![]()
Canto 10
Hoofdstuk 8
De Naam-plechtigheid, Zijn Streken en Opnieuw het Universum in Zijn Mond
(1) S'rî S'uka zei: 'Garga de familiepriester van de Yadu's, hoog verheven in de boete, o Koning, begaf zich op verzoek van Vasudeva naar Nanda's koeiengemeenschap. (2) Toen Nanda hem zag kwam hij hem zeer verheugd tegemoet om hem met gevouwen handen met eerbetoon welkom te heten hem kennende als iemand die boven het zintuiglijke staat [adhokshaja] en wierp hij zich ter aarde om zijn eerbetuigingen te brengen. (3) Met de grootste gastvrijheid en de zoetste woorden liet hij de wijze plaats nemen en het hem op deze manier naar de zin makend zei hij: 'O brahmaan zo volledig in uw zelfverwerkelijking, wat kan ik voor u betekenen? (4) Als de groten zich bewegen in de richting van de gewone man, de eenvoudig ingestelde huishouders, is dat iets dat nooit moet worden beschouwd als plaatsvindend om enige andere reden dan voor hun eigen bestwil. (5) Een ieder is in staat zich een idee te vormen van zijn verleden en toekomst door de kennis over de loop der hemellichamen die het verstand van de gewone man te boven gaat en die u zo genadevol, voor iedereen na te gaan, hebt vastgelegd [in een boek over astrologie]. (6) U inderdaad als de beste van de kenners van het Brahman bent de brahmaan van geboorte [*] die er is als de goeroe van iedereen; voert u dus alstublieft de naamgevingsplechtigheid uit [de samskâra] voor deze twee jongens [Krishna en Balarâma].'
(7) S'rî Garga zei: 'Ik ben, zoals iedereen weet, de leraar van het voorbeeld van de Yadu's; altijd hebben de zonen met mij de zuiveringsriten ondergaan, maar in uw geval zouden de mensen ervan kunnen denken dat we dat deden voor de zoon van Devakî. (8-9) Kamsa, die grote zondaar, met uw vriendschap met Vasudeva in gedachten en het feit dat het achtste kind van Devakî niet een meisje kan zijn, zou, met de notie die hij nam van het bericht van Devakî's dochter [Durgâ 10.4: 12], zelfs kunnen overwegen het ter dood te brengen en derhalve is het niet verstandig voor ons om dat te gaan doen.'
(10) S'rî Nanda zei: 'Voer dan zonder dat hij of zelfs maar mijn verwanten er weet van hebben nu hier ter plekke op een afgezonderde plaats, in de koeienstal, het tweedegeboorte zuiveringsritueel uit met de heilbrengende zang van de klassieke hymnen.'
(11) S'rî S'uka zei: 'Op dit dringende verzoek voerde de geleerde man voor de twee jongens in geheime afzondering de naamgevings-plechtigheid uit waarvoor hij was gekomen. (12) S'rî Garga zei: 'Deze hier inderdaad is de zoon van Rohinî die met Zijn bovenzinnelijke kwaliteiten er is voor het genoegen van al de Zijnen en om die reden Râma zal heten; zo ook zal Hij bekend staan als Bala vanwege Zijn buitengemene kracht en zal Hij voor het feit dat Hij de beide families verenigt [van Nanda en Vasudeva, zie ook 10.2: 8] ook wel Sankarshana heten [de samenbrenger]. (13) Er zijn drie kleuren die uw zoon heeft aangenomen in het aanvaarden van gedaanten overeenkomstig de yuga: wit, rood alsook geel en nu is Hij Krishna [donker van kleur, zie **]. (14) Kort hiervoor werd dit kind geboren uit Vasudeva en daarom zullen zij die hiervan op de hoogte zijn over uw kind spreken als de in alle opzichten prachtige Vâsudeva. (15) Van deze zoon van u zijn er vele namen en gedaanten naar de aard van Zijn kwaliteiten en handelingen; ik ben daarvan op de hoogte, maar de gewone man weet het niet. (16) Dit kind zal altijd handelen naar wat voor jullie allen het gunstigst is in Zijn rol als een Nanda-Gokula koeherder; door Hem zullen jullie allen met gemak alle gevaar trotseren [*3]. (17) In vervlogen tijden werden door Hem, o Koning van Vraja, de vromen die waren verstoord door de schurken van een foute regering beschermd zodat zij, met de slechten verslagen, konden floreren [zie ook 1.3: 28]. (18) Zoals degenen trouw aan Vishnu niets te vrezen hebben van de Asura's, zullen zij die zo fortuinlijk zijn jegens dit kind te handelen uit genegenheid niet door vijanden worden overweldigd. (19) Daarom, o Nanda, draag nauwgezet zorg voor de opvoeding van dit kind: in Zijn kwaliteiten, rijkdom, naam en faam is deze zoon van u zo goed als Nârâyana!'
(20) S'rî S'uka zei: 'Nadat Garga hen aldus volledig op de hoogte had gesteld van de Allerhoogste Ziel [zoals die zich met de twee jongens had gemanifesteerd] en naar zijn eigen plaats was vertrokken, beschouwde Nanda zichzelf, gezegend met al het fortuinlijke, een zeer gelukkig man. (21) Een tijdje later waren in Gokula Râma en Kes'ava [Krishna] op hun handjes en knietjes rondkruipend van hun jeugd aan het genieten. (22) Zij, als slangen door de modder van die koeienplaats kruipend produceerden, met hun voetjes achter zich aan slepend, een lief geluid met hun enkelbelletjes, maar bekoord door de geluiden enthousiast achter andere mensen aankruipend, werden ze bang en keerden ze snel weer terug naar hun moeders. (23) De moeders met het omarmen van de door de modder schattig gekleurde lichaampjes lieten hen dan drinken van de melk die vanuit de grote liefde voor ieder van hun zoontjes uit hun borst vloeide, en als ze, terwijl ze zoogden, in hun mondjes keken waren ze als de hemel zo gelukkig om de doorkomende tandjes te ontdekken. (24) Van binnen hun huizen de kinderen gadeslaand die buiten in Vraja aan het spelen waren vergaten ze lachend hun huishoudelijke taken geamuseerd bij de aanblik van hun beiden die met het vastgrijpen van de uiteinden van de staarten van de kalfjes zich in het rond lieten slepen.
(25) In hun onvermoeibare spelen bezig met de koeien, met vuur, met scherpgetande beestenmuilen, met zwaarden, water, vogels en doornen, raakten de moeders ontmoedigd als ze, met het doen van hun huishouding, er niet iets op konden vinden ze een halt toe te roepen. (26) Binnen de kortste keren, o Koning, begonnen Râma en Krishna met gemak zonder de hulp van hun knietjes op enkel hun twee beentjes in Gokula rond te lopen. (27) Daaropvolgend wekte de Allerhoogste Heer, in Zijn samen met Balarâma blij spelen met andere kinderen in Vraja, bij de dames van Vraja een hemelse verrukking op. (28) De gopî's, die met ogen voor Krishna er enkel op belust om telkens weer opnieuw over Zijn kinderstreken te vernemen, kwamen bijeen in de aanwezigheid van Zijn moeder en zeiden: (29) 'Hij heeft eens zonder dat het er de tijd voor was de kalveren losgelaten en zat toen te lachen over de woede die daarover bestond; op één of andere manier stal Hij en at Hij uit de potten de smakelijke yoghurt, melk en boter en gaf Hij de apen ieder ervan een deel te eten; als die [zat zijn en] niet meer willen eten breekt hij de pot en als Hij niets kan vinden [om de apen te eten te geven] gaat Hij boos op de mensen in het huis de babytjes knijpen. (30) [Met de potten] buiten Zijn bereik opgehangen vindt Hij er wat op door dingen op te stapelen of een stampvat om te keren en weet Hij de inhoud te bereiken door een gat te maken in de hangende pot. De tijd afwachtend dat de gopî's druk bezig zijn met hun huishoudelijke bezigheden, weet Hij Zijn weg te vinden in een donkere kamer met genoeg licht om te zien van de stralende juwelen op Zijn lichaam! (31) Hij is zo stout dat Hij soms vrijelijk plast op een schoon plekje in onze huizen en die slimme, vindingrijke dief zit daar nu als een lief jongetje!' Aldaar bijeen bespraken de gopî's al dit soort zaken, maar als ze Hem voor zich zagen zitten, bang kijkend met Zijn mooie gezichtje, konden de gopî's blij om Hem te zien met hun klachten tegen Hem ingebracht enkel glimlachen en zich vermaken en konden ze waarlijk niet boos op Hem zijn. (32) Op een dag, toen Hij wat ouder was, kwamen Balarâma en de andere kinderen uit de buurt om Zijn moeder te zeggen: 'Krishna heeft aarde gegeten!'
(33) Yas'odâ bezorgd over Zijn welzijn nam Krishna berispend bij de hand en keek bezorgd in Zijn mondje om Hem aan een nader onderzoek te onderwerpen en zei: (34) 'Waarom heb jij, ongehoorzame jongen, stiekem modder gegeten, wat hoor ik nu van Je oudere broertje en je speelkameraadjes?'
(35) 'O mammie ik heb geen modder gegeten, ze hebben het helemaal verkeerd; als dat wat zij zeggen waar zou zijn, kijk dan nu meteen in Mijn mond!'
(36) 'Doe Je mondje dan maar eens wijd open als dat zo is', droeg ze Hem op en Hij, de Allerhoogste Persoonlijkheid, de Heer wiens weelde onbegrensd is, opende toen, in Zijn spel als een mensenkind, Zijn mond.
(37-39) Binnenin Zijn mond zag ze [voor de tweede keer, zie hoofdstuk 10.7: 35-37] het hele universum met alle bewegende en niet-bewegende levensvormen en de hemel in alle richtingen, de bergen, de continenten, de oceanen, de oppervlakte van de aarde, de waaiende wind, het vuur, de maan en de sterren. Ze zag de planetenstelsels, de wateren, het licht, het uitspansel met de hele buitenruimte en al die [godheden] gebonden aan verandering, de zinnen, de geest en de drie geaardheden. De schakering van dat alles ziend tezamen met de tijd van leven van iedere ziel, de natuurlijke instincten, het karma, wat er allemaal begeerd wordt en de verschillende subtiele lichamen, met inbegrip van Vraja en haarzelf binnenin de wijd open mond van het lichaam van haar zoontje, deed haar vol ongeloof versteld staan: (40) 'Is dit allemaal een droom, een waanidee van God of misschien een drogbeeld van mijn eigen intelligentie, of zou anders dat wat ik zie een of ander yogafenomeen zijn eigen aan mijn kind? (41) Omdat ik, voor zover ik dat kan zien, niet vermag te begrijpen wat allemaal het bewustzijn, de geest, het handelen en de woorden te boven gaat, geef ik mezelf over aan de voeten van Hem buiten mijn gezichtsbereik onder wiens gezag ik leef en door wie ik kan ontwaken. (42) In het idee van ik als hebbende deze echtgenoot en die zoon, als zijnde de echtgenote die het allemaal zou bezitten met de heerser van Vraja, met al de gopî's en gopa's onder mijn gezag met de koeien en de kalveren, heb ik het helemaal bij het verkeerde eind omdat alleen maar Hij mijn vooruitgang is [zie 5.5: 8, 7.9: 19 en B.G. 5: 29].' (43) Nadat ze op deze manier haar werkelijkheid had begrepen zoals die was, bereidde Hij, de Heer, voor die dame van leiding over de gopî's [wederom] Zijn bijzondere genade als Vishnu zodat zij, met haar genegenheid voor haar zoontje, aangetrokken kon zijn tot de Almachtige. (44) Met de herinnering [aan het visioen] abrupt verdwenen zette zij, de gopî, geraakt in haar hart haar zoontje op haar schoot met een liefde hersteld naar de situatie zoals die voorheen was geweest. (45) Door de drie [Veda's] en ook door de filosofische oefeningen [de Upanishads], de yoga-analyse [sânkhya-yoga] en door middel van de toegewijden [pañcarâtra's] wordt de Heer verheerlijkt in al Zijn grootheid, maar zij dacht simpelweg over Hem na als zijnde haar zoon.'
(46) De achtenswaardige koning zei: 'Wat waren de vrome handelingen [zie B.G. 7: 16] o brahmaan, volbracht door Nanda en Yas'odâ, van wiens moedermelk de Heer dronk, waardoor ze de hoogste vervolmaking bereikten van het aldus gezegend zijn? (47) Zelfs niet Zijn eigen vader en moeder konden van de verheffende kinderavonturen van Krishna genieten die de ongerechtigheid van de wereld wegnemen en welke zelfs vandaag de dag nog worden bezongen door de intelligenten!'
(48) S'rî S'uka zei: 'Drona, de beste der goddelijken [de Vasu's] zei samen met zijn vrouw Dharâ in het verleden tot Heer Brahmâ, enkel om uit te vinden wat zijn opdracht was: (49) 'Mogen wij [als Zijn ouders] geboorte nemen op deze aarde om, terwille van de grootheid van God, er te zijn in toegewijde dienst voor de Heer, de Heerser van het ganse Universum, die het uiteindelijke doel is in de wereld en dankzij wie moeiteloos een miserabel leven kan worden vermeden?' (50) 'Het zij zo', klonk het daarop zodat hij, de Grootheid [de Bhagavân voor de Bhagavân], Drona, die hoogst verheven ziel, geboren werd in Vraja en daar bekend stond als Nanda en zij, Dharâ, er verscheen als Yas'odâ [vergelijk 10.3: 32-45 en zie *4]. (51) O zoon van Bharata, als gevolg daarvan was er van de echtgenoot zowel als van de echtgenote en al de gopa's en gopî's, de onophoudelijke [liefde] van de toegewijde dienst voor de Heer die was verschenen als hun zoon en die een ieder het beste toewenst. (52) Om de woorden van Brahmâ gestand te doen verbleef Krishna toen samen met de almachtige [of Bala-]Râma in Vraja om, tot hun grote genoegen, Zijn spel en vermaak [Zijn 'lîlâ'] tentoon te spreiden.'
Bronteksten:
Krishna laat de universele gedaante zien
S'rî S'uka zei: 'Garga de familiepriester van de Yadu's, hoog verheven in de boete, o Koning, begaf zich op verzoek van Vasudeva naar Nanda's koeiengemeenschap
S'ukadeva Gosvâmî zei: O Mahârâja Parîkshit, toen begaf de priester van de Yadu-dynastie, Gargamuni, die zeer gevorderd was op het gebied van ascese en boetedoening, zich op aanraden van Vasudeva naar het huis van Nanda Mahârâja om hem te bezoeken.
Toen Nanda hem zag kwam hij hem zeer verheugd tegemoet om hem met gevouwen handen met eerbetoon welkom te heten hem kennende als iemand die boven het zintuiglijke staat [adhokshaja] en wierp hij zich ter aarde om zijn eerbetuigingen te brengen.
Toen Nanda Mahârâja zag dat Gargamuni hem was komen bezoeken, was hij zo verheugd, dat hij opstond en hem met gevouwen handen ontving. Hoewel Nanda Mahârâja Gargamuni met zijn ogen kon waarnemen, waardeerde hij het dat Gargamuni adhokshaja was, geen gewoon iemand die men met materiële zintuigen waarneemt.
Met de grootste gastvrijheid en de zoetste woorden liet hij de wijze plaats nemen en het hem op deze manier naar de zin makend zei hij: 'O brahmaan zo volledig in uw zelfverwerkelijking, wat kan ik voor u betekenen?
Toen Gargamuni gastvrij ontvangen was en een zeer comfortabele zitplaats had, stelde Nanda Mahârâja zich met de volgende vriendelijke en onderdanige woorden in zijn dienst: Mijn waarde heer, omdat u een toegewijde bent, bent u in alle opzichten volkomen. Toch is het mijn plicht om u te dienen. Geef me alstublieft een opdracht. Wat kan ik voor u doen?
Als de groten zich bewegen in de richting van de gewone man, de eenvoudig ingestelde huishouders, is dat iets dat nooit moet worden beschouwd als plaatsvindend om enige andere reden dan voor hun eigen bestwil.
O mijn heer, o verheven toegewijde, mensen als u gaan niet uit eigenbelang van het ene huis naar het andere, maar ten behoeve van de eenvoudige grihastha's [gezinshoofden]. Anders hebben ze er geen belang bij om zich van de ene plaats naar de andere te begeven.
Een ieder is in staat zich een idee te vormen van zijn verleden en toekomst door de kennis over de loop der hemellichamen die het verstand van de gewone man te boven gaat en die u zo genadevol, voor iedereen na te gaan, hebt vastgelegd [in een boek over astrologie].
O grote heilige, u hebt alle astrologische kennis verzameld waardoor men onzichtbare dingen in heden en verleden te weten kan komen. Door de kracht van deze kennis kan ieder mens begrijpen wat hij in zijn vorige leven gedaan heeft en hoe dit zijn huidige leven beïnvloedt. Dit is u bekend.
U inderdaad als de beste van de kenners van het Brahman bent de brahmaan van geboorte [*] die er is als de goeroe van iedereen; voert u dus alstublieft de naamgevingsplechtigheid uit [de samskâra] voor deze twee jongens [Krishna en Balarâma].'
O Heer, u bent de beste van de brâhmana's, vooral omdat u alles afweet van de jyotih-s'âstra, astrologische wetenschap. Daarom bent u vanzelf de geestelijk leraar van iedereen. Omdat dit zo is en u zo vriendelijk geweest bent om naar mijn huis te komen, wilde ik u vragen om de zuiveringsrituelen voor mijn twee zonen te volbrengen.
S'rî Garga zei: 'Ik ben, zoals iedereen weet, de leraar van het voorbeeld van de Yadu's; altijd hebben de zonen met mij de zuiveringsriten ondergaan, maar in uw geval zouden de mensen ervan kunnen denken dat we dat deden voor de zoon van Devakî.
Gargamuni zei: Beste Nanda Mahârâja, ik ben de priester en begeleider van de Yadu-dynastie. Iedereen weet dat, en als ik daarom het proces van zuivering voor uw zonen volbreng, zal Kamsa Hen als de zonen van Devakî beschouwen.
Kamsa, die grote zondaar, met uw vriendschap met Vasudeva in gedachten en het feit dat het achtste kind van Devakî niet een meisje kan zijn, zou, met de notie die hij nam van het bericht van Devakî's dochter [Durgâ 10.4: 12], zelfs kunnen overwegen het ter dood te brengen en derhalve is het niet verstandig voor ons om dat te gaan doen.'
Kamsa is zowel een groot diplomaat als een zeer zondig mens. Hij heeft van Yogamâyâ, de dochter van Devakî, gehoord dat het kind dat hem zal doden al ergens anders geboren is en dat er uit de achtste zwangerschap van Devakî geen vrouwelijk kind kon komen. Hij is zich bovendien bewust van uw vriendschap met Vasudeva. Als hij hoort dat het proces van zuivering door mij, de priester van de Yadu-dynastie, volbracht is, zal hij al deze punten dus beslist in overweging nemen en vermoeden dat Krishna de zoon van Devakî en Vasudeva is. Dan zou hij stappen kunnen ondernemen om Krishna te doden, en dat zou een catastrofe zijn.
S'rî Nanda zei: 'Voer dan zonder dat hij of zelfs maar mijn verwanten er weet van hebben nu hier ter plekke op een afgezonderde plaats, in de koeienstal, het tweedegeboorte zuiveringsritueel uit met de heilbrengende zang van de klassieke hymnen.'
Nanda Mahârâja zei: O grote wijze, als u denkt dat een zuiveringsceremonie onder uw leiding Kamsa argwanend zal maken, zing de vedische lofzangen dan in het geheim en volbreng het ritueel hier in de koeienstal van mijn huis, zonder dat iemand anders het weet, zelfs mijn verwanten niet, want dit proces van zuivering is van wezenlijk belang.
S'rî S'uka zei: 'Op dit dringende verzoek voerde de geleerde man voor de twee jongens in geheime afzondering de naamgevings-plechtigheid uit waarvoor hij was gekomen.
S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: Na dit speciale verzoek van Nanda Mahârâja om datgene te doen wat hij in feite al had willen doen, volbracht Gargamuni op een afgelegen plek voor Krishna en Balarâma de ceremonie waarbij de naam gegeven wordt.
S'rî Garga zei: 'Deze hier inderdaad is de zoon van Rohinî die met Zijn bovenzinnelijke kwaliteiten er is voor het genoegen van al de Zijnen en om die reden Râma zal heten; zo ook zal Hij bekend staan als Bala vanwege Zijn buitengemene kracht en zal Hij voor het feit dat Hij de beide families verenigt [van Nanda en Vasudeva, zie ook 10.2: 8] ook wel Sankarshana heten [de samenbrenger].
Gargamuni zei: Dit kind, de zoon van Rohinî, zal Zijn vrienden en verwanten door Zijn transcendentale eigenschappen alle plezier schenken. Daarom zal Hij bekendstaan als Râma. En omdat Hij blijk zal geven van buitengewone lichaamskracht, zal Hij eveneens bekendstaan als Bala. Omdat Hij twee families met elkaar verenigt - de familie van Vasudeva en de familie van Nanda Mahârâja - zal Hij bovendien bekendstaan als Sankarshana.
Er zijn drie kleuren die uw zoon heeft aangenomen in het aanvaarden van gedaanten overeenkomstig de yuga: wit, rood alsook geel en nu is Hij Krishna [donker van kleur, zie **].
Uw zoon Krishna verschijnt in elk millennium als een incarnatie. In het verleden heeft Hij drie verschillende kleuren aangenomen - wit, rood en geel - en is nu in een zwartachtige kleur verschenen. [In een ander Dvâpara-yuga verscheen Hij (als Heer Râmacandra) met de kleur van een suka of papegaai. Dit soort incarnaties hebben zich nu allemaal in Krishna verenigd.]
Kort hiervoor werd dit kind geboren uit Vasudeva en daarom zullen zij die hiervan op de hoogte zijn over uw kind spreken als de in alle opzichten prachtige Vâsudeva.
Om allerlei redenen is deze prachtige zoon van u vroeger al enige malen als de zoon van Vasudeva verschenen. Daarom noemen degenen die kennis hebben dit kind soms Vâsudeva.
Van deze zoon van u zijn er vele namen en gedaanten naar de aard van Zijn kwaliteiten en handelingen; ik ben daarvan op de hoogte, maar de gewone man weet het niet.
Deze zoon van u heeft naargelang Zijn transcendentale eigenschappen en activiteiten vele gedaanten en namen. Ik ken ze allemaal, maar de mensen in het algemeen begrijpen ze niet.
Dit kind zal altijd handelen naar wat voor jullie allen het gunstigst is in Zijn rol als een Nanda-Gokula koeherder; door Hem zullen jullie allen met gemak alle gevaar trotseren [*3].
Om de transcendentale gelukzaligheid van de koeherders van Gokula te verhogen zal dit kind altijd heilzaam voor u handelen. En slechts door Zijn genade zal u alle moeilijkheden te boven komen.
In vervlogen tijden werden door Hem, o Koning van Vraja, de vromen die waren verstoord door de schurken van een foute regering beschermd zodat zij, met de slechten verslagen, konden floreren [zie ook 1.3: 28].
O Nanda Mahârâja, zoals de geschiedenis vermeldt was er na de onttroning van Indra een onwettige, onbekwame regering aan de macht en werden de mensen lastig gevallen door dieven. Op dat moment verscheen dit kind, om de mensen te beschermen en ze in staat te stellen in vrede en voorspoed te leven, en bedwong alle schurken en dieven.
Zoals degenen trouw aan Vishnu niets te vrezen hebben van de Asura's, zullen zij die zo fortuinlijk zijn jegens dit kind te handelen uit genegenheid niet door vijanden worden overweldigd.
De demonen [asura's] kunnen de halfgoden, die Heer Vishnu altijd aan hun zijde hebben, geen kwaad doen. Zo is ook iedereen die aan Krishna gehecht is bijzonder fortuinlijk. Omdat dergelijke personen diepe genegenheid voor Krishna koesteren, kunnen demonen zoals de handlangers van Kamsa [of de inwendige vijanden, de zintuigen] hen niet verslaan.
Daarom, o Nanda, draag nauwgezet zorg voor de opvoeding van dit kind: in Zijn kwaliteiten, rijkdom, naam en faam is deze zoon van u zo goed als Nârâyana!'
O Nanda Mahârâja, de conclusie luidt daarom dat uw kind even goed is als Nârâyana. In Zijn transcendentale eigenschappen, rijkdom, naam, roem en invloed is Hij precies als Nârâyana. U moet dit kind allemaal met grote zorg opvoeden.
S'rî S'uka zei: 'Nadat Garga hen aldus volledig op de hoogte had gesteld van de Allerhoogste Ziel [zoals die zich met de twee jongens had gemanifesteerd] en naar zijn eigen plaats was vertrokken, beschouwde Nanda zichzelf, gezegend met al het fortuinlijke, een zeer gelukkig man.
S'rî S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: Nadat Gargamuni Nanda Mahârâja dit alles over Krishna verteld had en op weg gegaan was naar zijn eigen verblijf, voelde Nanda Mahârâja zich erg voldaan en beschouwde zichzelf als buitengewoon fortuinlijk.
Een tijdje later waren in Gokula Râma en Kes'ava [Krishna] op hun handjes en knietjes rondkruipend van hun jeugd aan het genieten.
De beide broers, Râma en Krishna, begonnen al snel op handen en knieën over de grond van Vraja te kruipen en genoten zo van Hun kinderspel.
Zij, als slangen door de modder van die koeienplaats kruipend produceerden, met hun voetjes achter zich aan slepend, een lief geluid met hun enkelbelletjes, maar bekoord door de geluiden enthousiast achter andere mensen aankruipend, werden ze bang en keerden ze snel weer terug naar hun moeders.
Zoals Krishna en Balarâma, Zich afzettend met Hun beentjes, rondkropen door de modder van Vraja, die ontstaan was door de mest en de urine van de koeien, leek Hun kruipen wel op het kruipen van slangen, en het geluid van Hun enkelbelletjes was heel bekoorlijk. Zelf verrukt over het geluid van de enkelbelletjes van anderen, gingen Ze die achterna alsof Ze naar Hun moeders toegingen, maar als Ze dan zagen dat het iemand anders was, werden Ze bang en keerden terug naar Hun echte moeders, Yas'odâ en Rohinî.
De moeders met het omarmen van de door de modder schattig gekleurde lichaampjes lieten hen dan drinken van de melk die vanuit de grote liefde voor ieder van hun zoontjes uit hun borst vloeide, en als ze, terwijl ze zoogden, in hun mondjes keken waren ze als de hemel zo gelukkig om de doorkomende tandjes te ontdekken.
Besmeurd als Ze waren met modder vermengd met mest en urine van de koeien, zagen de kinderen er werkelijk prachtig uit, en als Ze naar Hun moeders gingen, pakten Yas'odâ en Rohinî Ze met diepe genegenheid op, omhelsden Ze en lieten Ze de melk drinken die uit hun borsten vloeide. Terwijl Ze de borst kregen, glimlachten de kinderen, zodat Hun kleine tandjes te zien waren. Hun moeders waren bij het zien van deze prachtige tandjes vervuld van grote transcendentale gelukzaligheid.
Van binnen hun huizen de kinderen gadeslaand die buiten in Vraja aan het spelen waren vergaten ze lachend hun huishoudelijke taken geamuseerd bij de aanblik van hun beiden die met het vastgrijpen van de uiteinden van de staarten van de kalfjes zich in het rond lieten slepen.
In het huis van Nanda Mahârâja keken de vrouwen van de koeherders met plezier naar het spel van de twee kinderen, Râma en Krishna. De kinderen grepen bijvoorbeeld het staarteinde van de kalveren vast, en de kalveren sleepten Hen dan overal rond. Als de gopî's dit spel en vermaak zagen, staakten ze beslist hun huishoudelijke bezigheden en genoten lachend van de gebeurtenissen.
In hun onvermoeibare spelen bezig met de koeien, met vuur, met scherpgetande beestenmuilen, met zwaarden, water, vogels en doornen, raakten de moeders ontmoedigd als ze, met het doen van hun huishouding, er niet iets op konden vinden ze een halt toe te roepen.
Als moeder Yas'odâ en Rohinî de kinderen niet konden beschermen tegen de dreigende rampen van gehoornde koeien, vuur, dieren met klauwen en tanden, zoals apen, honden en katten, en van doornen, zwaarden en andere wapens die op de grond kunnen liggen, waren ze voortdurend bezorgd en dit verstoorde hun huishoudelijke bezigheden. Op zo'n moment ontwaakte in hun geest de transcendentale extase die bekendstaat als het leed van moederliefde, waardoor ze dan volkomen evenwichtig waren.
Binnen de kortste keren, o Koning, begonnen Râma en Krishna met gemak zonder de hulp van hun knietjes op enkel hun twee beentjes in Gokula rond te lopen.
O koning Parîkshit, in zeer korte tijd begonnen zowel Râma als Krishna met alle gemak en op eigen kracht op Hun beentjes rond te lopen, zonder nog te hoeven kruipen.
Daaropvolgend wekte de Allerhoogste Heer, in Zijn samen met Balarâma blij spelen met andere kinderen in Vraja, bij de dames van Vraja een hemelse verrukking op.
Vervolgens begonnen Heer Krishna en Balarâma samen met de andere kinderen van de koeherders te spelen, waardoor Ze de vrouwen van de koeherders transcendentale gelukzaligheid bezorgden.
De gopî's, die met ogen voor Krishna er enkel op belust om telkens weer opnieuw over Zijn kinderstreken te vernemen, kwamen bijeen in de aanwezigheid van Zijn moeder en zeiden:
De gopî's uit de buurt, die getuige waren van de verrukkelijke kinderlijke rusteloosheid van Krishna, wilden telkens weer over Zijn activiteiten horen en gingen daarom naar moeder Yas'odâ toe en vertelden haar het volgende.
'Hij heeft eens zonder dat het er de tijd voor was de kalveren losgelaten en zat toen te lachen over de woede die daarover bestond; op één of andere manier stal Hij en at Hij uit de potten de smakelijke yoghurt, melk en boter en gaf Hij de apen ieder ervan een deel te eten; als die [zat zijn en] niet meer willen eten breekt hij de pot en als Hij niets kan vinden [om de apen te eten te geven] gaat Hij boos op de mensen in het huis de babytjes knijpen.
"Yas'odâ, lieve vriendin, je zoon komt soms onze huizen binnen en laat dan nog vóór het melken van de koeien de kalveren los, en als de heer des huizes kwaad wordt, glimlacht je zoon alleen maar. Soms verzint Hij een manier om lekkere yoghurt, boter en melk te stelen, waar Hij dan vervolgens van eet en drinkt. Als de apen er dan bij komen, deelt Hij alles met ze, en als ze hun buik zó vol hebben dat er niets meer bij kan, breekt hij de potten. In andere gevallen, als Hij geen kans krijgt om boter of melk uit een huis te stelen, wordt Hij kwaad op de bewoners, en uit wraak plaagt Hij dan de kleine kinderen door ze te knijpen. En beginnen de kinderen te huilen, dan maakt Hij dat Hij wegkomt.
[Met de potten] buiten Zijn bereik opgehangen vindt Hij er wat op door dingen op te stapelen of een stampvat om te keren en weet Hij de inhoud te bereiken door een gat te maken in de hangende pot. De tijd afwachtend dat de gopî's druk bezig zijn met hun huishoudelijke bezigheden, weet Hij Zijn weg te vinden in een donkere kamer met genoeg licht om te zien van de stralende juwelen op Zijn lichaam!
"Als de melk en yoghurt hoog opgehangen zijn aan het plafond en Krishna en Balarâma er niet bij kunnen, weten Ze er toch bij te komen door allerlei planken op te stapelen en de vijzel voor het malen van specerijen om te keren. Heel goed wetend wat de inhoud van elke pot is, slaan Ze er gaten in. Terwijl de oudere gopî's met het huishouden bezig zijn, gaan Krishna en Balarâma soms een donkere kamer binnen, verlichten de ruimte met de kostbare juwelen en sieraden die Ze dragen en benutten dit licht om van alles te stelen."
Hij is zo stout dat Hij soms vrijelijk plast op een schoon plekje in onze huizen en die slimme, vindingrijke dief zit daar nu als een lief jongetje!' Aldaar bijeen bespraken de gopî's al dit soort zaken, maar als ze Hem voor zich zagen zitten, bang kijkend met Zijn mooie gezichtje, konden de gopî's blij om Hem te zien met hun klachten tegen Hem ingebracht enkel glimlachen en zich vermaken en konden ze waarlijk niet boos op Hem zijn.
"Als Krishna bij zijn kattekwaad betrapt wordt en de heer des huizes tegen Hem zegt 'Jij bent een dief!', en doet alsof hij kwaad op Hem is, geeft Krishna als antwoord: 'Ik ben geen dief, u bent een dief.' Soms, als Krishna boos is, laat Hij ergens op een keurig schoon plekje in ons huis Zijn ontlasting en urine achter. Maar nu, Yas'odâ, lieve vriendin, zit deze uiterst bedreven dief voor je als een braaf jongetje." Soms keken de gopî's hoe Krishna erbij zat, Zijn ogen vol angst opdat Zijn moeder Hem niet zou straffen, en als ze Krishna's prachtige gezicht zagen, wilden ze in plaats van Hem te straffen alleen maar naar Hem kijken en opgaan in transcendentale gelukzaligheid. Moeder Yas'odâ moest glimlachen bij het zien van dit grappige tafereel, en dacht er niet aan haar gezegende transcendentale kind te straffen.
Op een dag, toen Hij wat ouder was, kwamen Balarâma en de andere kinderen uit de buurt om Zijn moeder te zeggen: 'Krishna heeft aarde gegeten!'
Toen Krishna op een dag met Zijn vrienden speelde, waaronder Balarâma en andere zonen van de gopa's, gingen ze allemaal naar moeder Yas'odâ toe om over Hem te klagen. "Moeder," zeiden ze, "Krishna heeft aarde gegeten."
Yas'odâ bezorgd over Zijn welzijn nam Krishna berispend bij de hand en keek bezorgd in Zijn mondje om Hem aan een nader onderzoek te onderwerpen en zei:
Toen moeder Yas'odâ, die zich altijd zorgen maakte om het welzijn van Krishna, dit van Zijn speelkameraadjes hoorde, tilde ze Hem op om in Zijn mond te kijken en Hem te straffen. Met haar ogen vol angst zei ze het volgende tegen haar zoon.
'Waarom heb jij, ongehoorzame jongen, stiekem modder gegeten, wat hoor ik nu van Je oudere broertje en je speelkameraadjes?'
Lieve Krishna, waarom ben je zo rusteloos dat Je ergens op een afgelegen plek aarde gegeten hebt? Al Je speelkameraadjes komen over Je klagen, en zelfs Je oudere broer Balarâma. Hoe zit dat?
'O mammie ik heb geen modder gegeten, ze hebben het helemaal verkeerd; als dat wat zij zeggen waar zou zijn, kijk dan nu meteen in Mijn mond!'
Heer S'rî Krishna antwoordde: Lieve moeder, Ik heb nooit aarde gegeten. Al Mijn vrienden die over Me klagen zijn leugenaars. Als u denkt dat ze de waarheid spreken, kan u gewoon in Mijn mond kijken en het zelf onderzoeken.
'Doe Je mondje dan maar eens wijd open als dat zo is', droeg ze Hem op en Hij, de Allerhoogste Persoonlijkheid, de Heer wiens weelde onbegrensd is, opende toen, in Zijn spel als een mensenkind, Zijn mond.
Moeder Yas'odâ daagde Krishna uit: "Als Je geen aarde gegeten hebt, doe Je mond dan nu wijdopen." Toen Krishna op deze manier door Zijn moeder uitgedaagd werd, wilde de zoon van Nanda Mahârâja en Yas'odâ Zich precies zo gedragen als een mensenkind en opende Zijn mond. Hoewel de Allerhoogste Godspersoon, Krishna, die alle volheden ten volle bezit, de ouderliefde van Zijn moeder niet verstoorde, werd Zijn volheid vanzelf geopenbaard, want Krishna verliest Zijn volheid nooit, maar openbaart haar op het juiste moment.
Binnenin Zijn mond zag ze [voor de tweede keer, zie hoofdstuk 10.7: 35-37] het hele universum met alle bewegende en niet-bewegende levensvormen en de hemel in alle richtingen, de bergen, de continenten, de oceanen, de oppervlakte van de aarde, de waaiende wind, het vuur, de maan en de sterren. Ze zag de planetenstelsels, de wateren, het licht, het uitspansel met de hele buitenruimte en al die [godheden] gebonden aan verandering, de zinnen, de geest en de drie geaardheden. De schakering van dat alles ziend tezamen met de tijd van leven van iedere ziel, de natuurlijke instincten, het karma, wat er allemaal begeerd wordt en de verschillende subtiele lichamen, met inbegrip van Vraja en haarzelf binnenin de wijd open mond van het lichaam van haar zoontje, deed haar vol ongeloof versteld staan:
Toen Krishna op bevel van moeder Yas'odâ Zijn mond wijdopen deed, zag ze in Zijn mond alle bewegende en niet bewegende wezens, de ruimte en alle richtingen samen met bergen, eilanden, oceanen, het aardoppervlak, de waaiende wind, vuur, de maan en de sterren. Ze zag de planetenstelsels, water, licht, lucht, het uitspansel en de schepping door transformatie van ahankâra. Ook zag ze de zintuigen, de geest, zintuiglijke waarneming en de drie geaardheden goedheid, hartstocht en onwetendheid. Ze zag de tijdsduur die de levende wezens toebedeeld was, het natuurlijk instinct, de reacties van karma en de verlangens en verschillende soorten lichamen, bewegende en niet bewegende. Bij het zien van al deze aspecten van de kosmische openbaring, haarzelf en Vrindâvana-dhâma daarbij inbegrepen, begon ze te twijfelen aan de aard van haar zoon en werd ze bang.
'Is dit allemaal een droom, een waanidee van God of misschien een drogbeeld van mijn eigen intelligentie, of zou anders dat wat ik zie een of ander yogafenomeen zijn eigen aan mijn kind?
[Moeder Yas'odâ begon zichzelf vragen te stellen:] Is dit een droom of een illusoire schepping van de uitwendige energie? Is dit een creatie van mijn eigen intelligentie, of komt het door een of ander mystiek vermogen van mijn kind?
Omdat ik, voor zover ik dat kan zien, niet vermag te begrijpen wat allemaal het bewustzijn, de geest, het handelen en de woorden te boven gaat, geef ik mezelf over aan de voeten van Hem buiten mijn gezichtsbereik onder wiens gezag ik leef en door wie ik kan ontwaken.
Laat ik me daarom overgeven aan de Allerhoogste Godspersoon en mijn eerbetuigingen aanbieden aan Hem, die buiten het bereik staat van menselijke speculatie, de geest, activiteiten, woorden en argumenten, die de oorspronkelijke oorzaak van deze kosmische openbaring is, door wie de hele kosmos instandgehouden wordt en door wie we ons een begrip kunnen vormen van het bestaan van die kosmos. Laat ik Hem eenvoudigweg mijn eerbetuigingen brengen, want Hij staat boven alles waarover ik kan nadenken, speculeren en mediteren. Hij staat boven al mijn materiële activiteiten.
In het idee van ik als hebbende deze echtgenoot en die zoon, als zijnde de echtgenote die het allemaal zou bezitten met de heerser van Vraja, met al de gopî's en gopa's onder mijn gezag met de koeien en de kalveren, heb ik het helemaal bij het verkeerde eind omdat alleen maar Hij mijn vooruitgang is [zie 5.5: 8, 7.9: 19 en B.G. 5: 29].'
Het is onder invloed van de mâyâ van de Allerhoogste dat ik ten onrechte denk dat Nanda Mahârâja mijn man is, dat Krishna mijn zoon is, en dat de enorme rijkdom aan koeien en kalveren mijn bezit is en de koeherders en koeherderinnen mijn onderdanen zijn omdat ik de koningin van Nanda Mahârâja ben. In wezen ben ook ik eeuwig ondergeschikt aan de Allerhoogste Heer. Hij is mijn uiteindelijke toevlucht.
Nadat ze op deze manier haar werkelijkheid had begrepen zoals die was, bereidde Hij, de Heer, voor die dame van leiding over de gopî's [wederom] Zijn bijzondere genade als Vishnu uit zodat zij, met haar genegenheid voor haar zoontje, aangetrokken kon zijn tot de Almachtige.
Moeder Yas'odâ kon door de genade van de Heer de werkelijke waarheid inzien. Maar toen inspireerde de allerhoogste meester haar onder invloed van het inwendig vermogen, yogamâyâ, helemaal op te gaan in intense moederliefde voor haar zoon.
Met de herinnering [aan het visioen] abrupt verdwenen zette zij, de gopî, geraakt in haar hart haar zoontje op haar schoot met een liefde hersteld naar de situatie zoals die voorheen was geweest.
Moeder Yas'odâ vergat de door yogamâyâ geschapen illusie dat Krishna haar in Zijn mond het hele universum had laten zien onmiddellijk, nam net als voorheen haar zoon op schoot en voelde in haar hart de liefde voor haar transcendentale kind steeds meer toenemen.
Door de drie [Veda's] en ook door de filosofische oefeningen [de Upanishads], de yoga-analyse [sânkhya-yoga] en door middel van de toegewijden [pañcarâtra's] wordt de Heer verheerlijkt in al Zijn grootheid, maar zij dacht simpelweg over Hem na als zijnde haar zoon.'
De heerlijkheid van de Allerhoogste Godspersoon is een onderwerp van onafgebroken studie in de drie Veda's, de Upanisad's, de geschriften over sânkhya-yoga en andere vaishnava-literatuur, maar moeder Yas'odâ beschouwde de Allerhoogste Godspersoon gewoon als haar kind.
De achtenswaardige koning zei: 'Wat waren de vrome handelingen [zie B.G. 7: 16] o brahmaan, volbracht door Nanda en Yas'odâ, van wiens moedermelk de Heer dronk, waardoor ze de hoogste vervolmaking bereikten van het aldus gezegend zijn?
Toen Mahârâja Parîkshit vernomen had hoe bijzonder fortuinlijk moeder Yas'odâ was, vroeg hij aan S'ukadeva Gosvâmî: O geleerde brâhmana, de Allerhoogste Godspersoon dronk de borstmelk van moeder Yas'odâ. Wat voor zegenrijke activiteiten hebben zij en Nanda Mahârâja in het verleden verricht om dergelijke volmaaktheid in extatische liefde te bereiken?
Zelfs niet Zijn eigen vader en moeder konden van de verheffende kinderavonturen van Krishna genieten die de ongerechtigheid van de wereld wegnemen en welke zelfs vandaag de dag nog worden bezongen door de intelligenten!'
Hoewel Krishna zo ingenomen was met Vasudeva en Devakî dat Hij als hun zoon geboren werd, konden ze geen vreugde beleven aan het fantastische spel en vermaak van Krishna als kind, dat zó fantastisch is dat gewoon het spreken erover de besmetting van de materiële wereld al tenietdoet. Nanda Mahârâja en Yas'odâ genoten echter met volle teugen van dit spel en vermaak, en daarom is hun positie altijd beter dan die van Vasudeva en Devakî.
S'rî S'uka zei: 'Drona, de beste der goddelijken [de Vasu's] zei samen met zijn vrouw Dharâ in het verleden tot Heer Brahmâ, enkel om uit te vinden wat zijn opdracht was:
S'ukadeva Gosvâmî zei: Gehoorzaam aan de opdrachten van Heer Brahmâ, spraken Drona, de beste van de Vasu's, en zijn vrouw Dharâ Heer Brahmâ als volgt toe.
'Mogen wij [als Zijn ouders] geboorte nemen op deze aarde om, terwille van de grootheid van God, er te zijn in toegewijde dienst voor de Heer, de Heerser van het ganse Universum, die het uiteindelijke doel is in de wereld en dankzij wie moeiteloos een miserabel leven kan worden vermeden?'
Drona en Dharâ zeiden: Laat ons alstublieft op de planeet aarde geboren worden, zodat na onze komst de Allerhoogste Heer, de Godspersoon, de allerhoogste bestuurder en meester van alle planeten eveneens zal verschijnen en toegewijde dienst, het uiteindelijke doel van het leven, zal verspreiden, opdat degenen die in de materiële wereld geboren zijn op een heel gemakkelijke manier uit de miserabele toestand van het materiële leven verlost kunnen worden door deze toegewijde dienst te aanvaarden.
'Het zij zo', klonk het daarop zodat hij, de Grootheid [de Bhagavân voor de Bhagavân], Drona, die hoogst verheven ziel, geboren werd in Vraja en daar bekend stond als Nanda en zij, Dharâ, er verscheen als Yas'odâ [vergelijk 10.3: 32-45 en zie *4].
Brahmâ zei "Ja, het zij zo", en toen verscheen de zeer fortuinlijke Drona, die de gelijke van Bhagavân was, in Vrajapura, Vrindâvana, als de beroemde Nanda Mahârâja, en verscheen zijn vrouw Dharâ als moeder Yas'odâ.
O zoon van Bharata, als gevolg daarvan was er van de echtgenoot zowel als van de echtgenote en al de gopa's en gopî's, de onophoudelijke [liefde] van de toegewijde dienst voor de Heer die was verschenen als hun zoon en die een ieder het beste toewenst.
O Mahârâja Parîkshit, beste van de Bhârata's, toen de Allerhoogste Godspersoon vervolgens de zoon van Nanda Mahârâja en Yas'odâ werd, gaven ze blijk van onafgebroken en onwankelbare toewijding en ouderliefde voor Hem. En door hun gezelschap ontwikkelden ook de andere inwoners van Vrindâvana, de gopa's en gopî's, krishna-bhakti.
Om de woorden van Brahmâ gestand te doen verbleef Krishna toen samen met de almachtige [of Bala-]Râma in Vraja om, tot hun grote genoegen, Zijn spel en vermaak [Zijn 'lîlâ'] tentoon te spreiden.'
Zo woonde de Allerhoogste Persoon, Krishna, samen met Balarâma in Vrajabhûmi, Vrindâvana, om de zegen van Brahmâ te verwezenlijken. Door in Zijn kinderjaren verschillende soorten spel en vermaak tentoon te spreiden deed Hij de transcendentale vreugde van Nanda en de andere inwoners van Vrindâvana steeds meer toenemen.
* Het Sanskriet zegt hier 'bij geboorte', maar de paramparâ benadrukt de tweede geboorte of initiatie. Svâmî Prabhupâda geeft als commentaar: 'Niemand komt als een brâhmana ter wereld; iedereen wordt geboren als een s'ûdra. Maar onder de leiding van een brâhmana en door samskâra, kan men dvija worden, tweemaal geboren, en dan stap voor stap een brâhmana worden. Brahmanisme is niet een systeem bedoeld om een monopolie te creëren voor een bepaald soort mensen. Iedereen zou er toe moeten worden opgevoed een brâhmana te worden. Er moet ten minste een gelegenheid bestaan om het iedereen mogelijk te maken het doel van het leven te bereiken.' Naast deze tweede geboorte is er ook de derde geboorte die men heeft vanwege de offers die men brengt: men bereikt de onafhankelijkheid met het internaliseren van de goeroe (zie ook 4.31: 10, 7.11: 35).
** Het woord Krishna betekent behalve donker nog meer, Svâmî Prabhupâda geeft als commentaar: 'Als we het nirukti, of de semantische afleiding analyseren van het woord "Krishna," ontdekken we dat na betekent dat Hij de herhaling van geboorte en dood stopt, en dat krish sattârtha, ofwel "bestaan" betekent (Krishna vormt het geheel van het bestaan.) Ook betekent krish "aantrekking," en betekent na ânanda, of "gelukzaligheid." Zijn kleuren worden later in het elfde Canto besproken onder: 11.5: 21, 24, 27 en 34.
*3 Een van de mantra's die de Vaishnava's gebruiken om hun voedsel te offeren voor Krishna luidt:
namo brahmanya-devâya
go-brâhmana-hitâya ca
jagad-dhitâya krishnâya
govindâya namo namah'Mijn eerbetuigingen voor de godheid der brahmanen altijd bezorgd om de koeien, de brahmanen en het ganse universum; voor Krishna, Govinda, mijn respectbetoon.'
*4 Wat betreft dit verschil tussen het privilege van het zijn van de eigenlijke ouders Vasudeva en Devakî en het zijn van Zijn pleegouders Nanda en Yas'odâ, legt Prabhupâda uit dat er twee soorten van siddha's, vervolmaakte of bevrijde zielen zijn: nitya siddha's en sâdhana siddha's: zij die eeuwig zijn bevrijd zoals Nanda en Yas'odâ en die Krishna's eeuwige metgezellen zijn of expansies van Krishna's persoonlijke lichaam, en die normale levende wezens die een bijzondere positie verwerven door gedurige sâdhana, de spirituele praktijk van het uitvoeren van vrome handelingen en het volgen van de regulerende beginselen van de toegewijde dienst.
Voor
deze vertaling werd het enige deel dat Svâmi Prabhupâda
van het tiende Canto schreef gebruikt.
Zie de
S'rîmad
Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van
Prabhupâda.
Het eerste schilderij op deze pagina is van Jadurani
devî dâsî (Syamarani
dâsî),
Parîkshit
dâsa
(Doug
Ball) &
Tribhuvanesvari
devî dâsî;
het tweede schilderij van Muralîdhara
dâsa
en het derde weer van Syamarani
dâsî.
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd