regelbalk


 

Canto 5

Jaya Râdhâ Mâdhava 1

 

Hoofdstuk 9: Het Verheven Karakter van Jada Bharata

(1-2) S'rî S'uka zei: 'Nadat hij zijn leven in het lichaam van een hert had opgegeven verkreeg Bharata, de meest verheven toegewijde en hoogst vereerde van alle heilige koningen, zijn laatste lichaam als een brahmaan zo wordt gezegd. Als het mannelijk kind van een tweeling broer en zus werd hij geboren uit de tweede echtgenote van een van de brahmanen van de lijn van de heilige Angirâ die was begiftigd met de kwaliteiten van een volmaakte beheersing over geest en zinnen, die van boetvaardigheid was, vedische studie en recitatie, van verzaking, tevredenheid, tolerantie, zachtgeaardheid, kennis, zonder afgunst was en van spirituele gelukzaligheid in de wijsheid van de ziel; bij zijn eerste vrouw had hij negen zonen die qua scholing, karakter, gedrag, schoonheid en grootmoedigheid gelijk waren aan hem. (3) Zich ook in die geboorte dankzij de speciale genade van de Heer zijn voorgaande levens herinnerend, was hij, er zeer beducht op niet nogmaals ten val te komen in de omgang met zijn dierbaren, altijd bang dat hij zou worden gehinderd op het pad van de toegewijde dienst en hield hij zijn geest dicht bij zijn ziel door altijd te denken aan de twee lotusvoeten van de Allerhoogste Heer, luisterend naar en zich de beschrijvingen heugend van de kwaliteiten die de gebondenheid aan baatzuchtige arbeid overwinnen; maar voor de mensen in zijn omgeving gaf hij blijk van zichzelf als behept zijnde met het karakter van een gek, een dwaas en iemand blind voor de werkelijkheid [reden waarom hij Jada werd genoemd]. (4) Zijn brahmaanse vader die zich voorzeker emotioneel verplicht voelde jegens zijn zoon, meende dat hij, als een vader naar zijn zoon toe, hem erin behoorde te onderrichten, ookal had hij er geen oren naar, dat daadwerkelijk de regulerende beginselen moesten worden nageleefd, zodat hij opnieuw, tot het einde van zijn schooljaren, als iemand van de heilige draad, de plichten van reinheid zou beoefenen van het zuiveringsproces zoals voorgeschreven door de s'âstra's. (5) Maar ook voor zijn vader deed hij alsof hij geen zier kon begrijpen van wat er werd onderwezen. Gedurende de vier maanden van de zomer wenste hij het hem te onderrichten in de vedische mantra's met inbegrip van de Gâyatrî voorafgegaan door Omkâra, maar hij slaagde, ondanks de volle studie ervan, er niet in hem de volledige beheersing ervan bij te brengen. (6) Aldus denkend dat zijn zoon, hoewel hij er niet naar taalde, door hemzelf ten volle zou moeten worden onderwezen in al de reinheid, de vedische studie, geloften, principes, offers en dienst aan de goeroe die hoort bij de celibataire staat [de brahmacarya-âs'rama], was de brahmaan, in dezen zijn zoon beschouwend als zijn ziel en zaligheid, in werkelijkheid zelf zwaar gehecht aan zijn thuis zodat, in de loop van de niet zo vergeetachtige tijd, hij van deze wereld afscheid moest nemen als een man gefrustreerd over de ongeschikte opstandigheid van zijn zoon. (7) Nadien vertrouwde de jongste vrouw, uit wiens baarmoeder de tweeling ter wereld kwamen, de zorg voor hen toe aan de eerste echtgenote en volgde ze haar man naar zijn verblijf in het hiernamaals [Patiloka].

(8) Na de dood van de vader stopten de stiefbroers van Jada Bharata, die er met de drie Veda's goed in waren geslaagd hun weg te vinden met de rituelen en met hun trage geesten er geen idee van hadden hoe hoog hij stond, met de onderneming hun broer te onderrichten. (9-10) Zoals hij door de tweebenige, dier-gelijke materialisten werd aangesproken als zijnde een gek, een sufferd, een doveman en een stomkop, was hij het gewoon ook in die termen zijn antwoorden te geven. Hij deed de dingen die hem met geweld werden opgedragen om te doen. Hij at altijd welke grote of kleine hoeveelheid smakelijk of smakeloos voedsel hij ook kreeg door te bedelen, door verdienste of wat vanzelf tot hem kwam. Hij leefde nooit voor het genoegen van zijn zinnen daar hij voor altijd was gestopt te leven voor de materiële bedoeling. Uit zichzelf had hij de bovenzinnelijke gelukzalige visie verworven als iemand in de kennis van het ware zelf, die met de tweevoudige aangelegenheid van geluk en ongeluk, zomer en winter, wind en regen, zichzelf niet identificeerde met het lichaam. Ferm van leden bedekte hij, sterk als een stier, nooit zijn lichaam. Zich niet wassend was hij smerig van het liggen op de grond en masseerde hij zijn lichaam nimmer. Met zijn lendenen bedekt door een vuile lap en met een van vuil zwarte heilige draad, was hij in zijn spirituele schittering als een verborgen edelsteen. Hij zwierf rond onder de minachting van het onwetende volk dat hem, als brahmaan van geboorte, enkel een vriend van hen noemde ['brahma-bandu']. (11) Daar hij alleen maar omkeek naar arbeid om in ruil voedsel te krijgen van anderen, zetten zelfs zijn stiefbroers hem aan het werk met boerenarbeid in de velden - een karwei waarin hij er geen idee van had van wat zou moeten vereffend of uitgegraven of waar hij de zaken diende op te stapelen. Gewoonlijk enkel gebroken rijst etend, oliekoeken, kaf, door wormen aangevreten graan, of verbrande rijst die aan de pan kleefde, was het niettemin allemaal nectar voor hem.

(12) Daaropvolgend, na een zekere tijd, dook er een roofzuchtig leider van de arbeidersklasse op die uitzag naar een mensenzoon die, niet beter zijnd dan een dier, hij kon gebruiken om een offerplechtigheid te houden voor de godin Bhadra Kâlî. (13) Het soort van beest dat hij had, had kans gezien te ontsnappen en zijn volgelingen die op pad waren het te vinden konden, in het holst van de nacht temidden van de duisternis, het dierlijke type niet te pakken krijgen. Door het lot voorbeschikt stuitten ze op de brahmaanse zoon uit de lijn van Angirâ, die vanaf een hoger gelegen positie de velden bewaakte tegen herten en wilde zwijnen en dergelijke. (14) Toen ze vervolgens ontdekten dat hij er het goede karakter voor had namen ze, met opgetogen en stralende gezichten omdat ze begrepen hadden hoe ze tot het werk van hun meester konden bijdragen, hem stevig met touwen vastgebonden met zich mee naar de tempel van de godin. (15) Toen staken de volgelingen van de schurk, overeenkomstig hun eigen gebruiken hem in nieuwe kleren en wasten ze hem, bedekten ze zijn lichaam met sieraden, smeerden ze hem in met sandelhoutpasta en omhingen ze hem met bloemen zodat hij als een diergelijke persoon, klaar was voor het offer. Onder de klanken van liederen, gebeden, trommels en trompetten, gaven ze hem een plaats voor de godin Kâlî, volledig uitgedost en naar behoren gevoed, met wierook, lampen, bloemenslingers, geweekte granen, twijgen en jong groen, vruchten en andere artikelen voor de eredienst. (16) Daarop hief de priester van die leider van het boeventuig, zich in voorbereiding op het offeren van een stroom bloed van de diermens voor de beeltenis van Bhadra Kâlî, een schrikwekkend vlijmscherp zwaard, dat hij heiligde met de daarvoor bestemde mantra's. (17) Door een hartstochtelijke en onwetende aard werden deze verwerpelijke types, die het materialistisch verbijsterd mis hadden, voortgedreven door geesten vol van verbeelding, zodat, in het op hun eigen manier bewandelen van een foute weg, de gemeenschap der helden van de Opperheer, de brahmanen, geminacht werd. Tewerkgaand met een voorkeur voor geweld jegens anderen traden ze allerwreedst rechtstreeks op tegen iemand van een brahmaanse geboorte, een zoon van spirituele wijsheid die geen vijanden had en die een ieder het beste wenste. Op het laatste moment echter brak zowaar de godin Bhadra Kâlî, die zag wat tegen de wil van God en in strijd met de wet stond te gebeuren, uit het beeld tevoorschijn met een vurige fysieke verschijning van een bovenmatig helle, onverdraaglijke, spirituele gloed. (18) Kwaad geworden vertoonde ze in totale weerzin haar kenmerken van geheven wenkbrauwen, een vreselijk gebit, bloeddoorlopen ogen, een opgewonden beangstigend gezicht alsof ze het hele universum wilde vernietigen en een afgrijselijke lach. Door haar grote woede vrijgekomen, sloeg ze, van het altaar afkomend, met hetzelfde staal als ze wilden gebruiken de hoofden van al de zondige overtreders eraf en dronk ze samen met haar metgezellen, het bloed dat uit de nekken stroomde als een zeer hete bedwelmende drank. Onder de invloed van al het bedwelmende drinken zette ze het met haar volgelingen luidkeels op een zingen en dansen, en wierpen ze voor de lol de hoofden naar elkaar.

(19) Als men op deze manier daadwerkelijk in afgunst met de groten te ver is gegaan, zal men bijkomstig voor zichzelf dit als resultaat oogsten. (20) Oh, Vishnudatta ['beschermd door Vishnu'; Parîkchit], dit is geen groot wonder voor hen die niet verbijsterd zijn, die zonder vijandschap en van goedheid voor allen, door de Allerhoogste Heer der onoverwinnelijke tijd, die de beste van alle wapenen met zich voert [de Sudars'ana schijf], rechtstreeks volledig zijn vrijgemaakt van de zeer sterke en vaste knoop in het hart van een lichamelijk levensbegrip. Zelfs al zijn ze bedreigd met onthoofding, hebben die verloste zielen en toegewijden die van een volledige overgave zijn en die zijn beschermd door Zijn lotusvoeten, niets te vrezen en zijn ze nimmer van slag door dit soort van stemmingen van de Goddelijkheid. 
       

      

next                     

 
Tweede editie, geladen 24 januari 2007
 

 

 

Vorige Aadhar-editie en Vedabase links:

 

Tekst 1-2

S'rî S'uka zei: 'Nadat hij zijn leven in het lichaam van een hert had opgegeven verkreeg Bharata, de meest verheven toegewijde en hoogst vereerde van alle heilige koningen, zijn laatste lichaam als een brahmaan zo wordt gezegd. Als het mannelijk kind van een tweeling broer en zus werd hij geboren uit de tweede echtgenote van een van de brahmanen van de lijn van de heilige Angirâ die was begiftigd met de kwaliteiten van een volmaakte beheersing over geest en zinnen, die van boetvaardigheid was, vedische studie en recitatie, van verzaking, tevredenheid, tolerantie, zachtgeaardheid, kennis, zonder afgunst was en van spirituele gelukzaligheid in de wijsheid van de ziel; bij zijn eerste vrouw had hij negen zonen die qua scholing, karakter, gedrag, schoonheid en grootmoedigheid gelijk waren aan hem.

S'rî S'uka zei: 'Nadat hij zijn leven in het lichaam van een hert had opgegeven verkreeg Bharata, de meest verheven toegewijde en hoogst vereerde van alle heilige koningen, zijn laatste lichaam als een brahmaan zo wordt gezegd. Als het mannelijk kind van een tweeling broer en zus werd hij geboren uit de tweede echtgenote van een van de brahmanen van de lijn van de heilige Angirâ die was begiftigd met de kwaliteiten van een volmaakte beheersing over geest en zinnen, die van boetvaardigheid was, vedische studie en recitatie, van verzaking, tevredenheid, tolerantie, zachtgeaardheid, kennis, zonder afgunst was en van spirituele gelukzaligheid in de wijsheid van de ziel; bij zijn eerste vrouw had hij negen zonen die qua scholing, karakter, gedrag, schoonheid en grootmoedigheid gelijk waren aan hem. (Vedabase)

 

Tekst 3

Zich ook in die geboorte dankzij de speciale genade van de Heer zijn voorgaande levens herinnerend, was hij, er zeer beducht op niet nogmaals ten val te komen in de omgang met zijn dierbaren, altijd bang dat hij zou worden gehinderd op het pad van de toegewijde dienst en hield hij zijn geest dicht bij zijn ziel door altijd te denken aan de twee lotusvoeten van de Allerhoogste Heer, luisterend naar en zich de beschrijvingen heugend van de kwaliteiten die de gebondenheid aan baatzuchtige arbeid overwinnen; maar voor de mensen in zijn omgeving gaf hij blijk van zichzelf als behept zijnde met het karakter van een gek, een dwaas en iemand blind voor de werkelijkheid [reden waarom hij Jada werd genoemd].

Zich ook in die geboorte dankzij de speciale genade van de Heer zijn voorgaande levens herinnerend, was hij, er zeer beducht op niet nogmaals ten val te komen in de omgang met zijn dierbaren, altijd bang dat hij zou worden gehinderd op het pad van de toegewijde dienst en hield hij zijn geest dicht bij zijn ziel door altijd te denken aan de twee lotusvoeten van de Allerhoogste Heer, luisterend naar en zich de beschrijvingen heugend van de kwaliteiten die de gebondenheid aan baatzuchtige arbeid overwinnen; maar voor de mensen in zijn omgeving gaf hij blijk van zichzelf als behept zijnde met het karakter van een gek, een dwaas en iemand blind voor de werkelijkheid [reden waarom hij Jada werd genoemd]. (Vedabase)

 

Tekst 4

Zijn brahmaanse vader die zich voorzeker emotioneel verplicht voelde jegens zijn zoon, meende dat hij, als een vader naar zijn zoon toe, hem erin behoorde te onderrichten, ookal had hij er geen oren naar, dat daadwerkelijk de regulerende beginselen moesten worden nageleefd, zodat hij opnieuw, tot het einde van zijn schooljaren, als iemand van de heilige draad, de plichten van reinheid zou beoefenen van het zuiveringsproces zoals voorgeschreven door de s'âstra's.

Zijn brahmaanse vader die zich voorzeker emotioneel verplicht voelde jegens zijn zoon, meende dat hij als een vader naar zijn zoon toe hem erin behoorde te onderrichten, ook al wilde hij dat niet, dat daadwerkelijk de regulerende beginselen moesten worden nageleefd, zodat tot het einde van zijn schooljaren hij opnieuw, als iemand van de heilige draad, de plichten van reinheid zou beoefenen van het zuiveringsproces zoals voorgeschreven door de s'âstra's. (Vedabase)

 

Tekst 5

Maar ook voor zijn vader deed hij alsof hij geen zier kon begrijpen van wat er werd onderwezen. Gedurende de vier maanden van de zomer wenste hij het hem te onderrichten in de vedische mantra's met inbegrip van de Gâyatrî voorafgegaan door Omkâra, maar hij slaagde, ondanks de volle studie ervan, er niet in hem de volledige beheersing ervan bij te brengen.

Maar ook voor zijn vader deed hij alsof hij geen zier kon begrijpen van wat er werd onderwezen. Gedurende de vier maanden van de zomer wenste hij het hem te onderrichten in de vedische mantra's als ook in de Gâyatrî voorafgegaan door Omkâra, maar hij slaagde, ondanks de volle studie ervan, er niet in hem de volledige beheersing ervan bij te brengen. (Vedabase)

 

Tekst 6

Aldus denkend dat zijn zoon, hoewel hij er niet naar taalde, door hemzelf ten volle zou moeten worden onderwezen in al de reinheid, de vedische studie, geloften, principes, offers en dienst aan de goeroe die hoort bij de celibataire staat [de brahmacarya-âs'rama], was de brahmaan, in dezen zijn zoon beschouwend als zijn ziel en zaligheid, in werkelijkheid zelf zwaar gehecht aan zijn thuis zodat, in de loop van de niet zo vergeetachtige tijd, hij van deze wereld afscheid moest nemen als een man gefrustreerd over de ongeschikte opstandigheid van zijn zoon.

Aldus denkend dat zijn zoon, hoewel hij er niet naar taalde, door hemzelf ten volle zou moeten worden onderwezen in al de reinheid, de vedische studie, geloften, principes, offers en dienst aan de goeroe die hoort bij de celibataire staat [de brahmacarya-âs'rama], was de brahmaan, in dezen zijn zoon beschouwend als zijn ziel en zaligheid, in werkelijkheid zelf zwaar gehecht aan zijn thuis zodat in de loop van de niet zo vergeetachtige tijd hij van deze wereld afscheid moest nemen als een man gefrustreerd over de ongeschikte opstandigheid van zijn zoon. (Vedabase)

 

Tekst 7

Nadien vertrouwde de jongste vrouw, uit wiens baarmoeder de tweeling ter wereld kwamen, de zorg voor hen toe aan de eerste echtgenote en volgde ze haar man naar zijn verblijf in het hiernamaals [Patiloka].

Nadien vertrouwde de jongste vrouw, uit wiens baarmoeder de tweeling ter wereld kwamen, de zorg voor hen toe aan de eerste echtgenote en volgde ze haar man naar het bereik van hem in een volgend leven [Patiloka]. (Vedabase)

 

Tekst 8

Na de dood van de vader stopten de stiefbroers van Jada Bharata, die er met de drie Veda's goed in waren geslaagd hun weg te vinden met de rituelen en met hun trage geesten er geen idee van hadden hoe hoog hij stond, met de onderneming hun broer te onderrichten.

Na de dood van de vader stopten de stiefbroers van Jada Bharata, die er met de drie Veda's goed in waren geslaagd hun weg te vinden met de rituelen en met hun trage geesten er geen idee van hadden hoe hoog hij stond, met de onderneming hun broer te onderrichten. (Vedabase)

 

Tekst 9-10

Zoals hij door de tweebenige, dier-gelijke materialisten werd aangesproken als zijnde een gek, een sufferd, een doveman en een stomkop, was hij het gewoon ook in die termen zijn antwoorden te geven. Hij deed de dingen die hem met geweld werden opgedragen om te doen. Hij at altijd welke grote of kleine hoeveelheid smakelijk of smakeloos voedsel hij ook kreeg door te bedelen, door verdienste of wat vanzelf tot hem kwam. Hij leefde nooit voor het genoegen van zijn zinnen daar hij voor altijd was gestopt te leven voor de materiële bedoeling. Uit zichzelf had hij de bovenzinnelijke gelukzalige visie verworven als iemand in de kennis van het ware zelf, die met de tweevoudige aangelegenheid van geluk en ongeluk, zomer en winter, wind en regen, zichzelf niet identificeerde met het lichaam. Ferm van leden bedekte hij, sterk als een stier, nooit zijn lichaam. Zich niet wassend was hij smerig van het liggen op de grond en masseerde hij zijn lichaam nimmer. Met zijn lendenen bedekt door een vuile lap en met een van vuil zwarte heilige draad, was hij in zijn spirituele schittering als een verborgen edelsteen. Hij zwierf rond onder de minachting van het onwetende volk dat hem, als brahmaan van geboorte, enkel een vriend van hen noemde ['brahma-bandu'].

Zoals hij door de tweebenige, dier-gelijke materialisten werd aangesproken als zijnde een gek, een sufferd, een doveman en een stomkop, was hij het gewoon ook in die termen zijn antwoorden te geven. Hij deed de dingen die hem met geweld werden opgedragen om te doen. Hij at altijd welke grote of kleine hoeveelheid smakelijk of smakeloos voedsel hij ook kreeg door te bedelen, door verdienste of wat hij vanzelf kreeg. Hij leefde nooit voor het genoegen van zijn zinnen daar hij voor altijd was gestopt te leven voor de materiële bedoeling. Uit zichzelf had hij de bovenzinnelijke gelukzalige visie verworven als iemand in de kennis van het ware zelf, die met de tweevoudige aangelegenheid van geluk en ongeluk, zomer en winter, wind en regen, zichzelf niet identificeerde met het lichaam. Ferm van leden bedekte hij, sterk als een stier, nooit zijn lichaam. Zich niet wassend was hij smerig van het liggen op de grond en masseerde hij zijn lichaam nimmer. Met zijn lendenen bedekt door een vuile lap en met een van vuil zwarte heilige draad, was hij in zijn spirituele schittering als een verborgen edelsteen. Hij zwierf rond onder minachting van het onwetende volk dat hem, als brahmaan van geboorte, enkel een vriend ervan noemde ['brahma-bandu']. (Vedabase)

 

Tekst 11

Daar hij alleen maar omkeek naar arbeid om in ruil voedsel te krijgen van anderen, zetten zelfs zijn stiefbroers hem aan het werk met boerenarbeid in de velden - een karwei waarin hij er geen idee van had van wat zou moeten vereffend of uitgegraven of waar hij de zaken diende op te stapelen. Gewoonlijk enkel gebroken rijst etend, oliekoeken, kaf, door wormen aangevreten graan, of verbrande rijst die aan de pan kleefde, was het niettemin allemaal nectar voor hem.

Daar hij alleen maar omkeek naar arbeid om in ruil voedsel te krijgen van anderen, zetten zelfs zijn stiefbroers hem aan het werk met boerenarbeid in de velden - iets waarmee hij er geen idee van had van wat zou moeten vereffend of uitgegraven of waar hij de zaken diende op te stapelen. Gewoonlijk enkel gebroken rijst etend, oliekoeken, kaf, door wormen aangevreten graan, of verbrande rijst die aan de pan kleefde, was het niettemin allemaal nektar voor hem. (Vedabase)

 

Tekst 12

Daaropvolgend, na een zekere tijd, dook er een roofzuchtig leider van de arbeidersklasse op die uitzag naar een mensenzoon die, niet beter zijnd dan een dier, hij kon gebruiken om een offerplechtigheid te houden voor de godin Bhadra Kâlî.

Daarop volgend, na een zekere tijd, kwam er daar een roofzuchtig leider van de arbeidersklasse die uitzag naar een mensenzoon niet beter dan een dier om een offerplechtigheid te houden voor de godin Bhadra Kâlî. (Vedabase)

 

Tekst 13

Het soort van beest dat hij had, had kans gezien te ontsnappen en zijn volgelingen die op pad waren het te vinden konden, in het holst van de nacht temidden van de duisternis, het dierlijke type niet te pakken krijgen. Door het lot voorbeschikt stuitten ze op de brahmaanse zoon uit de lijn van Angirâ, die vanaf een hoger gelegen positie de velden bewaakte tegen herten en wilde zwijnen en dergelijke.

Het soort van beest dat hij had, had kans gezien te ontsnappen en zijn volgelingen die op pad waren het te vinden konden, in het holst van de nacht temidden van de duisternis, het dierlijke type niet te pakken krijgen. Door het lot voorbeschikt stuitten ze op de brahmaanse zoon uit de lijn van Angirâ, die vanaf een hoger gelegen positie de velden bewaakte tegen herten en wilde zwijnen en dergelijke. (Vedabase)

 

Tekst 14

Toen ze vervolgens ontdekten dat hij er het goede karakter voor had namen ze, met opgetogen en stralende gezichten omdat ze begrepen hadden hoe ze tot het werk van hun meester konden bijdragen, hem stevig met touwen vastgebonden met zich mee naar de tempel van de godin.

Toen ze vervolgens ontdekten dat hij er het goede karakter voor had namen ze, met opgetogen en stralende gezichten omdat ze begrepen hadden hoe ze tot het werk van hun meester konden bijdragen, hem stevig met touwen vastgebonden met zich mee naar de tempel van de godin. (Vedabase)

 

Tekst 15

Toen staken de volgelingen van de schurk, overeenkomstig hun eigen gebruiken hem in nieuwe kleren en wasten ze hem, bedekten ze zijn lichaam met sieraden, smeerden ze hem in met sandelhoutpasta en omhingen ze hem met bloemen zodat hij als een diergelijke persoon, klaar was voor het offer. Onder de klanken van liederen, gebeden, trommels en trompetten, gaven ze hem een plaats voor de godin Kâlî, volledig uitgedost en naar behoren gevoed, met wierook, lampen, bloemenslingers, geweekte granen, twijgen en jong groen, vruchten en andere artikelen voor de eredienst.

Toen staken de volgelingen van de schurk, overeenkomstig hun eigen gebruiken hem in nieuwe kleren en wasten ze hem, bedekten ze zijn lichaam met sieraden, smeerden ze hem in met sandelhoutpasta en omhingen ze hem met bloemen zodat hij als een diergelijke persoon, klaar was voor het offer. Onder de klanken van liederen, gebeden, trommels en trompetten, gaven ze hem een plaats voor de godin Kâli, volledig uitgedost en naar behoren gevoed, met wierook, lampen, bloemenslingers, geweekte granen, twijgen en jong groen, vruchten en andere artikelen voor de eredienst. (Vedabase)
 
Tekst 16

Daarop hief de priester van die leider van het boeventuig, zich in voorbereiding op het offeren van een stroom bloed van de diermens voor de beeltenis van Bhadra Kâlî, een schrikwekkend vlijmscherp zwaard, dat hij heiligde met de daarvoor bestemde mantra's.

Daarop hief de priester van die leider van het boeventuig, zich in voorbereiding op het offeren van een stroom bloed van de diermens voor de godheid Bhadra Kâlî, een schrikwekkend vlijmscherp zwaard, dat hij heiligde met de daarvoor bestemde mantra's. (Vedabase)

 

Tekst 17

Door een hartstochtelijke en onwetende aard werden deze verwerpelijke types, die het materialistisch verbijsterd mis hadden, voortgedreven door geesten vol van verbeelding, zodat, in het op hun eigen manier bewandelen van een foute weg, de gemeenschap der helden van de Opperheer, de brahmanen, geminacht werd. Tewerkgaand met een voorkeur voor geweld jegens anderen traden ze allerwreedst rechtstreeks op tegen iemand van een brahmaanse geboorte, een zoon van spirituele wijsheid die geen vijanden had en die een ieder het beste wenste. Op het laatste moment echter brak zowaar de godin Bhadra Kâlî, die zag wat tegen de wil van God en in strijd met de wet stond te gebeuren, uit het beeld tevoorschijn met een vurige fysieke verschijning van een bovenmatig helle, onverdraaglijke, spirituele gloed.

Zodoende werd door deze verwerpelijke types, die door een hartstochtelijke en onwetende aard het materialistisch bij het verkeerde eind hadden en voortgedreven werden door geesten vol van verbeelding, de gemeenschap der helden van de Opperheer, de brahmanen, geminacht, in het op hun eigen manier bewandelen van een foute weg. Te werk gaand met een voorkeur voor geweld jegens anderen traden ze allerwreedst rechtstreeks op tegen iemand van een brahmaanse geboorte, een zoon van spirituele wijsheid die geen vijanden had en die een ieder het beste wenste. Op het laatste moment echter brak zowaar de godin Bhadra Kâlî, die zag wat tegen de wil en in strijd met de wet stond te gebeuren, uit met een vurige fysieke verschijning van een bovenmatig helle, onverdraaglijke, spirituele gloed. (Vedabase)

 

Tekst 18

Kwaad geworden vertoonde ze in totale weerzin haar kenmerken van geheven wenkbrauwen, een vreselijk gebit, bloeddoorlopen ogen, een opgewonden beangstigend gezicht alsof ze het hele universum wilde vernietigen en een afgrijselijke lach. Door haar grote woede vrijgekomen, sloeg ze, van het altaar afkomend, met hetzelfde staal als ze wilden gebruiken de hoofden van al de zondige overtreders eraf en dronk ze samen met haar metgezellen, het bloed dat uit de nekken stroomde als een zeer hete bedwelmende drank. Onder de invloed van al het bedwelmende drinken zette ze het met haar volgelingen luidkeels op een zingen en dansen, en wierpen ze voor de lol de hoofden naar elkaar.

Kwaad geworden vertoonde ze in totale weerzin haar kenmerken van geheven wenkbrauwen, een vreselijk gebit, bloeddoorlopen ogen, een opgewonden beangstigend gezicht alsof ze het hele universum wilde vernietigen en een afgrijselijke lach. Van het altaar afkomend, door de grote woede vrijgekomen, sloeg ze met hetzelfde staal de hoofden van al de zondige overtreders af en dronk ze samen met haar metgezellen, het bloed dat uit de nekken stroomde als een zeer hete bedwelmende drank. Onder de invloed van al het bedwelmende drinken zette ze het met haar volgelingen, luidkeels op een zingen en dansen, en wierpen ze voor de lol de hoofden naar elkaar. (Vedabase)

 

Tekst 19

Als men op deze manier daadwerkelijk in afgunst met de groten te ver is gegaan, zal men bijkomstig voor zichzelf dit als resultaat oogsten.

Als men op deze manier daadwerkelijk in afgunst met de groten te ver is gegaan, zal men bijkomstig voor zichzelf dit als resultaat oogsten. (Vedabase)

 

Tekst 20

Oh, Vishnudatta ['beschermd door Vishnu'; Parîkchit], dit is geen groot wonder voor hen die niet verbijsterd zijn, die zonder vijandschap en van goedheid voor allen, door de Allerhoogste Heer der onoverwinnelijke tijd, die de beste van alle wapenen met zich voert [de Sudars'ana schijf], rechtstreeks volledig zijn vrijgemaakt van de zeer sterke en vaste knoop in het hart van een lichamelijk levensbegrip. Zelfs al zijn ze bedreigd met onthoofding, hebben die verloste zielen en toegewijden die van een volledige overgave zijn en die zijn beschermd door Zijn lotusvoeten, niets te vrezen en zijn ze nimmer van slag door deze soort van stemmingen van de Goddelijkheid.

Oh, Vishnudatta ['beschermd door Vishnu'; Parîkchit], dit is geen groot wonder voor hen die niet verbijsterd zijn, die zonder vijandschap en van goedheid voor allen, door de Allerhoogste Heer der onoverwinnelijke tijd, die de beste van alle wapenen met zich voert [de Sudarshana schijf], rechtstreeks volledig zijn vrijgemaakt van de zeer sterke en vaste knoop in het hart van een lichamelijk levensbegrip. Zelfs al zijn ze bedreigd met onthoofding, hebben die verloste zielen en toegewijden die van een volledige overgave zijn en die zijn beschermd door Zijn lotusvoeten, niets te vrezen en zijn ze nimmer van slag door dit soort van stemmingen van de Goddelijkheid. (Vedabase)

 

 

 
 

 

 

Voor deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam linkspagina.
De afbeelding is een tantrische vorm van de Hindoe godin Kâlî.
Folio uit een Iconografieboek, 17e eeuw. Nepal, Himalaya's. Bron: ter beschikking gesteld door LACMA.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd.



 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties