in het verleden binnen de kortste keren Zijn onvergelijkelijke, onovertroffen majesteit. Ook u zal spoedig die allerhoogste positie bereiken.'
 

next                 

 
Derde herziene editie, geladen 18 november, 2018.
 
 

 

 

Vorige Aadhar-editie en Vedabase links:

Tekst 1

S'rî S'uka zei: 'Hem informerend met woorden van wijsheid spraken ze [de wijzen Nârada en Angirâ] tot de koning die, voor dood neergevallen bij het lijk, zo heel bedroefd was.
S'rî S'uka zei: 'Teneinde hem instructie te verschaffen over de feitelijkheid die aan de orde moest worden gesteld, spraken zij [de wijzen Nârada en Angirâ] tot de koning, die voor dood neerlag bij het lijk en zo zeer bedroefd was. (Vedabase)

 

Tekst 2

'O beste van de koningen, de persoon waar u zo verdrietig over bent, wie is dat nu eigenlijk, o heer, wie was hij in zijn vorige geboorte, wie is hij nu en wie zal hij hierna zijn?

O beste der koningen, wie is dit nu voor u o heer, de persoon over wie u zo'n verdriet hebt; en wie zou dit geweest zijn die uit u werd geboren; wie zou hij nu dan zijn en wie in de toekomst? (Vedabase)

 

Tekst 3

Zoals korrels zand door de kracht van de golven aanspoelen en weer van de kust wegdrijven, worden de belichaamde zielen door de tijd samengebracht en weer van elkaar gescheiden [vergelijk B.G. 2: 13].

Net als korrels zand die samenkomen op de kust en weer uit elkaar gaan door de kracht van de golven van de zee, worden zij, de belichaamde zielen, overeenkomstig verenigd en gescheiden [vergelijk B.G. 2: 13]. (Vedabase)

  

Tekst 4

Net zoals er soms graan groeit uit zaad en soms niet, brengen de levende wezens, ertoe aangezet door het materieel vermogen van de Allerhoogste Heer, soms andere levende wezens voort en soms niet.

Net als van zaad gezaaid soms het graan groeit en soms ook niet, leiden evenzo de levende wezens tot andere levende wezens daartoe aangezet door het vermogen van de Allerhoogste Beheerser. (Vedabase)

 

Tekst 5

Wij, u en ook de andere levende wezens die zich hier momenteel wel of niet rondbewegen, o Koning, waren geen van allen bij elkaar voor hun geboorte, noch zullen ze hierna bij elkaar zijn, ook al delen ze hetzelfde heden. 

Wij en u ook o Koning, en ook andere schepselen die zich rondbewegen dan wel een vaste plaats hebben, zijn, zoals ze allen tezamen zowel van geboorte als van de dood zijn, als het ware dus niet werkelijk aanwezig voordien noch achteraf, alhoewel men in het heden wel aanwezig is. (Vedabase)

 

Tekst 6

De Heerser over Allen schept, behoudt en vernietigt levende wezens middels andere levende wezens, zo onverschillig als een [spelende] jongen; zij die door Hem werden geschapen bestaan niet onafhankelijk van Hem [vergelijk B.G. 3: 27].

Middels sommige levende wezens schept de Beheerser van Allen andere levende wezens en handhaaft Hij ze en vernietigt Hij ze eveneens; ze bestaan niet onafhankelijk van Hem, hoewel Hijzelf zo onverschillig is als een jongen over het feit dat Hij ze het levenslicht heeft laten zien [vergelijk B.G. 3: 27]. (Vedabase)


Tekst 7

Uit het lichaam van de belichaamde ziel manifesteert zich, via een ander lichaam, een nieuw lichaam, o Koning,  net zoals inderdaad uit één zaadje [via de aarde] een ander zaadje wordt voortgebracht. De [op deze manier tijdelijk] belichaamde [individuele ziel] is eeuwig, zoals ook de samenstellende elementen van de materie dat zijn [zie B.G. 8: 17-22].

Door het lichaam van de belichaamde wordt vanuit het ene lichaam een ander lichaam geschapen; net zoals inderdaad uit één zaadje een ander zaadje wordt geboren, is hij die ermee belichaamd is eeuwig, zoals ook de samenstellende elementen der materie dat zijn [zie B.G. 8: 17-22]. (Vedabase)

 

Tekst 8

Dit lichaam en zijn bewoner [de Heer] bezien als los van elkaar maakt, net als het als los van elkaar bezien van het individu en de groep waartoe hij behoort, sedert jaar en dag deel uit van de onwetendheid van de mens; een dergelijke scheiding is, net als het onafhankelijk van elkaar bestaan van zielen - van de essentie -, een denkbeeldige.'

Deze scheiding tussen het lichaam en zijn bewoner is er als gevolg van het niet begrijpen dat men een bestaan heeft van sedert mensenheugenis er als een geschapen wezen te zijn, net zoals het leiden van een afzonderlijk bestaan in verhouding tot de oorspronkelijke substantie zo denkbeeldig is als het hebben van een individueel element los van de categorie waar het toe behoort.'  (Vedabase)


Tekst 9

S'rî S'uka zei: 'Koning Citraketu, getroost door wat de tweemaal geborenen hem aldus zeiden, veegde zijn samengetrokken gezicht af met zijn hand en sprak.

S'rî S'uka zei: 'Koning Citraketu, aldus gesteund door wat de tweemaal geborenen hem hadden gezegd, veegde zijn hangende gezicht af met zijn hand en sprak intelligent. (Vedabase)
  

Tekst 10

De achtenswaardige koning zei: 'Jullie twee, die hier naartoe kwamen gehuld in de kleding van iemand die alles heeft opgegeven, zijn volleerd in de geestelijke kennis en zijn de grootsten van de groten.

De achtenswaardige koning zei: 'Jullie tweeën die naar hier zijn gekomen vermomd in de kledij van iemand die alles heeft opgegeven, zijn, gezien het volle van jullie kennis, de grootsten der groten. (Vedabase)

 

Tekst 11

Jullie brahmanen die de Heer dierbaar zijn [jullie Vaishnava's], trekken gekleed als een stel gekken rond door de wereld met de bedoeling om hen het licht te laten zien die, zoals ik, een werelds verstand hebben.

Zoals dat verlangd wordt trekken jullie brahmanen, die de Heer zo dierbaar zijn, inderdaad rond gekleed als een stel gekken met de bedoeling hen te doen ontwaken die, zoals ik, een verstand hebben dat ingesteld is op het familiale. (Vedabase)

 

Tekst 12-15

Sanat-kumâra, Nârada, Ribhu, Angirâ, Devala, Asita, Apântaratamâ [een oude naam van Vyâsadeva], Mârkandeya en Gautama; Vasishthha, Bhagavân Paras'urâma, Kapila, S'ukadeva, Durvâsâ, Yâjñavalkya en Jâtukarna alsook Aruni, Romas'a, Cyavana, Dattâtreya, Âsuri, Patañjali, de wijze Dhaumya hoofd van de Veda's, en de wijze Pañcas'ikha, Hiranyanâbha, Kaus'alya, S'rutadeva en Ritadhvaja; al dezen en andere meesters van de volmaaktheid, zijn de rondtrekkende, spirituele opvoeders.

Sanat-kumâra, Nârada, Ribhu, Angirâ, Devala, Asita, Apântaratamâ [een oude naam van Vyâsadeva], Mârkandeya en Gautama; Vasishthha, Bhagavân Paras'urâma, Kapila, S'ukadeva, Durvâsâ, Yâjñavalkya en Jâtukarna zowel als Aruni, Romas'a, Cyavana, Dattâtreya, Âsuri, Patañjali, de wijze Dhaumya hoofd van de Veda's, en de wijze Pañcas'ikha, Hiranyanâbha, Kaus'alya, S'rutadeva en Ritadhvaja; al dezen en andere meesters der volmaaktheid zijn de rondtrekkende spirituele opvoeders.  (Vedabase)

 

Tekst 16

Laat me daarom mijn licht opsteken bij uw toorts van geestelijke kennis, o meesters, want ik ben slechts een dwaze dorpshond verstoken van inzicht in de duisternis.' [*]

Laat derhalve door jullie het licht van de toorts der spirituele kennis ontstoken zijn, daar ik slechts een dorpshond met een verdwaasde kijk op het leven ben, blind temidden van de duisternis' [*]. (Vedabase)

 

Tekst 17

S'rî Angirâ zei: 'Ik ben [dezelfde] Angirâ die u de zoon gunde die u graag wilde, o Koning, en deze zoon van Brahmâ hier is de grote Nârada in eigen persoon.

S'rî Angirâ zei: 'Ik ben die Angirâ die u de zoon vergunde die u verlangde o Koning en deze zoon van Brahmâ hier is de grote Nârada in eigen persoon. (Vedabase)

 

Tekst 18-19   

Het uit treurnis over uw zoon op deze manier verzonken zijn in een moeilijk te overwinnen duisternis, past u niet. U wordt verondersteld zich de Allerhoogste Persoonlijkheid te heugen. Wij tweeën arriveerden hier zichtbaar voor uw ogen, om u bij te staan, o Koning. U, als iemand die verankerd is in het Brahman en de Heer bent toegewijd, verdient het niet om zo de weg kwijt te zijn.

Het op deze manier verzonken zijn in een moeilijk door te komen duisternis uit treurnis over uw zoon past niet u die verondersteld wordt zich de Allerhoogste Persoonlijkheid te heugen. Enkel voor uw heil zijn de geleerden middels ons tweeën hier aangekomen op deze plaats, o Koning, en tot u als iemand verankerd in het Brahman en toegewijd aan de Heer moeten we zeggen dat u het niet verdient om zo hulpeloos verloren te zijn. (Vedabase)

 

Tekst 20

De eerste keer dat ik u thuis bezocht, had ik u de spirituele kennis van de transcendentie kunnen geven, maar, aangezien u in beslag werd genomen door andere zaken, kon ik u enkel een zoon bezorgen.

De eerste keer dat ik u thuis opzocht, had ik u de spirituele kennis der transcendentie kunnen geven, maar, aangezien u in beslag werd genomen door iets anders, kon ik u enkel een zoon gunnen. (Vedabase)

 

Tekst 21-23

En nu ondergaat u de beproeving van iemand met een aardige vrouw en kinderen, een thuis, rijkdom, allerlei bezittingen en luxe. De voorwerpen van de zinnen die daarbij een rol spelen, zoals een koninkrijk, verschillende vormen van weelde, land en adel, macht en een schatkist met dienaren, ministers en bondgenoten, zijn allen tijdelijk. Dit alles, o Heerser over S'ûrasena, vormt een beklagenswaardige illusie die aanleiding geeft tot angsten en leed, die bestaat uit drogbeelden die door de geest zelf worden opgeroepen, uit luchtkastelen in de vorm van preoccupaties.

En momenteel ervaart u inderdaad de beproeving van iemand met kinderen die in die hoedanigheid een aardige vrouw heeft, een thuis, rijkdom, allerlei bezittingen en luxe. Al de voorwerpen van de zinnen die daarbij van betekenis voor u zijn, zoals een koninkrijk, vormen van weelde, land en adel, kracht en een schatkist met dienaren, ministers en bondgenoten, behoren alle tot de tijdelijkheid. Inderdaad is dit alles, o Heerser over S'ûrasena, een beklagenswaardige illusie die aanleiding geeft tot angsten en leed; ze bestaat uit drogbeelden door de geest zelf opgeroepen, uit preoccupaties in de vorm van luchtkastelen. (Vedabase)

 

Tekst 24

Dat waar uw hart naar uitgaat is verstoken van inhoud, dat waar u op mediteert zijn zelfverzonnen zaken die werden geboren uit uw op voordeel belust handelen. Al die soorten van karmisch handelen vinden hun oorsprong in de geest.

Waar u naar uitkijkt is verstoken van inhoud, het zijn zelfverzonnen zaken geboren uit baatzuchtig handelen waarop u mediteert; het is vanuit de geest dat allerlei soorten van karmisch handelen hun bestaan vinden. (Vedabase)

   

Tekst 25

Dit lichaam van het levend wezen bestaat uit materiële elementen en zinnen van handelen en waarnemen. Van hen wordt beweerd dat ze de oorzaak zijn van de verschillende vormen van lijden en pijn van het levende wezen [zie ook B.G 15: 7-11]. 

Zonder twijfel bestaat dit lichaam van het levend wezen uit materiële elementen en zinnen van handelen en waarnemen. Dezen worden verklaard oorzaak te zijn van de verschillende vormen van lijden en pijn van het levende wezen [zie ook B.G 15: 7-11]. (Vedabase)

 

Tekst 26

Pas daarom op voor wat zich in de geest afspeelt en overweeg wat uw werkelijke positie is, geef uw geloof in de dualiteit als een duurzaam iets op; zoek uw heil in de staat van vrede.'

Pas daarom op voor wat er zich in de geest afspeelt en overweeg wat uw werkelijke positie is, geef uw geloof in de dualiteit als een duurzaam iets op; hou het op de toestand van vrede.' (Vedabase)

 

Tekst 27

S'rî Nârada zei: 'Luister goed en ontvang van mij deze mantra die het geheim van de Vedische filosofie bevat [zie 8.16: 18-25]. Als u zich er een zevental nachten op concentreert, zal die u de visie verschaffen van Heer Sankarshana ['Hij met de ploeg' die alles samenbrengt; zie 5.25].

S'rî Nârada zei: 'Luister goed en aanvaard deze mantra der filosofie van mij, welke, als u zich er een zevental nachten op concentreert, u de visie zal geven van de alles doordringende Heer Sankarshana ['Hij met de ploeg' zie 5.25]. (Vedabase)

 

Tekst 28

Alle anderen [alle andere mannen van God] die deze illusie van de dualiteit opgaven en de  beschutting van Zijn lotusvoeten vonden, o Koning, bereikten in het verleden binnen de kortste keren Zijn onvergelijkelijke, onovertroffen majesteit. Ook u zal spoedig die allerhoogste positie bereiken.'

Van het vinden van beschutting aan Zijn lotusvoeten o Koning bereikten voorheen al de goddelijken die deze illusie der dualiteit opgaven, onverwijld Zijn onvergelijkelijke, onovertroffen heerlijkheden en ook u zal na een niet te lange tijd de Bovenzinnelijkheid deelachtig zijn. (Vedabase)

 

*: Voorafgaande aan lezingen bidden Vaishnava's een gebed waarin ze de rol van de goeroe als volgt beschrijven:

'om ajñâna-timirândhasya
jñânâñjana-s'alâkayâ
cakshur unmîlitam yena
tasmai s'rî-gurave namah'

"Ik werd geboren in het duister van de onwetendheid en mijn geestelijk leraar opende mijn ogen met de toorts van de kennis. Hem biedt ik mijn respectvolle eerbetuigingen."  

 

 

 

Creative Commons License
De tekst en de audio worden aangeboden onder de

Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License
.

De afbeelding van Nârada is een detail van een schilderij getiteld:
'Shri Krishna Radha Stuti by Jaideva (Gita Govinda Series)'
©
Exoticindia.com. Gebruikt met toestemming.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd.



 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties