regelbalk


 

Canto 10

S'rî S'rî Shadgosvâmî

 

 

Hoofdstuk 36: De Stier Arishthâsura Verslagen en Akrûra Gestuurd door Kamsa

(1) De zoon van Vyâsa zei: 'Kort daarop kwam toen naar het koeherdersdorp de duivelse stier genaamd Arishtha die een enorme bult had. Met zijn hoeven de grond openrijtend deed hij met zijn lijf de aarde schudden. (2) Zeer hard loeiend en over de grond schrapend met zijn hoeven, met zijn staart omhoog en met de punten van zijn hoorns de aarde omwoelend en kluiten omhoog werpend, liet hij met gloeiende ogen zijn urine en ontlasting bij kleine beetjes lopen. (3-4) De angstwekkende aanblik van zijn scherpe hoorns en zijn bult die wel een berg leek waaromheen de wolken zich samenpakken, deed de gopa's en gopî's dermate beven van de schrik dat door zijn luid weerklinkend gebrul, mijn beste, de vrouwen en de koeien in angst voortijdig hun vruchten verloren in miskramen. (5) De dieren renden in paniek de wei uit, o Koning, terwijl de mensen allen 'Krishna Krishna!' [roepend] Govinda opzochten voor hun bescherming. (6) De Allerhoogste Heer, toen Hij zag hoe de hele koeherdersgemeente moedeloos in angst was weggevlucht, kalmeerde ze met de woorden 'wees niet bang' en riep naar de stier-demon: (7) 'Jij suf kwaadaardig beest, hoe waag je het in de aanwezigheid van Mij, de bestraffer van valse onverlaten als jij, dit koeherdersvolk en hun beesten zo bang te maken?!'

(8) Acyuta, de Heer, aldus zich uitlatend sloeg Zich op de armen om Arishtha kwaad te krijgen met het geluid van Zijn handpalmen en nam er een houding bij aan waarin Hij Zijn slangenarm over de schouder van een vriend gooide. (9) En inderdaad kreeg Hij op die manier Arishtha kwaad die furieus over de aarde schraapte met zijn hoef en Krishna [toen] met zijn staart naar de wolken opgeheven aanviel. (10) Bloeddorstig vanuit zijn ooghoeken starend stormde hij met zijn hoorns recht naar voren op Krishna af, als was hij een bliksemschicht losgelaten door Indra. (11) De Opperheer echter greep hem als een rivaliserende olifant bij de horens vast en wierp hem zes meter naar achteren. (12) Afgeweerd viel hij, zich snel weer herstellend, zwetend over heel zijn lijf opnieuw aan, waarbij hij geestloos in zijn woede zwaar ademde. (13) In zijn aanval werd hij bij de hoorns gegrepen en liet Hij hem met Zijn voet struikelen, zodat hij als een natte dweil tegen de grond klapte. Daarna sloeg Hij op hem in met zijn eigen [afgebroken] hoorn totdat hij plat ging. (14) Bloed spuwend, een lading urine en ontlasting uitscheidend en met zijn poten trappelend vertrok hij toen in pijn met rollende ogen naar het bereik van de Dood. De goden strooiden daarop bloemen over Krishna uit in aanbidding. (15) Op die manier de dik gebulte ter dood brengend betrad Hij, dat feest voor de gopî's hun ogen, onder de lofprijzingen van de tweemaal geborenen, met Balarâma het koeherdersdorp.

(16) Met de demon Arishtha gedood door de Wonderdoener Krishna, richtte zich toen tot Kamsa de machtige Nârada die de visie van God gegeven was [zie 1.6: 25-29]: (17) 'Het meisje van Devakî is Yas'odâ's dochter en Krishna en ook Balarâma, de zoon van Rohinî, zijn van Vasudeva, die beducht Hen bij zijn vriend Nanda onderbracht; zij waren de twee die feitelijk uw mannen ter dood brachten.'

(18) Toen hij dat hoorde greep de heer van Bhoja, buiten zinnen van woede, naar een scherp zwaard om Vasudeva ter dood te brengen. (19) Nârada weerhield Kamsa [door te zeggen] dat Vasudeva's twee zoons de oorzaak van zijn dood zouden zijn en met dat in gedachten sloeg hij toen hem en zijn vrouw in ijzeren ketenen [zie ook 10.1: 64-69]. (20) Toen de deva-rishi vervolgens wegging richtte Kamsa zich tot de demon Kes'î om hem op pad te sturen: 'Jij bent degene aangewezen om die twee, Râma en Kes'ava, te doden'.

(21) Daarop ontbood hij Mushthika, Cânûra, S'ala, Tos'ala en dergelijken, zijn ministers en zijn olifantenverzorgers, tot wie de koning van Bhoja zei: (22-23) 'Beste maten, Mushthika en Cânûra, luister alsjeblieft goed naar wat ik je te zeggen heb. Het blijkt het koeherdersdorp van Nanda te zijn waar de twee zoons van Ânakadundubhi zich ophouden. Mijn dood werd voorspeld zich te voltrekken door [het ingrijpen van] Krishna en Balarâma. Als we Ze zo ver krijgen hier te komen voor een worstelwedstrijd moeten jullie Ze doden. (24) Bouw een ring en verschillende tribunes eromheen - alle onderdanen van binnen en buiten de stad moeten er getuige van zijn hoe Zij uit eigen beweging deelnamen aan de wedstrijd. (25) O olifantenverzorger, door jou mijn beste kerel, moet de olifant Kuvalayâpîda naar de ingang van het strijdperk worden gebracht waar mijn vijanden moeten worden vernietigd. (26) Begin met het volgens de voorschriften houden van het boogoffer op de veertiende [Caturdas'î] van de maand en breng een zoenoffer met de daartoe geëigende dieren voor de Heer der Geesten [S'iva], de genadige.'

(27) Met het aldus geven van zijn opdrachten riep hij, slim als hij was in de kunst van het behalen van zijn voordeel, Akrûra ['hij die niet wreed is'], de meest eminente Yadu, bij zich. Hij nam zijn hand in de zijne en zei: (28) 'Beste meester der liefdadigheid, alstublieft verleen me een gunst. Met alle respect, er is niemand onder de Bhoja's en Vrishni's te vinden die zo genadig is als u. (29) Derhalve verlaat ik me op u, o allervriendelijkste, u kwijt zich altijd nuchter van uw taken, net als Indra, de machtige koning van de hemel, die zijn doelen bereikte door zijn toevlucht te zoeken bij Heer Vishnu. (30) Ga naar Nanda's koeherdersdorp alwaar de twee zoons van Ânakadundubhi leven en breng Ze onverwijld naar hier op deze wagen. (31) Zij tweeën zijn, door de goden die de bescherming genieten van Vishnu, erop uitgestuurd op mijn dood te veroorzaken; breng Ze samen met de gopa's onder de leiding van Nanda naar hier, en laat ze de nodige eerbewijzen meebrengen. (32) Hierheen gebracht zal ik Ze door de olifant die zo machtig is als de tijd zelve laten doden, en als Ze daaraan ontkomen, dan zullen mijn worstelaars zo sterk als de bliksem Ze de wereld uithelpen. (33) En als Zij tweeën dood zijn zal ik de getroffen verwanten van wie Vasudeva de leider is ter dood brengen: de Vrishni's, de Bhoja's, en de Das'ârha's [zie nogmaals 10.1: 67]. (34) En zo zal ik ook mijn oude vader Ugrasena te pakken nemen die zo begeertig is op het koninkrijk en zijn broer Devaka en mijn andere vijanden. (35) En op die manier, o vriend, zullen die doornen in deze wereld worden vernietigd. (36) Met mijn oudere verwant [schoonvader] Jarâsandha en mijn vriend Dvivida en S'ambara, Naraka en Bâna, die inderdaad een sterke vriendschap voor mij koesteren, zal ik, al die samenzweerders van sura-koningen om zeep helpend, deze aarde genieten. (37) En nu met deze wetenschap, breng snel de jonge knapen Râma en Krishna naar hier om de boogplechtigheid bij te wonen en de glorie van de Yaduhoofdstad [Mathurâ] te respecteren.'

(38) S'rî Akrûra zei: 'O Koning, aan uw manier van denken om het ongewenste uit te zuiveren mankeert helemaal niets; men moet handelen zonder een verschil te maken tussen de volmaakten en de onvolmaakten, het is per slot van rekenig het lot dat alle resultaten bepaalt. (39) De gewone man, hoewel geplaagd door het lot, handelt verbeten naar zijn verlangens en loopt op tegen geluk en leed. Niettemin zal ik handelen naar uw opdracht.'

(40) S'rî S'uka zei: 'Aldus Akrûra instruerend en ook zijn ministers wegsturend ging Kamsa zijn vertrekken binnen en keerde Akrûra terug naar zijn eigen verblijfplaats.'

 

 

next                   

 
 

Tweede editie, geladen 2 juli 2008  

 

 

 

 

 

Bronteksten (geen voorgaande versie in het Nederlands beschikbaar):

The Slaying of Arishtha, the Bull Demon

 

Tekst 1

De zoon van Vyâsa zei: 'Kort daarop kwam toen naar het koeherdersdorp de duivelse stier genaamd Arishtha die een enorme bult had. Met zijn hoeven de grond openrijtend deed hij met zijn lijf de aarde schudden.

S'ukadeva Goswâmî said: The demon Arishtha then came to the cowherd village. Appearing in the form of a bull with a large hump, he made the earth tremble as he tore it apart with his hooves. (Vedabase)

 

Tekst 2

Zeer hard loeiend en over de grond schrapend met zijn hoeven, met zijn staart omhoog en met de punten van zijn hoorns de aarde omwoelend en kluiten omhoog werpend, liet hij met gloeiende ogen zijn urine en ontlasting bij kleine beetjes lopen.

Arishthâsura bellowed very harshly and pawed the ground. With his tail raised and his eyes glaring, he began to tear up the embankments with the tips of his horns, every now and then passing a little stool and urine. (Vedabase)

 

Tekst 3-4

De angstwekkende aanblik van zijn scherpe hoorns en zijn bult die wel een berg leek waaromheen de wolken zich samenpakken, deed de gopa's en gopî's dermate beven van de schrik dat door zijn luid weerklinkend gebrul, mijn beste, de vrouwen en de koeien in angst voortijdig hun vruchten verloren in miskramen.

My dear King, clouds hovered about sharp-horned Arishthâsura's hump, mistaking it for a mountain, and when the cowherd men and ladies caught sight of the demon, they were struck with terror. Indeed, the strident reverberation of his roar so frightened the pregnant cows and women that they lost their fetuses in miscarriages. (Vedabase)

 

Tekst 5

De dieren renden in paniek de wei uit, o Koning, terwijl de mensen allen 'Krishna Krishna!' [roepend] Govinda opzochten voor hun bescherming.

The domestic animals fled the pasture in fear, O King, and all the inhabitants rushed to Lord Govinda for shelter, crying, "Krishna, Krishna!" (Vedabase)

 

Tekst 6

De Allerhoogste Heer, toen Hij zag hoe de hele koeherdersgemeente moedeloos in angst was weggevlucht, kalmeerde ze met de woorden 'wees niet bang' en riep naar de stier-demon:

When the Supreme Lord saw the cowherd community distraught and fleeing in fear, He calmed them, saying, "Don't be afraid." Then He called out to the bull demon as follows. (Vedabase)

 

Tekst 7

'Jij suf kwaadaardig beest, hoe waag je het in de aanwezigheid van Mij, de bestraffer van valse onverlaten als jij, dit koeherdersvolk en hun beesten zo bang te maken?!'

You fool! What do you think you're doing, you wicked rascal, frightening the cowherd community and their animals when I am here just to punish corrupt miscreants like you! (Vedabase)

 

Tekst 8

Acyuta, de Heer, aldus zich uitlatend sloeg Zich op de armen om Arishtha kwaad te krijgen met het geluid van Zijn handpalmen en nam er een houding bij aan waarin Hij Zijn slangenarm over de schouder van een vriend gooide.

Having spoken these words, the infallible Lord Hari slapped His arms with His palms, further angering Arishtha with the loud sound. The Lord then casually threw His mighty, serpentine arm over the shoulder of a friend and stood facing the demon. (Vedabase)

 

Tekst 9

En inderdaad kreeg Hij op die manier Arishtha kwaad die furieus over de aarde schraapte met zijn hoef en Krishna [toen] met zijn staart naar de wolken opgeheven aanviel.

Thus provoked, Arishtha pawed the ground with one of his hooves and then, with the clouds hovering around his upraised tail, furiously charged Krishna. (Vedabase)

 

Tekst 10

Bloeddorstig vanuit zijn ooghoeken starend stormde hij met zijn hoorns recht naar voren op Krishna af, als was hij een bliksemschicht losgelaten door Indra.

 Pointing the tips of his horns straight ahead and glaring menacingly at Lord Krishna from the corners of his bloodshot eyes, Arishtha rushed toward Him at full speed, like a thunderbolt hurled by Indra. (Vedabase)

 

Tekst 11

De Opperheer echter greep hem als een rivaliserende olifant bij de horens vast en wierp hem zes meter naar achteren.

The Supreme Lord Krishna seized Arishthâsura by the horns and threw him back eighteen steps, just as an elephant might do when fighting a rival elephant. (Vedabase)

 

Tekst 12

Afgeweerd viel hij, zich snel weer herstellend, zwetend over heel zijn lijf opnieuw aan, waarbij hij geestloos in zijn woede zwaar ademde.

Thus repulsed by the Supreme Lord, the bull demon got up and, breathing hard and sweating all over his body, again charged Him in a mindless rage. (Vedabase)

 

Tekst 13

In zijn aanval werd hij bij de hoorns gegrepen en liet Hij hem met Zijn voet struikelen, zodat hij als een natte dweil tegen de grond klapte. Daarna sloeg Hij op hem in met zijn eigen [afgebroken] hoorn totdat hij plat ging.

As Arishtha attacked, Lord Krishna seized him by the horns and knocked him to the ground with His foot. The Lord then thrashed him as if he were a wet cloth, and finally He yanked out one of the demon's horns and struck him with it until he lay prostrate. (Vedabase)

   

 Tekst 14

Bloed spuwend, een lading urine en ontlasting uitscheidend en met zijn poten trappelend vertrok hij toen in pijn met rollende ogen naar het bereik van de Dood. De goden strooiden daarop bloemen over Krishna uit in aanbidding.

Vomiting blood and profusely excreting stool and urine, kicking his legs and rolling his eyes about, Arishthâsura thus went painfully to the abode of Death. The demigods honored Lord Krishna by scattering flowers upon Him. (Vedabase)

 

Tekst 15

Op die manier de dik gebulte ter dood brengend betrad Hij, dat feest voor de gopî's hun ogen, onder de lofprijzingen van de tweemaal geborenen, met Balarâma het koeherdersdorp.

Having thus killed the bull demon Arishtha, He who is a festival for the gopîs' eyes entered the cowherd village with Balarâma. (Vedabase)

 

Tekst 16

Met de demon Arishtha gedood door de Wonderdoener Krishna, richtte zich toen tot Kamsa de machtige Nârada die de visie van God gegeven was [zie 1.6: 25-29]:

After Arishthâsura had been killed by Krishna, who acts wonderfully, Nârada Muni went to speak to King Kamsa. That powerful sage of godly vision addressed the King as follows. (Vedabase)

 

Tekst 17

'Het meisje van Devakî is Yas'odâ's dochter en Krishna en ook Balarâma, de zoon van Rohinî, zijn van Vasudeva, die beducht Hen bij zijn vriend Nanda onderbracht; zij waren de twee die feitelijk uw mannen ter dood brachten.'

[Nârada told Kamsa:] Yas'odâ's child was actually a daughter, and Krishna is the son of Devakî. Also, Râma is the son of Rohinî. Out of fear, Vasudeva entrusted Krishna and Balarâma to his friend Nanda Mahârâja, and it is these two boys who have killed your men. (Vedabase)

 

Tekst 18

Toen hij dat hoorde greep de heer van Bhoja, buiten zinnen van woede, naar een scherp zwaard om Vasudeva ter dood te brengen.

Upon hearing this, the master of the Bhojas became furious and lost control of his senses. He picked up a sharp sword to kill Vasudeva. (Vedabase)

 

Tekst 19

Nârada hield Kamsa tegen [door te zeggen] dat Vasudeva's twee zoons de oorzaak van zijn dood zouden zijn en met dat in gedachten sloeg hij toen hem en zijn vrouw in ijzeren ketenen [zie ook 10.1: 64-69].

But Nârada restrained Kamsa by reminding him that it was the two sons of Vasudeva who would cause his death. Kamsa then had Vasudeva and his wife shackled in iron chains. (Vedabase)

 

Tekst 20

Toen de deva-rishi vervolgens wegging richtte Kamsa zich tot de demon Kes'î om hem op pad te sturen: 'Jij bent degene aangewezen om die twee, Râma en Kes'ava, te doden'.

After Nârada left, King Kamsa summoned Kes'î and ordered him, "Go kill Râma and Krishna." (Vedabase)

 

Tekst 21

Daarop ontbood hij Mushthika, Cânûra, S'ala, Tos'ala en dergelijken, zijn ministers en zijn olifantenverzorgers, tot wie de koning van Bhoja zei:

The King of the Bhojas next called for his ministers, headed by Mushthika, Cânûra, S'ala and Tos'ala, and also for his elephant-keepers. The King addressed them as follows. (Vedabase)

 

Tekst 22-23

'Beste maten, Mushthika en Cânûra, luister alsjeblieft goed naar wat ik je te zeggen heb. Het blijkt het koeherdersdorp van Nanda te zijn waar de twee zoons van Ânakadundubhi zich ophouden. Mijn dood werd voorspeld zich te voltrekken door [het ingrijpen van] Krishna en Balarâma. Als we Ze zo ver krijgen hier te komen voor een worstelwedstrijd moeten jullie Ze doden.

My dear heroic Cânûra and Mushthika, please hear this. Râma and Krishna, the sons of Ânakadundubhi [Vasudeva], are living in Nanda's cowherd village. It has been predicted that these two boys will be the cause of my death. When They are brought here, kill Them on the preTekst of engaging Them in a wrestling match. (Vedabase)

 

Tekst 24

Bouw een ring en verschillende tribunes eromheen - alle onderdanen van binnen en buiten de stad moeten er getuige van zijn hoe Zij uit eigen beweging deelnamen aan de wedstrijd.

Erect a wrestling ring with many surrounding viewing stands, and bring all the residents of the city and the outlying districts to see the open competition. (Vedabase)

 

Tekst 25

O olifantenverzorger, door jou mijn beste kerel, moet de olifant Kuvalayâpîda naar de ingang van het strijdperk worden gebracht waar mijn vijanden moeten worden vernietigd.

You, elephant-keeper, my good man, should position the elephant Kuvalayâpîda at the entrance to the wrestling arena and have him kill my two enemies. (Vedabase)

 

Tekst 26

Begin met het volgens de voorschriften houden van het boogoffer op de veertiende [Caturdas'î] van de maand en breng een zoenoffer met de daartoe geëigende dieren voor de Heer der Geesten [S'iva], de genadige.'

Commence the bow sacrifice on the Caturdas'î day in accordance with the relevant Vedic injunctions. In ritual slaughter offer the appropriate kinds of animals to the magnanimous Lord S'iva. (Vedabase)

 

Tekst 27

Met het aldus geven van zijn opdrachten riep hij, slim als hij was in de kunst van het behalen van zijn voordeel, Akrûra ['hij die niet wreed is'], de meest eminente Yadu, bij zich. Hij nam zijn hand in de zijne en zei:

Having thus commanded his ministers, Kamsa next called for Akrûra, the most eminent of the Yadus. Kamsa knew the art of securing personal advantage, and thus he took Akrûra's hand in his own and spoke to him as follows. (Vedabase)

 

Tekst 28

'Beste meester der liefdadigheid, alstublieft verleen me een gunst. Met alle respect, er is niemand onder de Bhoja's en Vrishni's te vinden die zo genadig is als u.

My dear Akrûra, most charitable one, please do me a friendly favor out of respect. Among the Bhojas and Vrishnis, there is no one else as kind to us as you. (Vedabase)

 

Tekst 29

Derhalve verlaat ik me op u, o allervriendelijkste, u kwijt zich altijd nuchter van uw taken, net als Indra, de machtige koning van de hemel, die zijn doelen bereikte door zijn toevlucht te zoeken bij Heer Vishnu.

Gentle Akrûra, you always carry out your duties soberly, and therefore I am depending on you, just as powerful Indra took shelter of Lord Vishnu to achieve his goals. (Vedabase)

 

Tekst 30

Ga naar Nanda's koeherdersdorp alwaar de twee zoons van Ânakadundubhi leven en breng Ze onverwijld naar hier op deze wagen.

Please go to Nanda's village, where the two sons of Ânakadundubhi are living, and without delay bring Them here on this chariot. (Vedabase)

 

Tekst 31

Zij tweeën zijn, door de goden die de bescherming genieten van Vishnu, erop uitgestuurd op mijn dood te veroorzaken; breng Ze samen met de gopa's onder de leiding van Nanda naar hier, en laat Ze de nodige eerbewijzen meebrengen.

The demigods, who are under the protection of Vishnu, have sent these two boys as my death. Bring Them here, and also have Nanda and the other cowherd men come with gifts of tribute. (Vedabase)

 

Tekst 32

Hierheen gebracht zal ik Ze door de olifant die zo machtig is als de tijd zelve laten doden, en als Ze daaraan ontkomen, dan zullen mijn worstelaars zo sterk als de bliksem Ze de wereld uithelpen.

After you bring Krishna and Balarâma, I will have Them killed by my elephant, who is as powerful as death itself. And if by chance They escape from him, I will have Them killed by my wrestlers, who are as strong as lightning. (Vedabase)

 

Tekst 33

En als Zij tweeën dood zijn zal ik de getroffen verwanten van wie Vasudeva de leider is ter dood brengen: de Vrishni's, de Bhoja's, en de Das'ârha's [zie nogmaals 10.1: 67].

When these two have been killed, I will kill Vasudeva and all Their lamenting relatives - the Vrishnis, Bhojas and Das'ârhas. (Vedabase)

 

Tekst 34

En zo zal ik ook mijn oude vader Ugrasena te pakken nemen die zo begeertig is op het koninkrijk en zijn broer Devaka en mijn andere vijanden.

I will also kill my old father, Ugrasena, who is greedy for my kingdom, and I will kill his brother Devaka and all my other enemies as well. (Vedabase)

 

Tekst 35

En op die manier, o vriend, zullen die doornen in deze wereld worden vernietigd.

Then, my friend, this earth will be free of thorns. (Vedabase)

 

Tekst 36

Met mijn oudere verwant [schoonvader] Jarâsandha en mijn vriend Dvivida en S'ambara, Naraka en Bâna, die inderdaad een sterke vriendschap voor mij koesteren, zal ik, al die samenzweerders van sura-koningen om zeep helpend, deze aarde genieten.

My elder relative Jarâsandha and my dear friend Dvivida are solid well- wishers of mine, as are S'ambara, Naraka and Bâna. I will use them all to kill off those kings who are allied with the demigods, and then I will rule the earth. (Vedabase)

 

Tekst 37

En nu met deze wetenschap, breng snel de jonge knapen Râma en Krishna naar hier om de boogplechtigheid bij te wonen en de glorie van de Yaduhoofdstad [Mathurâ] te respecteren.'

Now that you understand my intentions, please go at once and bring Krishna and Balarâma to watch the bow sacrifice and see the opulence of the Yadus' capital. (Vedabase)

 

Tekst 38

S'rî Akrûra zei: 'O Koning, aan uw manier van denken om het ongewenste uit te zuiveren mankeert helemaal niets; men moet handelen zonder een verschil te maken tussen de volmaakten en de onvolmaakten, het is per slot van rekenig het lot dat alle resultaten bepaalt.

S'rî Akrûra said: O King, you have expertly devised a process to free yourself of misfortune. Still, one should be equal in success and failure, since it is certainly destiny that produces the results of one's work. (Vedabase)

 

Tekst 39

De gewone man, hoewel geplaagd door het lot, handelt verbeten naar zijn verlangens en loopt op tegen geluk en leed. Niettemin zal ik handelen naar uw opdracht.'

An ordinary person is determined to act on his desires even when fate prevents their fulfillment. Therefore he encounters both happiness and distress. Yet even though such is the case, I will execute your order. (Vedabase)

 

Tekst 40

S'rî S'uka zei: 'Aldus Akrûra instruerend en ook zijn ministers wegsturend ging Kamsa zijn vertrekken binnen en keerde Akrûra terug naar zijn eigen verblijfplaats.'

S'ukadeva Gosvâmî said: Having thus instructed Akrûra, King Kamsa dismissed his ministers and retired to his quarters, and Akrûra returned home. (Vedabase)

 

 

 

 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties