regelbalk


 

Canto 9

S'rî S'rî S'ikshâshthaka

 

 

Hoofdstuk 8: De Zonen van Sagara Ontmoeten Heer Kapiladeva

(1) S'rî S'uka zei: 'Harita was de zoon van Koning Rohita [zie voorgaand hoofdstuk] en zijn zoon Campa bouwde een stad genaamd Campâpurî. Na hem was er Sudeva die ook een zoon had genaamd Vijaya. (2) Bharuka was de zoon van Vijaya, hij had er een genaamd Vrika en Vrika had Bâhuka van wie al het land dat hij bezat werd ingepikt door zijn vijanden zodat de koning met zijn vrouw het bos in moest. (3) Toen hij van ouderdom was gestorven wilde zijn koningin tezamen met hem sterven maar de wijze Aurva, die begreep dat ze zwanger was met een jongetje in haar schoot, verbood dat. (4) De bijvrouwen die dit ontdekten dienden haar vergif toe met haar voedsel, maar met het gif werd Sagara ['met vergif'] geboren, die een keizer werd met een grote vermaardheid. Zijn zonen waren verantwoordelijk voor de plaats genaamd Gangâsâgara. (5-6) Hij doodde niet de anti-socialen [Tâlajangha's, of boom-mensen], zij die tegenstreefden [de Yavana's, ook: bezetters als de Moslims en de Europeanen], de goddelozen [de S'akâ's], de schurken [Haihaya's] en de barbaren [Barbara's]. In opdracht van de goeroe deed hij hen verschijnen in ongewone kleding, glad geschoren, snorren dragend of soms accepteerde hij ze als mensen met loshangend haar, half geschoren, zonder ondergoed aan of als ze helemaal geen kleren aan hadden. (7) Hij naar wat Aurva had gezegd was in de yoga met de Superziel van alle vedische kennis en de verlichte zielen, en was met paardoffers van aanbidding voor de Heer, het Oorspronkelijke Zelf en de Beheerser. Op een dag ontdekte hij dat het paard dat werd gebruikt voor het offer was gestolen door Purandara [Indra, zie ook 4.19: 17]. (8) De trotse zoons geboren uit Sumati [een vrouw van Sagara] zetten toen in opdracht van hun vader het hele land op z'n kop om uit te vinden waar het paard was gebleven. (9-10) In de noordoostelijke richting zagen ze een paard nabij de âs'rama van Kapila en zeiden: 'Nu weten we waar die paardendief met zijn ogen dicht leeft; doodt hem, doodt hem die zondaar!' Toen aldus de zestigduizend mannen van Sagara met hun wapens geheven op hem afkwamen, opende de muni op dat moment zijn ogen. (11) Van hun verstand beroofd [door Indra] en in overtreding met zo een grote persoonlijkheid [als Kapila], vatten hun lichamen ter plekke spontaan vlam en veranderden ze in as. (12) Het is niet het standpunt van de wijzen te beweren dat de zonen van de keizer dus tot as werden verbrand door de woede van de muni, want hoe kan nu met hem [Hem] als de hemel der goedheid door wiens genade het ganse universum gezuiverd raakt, de geaardheid der onwetendheid overwegen en er woede ontstaan - hoe kan aards stof de ether vervuilen? (13) Met hem die zo diepgaand de wereld analytisch verklaarde [zie 3.25-33] en er in deze wereld is als een boot waarmee een zoeker de oceaan der onwetendheid kan oversteken die men in zijn materiële bestaan zo moeilijk te boven kan komen - hoe kan er daar, met een geleerd persoon verheven in bovenzinnelijkheid, enig idee van een onderscheid zijn tussen vriend en vijand? [zo iemand is altijd vreugdevol: prasannâtmâ] (14) Hij die geboren uit Kes'inî [Sagara's andere echtgenote] Asamañjasa werd genoemd had als prins een eigen zoon bekend als Ams'umân die altijd zijn best deed om voor zijn grootvader te doen wat hij maar kon. (15-16) Voorheen een yogi, zoals hij zich dat kon herinneren uit een vorig leven, was Asamañjasa van het pad van de yoga afgedwaald vanwege slecht gezelschap en had hij zich persoonlijk bewezen op een hoogst storende manier. Zich slecht gedragend bezorgde hij iedereen in de samenleving moeilijkheden en was hij, voor de sport met zijn verwanten bezig, alleronaardigst geweest door al de jongens in de rivier de Sarayû te smijten. (17) Van deze daden [de jongens waren verdwenen] werd hij door zijn vader, die zijn liefde voor hem op had gegeven, zowaar verbannen. Met de macht van de yoga [echter] slaagde hij erin de jongens weer te laten verschijnen en ging hij weg. (18) O Koning, de bewoners van Ayodhyâ waren stomverbaasd om hun zonen weer te zien opduiken terwijl het de koning oprecht speet [dat nu zijn zoon verdwenen was]. (19) Ams'umân er door de koning toe opgedragen op zoek te gaan naar het paard, ging er op uit het spoor volgend dat zijn ooms hadden achtergelaten en trof het paard aan nabij een hoop as. (20) Toen hij de Bovenzinnelijke [de Vishnu avatâra] die bekend stond als Kapila zag, bracht hij de grote persoonlijkheid oplettend met gevouwen handen gebeden waarbij hij zich languit voorover wierp.

(21) Ams'umân zei: 'Niemand van ons levende wezens kan zich een voorstelling maken van U als de Transcendentale. Tot op de dag van vandaag kan zelfs Heer Brahmâ U niet doorgronden en door welk mediteren of ernaar raden zouden anderen dat, wij schepselen van de materiële wereld die, het lichaam aanziend voor het zelf, de bovenzinnelijkheid missen [zie ook B.G. 7: 27]? (22) Zij die een materieel lichaam aanvaardden onder de invloed van de drie geaardheden [de guna's, zie ook B.G. 14: 5] kunnen enkel die drie geaardheden zien, zo zegt men, en verbijsterd door de illusieverwekkende energie U niet kennen die zich in goedheid bevindt in de kern van het hart van het lichaam; ze zien enkel maar de uiterlijke bijprodukten. (23) Door Sanandana en andere aanbiddelijke wijzen die vrij zijn van de vervuilende en verbijsterende illusoire differentiatie veroorzaakt door de guna's, wordt alle wijsheid met de oorspronkelijke aard [svabhâva] tot één geheel samengevoegd [zie B.G. 14: 26 & 2: 45], maar hoe kan ik als een dwaas der materie nu U, de Persoonlijkheid [van die eenheid], in gedachten houden? (24) O Vreedzame, ik bied U, de Oorspronkelijke Allerhoogste Persoonlijkheid, mijn eerbetuigingen, U die zonder een naam en een vorm, transcendentaal aan het tijdelijke en eeuwige, teneinde de bovenzinnelijke kennis uit te dragen, naar de geaardheden der natuur een materieel lichaam heeft aangenomen dat zich kenmerkt door vruchtdragende handelingen. (25) Met hun huis en haard, Uw materiële energie aanvaardend als ware het datgene waar het om gaat, dolen ze [geboorte na geboorte] rond in deze wereld in hun harten verbijsterd door lust, hebzucht, afgunst en illusie. (26) O Allerhoogste Heer, door U enkel maar te zien is vandaag deze harde en hechte knoop van onze illusie doorbroken als gevolg waarvan men in zijn zinnelijkheid onder de invloed staat van de lust en de baatzucht, o Ziel van alle levenden!'

(27) S'rî S'uka zei: 'O meester der mensen, de grote wijze en Allerhoogste Heer Kapila op deze manier verheerlijkt, zei Ams'umân genadig het volgende over het pad der kennis. (28) De Allerhoogste Heer zei: 'Neem dit paard mijn zoon, het is het offerdier van uw grootvader, maar al deze lichamen van uw voorvaderen die tot as verbrand zijn kunnen op geen enkele andere manier worden gered dan door Ganges-water.' (29) Na om Hem heen gelopen te hebben, voor Hem buigend tot Zijn voldoening, bracht hij het paard terug naar Sagara en werd door middel van het offeren van dat dier de afsluitende ceremonie volbracht. (30) Het pad volgend uitgestippeld door Aurva droeg hij [Sagara], bevrijd van gehechtheden en verlangens, het koninkrijk over aan Ams'umân en bereikte hij de allerhoogste bestemming.'

   

 

 

next

 

 

 Tweede editie, geladen 15 december 2007.

 

 

 

Bronteksten:

De zonen van Sagara ontmoeten Heer Kapiladeva

 

Tekst 1 :

S'rî S'uka zei: 'Harita was de zoon van Koning Rohita [zie voorgaand hoofdstuk] en zijn zoon Campa bouwde een stad genaamd Campâpurî. Na hem was er Sudeva die ook een zoon had genaamd Vijaya.

S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: De zoon van Rohita heette Harita en Harita's zoon was Campa, die de stad Campâpurî bouwde. Campa's zoon was Sudeva, wiens zoon Vijaya heette. (Vedabase)

 

Tekst 2:

Bharuka was de zoon van Vijaya, hij had er een genaamd Vrika en Vrika had Bâhuka van wie al het land dat hij bezat werd ingepikt door zijn vijanden zodat de koning met zijn vrouw het bos in moest.

De zoon van Vijaya heette Bharuka, Bharuka's zoon was Vrika en deze had een zoon met de naam Bâhuka. De vijanden van koning Bâhuka namen hem al zijn bezit af. Daarom trad hij toe tot de vânaprastha-orde en ging hij samen met zijn vrouw in het woud wonen. (Vedabase)

 

Tekst 3:

Toen hij van ouderdom was gestorven wilde zijn koningin tezamen met hem sterven maar de wijze Aurva, die begreep dat ze zwanger was met een jongetje in haar schoot, verbood dat.

Bâhuka stierf toen hij oud geworden was, en een van zijn vrouwen wilde hem in de dood volgen door middel van satî-rite. Toen dat ogenblik was aangebroken, verbood Aurva Muni haar echter om dat plan ten uitvoer te brengen omdat hij wist dat ze zwanger was. (Vedabase)

 

Tekst 4:

De bijvrouwen die dit ontdekten dienden haar vergif toe met haar voedsel, maar met het gif werd Sagara ['met vergif'] geboren, die een keizer werd met een grote vermaardheid. Zijn zonen waren verantwoordelijk voor de plaats genaamd Gangâsâgara.

Omdat de andere vrouwen van Bâhuka wisten dat ze zwanger was, deden ze vergif in haar eten, wat echter geen enkel effect had. In plaats daarvan werd de zoon samen met het vergif geboren, om welke reden hij bekendstaat als Sagara ["hij die met vergif geboren is"]. Later werd deze Sagara keizer. De plaats die Gangâsâgara heet werd uitgegraven door zijn zonen. (Vedabase)

 

Tekst 5-6:

Hij doodde niet de anti-socialen [Tâlajangha's, of boom-mensen], zij die tegenstreefden [de Yavana's, ook: bezetters als de Moslims en de Europeanen], de goddelozen [de S'akâ's], de schurken [Haihaya's] en de barbaren [Barbara's]. In opdracht van de goeroe deed hij hen verschijnen in ongewone kleding, glad geschoren, snorren dragend of soms accepteerde hij ze als mensen met loshangend haar, half geschoren, zonder ondergoed aan of als ze helemaal geen kleren aan hadden.

In navolging van de opdracht van zijn geestelijk leraar Aurva doodde Sagara Mahârâja de onbeschaafde stammen zoals de Tâlajangha's, de Yavana's, de S'aka's, de Haihaya's en de Barbara's niet. In plaats daarvan liet hij sommigen van hen bizar gekleed gaan en sommigen kaal scheren met uitzondering van hun snor, sommigen liet hij hun haar los dragen, sommigen half kaal scheren, anderen zonder onderkleding rondlopen en weer anderen zonder bovenkleding. Op deze manier zorgde koning Sagara ervoor dat deze verschillende stammen allemaal anders gekleed gingen, maar doden deed hij ze niet. (Vedabase)

   

Tekst 7:

Hij naar wat Aurva had gezegd was in de yoga met de Superziel van alle vedische kennis en de verlichte zielen, en was met paardoffers van aanbidding voor de Heer, het Oorspronkelijke Zelf en de Beheerser. Op een dag ontdekte hij dat het paard dat werd gebruikt voor het offer was gestolen door Purandara [Indra, zie ook 4.19: 17].

Op aanwijzing van de grote wijze Aurva verrichtte Sagara Mahârâja as'vamedha-offers en stelde zo de Allerhoogste Heer tevreden, die de allerhoogste bestuurder, de Superziel van alle grote geleerden en de kenner van alle vedische kennis is, de Allerhoogste Godspersoon. Maar toen stal Indra, de hemelkoning, het paard dat voor het offer bestemd was. (Vedabase)

 

Tekst 8:

De trotse zoons geboren uit Sumati [een vrouw van Sagara] zetten toen in opdracht van hun vader het hele land op z'n kop om uit te vinden waar het paard was gebleven.

[Koning Sagara had twee vrouwen, Sumati en Kes'inî.] De zonen van Sumati, die erg trots op hun macht en invloed waren, gingen in opdracht van hun vader op zoek naar het verdwenen paard. Terwijl ze hiermee bezig waren, spitten ze grote gebieden van de aarde om. (Vedabase)

 

Tekst 9-10

In de noordoostelijke richting zagen ze een paard nabij de âs'rama van Kapila en zeiden: 'Nu weten we waar die paardendief met zijn ogen dicht leeft; doodt hem, doodt hem die zondaar!' Toen aldus de zestigduizend mannen van Sagara met hun wapens geheven op hem afkwamen, opende de muni op dat moment zijn ogen.

Vervolgens zagen ze in noordoostelijke richting het paard in de buurt van de âs'rama van Kapila Muni. "Hier is de man die het paard gestolen heeft", zeiden ze. "Daar zit hij met gesloten ogen. Deze man is ongetwijfeld zeer zondig. Dood hem! Dood hem!" Onder het uitroepen van dergelijke kreten hieven de zonen van Sagara, zestigduizend in getal, hun wapens op. Toen ze op de wijze afstormden, opende deze Zijn ogen. (Vedabase)

 

Tekst 11

Van hun verstand beroofd [door Indra] en in overtreding met zo een grote persoonlijkheid [als Kapila], vatten hun lichamen ter plekke spontaan vlam en veranderden ze in as.

De zonen van Sagara hadden door de invloed van Indra, de hemelkoning, hun intelligentie verloren en een grote persoonlijkheid oneerbiedig bejegend. Dientengevolge kwam er vuur uit hun lichamen en werden ze onmiddellijk tot as verbrand. (Vedabase)

 

Tekst 12

Het is niet het standpunt van de wijzen te beweren dat de zonen van de keizer dus tot as werden verbrand door de woede van de muni, want hoe kan nu met hem [Hem] als de hemel der goedheid door wiens genade het ganse universum gezuiverd raakt, de geaardheid der onwetendheid overwegen en er woede ontstaan - hoe kan aards stof de ether vervuilen?

Soms beweert men dat de zonen van koning Sagara tot as verbrand werden door het vuur dat uit de ogen van Kapila Muni tevoorschijn kwam. Deze uitspraak wordt echter niet onderschreven door de grote geleerden, aangezien het lichaam van Kapila Muni zich volkomen in de geaardheid goedheid bevindt en om die reden niet de geaardheid onwetendheid in de vorm van woede kan manifesteren; net zoals de heldere hemel niet door het stof van de aarde besmet kan worden. (Vedabase)

 

Tekst 13

Met hem die zo diepgaand de wereld analytisch verklaarde [zie 3.25-33] en er in deze wereld is als een boot waarmee een zoeker de oceaan der onwetendheid kan oversteken die men in zijn materiële bestaan zo moeilijk te boven kan komen - hoe kan er daar, met een geleerd persoon verheven in bovenzinnelijkheid, enig idee van een onderscheid zijn tussen vriend en vijand? [zo iemand is altijd vreugdevol: prasannâtmâ]

Kapila Muni verkondigde in deze materiële wereld de sânkhya-filosofie, die als een stevige boot is waarmee men de oceaan van onwetendheid kan oversteken. Ja, wie erop gebrand is om de oceaan van de materiële wereld over te steken, kan zijn toevlucht nemen tot deze filosofie. Hoe zou zo'n bijzonder geleerd iemand, die zich op zo'n hoogverheven transcendentaal niveau bevindt, nog enig onderscheid kunnen maken tussen vriend en vijand? (Vedabase)

 

Tekst 14

Hij die geboren uit Kes'inî [Sagara's andere echtgenote] Asamañjasa werd genoemd had als prins een eigen zoon bekend als Ams'umân die altijd zijn best deed om voor zijn grootvader te doen wat hij maar kon.

Onder de zonen van Sagara Mahârâja bevond zich Asamañjasa, die ter wereld gebracht was door Kes'inî, de tweede vrouw van de koning. De zoon van Asamañjasa, Ams'umân, zette zich altijd in voor het welzijn van zijn grootvader, Sagara Mahârâja. (Vedabase)

  

Tekst 15-16:

Voorheen een yogi, zoals hij zich dat kon herinneren uit een vorig leven, was Asamañjasa van het pad van de yoga afgedwaald vanwege slecht gezelschap en had hij zich persoonlijk bewezen op een hoogst storende manier. Zich slecht gedragend bezorgde hij iedereen in de samenleving moeilijkheden en was hij, voor de sport met zijn verwanten bezig, alleronaardigst geweest door al de jongens in de rivier de Sarayû te smijten.

Asamañjasa was vroeger, in zijn vorige leven, een grote yogi geweest, maar was door slecht gezelschap uit zijn verheven positie ten val gekomen. Nu, in dit leven, was hij in een koninklijke familie geboren en was hij een jâti-smara, hetgeen betekent dat hij het speciale voordeel had dat hij zich zijn vorige leven kon herinneren. Niettemin wenste hij zich als een slecht iemand voor te doen en daarom deed hij dingen die in de ogen van het publiek afschuwelijk waren en zijn familieleden in moeilijkheden brachten. Hij had de gewoonte om de jongens die in de Sarayû aan het stoeien waren te verstoren door ze in het diepe gedeelte van de rivier te gooien. (Vedabase)

  

Tekst 17:

Van deze daden [de jongens waren verdwenen] werd hij door zijn vader, die zijn liefde voor hem op had gegeven, zowaar verbannen. Met de macht van de yoga [echter] slaagde hij erin de jongens weer te laten verschijnen en ging hij weg.

Omdat Asamañjasa zulke verschrikkelijke dingen deed, gaf zijn vader al zijn genegenheid voor hem op en liet hem verbannen. Toen toonde Asamañjasa zijn mystieke kracht door de kinderen weer tot leven te brengen en ze aan de koning en hun ouders te laten zien. Vervolgens verliet hij Ayodhyâ. (Vedabase)
 
Tekst 18:

O Koning, de bewoners van Ayodhyâ waren stomverbaasd om hun zonen weer te zien opduiken terwijl het de koning oprecht speet [dat nu zijn zoon verdwenen was].

O koning Parîkshit, toen de inwoners van Ayodhyâ zagen dat hun kinderen weer tot leven gewekt waren, waren ze zeer verbaasd, en koning Sagara betreurde de afwezigheid van zijn zoon ten zeerste. (Vedabase)

 

Tekst 19:

Ams'umân er door de koning toe opgedragen op zoek te gaan naar het paard, ging er op uit het spoor volgend dat zijn ooms hadden achtergelaten en trof het paard aan nabij een hoop as.

Daarna kreeg Ams'umân, de kleinzoon van Mahârâja Sagara, van de koning de opdracht om naar het paard te gaan zoeken. Door hetzelfde pad te volgen dat zijn ooms begaan hadden, bereikte Ams'umân op een gegeven moment de hoop as en trof in de buurt daarvan het paard aan. (Vedabase)

 

Tekst 20:

Toen hij de Bovenzinnelijke [de Vishnu avatâra] die bekend stond als Kapila zag, bracht hij de grote persoonlijkheid oplettend met gevouwen handen gebeden waarbij hij zich languit voorover wierp.

Daar zag de grote Ams'umân de wijze Kapila, de heilige die een incarnatie van Vishnu is, bij het paard zitten. Hij bracht Hem zijn nederige eerbetuigingen, vouwde zijn handen en richtte vervolgens met grote aandacht gebeden tot Hem. (Vedabase)

 

 Tekst 21:

Ams'umân zei: 'Niemand van ons levende wezens kan zich een voorstelling maken van U als de Transcendentale. Tot op de dag van vandaag kan zelfs Heer Brahmâ U niet doorgronden en door welk mediteren of ernaar raden zouden anderen dat, wij schepselen van de materiële wereld die, het lichaam aanziend voor het zelf, de bovenzinnelijkheid missen [zie ook B.G. 7: 27]?

Ams'umân zei: O Heer, zelfs Heer Brahmâ is tot op de dag van vandaag niet in staat om Uw positie te bevatten, hetzij door middel van meditatie hetzij door speculatie, want dat gaat hem ver te boven. Om daarom maar te zwijgen van anderen zoals wijzelf, die door Heer Brahmâ in verschillende gedaantes zoals die van halfgoden, zoogdieren, mensen, vogels en andere beesten geschapen zijn. Wij verkeren volkomen in onwetendheid. Hoe kunnen we U, die de Transcendentie bent, dan kennen? (Vedabase)

 

Tekst 22:

Zij die een materieel lichaam aanvaardden onder de invloed van de drie geaardheden [de guna's, zie ook B.G. 14: 5] kunnen enkel die drie geaardheden zien, zo zegt men, en verbijsterd door de illusieverwekkende energie U niet kennen die zich in goedheid bevindt in de kern van het hart van het lichaam; ze zien enkel maar de uiterlijke bijprodukten.

O Heer, U bevindt Zich in al Uw volheid in ieders hart, maar de levende wezens, die door een materieel lichaam omhuld zijn, kunnen U niet zien, aangezien ze onder invloed staan van de uitwendige energie, die bestuurd wordt door de drie geaardheden der materiële natuur. Doordat hun intelligentie bedekt is door sattva-guna, rajo-guna en tamo-guna, kunnen ze alleen de acties en reacties van deze drie geaardheden der materiële natuur waarnemen. Door de acties en reacties van de geaardheid onwetendheid zien de levende wezens, of ze nu slapen of wakker zijn, alleen maar de werking van de materiële natuur, maar U, o Heer, kunnen ze niet zien. (Vedabase)

 

Tekst 23:

Door Sanandana en andere aanbiddelijke wijzen die vrij zijn van de vervuilende en verbijsterende illusoire differentiatie veroorzaakt door de guna's, wordt alle wijsheid met de oorspronkelijke aard [svabhâva] tot één geheel samengevoegd [zie B.G. 14: 26 & 2: 45], maar hoe kan ik als een dwaas der materie nu U, de Persoonlijkheid [van die eenheid], in gedachten houden?

O Heer, wijzen die vrij zijn van de invloed van de drie geaardheden der materiële natuur - zoals de vier Kumâra's [Sanat, Sanaka, Sanandana en Sanâtana] - zijn in staat om aan U te denken, die de verpersoonlijking van geconcentreerde kennis bent. Maar hoe zou een onwetend iemand als ik aan U kunnen denken? (Vedabase)

    

Tekst 24:

O Vreedzame, ik bied U, de Oorspronkelijke Allerhoogste Persoonlijkheid, mijn eerbetuigingen, U die zonder een naam en een vorm, transcendentaal aan het tijdelijke en eeuwige, teneinde de bovenzinnelijke kennis uit te dragen, naar de geaardheden der natuur een materieel lichaam heeft aangenomen dat zich kenmerkt door vruchtdragende handelingen.

O Heer, die volkomen vredig bent, hoewel de materiële natuur, baatzuchtige activiteiten en de daaruit voortkomende materiële namen en vormen Uw schepping zijn, wordt U er niet door beïnvloed. Daarom is Uw transcendentale naam verschillend van materiële namen en Uw gedaante verschillend van materiële gedaantes. Alleen om ons onderricht te geven, zoals in de Bhagavad-gîtâ, verschijnt U in een gedaante die op een materieel lichaam lijkt, maar in werkelijkheid bent U de allerhoogste oorspronkelijke persoon. Daarom breng ik U mijn nederige eerbetuigingen. (Vedabase)

 

Tekst 25:

Met hun huis en haard, Uw materiële energie aanvaardend als ware het datgene waar het om gaat, dolen ze [geboorte na geboorte] rond in deze wereld in hun harten verbijsterd door lust, hebzucht, afgunst en illusie.

O Heer, zij die verward zijn door de invloed van lust, hebzucht, afgunst en illusie, zijn alleen maar geïnteresseerd in het valse geluk van huis en haard in deze wereld, die door Uw mâyâ geschapen is. Gehecht als ze zijn aan huis, vrouw en kinderen, zwerven ze tot in alle eeuwigheid in deze materiële wereld rond. (Vedabase)

 

Tekst 26:

O Allerhoogste Heer, door U enkel maar te zien is vandaag deze harde en hechte knoop van onze illusie doorbroken als gevolg waarvan men in zijn zinnelijkheid onder de invloed staat van de lust en de baatzucht, o Ziel van alle levenden!'

O Superziel van alle levende wezens, o Godspersoon, gewoon door U te zien ben ik nu verlost van alle wellustige verlangens, die de diepste oorzaak van onoverkomelijke illusie en gebondenheid in de materiële wereld zijn. (Vedabase)

 

Tekst 27:

S'rî S'uka zei: 'O meester der mensen, de grote wijze en Allerhoogste Heer Kapila op deze manier verheerlijkt, zei Ams'umân genadig het volgende over het pad der kennis.

O koning Parîkshit, toen Ams'umân de Heer aldus verheerlijkt had, was de grote wijze Kapila, de machtige incarnatie van Vishnu, zo genadig om hem het pad van kennis uiteen te zetten. (Vedabase)

 

Tekst 28:

De Allerhoogste Heer zei: 'Neem dit paard mijn zoon, het is het offerdier van uw grootvader, maar al deze lichamen van uw voorvaderen die tot as verbrand zijn kunnen op geen enkele andere manier worden gered dan door Ganges-water.'

De Godspersoon zei: Beste Ams'umân, hier is het dier dat je grootvader wilde offeren. Neem het alsjeblieft mee. Wat je voorvaderen die tot as verbrand zijn betreft: zij kunnen alleen verlost worden door Gangeswater; een andere manier is er niet. (Vedabase)

  

Tekst 29:

Na om Hem heen gelopen te hebben, voor Hem buigend tot Zijn voldoening, bracht hij het paard terug naar Sagara en werd door middel van het offeren van dat dier de afsluitende ceremonie volbracht.

Vervolgens liep Ams'umân eerbiedig om Kapila Muni heen en bracht Hem zijn nederige eerbetuigingen door zijn hoofd te buigen. Nadat hij Hem op deze manier volledig tevreden had gesteld, bracht Ams'umân het paard dat voor het offer bestemd was terug, en met dit paard voltrok Mahârâja Sagara de laatste rituele ceremonieën. (Vedabase)

 

Tekst 30:

Het pad volgend uitgestippeld door Aurva droeg hij [Sagara], bevrijd van gehechtheden en verlangens, het koninkrijk over aan Ams'umân en bereikte hij de allerhoogste bestemming.'

Na de verantwoordelijkheid voor het koninkrijk aan Ams'umân te hebben overgedragen en zich aldus van alle materiële zorgen en gebondenheid te hebben bevrijd, bereikte Sagara Mahârâja door de aanwijzingen van Aurva Muni op te volgen de allerhoogste bestemming.' (Vedabase)

 

 

 

 

 

Voor deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
Srîmad Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
De bovenste afbeelding voor deze pagina: © sanatan soci ety.org (commercieel gebruik verboden) 
Produktie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties