
Canto
6
Hoofdstuk 1: Dharma en Adharma: het Leven van Ajâmila
(1) S'rî Parîkchit zei: 'Door het pad der bevrijding te volgen in het begin door uwe Heiligheid beschreven, is naar de orde ervan, door middel van het yogaproces en met Heer Brahmâ, geleerd hoe men niet aan een nieuw leven moet beginnen. (2) Getekend door het lot en inderdaad gericht op de drie geaardheden, raakt men telkens weer gevangen in de materiële wereld waar sprake is van een voortdurende vernieuwing van vormen, o wijze. (3) De hellen typisch voor de verschillende soorten van zedeloosheid hebt u beschreven alsook de periode van Manu, de manvantara waarin we de oorspronkelijke Svâyambhuva, de zoon van Brahmâ, aantreffen. (4-5) Van Priyavrata en van Uttânapâda beschreef u het karakter en de dynastieën en ook gaf u een beschrijving van de verschillende bereiken, regionen, oceanen, gebergten, rivieren, tuinen en bomen van de aardse levenssfeer en haar situatie in de zin van de verdelingen, kenmerken en afmetingen van al de hogere en lagere werelden die de Almachtige schiep. (6) Alstublieft verklaar me hier en nu wat het menselijke wezen alhier te doen staat zodat ze niet al de soorten van verschrikkelijke omstandigheden moet ondergaan van een waarlijk lijden in de hel.'
(7) S'rî S'uka zei: 'Als in dit leven niet de nodige tegenmaatregelen worden genomen, het juiste afdoen wordt beoefend, zal, na het het zich verkeerd hebben gedragen in het denken, met de uitlatinmgen en met de zinnelijkheid, ongetwijfeld die persoon inderdaad na de dood eindigen in de verschillende soorten van hellen van verschrikkelijk lijden, welke ik u reeds heb beschreven. (8) Daarom, voordat men dood gaat en voordat je lichaam te oud en te gebrekkig is, behoort men alhier zo gauw men er de kans toe ziet zich te wijden aan het tenietdoen van de overtredingen met een juiste inschatting van hun ernst, precies zoals een dokter goed in het stellen van diagnosen zou doen met het behandelen van een ziekte.'
(9) De koning zei: 'Wat is dat afdoen nu voor een waarde als men, ondanks erover te vernemen en er getuige van te zijn, en te weten hoe schadelijk voor zichzelf men handelt in het begaan van overtredingen, men niet werkelijk zichzelf in de hand kan krijgen met het steeds maar in herhaling ten val komen? (10) Somtijds een einde makend aan de zonde, somtijds er weer opnieuw aan beginnend, bezie ik het proces van afdoen als nogal zinloos; het is precies als met een olifant die een stofbad neemt nadat hij uit het water komt.'
(11) De zoon van Vyâsa zei: 'Met het tenietdoen van karma wordt inderdaad, door het ontbreken van de nodige kennis, niet haar einde gerealiseerd; wil men er waarlijk mee hebben afgedaan dan moet men er echt genoeg van hebben. (12) Zij die het juiste voedsel eten worden werkelijk niet geplaagd door allerhande ziekten, zo ook heeft hij die te werk gaat met een ordentelijk in acht nemen o Koning, een toenemende kans op welbevinden. (13-14) Dit doet men middels gelofte en regulatie [yama en niyama]; vrijwillige boetedoening, celibaat, het beheersen van de geest [in dhyâna en met japa b.v.] en inperking van het zinnelijke alsook met het schenken aan goede doelen, met waarachtigheid en met inwendige en uitwendige reinheid. Met het lichaam, de stem en met de intelligentie maken zij die nuchter zijn, volledig op de hoogte van de feitelijke plicht van het dharma, met geloof een eind aan allerlei overtredingen, hoe groot en abominabel ook, zoals vuur droge bladeren verteert. (15) Sommigen slagen erin, met een vertrouwen op niets anders gebaseerd dan op een onvermengde toewijding [*] jegens Vâsudeva, al hun slechtheid te vernietigen zonder een kans op wederopleven, zoals de zon dat met mist doet. (16) Een mens vol van zonde, o Koning raakt voorzeker lang niet zo gezuiverd door boetedoening en dergelijke als de toegewijde die zijn leven overgaf aan Krishna in toegewijde dienst aan de oorspronkelijke persoon van God [of de âcârya, zie ook: 5.5: 10-13]. (17) In deze wereld is de weg die werkelijk geschikt is hij die wordt gevolgd door zich goed gedragende, onbevreesde en zegenrijke, heilige personen in overgave aan Nârâyana. (18) Het leeuwendeel van de inlossing, oplettend door een niet-toegewijde opgebracht, zal niet zuiveren, o Koning, precies zoals alle rivieren dat niet kunnen met het uitwassen van een drankvat. (19) Als de geest eenmaal vol is van de overgave aan de twee lotusvoeten van Heer Krishna, zal men alhier, vol verlangen uitziend naar Zijn kwaliteiten, nimmer Yamarâja en zijn opzichters op zijn weg vinden, of zelfs maar in zijn dromen zijn dienaren, met de touwen voor het vastbinden onder hun armen, tegenkomen, aangezien men dan wel van het juiste afdoen is [vergelijk B.G. 18: 66]. (20) In verband hiermee wordt ook wel het voorbeeld gegeven van de zeer oude geschiedenis van de discussie tussen de gezagdragers van Vishnu en Yamarâja. Alstublieft, verneem hierover nu van mij.
(21) In de stad Kânyakubja was er eens een brahmaan, die de naam Ajâmila droeg, die als de man van een vrouw uit de lagere klasse besmet was geraakt in zijn omgang met haar diensten en al zijn waarheidlievende gedrag had verloren. (22) Doordat hij zijn toevlucht had genomen tot verwerpelijke praktijken als het doen van aanhoudingen zonder noodzaak, bedrog in het gokspel en diefstal, hield hij zijn gezin op een hoogst zondige wijze in leven, waarbij hij anderen veel leed berokkende. (23) Op deze manier zijn leven doorbrengend met het onderhouden van zijn gezin dat uit vele zoons bestond, o Koning, verstreek de enorme tijdspanne van achtentachtig van zijn levensjaren. (24) Hij, als een oude man, had tien zonen en de jongste van hen was een klein kind dat door de vader en de moeder zeer werd gekoesterd en werd aangesproken met de naam Nârâyana. (25) Het kleintje lag hem na aan het hart; getuige te zijn van de kinderpraat en het spelen deed de oude man veel plezier. (26) Als hij at en dronk en kauwde gaf hij uit grote genegenheid voor het kind het ook iets te eten en te drinken, maar dwaas als hij was had hij niet door dat zijn einde nabij was. (27) Toen zijn stervensuur was aangebroken had hij, levend als een onbenullig iemand, aldus een geest die zich had gefixeerd op het jongetje dat de naam Nârâyana droeg. (28-29) Op korte afstand zag hij dat drie types waren gearriveerd die, met touwen in hun handen en angstwekkende gelaatstrekken, verwrongen gezichten en hun haren rechtop op hun lichaam staand, klaar stonden om hem met zich mee te nemen. Verschrikt en met tranen in zijn ogen riep hij luid om zijn in de buurt spelende kind dat dus de naam Nârâyana droeg. (30) Toen ze de naam van hun meester de Heer hoorden uit de mond van de stervende man, o Koning, kwamen Zijn dienaren er meteen aan.(31) Op het ogenblik dat de boodschappers van Yâma bij de echtgenoot van de meid van binnenuit zijn hart aan lostrekken waren, riepen de Vishnudûta's met welluidende stem dat een halt toe. (32) Zij, verhinderd, antwoordden hen: 'Wie zijn jullie allemaal, die ingaan tegen de autoriteit van de Koning van het Dharma? (33) Vanwaar of van wie zijn jullie afkomstig of waar horen jullie thuis, waarom zijn jullie naar hier gekomen en waarom weerhouden jullie ons ervan onze gang te gaan? Wie zijn jullie wel niet, de besten der volmaakten, goden of godgelijken of zoiets? (34-36) Jullie allen, met jullie lotusgelijke ogen, gele kledij, helmen, glinsterende oorhangers en kransen van lotusbloemen; jullie allen, die er zo jong uitzien en allemaal even mooi zijn met vier armen, een boog, een pijlenkoker en de opsier van een zwaard, een strijdknots, een hoornschelp, een werpschijf en een lotusbloem, in alle richtingen verdrijven jullie de duisternis met de straling van het licht dat van jullie uitgaat; wat is er de bedoeling van ons te dwarsbomen, de dienaren van de handhaver van het Dharma?'
(37) S'uka zei: 'Aldus aangesproken door de Yamadûta's gaven ze hen, altijd bereid Vâsudeva te dienen, glimlachend het volgende ten antwoord met stemmen die weerklonken als de rollende donder. (38) De achtenswaardige Vishnudûta's zeiden: 'Als jullie bij elkaar daadwerkelijk de gezagdragers van de Koning van het Dharma zijn, leg ons dan maar eens uit wat de waarheid is van dharma alsook hoe adharma moet worden herkend. (39) Op welke manier zouden straffen moeten worden uitgedeeld of wat zou de geschikte plaats daarvoor zijn, en zijn alle of slechts enkele van de mensen die uit zijn op hun voordeel strafbaar?
(40) De Yamadûta's zeiden: 'In de Veda's inderdaad staat het dharma voorgeschreven, adharma is het tegengestelde daarvan; de Veda's moeten worden gezien als voortgekomen uit Hemzelve, uit Nârâyana, zo hebben we vernomen. (41) Door Hem, vanuit Zijn eigen positie, worden onder het gezag van de geaardheden der hartstocht, goedheid en traagheid al deze manifestaties geschapen en hebben ze de bij hen horende verschillen in kwaliteiten, namen, activiteiten en gedaanten. (42) De goddelijkheid van de zon, het vuur, de hemel, de lucht, de goden, de maan, de avond, de dag en de nacht, de richtingen, het water en het land; al dezen verpersoonlijken het dharma, waarlijk aldus de getuigen vormend voor het belichaamde levende wezen. (43) Door al dezen wordt de afwijking in adharma gekend en worden al de geschikte plaatsen van bestraffing onderkend met achting voor het karma in kwestie van de overtreders die de bestraffing verdienen. (44) Met de karmî's die, besmet door de geaardheden, een materiële gedaante hebben aangenomen, zijn er inderdaad goedgunstige, vrome daden zowel als handelingen die daar lijnrecht tegenover staan, o zondelozen, aangezien vrijwel niemand zijn werk volledig vrij van materiële motieven verricht. (45) De mate waarin iemand in dit leven zich bezig houdt met een zeker dharma of adharma, verzekert hem van het genieten of lijden onder een bepaald resultaat in overeenstemming ermee in zijn volgende leven [vergelijk B.G. 14: 18]. (46) Zoals in dit leven onder de levenden, o beste der goddelijken, van de verschillende effecten der natuurlijke geaardheden, de drie soorten van eigenschappen worden verworven [van vreedzaam, rusteloos en zot zijn; of van gelukkig, ongelukkig, of iets er tussenin zijn; of van religieus, onkerkelijk of semi-kerkelijk zijn], mag men verwachten dat het net zo gaat als men ergens anders terecht komt [een leven hierna]. (47) Net zoals de huidige tijd bewijs vormt van het verleden en een aanwijzing vormt voor de toekomst, is net zo deze geboorte aanduiding voor het dharma en adharma van iemands geboorten in het verleden en in de toekomst. (48) In zijn verblijf neemt de godheid [die Yamarâja is] in zijn geestesoog de in het verleden aangenomen gedaante waar en overweegt hij de mogelijke toekomst ervan; aangaande de geest is hij een Heer zo goed en groot als Brahmâ. (49) Zoals iemand in zijn slaap bezig is met handelingen met betrekking tot een bepaalde gedaante, is men op dezelfde manier zich niet bewust van het verleden en van wat komen gaat, bij geboorte de heugenis verloren hebbend. (50) Met de zeventien der werkende en waarnemende zinnen en hun vijf objecten, gaat hij te werk, weet hij en heeft hij zijn belangen, maar met deze vijftien elementen en de geest daartoe, is hij [de ziel] het zelf die het zeventiende element vormt dat het drievoudige geniet. (51) Aangezien dat zestiendelige subtiele lichaam het effect is van de drie krachten van de grotere natuur, is het levend wezen onderworpen aan een [moeilijk te boven te komen] herhaalde transmigratie [samsriti] die het in vreugde, weeklagen, angst en ellende verzet. (52) De belichaamde die het bewustzijn mist met het niet in bedwang hebben van de zinnen en de geest, wordt tegen zijn wil tot het doen van handelingen terwille van zijn eigen materiële voordeel aangezet; zoals een zijderups weeft hij aldus verdwaasd rakend zich in in zijn eigen karma. (53) Er is waarlijk niemand die het ook maar voor een ogenblik zonder iets te doen kan stellen; door de drie geaardheden wordt iemand er automatisch toe gedwongen vruchtdragende handelingen te verrichten die het resultaat zijn van de eigen natuurlijke neigingen. (54) Met de o zo machtige, aangeboren aard vindt, zonder twijfel, als een kopie van het vlees van de moeder en het zaad van de vader, het grove en subtiele van het lichaam zijn bestaan voortgedreven door de, voor de persoon niet waarneembare, oorzaak [zie ook: B.G. 8: 6]. (55) De positie van een levend wezen is vanwege deze omgang met het materiële van de natuur verworden tot een akelige vol vergetelheid, maar als men maar kort de omgang van de Beheerser mag genieten, is dat probleem al overwonnen.
(56-57) Deze hier [Ajâmila] was altijd goed in de Veda, van een goede inborst, van goed gedrag en was een reservoir van goede eigenschappen; gewetensvol volgde hij de aanwijzingen op, was hij zachtgeaard, beheerst, waarheidlievend, deed hij zijn mantra's, was hij netjes en schoon, van de hoogste achting in dienst aan de goeroe, de vuurgod, zijn gasten en de leden van de huishouding en was hij vrij van vals prestige, vriendelijk jegens allen, zonder fouten, niet afgunstig en van de beste bewoordingen.(58-60) Ooit ging deze brahmaan, in opdracht van zijn vader, naar het bos om aldaar vruchten en bloemen te verzamelen en samit en kus'a [grassoorten]. Terugkerend, zag hij een of andere s'ûdra zeer lustig bezig samen met een publieke vrouw die dronken van de maireya nectar [een drank gemaakt van de somabloem] met haar ogen heen en weer rolde van de bedwelming. Onder invloed was haar kleed los gaan zitten en, onbeschaamd in wangedrag vervallen, stond hij lachend en zingend dicht tegen haar aan, zich met haar vermakend. (61) Haar ziend met zijn wellustige met turmeric versierde arm om haar heen, was hij er dus plots, van zijn jagende hart, zowaar zeker van ten prooi te vallen aan de verbijstering. (62) Van binnenuit trachtend zichzelf onder controle te krijgen, zichzelf herinnerend aan wat onderwezen was, slaagde hij er niet in zijn geest te bedwingen, van streek als die was door Cupido. (63) Als gevolg van de aanblik was hij, in de begoocheling van zijn geest zijn ware positie vergetend, als een verduisterde planeet en gaf hij, met zijn geest op haar gevestigd steeds weer aan haar denkend, zijn dharma er volledig aan. (64) Haar, had hij zich voorgenomen, zou hij behagen, voor zover het geld dat hij had van zijn vader hem dat toestond en, tegemoetkomend aan haar verlangens, bood hij haar materiële zekerheid, zodat ze tevreden zou zijn. (65) Zijn jonge vrouw, een brahmanendochter van goede huize, waarmee hij was getrouwd, gaf hij in zijn zonde op vanaf het moment dat zijn gefascineerd raakte door de blikken van de publieke vrouw. (66) Met alle macht en zoveel als mogelijk nam hij, deze persoon, verstoken van alle intelligentie, door dan wel behoorlijk dan wel onbehoorlijk het geld ervoor bijeen te zamelen, de zorg voor haar en de vele kinderen die deel uitmaakten van het gezin dat ze vormde. (67) Omdat, deze hier, brak met alle regels van de s'âstra, zich onverantwoordelijk gedragend, werd zijn leven van het voor zo'n lange tijd verwijlen in foute handelingen, vanwege de onzuiverheid ten strengste veroordeeld als zijnde onrein. (68) Aangezien hij van geen ophouden wist met zijn herhaalde overtredingen, zullen we derhalve hem meevoeren naar de aanwezigheid van de Heer der Bestraffing alwaar gekastijd hij zuivering zal vinden.'
Tweede editie, geladen 24 maart 2007.
Bronteksten:
Het leven van Ajâmila
S'rî Parîkchit zei: 'Door het pad der bevrijding te volgen in het begin door uwe Heiligheid beschreven, is naar de orde ervan, door middel van het yogaproces en met Heer Brahmâ, geleerd hoe men niet aan een nieuw leven moet beginnen.Mahârâja Parîkshit zei: O mijn heer, o S'ukadeva Gosvâmî, u heeft reeds een beschrijving gegeven [in het tweede canto] van het pad der bevrijding [nivritti-mârga]. Door dat pad te volgen, wordt men zeker geleidelijk verheven tot het hoogste planetenstelsel, Brahmaloka, vanwaar men samen met Heer Brahmâ naar de geestelijke wereld wordt bevorderd. De kringloop van geboorte en dood in de materiële wereld is dan beëindigd. (Vedabase)
Getekend door het lot en inderdaad gericht op de drie geaardheden, raakt men telkens weer gevangen in de materiële wereld waar sprake is van een voortdurende vernieuwing van vormen, o wijze.
O grote wijze S'ukadeva Gosvâmî, tenzij het levend wezen vrij is van de besmetting van de geaardheden der materiële natuur ontvangt hij verschillende soorten lichamen om in te genieten of te lijden, en overeenkomstig deze lichamen vertoont hij bepaalde tendensen. Door deze tendensen te volgen, bewandelt hij het pad van pravritti-mârga, waardoor iemand naar de hemelse planeten bevorderd kan worden, zoals u reeds beschreven heeft [in het derde canto]. (Vedabase)
De hellen typisch voor de verschillende soorten van zedeloosheid hebt u beschreven alsook de periode van Manu, de manvantara waarin we de oorspronkelijke Svâyambhuva, de zoon van Brahmâ, aantreffen.
Ook heeft u [aan het einde van het vijfde canto] de verschillende vormen van hels leven beschreven, die het gevolg zijn van zondige activiteiten, en [in het vierde canto] de eerste manvantara, waarin Svâyambhuva Manu, de zoon van Heer Brahmâ, de leiding had. (Vedabase)
Van Priyavrata en van Uttânapâda beschreef u het karakter en de dynastieën en ook gaf u een beschrijving van de verschillende bereiken, regionen, oceanen, gebergten, rivieren, tuinen en bomen van de aardse levenssfeer en haar situatie in de zin van de verdelingen, kenmerken en afmetingen van al de hogere en lagere werelden die de Almachtige schiep.
O heer, u hebt de dynastieën en de eigenschappen van koning Priyavrata en koning Uttânapâda beschreven. De Allerhoogste Godspersoon heeft deze materiële wereld geschapen met verschillende universa, planetenstelsels, planeten en sterren, en allerlei landen, zeeën, oceanen, bergen, rivieren, tuinen en bomen, elk met hun eigen kenmerken. Deze zijn verdeeld over deze aarde, de hemellichamen die in de ruimte zweven en de lagere planetenstelsels. U hebt deze planeten, en de levende wezens die erop wonen, heel duidelijk beschreven. (Vedabase)
Alstublieft verklaar me hier en nu wat het menselijke wezen alhier te doen staat zodat ze niet al de soorten van verschrikkelijke omstandigheden moet ondergaan van een waarlijk lijden in de hel.'
O zeer fortuinlijke S'ukadeva Gosvâmî, wees nu zo goed me te vertellen hoe de mensen deze helse situaties en de verschrikkelijke pijn die ze daarin moeten lijden, bespaard kunnen worden. (Vedabase)
S'rî S'uka zei: 'Als in dit leven niet de nodige tegenmaatregelen worden genomen, het juiste afdoen wordt beoefend, zal, na het het zich verkeerd hebben gedragen in het denken, met de uitlatinmgen en met de zinnelijkheid, ongetwijfeld die persoon inderdaad na de dood eindigen in de verschillende soorten van hellen van verschrikkelijk lijden, welke ik u reeds heb beschreven.
S'rîla S'ukadeva Gosvâmî antwoordde: Mijn beste koning, wie vóór zijn volgende dood de reacties op alle zondige activiteiten die hij tijdens dit leven met zijn geest, woorden en lichaam heeft begaan, niet geneutraliseerd heeft door op de juiste wijze boete te doen volgens de voorschriften in de Manu-samhitâ en andere dharma-s'âstra's, zal na zijn dood zeker naar de helse planeten gaan en daar verschrikkelijk moeten lijden, zoals ik u reeds heb uitgelegd. (Vedabase)
Daarom, voordat men dood gaat en voordat je lichaam te oud en te gebrekkig is, behoort men alhier zo gauw men er de kans toe ziet zich te wijden aan het tenietdoen van de overtredingen met een juiste inschatting van hun ernst, precies zoals een dokter goed in het stellen van diagnosen zou doen met het behandelen van een ziekte.'
Daarom dient men vóór zijn volgende dood, zolang zijn lichaam nog sterk is, zo snel mogelijk zijn zonden te neutraliseren volgens de aanwijzingen van de s'âstra; anders zou men wel eens geen tijd meer kunnen hebben en zullen de reacties op zijn zonden zich ophopen. Op dezelfde manier als een bekwaam arts de diagnose opmaakt van een ziekte en die naargelang de ernst ervan behandelt, moet men boete doen overeenkomstig de ernst van zijn zonden. (Vedabase)
De koning zei: 'Wat is dat afdoen nu voor een waarde als men, ondanks erover te vernemen en er getuige van te zijn, en te weten hoe schadelijk voor zichzelf men handelt in het begaan van overtredingen, men niet werkelijk zichzelf in de hand kan krijgen met het steeds maar in herhaling ten val komen?
Mahârâja Parîkshit zei: Soms beseft iemand dat zondige activiteiten schadelijk voor hem zijn, omdat hij met zijn eigen ogen ziet dat een misdadiger gestraft wordt door de regering en smadelijk behandeld wordt door het volk, en omdat hij uit de geschriften en van de geleerden verneemt dat iemand vanwege zijn zondige daden in zijn volgende leven in de hel terechtkomt. Ondanks dergelijke kennis wordt men echter keer op keer gedwongen om zonden te begaan, zelfs nadat men ervoor heeft geboet. Wat is daarom de waarde van dergelijke boetedoening? (Vedabase)
Somtijds een einde makend aan de zonde, somtijds er weer opnieuw aan beginnend, bezie ik het proces van afdoen als nogal zinloos; het is precies als met een olifant die een stofbad neemt nadat hij uit het water komt.'
Soms valt iemand ondanks het feit dat hij zeer voorzichtig is om geen zondige activiteiten te begaan opnieuw ten prooi aan zondig leven. Daarom beschouw ik dit proces van steeds opnieuw zondigen en boete doen als zinloos. Het is te vergelijken met het baden van een olifant, die zich reinigt door een uitgebreid bad te nemen, maar zodra hij weer op het land komt opnieuw stof en zand over zijn kop en de rest van zijn lichaam gooit. (Vedabase)
De zoon van Vyâsa zei: 'Met het tenietdoen van karma wordt inderdaad, door het ontbreken van de nodige kennis, niet haar einde gerealiseerd; wil men er waarlijk mee hebben afgedaan dan moet men er echt genoeg van hebben.
S'ukadeva Gosvâmî, de zoon van Vedavyâsa, antwoordde: Mijn beste koning, aangezien de activiteiten om zonden te neutraliseren eveneens baatzuchtig zijn, zullen ze iemand niet verlossen van de neiging tot baatzuchtig handelen. Degenen die zich aan de regels en bepalingen voor boetedoening onderwerpen zijn beslist niet intelligent. Integendeel, ze bevinden zich in de geaardheid duisternis. Tenzij men vrij is van de geaardheid onwetendheid, heeft het geen zin om te proberen de ene daad door de andere te neutraliseren, omdat dat iemands zondige verlangens niet wegneemt. Dus zelfs bij iemand die op het eerste gezicht vroom lijkt, is de neiging om zonden te begaan toch zonder meer aanwezig. Ware boetedoening is daarom dat men verlicht raakt door volmaakte kennis, Vedânta, door middel waarvan men de Allerhoogste Absolute Waarheid kan begrijpen. (Vedabase)
Zij die het juiste voedsel eten worden werkelijk niet geplaagd door allerhande ziekten, zo ook heeft hij die te werk gaat met een ordentelijk in acht nemen o Koning, een toenemende kans op welbevinden.
Mijn beste koning, wanneer een zieke zuiver, onbesmet voedsel eet dat voorgeschreven is door een dokter, wordt hij langzamerhand beter en kan de besmetting hem niet langer deren. Op dezelfde manier raakt iemand die de regels der kennis naleeft geleidelijk bevrijd van alle besmetting der materie. (Vedabase)
Dit doet men middels gelofte en regulatie [yama en niyama]; vrijwillige boetedoening, celibaat, het beheersen van de geest [in dhyâna en met japa b.v.] en inperking van het zinnelijke alsook met het schenken aan goede doelen, met waarachtigheid en met inwendige en uitwendige reinheid. Met het lichaam, de stem en met de intelligentie maken zij die nuchter zijn, volledig op de hoogte van de feitelijke plicht van het dharma, met geloof een eind aan allerlei overtredingen, hoe groot en abominabel ook, zoals vuur droge bladeren verteert.
Om zich te kunnen concentreren moet men celibatair leven en daar niet van afwijken; men moet ascese beoefenen door vrijwillig zingenot op te geven. Vervolgens moet men de geest en de zinnen leren beheersen, schenkingen doen, waarachtig, rein en geweldloos zijn, de regels en bepalingen naleven, en regelmatig de heilige naam van de Heer chanten. Op die manier wordt een sober en gelovig mens die de religieuze principes kent tijdelijk gezuiverd van alle zonden die hij met zijn lichaam, woorden en geest heeft begaan. Deze zonden zijn te vergelijken met de droge bladeren van het onkruid onder een bamboestruik; hoewel men het in brand kan steken, blijven de wortels achter, zodat het bij de eerste de beste gelegenheid weer omhoog zal schieten. (Vedabase)
Sommigen slagen erin, met een vertrouwen op niets anders gebaseerd dan op een onvermengde toewijding [*] jegens Vâsudeva, al hun slechtheid te vernietigen zonder een kans op wederopleven, zoals de zon dat met mist doet.
Alleen de zeldzame personen die tot volkomen zuivere toegewijde dienst aan Krishna gekomen zijn, kunnen het onkruid der zondige activiteiten dusdanig ontwortelen dat er geen mogelijkheid meer bestaat dat het ooit weer opkomt. Dit doen ze door eenvoudigweg toegewijde dienst te verrichten, net zoals de zon met zijn stralen onmiddellijk alle mist kan verdrijven. (Vedabase)
Een mens vol van zonde, o Koning raakt voorzeker lang niet zo gezuiverd door boetedoening en dergelijke als de toegewijde die zijn leven overgaf aan Krishna in toegewijde dienst aan de oorspronkelijke persoon van God [of de âcârya, zie ook: 5.5: 10-13].
Mijn beste koning, als een zondaar dienst bewijst aan een bonafide toegewijde van de Heer en op die manier leert hoe hij zijn leven aan de lotusvoeten van Krishna moet wijden, kan hij volkomen gezuiverd worden, hetgeen niet mogelijk is door alleen versterving, ascese, brahmacarya en de andere vormen van boetedoening te ondergaan die ik al eerder beschreven heb. (Vedabase)Tekst 17:
In deze wereld is de weg die werkelijk geschikt is hij die wordt gevolgd door zich goed gedragende, onbevreesde en zegenrijke, heilige personen in overgave aan Nârâyana.
De weg die gevolgd wordt door zuivere toegewijden, die welgemanierd zijn en de beste eigenschappen ten volle bezitten, is ongetwijfeld de meest zegenrijke in deze materiële wereld. Wie dit pad volgt, heeft niets te vrezen, en het is geautoriseerd door de s'âstra's. (Vedabase)
Het leeuwendeel van de inlossing, oplettend door een niet-toegewijde opgebracht, zal niet zuiveren, o Koning, precies zoals alle rivieren dat niet kunnen met het uitwassen van een drankvat.
Mijn beste koning, zoals een kruik waar sterke drank in heeft gezeten zelfs niet gezuiverd kan worden als men hem uitwast met het water van vele rivieren, zo kan een niet-toegewijde niet gezuiverd worden door het volgen van bepaalde methoden van boetedoening, ook al doet hij dat nog zo volmaakt. (Vedabase)
Als de geest eenmaal vol is van de overgave aan de twee lotusvoeten van Heer Krishna, zal men alhier, vol verlangen uitziend naar Zijn kwaliteiten, nimmer Yamarâja en zijn opzichters op zijn weg vinden, of zelfs maar in zijn dromen zijn dienaren, met de touwen voor het vastbinden onder hun armen, tegenkomen, aangezien men dan wel van het juiste afdoen is [vergelijk B.G. 18: 66].
Hoewel ze Hem niet volkomen hebben gerealiseerd, zijn mensen die zich zelfs maar één keer volkomen aan Krishna's lotusvoeten hebben overgegeven, en aangetrokken zijn geraakt tot Zijn naam, gedaante, eigenschappen en spel en vermaak, volkomen vrij van alle gevolgen van hun zonden, omdat ze de ware methode van boetedoening hebben gevolgd. Zulke overgegeven zielen zien Yamarâja of zijn dienaren, die touwen bij zich hebben om de zondaars mee vast te binden, zelfs niet in hun dromen. (Vedabase)
In verband hiermee wordt ook wel het voorbeeld gegeven van de zeer oude geschiedenis van de discussie tussen de gezagdragers van Vishnu en Yamarâja. Alstublieft, verneem hierover nu van mij.
Grote geleerden en heiligen beschrijven in dit verband een heel oud, waar gebeurd verhaal over een discussie tussen de afgezanten van Heer Vishnu en die van Yamarâja. Luister, dan zal ik u het vertellen. (Vedabase)
In de stad Kânyakubja was er eens een brahmaan, die de naam Ajâmila droeg, die als de man van een vrouw uit de lagere klasse besmet was geraakt in zijn omgang met haar diensten en al zijn waarheidlievende gedrag had verloren.
In de stad Kânyakubja woonde eens een brâhmana met de naam Ajâmila. Deze Ajâmila trouwde met een dienstmeid, een prostituée, en verloor door omgang met deze laaggeboren vrouw al zijn brahmaanse eigenschappen. (Vedabase)
Doordat hij zijn toevlucht had genomen tot verwerpelijke praktijken als het doen van aanhoudingen zonder noodzaak, bedrog in het gokspel en diefstal, hield hij zijn gezin op een hoogst zondige wijze in leven, waarbij hij anderen veel leed berokkende.
Deze gevallen brâhmana Ajâmila bezorgde andere mensen problemen door ze lastig te vallen, ze te bedriegen bij het gokken, of door ze rechtstreeks te beroven. Op deze manier verdiende hij zijn brood en onderhield hij zijn vrouw en kinderen. (Vedabase)
Op deze manier zijn leven doorbrengend met het onderhouden van zijn gezin dat uit vele zoons bestond, o Koning, verstreek de enorme tijdspanne van achtentachtig van zijn levensjaren.
Mijn beste koning, terwijl hij op die manier zijn tijd met afschuwelijke en zondige activiteiten doorbracht om zijn gezin met vele kinderen te onderhouden, verstreken er achtentachtig jaar van zijn leven. (Vedabase)
Hij, als een oude man, had tien zonen en de jongste van hen was een klein kind dat door de vader en de moeder zeer werd gekoesterd en werd aangesproken met de naam Nârâyana.
Die oude man, Ajâmila, had tien zonen, waarvan de jongste nog een baby was die Nârâyana heette. Aangezien Nârâyana het jongste kind was, was hij zijn vader en moeder vanzelfsprekend zeer dierbaar. (Vedabase)
Het kleintje lag hem na aan het hart; getuige te zijn van de kinderpraat en het spelen deed de oude man veel plezier.
Het gebrabbel en de onbeholpen bewegingen van het kind maakten de oude Ajâmila zeer aan hem gehecht. Hij zorgde altijd zelf voor de jongen en genoot van alles wat hij deed. (Vedabase)
Als hij at en dronk en kauwde gaf hij uit grote genegenheid voor het kind het ook iets te eten en te drinken, maar dwaas als hij was had hij niet door dat zijn einde nabij was.
Als Ajâmila aan het eten was, riep hij het kind om ook te komen eten, en als hij dronk, riep hij het kind en gaf hem ook te drinken. Terwijl hij zo altijd met zijn kind bezig was en voortdurend zijn naam, Nârâyana, uitsprak, besefte hij niet dat zijn eigen tijd ten einde liep en dat de dood nabij was. (Vedabase)
Toen zijn stervensuur was aangebroken had hij, levend als een onbenullig iemand, aldus een geest die zich had gefixeerd op het jongetje dat de naam Nârâyana droeg.
Toen het moment van de dood gekomen was voor de dwaze Ajâmila, dacht hij uitsluitend nog aan zijn zoon Nârâyana. (Vedabase)
Op korte afstand zag hij dat drie types waren gearriveerd die, met touwen in hun handen en angstwekkende gelaatstrekken, verwrongen gezichten en hun haren rechtop op hun lichaam staand, klaar stonden om hem met zich mee te nemen. Verschrikt en met tranen in zijn ogen riep hij luid om zijn in de buurt spelende kind dat dus de naam Nârâyana droeg.
Opeens zag Ajâmila drie vervaarlijke, mismaakte personen met woeste, vertrokken gezichten en rechtopstaand haar op hun lichaam. Ze hadden touwen in hun handen en waren gekomen om hem mee te nemen naar het rijk van Yamarâja. Toen Ajâmila hen zag raakte hij volkomen in de war, en uit gehechtheid aan zijn kind, dat een eindje verderop zat te spelen, begon hij luid diens naam te roepen. Zo chantte hij op de een of andere manier, met tranen in zijn ogen, de heilige naam van Nârâyana. (Vedabase)
Toen ze de naam van hun meester de Heer hoorden uit de mond van de stervende man, o Koning, kwamen Zijn dienaren er meteen aan.
Mijn beste koning, de afgezanten van Vishnu, de Vishnudûta's, verschenen onmiddellijk ter plaatse toen ze de stervende Ajâmila de heilige naam van hun meester hoorden chanten. Hij had zonder meer gechant zonder overtredingen te maken, vol angst als hij was op dat moment. (Vedabase)
Op het ogenblik dat de boodschappers van Yâma bij de echtgenoot van de meid van binnenuit zijn hart aan lostrekken waren, riepen de Vishnudûta's met welluidende stem dat een halt toe
De afgezanten van Yamarâja waren bezig de ziel uit het hart van Ajâmila, de echtgenoot van de prostituée, te trekken, maar de Vishnudûta's, de afgezanten van Heer Vishnu, verboden hen met galmende stemmen om dit te doen. (Vedabase)
Zij, verhinderd, antwoordden hen: 'Wie zijn jullie allemaal, die ingaan tegen de autoriteit van de Koning van het Dharma?
Toen het de afgezanten van Yamarâja, de zoon van de zonnegod, aldus verboden werd om door te gaan, antwoordden ze: Wie bent u, heren, dat u de rechtsbevoegdheid van Yamarâja durft te tarten? (Vedabase)
Vanwaar of van wie zijn jullie afkomstig of waar horen jullie thuis, waarom zijn jullie naar hier gekomen en waarom weerhouden jullie ons ervan onze gang te gaan? Wie zijn jullie wel niet, de besten der volmaakten, goden of godgelijken of zoiets?
Geachte heren, wiens dienaren bent u, waar komt u vandaan, en waarom verbiedt u ons om het lichaam van Ajâmila aan te raken? Bent u halfgoden van de hemelse planeten, bent u semi-halfgoden, of bent u de besten onder de toegewijden? (Vedabase)
Jullie allen, met jullie lotusgelijke ogen, gele kledij, helmen, glinsterende oorhangers en kransen van lotusbloemen; jullie allen, die er zo jong uitzien en allemaal even mooi zijn met vier armen, een boog, een pijlenkoker en de opsier van een zwaard, een strijdknots, een hoornschelp, een werpschijf en een lotusbloem, in alle richtingen verdrijven jullie de duisternis met de straling van het licht dat van jullie uitgaat; wat is er de bedoeling van ons te dwarsbomen, de dienaren van de handhaver van het Dharma?'
De afgezanten van Yamarâja zeiden: Uw ogen lijken precies op de kelkbladen van een lotus. Met uw geelzijden kleding, kransen van lotusbloemen, prachtige helmen op uw hoofd en oorringen in uw oren, ziet u er allemaal fris en jeugdig uit. U hebt elk vier lange armen en u bent getooid met bogen, pijlkokers, zwaarden, knotsen, hoornschelpen, werpschijven en lotusbloemen. Het buitengewone licht dat u uitstraalt heeft al het duister van deze plaats verdreven. Waarom, heren, belemmert u ons? (Vedabase)
S'uka zei: 'Aldus aangesproken door de Yamadûta's gaven ze hen, altijd bereid Vâsudeva te dienen, glimlachend het volgende ten antwoord met stemmen die weerklonken als de rollende donder.
S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: Nadat de dienaren van Vâsudeva aldus waren aangesproken door de boodschappers van Yamarâja, glimlachten ze, en spraken de volgende woorden met stemmen zo diep als het gerommel van de donder in de wolken. (Vedabase)
De achtenswaardige Vishnudûta's zeiden: 'Als jullie bij elkaar daadwerkelijk de gezagdragers van de Koning van het Dharma zijn, leg ons dan maar eens uit wat de waarheid is van dharma alsook hoe adharma moet worden herkend.
De gezegende booschappers van Heer Vishnu, de Vishnudûta's zeiden: Als jullie werkelijk dienaren van Yamarâja zijn, moeten jullie ons eens uitleggen wat men onder religieuze beginselen verstaat en waaraan men goddeloosheid herkent. (Vedabase)
Op welke manier zouden straffen moeten worden uitgedeeld of wat zou de geschikte plaats daarvoor zijn, en zijn alle of slechts enkele van de mensen die uit zijn op hun voordeel strafbaar?
Hoe moet men anderen straffen, en wie komt er eigenlijk voor straf in aanmerking? Zijn alle karmî's die baatzuchtige activiteiten verrichten strafbaar, of sommigen wel en anderen niet? (Vedabase)
De Yamadûta's zeiden: 'In de Veda's inderdaad staat het dharma voorgeschreven, adharma is het tegengestelde daarvan; de Veda's moeten worden gezien als voortgekomen uit Hemzelve, uit Nârâyana, zo hebben we vernomen.
De Yamadûta's antwoordden: De voorschriften in de Veda's vertegenwoordigen dharma, de religieuze beginselen, en het tegenovergestelde daarvan is goddeloosheid. De Veda's zijn rechtstreeks de Allerhoogste Godspersoon, Nârâyana, en ze hebben geen andere oorsprong dan zichzelf. Dit hebben we van Yamarâja vernomen. (Vedabase)
Door Hem, vanuit Zijn eigen positie, worden onder het gezag van de geaardheden der hartstocht, goedheid en traagheid al deze manifestaties geschapen en hebben ze de bij hen horende verschillen in kwaliteiten, namen, activiteiten en gedaanten.
Hoewel de allerdiepste oorzaak aller oorzaken, Nârâyana, Zich in Zijn eigen verblijfplaats in de geestelijke wereld bevindt, bestuurt Hij de hele kosmische openbaring door middel van de drie geaardheden der materiële natuur - sattva-guna, rajo-guna en tamo-guna. Zo komt het dat alle levende wezens verschillende eigenschappen, verschillende namen [zoals brâhmana, kshatriya en vais'ya], verschillende plichten volgens het varnâs'rama-stelsel en verschillende gedaanten toebedeeld krijgen. Daarom is Nârâyana de oorzaak van de hele kosmische openbaring. (Vedabase)
De goddelijkheid van de zon, het vuur, de hemel, de lucht, de goden, de maan, de avond, de dag en de nacht, de richtingen, het water en het land; al dezen verpersoonlijken het dharma, waarlijk aldus de getuigen vormend voor het belichaamde levende wezen.
De zon, het vuur, de ether, de lucht, de halfgoden, de maan, de avond, de dag, de nacht, de windrichtingen, het water, het land en de Superziel Zelf zijn allemaal getuigen van de activiteiten van het levend wezen. (Vedabase)
Door al dezen wordt de afwijking in adharma gekend en worden al de geschikte plaatsen van bestraffing onderkend met achting voor het karma in kwestie van de overtreders die de bestraffing verdienen.
Degenen die ervoor in aanmerking komen om te worden gestraft, zijn zij van wie deze vele getuigen hebben gezien dat ze zich niet aan hun voorgeschreven plichten hebben gehouden. Iedereen die zich met baatzuchtige activiteiten bezighoudt, komt ervoor in aanmerking om gestraft te worden overeenkomstig de zonden die hij heeft begaan. (Vedabase)
Met de karmî's die, besmet door de geaardheden, een materiële gedaante hebben aangenomen, zijn er inderdaad goedgunstige, vrome daden zowel als handelingen die daar lijnrecht tegenover staan, o zondelozen, aangezien vrijwel niemand zijn werk volledig vrij van materiële motieven verricht.
O inwoners van Vaikunthha, u bent vrij van zonden, maar degenen die zich in deze materiële wereld bevinden, zijn allen karmî's, of ze zich nu vroom of zondig gedragen. Beide soorten activiteit zijn mogelijk voor hen, omdat ze besmet zijn door de drie geaardheden der natuur en dienovereenkomstig moeten handelen. Wie een materieel lichaam heeft aanvaard, kan niet inactief zijn, en iemand die onder invloed staat van de geaardheden der materiële natuur begaat onvermijdelijk zonden. Daarom zijn alle levende wezens in deze materiële wereld strafbaar. (Vedabase)
De mate waarin iemand in dit leven zich bezig houdt met een zeker dharma of adharma, verzekert hem van het genieten of lijden onder een bepaald resultaat in overeenstemming ermee in zijn volgende leven [vergelijk B.G. 14: 18].
Al naargelang de hoeveelheid vrome of zondige activiteiten die iemand tijdens dit leven heeft verricht, moet hij in zijn volgende leven de aangename of onaangename gevolgen van zijn karma ondergaan. (Vedabase)
Zoals in dit leven onder de levenden, o beste der goddelijken, van de verschillende effecten der natuurlijke geaardheden, de drie soorten van eigenschappen worden verworven [van vreedzaam, rusteloos en zot zijn; of van gelukkig, ongelukkig, of iets er tussenin zijn; of van religieus, onkerkelijk of semi-kerkelijk zijn], mag men verwachten dat het net zo gaat als men ergens anders terecht komt [een leven hierna].
O besten der halfgoden, wij onderscheiden drie verschillende soorten leven naargelang de besmetting van de drie geaardheden der natuur. Zodoende kent men de levende wezens als vredig, rusteloos en dwaas; als gelukkig, ongelukkig of daartussenin; of als religieus, zondig en semi-religieus. We kunnen hieruit afleiden dat deze drie materiële geaardheden in het volgende leven op dezelfde manier door zullen werken. (Vedabase)
Net zoals de huidige tijd bewijs vormt van het verleden en een aanwijzing vormt voor de toekomst, is net zo deze geboorte aanduiding voor het dharma en adharma van iemands geboorten in het verleden en in de toekomst.
Zoals de lente in het heden ons een idee geeft van de aard van de lentes in het verleden en de toekomst, zo getuigt een leven van geluk of verdriet of een mengeling van beide van de religieuze en zondige activiteiten in iemands vorige en toekomstige levens. (Vedabase)
In zijn verblijf neemt de godheid [die Yamarâja is] in zijn geestesoog de in het verleden aangenomen gedaante waar en overweegt hij de mogelijke toekomst ervan; aangaande de geest is hij een Heer zo goed en groot als Brahmâ.
De almachtige Yamarâja is van hetzelfde niveau als Heer Brahmâ, want hij neemt, vanuit zijn eigen verblijfplaats of vanuit het hart van elk levend wezen. (net als de Paramâtmâ), in zijn geest ieders vroegere activiteiten waar. Op die manier begrijpt hij hoe het levend wezen zich in zijn toekomstige levens zal gedragen. (Vedabase)
Zoals iemand in zijn slaap bezig is met handelingen met betrekking tot een bepaalde gedaante, is men op dezelfde manier zich niet bewust van het verleden en van wat komen gaat, bij geboorte de heugenis verloren hebbend.
Zoals iemand in zijn slaap volgens het lichaam handelt dat hij in zijn droom heeft aangenomen en zich daarmee identificeert, zo vereenzelvigen wij ons met het huidige lichaam, dat we vanwege onze vroegere vrome of goddeloze daden hebben gekregen, en verkeren we in onwetendheid aangaande onze vorige en toekomstige levens. (Vedabase)
Met de zeventien der werkende en waarnemende zinnen en hun vijf objecten, gaat hij te werk, weet hij en heeft hij zijn belangen, maar met deze vijftien elementen en de geest daartoe, is hij [de ziel] het zelf die het zeventiende element vormt dat het drievoudige geniet.
Boven de vijf kennisverwervende zintuigen, de vijf werkzintuigen en de vijf zinsobjecten bevindt zich de geest - het zestiende element - en boven de geest staat het zeventiende element, de ziel, het levend wezen zelf, die met behulp van de andere zestien elementen alleen van de materiële wereld geniet. Het levend wezen kent drie soorten situaties, namelijk geluk, verdriet en een mengeling van beide. (Vedabase)
Aangezien dat zestiendelige subtiele lichaam het effect is van de drie krachten van de grotere natuur, is het levend wezen onderworpen aan een [moeilijk te boven te komen] herhaalde transmigratie [samsriti] die het in vreugde, weeklagen, angst en ellende verzet.
Het subtiele lichaam heeft zestien aspecten - de vijf kennisverwervende zinnen, de vijf actieve zinnen, de vijf objecten van zinsbevrediging en de geest. Dit subtiele lichaam is een produkt van de drie geaardheden der materiële natuur. Het bestaat uit onoverkomelijk sterke verlangens, en het voert het levend wezen daardoor van het ene lichaam naar het andere, onder de mensen, dieren en halfgoden. Als het levend wezen in het lichaam van een halfgod geboren wordt is hij uiteraard zeer opgetogen, maar als hij een menselijk lichaam krijgt klaagt hij altijd, en heeft hij een dierelichaam dan leeft hij voortdurend in angst. In feite is hij echter in alle omstandigheden miserabel. Deze situatie wordt samsriti genoemd, het verhuizen van het ene lichaam naar het andere in het materiële bestaan. (Vedabase)
De belichaamde die het bewustzijn mist met het niet in bedwang hebben van de zinnen en de geest, wordt tegen zijn wil tot het doen van handelingen terwille van zijn eigen materiële voordeel aangezet; zoals een zijderups weeft hij aldus verdwaasd rakend zich in in zijn eigen karma.
Hulpeloos als het dwaze belichaamde levend wezen is in het beheersen van zijn zinnen en geest, wordt hij tegen zijn wens in gedwongen om volgens de geaardheden der materiële natuur te handelen. Hij is als een zijderups, die zijn eigen speeksel gebruikt om een cocon te maken en er vervolgens op zo'n manier in verstrikt raakt dat hij er onmogelijk weer uit kan komen. Het levend wezen zet zichzelf gevangen in het netwerk van zijn eigen baatzuchtige activiteiten en kan vervolgens geen enkele manier vinden om zich er weer uit te bevrijden. Daarom is hij altijd verbijsterd en gaat hij keer op keer dood. (Vedabase)
Er is waarlijk niemand die het ook maar voor een ogenblik zonder iets te doen kan stellen; door de drie geaardheden wordt iemand er automatisch toe gedwongen vruchtdragende handelingen te verrichten die het resultaat zijn van de eigen natuurlijke neigingen.
Geen enkel levend wezen kan ook maar een moment niets doen. Men moet handelen volgens zijn natuurlijke neigingen, overeenkomstig de drie geaardheden der materiële natuur, want deze natuurlijke neigingen dwingen iemand om zich op een bepaalde manier te gedragen. (Vedabase)
Met de o zo machtige, aangeboren aard vindt, zonder twijfel, als een kopie van het vlees van de moeder en het zaad van de vader, het grove en subtiele van het lichaam zijn bestaan voortgedreven door de, voor de persoon niet waarneembare, oorzaak [zie ook: B.G. 8: 6].
Iemands baatzuchtige activiteiten, of ze nu vroom zijn of zondig, zijn de onzichtbare oorzaak van de vervulling van zijn verlangens. Deze onzichtbare oorzaak is de oorsprong van de verschillende lichamen van het levend wezen. Vanwege zijn intense verlangen wordt het levend wezen in een bepaalde familie geboren, en krijgt hij een lichaam dat ofwel op dat van zijn moeder of op dat van zijn vader lijkt. De grofstoffelijke en fijnstoffelijke lichamen komen dus tot stand overeenkomstig zijn verlangen. (Vedabase)
De positie van een levend wezen is vanwege deze omgang met het materiële van de natuur verworden tot een akelige vol vergetelheid, maar als men maar kort de omgang van de Beheerser mag genieten, is dat probleem al overwonnen.
Daar het levend wezen in contact staat met de materiële natuur bevindt hij zich in een netelige situatie, maar wanneer hij in de menselijke levensvorm leert om met de Allerhoogste Godspersoon of Zijn toegewijden om te gaan, kan hij deze toestand te boven komen. (Vedabase)
Deze hier [Ajâmila] was altijd goed in de Veda, van een goede inborst, van goed gedrag en was een reservoir van goede eigenschappen; gewetensvol volgde hij de aanwijzingen op, was hij zachtgeaard, beheerst, waarheidlievend, deed hij zijn mantra's, was hij netjes en schoon, van de hoogste achting in dienst aan de goeroe, de vuurgod, zijn gasten en de leden van de huishouding en was hij vrij van vals prestige, vriendelijk jegens allen, zonder fouten, niet afgunstig en van de beste bewoordingen.
In het begin van zijn leven bestudeerde deze brâhmana Ajâmila alle vedische geschriften. Hij was voorbeeldig van karakter en gedrag, en hij bezat alle goede eigenschappen. Hij was strikt in het naleven van alle vedische voorschriften, bijzonder mild en zachtaardig, en meester over zijn zinnen en geest. Bovendien was hij waarheidlievend, wist hij hoe hij de vedische mantra's moest chanten, en gaf hij blijk van grote zuiverheid. Ajâmila toonde zeer veel respect voor zijn geestelijk leraar, de vuurgod, gasten en de oudere leden van de familie. Hij was vrij van valse trots, rechtvaardig, welwillend tegenover alle levende wezens, en beschaafd. Hij sprak nooit onzin en was op niemand afgunstig. (Vedabase)
Ooit ging deze brahmaan, in opdracht van zijn vader, naar het bos om aldaar vruchten en bloemen te verzamelen en samit en kus'a [grassoorten]. Terugkerend, zag hij een of andere s'ûdra zeer lustig bezig samen met een publieke vrouw die dronken van de maireya nectar [een drank gemaakt van de somabloem] met haar ogen heen en weer rolde van de bedwelming. Onder invloed was haar kleed los gaan zitten en, onbeschaamd in wangedrag vervallen, stond hij lachend en zingend dicht tegen haar aan, zich met haar vermakend.
Op een dag ging deze brâhmana Ajâmila in opdracht van zijn vader naar het woud om er vruchten, bloemen en twee soorten gras, namelijk samit en kus'a, te plukken. Op de terugweg zag hij een s'ûdra, een erg wellustige, vierderangs man, die schaamteloos een prostituée aan het omhelzen en kussen was. De s'ûdra lachtte, zong en genoot volop alsof het zo hoorde. Zowel de s'ûdra als de prostituée waren dronken. De ogen van de prostituée rolden als gevolg van haar dronkenschap, en haar kleding hing los. Dit was de toestand waarin Ajâmila hen aantrof. (Vedabase)
Haar ziend met zijn wellustige met turmeric versierde arm om haar heen, was hij er dus plots, van zijn jagende hart, zowaar zeker van ten prooi te vallen aan de verbijstering.
De s'ûdra, wiens armen geel waren van de kurkuma, omhelsde de prostituée. Toen Ajâmila haar zag, werden de sluimerende wellustige verlangens in zijn hart opgewekt en viel hij er in illusie aan ten prooi. (Vedabase)
Van binnenuit trachtend zichzelf onder controle te krijgen, zichzelf herinnerend aan wat onderwezen was, slaagde hij er niet in zijn geest te bedwingen, van streek als die was door Cupido.
Geduldig probeerde hij zich zo goed mogelijk de instructies van de s'âstra's te herinneren, volgens welke hij zelfs niet naar een vrouw mocht kijken. Met behulp van deze kennis en zijn intelligentie probeerde hij zijn wellustige verlangens te onderdrukken, maar door de kracht van Cupido in zijn hart slaagde hij er niet in zijn geest te beheersen. (Vedabase)
Als gevolg van de aanblik was hij, in de begoocheling van zijn geest zijn ware positie vergetend, als een verduisterde planeet en gaf hij, met zijn geest op haar gevestigd steeds weer aan haar denkend, zijn dharma er volledig aan.
Op dezelfde manier als de zon en de maan verduisterd worden door een slechte planeet, verloor de brâhmana al zijn gezonde verstand. Van deze situatie gebruikmakend dacht hij onophoudelijk aan de prostituée, en nam haar al gauw als dienstbode in huis, waarna hij alle regels opgaf waaraan een brâhmana zich dient te houden. (Vedabase)
Haar, had hij zich voorgenomen, zou hij behagen, voor zover het geld dat hij had van zijn vader hem dat toestond en, tegemoetkomend aan haar verlangens, bood hij haar materiële zekerheid, zodat ze tevreden zou zijn.
Zo begon Ajâmila al het geld dat hij van zijn vader geërfd had uit te geven aan allerlei cadeaus voor de prostituée, opdat ze tot hem aangetrokken zou blijven. Aldus gaf hij al zijn brahmaanse activiteiten op om de prostituée tevreden te stellen. (Vedabase)
Zijn jonge vrouw, een brahmanendochter van goede huize, waarmee hij was getrouwd, gaf hij in zijn zonde op vanaf het moment dat zijn gefascineerd raakte door de blikken van de publieke vrouw.
De brâhmana Ajâmila werd het slachtoffer van de prostituée omdat zijn intelligentie doorboord was door haar wellustige blikken. Zo gaf hij zich in haar gezelschap aan allerlei zondige daden over. Hij gaf zelfs zijn bijzonder knappe, jonge vrouw op, die uit een zeer respectabele brâhmana-familie kwam. (Vedabase)
Met alle macht en zoveel als mogelijk nam hij, deze persoon, verstoken van alle intelligentie, door dan wel behoorlijk dan wel onbehoorlijk het geld ervoor bijeen te zamelen, de zorg voor haar en de vele kinderen die deel uitmaakten van het gezin dat ze vormde.
Hoewel deze schurk in een brâhmana-familie geboren was, verloor hij door zijn omgang met de prostituée al zijn verstand, en om de zonen en dochters van de prostituée te onderhouden maakte het hem niet uit of hij zijn geld op een eerlijke of op een oneerlijke manier verdiende. (Vedabase)
Omdat deze man, zich onverantwoordelijk gedragend, brak met alle regels van de s'âstra, werd zijn leven van het voor zo'n lange tijd verwijlen in foute handelingen, vanwege de onzuiverheid ten strengste veroordeeld als zijnde onrein.
Deze brâhmana is zo onverantwoordelijk geweest om zijn hele leven lang alle regels en bepalingen van de heilige geschriften te schenden, een zeer losbandig leven te leiden en voedsel te eten dat bereid was door een prostituée. Daarom is hij uiterst zondig. Hij is onrein en verslaafd aan verboden activiteiten. (Vedabase)
Aangezien hij van geen ophouden wist met zijn herhaalde overtredingen, zullen we derhalve hem meevoeren naar de aanwezigheid van de Heer der Bestraffing alwaar gekastijd hij zuivering zal vinden.'
Deze man, Ajâmila, heeft geen boete gedaan voor zijn zondige leven. Daarom moeten we hem voor Yamarâja brengen. Daar zal hij naargelang de ernst van zijn zonde worden gestraft en op die manier gezuiverd raken. (Vedabase)
: In samenhang hiermee geeft S'rîla Jîva Gosvâmî het commentaar dat bhakti kan worden verdeeld in twee afdelingen: (1) santatâ, toegewijde dienst die zonder ophouden voortduurt met geloof en liefde, en (2) kâdâcitkî, toegewijde dienst die niet onophoudelijk voortduurt maar somtijds opleeft. Een onophoudelijk stromende toegewijde dienst. (santatâ) kan ook in twee afdelingen worden verdeeld: (1) dienst verricht met een lichte gehechtheid en (2) spontane toegewijde dienst. Onderbroken toegewijde dienst. (kâdâcitkî) kan worden verdeeld in drie afdelingen: (1) râgâbhâsamayî, toegewijde dienst waarin men vrijwel gehecht is, (2) râgâbhâsa-s'ûnya-svarûpa-bhûtâ, toegewijde dienst waarin er geen spontane liefde is maar men sympathie koestert voor de uitgangspositie van het dienen, en (3) âbhâsa-rûpâ, iets wat in de verte doet denken aan toegewijde dienst.
Voor
deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam
linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van
Prabhupâda.
Het eerste schilderij op deze pagina is van Pariksit
dasa.
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd